Haddie

Gebruikersnaam Haddie

Teksten

Wat niet weet, niet deert deel 2

Regelmatig moet ze even gaan liggen. In de kostbare uren die ons nog resten halen we herinneringen op over ons gezamenlijk en over ons gescheiden leven.   We staan versteld van het gelijklopende traject dat we later doorlopen hebben, in dat leven zonder elkaar. We begrijpen niet wat er in elk van ons gevaren is dat we dit allebei, los van elkaar, aangevat en doorgezet hebben. ‘Waar haalden we opeens die ambitie, dat doorzettingsvermogen?’, vragen we ons af, ‘Waar kwam opeens die levensdrift vandaan?’   We kijken naar de twee levenloze meisjes in die donkere kelderkamer die alleen maar wilden slapen en verdwijnen. Nu pas kunnen we uitspreken wat we al die tijd van elkaar wisten. Hoe verloren we ons voelden, hoe slecht we ons konden aanpassen, hoe angstig en onzeker we waren. We praten over onze moeder. ‘Ze vroeg nooit hoe het met ons ging in Gent’, zegt mijn zus, ‘Zelfs nu kan ze zich er niet toe brengen om te informeren hoe het met me gaat’, zucht ze. Dansen bleek mijn zus haar natuur en werd haar passie. Beetje bij beetje moet ze loslaten wat ze beetje bij beetje opgebouwd heeft, haar dansschool. Ook als ze uitgenodigd wordt, komt mijn moeder niet kijken naar haar dansende dochter. Opnieuw een dochter die de onuitgesproken gedragscode ‘onopvallend op de achtergrond blijven’ doorbreekt. Daar wil mijn moeder geen getuige van zijn. Wat niet weet, niet deert.    Mijn huwelijk Mijn huwelijk is een schuilplaats waar ik me onopvallend op de achtergrond kan houden, maar de controle op mijn middenrif verzwakt. Ik heb drie kinderen. Ik probeer de moeder te zijn die mijn moeder niet was. Voor het eerst lees ik niet de boeken uit de uitgebreide bibliotheek van mijn man. In de openbare bibliotheek ontdek ik andere boeken. Over opvoeding. Ik lees ze gretig maar ze brengen ook onrust. Over mijn eigen verleden. Wat altijd vanzelfsprekend was, is het niet meer. Het drama van het begaafde kind.*   * Het drama van het begaafde kind. Alice Miller   Ik sta in de woonkamer van ons hoge herenhuis. Ik kijk naar buiten. Groepjes studenten in het stadspark lopen af en aan. Gelach, gebabbel, fietsgerinkel, leven. Het voelt alsof ik van hen gescheiden ben door een dikke glaswand. Mijn handen en voeten zijn geboeid. Ik begin te beseffen dat ik door de glaswand moet breken en dat ik mij moet bevrijden van de boeien. Ik heb geen idee hoe en of me dat ooit zal lukken. Het liefst zou ik op bed liggen en door het raam staren, net als mijn vader. En wachten tot het allemaal overgaat.   In het programma ‘De wandeling’ * zegt schrijfster, Yvonne Keuls tegen de interviewer, Joris Linssen : “Een van onze grootste opdrachten is onze eigen natuur volgen’. Ze lopen in een park waar ze een boom zoekt die ze tien jaar geleden gered heeft. Werkmannen stonden op het punt om hem om te hakken. ‘Geef hem een kans’, overtuigde ze hen, ‘Hij doet zo zo’n best.’ Met zichtbaar genoegen kijkt Yvonne Keuls naar het boompje dat nu een boom geworden is. ‘Kijk, hoe hij aan zijn natuur beantwoordt’. Ze spreidt haar armen wijd uit en staat daar even met open armen te stralen naast de boom, met zijn takken wijd gespreid.   * NCRV programma ‘De Wandeling’ 30 december 2017   Ik ben dertig jaar en mijlenver verwijderd van mijn natuur. Er zijn steeds meer momenten dat dit besef doorbreekt.   Op een avond kom ik samen met mijn man terug van een concert. We zaten tussen mensen die hun natuur volgden en er plezier aan beleefden. Dit besef is als een gifpijl binnen gekomen. Op het voetpad ga ik door de knieën. Ik kan en wil geen stap meer verder. Ik wil hier ter plekke doodgaan. Ik sla mijn hoofd tegen de trottoirtegels. Vanuit mijn middenrif komt een diep verdriet omhoog. De schaamte achteraf zorgt dat ik het terug probeer in het slikken. Het lukt me steeds minder goed om het allemaal weggeslikt te krijgen.   Er begint iets te veranderen. Ik droom dat ik me samen met mijn man in een grote ruimte bevind. Ik neem slechts een klein hoekje van de ruimte in. Het is vanzelfsprekend dat de rest van de ruimte hem toebehoort.  In mijn droom kom ik in opstand. Het duurt nog even voor ik dat in het werkelijke leven ook doe. De incidenten zijn niet sterk genoeg om me uit de oude doctrine los te rukken. Daar is een aardschok voor nodig.   Vakantie in Zuid-Engeland Het is zachtjes beginnen regenen. We kwamen aan met regen. We vertrekken opnieuw met regen. Daar tussen liggen, als een oase, veertien zonnige dagen. Mike zwaait ons uit. We blijven elkaar aankijken tot hij een wazige vlek geworden is. We zullen elkaar nooit meer terugzien. Hij weet het niet, en ik begrijp ook niet hoe hij het gedaan heeft, maar hij heeft bewerkstelligd waar ik zelf niet toe in staat was. Hij heeft me bevrijd van de demonen die mijn leven tot een hel maakten.   Nooit was ik er meer aan toe om even weg te zijn uit de vertrouwde omgeving. ‘Away from everything’ staat er in de aankondiging van het vakantiehuisje dat we, in het begin van de zomer, met het hele gezin huren. Everything is de man die mijn leven binnengedrongen is.   ‘Let it please be him oh dear God it must be him, it must be him,or I shall die’’   zingt Vikki Carr gepassioneerd en ik met haar, terwijl ik tegelijk bid en smeek om me te verlossen van deze gesel, van de onweerstaanbare drang om bij deze man te zijn, door hem bemind te worden. Mijn verstand weet dat het een verloren zaak is. Ik wil mijn veilige haven niet in gevaar brengen voor een man die enkel wil spelen, een man die ik even begeerlijk als weerzinwekkend vind. Het verlangen drijft me naar buiten, uit de schulp waar ik me al jaren veilig schuil houd. De afkeer, de schaamte en de angst drijven me telkens terug, maar ik vind geen rust meer in mijn schuilplaats.   Mijn man slaapt gewoonlijk tot de middag. Hij is onwetend van de uitzichtloze strijd die ik dagelijks eenzaam voer tegen de monsterlijke verliefdheid waar ik me diep over schaam. Mijn man heeft geen idee dat ik me soms voel alsof ik langzaam aan het sterven ben, dat ik voortdurend een krop in de keel heb die het slikken moeilijk maakt. Hij merkt niet dat ik kilo na kilo verlies, net zoals mijn moeder het ook niet merkte in dat eerste jaar na de dood van mijn vader. In het eerste jaar van het Lyceum. In het eerste jaar in Gent.   Ik was altijd ‘a master in disguise’. Maar het lukt me steeds minder goed. De onmogelijkheid en onwenselijkheid van de verliefdheid brengen de goed weggestoken gevoelens rond de dood van mijn vader naar de oppervlakte. Ik herken het oude verdriet, de angst en de schaamte. De oude onderdrukkingsmechanismen falen. Ik ben een vogel voor de kat.   Een vakantie in Engeland, ver weg van de man die mijn leven op zijn kop zette, zal me een rustpauze geven en de nodige afstand om terug op krachten te komen.    Mike, onze gastheer, werkt in Londen maar woont op zijn landgoed in Zuid Engeland waar wij deze zonnige zomer een paar kamers huren, die hij de flat noemt. Hij houdt van het buitenleven, van zijn honden, van het leven in zijn vijver. Mike  is veertig jaar. Hij kan niet geloven dat hij al zo oud is. Hij zegt het vrolijk. Elke ochtend maakt hij thee met melk en suiker en praten we in zijn keuken over het leven. Mijn man slaapt. De kinderen spelen in de tuin en met de honden en ik zit bij Mike in de keuken met de opengeslagen deuren. Doorheen de dagen kom ik stilaan terug tot leven. Ik bind een roze strik in mijn haar. De zon schijnt. We lachen en de laatste dag blijf ik achter om de flat schoon te maken voor ons vertrek. In plaats daarvan bedrijven we de liefde. De eerste en de laatste keer. “My darling”, zegt hij ‘I don’t want to be rough but we have to dress up’.   Ik moet terug naar mijn leven. Ik ben voorlopig genezen. Deze keer heeft Mike me bevrijd van de demonen. De volgende keer zal ik het zelf moeten doen. Tien jaar later zal een nieuwe fatale verliefdheid me opnieuw in de greep krijgen. Gelukkig zal ik dan al een stuk weerbaarder zijn.     Mijn man volgt wel zijn natuur. Hij gaat er vanzelfsprekend van uit dat zijn natuur mijn natuur is en ik spreek hem niet tegen. Ik weet nog niet wat mijn natuur is. Ik ben getraind om mij aan te passen. Dat doe ik met verve. Dat deed ik in mijn relatie al van bij de aanvang. Mijn lief, die later mijn man zal worden, is Mr. Higgins*. Ik lees alle boeken die hij me aanreikt. Ik ben volgzamer en gedweeër dan Elisa Dolittle*, maar een even goede leerling. Hij kleurt de lege ruimte in en ik laat mij inkleuren met een kleur die niet de mijne is. Ik heb geen kleur. Ik ga hoofdzakelijk in het zwart gekleed. Vele jaren later ontdek ik, met mijn natuur, ook vele andere kleuren en alle tinten blauw. Er is nu in mijn kleerkast bijna geen zwart meer te vinden.   *Georges Berhard Shaw, Pygmalion   In die laatste levensdagen vertelt mijn zus Annemie me dat haar man haar in hun eerste huwelijksjaren, leerde praten. We waren opgevoed tot zwijgen. Daar waren we allebei meesterlijk in geworden. Mijn man praat voor mij mee. Terugkijkend overvalt me het verkillend gevoel van schaamte bij diverse taferelen waar hij me meeneemt bij belangrijke kunstenaars en schrijvers. Mijn man voert breedsprakerig het woord en ik zit er zwijgend bij. Nog steeds als ik hem zie kan deze verkilling me overvallen.   We beseffen niet hoe deze herhaalde, voor mij vernederende taferelen, onze relatie diepgaand aantasten. ‘Waarom kwam ik niet in actie?’ vraag ik mezelf later terugkerend af. Het is moeilijk mijn doorgedreven passiviteit te accepteren en om mezelf gevangen te zien in die strakke doctrine van mij onopvallend en zwijgend op de achtergrond te houden.   Veel jaren later zal ik mijn brood verdienen met praten. ‘Dat jij zo’n hele dag zo natuurlijk aan elkaar kunt praten’, zegt één van de deelnemers aan een infodag ‘voorbereiding op pensioen’, ‘Ik zou het niet kunnen’. ‘Ik heb dat ook moeten leren’, zeg ik, zonder er dieper op in te gaan.   Eindelijk in actie We rijden de meer dan tweehonderd kilometer terug van Amsterdam naar huis. Ik heb stekende hoofdpijn, pijnlijk koude voeten, ik voel me misselijk en totaal uitgeput. Ook al kom ik elke keer in deze staat terug thuis, toch rijd ik vijf jaar lang, samen met Simone elke maand een weekend naar Amsterdam. We zijn de twee Belgen tussen de Nederlanders, dus carpoolen we samen naar onze bestemming. Emancipatoire ontwikkelingstherapie noemen ze het. Het is een intense combinatie van opleiding, studie en therapie. Er gaat een nieuwe, boeiende wereld voor me open maar tegelijk kan ik niet meer ontsnappen aan mijn eigen, zich langzaam ontsluitende binnenwereld.     We zijn tegenpolen. Voor Simone is het leven één groot feest. Ze beweegt zich lichtvoetig door het leven. Elke stap die ik naar buiten zet, weegt loodzwaar. Elke millimeter winst in de veroveringstocht tegen het oude dogma van je gedeisd houden, moet bevochten worden. Ik weet dat ik op weg ben mijn natuur te volgen, zoals Yvonne Keuls het zo mooi zegt, maar het voelt alsof ik tegen mijn natuur inga. Ik wil het leven ontdekken maar tegelijk wil ik me voortdurend verstoppen. In mijzelf gaan er voortdurend oude alarmbellen af.   In therapie Erica is mijn therapeute. Ze herspeelt de rol van mijn moeder. Dat doet ze goed, maar uiteindelijk te goed. Ze vergat eerst de fundamenten te versterken. De weerbaarheid op te bouwen. Een noodzaak om overeind te blijven, want de doos van Pandora is geopend. Ik word meegesleurd in een stroom van emoties. Soms lijkt het of de zwaartekracht geen vat meer heeft op mijn lichaam. De angst om alle controle te verliezen neemt soms psychotische vormen aan.   Vijf jaar eerder ben ik op bezoek bij Elga. Ze is opgenomen in een psychiatrische inrichting. We zijn even oud en hebben allebei drie kinderen. Onze mannen zijn bevriend. Ze zit apathisch op de sofa in de bezoekersruimte. Kettingrokend, zoals de meeste andere aanwezige jonge vrouwen. Door de medicatie zijn haar gebaren vertraagd. Het zorgt voor een bevreemdend, robotachtig effect. Ze praat nauwelijks en enkel over het eten dat niet lekker is. Na een tijdje komen haar man en kinderen binnen. Ze reageert er flauw op. Als ik terug buiten sta, stromen de tranen me over de wangen. Ik ben in shock, alsof ik net een luguber toekomstbeeld zag. ‘Nooit, maar dan ook nooit mag ik hier terecht komen’, herhaal ik voortdurend in mezelf, ‘Hier mogen mijn kinderen me nooit komen opzoeken.’ Als een bezwering blijf ik dit door mijn tranen heen voor me uit prevelen. Dit verontrustende tafereel blijft op mijn netvlies gebrand. Het beeld van de vertraagde bewegingen en de uitdrukkingsloze gezichten van de rokende vrouwen, duikt daarna regelmatig op in mijn dromen. Daar denk ik vijf jaar later aan terug. Het beeld werkt als een afweerschild tegen het verlangen om het op te geven, de regie uit handen te geven, te slapen en nooit meer wakker te worden.   Gelukkig ben ik erin getraind te functioneren, ook al ga ik vanbinnen dood. Ik wil niet, net als mijn vader, op bed gaan liggen en verdwijnen, ook al begrijp ik hem steeds beter en voelen zijn voetsporen aanlokkelijk vertrouwd. Ik wil de fakkel niet doorgeven. Ik wacht om in te storten tot ik alleen ben.   In een interview met Adriaan Van Dis* vertelt Stephen Fry over een documentaire die hij maakte over bipolaire stoornis, een aandoening waarop hij zelf al op zijn veertiende gediagnostiseerd werd. Hij vertelt:   ‘Ik sprak met een voormalige kapitein-luitenant ter zee. Hij deed een zelfmoordpoging door onder een grote vrachtwagen te lopen. Die verbrijzelden zijn benen. Hij heeft me de littekens laten zien. Het was gruwelijk. Tweeën een half jaar lang werden zijn benen voortdurend terug gebroken door de orthopedist om ze dan met pinnen terug vast te zetten. Deze kapitein-luitenant ter zee keek in de camera en zei: ik wil dat je lezers en kijkers goed beseffen dat de pijn in mijn benen die ik na mijn zelfmoordpoging drie jaar lang doorstond, niets was in vergelijking met de pijn die me ertoe gedreven had een eind aan mijn leven te maken’    * DWDD NPO1 8 maart 2018  'Hier is Adriaan Van Dis'   Ik bevind me op een waterlijn. Er is een constante kracht die me onder de waterlijn dreigt te trekken. Ik moet alles op alles zetten om dit te verhinderen. Onder de waterlijn ben ik weerloos ten prooi aan demonische angsten en duistere wanhoop. Alle lectuur van de afgelopen jaren studie en ontdekking haal ik uit mijn boekenkast. Ik voel bij elke zin die ik lees of hij me onder of boven de waterlijn brengt. Wat me eronder duwt, stop ik onmiddellijk. De zinnen die me erboven halen, schrijf ik op. Zo maak ik stilaan korte teksten. Bezweringsformules die ik voortdurend herschrijf en aanpas. Ik lees en herlees ze op elke vrije moment van de dag. Ze zitten in kleine briefjes in de zakken van mijn jassen, broeken en alles wat zakken heeft. Ik lees en herlees ze als ik onder de waterlijn dreig te geraken of er al onder zit. Soms moet ik een zin, waarvan ik weet dat hij helpt, tien keer herhalen tot hij binnen geraakt en ik terug boven de lijn uit kom. Ik maak de teksten steeds persoonlijker en directer.   Voor ik naar het restaurant vertrek, steek ik een ondersteunend briefje in de zakken van mijn donkerblauwe uniformrok. Ik moet opletten dat het niet uit mijn zak valt. Het zou me in verlegenheid brengen. Naast de opleiding die ik in Amsterdam volg, werk ik in een restaurant. Ik moet voor mezelf en voor mijn kinderen zorgen. Er moet brood op de plank komen.   In het restaurant Ik steek mijn hoofd om de hoek. Waar ik altijd al bevreesd voor was. Daar zitten ze, met zijn vieren gezellig babbelend, midden in zaal een. Zo noemen ze dat hier: de zalen. Zaal een als er niet veel volk is, zaal twee, als er meer volk verwacht wordt. In het weekend, als ze met hele families komen aanzetten, wordt ook zaal drie in gebruik genomen. Vandaag moeten we zaal een en twee bedienen. We zijn met drie vandaag, Thérèse, Liliane en ik, om het buffet aan te vullen, de borden af te ruimen, de dranken te bedienen. Ondertussen ken ik de belangrijkste wijnen en kan ik ze ook aanbevelen bij de juiste gerechten. Côte du Rhone, Côte de Baune, Sancerre, Matheus, enz. Ik heb ze ook allemaal geproefd. Regelmatig blijven er restjes in de fles achter.   De vier mensen in zaal een. Ik ken ze niet goed maar ze behoren tot de entourage van het leven dat ik achter me gelaten heb. Ik kan de zaal niet ingaan. Ik kijk naar mezelf in mijn uniform: de donkerblauwe smalle rok, de bloemetjesbloes met het blauw strikje. Natuurlijk zullen ze me herkennen. Ik zal ook al over de tong gegaan zijn. Een vrouw die geen reden had om zo’n goeie man in de steek te laten. Een gevallen vrouw die haar status verloren is. Het zweet breekt me uit. De koelkast van het restaurant is een kamer met schappen vol etenswaren. Ik vind er even verkoeling. Misschien kan ik mij ziek melden. Ik ben ziek van schaamte. Daarvoor kan ik niet bij de dokter terecht.   ‘Zit er al veel volk?’ Francis, als een engel doemt ze voor me op, ‘Ik heb mijn dienst gewisseld met Thérèse’, zegt ze. ‘Ik heb een feestje morgen’. ‘Ik ben nog nooit zo blij geweest je te zien’, zeg ik. ‘Nou, ik vind het ook fijn om je te zien’, lacht Francis, ’Wat is er aan de hand?’. ‘In zaal één’, zeg ik, ’Daar zitten ze. Ik kan ze niet bedienen.’ ‘Geen probleem’, zegt ze, ‘Ik zorg voor dekking. Doe jij maar de andere kant van zaal twee. Ik zorg wel dat ze snel buiten zijn’, lacht ze. ‘Maak je maar geen zorgen.’   Ze heeft niet veel woorden nodig om te begrijpen. Die woorden hebben we al uitgebreid gewisseld. Na de late shiften, als alles opgeruimd en opgekuist was, als we alle lege flessen in de glasbak gekeild hadden, als we de drankkasten terug aangevuld hadden en we verse tafellakens gedekt hadden voor het ontbijt de volgende dag. Er zijn weinig gezellige tafeltjes in dit grote restaurant. Eentje dat daar het dichtste bij aanleunt dekken we niet voor het ontbijt. We doven de grote lichten. Een klant stuurde me daarstraks terug met de fles Cabernet Sauvignon die ik net voor hem ontkurkt had. Hij beweerde een kurksmaak te proeven. Wij proeven er niks verkeerd aan. We klinken op een mooie toekomst, ook al ziet die er op dit moment voor ons beiden hoogst onzeker uit. Er valt veel te vertellen. We zijn twee drenkelingen aangespoeld op een vreemd eiland.   Francis komt uit Nederland.  Haar vriend is een Engelsman. Ze hadden samen een pub in Dublin. Toen die failliet ging kwamen ze in België terecht. Ondertussen heeft haar vriend haar verlaten. Ik vertaal  voor haar het sappige taaltje van vooral Angèle, die in haar enthousiasme altijd weer vergeet hoe onverstaanbaar haar zwaar Tienens dialect klinkt in de Hollandse oren. Het restaurant is voor ons beiden een transitzone. Francis zal terugkeren naar Nederland. Later zal ik haar bezoeken op de woonboot. Ik zal vanuit de donkere achtergrond voor het voetlicht treden.   Mijn eerste stappen voor het voetlicht Tien mensen zitten me afwachtend aan te kijken. Ik doe mijn kurkdroge mond open. Er komt geen geluid uit. De paniek neemt toe. Ik weet niks meer. Ik kijk naar de deur. Een vluchtweg die me trekt. Ik hou mijzelf op mijn plaats. Ik slik, en dan heel langzaam begin ik te praten. Alles wat ik zorgvuldig voorbereid had komt stilaan terug. Ik ontspan een klein beetje. Ik doorsta de sessie. De mensen kijken uit naar de volgende. Het thema ‘Van overlevingspatronen naar levenspatronen’ heeft gevoelige snaren geraakt. Ik ben zelf bezig dit in mijn eigen leven te leren. Het gaat niet vanzelf. Er moet heel wat overwonnen worden. Als ik thuis kom ga ik recht naar bed. De gordijnen moeten toe. Ik verdraag geen licht en geen geluid. Pijnstillers en ontspanningsoefeningen moeten helpen om mijn bonkende hoofd rust te geven. ‘Hoe lang ga ik dat volhouden?’, vraag ik me af. Maar er is geen weg terug. Ik heb een glimp opgevangen van mijn natuur en nu heeft ze me in de greep. ‘Waarom maak ik het mezelf zo moeilijk?’, vraag ik me bij herhaling af. Elke stap voor het voetlicht triggert diepe angsten: ‘Wie ben ik om…’, ‘Ze zullen me buitendragen’ en het voelt als, ‘Ze zullen me lynchen’. Keer op keer moet ik terug de arena in. Ze lynchen me niet en ik leer de angst te overwinnen en met deze ervaring leer ik, jaren later, anderen hetzelfde te doen.   Tien jaar later De deelnemers moeten op het einde van het leertraject een presentatie geven. Mijn collega’s en ik begeleiden het hele jaar drie groepen bankmedewerkers die allemaal op één of andere manier wat op een zijspoor terecht zijn gekomen. Soms was het een reorganisatie, soms was het een ziekte, soms een slechte relatie met het diensthoofd die hen op een zijspoor zette. Ieder heeft zijn eigen verhaal waarom ze deelnemen aan dit een jaar durende leertraject. Sonja brengt hen inzicht in belangrijke economische principes, Laura spijkert hen bij in de IT en Anita en ik helpen hen in het herstel van hun zelfvertrouwen en in de versterking van hun communicatievaardigheden. Ik begeleid hen ook naar de presentatie die ze op het einde moeten geven. ‘Voor een groep staan, over mijn lijk’, zegt Nathalie kordaat. ‘Dat durf ik nooit’, zegt Francine. ‘Een presentatie geven voor een groep. Het zweet breekt me nu al uit’. Allemaal hebben ze hun eigen argumenten om dit nooit te durven. Ik begrijp ze, ik ken elke variatie van plankenkoorts. Ik leer er hen stilaan mee omgaan en het belangrijkste wat ik zelf ook leerde: angst is geen reden om iets niet te doen.  En elk jaar opnieuw staan ze daar op het podium. En al trilt de stem en wordt er veel geslikt, ze doorstaan de test iedere keer. En wij, de trotse leraren zitten op de eerste rij naar onze leerlingen te kijken. En iedere keer opnieuw herinner ik mij de talloze keren dat ik er ook stond, soms terwijl de zenuwen door mijn lijf gierden. Ik leer mijn leerlingen: de angst wordt nooit zo door de anderen opgemerkt als ze door jou gevoeld wordt.     Steeds meer mensen vragen een persoonlijke begeleiding. Wat mij boven de waterlijn hielp, blijkt ook te werken bij anderen. Ik luister aandachtig naar vele verhalen. Ik schrijf ze uit, met ondersteunende teksten. Ik schrijf voor het leven, om op terug te vallen als ze terug onder de lijn dreigen te geraken. Ik schrijf hele boekwerken vol en leer mensen hun eigen hulpteksten te schrijven. Regelmatig moet ik ook voor mezelf opnieuw aan het schrijven. Als de oude angsten me weer eens in de greep dreigen te krijgen.     Afscheid van het oude huis Ik moet afscheid nemen van het hoge herenhuis. Ik moet mijn veilige schuilplaats verlaten. Ik kom eindelijk in opstand tegen de tweederangspositie in mijn eigen leven. Ik slaag er niet meer in om, net als mijn moeder, tevreden te zijn met een figurantenrol. Ik kan geen verlengstuk meer zijn van iemand anders. Ik moet mijn eigen natuur ontdekken.   Ik droom dat ik op een platgebrande vlakte sta. Als ik omkijk zie ik in de verte de stad met de warme lichtjes. Maar de poorten zijn gesloten. Het verleden biedt geen schuilplaats meer, de toekomst is versluierd. Ik moet mijn woonst opbouwen op de kale vlakte die zich voor me uitstrekt. Ik strijd tussen het gevoel van bevrijding en ontmoediging. Ik heb zelfs geen schop om een put te graven. Ik zal het met mijn blote handen moeten doen.   Nooit heb ik een moment spijt van de beslissing om mijn eigen leven te gaan leven. Nooit had ik gedacht dat het verlies van de veiligheid mij zo zwaar zou vallen. Alle energie is nodig om het heden te overleven, om stand te houden. Ik ben door het glas heen gebroken. De scherven haalden mijn huid open. De wonden bloeden nog. Ik beweeg me langzaam strompelend voorwaarts.   Er zijn nog meer intense dromen. In de droom zie ik kinderen spelen in een mooi vredig landschap, een groene wei met madeliefjes. De zon schijnt, hoge wolkjes aan de blauwe hemel. In de verte bergruggen met besneeuwde bergtoppen. De ouders zitten op een rood-wit geblokt doek met de resten van de picknick. Ze kijken glimlachend naar hun spelende kroost. Het besef dat ik een bom moet gooien op dit vredig tafereel, vervult me met afschuw.   Mijn constante zorg is dat het goed gaat met mijn kinderen maar ik kan niet vermijden dat er een barst komt in hun veilige basis.   De liefde De liefde blijft een moeilijk te bevaren zee. Als het gevoel aan het roer staat is het storm op zee en worden de oude scenario’s herspeeld. De herhalingsdwang blijkt zeer hardnekkig. Als het verstand stuurt is er geen wind in de zeilen.   Jan is twee jaar ouder dan ik en ook gescheiden. Hij heeft een vriendelijk gezicht en een goede inborst. Hij spreekt met liefde over zijn drie zonen. We fietsen samen in de zon en gaan ‘s avonds dansen op het plein. Ik weet het, maar ik wil het niet toegeven. Ik heb de regie aan mijn verstand gegeven. Jan zal me geen pijn doen. We kunnen samen wandelen en naar de film gaan. We zitten op het plein. Het is mooi weer. Zo wil ik het houden. Hij wil praten. Ik vrees wat hij wil zeggen. Ik probeer het kaartenhuis recht te houden. ‘Het is leuk samen’, zegt Jan, ‘we komen ook goed met elkaar overeen’. Ik bevestig het gretig. ‘Maar,’ vervolgt hij, ‘we zijn niet verliefd op elkaar.’ ‘Dat gaat problemen geven als één van beiden op iemand verliefd wordt’, zegt hij verstandig. Hij heeft gelijk maar ik wil hem geen gelijk geven. Ik dacht de herhalingsdwang te omzeilen en zo de oude demonen te slim af te zijn. Ik had opnieuw een veilige schuilplaats gevonden. Ik weet dat ik ze terug moet opgeven   Epiloog Ik hoor mensen vaak beweren: ‘Als ik mijn leven zou herdoen, zou ik net hetzelfde doen als ik gedaan heb’, ‘Als ik mijn leven zou herdoen, zou ik het totaal anders doen’, is mijn eerste reactie. Maar dan weet ik, met de identieke ingrediënten, zou ik misschien wel hetzelfde handelen.   Ik zou mijn leven onder geen beding willen herdoen. Ik kan enkel opgelucht ademhalen dat ik aanbeland ben op het punt waar ik me nu bevind. Op geen enkel punt in het verleden zou ik me terug willen bevinden. Misschien wil ik me ook in geen enkel ander ‘nu’ bevinden al had ik dat ‘nu’ graag langs meer zonnige en vrolijke paden bereikt, maar misschien is dat nu juist het resultaat van het bewandelen van de vele duistere paden. Ik herinner me diverse momenten waarop een doodlopend roemloos eindpunt schemerde maar gelukkig kwam het nooit zo ver. Ik heb dan toch, na veel dwaalwegen, mijn natuur gevonden en geleefd. En met ontelbare mensen, wiens pad ik kruiste in de voorbije twintig jaar, ben ik het pad een eind meegelopen, als gids, op de weg naar hun eigen natuur. Soms in groep, soms alleen.   Ik ben een gids geworden. En mijn kompas is het woord. Geschreven en gesproken.   In den beginne was het woord.   Ik maakte van zwijgen zilver en van spreken goud. Ik leerde de kracht van woorden. The Power of Words *   *  https://www.youtube.com/watch?v=Hzgzim5m7oU                                                                                                           Leuven, 21 mei 2018          

Haddie
0 0

Wat niet weet, niet deert

Proloog ‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes het hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein. Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen. ‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud. Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens.  En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb. “Een glaasje water graag’, bestel ik. Dat zal helpen tegen de droge mond. Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden, en er van kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien. Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik, maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.  Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag. Ik voel me licht misselijk worden. Ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.   Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer een familielid binnen die ik moet begroeten.  ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren. Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren. Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk. Ik heb hen de fakkel niet doorgegeven. Soms kan ik niet geloven dat het me gelukt is.  ‘ Zal het lukken, mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar. Het koffiehuisje raakt stilaan vol. Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.   Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen. ‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.   De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen. De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang. Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen.  Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden. Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef. Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk.    Beste familie en vrienden,  Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed. Ik schoof een stoel bij.  Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof.  De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien. De glazen kast vol poppen in haar woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken. Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten? Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie. Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis. We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen. Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer  Maarten, tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte. Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en vreemd uitzonderlijk in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen. En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen. Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van  een bezinningsgroep. Deze ‘gezinsgroep’ zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten. In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor.  Daar is gelukkig verandering in gekomen.   Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten. Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg:   Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend van de beproeving die ze doorstond vooraan in de kerk, met alle ogen op zich gericht. Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven. Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.  Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten. Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek  waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen. Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.   Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen. Ze kennen de strijd. Ze vreesden een onverbloemd portret. Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.  Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer. De draad die ook richting gegeven heeft aan mijn eigen leven.   Mijn moeder beleeft in haar laatste levensjaren de gelukkigste van haar leven. Niets moet meer. Ze is niet meer goed te been en ze heeft de ziekte van Ménière, die het risico op vallen verhoogt. Het biedt haar een uitstekend excuus om zich niet meer buiten de deur te begeven. Haar wereld is gekrompen tot dertig vierkante meter. Ik vraag haar of ze het niet mist, de wereld daarbuiten en of ze geen zin heeft om zich eens te laten rondrijden. ‘Oh nee, daar heb ik geen behoefte aan’, haast ze zich te zeggen, ‘Ik heb genoeg aan mijn boeken en aan mijn kruiswoordraadsels. Ik verveel mij nooit.’ Mijn moeder leest bij voorkeur thrillers en detectiveverhalen, al gaat het lezen steeds moeizamer. ‘De dokter heeft gezegd dat het heel goed is dat ik mijn geest blijf trainen en dat ik zo goed blijf bewegen’, zegt ze trots, terwijl ze enkel wat over en weer schuifelt op haar dertig vierkante meter. Ze wil graag de dokter ter wille zijn. Gezagsgetrouw blijft ze tot haar laatste snik. ‘Als ik iets nodig heb, haal ik het zelf uit de kast’, zegt ze. ‘Mij niet gezien dat ik me laat dienen!’ Mijn moeder houdt er stiekem van om zich te laten dienen. Elke dag staat er een team klaar om haar te helpen. Haar eten wordt  gebracht, haar kinderen doen de boodschappen en onderhouden de tuin, waar ze trouwens zelden in komt. De dames van Familiehulp helpen haar met het dagelijkse toilet en met de schoonmaak. Ik gun haar deze luxe. Ze staat in schril contrast met de levensomstandigheden in haar jonge jaren waar ze moest zorgen voor een groot gezin in een huis zonder de gemakken die nu vanzelfsprekend zijn. Een huis zonder badkamer, zonder wasmachine en met enkel een buiten-wc. Ik zie nog het beeld van mijn moeder op haar knieën, gebogen voor de kachel in de woonkamer, de enige verwarming in het huis. Elke ochtend maakte ze eerst de kachel leeg en schoon om hem daarna met papier en hout terug aan te steken en vervolgens de hele dag met kolen brandend te houden. Later kwam de continu-kachel die ’s nachts heel licht bleef smeulen. ’s Morgens moest dan enkel de asla geledigd, de kachel opgerakeld en opnieuw met kolen gevuld worden. De koperen kolenkit, die regelmatig in de kelder bijgevuld werd, stond altijd klaar naast de kachel. Mijn moeder geniet op haar oude dag van een voor haar luxueuze situatie, met als belangrijkste element dat ze gevrijwaard is van alle sociale verplichtingen. En voor mijn moeder zijn alle sociale contacten, verplichtingen.   Dat was altijd al zo. Als ik tien jaar ben en mijn moeder bevraag over haar vriendinnen vroeger, zegt ze heel beslist: ‘Ik had geen vriendinnen’. ‘Met wie speelde je dan?’ vraag ik verwonderd. ‘Ik speelde met mijn pop’, zegt mijn moeder. ‘En met je broers en zussen dan?’, probeer ik nog. ‘Nee’, zegt mijn moeder, ‘Die speelden te wild. Ik breide poppenkleertjes en soms ook een trui’. Ze vertelt opnieuw het verhaal van de mooie trui die ze gebreid had en die ze vervolgens aan haar zus gaf omdat die de trui zo mooi vond. ‘Maar jij had daar al dat werk aan gedaan!’, zeg ik. ‘En dan’, zegt mijn moeder.   Mijn moeder praat bij voorkeur niet over zichzelf. Ze heeft het liever over haar familie. Niet over haar kinderen en kleinkinderen maar over de mensen uit haar ouderlijk huis. Ze is trots dat ze deel uitmaakt van deze familie. Ook al voelt ze zich de minste, iets van de mythische glans, die ze haar familieleden toebedeelt, straalt ook op haar af, denkt ze. Als mijn moeder anekdotes vertelt over haar vader en moeder en over haar broers en zussen, zit er dezelfde ondertoon in haar stem als in de stem van zuster Remigia, als ze de verhalen vertelt over de Heilige Familie: Maria, Jozef, en Jezus.   Als ik tien jaar ben kan ik mij niet voorstellen dat mijn neven en nichten gewoon naar school gaan en de dagelijkse dingen doen die wij doen. Alsof ze in een ander, verheven universum leven.   Het fotoalbum Mijn broer Olav verzamelt foto’s en documenten over de familie. Ik ben op bezoek om zijn jongste kleindochtertje Mona te bewonderen. ‘Neem het fotoalbum gerust mee’, zegt hij, wijzend op het dikke, in rood leer gebonden boek dat op de tafel ligt. ‘We komen het in de zomer wel ophalen’, zegt Ingrid, ‘ Dan geraken we eens in Leuven.’   Het rood lederen fotoalbum is in twee delen opgesplitst. Het eerste deel is gewijd aan de familie van mijn vader, het tweede deel aan die van mijn moeder. Daar start ik mee. Ik bekijk zorgvuldig de foto’s van mijn jonge moeder, op zoek naar oude sporen van het extreme gedrag dat haar later zo kenmerkt.   De zwartwit foto, tweeëntwintig op zestien cm, is genomen in de tuin van haar ouderlijk huis in de Albert Liénartstraat in Aalst. Het huis dat niet lang daarna zal gebombardeerd worden. De tuin is een typische ommuurde stadstuin met gesnoeide boompjes die langs de muren opgroeien. Vooraan, op een tapijt in het gras, zitten vier jongere broers en zussen van mijn moeder. Centraal op de foto staat een tuinbank. Aan de rechterkant zit mijn grootmoeder met haar jongste kind op schoot. Ik zie een mooie, fijngebouwde jonge vrouw. Het is haar niet aan te zien dat ze al tien kinderen gebaard heeft. Ze staan allemaal op deze foto. Naast haar zit haar oudste dochter, glimlachend naar haar jongste zusje op haar moeders schoot. Op de uiterste linkerkant van de tuinbank zit mijn moeder. Ik schat haar twaalf jaar. Ze laat een grote ruimte op de bank tussen haar en haar oudste zus, alsof ze zich wat distantieert. Dit effect wordt nog versterkt door de licht gebogen schouders. Ze heeft een donker kleedje aan met geruite kraag en manchetten. Haar handen rusten in haar schoot. Het hoofd met het donkere kroeshaar, uit haar gezicht gehouden met twee speldjes, is licht gebogen. Vanuit deze schuwe positie kijkt ze voorzichtig glimlachend in de lens. Achter de tuinbank staat mijn grootvader met zijn gezicht in de richting van de twee rechtstaande oudste zonen. Hij kijkt glimlachend naar zijn jongste zoontje dat op de leuning van de tuinbank staat, gesteund door de oudste broer. Daardoor staat mijn grootvader in profiel. Op deze en ook op andere foto’s lijkt hij sprekend op Freud.   In het fotoalbum vind ik een paar vergeelde krantenknipsels uit 1982, naar aanleiding van het overlijden van mijn grootvader op 93 jarige leeftijd. ‘Patriarch van Vlaanderen overleden’.   De journalisten bespreken uitvoerig zijn levensloop als advocaat, zijn verdiensten als politiek activist – hij zette zich in voor de Vlaamse zaak – en zijn journalistieke carrière als lid van de politieke redactie van De Standaard. Mijn grootvader had alle kwaliteiten van een patriarch, zowel thuis als in zijn publieke leven.   Dertig jaar later Langzaam dunt de generatie uit. Mijn moeder was de vierde van de tien broers en zussen die overleed. Na haar volgden snel twee oudere zussen. Ze werden allemaal negentig en meer. Ik woon opnieuw een rouwdienst bij, deze keer van mijn tante Haddie. ‘We zijn hier samen om afscheid te nemen van Haddie’. Ze is de enige naamgenoot die ik ken. Het is vreemd om mijn naam zo veelvuldig, en dan nog in deze context, te horen noemen.   Ik zit in de kerk naast mijn nicht Vina. Ze was altijd een haantje de voorste en niet op haar mondje gevallen. Het lijkt me een eeuwigheid geleden dat ik haar nog sprak. ‘Hij kon zijn handen niet thuishouden’ zegt ze. Ze heeft het over onze grootvader. Ik ben verbaasd dat ze, in de korte tijd dat we daar samen zitten, erin slaagt het gesprek op dit onderwerp te brengen. Hoe groot het taboe was in de generatie van onze ouders, des te groter blijkt het genoegen bij de generatie erna om er omstandig over uit te wijden. ‘En als dat zo was bij zijn kleindochters, zal dat ook wel zo geweest zijn bij zijn dochters’, voegt ze er nog aan toe. Vina heeft haar hele jeugd in de Kasteelstraat gewoond, de straat waar ook onze grootouders woonden.   Voor ons gezin waren de ouders van mijn moeder verre figuren met een heiligenstatus. De weinige keren dat ze op bezoek waren heerste er spanning in huis. We hielden ons gedeisd. Mijn moeder liep zenuwachtig rond en sloofde zich uit om het hen naar de zin te maken. Ze had iets goed te maken. Een vrouw was maar zo goed als ze van haar huwelijk een succes wist te maken en om precies te zijn, een materieel succes met de nodige aanzien.   ‘Hij kan nog promotie maken in die verzekeringsmaatschappij’, had mijn grootvader geoordeeld over mijn vader. Mijn grootvader was niet alleen ambitieus voor zichzelf maar ook voor zijn kinderen. Zijn vijf dochters moesten een goede partij huwen en dat vereiste wel wat koppelvaardigheden. In vergelijking met de huwelijkskandidaten voor haar zussen was de kandidaat voor mijn moeder minder hoog gegrepen. In vergelijking met zijn schoonbroers stond mijn vader op de laagste sport van de maatschappelijke ladder. Maar mijn grootouders waren al blij dat mijn moeder onder de pannen was en het vooruitzicht op de promotie gaf toch een zeker perspectief. Een perspectief dat mijn vader nooit waarmaakte.   Het oude huis in Melsele Op de sepiafoto zie ik een tuin met op de voorgrond rozelaars. Het gebouw links op de foto doet me denken aan de Zweedse houten huizen. Op de achtergrond over bijna de hele breedte van de foto staat een volière. Als ik inzoom ontwaar ik takken waar ik vogels op vermoed. Centraal op de foto staat een smeedijzeren carrousel hoog uitlopend op een spits torentje. Op het ronde vlak hangen acht klokjes. In het midden van de carrousel, voor een hoge  takkenconstructie, staat mijn vader -  ik schat hem zo’n twaalf jaar – samen met een meisje dat iets jonger is. Ik veronderstel een buurmeisje, mijn vader had geen broers  of zussen. Als ik op mijn beurt twaalf jaar ben, is deze paradijselijke plek vervallen. Er is geen spoor meer van de rozelaars. Het gebouw links op de foto, staat er vervallen bij. De volière is afgebroken. Het torentje staat er triest bij. Er hangen maar twee klokjes meer onderaan de grote klok en ook die dreigen er af te vallen. De tuin -  twee boomgaarden, een groenten en bloementuin, een kriekengaard en een voortuin, alles tezamen zo’n 70 are groot - is langzaam verwilderd. Mijn vader werkt niet in de tuin. Hij ligt boven op bed. Ik breng hem een bord met een peer die mijn moeder geschild heeft. Hij staart wat uit het raam. Ik kom even bij hem liggen terwijl hij de peer opeet. Daarna kan ik het bord terug naar beneden brengen.  Hij is ziek maar we weten niet wat hij heeft. We hebben geleerd niks te vragen. Wat we moeten weten - zo weinig mogelijk - zal ons verteld worden. Vragen worden vaak op ongeduld en irritatie onthaald. We voelen snel feilloos aan wanneer een vraag niet gepast is. En een vraag blijkt bijna nooit gepast in mijn moeders wereld.     Mijn kleindochtertje is anderhalf. Ze zit in de kinderstoel en houdt haar handjes voor haar ogen. Ze ziet niemand meer en ze denkt dat niemand haar ziet. ‘Waar is Finneke nu toch’ vraagt mijn dochter Marieke gespeeld bezorgd. Dan haalt ze haar handjes weg en kraait van plezier. Daar is ze terug! Ze had haar oogjes toe en was er van overtuigd dat niemand haar zag. Finneke is twee en ze begint te beseffen dat alleen haar oogjes sluiten niet voldoende is om niet gezien te worden. Mijn moeder was een expert in haar ogen sluiten. Ze behield haar hele leven het kinderlijk magisch geloof dat, als ze er niks van wist, het ook niet bestond. En, wat niet weet, niet deert. Mijn moeder gaat er prat op dat ze niet nieuwsgierig is. De meest elementaire vraag: ’Hoe gaat het?’ heb ik haar nooit weten stellen. Als ik op bezoek kom en ik op mijn beurt wèl vraag hoe het met haar gaat, is haar antwoord er gewoonlijk een in de pluralis majestatis en een variant op: ‘We mogen niet klagen. We laten het hoofd niet hangen. We houden er de moed in.’   Mijn moeder is in de voorbije dertig jaar welgeteld twee keer bij mij thuis geweest. Ze bracht haar kruiswoordpuzzels mee en zat wat ongemakkelijk in de zetel te wachten tot ze terug naar huis kon. Ik nam haar mee naar de winkelstraat waar ze in hoog tempo door beende. Af en toe bleef ik staan voor een winkel waar ik inschatte dat de uitgestalde waar haar zou kunnen interesseren. ‘Ik heb niks nodig’, zei ze, zonder een blik te werpen op de etalage en stapte verder. Ik gaf het op om haar uit te nodigen. Het was voor ons beiden een beproeving. Ze belde me ook enkel als ze een praktische mededeling had. Praktische mededelingen, die ons beiden aangingen, waren schaars.   Op een dag krijg ik telefoon van mijn moeder. Het is een paar maanden geleden dat we elkaar nog hoorden. Het gaat slecht met mij en dan is mijn moeder het slechts denkbare gezelschap. Als ik de stem van mijn moeder hoor, heb ik spijt dat ik de telefoon opgenomen heb. Ze valt meteen met de deur in huis. ‘Ik  heb een nieuw telefoonnummer’ zegt ze ‘schrijf je het even op. Ik werd de afgelopen maanden regelmatig opgebeld en dan hoorde ik niks aan de andere kant van de lijn. Ik was er toch niet gerust in’ vervolgt ze, ‘Katrien heeft er voor gezorgd dat ik een nieuw nummer heb.’ Het blijft even stil. Ik heb een krop in mijn keel, ik kan niet vermijden dat er een snik in mijn stem zit. Ik kom niet uit mijn woorden. Ze haakt onmiddellijk in. Ik merk in de week daarna dat ze 50€ op mijn rekening gestort heeft. Daarmee is voor haar de kwestie afgesloten. Er wordt nooit meer op terug gekomen. Wat niet weet, niet deert.   ‘Hoe ging ze om met de problemen van mijn vader?’, vraag ik me af. Vele jaren later peil ik er voorzichtig naar maar ze ontkent in alle toonaarden dat er wat aan de hand zou geweest zijn met mijn vader. Ze maakt van mijn vader een heilige en plaatst hem onbereikbaar hoog op een voetstuk. Het woord depressie voelt in haar bijzijn belachelijk misplaatst en ongewenst.   Mijn broer komt erachter dat mijn vader jarenlang patiënt was bij een psychiater. Hij zoekt hem op. Hij blijkt ondertussen overleden. De dossiers zijn vernietigd.     ‘We leven in een maatschappij met meer taboes dan een tijd geleden, de jaren van de vrijheid zijn voorbij’, zegt Rik Torfs in een interview in Humo.* Hij heeft mijn moeder niet gekend. Wij,  Beatrijs, de koningin der taboes.     * Humo nr.4035/01 van 2/1/2018       Op die vooravond, aan de rand van haar bed, deed de pijnstillende morfine zijn werk. Ze maakte mijn moeder uitzonderlijk praatgraag. Ze antwoordde me verrassend gewillig op vragen die vroeger onbeantwoord bleven.   Het is onbegonnen werk om op te sommen waar met mijn moeder niet over gepraat kon worden. Uiteindelijk bleef over: het weer, haar familie, de gezondheidsklachten - enkel de hare en zolang ze niet te intiem waren -  het ophemelen van haar huishoudhulp en afkeurende commentaar op het gedrag van anderen en in het bijzonder op het gedrag van mijn oudste zus.   Mijn oudste zus Behalve mijn broers Olav en Maarten hebben we allemaal plechtige namen. Mijn oudste zus heet Katharina. Ze wordt Kaatje genoemd, een naam die ze op haar zestien belachelijk vindt. Ze wil voortaan aangesproken worden met Katy, naar de hit van het moment van Marc Aryan. Na een tijdje vindt ze ook Katy te kinderachtig. Ze kiest uiteindelijk voor Katrien. Het duurt een tijd voor iedereen er aan gewend is. Maar als we haar met haar oude naam aanspreken, antwoordt ze niet. Mijn oudste zus krijgt voor haar zestiende verjaardag een dichtbundel met de titel ‘Mijn moeder was een heilige vrouw’, naar een gedicht van René de Clercq.   Mijn moeder was een heilige vrouw - o daar ligt blijdschap in dien rouw - mijn moeder was heilig, en rein, en zoet als de melk van haar borst... O mijn moeder was  goed! En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar  wang, haar oogen al ziel en haar woorden al zang!  … Ze is verontwaardigd over zo’n ouderwets en stom cadeau. Ze droomt van heel andere dingen maar ze moet naar de bijeenkomsten van het katholieke Marialegioen. Ze valt er theatraal flauw. Tegen ons, haar jongere broers en zussen, wijdt ze omstandig uit over de pijn van het langdurig bidden op de knieën en over de misselijkmakende geur van wierook. Ze hoopt dat dit haar vrijstelling geeft voor toekomstige bijeenkomsten van het Marialegioen. Mijn zus heeft weinig op met de devotie van mijn moeder en diens pogingen om haar te behoeden voor de verlokkingen van het leven. Mijn zus wil leven en lachen, en voordragen. ‘Langzaam gaat de trage man door de straten waar de matte stralen van de maan vallen.’ Ze leert ons, haar jongere broers en zussen, hoe het moet. De korte a moeten we uitspreken als o. ‘Longzaam gaat de trage mon longs de straten …’. Wij oefenen graag mee. Mijn moeder vindt het maar niks dat voordragen en ook niet het babbelgrage van mijn zus, die iedereen in het dorp kent en hen aanspreekt in de Waaslandse tongval. Misprijzend noemt mijn moeder haar ‘de gazet van het dorp’. Het verschil tussen moeder en dochter kan niet groter zijn. Mijn zus belichaamt alles wat mijn moeder niet kan, durft en wil zijn. Ze gaat daarmee in tegen mijn moeders devies: ‘Hou je onopvallend op de achtergrond’. De plaats op de voorgrond is enkel voorbehouden aan de mensen van haar familie. Onze plek is, samen met haar, op de achtergrond, in de milde schaduw van haar ouders en andere, in haar ogen gezaghebbende familieleden.   Het gebeurt niet vaak dat er volk over de vloer komt in ons huis in Melsele. Pascal is bij iedereen een graag geziene gast. Hij brengt kleur in ons vlakke bestaan. Hij is fotograaf. Hij legt ons leven vast in zwart en wit. Hij komt voor mijn oudste zus. Mijn moeder is er blij mee, ze ziet in hem de gedroomde partij voor haar oudste dochter. Ze hoopt dat hij de geest wel terug in de fles krijgt. Pascal heeft flaporen. Het was ons niet opgevallen, maar mijn zus wel. Ze gruwt ervan. Ze behandelt hem heel koel. Ze heeft een vrijer in het dorp.   ‘Naar het volgende kerstfeest zal ik niet alleen komen’, vertrouwt mijn oudste zus me, veel jaren later, wat geheimzinnig toe. Ze doet haar uiterste best om de woorden van mijn moeder niet waar te maken. ‘Die geraakt nooit van de straat’, zegt mijn moeder terugkerend als mijn zus opnieuw komt aanzetten met een man die niet kan rekenen op haar goedkeuring. Het kerstfeest gaat door in de Gasthuisstraat waar mijn moeder naar verhuisd is na de dood van tante Madeleine. ‘Dit is Jean-Pierre’ stelt mijn zus trots haar vriend aan me voor. Ik zie het al bij de eerste oogopslag maar ik wil de triomfantelijke overmoed van mijn zus niet kelderen dat ze kan ontsnappen aan de herhalingsdwang en aan de bepaaldheid van mijn moeders woorden.   Een paar maanden later ben ik op bezoek bij mijn moeder. ‘Katrien is terug alleen?’, vraag ik aan mijn moeder. ‘Ja, eindelijk. Ik begrijp niet, dat ze daar zo lang bij gebleven is’, zegt mijn moeder op die welbekende afkeurende toon, ‘Als een man je zo behandelt’. ‘Ik begrijp dat wel’, zeg ik. Mijn moeder schuift onrustig op haar stoel. Ik houd mij niet aan de regels van het spel en ondertussen weet ze dat ze me dit niet meer kan verbieden. Ik ben een spelbreker. Dit gesprek had als volgt moeten verlopen; Mijn moeder: ‘Dat begrijp ik niet, enz.’ Ik: ‘Ja, t‘ is niet te verstaan’. Mijn moeder: ‘Dan moet ze achteraf ook niet komen klagen.’ Ik probeer mijn moeder duidelijk te maken dat menselijk gedrag soms door andere drijfveren dan de rede gestuurd wordt, dat relaties vaak bepaald worden door je verleden. We bevinden ons op drijfzand. ‘Het gebeurt me ook altijd opnieuw dat ik verliefd word op een man die me niks te bieden heeft en waar ik terug afscheid moet van nemen, net als van mijn vader’, waag ik eraan toe te voegen. Mijn moeder is een afwerende, gestolde, zwijgende massa geworden.  De lucht tussen ons verdicht zich en slorpen de woorden op die in het bijzijn van mijn moeder volkomen misplaatst zijn. ‘Verliefd’ is zo’n woord en, ‘mijn vader’. Vermits ze lang geleden gestopt is iets te drinken aan te bieden als er iemand op bezoek komt, kan ze dit niet als vluchtweg aangrijpen. De winkelbel gaat. Mijn moeder woont in de Gasthuisstraat in een voormalig winkelpand. De winkelruimte vooraan gebruikt ze niet en heeft ze wat opgesmukt met zelf gebreide dieren en prullaria. Deze verder lege ruimte zonder bestemming vormt een buffer tussen de buitenwereld en haar leefruimte. Het is de gracht voor de burcht. De ophaalbrug kan desgewenst opgehaald, maar bij voorkeur neergelaten worden. Mijn broer komt binnen, de verlosser van het moment. Mijn moeder kan terug opgelucht ademhalen. ‘En, alles goed hier?, vraagt hij, terwijl hij ons onderzoekend aankijkt. ‘We mogen niet klagen’, antwoordt mijn moeder, nog voor ik iets heb kunnen zeggen.   Ik ben niet de enige van de broers en zussen die af en toe probeert de burcht te betreden. Mijn broer Maarten neemt de moed in beide handen en vraagt mijn moeder wat er nu precies met onze vader gebeurd is. Het is een mooie dag en de deur naar de tuin staat open. Na een lange pijnlijke stilte waarin alleen de vogels in de tuin te horen zijn zegt mijn moeder uiteindelijk: ‘Het zijn dezelfde vogels van verleden jaar, ze zijn terug gekomen.’   De familie van mijn vader Het huis in Melsele, mijn geboortehuis en het huis waar ik tot mijn dertiende woonde, was het voorste gedeelte van een grote boerenhoeve. Daar woonden vroeger mijn grootouders, Jules Geerts en Elodie De Coninck samen met hun enige zoon Louis, mijn vader. In het achterste gedeelte woonde nonkel Jef, de broer van mijn grootmoeder met zijn vrouw, tante Alice en hun twee dochters, Louise en Lucie.  Mijn grootvader Jules overleed op drieënvijftigjarige leeftijd. Twaalf jaar later, twee jaar voor mijn geboorte, stierf ook mijn grootmoeder. Als enige zoon, erfde mijn vader het huis met de grote tuin.   In het fotoalbum bekijk ik andere, nog oudere foto’s van het huis en de tuin in Melsele. Het woord ‘lusttuin’ komt in me op als ik de oude sepiafoto’s van de toenmalige tuin nauwkeurig bekijk. Het geeft me een nostalgisch gevoel ook al heb ik die tuin nooit in deze paradijselijke staat gekend. Ik pak er het vergrootglas bij. Op verschillende foto’s staan jaartallen geschreven, van 1922 tot 1924. Mijn vader is een blond jongetje op de arm van zijn vader. Ik zie details die me vroeger niet opgevallen waren. Mijn vader in een wit matrozenpakje. Voor zijn voeten staat een houten paardje op wieltjes dat nu in een antiquariaat een hoge prijs zou halen. Mijn vader houdt het touwtje vast om het voort te trekken. In gedachten zie ik hem rondlopen op de keurig onderhouden paadjes tussen de struiken en kleurrijke bloemperken, het paardje achter zich aan. Op één van de foto’s staat aan de zijkant een man op klompen. Ik vermoed de tuinman, als ik zie hoe mooi en keurig verzorgd deze lusttuin oogt. De ouders van mijn vader moeten welstellend geweest zijn. Daar blijft later helaas niets meer van over.   Het paard van nonkel Jef Nonkel Jef is een boer. Ik zie hem vaak met paard en kar het erf afrijden naar een veld een eind verderop. Soms staat het paard bij ons om de boomgaarden af te grazen. Eén boomgaard ligt naast het huis, de andere is het verste stuk van onze tuin. Behalve dat het paard de boomgaard afgraast en nonkel Jef af en toe met de zeis onze voormalige groenten en bloementuin afmaait, gebeurt er verder geen onderhoud in onze tuin. Bij stormweer waait er al eens een boom om. De bomen blijven liggen en worden voor ons een paard, een evenwichtsbalk, deel van een kamp, al naargelang het spel van het moment. Ik zit met mijn broer Maarten op een omgevallen boomstam in de achterste boomgaard. Het paard van nonkel Jef staat een eind van ons rustig te grazen. We zijn geen van beiden op ons gemak. We willen naar huis. ‘Als we heel rustig naast elkaar naar het hek stappen, zal het paard wel gewoon blijven grazen’, zeg ik geruststellend. ‘Denk je?’, vraagt mijn broer wat angstig. Hij is twee jaar jonger dan ik. Langzaam stappen we richting het hek. Plots, als een pijl uit een boog, spurt mijn broer de boomgaard over. In een reflex ga ik hem achterna. Het paard heft de kop op, krijgt ons in het vizier en stuift dan onze richting uit. ‘Snel, snel,’ gil ik terwijl ik mijn broer bij de hand pak. We horen het roffelende geluid van de hoeven steeds dichterbij komen.  Op het laatste nippertje schuiven we allebei onder de prikkeldraad door. Ik hoor het geluid van scheurend textiel.  We staan allebei te trillen op onze benen. Dan zie ik het. Een scheur over de hele breedte van het hemdje van mijn broer.   Wat me pas veel jaren later opvalt. We stonden even doodsangsten uit maar ik sla mijn armen niet om mijn trillende broertje hoewel ik bezorgd om hem ben en opgelucht dat we veilig zijn.  We rennen niet naar onze moeder om te vertellen wat er gebeurd is. We sluipen het huis in. Mijn broer verstopt zijn hemdje in een hoekje van zijn kast en doet een ander aan. Mijn moeder moet achteraf dit hemdje gevonden hebben. Ze heeft er nooit over gesproken, net zomin als mijn broer en ik. Wat niet weet, niet deert.    Mijn ijsman In de verte weerklinkt het vrolijk deuntje van de ijskar. Op slag laat ik mijn pop vallen wiens haren ik net nog zo zorgvuldig aan het borstelen was. Ons huis, met vooraan de symmetrische houtconstructie, in het midden oplopend naar een punt, ligt zo’n twintig meter dieper dan de straat. De voortuin en de boomgaard ernaast zijn omzoomd met een haag. Van de voordeur tot aan de straat loopt een paadje dat uitkomt op een hek.  Ik snel het paadje af naar de straat. Het is een rustige straat. Verkeer kennen we nog niet. Zelf hebben we geen auto en slechts een paar buren hebben al een auto op de oprijlaan. Soms gaan we naar de hoek van onze straat die uitkomt op de Schoolstraat, de hoofdstraat van het dorp. We wachten geduldig en roepen dan: ‘Daar is er weer één!’ en  schrijven de nummerplaat op van de auto die voorbij rijdt.  Het kan wel even duren voor ons blaadje vol is. Zelden draait een van deze auto’s onze straat in.   Het tingelende muziekje klinkt steeds harder en dwingender. De ijskar rijdt heel langzaam onze straat door om iedereen de tijd te geven de werkzaamheden even te staken, de portemonnee te pakken en de straat op te lopen. Ik zie de bovenkant van de ijskar al opdoemen boven de haag. Ik open het hek – het is gelukkig niet op slot - en zonder te kijken storm ik de straat op. Met gierende banden komt de camionette van de brouwer, vanuit de andere richting, in de sloot voor ons huis tot stilstand.   De therapeute noemde het een geleide fantasieoefening. We moesten onze ogen sluiten en de ogen van onze moeder zoeken. Ik vond ze niet. Geen enkele situatie kwam me voor de geest waarin ik haar ogen op me gericht wist. Er kwamen me wel andere ogen voor de geest: de buurvrouw van een tante waar ik logeerde en die meer deed dan alleen mijn gekneusde knie verzorgen. ‘Ach, die jongens kunnen zo wild zijn’ zegt ze vriendelijk. De ogen van Claire, de monitrice. Ze draagt me in haar armen. Er zitten splinters in mijn voet van het houten podium. Ze neemt de tijd om ze voorzichtig één voor een met een pincet uit te trekken. De pijn deert me niet. De vriendelijke ogen van de ijsman. Ook als ik geen ijs koop mag ik in zijn ijskar klimmen. Hij heeft zwart haar en een snor. Hij is altijd vrolijk en vertelt verhalen. Af en toe krijg ik een kartonnen reclamebord van Ola. Ik ben de koning te rijk. Hij is mijn ijsman.   Ik zit samen met mijn broers en zussen in de speelkamer als de deur openzwaait. De imposante verschijning van de brouwer vult de deuropening. ‘Wie was dat stoute kind dat voor mijn auto sprong zodat ik bijna verongelukte?’, vraagt hij terwijl hij ons één voor één streng aankijkt. Ik wil in het kleinste hoekje kruipen maar ik kan me niet bewegen. Hij speculeert nog wat over een mogelijke straf voor dit stoute kind. Dan zegt hij:  ‘De volgende keer, eerst goed links en rechts kijken voor je naar je ijsman snelt.’ Hij knipoogt naar mijn moeder. Ze lachen. Iedereen lacht. Ik voel mijn wangen warm worden.  Het hek zal wel weer op slot gaan.   Ik kom van school en ben op weg naar huis. Opeens hoor ik het bekende tingelmuziekje. Uit de andere richting nadert de ijskar. Ik durf niet op te kijken maar vang toch nog een glimp op van de man achter het stuur. Een oude, norse man zonder snor. Mijn ijsman komt niet meer naar onze straat. Hij zal wel boos op me zijn.     Het zesde leerjaar Ik zie ze nog allemaal voor me, de juffen van de lagere school. In het vijfde leerjaar is onze juf een non. Zuster Remigia heeft een lief, blozend gezicht.  Halverwege het jaar verlaat ze ons. De directrice van de lagere school, die we Moeder Overste noemen, komt in onze klas. Ze vertelt dat zuster Remigia ziek is en herstelt in een ander klooster. De aanwezigheid van Moeder Overste is zo imponerend dat niemand een vraag durft te stellen, bijvoorbeeld welke ziekte ze heeft en of ze dit jaar nog terug naar onze klas komt. Zuster Remigia komt niet meer terug naar onze klas.  Ze schrijft een brief waarin ze voor ieder van ons een attent woordje heeft. Een paar maanden later weet een meisje uit de hogere klas te vertellen dat zuster Remigia uit het klooster getreden is.   Juffrouw Thérèse is de onderwijzeres van het zesde leerjaar. De vrouwen van haar generatie moesten stoppen met lesgeven als ze trouwden. De oudere onderwijzeressen in onze school zijn ofwel nonnen ofwel ongehuwde dames. Jonge dochters worden ze genoemd. Juffrouw Thérèse is een jonge dochter op leeftijd. Als ze voor de klas staat zijn haar wenkbrauwen altijd gefronst. Haar rechter boventand staat ingedrukt op haar onderste lip. Het geeft haar iets verbetens. De hoofdtonen van juffrouw Thérèse zijn grijs en bruin, ook al zijn de aanbevolen kleuren van de school blauw en wit, de kleuren van de maagd Maria, die ons tot voorbeeld moet strekken. Onze schorten zijn blauw en wit geruit,  onze plooirokken zijn donkerblauw, net als onze blazers, jassen en truien. De bloezen en kousen mogen wit zijn. Er zijn twee zesde klassen. Juffrouw Rosa leidt de andere klas. Ze is van dezelfde leeftijd als juffrouw Thérèse. Haar hoofdkleur is oudroze. Als we in de rij staan te wachten om naar onze klas te gaan, spreken ze Frans met elkaar. In hun jonge jaren was het onderwijs Franstalig. In het boerendorp waar we wonen is dit de enige mogelijkheid om deze vaardigheid te oefenen. Dat wij hen dan niet begrijpen, is mooi meegenomen.   Juffrouw Thérèse heeft zich tot missie gesteld om de jeugd te behoeden voor ijdelheid en zelfoverschatting.  Ze gebruikt graag het woord ‘hovaardigheid’. Daar zal ze ons van verlossen. Daarvoor neemt ze elke gelegenheid te baat om ons eraan te herinneren dat we niks voorstellen, niks kunnen en niks weten, ‘ook al zitten jullie nu al in het zesde leerjaar’, voegt ze er aan toe. Het komt niet in ons op om haar er op te wijzen dat haar onderwijs dan wel jammerlijk gefaald heeft.   Er is een uitstap gepland: met de bus naar het zwembad in Sint-Niklaas. Ik kan niet zwemmen en ik heb ook geen badpak dus ik blijf samen met nog een paar meisjes, die elk hun eigen reden hebben om niet mee te gaan naar het zwembad, achter bij juffrouw Thérèse in de klas. We krijgen rekenoefeningen. Ik had gehoopt op iets vrolijker, iets wat meer in de lijn van het zwemuitstapje. Ik krijg mijn aandacht niet op de rekensommen gericht. Ik stel me voor hoe mijn klasgenootjes zich vermaken. Eerst in de bus – naast wie zou Linda zitten? -  daarna spelend in het water en daarna met een flesje chocolademelk in de hand. Het rekenblad blijft onaangeroerd. Juffrouw Thérèse kloft door de klas. Haar schoenen lijken een maat te groot. Bij elke stap dreigen ze uit te vallen. Ze ziet mijn leeg rekenblad. Zelfs zonder naar haar te kijken weet ik hoe ze kijkt. De gefronste wenkbrauwen, de tand die wat dieper boort in de onderlip. Ik ben geen held. Ik ben opgevoed  tot strikte gehoorzaamheid, een grote deugd volgens mijn moeder en volgens juffrouw Thérèse.  Mijn oudste zus wordt thuis dagelijks opgevoerd als voorbeeld hoe het niet moet. In onze klas is het Rita Verstappen die deze niet benijdenswaardige rol speelt. Soms moet ze helemaal alleen achteraan in de klas gaan zitten, soms vooraan op haar knieën op de trede met een boek op haar hoofd. Om te leren stil zitten. Dat leidt tot hilarisch taferelen waarbij sommige meisjes hun lach niet kunnen inhouden en juffrouw Thérèse steeds bozer wordt. Juffrouw Thérèse staat naast mijn bank. Juffrouw Godelieve van het vierde leerjaar rook naar eau de cologne. Juffrouw Thérèse ruikt muf en vreugdeloos. Er is een kortsluiting in mijn hoofd. De cijfers dansen en springen op en neer, ze zwemmen! ‘Komt er nog wat van’, klinkt het naast me. Ik kan niet geloven dat ik mezelf hoor zeggen: ‘Nee’.  Als door een wesp gestoken springt Juffrouw Thérèse op. ‘Alsof je deze extra oefeningen niet nodig hebt. Deze hovaardij zal ik je wel eens afleren!’, roept ze door de klas. Het komt vanuit mijn middenrif in schokkende bewegingen. Ik kan het niet tegenhouden. Ik slik en slik, ik trek mijn spieren samen, ik buig naar voor, ik probeer mijn adem in te houden. Het helpt niet, mijn hele lichaam schokt. ‘Ga naast je bank staan en je mag pas terug gaan zitten als je gestopt bent met deze belachelijke vertoning’, zegt ze. Ze kijkt me koud en kwaad aan. Ik sta lang naast de schoolbank. De andere meisjes zijn doodstil en buigen het hoofd boven de rekensommen. Juffrouw Thérèse is oppermachtig, ze wint de strijd. Ik krijg, na een bovenmenselijke inspanning, het uitstulpende verdriet ingeslikt en afgegrendeld. Het wordt een levenswerk om dat middenrif terug ontgrendeld te krijgen.   Een jaar later Elke ochtend als we nog aan de ontbijttafel zitten, vertrekt mijn vader met de fiets naar de Grote Baan. Daar neemt hij de bus naar Antwerpen. Mijn vader werkt in Securitas, een verzekeringsmaatschappij. Zoals elk jaar gaat ook dit jaar het hele  gezin met een grote taxi naar het sinterklaasfeest in Antwerpen. Ik kijk er naar uit, ook al word ik misselijk achteraan in de auto en in de lange tunnel. Op het feest krijgt elk kind tot twaalf jaar een mooi cadeau van sinterklaas. Het is de laatste keer dat ik een cadeau krijg. De vorige jaren was het speelgoed. Voor de twaalfjarigen is het een passer in een lederen etui. We eten rozijnenbrood en drinken chocolademelk. Mijn vader neemt ons mee naar zijn werkplek. Met de bureaustoelen op wieltjes rijden we langs de grote donkerbruine houten bureaus. We klimmen op de ladders langs de hoge muren met de archiefkasten.  Mijn broer zit aan het eerste bureau en ik aan het laatste. Elk met een donkergroen vilt op het bureaublad. Mijn vader toont hoe we elkaar kunnen opbellen. Ik hoor de stem van mijn broer dicht aan mijn oor. We kunnen er niet genoeg van krijgen maar we moeten nog naar de voorstelling. Er komt een goochelaar.   Een maand later Het hele dorp loopt uit, de kerk zit vol. Er wordt gefluisterd en gefezeld. Iedereen wil een glimp opvangen van de weduwe achter de zwarte voile, omringd door haar kinderen. Er gebeurt niet veel in het dorp. Een drama brengt leven in de brouwerij en zorgt voor gespreksstof. Ik ben voorzanger in het koor van pastoor Sabot. Onlangs nog zongen we in de rouwdienst van het kleine blonde jongetje. Drie jaar was hij net geworden. Hij stak de straat over. Zijn vader zag hoe de aankomende auto hem dodelijk trof. De grote, zware man zat op zijn knieën voor het kistje en huilde hartverscheurend. Het raakte me diep. Nu voel ik vooral de priemende ogen van mijn dorpsgenoten. We weten dat er iets mis is met het ongeval van onze vader. Verdronken in de Schelde op een koude, mistige maandagochtend in januari. Er wordt gekletst in het dorp. Ze hebben hun oordeel klaar. Er was discussie over de begrafenis. Het was niet zeker of hij in de gewijde grond van de begraafplaats mocht liggen.   Een verzorgde mevrouw in mantelpak komt bij ons thuis onze maten nemen. Na de dood van mijn vader zal de verzekeringsmaatschappij ons allemaal in het nieuw steken. Voor de meisjes  een donkerblauwe rok en blazer en een witte bloes. Voor de jongens een donkerblauwe broek en blazer en een wit hemd. ‘Maak het maar op de groei’, zegt mijn moeder. Een tijd later krijgt mijn moeder een brief. ‘Tot onze spijt kan de levering van de kleding niet doorgaan.’  De verzekeringsmaatschappij heeft geoordeeld dat het niet om een bedrijfsongeval gaat. Mijn vader was te ver afgeweken van de dagelijkse route naar zijn werk. Mijn moeder blijft haar hele leven angstvallig vasthouden aan de versie van een ongeluk. Maar er wordt bij voorkeur nooit meer over gesproken. Een nieuw groot taboe doet zijn intrede in ons leven.   Het verblijf bij tante Lieve Een paar maanden na de dood van mijn vader blijft mijn moeder overdag in bed liggen. Dat is nog nooit gebeurd. We weten niet wat er scheelt. Mijn oudste zus zegt dat het iets met de zenuwen te maken heeft. We begrijpen niet wat ze daarmee bedoelt. We weten ook niet of dat ernstig is. Mijn moeder keert voor een tijd terug naar haar ouderlijk huis. De zeven kinderen worden verdeeld tussen de huishoudens van haar broers en zussen.   Mijn zus is een jaar ouder dan ik. Anna-Maria staat er op haar identiteitskaart. We noemen haar Annemien. Later valt de laatste n van haar naam weg. We komen samen terecht bij de oudste zus van onze moeder. Tante Lieve is vriendelijk en welwillend maar wij zijn onbereikbaar. We weten nog altijd niet zeker wat er precies met onze vader gebeurd is. We vrezen dat hij iets slecht gedaan heeft. We schamen ons diep. Hij is dood en wij zwijgen hem dood. We weten niet wat er met onze moeder aan de hand is. We weten niet hoelang we bij tante Lieve moeten blijven. We vragen niks. We wachten. We schuilen in de boeken die we meegenomen hebben. ’s Avonds liggen we in bed. Ik hoor Annemien zachtjes huilen. Ik huil stil met haar mee. We troosten elkaar niet. Dit verdriet bestaat niet. De twee dochters van tante Lieve zijn een paar jaar ouder dan wij. Ze zijn heel zelfbewust en maken zich mooi. Ze laten ons duidelijk voelen dat we twee oninteressante en saaie huisgenoten zijn. We doen niets om dit beeld te veranderen. Het liefst willen we, net als onze vader altijd deed, op bed liggen, door het raam staren of lezen, of stilletjes huilen als niemand het hoort of ziet.   Op een dag mag iedereen terug naar huis. Er is een belangrijk besluit genomen waar mijn moeder beter van wordt. Ze gaat terug naar haar geboorteplek, in Geraardsbergen. We krijgen een nieuw huis waar niemand weet heeft van ons grote geheim.    Nonkel Herman, de broer van mijn moeder, heeft een brandstapel gemaakt in onze tuin in Melsele. Het vuur laait hoog op. Alles wat we niet meenemen naar het nieuwe huis wordt verbrand. ‘Eén pop mogen jullie houden’, zegt mijn moeder tegen mijn zus en mij. Ik kan niet kiezen. ‘Toch niet die met dat afgeknipte haar en nog maar een oog’, zegt mijn moeder. De pop komt op de brandstapel terecht. Ze brandt niet, ze smelt langzaam weg.   Eerste buitenlandse reis Met elk onze kartonnen valies in de hand zet nonkel Herman mijn zus en mij af bij de trein. Het is onze eerste treinreis en onze eerste buitenlandse reis. We gaan tien dagen naar Zwitserland  De mutualiteit organiseert elk jaar een reis voor de veertienjarigen. Ik ben nog maar dertien maar ik mag mee met mijn veertienjarige zus. Terwijl wij in Zwitserland zijn, zal de verhuis doorgaan.   In de barak in Melchtal slapen we in stapelbedden. De tweede nacht krijg ik een bloedneus. Het stopt maar niet. ‘Dat komt door de hoogte’, zegt de dokter. Ik krijg dikke watten in mijn neus. ‘Zonder de toestemming van de ouders mogen we het niet dichtbranden’, zegt hij. Mijn moeder is onbereikbaar. Ze is aan het verhuizen, naar het nieuwe huis. We hebben nog geen telefoon. Die zal pas een paar jaar later zijn intrede doen in ons huis. Als hij bij uitzondering al eens rinkelt durft niemand de hoorn op te nemen. De rest van de dagen breng ik door op bed in de ziekenboeg. Ik probeer af en toe iets mee te doen maar na elke inspanning wordt de bloeding erger. Ik krijg bezoek van de monitrice, mijn zus en een paar meisjes van mijn groep. Ik vind het best. Ik lees en droom van het nieuwe huis terwijl ik door het raam naar de besneeuwde bergtoppen kijk. Het zal klaar zijn als we terug naar huis moeten.   Behalve mijn zus zal niemand thuis ooit weten dat ik mijn eerste buitenlandse vakantie doorbracht op bed met dikke proppen watten in mijn neus. Niemand vraagt iets, wij vertellen niets. Wat niet weet, niet deert.   Het nieuwe huis Het nieuwe huis is donker en vochtig. Alle lichte beelden die ik droomde in Zwitserland verdwijnen als sneeuw voor de zon. Het huis is van tante Madeleine, de ongetrouwde zus van mijn grootvader. Ze is mager en benig. Elke avond daalt ze de trappen af van de tweede verdieping helemaal naar de kelder. Ze heeft dan haar haar, dat anders in een knot gedraaid achter op haar hoofd zit, in een lange grijze vlecht. Haar kleren zijn op verschillende plaatsen netjes versteld met stukjes stof, soms in een iets andere kleur als ze blijkbaar geen stofje kon vinden in dezelfde kleur. In de kelder schept ze op haar knieën water uit de waterput. Nu zouden we dit milieubewust noemen maar tante Madeleine is vooral zuinig. Ze had vroeger een kruidenierszaak in dit huis. Nu woont ze op de tweede verdieping van haar eigen huis. Wij wonen beneden en slapen op de eerste verdieping. Een kamer voor de drie jongens, een kamer voor de drie meisjes en een kamer voor mijn moeder en onze kleinste zus, die pas vier is. De jongenskamer is klein. Met de twee bedden en een commodekast staat ze propvol. De grauwe, vochtige muren worden doorheen de jaren volledig bedekt met de posters uit het poptijdschrift ‘Salut les Copains’. De meisjesslaapkamer is de grootste. In de plompe, donkerbruine houten kleerkast hangen voor elk van ons een paar zondagse kleren. Ze hangen wat verloren in de grote kast. Tegenover de kast staat een eenpersoonsbed voor mijn oudste zus en daar tegenover een tweepersoonsbed voor mij en Annemien, die ondertussen Annemie geworden is. Mijn oudste zus is er niet blij mee. Ze had in het oude huis een eigen klein kamertje. Nu moet ze de kamer met ons delen. Ze hangt een laken tussen onze bedden. Zo kan ze zich weer even in haar kleine kamertje in het grote, oude huis wanen.   Voor het eerst in ons leven hebben we een ligbad. Beter gezegd, tante Madeleine heeft een ligbad en wij mogen er gebruik van maken. Ik vind het zalig om in het bad te drijven. Ik kan er niet genoeg van krijgen maar het moet vlug gaan. Eén na één moeten we op zaterdag in bad. We mogen tante Madeleine niet teveel storen, dus we doen het snel en mijn moeder zorgt ervoor dat de badkamer schoon blijft na die zaterdagse invasie. Het helpt niet. Op een dag komt tante Madeleine naar beneden. ‘Beatrijs’ galmt het door de lange gang. Mijn moeder zucht. ‘Die kinderen maken zoveel lawaai’ klaagt tante Madeleine, ‘Ik kom op zaterdag niet meer aan mijn middagdutje toe.’ Het zaterdagse badritueel verplaatst zich van dan af naar de keuken. De gordijnen gaan toe, de deur gaat op slot. Er worden doorlopend grote potten water op het gasfornuis gewarmd. Op de keukentafel staat het plastic kinderbadje waar mijn jongste zus ondertussen uitgegroeid is. Ik droom van het ligbad op de tweede verdieping. Pas als tante Madeleine overleden is, een paar jaar later, mogen we terug in bad. Ik loop even haar woonkamer in. In de ligstoel waar ze haar dagelijks dutje deed, liggen twee kussens en een dekentje netjes opgevouwen. De kachel die ze elke dag oprakelde met welgeteld zeven bewegingen over en weer, is koud. De badkamer heeft zijn glans verloren.   Een nieuwe school Behalve mijn oudste zus die het laatste jaar van haar middelbare school op internaat gaat in haar oude school, moeten we allemaal naar een nieuwe school. Ik sta op de speelplaats. Ik kijk naar de spelende meisjes in hun hemelsblauwe schorten. Ik denk aan mijn oude school. Daar waren onze schorten blauw en wit geruit.  Ik voel me niet thuis in dat hemelsblauwe. Een meisje komt naar me toe. ‘Hoe heet je’, vraagt ze. Ik twijfel wat ik moet zeggen. Thuis heet ik Haddie. Op school ben ik Hadewijch. Welke naam ik ook zeg, ik moet hem altijd verschillende keren herhalen. Ik zwijg. ‘Weet je niet hoe je heet?’, lacht ze. Het is ongewoon dat er zomaar in het tweede jaar van de middelbare school iemand nieuw in de klas komt. Geraardsbergen is een klein provinciestadje zonder noemenswaardige industrie, buiten dan de Union Allumettière, in de volksmond, de stekskesfabriek. Ze is nieuwsgierig wat ons gezin naar deze plek brengt. ‘Wat doet je vader?’ vraagt ze belangstellend. Ik verstar. Ik heb me niet voorbereid op die vraag. En zelfs als ik er me probeer op voor te bereiden krijg ik het antwoord niet geformuleerd. Maar ik wen langzaam, ook al is deze school strenger dan mijn oude school. Als we op onze knieën op een stoel zitten moet onze rok het zitvlak van de stoel raken. Ik zie een meisje op de speelplaats met een strook papier onderaan haar rok gespeld tot op de juiste lengte. Ze doorstond de stoeltest niet. Ze zorgt er wel voor dat ze de volgende dag een andere rok aan heeft, om niet uitgelachen te worden. Broeken zijn niet toegestaan. Enkel als het ’s winters heel koud is mogen sommige meisjes, die van ver komen met de fiets, boven hun collant een broek aantrekken. Die moet dan wel bij aankomst in de school, terug uit. Om geen aanstoot te geven. Deze en andere kledingvoorschriften deren me niet. Ik heb ondertussen twee vriendinnen, Hélène en Chantal. Ik kom regelmatig bij hen thuis. Hélène haar moeder gaat uit werken. Als ik na school met haar mee naar huis ga, is haar moeder nog niet thuis en kijken we samen tv. Thuis hebben we nog geen televisie. Die komt er pas een aantal jaar later, als ik het ouderlijk huis al verlaten heb. Met Chantal ga ik de hele zomer fietsen. Er is een nieuwe rage: de minifiets. Als bij wonder hebben we er één, de enige fiets die we ooit bezaten. Behalve dan de fiets van mijn vader. Die fiets is niet mee verhuisd naar het nieuwe huis. Ik vraag me af waar hij gebleven is. Maar dat kan ik niemand vragen.   Opnieuw een nieuwe school In de nonnenschool waar Annemie in het derde en ik in het tweede jaar van de middelbare school zit is er een probleem met de punten van mijn zus. In plaats van dit uit te praten besluit mijn moeder zonder overleg om mijn zus en mij naar een andere school te sturen. Ik wil niet weg uit de school waar ik me, na een moeilijke start, eindelijk thuis voel en ik vriendinnen heb. Maar het besluit is al genomen dat we de vier volgende jaren in het Lyceum zullen doorbrengen. Annemie doet haar derde jaar over zodat we in dezelfde klas zitten. Het lyceum is een cultuurshock. Alle meisjes spreken plat dialect. De tweede dag spreekt Myriam, één van onze klasgenoten, mijn zus en mij aan: ‘Zorg er maar voor dat jullie zo snel mogelijk normaal gaan spreken. Hier spreken we niet in dat bekakte Nederlands’,  zegt ze in haar platste dialect. In de nonnenschool waren er ook meisjes die dialect spraken maar de voertaal was algemeen Nederlands. De eerste weken zwijgen we tot we beginnen te begrijpen hoe we de klanken moeten vervormen. Maar zwijgen is voor ons geen probleem. We zijn erin getraind. Spreken is zilver, zwijgen is goud.   Mijn moeder heeft haar eigen problemen. Ze moet het huishouden draaiende houden met het kindergeld en een overlevingspensioen. En ze moet voortdurend rekening houden met de bemoeienissen van tante Madeleine. Ze heeft dan ook wel wat anders aan haar hoofd dan ons te vragen hoe het gaat op de nieuwe school. We vertellen weinig. Nochtans komen we elke middag thuis eten. Heel vaak is het pasta of rijst met een rode saus erbij en gehaktballen of koteletten van de slager die een paar huizen verderop woont. Ik vind het niet erg want ik heb geen honger. Ik heb opnieuw een krop in de keel. Ik slik veel, soms tot de tranen me in de ogen schieten. Elke avond schommel ik mezelf in slaap.   Ik weet nog niet dat mijn hechtingsstijl *, die al in de eerste drie levensjaren gevormd werd, me in de weg zit om me gemakkelijk aan te passen aan veranderende omstandigheden. Ik weet nog niet dat de boodschap van mijn moeder, ‘je onopvallend op de achtergrond te houden’, geen goede ingesteldheid is om me in de buitenwereld te begeven.      * A secure Base John Bolwby   Ik ben het vierde kind van mijn ouders in vijf jaar tijd. Na mijn geboorte adviseerde de dokter om het bij vier kinderen te houden. Er kwamen nog drie kinderen na. Als ik twee jaar ben is er geen plaats op de schoot van mijn moeder. Mijn jongste broertje is pas geboren. Hij ligt aan de borst. Na dat zesde kind is mijn moeder uitgeput. Mijn andere broertje dat elf maanden jonger is dan ik, begint net wat schommelend te lopen. Ik vind troost op het schommelpaardje waar ik zelf op en af kan kruipen en waar ik mezelf in slaap schommel. Ik heb niemand nodig voor troost en veiligheid.   Het duurt lang maar ook in het lyceum maken mijn zus en ik uiteindelijk vriendinnen en we leren stilaan de finesses van de plaatselijke taal.   Verliefd Ik ben 16 jaar. Ik ben verliefd op een jongen die een paar straten verder woont.  Als ik van school kom loopt hij vaak met een paar vrienden voor mij uit naar huis. Soms blijven ze ergens staan dan vertraag ik mijn pas om ze niet voorbij te moeten steken. Soms steek ik de straat over. Ik kijk hem nooit aan. Ik spreek ook met niemand over deze verliefdheid en niemand merkt wat aan mij hoewel het vaak pijn doet aan mijn hart. Het is een opluchting als het gevoel langzaam slijt en op een dag helemaal weg is. Ik hoop dat dit gevoel me nooit meer in de greep krijgt. Het geeft me enkel onrust, angst, schaamte en pijn.   Ik ben 17 jaar. Ik ben verwonderd dat Hugo verliefd op me is. Hij wordt mijn eerste vriendje. Hij kiest dat, niet ik. Dat is veiliger. Ik hou me op de vlakte. Ik ben de perfecte kopie van mijn moeder. Ik blijf onopvallend op de achtergrond. Als iemand me in die achtergrond opmerkt, ben ik verwonderd en onwennig.   Als iemand me op dat moment zou vertellen dat ik me op een dag vanuit die achtergrond op de voorgrond zal werken om voor een groep te staan, zou ik vol ongeloof het hoofd schudden. Op dat moment ben ik nog lichtjaren verwijderd van deze toekomst.   Dertig jaar later sta ik in het ondertussen vertrouwde opleidingslokaal van de bank in de Kreupelenstraat in Brussel. Twaalf deelnemers heb ik deze keer. Zoals gewoonlijk zijn er meer vrouwen dan mannen die ingeschreven hebben op de opleiding sociale vaardigheden. Vaak zijn het de mensen in de kantoren. De druk op de mensen in de bank is groot. Een tweedaagse is te kort maar ik geef ze zoveel mogelijk praktische bagage mee. Al de vaardigheden en hulpmiddelen die ik zelf moeizaam verworven heb, verwerk ik er in. ‘Dat kan ik met mijn puberzoon ook gebruiken’ zegt een vrouw opgelucht als we het territoriummodel bespreken en oefenen met de principes van geweldloze communicatie.  Ik kijk naar de naamkaartjes. Rita, haar gezicht komt me bekend voor. Ze lacht me vriendelijk toe. In de pauze komt ze naar me toe. ‘Ken je me niet meer?’ vraagt ze. Rita Liekens. We volgden twintig jaar geleden samen een bijscholingscursus. Ze is wat ouder geworden, maar ze heeft nog altijd hetzelfde vriendelijke gezicht. We lunchen samen. ‘Ik ben verbijsterd, zegt ze ‘Waar is het verlegen meisje van 20 jaar geleden gebleven?’ ‘Je sprak niet’, herinnert ze zich,’ ‘Hoe ben je ooit zover gekomen?’ vraagt ze oprecht verwonderd. Het is een lang verhaal. Zelfs met twee lunchpauzes hebben we niet genoeg. Ze verzorgt nog steeds liefdevol haar man die na een ongeval in een rolstoel belandde.   Na elke opleiding moet elke deelnemer een evaluatieformulier invullen en op verschillende items punten geven. Ze geeft overal tienen met een uitroepteken. ‘Ik kan het nog steeds niet geloven’, zegt ze bij het afscheid, ‘Je doet dit fantastisch, maar ik had het nooit kunnen denken. Het is onvoorstelbaar. Blijf dit vooral doen!’ Ze omhelst me krachtig.   Verder studeren Na vier jaar zijn voor mijn zus en mij de lyceumjaren voorbij. We zijn geen briljante studenten maar we halen met weinig inspanning de eindmeet. Ik denk terug aan het vijfde leerjaar hoe ik op een dag thuis kwam met mijn rapport. Mijn moeder zette het op de schouw bij de rapporten van mijn broers en zussen, voor mijn vader om ze te tekenen als hij thuis kwam van het werk. Ik keek stiekem naar de cijfers in de andere rapporten. Mijn ouders zouden nu wel merken dat ik echt hoge cijfers had. ’s Morgens lagen de rapporten ondertekend klaar om terug mee naar school te nemen.  ‘Steek maar in de boekentas’, zei mijn moeder, zonder verder commentaar. Schoolresultaten waren niet belangrijk. Er is niets om je best voor te doen.   Er wordt in het lyceum gepraat over de studierichting die we moeten kiezen. Mijn zus en ik weten het niet. We hebben geen ambities. Thuis is het geen onderwerp van gesprek. We maken uiteindelijk toch een keuze. Mijn zus gaat binnenhuisarchitectuur doen en ik schrijf me in in de sociale hogeschool. We gaan samen op kot in Gent.   Het studentenkot ligt in de kelder. Vanuit ons bed zien we voeten en benen tot aan de knie passeren en af en toe fietswielen, die ook vaak voor het kleine getraliede raam blijven staan. De lamp boven de tafel, die ook dienst doet als bureau, brandt de hele dag en dan nog wordt het nooit helemaal licht.   We verlaten deze schuilplaats steeds minder. Zonder het uit te spreken weet ik dat Annemie, net als ik, niet kan aarden in de nieuwe school. We praten niet. We zijn een zwijgend verbond.  Veertig jaar later praten we wel. We hebben niet veel tijd meer. We klinken op onze laatste gezamenlijke verjaardag. We schelen een jaar en een dag. Mijn zus krijgt thuis palliatieve zorgen. Haar krachten nemen snel af. R

Haddie
0 0

Opdracht 6. Twee nieuwe scènes over alter ego. Haddie Geerts

    Ik ben het vierde kind van mijn ouders in vijf jaar tijd. Na mijn geboorte adviseerde de dokter om het bij vier kinderen te houden. Er kwamen nog drie kinderen na.   Als ik twee jaar ben is er geen plaats op de schoot van mijn moeder. Mijn jongste broertje is pas geboren. Hij ligt aan de borst. Na dat zesde kind is mijn moeder uitgeput. Mijn andere broertje dat elf maanden jonger is dan ik, begint net wat schommelend te lopen. Mijn moeder is geen Shiva met vier armen. Ik vind troost op het schommelpaardje waar ik zelf op en af kan kruipen en waar ik mezelf in slaap schommel. Ik heb niemand nodig voor troost en veiligheid.   Ik ben 16 jaar. Ik ben verliefd op een jongen die een paar straten verder woont.  Als ik van school kom loopt hij vaak met een paar vrienden voor mij uit naar huis. Als ze blijven staan vertraag ik mijn pas zodat ik ze niet voorbij moet steken. Soms steek ik de straat over. Ik kijk hem nooit aan. Ik ken zijn naam niet en doe geen enkele moeite om hem te achterhalen. Ik spreek met niemand over deze verliefdheid en niemand merkt wat aan mij. Twee maanden zomervakantie doen het gevoel langzaam slijten totdat het op een dag helemaal weg is. De opluchting. Ik hoop dat dit gevoel me nooit meer in de greep krijgt. Het brengt enkel onrust, angst, schaamte en pijn.   Ik ben 17 jaar. Ik ben verwonderd dat Hugo verliefd op me is. Hij wordt mijn eerste vriendje. Hij kiest dat, niet ik. Dat is veiliger. Ik hou me op de vlakte. Ik ben de perfecte kopie van mijn moeder, ik blijf onopvallend op de achtergrond. Als iemand me in die achtergrond opmerkt, ben ik verwonderd en onwennig.   Als iemand me op dat moment zou vertellen dat ik me op een dag vanuit die achtergrond op de voorgrond zal werken en voor een groep zal staan, zou ik vol ongeloof het hoofd schudden. Op dat moment ben ik nog lichtjaren verwijderd van deze toekomst.     Dertig jaar later sta ik in het ondertussen vertrouwde opleidingslokaal van de bank in de Kreupelenstraat in Brussel. Twaalf deelnemers heb ik deze keer. Zoals gewoonlijk zijn er meer vrouwen dan mannen die ingeschreven hebben op de opleiding sociale vaardigheden. Vaak zijn het de mensen in de kantoren. De druk op de mensen in de bank is groot. Een tweedaagse is te kort maar ik geef ze zoveel mogelijk praktische bagage mee. Al de vaardigheden, en de nodige hulpmiddelen, die ik zelf moeizaam verwierf, verwerk ik er in. ‘Dat kan ik met mijn puberzoon ook gebruiken’ zegt een vrouw opgelucht als we het territoriummodel bespreken en oefenen met de principes van geweldloze communicatie.   Ik kijk naar de naamkaartjes. Rita. Haar gezicht komt me bekend voor. Ze lacht me vriendelijk toe. In de pauze komt ze naar me toe. ‘Ken je me niet meer?’ vraagt ze. Rita Liekens. We volgden twintig jaar geleden samen een bijscholingscursus. Ze is wat ouder geworden, maar ze heeft nog altijd hetzelfde vriendelijke gezicht. We lunchen samen. ‘Ik ben verbijsterd’, zegt ze ‘Waar is het verlegen meisje van 20 jaar geleden gebleven? Je sprak niet’, herinnert ze zich. ‘Hoe ben je zo ver gekomen?’ vraagt ze oprecht verwonderd. Het is een lang verhaal. Zelfs met twee lunchpauzes hebben we niet genoeg. Ze verzorgt nog steeds liefdevol haar man die na een ongeval in een rolstoel belandde.   Na elke opleiding moet elke deelnemer een evaluatieformulier invullen en op verschillende items punten geven. Ze geeft overal tienen met een uitroepteken. ‘Ik kan het nog steeds niet geloven’, zegt ze bij het afscheid, ‘Je doet dit fantastisch, maar ik had het nooit kunnen denken. Het is onvoorstelbaar. Blijf dit vooral doen!’ Ze omhelst me krachtig.           Vakantie in Zuid-Engeland Het is zachtjes beginnen regenen. We kwamen aan met regen. We vertrekken opnieuw met regen. Daar tussen liggen, als een oase, veertien zonnige dagen.   Mike zwaait ons uit. We blijven elkaar aankijken tot hij een wazige vlek geworden is. We zullen elkaar nooit meer terugzien. Hij weet het niet, en ik begrijp ook niet hoe hij het gedaan heeft, maar hij heeft bewerkstelligd waar ik zelf niet toe in staat was. Hij heeft me bevrijd van de demonen die mijn leven tot een hel maakten.   Nooit was ik er meer aan toe om even weg te zijn uit de vertrouwde omgeving.   ‘Away from everything’ staat er in de aankondiging van het vakantiehuisje dat we, in het begin van de zomer, met het hele gezin huren. ‘Everything’ is de man die mijn leven binnengedrongen is.    ‘Let it please be him, oh dear God, it must be him, it must be him, or I shall die’ zingt Vikki Carr gepassioneerd en ik met haar, terwijl ik tegelijk bid en smeek om me te verlossen van deze gesel, van de onweerstaanbare drang om bij deze man te zijn, door hem bemind te worden. Mijn verstand weet dat het een verloren zaak is. Ik wil mijn veilige haven niet in gevaar brengen voor een man die enkel wil spelen, een man die ik even begeerlijk als weerzinwekkend vind. Het verlangen drijft me naar buiten, uit de schulp waar ik me al jaren veilig schuil houd. De afkeer, de schaamte en de angst dringen me telkens terug, maar ik vind geen rust meer in mijn schuilplaats.   Ik neem een vriendin in vertrouwen maar ik vertel niet over de pijn van het dwangmatig verlangen en de diepe schaamte over de weerzin. Het bevestigt het gevoel dat er iets mis met me is, net zoals er iets mis was met mijn vader. Ik mobiliseer al mijn redelijk verstand en besluit telkens weer om ermee te stoppen. Het lukt niet. Ik ga dood als ik hem niet zie.   Een vakantie in Engeland zal me een rustpauze geven en de nodige afstand om terug wat op krachten te komen.     Mijn man slaapt, ook tijdens deze vakantie, zoals gewoonlijk tot de middag. Hij is onwetend van de uitzichtloze strijd die ik dagelijks eenzaam voer tegen de monsterlijke verliefdheid waar ik me diep over schaam. Mijn man heeft geen idee dat ik me soms voel alsof ik langzaam aan het sterven ben, dat ik voortdurend een krop in de keel heb die het slikken moeilijk maakt. Hij merkt niet dat ik kilo na kilo verlies, net zoals mijn moeder het ook niet merkte in dat eerste jaar na de dood van mijn vader. In het eerste jaar van het Lyceum. In het eerste jaar in Gent. I am a master in disguise.   Mike werkt in Londen maar woont op zijn landgoed in Zuid Engeland waar wij deze zonnige zomer een paar kamers huren, die hij de flat noemt. Hij houdt van het buitenleven, van zijn honden, van het leven in zijn vijver. Mike is net veertig jaar geworden. Hij kan niet geloven dat hij al zo oud is. Hij zegt het vrolijk. Elke ochtend maakt hij thee met melk en suiker en praten we in zijn keuken over het leven. Mijn man slaapt. De kinderen spelen in de tuin en met de honden en ik zit bij Mike in de keuken met de opengeslagen deuren. Doorheen de dagen kom ik stilaan terug tot leven. Ik bind een roze strik in mijn haar. De zon schijnt. We lachen. De laatste dag blijf ik achter om de flat schoon te maken voor ons vertrek. In plaats daarvan bedrijven we de liefde. De eerste en de laatste keer. “My darling”, zegt hij ‘I don’t want to be rough but we have to dress up’.   Ik moet terug naar mijn leven. Ik ben voorlopig genezen. Deze keer heeft Mike me bevrijd van de demonen. De volgende keer zal ik het zelf moeten doen.  

Haddie
0 0

Opdracht 5: toepassen van meervoudig personaal perspectief op één scéne. Haddie

Opdracht 5: toepassen van meervoudig personaal perspectief op één scéne. Haddie   De tekst is herschreven vanuit het personaal perspectief van mijn oudste zus, in de derde persoon.  Kaatje is de oudste in een gezin van zeven kinderen. Ze is net zestien geworden. Ze is groot voor haar leeftijd. Ze steekt met kop en schouders uit boven haar broers en zussen. Kaatje haat haar naam, zeker zoals de mensen uit het dorp hem uitspreken. De aa wordt een lange au. Op school spreken de vriendinnen over de liedjes die ze gehoord hebben op radio Veronica. Bij Kaatje thuis staat de radio enkel op om naar het nieuws te luisteren en op zondagnamiddag naar het programma ‘opera en belconto’.   Kaatje houdt van Adamo en Cliff Richard. Terwijl  haar moeder boodschappen doet, zet ze stiekem radio Veronica op. ‘Oh Katy, Katy’, zingt Marc Aryan.  Ze is op slag verliefd.’ Katy’, zo wil ze voortaan heten. Het liedje blijft de hele dag in haar hoofd spelen.  Ze zeurt bij haar moeder om voortaan elke zaterdagnamiddag naar  de nieuwe hits op de radio te mogen luisteren. Ze heeft nog geen antwoord gekregen. Ze weet dat haar moeder vreest dat die moderne muziek een slechte invloed op haar zal hebben. Hoe kan ze uitleggen dat ze er juist vrolijk van wordt. Maar vrolijkheid is geen eigenschap die haar moeder hoog inschat.   Op een dag komt Kaatje thuis. Ze hoopt dat haar moeder nagedacht heeft over haar vraag en dat ze toestemming zal krijgen om op zaterdagnamiddag naar de radio te luisteren. ‘Kaat’, zegt haar moeder, ‘ik heb je ingeschreven in het Marialegioen, elke zaterdag van twee tot vier’. ‘Waar is dat Marialegioen?’, vraagt Kaatje argwanend. Ze denkt aan radio Veronica. ‘In de kapel’, antwoordt haar moeder, ’er zullen ook andere meisjes zijn’. ‘Meisjes die ik ken?, vraagt ze. Ze vertrouwt het nog steeds niet. ‘Dat zal je zaterdag wel zien’, zegt haar moeder.      

Haddie
0 0

Opdracht 4; herwerken openingsscène en uitbreiden met drie scènes. Haddie

Opdracht 4. Herwerken openingsscéne en uitbreiden met drie scénes. Haddie   Openingsscène herschreven. Haddie   ‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes mijn hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein. Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen. ‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud. Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens.  En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb. “Een glaasje water graag’, bestel ik.  Dat zal helpen tegen die droge mond. Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden en ervan kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien. Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik,  maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.  Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag . Straks moet ik nog overgeven. Ik weet ondertussen wel dat de rede soms niet opgewassen is  tegen het gevoel maar ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.   Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer iemand binnen die ik moet begroeten.  ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren.  Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren. Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk. Ik heb hen de fakkel niet doorgegeven. Soms kan ik niet geloven dat het me gelukt is.  ‘ Zal het lukken mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar. Het koffiehuisje raakt stilaan vol.  Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.   Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen. ‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.   De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen.  De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang. Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn nu op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen.  Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden. Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef. Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk:    Beste familie en vrienden,   Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed . Ik schoof een stoel bij.  Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof.  De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien. De glazen kast vol poppen in de woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken. Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten? Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie. Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis. We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen. Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer  Maarten,  tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte. Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en uitzonderlijk in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen. En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen. Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van  een bezinningsgroep. Deze ‘gezinsgroep’ zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten. In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor…   Daar is gelukkig verandering in gekomen’.   Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten. Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg dan:   ‘Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend over de beproeving die ze doorstond daar vooraan, met alle ogen op haar gericht. Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven.  Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.  Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten. Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek  waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen. Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.’   Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen. Ze kennen de strijd. Ze vreesden een onverbloemd portret. Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.  Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer.     Vervolg opdracht 4: uitbreiden met drie scénes. Mijn tijdlijn is een verzameling van data, feiten en personen. Ik heb gekozen om er drie personen uit te lichten: mijn moeder, mijn oudste zus en de onderwijzeres van het zesde leerjaar. Dit is nodig om de latere scénes te kunnen begrijpen.     Mijn moeder beleeft in haar laatste levensjaren de gelukkigste van haar leven. Niets moet meer. Ze is niet meer goed te been en ze heeft de ziekte van Ménière, die het risico op vallen verhoogt. Het biedt haar een uitstekend excuus om zich niet meer buiten de deur te begeven. Haar wereld is gekrompen tot dertig vierkante meter. Ik vraag haar of ze het niet mist, de wereld daarbuiten en of ze geen zin heeft om zich eens te laten rondrijden. ‘Oh nee, daar heb ik geen behoefte aan’, haast ze zich te zeggen, ‘Ik heb genoeg aan mijn boeken en aan mijn kruiswoordraadsels. Ik verveel mij nooit.’ Mijn moeder leest bij voorkeur thrillers en detectiveverhalen, al gaat het lezen steeds moeizamer. ‘De dokter heeft gezegd dat het heel goed is dat ik mijn geest zo blijf trainen en dat ik zo goed blijf bewegen’, zegt ze trots, terwijl ze enkel wat over en weer schuifelt op haar dertig vierkante meter. Ze wil graag de dokter ter wille zijn. Gezagsgetrouw blijft ze tot haar laatste snik. ‘Als ik iets nodig heb, haal ik het zelf uit de kast’, zegt ze. ‘Mij niet gezien dat ik me laat dienen!’ Mijn moeder houdt er stiekem van om zich te laten dienen. Elke dag staat er een team klaar om haar te helpen. Haar eten wordt  gebracht, haar kinderen doen de boodschappen en onderhouden de tuin, waar ze trouwens zelden in komt. De dames van familiehulp helpen haar met het dagelijkse toilet en met de schoonmaak. Ik gun haar deze luxe. Ze staat in schril contrast met de levensomstandigheden in haar jonge jaren waar ze moest zorgen voor een groot gezin in een huis zonder de gemakken die nu vanzelfsprekend zijn. Een huis zonder badkamer, zonder wasmachine en met enkel een buiten-wc. Ik zie nog het beeld van mijn moeder op haar knieën, gebogen voor de kachel in de woonkamer, de enige verwarming in het huis. Elke ochtend maakte ze eerst de kachel leeg en schoon om hem daarna met papier en hout terug aan te steken en vervolgens de hele dag met kolen brandend te houden. Later kwam de continu-kachel die ’s nachts heel licht bleef smeulen en ’s morgens enkel moest opgerakeld en opnieuw bijgevuld worden.  De koperen kolenkit, die regelmatig in de kelder bijgevuld werd,  stond altijd klaar naast de kachel. Mijn moeder geniet op haar oude dag van een voor haar luxueuze situatie, met als belangrijkste element dat ze gevrijwaard is van alle sociale verplichtingen. En voor mijn moeder zijn alle sociale contacten, verplichtingen.   Dat was altijd al zo. Als ik tien jaar ben en mijn moeder bevraag over haar vriendinnen vroeger, zegt ze heel beslist: ‘Ik had geen vriendinnen’. ‘Met wie speelde je dan?’ vraag ik verwonderd. ‘Ik speelde met mijn pop’, zegt mijn moeder. ‘En met je broers en zussen dan?’, probeer ik nog. ‘Nee’, zegt mijn moeder, ‘Die speelden te wild. Ik breide poppenkleertjes en soms ook een trui’. Ze vertelt opnieuw het verhaal van de mooie trui die ze gebreid had en die ze vervolgens aan haar zus gaf omdat die de trui zo mooi vond. ‘Maar jij had daar al dat werk aan gedaan!’, zeg ik. ‘En dan’, zegt mijn moeder.   Mijn moeder praat bij voorkeur niet over zichzelf. Ze heeft het liever over haar familie. Niet over haar kinderen en kleinkinderen maar over de mensen uit haar ouderlijk huis. Ze is trots dat ze deel uitmaakt van deze familie. Ook al voelt ze zich de minste, iets van de mythische glans, die ze hen toebedeelt,  straalt ook op haar af. Denkt ze. Als mijn moeder anekdotes vertelt over haar vader en moeder en over haar broers en zussen, zit er dezelfde ondertoon in haar stem als in de stem van juffrouw Thérèse, als ze de verhalen vertelt over de Heilige Familie: Maria, Jozef, en Jezus.   Als ik tien jaar ben kan ik mij niet voorstellen dat mijn neven en nichten gewoon naar school gaan en de dagelijkse dingen doen die wij doen.   (In de definitieve tekst zal hier opvolgend een verhaal komen over de familie van mijn moeder)   Het fotoalbum Mijn broer Olav verzamelt foto’s en documenten over de familie. Ik ben op bezoek om zijn jongste kleindochtertje Mona te bewonderen, een schattig meisje van nauwelijks 3 kg. ‘Neem het fotoalbum gerust mee’, zegt hij, wijzend op het dikke, in rood leer gebonden boek dat op de tafel ligt. ‘We komen het deze zomer wel ophalen’, zegt zijn vrouw, Ingrid, ‘ Dan geraken we eens in Leuven.’   Het rood lederen fotoalbum is in twee delen opgesplitst. Het eerste deel is gewijd aan de familie van mijn vader, het tweede deel aan die van mijn moeder. Daar start ik mee. Ik bekijk zorgvuldig de foto’s van mijn jonge moeder. Ik ben op zoek naar oude sporen van het extreme gedrag dat haar later zo kenmerkt.   De zwartwit foto, tweeëntwintig op zestien cm, is genomen in de tuin van haar ouderlijk huis in de Albert Liénartstraat in Aalst. Het huis dat niet lang daarna zal gebombardeerd worden. De tuin is een typische ommuurde stadstuin met gesnoeide boompjes die langs de muren opgroeien. Vooraan, op een tapijt in het gras, zitten vier jongere broers en zussen van mijn moeder. Centraal op de foto staat een tuinbank. Aan de rechterkant zit mijn grootmoeder met haar jongste kind op schoot. Ik zie een mooie, fijngebouwde jonge vrouw. Het is haar niet aan te zien dat ze al tien kinderen gebaard heeft. Ze staan allemaal op deze foto. Naast haar zit haar oudste dochter, glimlachend naar haar jongste zusje op haar moeders schoot. Op de uiterste linkerkant van de tuinbank zit mijn moeder. Ik schat haar twaalf jaar. Ze laat een grote ruimte op de bank tussen haar en haar oudste zus, alsof ze zich wat distantieert. Dit effect wordt nog versterkt door de licht gebogen schouders. Ze heeft een donker kleedje aan met geruite kraag en manchetten. Haar handen rusten in haar schoot. Het hoofd met het donkere kroeshaar, uit haar gezicht gehouden met twee speldjes, is licht gebogen. Vanuit deze schuwe positie kijkt ze voorzichtig glimlachend in de lens. Achter de tuinbank staat mijn grootvader met zijn gezicht in de richting van de twee rechtstaande oudste zonen. Hij kijkt naar zijn jongste zoontje dat op de leuning van de tuinbank staat, gesteund door de oudste broer.  Daardoor staat mijn grootvader in profiel. Op deze en ook op andere foto’s lijkt hij sprekend op Freud.     Mijn kleindochtertje is anderhalf. Ze zit in de kinderstoel en houdt haar handjes voor haar ogen. Ze ziet niemand meer en ze denkt dat niemand haar ziet. ‘Waar is Finneke nu toch’ vraagt mijn dochter Marieke gespeeld bezorgd. Dan haalt ze haar handjes voor haar oogjes weg en kraait van plezier. Daar is ze terug! Ze had haar oogjes toe en was er van overtuigd dat niemand haar zag. Finneke is twee en ze begint te beseffen dat alleen haar oogjes sluiten niet voldoende is om niet gezien te worden.   Mijn moeder was een expert  in haar ogen sluiten. ‘Wat niet weet, niet deert’. Ze vertaalde het naar ‘ik ben niet nieuwsgierig’. De meest elementaire vraag: ’Hoe gaat het?’ heb ik haar nooit weten stellen. Als ik op bezoek kom en ik op mijn beurt wèl vraag hoe het met haar gaat, is haar antwoord er gewoonlijk een in de pluralis majestatis en een variant op: ‘We mogen niet klagen. We laten het hoofd niet hangen. We houden er de moed in.’   Mijn moeder is in de voorbije dertig jaar welgeteld twee keer bij mij thuis geweest. Ze bracht haar kruiswoordpuzzels mee en zat wat ongemakkelijk in de zetel te wachten tot ze terug naar huis kon. Ik nam haar mee naar de winkelstraat waar ze in hoog tempo door beende. Af en toe bleef ik staan voor een winkel waar ik inschatte dat de uitgestalde waar haar zou kunnen interesseren. ‘Ik heb niks nodig’, zei ze en ze stapte verder. Ik gaf het op om haar uit te nodigen en te gaan ophalen. Het was voor ons beiden een beproeving. Ze belde me ook enkel als ze een praktische mededeling had. Praktische mededelingen, die ons beiden aangingen, waren schaars.   Op een dag krijg ik telefoon van mijn moeder. Het is een paar maanden geleden dat we elkaar nog hoorden. Het gaat niet goed met mij en dan is mijn moeder het slechts denkbare gezelschap. Mijn moeder valt meteen met de deur in huis. ‘Ik  heb een nieuw telefoonnummer’ zegt ze ‘schrijf je het even op’. ‘Ik werd de afgelopen maanden regelmatig opgebeld en dan hoorde ik niks aan de andere kant. Ik was er toch niet gerust in’ vervolgt ze, ‘Katrien heeft er voor gezorgd dat ik een nieuw nummer gekregen heb.’ Het blijft even stil. Door de krop in mijn keel kan ik enkel wat onsamenhangende woorden uitbrengen. Ze haakt in. Ik merk in de week daarna dat ze 500 BF (nu zo’n 20€) op mijn rekening gestort heeft. Daarmee is de kwestie afgesloten. Er wordt nooit meer op terug gekomen. Wat niet weet, niet deert.   Ik vraag me af hoe ze omging met de aandoening van mijn vader, maar dat is een absolute no go area. Ik begrijp mijn vader wel steeds beter maar dat kan ik niet met mijn moeder delen.   In een interview met Adriaan Van Dis * vertelt Stephen Fry over een documentaire die hij maakte over bipolaire stoornis, een aandoening waarop hij zelf al op zijn veertiende gediagnostiseerd werd. Hij vertelt:   ‘Ik sprak met een voormalige kapitein-luitenant ter zee. Hij deed een zelfmoordpoging door onder een grote vrachtwagen te lopen. Die verbrijzelden zijn benen. Hij heeft me de littekens laten zien. Het was gruwelijk. Tweeën een half jaar lang werden zijn benen voortdurend terug gebroken door de orthopedist om ze dan met pinnen terug vast te zetten. Deze kapitein-luitenant ter zee keek in de camera en zei: ik wil dat je lezers en kijkers goed beseffen dat de pijn in mijn benen die ik na mijn zelfmoordpoging drie jaar lang doorstond, niets was in vergelijking met de pijn die me ertoe gedreven had een eind aan mijn leven te maken’    * voetnoot:  DWDD NPO1 8 maart 2018 'Hier is Adriaan Van Dis'   ‘We leven in een maatschappij met meer taboes dan een tijd geleden, de jaren van de vrijheid zijn voorbij’, zegt Rik Torfs  in een interview in Humo.* *Voetnoot: Humo nr.4035/01 van 2/1/2018 Hij heeft mijn moeder niet gekend. Wij,  Beatrijs, de koningin der taboes. Op die vooravond, aan de rand van haar bed, deed de pijnstillende morfine zijn werk. De prefrontale kwab liet steken vallen. Ze antwoordde me verrassend gewillig op vragen die vroeger onbeantwoord bleven.   Het is onbegonnen werk om op te sommen waar niet over gepraat kon worden. Uiteindelijk bleef over: het weer, haar familie, de gezondheidsklachten - enkel de hare en zolang ze niet te intiem waren -  het ophemelen van haar huishoudhulp en afkeurende commentaar op het gedrag van anderen en in het bijzonder op het gedrag van mijn oudste zus.   Mijn oudste zus Behalve mijn broers Olav en Maarten hebben we allemaal plechtige namen. Mijn oudste zus heet Katharina. Ze wordt Kaatje genoemd, een naam die ze op haar zestien belachelijk vindt. Ze wil voortaan aangesproken worden met Katy, naar de hit van het moment van Marc Aryan. Na een tijdje vindt ze ook Katy te kinderachtig. Ze kiest uiteindelijk voor Katrien. Het duurt een tijd voor iedereen er aan gewend is. Maar als we haar met haar oude naam aanspreken antwoordt ze niet. Mijn oudste zus krijgt voor haar zestiende verjaardag een dichtbundel met de titel ‘Mijn moeder was een heilige vrouw’, naar een gedicht van René de Clercq.   MIJN MOEDER Mijn moeder was een heilige vrouw - o daar ligt blijdschap in dien rouw - mijn moeder was heilig, en rein, en zoet als de melk van haar borst... O mijn moeder was  goed! En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar  wang, haar oogen al ziel en haar woorden al zang! Gij hoordet, gij zaagt haar, en vroegt, mijn vriend: ach, jongen, waar hebt gij zo'n moeder verdiend? En toch, gij wist nog niet half wat ze deed uit verborgen zorgen; hoe hard zij streed in de nederigheid van haar weduwsmart, met een roos op 't gelaat en een doorn in het hart! Haar kinderen schonk zij het brood uit haar mond, tot het laatste bloed uit haar warme wond.... Mijn moeder!... Zoete gedachtenis, beheers wat er goeds in mijn leven is!   Ze is verontwaardigd over zo’n ouderwets en stom cadeau. Ze droomt van heel andere dingen maar ze moet naar het Marialegioen en valt daar theatraal flauw. Tegen ons, haar jongere broers en zussen wijdt ze omstandig uit over de pijn van het langdurig bidden op de knieën en over de misselijkmakende geur van wierook. Ze hoopt dat dit haar vrijstelling geeft voor toekomstige bijeenkomsten van het Marialegioen. Mijn zus heeft weinig op met de devotie van mijn moeder. Ze verzet zich tegen diens pogingen om haar te behoeden voor de verlokkingen van het leven. Mijn zus wil leven en lachen, en voordragen. ‘ Langzaam gaat de trage man door de straten waar de matte stralen van de maan vallen.’ Ze leert ons, haar jongere broers en zussen, hoe het moet. De korte a moeten we uitspreken als o. ‘Longzaam gaat de trage mon longs de straten …’. Wij oefenen graag mee. Mijn moeder vindt het maar niks dat voordragen en ook niet het babbelgrage van mijn zus, die iedereen in het dorp kent en hen aanspreekt in de Waaslandse tongval. Misprijzend noemt mijn moeder haar ‘de gazet van het dorp’. Het verschil tussen moeder en dochter kan niet groter zijn. Mijn zus belichaamt alles wat mijn moeder niet kan, durft en wil zijn. Ze gaat daarmee in tegen mijn moeders devies: ‘Hou je onopvallend op de achtergrond’ De plaats op de voorgrond is enkel voorbehouden aan de mensen van haar familie. Onze plek is, samen met haar, op de achtergrond, in de milde schaduw van haar ouders en andere, in haar ogen gezaghebbende familieleden.   Het gebeurt niet vaak dat er volk over de vloer komt in ons huis in Melsele. Pascal is bij iedereen een graag geziene gast.  Hij brengt kleur in ons vlakke bestaan. Hij is fotograaf. Hij legt ons leven vast in zwart en wit. Hij komt voor mijn oudste zus. Mijn moeder is er blij mee, ze ziet in hem de gedroomde partij voor haar oudste dochter. Ze hoopt dat hij de geest wel terug in de fles krijgt. Pascal heeft flaporen. Het was ons niet opgevallen, maar mijn zus wel. Ze gruwt ervan. Ze behandelt hem heel koel. Ze heeft een vrijer in het dorp.    ‘Naar het volgende kerstfeest zal ik niet alleen komen’ vertrouwt mijn oudste zus me, veel jaren later, wat geheimzinnig toe. Ze doet haar uiterste best om de woorden van mijn moeder niet waar te maken. ‘Die geraakt nooit van de straat’, zegt mijn moeder terugkerend als mijn zus opnieuw komt aanzetten met een man die niet kan rekenen op haar goedkeuring. Het kerstfeest gaat door in de Gasthuisstraat waar mijn moeder naar verhuisd is na de dood van tante Madeleine. De bank kocht het huis in de Vredestraat en brak het af tot de laatste steen. ‘Dit is Jean-Pierre’ stelt mijn zus trots haar vriend aan me voor. Ik zie het al bij de eerste oogopslag maar ik wil de triomfantelijke overmoed van mijn zus niet kelderen dat ze kan ontsnappen aan de herhalingsdwang en aan de bepaaldheid van mijn moeders woorden.   Een paar maanden later ben ik op bezoek bij mijn moeder. ‘Katrien is terug alleen?’ vraag ik aan mijn moeder. ‘Ja, eindelijk. Ik begrijp niet, dat ze daar zo lang bij gebleven is’, zegt mijn moeder op die welbekende afkeurende toon, ‘Als een man je zo behandelt’. ‘Ik begrijp dat wel’ zeg ik. Mijn moeder schuift onrustig op haar stoel. Ik houd mij niet aan de regels van het spel en ondertussen weet ze dat ze me dit niet meer kan verbieden. Ik ben een spelbreker. Dit gesprek had als volgt moeten verlopen; Mijn moeder: ‘Dat begrijp ik niet, enz.’ Ik: ‘Ja, t‘ is niet te verstaan’. Mijn moeder: ‘Dan moet ze achteraf ook niet komen klagen.’ Ik probeer mijn moeder duidelijk te maken dat menselijk gedrag soms door andere drijfveren dan de rede gestuurd wordt. We bevinden ons op drijfzand. ‘Het gebeurt me ook altijd opnieuw dat ik verliefd word op een man die me niks te bieden heeft en waar ik terug afscheid moet van nemen, net als van mijn vader’, waag ik eraan toe te voegen. Mijn moeder is een afwerende, gestolde, zwijgende massa geworden.  De lucht tussen ons verdicht zich en slorpen de woorden op die in het bijzijn van mijn moeder volkomen misplaatst zijn. ‘Verliefdheid’ is zo’n woord en, ‘mijn vader’. Vermits ze al lang geleden gestopt is met iets te drinken aan te bieden als er iemand op bezoek komt, kan ze dit niet als vluchtweg aangrijpen. De winkelbel gaat. Mijn moeder woont in de Gasthuisstraat in een voormalig winkelpand. De winkelruimte vooraan gebruikt ze niet en heeft ze wat opgesmukt met zelf gebreide dieren en prullaria. Deze verder lege ruimte zonder bestemming vormt een buffer tussen de buitenwereld en haar leefruimte. Het is de gracht voor de burcht. De ophaalbrug kan desgewenst opgehaald, maar bij voorkeur neergelaten worden. Mijn broer komt binnen, de verlosser van het moment. Mijn moeder kan terug opgelucht ademhalen. ‘En, alles goed hier?, vraagt hij, terwijl hij ons onderzoekend aankijkt. ‘We mogen niet klagen’, antwoordt mijn moeder, nog voor ik iets heb kunnen zeggen.   Het zesde leerjaar Ik zie ze nog allemaal voor me, de juffen van de lagere school. In het vijfde leerjaar is onze juf een non. Zuster Remigia heeft een lief, blozend gezicht.  Halverwege het jaar verlaat ze ons. De directrice van de lagere school, die we Moeder Overste noemen, komt in onze klas. Dat is zeer uitzonderlijk. Ze vertelt  ons dat zuster Remigia ziek is en herstelt in een ander klooster. De aanwezigheid van Moeder Overste is zo imponerend dat niemand een vraag durft te stellen, bijvoorbeeld welke ziekte ze heeft en of ze dit jaar nog terug naar onze klas komt. Zuster Remigia komt niet meer terug naar onze klas.  Ze schrijft een brief waarin ze voor ieder van ons een attent woordje heeft. Een paar maanden later weet een meisje uit de hogere klas te vertellen dat zuster Remigia uit het klooster getreden is.   Juffrouw Thérèse is de onderwijzeres van het zesde leerjaar. De vrouwen van haar generatie moesten stoppen met lesgeven als ze trouwden. De oudere onderwijzeressen in onze school zijn ofwel nonnen ofwel ongehuwde dames. Jonge dochters worden ze genoemd. Juffrouw Thérèse is een jonge dochter op leeftijd. Als ze voor de klas staat zijn haar wenkbrauwen altijd gefronst. Haar rechter boventand staat ingedrukt op haar onderste lip. Het geeft haar iets verbetens. De hoofdtonen van juffrouw Thérèse zijn grijs en bruin, ook al zijn de aanbevolen kleuren van de school blauw en wit, de kleuren van de maagd Maria, die ons tot voorbeeld moet strekken. Onze schorten zijn blauw en wit geruit,  onze plooirokken zijn donkerblauw, net als onze blazers, jassen en truien. De bloezen en kousen mogen wit zijn. Er zijn twee zesde klassen. Juffrouw Rosa leidt de andere klas. Ze is van dezelfde leeftijd als juffrouw Thérèse. Haar hoofdkleur is oudroze. Als we in de rij staan te wachten om naar onze klas te gaan, spreken ze Frans met elkaar. In hun jonge jaren was het onderwijs Franstalig. In het boerendorp waar we wonen is dit de enige mogelijkheid om deze vaardigheid te oefenen. Dat wij hen dan niet begrijpen, is mooi meegenomen.   Juffrouw Thérèse heeft zich tot missie gesteld om de jeugd te behoeden voor ijdelheid en zelfoverschatting.  Ze gebruikt graag het woord ‘hovaardigheid’. Daar zal ze ons van verlossen. Daarvoor neemt ze elke gelegenheid te baat om ons eraan te herinneren dat we niks voorstellen, niks kunnen en niks weten, ‘ook al zitten jullie nu al in het zesde leerjaar’, voegt ze er aan toe. Het komt niet in ons op om haar er op te wijzen dat haar onderwijs dan wel jammerlijk gefaald heeft.   Er is een uitstap gepland: met de bus naar het zwembad in Sint-Niklaas. Ik kan niet zwemmen en ik heb ook geen badpak dus ik blijf samen met nog een paar meisjes, die elk hun eigen reden hebben om niet mee te gaan naar het zwembad, achter bij juffrouw Thérèse in de klas. We krijgen rekenoefeningen. Ik had gehoopt op iets vrolijker, iets wat meer in de lijn van het zwemuitstapje. Ik stel me voor hoe mijn klasgenootjes zich vermaken, eerst in de bus – naast wie zou Linda zitten? -  daarna spelend in het water en daarna met een flesje chocolademelk in de hand. Het rekenblad blijft onaangeroerd. Juffrouw Thérèse kloft door de klas. Haar schoenen lijken een maat te groot. Bij elke stap dreigen ze uit te vallen. Ze ziet mijn leeg rekenblad.  Zelfs zonder naar haar te kijken weet ik hoe ze kijkt. De gefronste wenkbrauwen, de tand die wat dieper boort in de onderlip. Ik ben geen held. Ik ben opgevoed  tot strikte gehoorzaamheid, een grote deugd volgens mijn moeder en volgens juffrouw Thérèse.  Mijn oudste zus wordt thuis dagelijks opgevoerd als voorbeeld hoe het niet moet. In onze klas is het Rita Verstappen die deze niet benijdenswaardige rol speelt. Soms moet ze helemaal alleen achteraan in de klas gaan zitten, soms vooraan op haar knieën op de trede met een boek op haar hoofd. Om te leren stil zitten. Dat leidt tot hilarisch taferelen waarbij sommige meisjes hun lach niet kunnen inhouden en juffrouw Thérèse steeds bozer wordt. Juffrouw Thérèse staat naast mijn bank. Juffrouw Godelieve van het vierde leerjaar rook naar eau de cologne. Juffrouw Thérèse ruikt muf en vreugdeloos. Er is een kortsluiting in mijn hoofd. De cijfers dansen en springen op en neer, ze zwemmen! ‘Komt er nog wat van’, klinkt het naast me. Ik kan niet geloven dat ik mezelf hoor zeggen: ‘Nee’.  Als door een wesp gestoken springt Juffrouw Thérèse op. ‘Alsof je deze extra oefeningen niet nodig hebt.  Deze hovaardij zal ik je wel eens afleren!’, roept ze door de klas. Het komt vanuit mijn middenrif in schokkende bewegingen. Ik kan het niet tegenhouden. Ik slik en slik, ik trek mijn spieren samen, ik buig naar voor, ik probeer mijn adem in te houden. Het helpt niet, mijn hele lichaam schokt. ‘Ga naast je bank staan en je mag pas terug gaan zitten als je gestopt bent met deze belachelijke vertoning’, zegt ze. Ze kijkt me koud en kwaad aan. Ik sta lang naast de schoolbank. De andere meisjes zijn doodstil en buigen het hoofd boven de rekensommen. Juffrouw Thérèse is oppermachtig, ze wint de strijd. Ik krijg, na een bovenmenselijke inspanning, het uitstulpende verdriet ingeslikt en afgegrendeld. Het wordt een levenswerk om dat middenrif terug ontgrendeld te krijgen.

Haddie
4 0

Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn. Jeanette Winterson

Ik heb gekozen voor het boek van Jeanette Winterson ‘Waarom gelukkig zijn als je ook normaal kan zijn’.   Ik kies voor het eerste hoodstuk dat begint met volgende zin:   Als mijn moeder boos op me was, wat vaak gebeurde, zei ze: ‘De duivel heeft ons naar het verkeerde wiegje geleid’ het beeld van satan die tijd vrijmaakt van de Koude oorlog en het McCarthyisme om in 1960 een bezoek aan Mancester te brengen met het doel mevrouw Winterson om de tuin te leiden, bezit een flamboyante theatraliteit.   Het extreme gedrag van de ouders brengt de schrijfster in een verwarrende en vreemde wereld waar ze zich niet alleen moet leren handhaven maar ook haar eigen bestemming moet leren ontdekken.     Hieronder de scene die ik schreef vanuit de doorschrijfteksten geïnspireerd door het fragment van het boek van JW.     Langzaam dunt de generatie uit. Mijn moeder was de derde van de tien broers en zussen. Na haar volgden snel twee oudere zussen. Ze werden allemaal negentig en meer. Ik woon opnieuw een rouwdienst bij, deze keer van mijn tante Haddie. ‘We zijn hier samen om afscheid te nemen van Haddie’. Ze is de enige naamgenoot die ik ken. Het is vreemd om mijn naam zo veelvuldig, en  dan nog in deze context, te horen noemen.    Ik zit in de kerk naast mijn nicht Vina. Ze was altijd een haantje de voorste en niet op haar mondje gevallen. Het lijkt me een eeuwigheid geleden dat ik haar nog sprak. ‘Hij kon zijn handen niet thuishouden’, zegt ze. Ze heeft het over mijn grootvader. Ik ben verbaasd dat ze, in de korte tijd dat we daar samen zitten, erin slaagt het gesprek op dit onderwerp te brengen. Ik verdenk haar ervan dat ze het er graag over heeft. Hoe groot het taboe was in de generatie van onze ouders, des te groter blijkt het genoegen bij de generatie erna om er omstandig over uit te wijden. ‘En als dat zo was bij zijn kleindochters, zal dat ook wel zo geweest zijn bij zijn dochters’, voegt ze er nog aan toe.   Mijn grootouders waren voor ons verre figuren met een heiligenstatus. De weinige keren dat ze op bezoek waren kwamen er koffiekoeken in huis. Een delicatesse voor ons, zelfs de oudbakken koeken twee dagen later. Mijn moeder liep zenuwachtig rond en sloofde zich uit om het hen naar de zin te maken. Ze had iets goed te maken. Een vrouw was maar zo goed als ze van haar huwelijk een succes wist te maken en om precies te zijn, een materieel succes met de nodige aanzien.   ‘Hij kan nog promotie maken in die verzekeringsmaatschappij’, oordeelde mijn grootvader over mijn vader. Zijn vijf dochters moesten  een goede partij huwen en dat vereiste wel wat koppelvaardigheden. In vergelijking met de huwelijkskandidaten voor haar zussen was de kandidaat voor mijn moeder minder hoog gegrepen.  Maar mijn grootouders waren al blij dat ze onder de pannen was en het vooruitzicht op de promotie gaf toch een zeker perspectief. Een perspectief dat mijn vader nooit waarmaakte.   Op de sepiafoto zie ik een tuin met op de voorgrond rozelaars. Het gebouw links op de foto doet me denken aan de Zweedse houten huizen. Op de achtergrond over bijna de hele breedte van de foto staat een volière. Als ik inzoom ontwaar ik takken waar ik vogels op vermoed. Centraal op de foto staat een smeedijzeren carrousel hoog uitlopend op een spits torentje. Op het ronde vlak hangen acht klokjes. In het midden van de carrousel, voor een hoge  takkenconstructie, staat mijn vader -  ik schat hem zo’n twaalf jaar – samen met een meisje dat iets jonger is. Vermits mijn vader geen broers  of zussen had, veronderstel ik dat het een buurmeisje is. Als ik op mijn beurt twaalf jaar ben, is deze paradijselijke plek vervallen. Er is geen spoor meer van de rozelaars. Het gebouw links op de foto, staat er vervallen bij. De volière is afgebroken. Het torentje staat er triest bij. Er hangen maar twee klokjes meer onderaan de grote klok en ook die dreigen er af te vallen. De tuin -  twee boomgaarden, een groenten en bloementuin, een kriekengaard en een voortuin, alles tezamen zo’n 70 are groot - is langzaam verwilderd. Mijn vader werkt niet in de tuin. Hij ligt boven op zijn bed. Ik breng hem een bord met een peer die mijn moeder geschild heeft. Hij staart wat uit het raam. Ik kom even bij hem liggen terwijl hij de peer opeet. Daarna kan ik het bord terug naar beneden brengen.  Hij is ziek maar we weten niet wat hij heeft. We hebben geleerd niks te vragen. Wat we moeten weten - zo weinig mogelijk - zal ons verteld worden. Vragen worden vaak op ongeduld en irritatie onthaald. We voelen snel feilloos aan wanneer een vraag niet gepast is. En een vraag blijkt bijna nooit gepast in mijn moeders wereld.  

Haddie
0 0

Afscheid

‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes mijn hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein. Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen. ‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud. Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens.  En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb. “Een glaasje water graag’, bestel ik.  Dat zal helpen tegen die droge mond. Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden en ervan kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien. Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik,  maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.   Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag . Straks moet ik nog overgeven. Ik weet ondertussen wel dat de rede soms niet opgewassen is  tegen het gevoel maar ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.   Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer iemand binnen die ik moet begroeten.  ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren.  Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren. Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk, nog in de illusie dat alles zo blijft. ‘ Zal het lukken mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar. Het koffiehuisje raakt stilaan vol.  Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.   Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen. ‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.   De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen.  De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang. Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn nu op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen.  Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden. Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef. Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk:    Beste familie en vrienden,   Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed. Ik schoof een stoel bij.  Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof.  De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien. De glazen kast vol poppen in de woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken. Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten? Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie. Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis. We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen. Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer  Maarten,  tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte. Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en blijkbaar in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen. En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen. Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van  een bezinningsgroep. Deze gezinsgroep’, zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten. In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor…   Daar is gelukkig verandering in gekomen’.   Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten. Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg dan:   ‘Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend over de beproeving die ze doorstond daar vooraan, met alle ogen op haar gericht. Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven.  Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.  Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten. Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek  waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen. Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.’   Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen. Ze kennen de strijd. Ze vreesden een onverbloemd portret. Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.  Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer. Ondanks en dankzij mijn moeder werd ik haar alter ego.                              

Haddie
0 0

Mijn ijsman

In de verte weerklinkt het vrolijk deuntje van de ijskar. Op slag laat ik mijn pop vallen wiens haren ik net nog zo zorgvuldig aan het borstelen was. Ons huis, met vooraan de symmetrische houtconstructie, in het midden oplopend naar een punt, ligt zo’n twintig meter dieper dan de straat. De voortuin en de boomgaard ernaast zijn omzoomd met een haag. Van de voordeur tot aan de straat loopt een paadje dat uitkomt op een hek.  Allemaal hebben we wel ergens een litteken opgelopen in de veroveringstocht van het leven. Zelf heb ik op de muis van mijn rechterhand een vijf cm brede genaaide snee, opgelopen bij een valpartij met een glazen zuigfles van mijn elf maanden jongere broertje. Ik vraag me af hoe ze dat toen deed, mijn moeder. We hadden geen telefoon. Vijf kinderen tussen de zes en een jaar en waarschijnlijk was ze al zwanger van het zesde. Waren de buren gealarmeerd door mijn huilen en belden ze de dokter? Of stuurde ze mijn oudste zus naar de buren? Ik besef opeens dat ik dat nooit gevraagd heb. Het litteken van mijn oudste broer Olav spreekt nog het meest tot onze verbeelding, vooral omdat niemand van ons getuige was van het ongeval. In een dappere poging om over het hek te klimmen bleef hij met zijn knie haken in één van de pinnen. We vroegen ons nooit af waarom er pinnen op dat hek zaten. Ik snel het paadje af naar de straat. Het is een rustige straat. Verkeer kennen we nog niet. Zelf hebben we geen auto en slechts een paar buren hebben al een auto op de oprijlaan. Soms gaan we naar de hoek van onze straat die uitkomt op de Schoolstraat, de hoofdstraat van het dorp. We wachten geduldig en roepen dan: ‘Daar is er weer één!’ en  schrijven de nummerplaat op van de auto die voorbij rijdt.  Het kan wel even duren voor ons blaadje vol is. Zelden draait een van deze auto’s onze straat in.   Het tingelende muziekje klinkt steeds harder en dwingender. De ijskar rijdt heel langzaam onze straat door om iedereen de tijd te geven de werkzaamheden even te staken, de portemonnee te pakken en de straat op te lopen. Ik zie de bovenkant van de ijskar al opdoemen boven de haag. Ik open het hek – het is gelukkig niet op slot - en zonder te kijken storm ik de straat op. Met gierende banden komt de camionette van de brouwer, vanuit de andere richting, in de sloot voor ons huis tot stilstand.   Ze noemde het een geleide fantasieoefening. We moesten onze ogen sluiten en de ogen van onze moeder zoeken. Ik vond ze niet. Geen enkele situatie kwam me voor de geest waarin ik haar ogen op me gericht wist. Er kwamen me wel andere ogen voor de geest: de buurvrouw van een tante waar ik logeerde en die meer deed dan alleen mijn gekneusde knie verzorgen. ‘Ach, die jongens kunnen zo wild zijn’ zegt ze vriendelijk. De ogen van de monitrice, ze draagt me in haar armen. Er zitten splinters in mijn voet van het houten podium. Ze neemt de tijd om ze voorzichtig één voor een met een pincet uit te trekken. De pijn deert me niet. De vriendelijke ogen van de ijsman. Ook als ik geen ijs koop mag ik in zijn ijskar klimmen.  Hij heeft zwart haar en een snor. Hij is altijd vrolijk en vertelt verhalen. Af en toe krijg ik een reclamedisplay van Ola in karton. Ik ben de koning te rijk. Hij is mijn ijsman.   Ik zit samen met mijn broers en zussen in de speelkamer als de deur openzwaait. De imposante verschijning van de brouwer vult de deuropening.  Met gespeelde strengheid vraagt hij: ‘wie was dat stoute kind dat voor mijn auto sprong zodat ik bijna verongelukte?’ Ik wil in het kleinste hoekje kruipen maar ik kan me niet bewegen. Hij grapt nog wat over een mogelijke straf voor dit stoute kind. Dan zegt hij:  ‘De volgende keer, eerst goed links en rechts kijken voor je naar je ijsman snelt.’ Hij knipoogt naar mijn moeder. Ze lachen. Iedereen lacht. Ik voel mijn wangen warm worden, schaamte.  Het hek zal wel weer op slot gaan.   Ik ben op weg naar huis. Opeens hoor ik het bekende tingelmuziekje. Ik verstijf. Uit de andere richting nadert de ijskar. Ik durf niet op te kijken maar vang toch nog een glimp op van de man achter het stuur. Een oude, norse man zonder snor.       

Haddie
0 0

Opleiding

Publicaties

Prijzen