De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog de altijd rondslingerende paperassen.
Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Eigenlijk zijn ze daar te jong voor, maar haar vader is ziek, en haar moeder denkt de zorgen voor hem niet alleen aan te kunnen.
Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze kampen bouwde.
Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen toch niet meer bewegen. Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen.
Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af.
Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dit huis past haar niet. Het heeft ook nooit gepast. Ze ploft in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu. Daar was haar thuis.
Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht.
Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’
Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt.
‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant.
Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc wipt van zijn ene been op zijn andere. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats.
Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.
Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel.
Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’
Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt.