‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes mijn hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein.
Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen.
‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud.
Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens. En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb.
“Een glaasje water graag’, bestel ik. Dat zal helpen tegen die droge mond.
Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden en ervan kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien.
Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik, maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.
Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag . Straks moet ik nog overgeven. Ik weet ondertussen wel dat de rede soms niet opgewassen is tegen het gevoel maar ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.
Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer iemand binnen die ik moet begroeten. ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren. Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren.
Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk, nog in de illusie dat alles zo blijft.
‘ Zal het lukken mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar.
Het koffiehuisje raakt stilaan vol. Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.
Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen.
‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.
De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen. De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang.
Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn nu op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen. Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden.
Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef.
Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk:
Beste familie en vrienden,
Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed. Ik schoof een stoel bij.
Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof. De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien.
De glazen kast vol poppen in de woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken.
Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten?
Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie.
Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis.
We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen.
Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer Maarten, tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte.
Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en blijkbaar in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen.
En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen.
Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van een bezinningsgroep. Deze gezinsgroep’, zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten.
In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor…
Daar is gelukkig verandering in gekomen’.
Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten.
Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg dan:
‘Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend over de beproeving die ze doorstond daar vooraan, met alle ogen op haar gericht.
Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven.
Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.
Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten.
Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen.
Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.’
Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen.
Ze kennen de strijd.
Ze vreesden een onverbloemd portret.
Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.
Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer. Ondanks en dankzij mijn moeder werd ik haar alter ego.