Opdracht 8 - Dingen die niet overgaan - Veerle Schaltin
Dingen die niet overgaan
We zijn nooit voorbereid op wat we verwachten.
James Michener
Dites, quel est le pas
Des milles pas qui vont et passent
Sur les grand’routes de l’espace
Dites, quel est le pas
Qui doucement, un soir, devant ma porte basse s’arrètera?
Emile Verhaeren
©Veerle Schaltin
30 mei 2018
&
26 mei 1917
De nacht heb ik in een weide, geleund tegen een dode koe, doorgebracht. Dum-dum kogels schuifelden en ontploften langs alle kanten. De koe beschutte me tegen de schrapnels. Toen het geschut verminderde, krijste een koppel raven, aangetrokken door de lijkgeur boven mijn kop. Verderop waar kapotgeschoten huizen staan, kermden katten. Mijn gedachten tolden wilder rond dan de muggen rond mijn oren die wreed in mijn handen en gezicht beten.
Nu strompel ik door het slijk van het ene naar het andere lichaam met opengesperde ogen en mond. Een dof gebrom van kanonnen in de verte vertelt me dat er nog leven is. Soms zak ik tot aan mijn knieën in de modder. Ik moet hem vinden. Ik moet. Ik steek mijn laatste sigaret aan en speur het hele gebied af. Een dik mistdeken bemoeilijkt dat. Maar ik moet hem vinden. Ik moet. Ik klauter over een lege loopgracht en hompel tot aan de spoorlijn. Ernaast is een obusput waar dode Duitsers in liggen. Tussen de Duitse kleuren herken ik een Belgisch uniform. Ik spring op de levenloze moffen, schuif armen en benen opzij en draai het uniform om. Zijn lede ogen staren me aan. Het bloed rond het gat in zijn kop is opgedroogd. Ik leg mijn vingers erop alsof ze de wond alsnog kunnen stelpen. Ik druk hem stevig tegen me aan en jank. Ik jank zoals ik sinds mijn kindertijd niet meer heb gejankt.
Zo vergaan uren. De gevechten komen dichterbij. Ik hijs zijn lijk uit de put en tors hem op mijn schouders. Hij weegt als een kanon. Ik ben midden op een voetbrug als Duitse schuifelaars fluiten. Ik spring om uit het gevaar te zijn. Mijn bottine blijft hierbij achter een boomwortel haken en ik val languit voorover, met mijn gezicht vlak op de grond. Zijn lichaam kwakt naast me neer. Ik krijg een hele klodder drek binnen. Met mijn handen veeg ik het grootste deel weg, de rest hoest ik naar buiten. Bruine fluimen vliegen in het rond. Plat op de grond kruip ik verder, zijn dode lijf als een zak op mijn rug, mijn hoofd onder hem geborgen.
Als ik bij onze abri aankom, is die leeg. Ik leg hem neer en scheur zijn natte uniform vol bloed open. Dan wring ik zijn opgesteven lijf in een schoon kostuum. Alle tranen, die waarschijnlijk voor de rest van mijn leven waren bedoeld, gutsen er nu uit.
Achter de abri graaf ik een put. Daar smijt ik stro waar we ons ’s nachts mee bedekken in. Ik leg hem zacht op het stro neer en gooi de put weer toe. Van takken maak ik een kruis en plaats dit op het graf. Ik kniel en wil bidden, maar de enige woorden die ik over mijn lippen krijg, zijn: ‘Ik had in deze put moeten liggen. Ik had hier moeten liggen.’
h
Stille strepen
De krantenpaginagrote tekening ligt tussen hen in op de gebloemde toile cirée. Farahildes hand gaat snel op en neer. Met fijne, haast onzichtbare streepjes kleurt ze de boomkruinen. Zijn hand beweegt trager. Als hij een stuk lucht heeft opgevuld, wrijft hij er in cirkels met een watje over. Zo krijgt ze levensechte schakeringen. Tussendoor grijpt zijn vrije hand regelmatig naar de Jupiler voor hem.
De tekening is nog niet voor de helft ingekleurd als Farahilde blaast. ‘We krijgen dit nooit af!’
‘Maar jawel!’ Nonkel Marcel legt zijn arm om haar schouder. ‘Al zullen we er nog uren zoet mee zijn.’
Ze rekt zich uit en springt overeind. ‘Ik heb dorst.’
Op Moékes sloefen met bolletjes die bij elke stap vrolijk tegen elkaar kletsen, huppelt ze naar de gang waar de cola fris staat.
‘Breng voor mij nog een pint mee,’ roept nonkel Marcel.
Met twee flesjes keert ze terug. Het bier zet ze voor zijn neus. Zelf gaat ze met de cola aan de andere kant van de tafel zitten. Het moet duidelijk zijn dat ze voorlopig niet meer mee kleurt.
Nonkel Marcel kapt zijn Jupiler binnen en komt met de nieuwe pils naar haar toe. ‘Misschien ben je al wat groot om nog te kleuren. Misschien moet je grote meisjesdingen doen.’ Hij laat zich op de stoel naast haar zakken. ‘Ik weet iets plezant.’ Zijn troebele ogen kijken haar anders dan anders aan.
Vanzelf kruipt ze wat naar achter. Hij glimlacht en schuift dichterbij. Hij brengt zijn lippen naar haar oor. ‘Echte grote meisjesdingen!’ Even raakt zijn hand haar wang. Dan glijdt ze naar beneden en duwt haar kleed omhoog. Farahilde wil de hand wegduwen, maar ze is sterk. De hand streelt de rand van haar onderbroek. Zijn vingers met hun lange bruine nagels klauwen achter de rand en trekken de broek omlaag. Ze strelen tussen haar benen en dan kruipt een vinger in haar spleet. Hij duwt zijn vinger dieper in haar en beweegt hem heen en weer. Hij glimlacht nog steeds. ‘Is het plezant?’
Ze heeft haar lippen stevig op elkaar geklemd en schudt ‘nee’.
‘Als later je lief dat doet, zal je het wel plezant vinden.’
De keukendeur knarst. Moéke en Luc komen vanuit de tuin binnen.
‘Doeme!’ Hij trekt haar kleed snel op zijn plaats, giet zijn bier achterover en haast zich met het lege glas naar de tekenprent.
Moéke blijft in de keuken, maar Luc stapt haast meteen de kamer in. Hij loopt door naar de gang om er een cola voor zichzelf te halen. Zo onopvallend mogelijk probeert Farahilde haar onderbroek terug op de juiste plaats te krijgen. Dan zet ze zich ook opnieuw aan de tekening en kleurt verder.
‘We zullen straks nog eens proberen,’ fluistert nonkel Marcel ‘Als ik ga slapen, kom ik wel bij je bed kijken.’
Ze buigt zich dieper over de prent en krast grove strepen.
In de keuken draait Moéke een blik open en steekt het gasfornuis aan. Even later waait de geur van gesmolten boter die wel bruin wordt, maar net niet aanbrandt de kamer binnen. Een biefstuk knispert in de pan.
‘Ruimen jullie op?’ roept Moéke.
Nog nooit lagen Farahildes kleurpotloden zo snel in de doos. Uit de lichtroze geschilderde kast neemt ze borden en bestek. Terwijl het vlees zacht sist, komt Moéke met een rieten onderlegger en een dampende pot patatten de kamer binnen. Ze lacht als ze ziet dat Farahilde al zo flink aan het helpen is. Dan haalt ze de biefstuk en de erwten met wortelen. Ze schept de borden goed vol. Farahilde schrokt alles naar binnen. Ze vult haar bord nog eens en nog eens, tot er maar één patat meer rest. Die prikt ze op haar vork. Daarmee sopt ze de laatste saus uit de vleespan. ‘Is er dessert?’
Moéke geeft haar een potje Saroma-pudding. In een mum van tijd is het leeg.
‘Mag ik nog een koek?’
Terwijl Moéke in de keuken water pompt en een moor op het vuur zet, verorbert Farahilde alle koeken uit het pak. Daarna helpt ze afdrogen. Voor elk kopje of bord dat ze in de kast zet, steekt ze een borstbol uit het blik op het snoepschab er vlak boven in haar mond.
Reusachtige vingers dansen op het plafond. Bij een windvlaag worden ze lang en smal en klauwen ze naar kleine meisjes. Farahilde draait haar hoofd weg. Ze ziet de contouren van Moéke en Luc die in de twijfelaar een paar meter verder slapen. Moéke ronkt. Beneden is er af en toe een gestommel. Dan knijpt Farahilde haar ogen dicht, maar houdt haar oren gespitst tot ze zeker weet dat de geluiden niet haar kant opkomen. Waarom moesten jullie naar dat stomme Parijs, Moeke en Vake? Waarom kon ik niet gewoon thuis blijven slapen? Haar ogen flitsen van de vingers op het plafond naar de slapende hopen naast haar en terug. Ze draait en keert. Bij nieuw gerommel houdt ze haar adem in. Een streep licht onder de deur. Ze spint zichzelf een cocon. Voetstappen op de trap. De deur draait op een kier. De cocon smelt samen met het bed. Voeten schuiven naar de rand van het bed.
‘Psst, ik ben hier…’ Een geruis vlakbij. ‘Oh,… je slaapt al… Dat is spijtig…’
Het duurt eeuwen tot de voeten terug naar de deur schuifelen. Het hoofd dat bij de voeten hoort, blijft in de deuropening hangen. Het duurt opnieuw eeuwen tot het verdwijnt en de deur zich sluit. En nog eens eeuwen voor ze haar ogen weer durft open te doen. De wind is gaan liggen. De vingers boven haar zijn stille strepen.
Poing. Pom. Poing. Pom. Uren aan een stuk al klopt Farahilde op de straat voor hun huis met haar raket tegen de tennisbal van haar jokari. De bal kaatst aan het elastiek weg en komt terug. Weg. Terug. Bij elke poing flitst een beeld door haar hoofd, alsof ze naar dia’s kijkt zoals op familiefeesten. Het kleuren van de krantenpagina. Nonkel Marcels grote meisjesspel, waarvan ze wel zeker weet dat ze het nooit plezant zal vinden, ook niet later met haar lief. De plafondvingers die haar die hele nacht wakker hielden. De prijsuitreiking gisterenavond.
Groepjes kinderen lopen rond tussen het speelgoed in de grote Christiaensens-winkel. Hun ouders praten met elkaar, met een drankje in de hand. Farahilde past rolschaatsen als iemand in haar arm knijpt. ‘Kiekeboe!’
Het is Jurgen, die in hun straat woont. Ze kijkt hem met grote ogen aan. ‘Heb jij ook met de wedstrijd meegedaan?’
Jurgen blinkt. ‘Ik denk dat ik hem misschien win.’
Farahilde heft haar schouders. Tussen de rekken spelen ze verstoppertje tot een microstem de laureaten op het podium roept. Ze zet zich naast Jurgen op de achterste rij. Haar ouders staan samen met de andere toeschouwers in een halve cirkel voor hen. Een meneer van de krant praat lang. Daarna komt de baas van Christiaensens aan het woord en dan de burgemeester. Farahilde bijt op haar lip als hij met een envelop zwaait. ‘Hierin zitten de namen van de winnaars.’ Hij opent de envelop. ‘Alle tekeningen waren prachtig, maar één sprong er uit. De winnaar is… Farahilde…’
Ze kijkt naar de grond. Dit kan toch niet? Na… na… heb ik niet meer gekleurd. Nonkel Marcel heeft de prent afgewerkt.
‘… lucht … levensecht.’ Ze hoort het nauwelijks.
Jurgen stoot haar aan. ‘Je moet naar voor gaan.’
Ze strompelt het podium af. De baard van de krantenman prikt als hij haar het gewonnen boekenpakket met drie kussen overhandigt. Ze moet op de foto en vergeet te lachen. Ze krijgt looza en morst op haar kleed. Als iedereen al lang weg is, laten haar ouders hun glas nog eens bijvullen. Aan een tafel waarop nootjes staan, bladert ze in haar nieuwe boeken. Ze grabbelt de laatste nootjes uit de schaal. Als ze eindelijk naar huis gaan, klemt ze de boeken stevig onder haar arm.
Poing. Pom. Poing. Pom. Plots staat iemand onder de plataan op het plein vlak naast Farahilde. Als Farahilde haar aankijkt, waggelt ze op haar korte benen naar haar toe. Haar petieterige armen zwieren hevig heen en weer. Gretige ogen en een hemelsbrede lach vullen haar te grote gezicht. ‘Wat doe je? Wie ben je? Waar woon je?’ De vragen spatten als zeepbellen uit haar mond. Voor Farahilde kan antwoorden, gaat het verder: ‘Je hebt me nog nooit gezien, he. Ik ben Sonja, het nichtje van Koen van achter de hoek. Ik logeer hier twee weken. Mag ik meespelen?’
Farahilde steekt de tennisraket naar haar uit. Ze toont hoe je die moet vasthouden en hoe je tegen de bal slaagt. De raket is echter te groot en te zwaar voor Sonja.
‘Die weegt zoveel als een koe!’ Ze kletst met haar handen op haar dijen, stampt met haar voeten op de grond.
Farahilde haalt haar autoped. Maar ook daarbij kan Sonja amper met haar handen aan het stuur. Bovendien is ze na een halve toer rond het plein al doodmoe. Ze zetten zich neer in het gras. Sonja tatert erop los. Farahilde heeft nog nooit met iemand zoveel gelachen. Als Sonja toch even stilvalt, zegt ze: ‘Ik sta in de krant.’
‘Een overval gepleegd?’
‘Nee, een kleurwedstrijd gewonnen.’
‘Wauw!’
‘Eigenlijk heb ik zelf niet zoveel gekleurd. Mijn nonkel heeft het grootste deel gedaan.’
‘Wat heb jij een toffe nonkel!’
Luchtgitaar
Pas als de bel van de Williams door de straat weergalmt, zwaait de garagepoort bij Jurgen open en stormen Yves, Peter, Guy en Jurgen recht op de ijskar af. Ze drummen Annick en Farahilde, die aan het hinkelen waren en het snelst bij de ijswagen stonden, opzij. ‘Wij hebben de hele dag gerepeteerd. Wij verdienen onze crème het eerst.’
De meisjes draaien met hun ogen. Ze schuiven achter de jongens in de rij aan. Uit bijna alle huizen komen mensen gelopen die ijs willen kopen. Als het haar beurt is, haalt Farahilde vijf frank voor een chocoladefrisco uit haar broekzak. De volwassenen blijven op het plein praten over de voorbije dag. De kinderen lopen naar de andere kant van de straat. De jongens zetten zich op het betonnen hek van meneer Pannekoek neer. Annick gaat naast hen op de stoep zitten en Farahilde kruipt op de lantaarnpaal. Haar poep past net op de rand waar de iets bredere basis overgaat in een slanke mast. Ze likt aan haar frisco die snel smelt. ‘Spelen we sebiet potteke stamp?’
Peter zucht. ‘Wij hebben de hele dag gerepeteerd, he.’
‘We moeten trouwens nog enkele nummers kiezen.’ Yves tokkelt op een luchtgitaar. ‘En beslissen welke kleren we aandoen. Het optreden is volgende week al.’
De jongens drammen door. Farahilde laat zich van de paal zakken en zet zich naast Annick op de grond. Ze knikkert kiezeltjes die in de goot liggen de straat op. Hoeveel plezanter waren de vorige zomervakanties toen de jongens zich niet dag in dag uit in die stomme garage opsloten, maar we koersen organiseerden en rolschaatswedstrijden. Kampen bouwden en sprinkhanen vingen… en samen speelden tot we eigenlijk al lang in ons bed hadden moeten liggen…
‘Jullie moeten de tickets verkopen.’
Ze schrikt op uit haar dromerijen. Tickets verkopen… het is alleszins iets anders dan touwtje springen of met de barbies spelen…
De volgende dag knipt ze bij Annick in de woonkamer rechthoeken uit gekleurd papier. Ze schrijft er ‘OPTREDEN’ en ‘2 frank’ op, en tekent er nog een gitaar bij. Met deze kaarten schuimen ze de omliggende straten af.
Een week later hangen de meisjes lichtjes op de in de garage bij Yves. Ze zetten drie rijen stoelen klaar en een tafel aan de zijkant. Annick plaatst er bekertjes met chips op. Farahilde legt er gebakjes bij die ze thuis met Petit Beurres, Smarties en suikerglazuur heeft gemaakt. Ze halen ook flessen cola aan. Voor de garage klappen ze een picknicktafeltje open. Hierop installeren ze de kassa, een eenvoudige schoendoos waar ze het geld instoppen.
Als iedereen er is, sluiten ze de poort. In het pikdonker komen de jongens binnen. Ze tokkelen wild op hun gitaar. Keiharde rockmuziek vult de garage. Zodra Yves begint te zingen, knipt Annick het licht aan. Guy’s armen wapperen op en neer, zodat iedereen gaat rechtstaan. De kinderen dansen voor of zelfs op hun stoel. Farahilde dwingt haar voeten mee te springen. Op het einde zwaaien Peter en Jurgen hun gitaren in de lucht, en gooit Guy zijn drumstokken weg. De vier pakken elkaar stevig vast. Iedereen applaudisseert luid. Alleen Farahilde vindt het juiste klapritme niet.
Als het publiek weg is, zeuren de jongens over hoe goed en tof het is geweest. Annick en Farahilde ruimen ondertussen alles op.
Sneller dan anders fietst Farahilde na school naar huis. De garagepoort kan niet vlug genoeg open zijn. Ze zwiert haar fiets tegen de muur en dendert de trap op. Met de livingdeur nog in haar hand juicht ze: ‘Moeke, er is een muziekschool waar je kan leren gitaar spelen zonder eerst zeven jaar notenleer te moeten studeren!’ Ze grist het briefje van Jeugd en Muziek uit haar boekentas en geeft het aan haar moeder. ‘Mag ik dat doen? Toe?’
Natuurlijk mag het. Haar hart maakt een schroefsalto als ze even later de trap naar haar kamer op holt. Ze zal leren gitaar spelen zonder saaie muzieknoten. Als ze dat kan, repeteert ze volgende zomer met de jongens mee.
Op zaterdagmorgen gaat het hele gezin naar de markt. Terwijl hun vader bij de Sels op hen wacht, slenteren Luc, Farahilde en hun moeder langs de kramen. Met een heleboel zakken in hun handen stappen ze uiteindelijk ook het café binnen.
Als het volgens Farahildes moeder hoog tijd is om naar huis te gaan, smeekt haar vader: ‘Nog eentje?’
Staf schuift dan snel de zoveelste pint naar hem toe. Luc en Farahilde krijgen chips en cola. Farahilde speelt nog maar een spelletje op de flipperkast. Haar moeder roert woest met haar lepel in haar koffie rond. Farahilde kiest nog maar een plaatje in de jukebox.
In de auto op weg naar huis vliegt haar moeder uit: ‘Hoe moet dat nu met de muziekschool?’
Thuis brult ze zo hard dat het drie huizen verder te horen is. Zonder eten klaar te maken gaat ze in haar bed liggen huilen. Farahilde schuift de koud geworden kip van de markt in de oven. Ze zet water op voor rijst en lost currysauspoeder uit een zakje op in melk. Als het klaar is, slikt ze alles met grote happen weg. Haar moeder komt niet aan tafel.
Haar vader zegt geen woord als hij haar naar de muziekschool brengt. Het is al gebeld als ze de speelplaats op stapt. Ze kan nog net als laatste de klas binnenglippen. Ze ploft neer op de enige lege stoel, die naast Jenny.
Jenny trekt haar neus op. ‘Geen kattengejank naast mij, he.’
De meisjes achter hen gniffelen. Farahilde schuift haar stoel zover mogelijk van Jenny weg en kijkt strak voor zich uit. Op het bord heeft de meester vijf lijnen getekend. Erop staan muzieknoten. ‘Si si, la la,’ zingt hij. Hij wijst de noten met een stok aan.
De kinderen zingen hem na. Farahilde prevelt de klanken mee. Jenny zucht.
Tijdens de speeltijd priemt ze haar vingers in Farahildes rug. ‘Miauw, miauw, miauw!’ krijst ze.
De andere kinderen gaan in een kring rond hen staan. ‘Miauw, miauw, miauw!’ apen ze Jenny na.
Farahilde trekt zich los. Ze rent de speelplaats over en duwt de eerste de beste deur open. Daarachter is een trap naar beneden. De kinderen volgen tot aan de deur. Ze holt de trap af. Ze hoort de kinderen lachen. Ze loopt door een lange gang. ‘Miauw, miauw, miauw,’ echoot het in haar oor. Een nieuwe deur. Ze stapt de ruimte erachter binnen. Een geur van schimmel en zweetvoeten overvalt haar. Langs de kant zijn dozen gestapeld. Sommige zijn kapotgebeten. Links staat een oude piano. Farahilde laat zich op de kruk ervoor vallen. Is dit nu die muziekschool zonder noten? Waarom moeten we dan noten zingen? En waarom krijgen we pas volgend jaar een gitaar? Ze legt haar hand op de pianotoetsen. Ze schrikt op als er een doffe toon weerklinkt. Ze schuift de kruk verder van de piano weg. Enkele jaren geleden bevond ze zich op een plek die rook als hier.
‘I’m singing in the rain, just singing in the rain…’ De muziek is nauwelijks hoorbaar in de kelder, maar Farahilde hoort hem wel, tussen het geroezemoes van de grote meisjes verderop aan de toog, het gejoel van de jongens die tussen en over de bergen kleren die overal verspreid liggen springen, en het herhaaldelijke ‘Stt…’ en ‘Zit stil!’ van de turnjuffen. Helemaal alleen zit ze op de bank vlak aan het luik naar de zaal, op blote voeten en in een blauw maillot. Op wat brandende spotjes na is het pikdonker. Niemand merkt haar op. Ze bibbert. ‘What a glorious feeling…’ Ze zou boven moeten zijn en mee dansen. Wekenlang heeft ze elke woensdagmiddag geoefend. Ze kent nu alle passen en danst ook in de maat. En ze laat de paraplu, als Wilfried die naar haar gooit, haast nooit meer vallen. In het begin deed ze dat wel. Wilfried lachte haar dan uit. Dat deed hij ook als ze moest tuimelen en zo scheef rolde dat ze tegen hem aanbotste. Maar ondertussen heeft ze veel geoefend thuis in de tuin, en ze weet wel zeker dat ze vandaag recht zou rollen. Alleen die kus onder de paraplu op het allerlaatst, daar had ze nog tegenop gezien. Wilfried lachte dan altijd zo raar. Stiekem had ze liever met Dirk gekust. Maar die danste met Ann. Al weet ze niet wie vandaag met wie danst.
Toen ze zich daarnet, toen het bijna hun beurt was, op twee rijen voor de trap naar de zaal moesten klaarzetten, ontdekte de juf dat er een meisje te veel was. ‘Da’s waar ook,’ verzuchtte ze, ‘Marc is ziek.’
Ze duwde alle meisjes een plaats vooruit, tot ze bij Farahilde kwam. Die nam ze bij haar schouder vast en drukte ze neer op de Zweedse bank. ‘Blijf jij maar hier.’
Het luik was opengegaan. De jongens marcheerden de zaal in met hun paraplu’s over hun schouder en de meisjes huppelden er achteraan. Farahilde bleef achter op de bank waar ze nog steeds zit. Piepkleine beestjes, net luizen, tuimelen rond in haar buik. Dat is vervelender dan in haar haren, want in haar buik kan ze niet eens krabben. Ze trekt haar benen op, grijpt haar knieën stevig vast en wiegt zacht heen en weer. Moeke en Vake zitten in de zaal. Vragen zij zich af waar ik nu ben? Ze staat op en slentert naar haar jas die helemaal aan de andere kant van de kelder hangt. Uit de binnenzak diept ze een bonnetje op. Aan de toog steekt ze het in de lucht. Het komt maar net boven de tapkast uit. Het duurt dan ook even voor iemand het ziet. ‘Paprikachips alstublieft.’
Met de chips zet ze zich weer op de bank. Ze opent het zakje. ‘A smile on my face…’ De chips kraakt tussen haar tanden. Hij kruipt in de spleten en holtes in haar mond. Hij smaakt een beetje naar de zweetvoeten waar heel deze kelder naar ruikt. ‘I’m dancing and singing in the rain.’ Als het applaus tot in de kelder doordringt, laat ze de chips nog harder kraken. Het luik gaat open.
‘Ik heb het goed gedaan!’
‘En ik de paraplu niet laten vallen…’
‘Dat was plezant!’
‘Ik heb ons mama gezien!’
‘Mijn mama zat op de eerste rij!’
‘Mijn zus en mijn broer ook!’
‘Mijn zus applaudisseerde het hardst!’
‘Stt!’, sist de juf, ‘Jullie hebben het heel goed gedaan, maar ze mogen ons boven niet horen.’
Farahilde gooit haar zakje in de vuilbak. Ze neemt een tweede bonnetje uit haar jas en koopt nieuwe chips. En dan nog en nog.
Haar buik grolt. Nu heeft ze geen chips. In haar tas in het klaslokaal zit een pakje Cent Wafers. Pas als ze de bel hoort, komt ze los van de pianokruk. Ze snelt de lange gang opnieuw door. Buiten adem zwaait ze de klasdeur open. Alleen de meester is er nog. Hij fronst zijn gezicht. ‘Gaat het beter nu?’
Ze grabbelt naar haar tas.
‘Je had toch buikpijn?’
‘Ja… buikpijn… ik zat op het toilet.’
In de auto terug naar huis is alleen het gekraak van het pak koeken nu en dan te horen. Thuis zit haar moeder te lezen alsof er niets is gebeurd. Haar vader pakt een pint. Farahilde neemt haar boek van ‘De vijf’ van het schab en zet zich mee op de bank.
Als ze ergens mee begint, moet ze het van haar ouders minstens een jaar volhouden. Dus gaat ze een jaar lang elke week opnieuw naar de muziekschool. De chips en de cola van bij de Sels liggen elke week zwaarder op haar maag. Af en toe ontsnapt ze naar de kelder. Ze leert nooit gitaar spelen.
De lijst
Mo drukt zich dichter tegen haar aan. Hij legt zijn donkere hand op haar bleke. ‘Il y a du cognac dans ma tente,’ fluistert hij in haar oor.
Zij schuift wat van hem weg op de skai bank, wrikt haar hand los en pakt het glas Pisang van het tafeltje. ‘Ik vind de Pisang oké.’ Ze zuigt extra hard aan het rietje. Haar ogen speuren de rokerige ruimte af. Overal staan of zitten groepjes mensen. Ze lachen, praten, flirten, dansen. Zij zijn de enigen die daar maar met twee zitten. Waarom is An niet gewoon meegekomen? Ze doet al heel de vakantie ambetant. Als we niet op Jefke en Marieke moeten passen, komt ze haar tent niet uit. Af en toe naar ’t strand, ja. Maar ik wil ook nog wel eens iets anders zien. Ik ben niet alleen om te babysitten naar hier gekomen. Mo had hààr trouwens uitgevraagd. Op het terras daarstraks was ’t toch gezellig? Maar toen hij van een dancing sprak, was ze ineens moe. En nu zit ik hier alleen met Mo… meer dan twintig kilometer van onze camping vandaan.
Hij buigt zich weer naar haar toe. ‘C’est du bon cognac!’
‘Gaan we dansen?’ Ze staat recht, strijkt haar rok glad en strekt haar arm naar hem uit. Hij drukt zijn sigaret uit in de asbak, staat ook op, maar negeert haar hand. Ze loopt naar de dansvloer. Hij beent naar de uitgang. Als ze voelt dat hij haar niet is gevolgd, draait ze zich om en ziet hem nog net naar buiten stappen. ‘Mo,’ vormen haar lippen en dan valt alles een seconde stil. Eén seconde maar, want meteen lijkt het alsof iets haar opwindt en danst ze als een ballerina in een doosje rond. Papa Chico you’re the sun… Nog voor het eind van het nummer valt de ballerina stil. Ze keert terug naar het tafeltje, pakt de Pisang en giet hem in een teug naar binnen. Dan laat ze zich op de bank zakken, maar veert haast meteen weer recht. Ze loopt naar de bar. ‘Pisang Ambon, s’il-vous-plaît.’
Met het nieuwe glas in haar handen leunt ze tegen de toog. Haar blik dwaalt naar de ingang. Telkens als de deur opengaat, hoopt ze dat er een zwarte binnenkomt. Maar Mo laat zich niet meer zien. Ze kijkt almaar vaker naar de dansvloer waar vrolijke mensen swingen. Als ik hier met een vriendin was, zou ik nogal uit de bol gaan. …seems like yesterday not far away, this is where I long to be… la Isla Bonita… Zacht lipt ze met Madonna mee. Voorzichtig bewegen ook haar heupen. Je bent hier nu, zegt ze tegen zichzelf, amuseer je! Een blonde jongen bestelt vlak naast haar tien pinten. Als hij met het grootste deel ervan naar zijn vrienden stapt, botst hij met zijn ellenboog tegen haar borst.
‘Excusez-moi!’ Zijn grote blauwe ogen schitteren. Als hij terugkomt om de rest op te halen, vraagt hij: ‘Tu es toute seule içi?’
‘Oui… Depuis quinze minutes…’
‘Raconte.’
‘Dat is een te lang verhaal,’ wimpelt ze hem af.
Hij troont haar mee naar zijn kameraden. ‘Je vous propose…’
‘Farahilde.’
‘Farrahilde,’ herhaalt hij met een ‘r’ die ze nog nooit zo schattig heeft horen rollen. Daartegenover komt de ‘r’ van Patrice, zijn naam, maar zuinigjes uit haar mond.
De vrienden schuiven wat op en zo kan ze half op Patrices schoot net mee op de bank. De jongens drinken de ene pint na de andere. Zij houdt het bij haar Pisang. Ze lacht uitbundig om hun grappen, al begrijpt ze die maar half. Als ze op de klanken van Bon Jovi opspringt, volgen Patrice en de anderen haar naar de dansvloer. Ze hotsen van hier naar ginder, zwaaien met hun armen in de lucht. Take my hand and we’ll make it, I swear. Oooohhh… livin’ on a prayer… Bij de bamba kiest Patrice haar zoveel mogelijk uit. Hij moet snel zijn, want zijn fameuze vrienden proberen haar van hem af te snoepen. Eerst zoenen ze nog op de wang, dan drukken ze hun lippen zacht opeen. Tijdens de slow die erop volgt glippen hun tongen elkaars mond binnen. Ze zetten zich weer op de bank, zij helemaal op zijn schoot nu. Patrices vrienden laten hen met rust.
De discotheek loopt langzaam leeg. Ook de vrienden zoeken een voor een hun slaapzak op.
Ze vertelt Patrice nu toch hoe ze hier alleen is terechtgekomen.
‘Waar logeer je eigenlijk?’
‘Op een camping in Lacanau-Océan.’
Zijn ogen worden nog groter als hij hoort hoe ver weg dat is. Hij streelt haar haren. ‘Ik zorg wel dat je er geraakt.’
Ze gaan naar buiten. Hij vraagt haar bij de uitgang te wachten. Net als ze denkt dat hij haar ook laat stikken, rijdt hij een 2PK’tje met open dak voor. ‘Sorry, ik moest onderhandelen met Maxime, dit is zijn auto.’
Patrice heeft geen idee waar Lacanau ligt. Zij wijst de weg waarlangs ze denkt dat ze met Mo is gekomen. Hij loopt langs de kust. Bij een duinbosje vertraagt de auto.
‘Is het goed als we hier even stoppen?’
Ze knikt.
Patrice parkeert de wagen zoveel mogelijk achter de bomen. Zodra de motor stil ligt, verdwijnt zijn hand onder haar bloes en de hare in zijn broek. Als hij na een poos een condoom tevoorschijn haalt, wringt ze zich los uit zijn armen. Hij is verrast.
‘Toch niet zo vlug,’ stamelt ze, ‘Ik heb het nog nooit gedaan…’
Zijn ogen worden iets doffer. Hij steekt het condoom weer weg. Op hun rug liggen ze naast elkaar in de wagen. Alleen de haartjes op hun handen raken elkaar nog. Ontelbare sterren zijn getuige van hun ongemakkelijk liggen en zwijgen. Als het te fris wordt, rolt Patrice het dak dicht en rijden ze verder. Farahilde merkt haast meteen een wegwijzer naar de camping op. Blijkbaar waren ze de hele tijd al vlak in de buurt. De Renault draait de parking op. Hun lippen zoeken elkaar weer.
‘Vind je de weg terug in het donker wel? Anders,’ Farahilde aarzelt,’ kan je blijven slapen.’
‘Vindt je vriendin dat goed?’
‘Ze moet wel. Het is allemaal haar schuld.’ Ze verheft haar stem.
Samen wandelen ze naar de tent. Als Farahilde het zeildoek openritst, schrikt An wakker. ‘Weet je wel hoe laat het is?’
‘Weet je wel dat Mo me zomaar heeft achtergelaten? Wees blij dat je me nog levend ziet.’ Ze wijst naar Patrice. ‘Hij blijft hier slapen.’
An springt overeind. Voor ze iets kan zeggen sleept Farahilde haar luchtmatras naar de voortent. ‘Er is niet veel plaats,’ gebaart ze naar Patrice.
Hij glimlacht. Met hun kleren aan vallen ze te dicht bij elkaar in slaap.
Als ze ook na haar tweede brief geen post uit Lyon ontvangt, weet Farahilde dat haar Franse romance voorbij is. ‘Patrice,’ schrijft ze onderaan de lijst op de laatste bladzijde in haar dagboek. Ze voelt zich een stuk speelgoed dat voor de zoveelste keer achteloos is weggegooid. Eén naam ontbreekt op haar lijst. Of liever: hij ontbreekt niet.
‘Stoppen we om te eten?’ roept Dirk.
‘Is over tien minuutjes goed?’ Farahilde veegt het zweet van haar voorhoofd. ‘Ik heb nog een beetje mortel dat ik eerst op wil werken.’ Ze schept wat voegspecie uit de kom en strijkt het met haar ijzer tussen de bakstenen. Het teveel aan mortel schraapt ze weg.
Dirk kijkt over haar schouder. ‘We dekken de tafel al ondertussen.’
Met enkele vrijwilligers verbouwen ze de kleedkamer van de turnkring. Vera en zij zijn de enige meisjes. Normaal is ze niet zo’n doe-het-zelver, maar om bij Dirk in de buurt te zijn doet ze al wat meer. Terwijl zij aan haar muur verder werkt, zetten de anderen zich aan de tafel op de koer. Farahilde hoort hen schaterlachen. Ze smijt de specie wat onstuimiger in de voegen. Ze krabt de resten ook niet meer zo zorgvuldig weg. Als ze bij de tafel komt, hebben de anderen al een halve schaal koffiekoeken naar binnen gespeeld. Ze pakt een stoel en schuift aan vlak naast Dirk. Als ze zich naar de koeken uitstrekt, wrijft haar heup tegen de zijne. Ze slaat haar ogen neer. Onder de tafel raken hun knieën elkaar. Dirk trekt zijn knie niet weg. ‘Als we goed verder werken, zijn we morgenavond klaar.’
‘Dat moeten we vieren!’ zegt Vera. ‘Zaterdag zijn mijn ouders niet thuis. Komen jullie dan naar ons?’
De jongens storten zich weer op hun karweien. Vera ruimt de tafel af. Farahilde blijft zitten met de koffiekoeken die over zijn voor haar. Pas als de laatste op is, slentert ze terug naar haar muur. De klodders mortel die ze daarnet niet goed heeft afgeveegd zijn hard geworden. Met een beitel klopt ze de stukken weg.
Dan helpt Dirk haar nieuwe mortel maken. Ze snuift zijn zweetgeur op. Het is de heerlijkste zweetgeur ooit.
Die zaterdag is ze als eerste bij Vera. Terwijl Vera iets anders aantrekt, maakt ze kaasprikkers en schikt ze bloemkoolroosjes en wortelstaafjes in een schaal. Ik kan niet wachten tot Dirk er is. ’t Was zo plezant deze week. Ik denk dat hij me nu eindelijk wel zal willen. Hij is met alle andere meisjes van de turnkring al mee geweest. Alleen niet met Hilde. Maar ja, wie wil nu met Hilde? Vanavond wordt onze avond. Ik hoop maar dat hij mijn legging mooi vindt en mijn nieuwe schoenen.
Telkens als de bel gaat, kijkt ze vol verwachting naar de deur, alsof ze een kind is op Sinterklaasavond. Maar telkens is het Dirk niet. Het is niet zijn gewoonte zo laat te komen. Hij zal toch niks voorgehad hebben. De anderen lijken zich geen zorgen te maken. Ze babbelen en lachen en drinken en smullen van de hapjes. Farahilde zuigt zuinig op haar rietje. Pas rond half tien rinkelt de bel opnieuw. Hij is er eindelijk. Samen met hem stapt een meisje met lange bruine haren en fonkelende blauwe ogen de living binnen. Ze lacht Farahilde breed toe.
Farahilde begrijpt niet dat ze jaren geleden zo naïef kon zijn. Ze begrijpt niet dat ze nog steeds zo naïef is. De naam die op de lijst ontbreekt of net niet. Hoopt ze nu nog altijd dat ze iets met Dirk krijgt? Ze turnt zelf niet meer, gaat ook niet meer met de mensen van de turnkring uit. Ze ziet hem alleen nog af en toe op een vergadering. Ze leest alle namen. Waarom houdt ze hier eigenlijk een lijst van bij? Ze neemt de bladzijde tussen twee vingers en scheurt ze uit het dagboek. Dan versnippert ze ze in honderden stukjes. Ze wil niet langer speelgoed zijn.
‘Hoe was je vakantie?’ vraagt Walter als ze samen in de Tom Tom Club op hun vrienden wachten.
‘Ging wel.’ Farahilde trekt een grimas. ‘Alleen deed An ambetant. Ze had nergens goesting in.’
‘Ik heb ervan gehoord.’ Hij lacht. ‘Maar er was wel een koene ridder die je van een verkrachting redde.’
‘Dat klopt niet helemaal,’ wuift ze zijn woorden weg. ‘Het is trouwens al voorbij. Ik hoor niks meer van hem. Ik heb het nu wel gehad met relaties. Altijd dat verdriet als ze je laten stikken…’
Walter kijkt verbaasd.
‘Echt, ik heb niemand meer nodig. Ik voel me goed alleen.’
‘Daar zullen we dan maar ene op drinken.’ Hij loopt naar de toog en komt terug met twee pintjes.
&
23 november 1918
Soms laat ik me ophitsen door het geroep van de mensen langs de kant van de weg en dan marcheer ik met opgeheven hoofd en mijn borst vooruit door de dorpen. Maar als ik ook maar even terugdenk aan die ene nacht krimp ik vanbinnen helemaal ineen en zou ik het liefst onder de kasseien willen verdwijnen.
De mannen brengen de avond in een kroeg door. Ik ben het rumoer ontvlucht en zit beschut onder de wortels van een omvergeschoten boom. Het miezert. De regendruppels vallen niet dik genoeg om het vuur dat ik heb gemaakt te doven. Op amper een uur en half lopen hiervandaan staat het huis van mijn lieve ouders, die ik vier jaar niet meer heb gezien. Als we veel vooruitgang maakten, droomde ik regelmatig van de dag dat ik weer op de drempel van hun woonstede zou staan. Mijn vader, oude krijger van 1870, met tranen van fierheid in zijn ogen. Mijn moeder met haar armen rond mijn hals zonder iets te kunnen zeggen, blijdschapstranen op haar wangen.
De andere mannen zoeken hun familie op als we op loopafstand van de plek waar ze geboren zijn passeren. Maar ik kan het niet. Ik mag het niet.
Ik haal mijn carnet uit mijn zak en blader door mijn aantekeningen.
… Koude voeten? … Dan nam ik een muziekje en speelde dat men leute had. Al de oude straatdeuntjes kwamen voor de pinnen en rap was onze tent in een danszaal herschapen. Men draaide en danste en zo had men geen koude voeten meer…
Ik had mijn voeten die avond in een deken gerold, herinner ik me. Hij moest daar zo hard om lachen. ‘Ik bibber, ik bibber! Ik ben een oude grotemoe. Ik bibber!’
Toen ik dat muziekje aan mijn mond zette, was hij als eerste recht gesprongen.
…In de loop van de dag mag men zich niet tonen, dus moet men zijn plan trekken als men zijn behoefte moet doen. Hij kruipt toch naar buiten. Hij hief zijn hoofd nauwelijks boven de tranchée. Dadelijk floot er een dum-dum kogel naast zijn oor. Ziehier wat ik deed: ik trok een zakje onder mij en… de mitrailleuse werkte!!...
Hij had toen geluk gehad. Maar waarom? Al wat ik lees gaat over hem alsof deze hele rotoorlog alleen uit hem bestaat. Ik steek de ene sigaret met de andere aan.
…Patrouilleurs zijn tot in onze abri geweest. Hoe de voorpost die heeft laten doorgaan weten wij niet… De verkenners waren viervoetig met een lange staart. In zijn musette hadden ze een schietgat geboord en daarna een half brood binnengespeeld…
Dan kom ik bij mijn nota’s over die nacht. Mijn maag draait om. Ik smijt mijn half opgerookte sigaret in het vuur. De patatten die ik vanmiddag gegeten heb komen eruit. Ik scheur de bladzijden met deze gebeurtenissen uit het carnet en smijt ze achter de sigaret aan. De vlammen laaien hoog op. Ik wil naar huis. Naar mijn moeder. Naar mijn vader. Ik kan het niet. Ik mag het niet.
h
Dozen
De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog rondslingerende paperassen.
Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze liefst zo hoog mogelijk klom.
Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen toch niet meer bewegen. Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen.
Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af.
Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dit huis past haar niet. Het heeft ook nooit gepast. Ze ploft in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu.
Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht.
Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’
Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt.
‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant.
Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc heeft zijn vuisten gebald. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats.
Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.
Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’
Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt. De laatste keer. De laatste keer dat ik hier kom. Zou Ronny in zijn garage zijn? De poort staat open, het licht brandt… niemand te zien… Hij zal ze ook missen. Nu zitten ze daar in die stomme dure serviceflat. Tussen de bomen waar ze hun hele leven van gedroomd hebben. Ze zien geeneens bomen langs hun kant. Nu moet ons vader daar sterven waar hij niemand kent. Sterven… het woord dat niet uitgesproken mag worden. Ik wil afronden, maar hoe kan dat als iedereen doet alsof het allemaal gewoon doorgaat? Ik wil dingen vragen. Over vroeger. Over het begin. Hoe was het toen ik er plots aankwam? Hebben ze abortus overwogen? Waren ze zoveel weg omdat ze nooit jong hadden kunnen zijn? Geven ze mij daar de schuld van? Als we over zijn dood konden praten, zou dat misschien ook lukken over het begin. Maar nee, potjes toe, doen alsof alles goed gaat. Hij leeft nog jaaaaren…
Haar handen zijn klam als ze de oprit voor haar eigen huis oprijdt. Walter neemt de boeken van haar over. Binnen legt hij ze op tafel naast de rommel die er als onkruid groeit.
‘Het was een zware dag, he.’ Hij slaat zijn armen om haar heen.
Ze drukt haar hoofd tegen zijn borstkas.
‘Johannes was weer aan het gamen toen ik thuiskwam. Ik hoop dat hij ook wat gestudeerd heeft vandaag.’
‘Waarom moet dit ook allemaal zo vlak voor de examens gebeuren?’
Ze schenkt zich een glas water in en neemt wortelen, paprika’s, courgetten en paddenstoelen uit de koelkast. Ze bereidt iets met veel vitaminen. Dat geeft hem misschien de nodige energie voor achter zijn studieboeken. Voor ze de groenten fijnhakt, pakt ze een reep biochocolade. Tijdens het snijden steekt ze er regelmatig een brok van in haar mond tot ze helemaal op is. Dan valt ze aan op de biokaas. Hoe stom ben ik? Dure en gezonde producten kopen en ze dan zonder smaak opschrokken? Maar het is me ook allemaal te veel. Kon ik de klok maar terugdraaien. Tot voor dat stomme feest drie weken geleden. Tot voor hun grote nieuws. En voor ze ons zouden vragen borg te staan. Hoe hadden ze het lef? En dan nog kwaad zijn, omdat we dat niet wilden. Na al wat zij voor ons gedaan hadden. Wat hebben ze dan gedaan misschien? Op Johannes gepast. Ja, ze hebben veel op Johannes gepast, dat vonden ze plezant. Ook alleen maar als het hen uitkwam, he. Met de trouw van Annelies hebben ze ons schoon laten stikken. Ze hadden het beloofd. We hadden al toegezegd. En toen konden we hem naar oma brengen die nog een papfles wilde klaarmaken. Hij was al tien. En verder? Bij onze bouw? In ons huis? Met mijn rugoperatie? Het was zelfs te veel om een paar weken voor ons te strijken. Dat kon niet met haar schouder. Ocharme. Ze kwamen me wel alle dagen bezoeken. En ze brachten rotte druiven mee. Zot werd ik ervan. En onze Luc nu maar de engel spelen. Hij regelde de verhuis. Hij zorgt voor een housewarming. En hij blijft rustig bij die vraag om geld. Ik ben de slechte. De geldwolf. De duivel.
‘Laat het los!’ zegt Walter als ze er na de spaghetti weer over begint.
Ze vult de vaatwasmachine en laat haar gedachten dwalen naar toen ze zelf pas waren verhuisd.
Een ijzingwekkende gil weergalmt door hun nog bijna lege huis als Farahilde de kreeft in het kokendhete water onderdompelt. Meteen daarop rinkelt de telefoon.
‘Alles oké?’ vraagt Walter als hij haar schorre stem hoort.
‘Ik heb net een moord gepleegd, verder alles oké!’
‘De kreeft?’
‘Het beest hield zich koest, maar ik denk dat de buren mij konden horen. Ik maak nooit nog kreeft!’
‘Als het maar lekker is,’ lacht Walter, ‘Ik zal over een uur thuis zijn.’
Farahilde werkt de kreeftensla af. Daarna trekt ze zich terug in de badkamer onder een wolk schuim. Toen ze het huurcontract van hun rijtjeswoning opzegden, hadden ze over het hoofd gezien dat ze de vloerverwarming in hun nieuwe huis niet meteen mochten opstarten. Dat mocht pas een maand nadat de tegels waren gelegd. Overmorgen is het zover. Ondertussen wonen ze in de keuken waar ze het met bijzetkacheltjes warm proberen te krijgen. Maar de thermometer wijst amper zestien graden aan. Gelukkig kunnen ze af en toe naar de badkamer vluchten. Een extra radiator verspreidt daar wel een zalige warmte. Ze wrijft zich met een zachte handdoek droog. Haar huid gloeit. Dan smeert ze haar hele lijf in met lichaamsmelk en brengt ze make-up aan. Ze kiest haar frivoolste lingerie uit, trekt er een strakke jeans over en wel drie truien. Een bloemensjaaltje en grote parelmoeren oorbellen zorgen voor de finishing touch. Ze voelt zich een eskimo in feestkledij, maar ze mag gezien worden.
Uit een kartonnen doos, diept ze hun trouwservies op en schikt het op de keukentafel. Naar de wijnglazen moet ze lang zoeken. Ze werkt de tafel af met papieren servetten vol harten en theelichtjes.
Als ze het laatste kaarsje aansteekt, draait de achterdeur open en staat haar liefste daar met een grote bos rode rozen. Hij kust haar in haar nek. ‘Fijne Valentijn!’
Terwijl hij snel een douche neemt, en zijn maatpak wisselt voor een warme fleece, legt ze de laatste hand aan de aperitiefhapjes. Walter zet Vaya con Dios op en ontkurkt de champagne. Farahilde tovert het ene exquise gerecht na het andere op tafel.
‘Dat verdient hier een Michelinster,’ paait Walter haar.
‘Als je niet naar de vuile afwas op het aanrecht kijkt’.
Naarmate er meer wijn vloeit, vergeten ze de kilte in huis, en kunnen de kale witte muren, de vele dozen die nog moeten uitgepakt worden en al wat ze nog moeten afwerken hen niet meer deren.
Als Farahilde de ‘flensjes Cupido’ opdient en ze er de laatste fles voor vanavond bij kraken, kruipen ze dichter bij elkaar. Even later verdwijnen ze naar boven. Onder de dikke dons pellen ze langzaam hun vele lagen kleren af. Eerst knuffelen ze kalmpjes. Algauw wordt hun bed een vulkanisch landschap met wel erg veel geothermische activiteit. Uiteindelijk dommelen ze in mekaars armen in.
Vanavond is er geen vulkaanuitbarsting.
Benevelde velden
Haar vader zit met zijn ogen gesloten in de relaxzetel bij het raam. De vingers van zijn linkerhand liggen dichtgevouwen op zijn buik, zijn duim gestrekt erbovenop. Al weken houdt hij zijn hand zo. Op het tafeltje naast hem staat een tas koffie.
‘Hij heeft soep met een boterham gegeten,’ zegt haar moeder, ‘Maar de korsten krijgt hij niet meer binnen.’ Ze staat aan de eettafel en propt papieren in haar handtas. ‘Ik hoop dat hij nog wat drinkt.’
Farahilde loopt haar voorbij. ‘Ik zal het hem vragen.’
Ze buigt zich naar haar vader toe en drukt een zoen op zijn koude wang. Hij slaat zijn ogen naar haar op. Haar moeder neemt haar jas. ‘Hij heeft bijna de hele voormiddag geslapen.’
‘Dan zal hij nu wel uitgerust zijn. Dan kunnen we goed babbelen, he, Va.’
Haar moeder staat al in de deuropening. ‘Ik moet naar de notaris. Het kan dus zijn dat ik lang wegblijf.’ Ze trekt de deur toe.
Farahilde doet haar jas uit en zet zich op de sofa vlak naast haar vader. ‘Heb je dorst?’
‘Nee. Maar ik zal maar drinken of ze wordt kwaad. Ze is altijd kwaad tegenwoordig.’ Zijn hand graait naar de tas.
Farahilde houdt ze voor hem vast en brengt ze naar zijn lippen. Hij nipt eraan.
‘ ’t Smaakt niet. Niks smaakt nog.’
‘Amai, en gij die zo graag gegeten hebt. Dat moet erg zijn.’
Hij duwt de tas weg.
…
’t Is schoon weer, he?’
Hij probeert zich naar het raam te draaien. Zijn gezicht vertrekt. ‘Ik zie er niet veel van.’
…
‘Is er nog bezoek geweest?’
‘Ja, Greet met haar hond. Hoe heet die weer?’
‘Jules.’
‘Ja, Jules, maar die is niet binnen geweest.’
…
Hij hangt half uit de zetel. Zijn gezicht vertoont een grijns.
‘Zit je nog wel goed?’
Ze gaat naast hem staan en probeert hem rechter te zetten. Hoe ze ook sleurt, het lukt haar niet hem in een comfortabele houding te brengen.
…
Zijn ogen vallen telkens opnieuw dicht. De dingen die nog gezegd moeten worden, maken de lucht rondom hen zwaar als beton. Haar hersenen kronkelen tegen lichtsnelheid om een manier te verzinnen om ze uitgesproken te krijgen. Uiteindelijk waagt ze het erop. ‘Heb je er nooit aan gedacht je levensverhaal op te schrijven?’
‘Gedacht wel. Maar ik zou niet weten hoe ik moet beginnen.’
‘Waarom heb je het niet aan mij gevraagd?’
‘Je weet niet hoe moeilijk dat is, zeker, al wat je uitgestoken hebt aan je eigen dochter vertellen?’
‘Er zijn toch ook goede dingen?’
‘Ach...’
‘Ik heb anders wel vragen.’
Hij spert zijn ogen wijd open.
‘Ge zijt kwaad op nonkel Marcel. Waarom?’
‘Nonkel Marcel is dood. Daar moeten we niet meer over praten.’
‘Maar ik wil het wel weten.’
Hij zucht. ‘Hij heeft mijn ouders heel veel verdriet gedaan. Meer zeg ik niet.’
Zelf heeft ze ook wel iets over nonkel Marcel te vertellen. Maar kan ze hem dat in zijn laatste weken nog aandoen? Dan wordt hij nog kwader. Moet hij daar nu nog zijn energie in steken? Ze twijfelt, maar zwijgt ook.
…
‘Hoe heb je ons moeder leren kennen?’
‘Mijn vriend was zot van haar vriendin. Toen we hen op de bus naar Mechelen zagen zitten, zijn we ze achternagelopen. Tussen mijn vriend en die vriendin is het nooit iets geworden. Maar tussen mij en haar dus wel.’
‘Kende je haar al lang toen ze zwanger werd?’
Hij denkt diep na. ‘Een half jaar ofzo.’
‘Hoe kwam dat dan?’
‘Ik wilde ook eens iets doen. Ik wist niet dat je daar kinderen van kon krijgen.’
Farahildes mond valt open. Waren ze in de jaren zestig nog zo achterlijk? ‘Heb je dan geen abortus willen laten doen?’
‘Nee.’ Voor het eerst deze namiddag klinkt hij vastberaden. ‘Nooit.’
Het dubbele kan de leugen niet verbergen. Tegen beter weten in vraagt Farahilde: ‘Heb je dan geen spijt?’
‘Nee. Helemaal niet.’ Hij wijst naar zijn koffie.
‘Die is koud geworden.’
‘Geeft niet.’
Farahilde houdt de tas tegen zijn mond. Hij slurpt ze helemaal leeg. Daarna valt hij in slaap. Ze bekijkt hem van top tot teen. Zijn huid is vaal alsof er een laag was over ligt. Wat zou hij echt gedacht hebben toen hij onverwachts vader werd? Zij heeft haar kind bewust gewild. Ze was ervan overtuigd dat ze het allemaal ook veel beter dan haar ouders zou doen.
‘Weet dat je wordt bemind en gesteund op deze reis,’ fluistert Farahilde tegen het kind dat Walter in haar armen legt. Ze drukt hem dicht tegen haar borst, streelt zijn bolle wangen en de haartjes op zijn hoofd, en glimlacht. ‘Welkom, Johannes!’
Nu pas valt het mistdeken, dat haar de voorbije uren omwikkelde, af en beseft ze dat dit kind het hare is. Dat zij hem op de wereld heeft gezet en de rest van haar dagen voor hem zal zorgen.
Rond half zes wordt ze wakker door een immense plas water die uit haar vagina gutst. Ze stoot Walter aan. ‘Lap, het is van dat!’
Het duurt even voor hij zijn ogen open krijgt. Dan springt hij uit bed en haalt meteen het beddengoed af. Terwijl zij onder de douche staat, dweilt hij de slaapkamer. Ze nemen de koffer die ze pas gisterenavond heeft klaargezet en rijden langs benevelde velden en lege straten naar het ziekenhuis.
‘Goeiemorgen. Mijn water is gebroken,’ zegt ze tegen de receptionist.
‘Ik heb gebeld,’ vult Walter aan, ‘Het is voor een keizersnede.’
‘Waarschijnlijk toch. Eergisteren lag ons kindje nog dwars. Ik heb hem nog voelen bewegen, maar of hij genoeg gedraaid is om gewoon te kunnen bevallen…’
‘Wacht hier even. De verpleegster haalt jullie zo meteen op.’
Een vrouw in een wit pak brengt hen naar de verloskamer. Farahilde krijgt een riem om haar bolle buik. Zodra die met de monitor verbonden is, zien ze hun kind op het scherm.
‘Het hartje klopt normaal,’ stelt de verpleegster hen gerust. ‘Er is ook nog voldoende vocht in de vruchtzak. Maar ik denk niet dat hij gedraaid is. De dokter zal straks uitsluitsel geven. Zij is nog niet aanwezig. Heb je weeën?’
Farahilde schudt haar hoofd.
Dan valt de blik van de verpleegster op Farahildes handen. ‘Jij hebt rode nagels! We moeten de huidskleur onder je nagels kunnen zien.’ Ze loopt weg en komt terug met een pot aceton en een pak watten.
Terwijl ze op de gynaecoloog wachten, verwijdert Farahilde het rode kleurtje.
De baby ligt inderdaad nog steeds dwars. Farahilde wordt naar de operatiezaal gereden. Walter loopt er achteraan. Eerst moet ze op haar zij gaan liggen en krijgt ze een spuit in haar rug. Dan zetten ze een hoge tafel met een groen tafellaken over haar buik. Die beneemt haar alle zicht. Walter houdt haar hand stevig vast. Plots komt een straal pipi boven de tafel uit. De dokter en haar assistent lachen. ‘Proficiat, mevrouw!’
Een verpleegster toont een kind in een doek. Farahilde strijkt met een vinger langs zijn gezichtje. Dan is de verpleegster alweer weg. ‘Kom maar mee, papa!’
Walter volgt haar tot achter een glazen wand.
‘Drie kilo honderdnegentig,’ roept iemand, ‘achtenveertig centimeter, apgarscore tien-tien-tien.’
‘We gaan al naar de kamer,’ komt Walter zeggen. Hij zoent Farahilde. Een vertwijfelde blik. ‘Tot gauw.’
De dokters trekken en duwen aan en in haar buik. Dan rollen ze haar de recoveryroom in. Naast haar staan twee bedden met slapende mensen. Voor haar hangt een klok met wijzers die abnormaal traag tikken. Ze probeert ze met haar ogen te verschuiven. Pas na uren brengt een verpleegster haar naar de kamer waar Walter met de baby op haar wacht.
Ze drukt het kind nog dichter naar zich toe. Walter kruipt tegen haar aan. Hij schuift zijn vinger in het vuistje van de baby. Zo zitten ze daar een hele tijd met drie in één cocon.
Een verpleegster verstoort de stilte. ‘Heb je de baby al aangelegd?’
‘Hij slaapt.’
‘Hij moet toch eten. Hoe sneller je hem aanlegt, hoe beter voor de melkproductie.’
Walter verhuist naar de stoel aan het raam. De verpleegster maakt het operatieschort los en trekt het naar beneden. Ze verschuift het kind zodat zijn lippen de moedertepel raken. Er gebeurt niets. De verpleegster neemt de borst in haar handen en duwt ze in de kindermond. ‘Ondersteun ze zelf met je vrije hand.’ Zacht tikt ze enkele keren tegen de wang van de baby. De jongen sabbelt even. Haast meteen valt hij weer in slaap. ‘Blijf tikjes geven,’ spoort ze Farahilde aan. ‘Als hij een beetje heeft gedronken, probeer je de andere borst.’ Ze verlaat de kamer.
Johannes dommelt meteen weer in. Farahilde probeert hem met tikjes te wekken. Ze duwt haar tepel naar zijn mond toe. Walter komt weer dichterbij zitten. Als hij over de wang van de jongen wrijft, tuit die even zijn lippen. Veel melk krijgt hij echter niet binnen. Na een poosje proberen ze de andere kant. Ze krijgen het kind niet goed gelegd en hij vindt de tepel niet.
‘Ik kan het niet,’ zucht Farahilde.
Uiteindelijk bellen ze om hulp. De verpleegster legt een kussen onder Farahildes arm. Enkele tikjes op de wang en de baby zuigt. De verpleegster lacht. ‘Maak je geen zorgen. Als hij niet genoeg drinkt, geven we hem straks wel suikerwater.’
Farahilde trekt grote ogen. Ze hoort de moor fluiten en de lepel, waarmee Moéke de suiker onder het kokende water roerde, in het glas rinkelen. Speeksel vormt zich net als toen in haar mond. Het was lang wachten tot het water weer wat afgekoeld was en haar mierzoete troost kon brengen. Een voorrecht dat je alleen ten deel viel als je ziek was. Haar kersverse kind is niet ziek. Hij is moe. En zijzelf is te stom om hem te kunnen voeden. ‘Dat wil ik niet,’ zegt ze.
De verpleegster heeft de deurklink al vast. Ze fronst haar voorhoofd. ‘Hij heeft toch iets nodig om aan te sterken.’
Om beurten duwen Farahilde en Walter de tepel tussen de lippen van de jongen. Na een poos neemt Walter zijn zoon over en legt hem in het plexiglazen bedje naast het raam. ‘We proberen het straks wel opnieuw. Hij is te moe nu.’
‘Ik wil niet dat hij met suiker groot wordt.’
Wat later verschijnt het hoofd van de verpleegster in de deuropening. ‘Is het gelukt?’
‘Ja!’ knikken Farahilde en Walter gelijktijdig.
Haar vader kreunt. Ze probeert hem weer gemakkelijker te zetten. Hij houdt zijn ogen gesloten. Jij gaf Johannes wel suiker. Maar ook verhalen en fantasie. En jullie moesten altijd zo hard lachen samen. Je hebt hem meer gegeven dan ik zelf had gekund.
Ze legt haar hand op de zijne. ‘Je was de beste grootvader die we ons maar hadden kunnen dromen.’
&
14 december 1964
Amai, wat ben ik moe van dat kort stukske van ’t Rerum tot hier! Gelukkig heeft de onderpastoor aan de doeken gedacht. Zo moet ik niet meer rondhossen om ze op tijd in de zaal te krijgen. Ik schenk een tas koffie uit en zak neer in mijn zetel. De Vrouwengilde zal content zijn met het toneeltje dat ik morgen opvoer op hun feest. Ik steek een sigaret aan. Tiens, ze smaakt me niet. Dat is ook de eerste keer. Ik druk ze weer uit. Mijn borst doet zeer. ’t Is alsof het schuldgevoel dat ik al zo lang meesleur er tien keer zo hard op drukt als anders. Geen mens die daar een gedacht van heeft. Mijn moeder zaliger, ja, die voelde dat er iets was. Iets anders dan de gruwelen die alle soldaten aan het front hebben meegemaakt. Ze was ambetant omdat ik niet wilde zeggen wat er scheelde. Maar wat had ik kunnen zeggen? Ze had het toch niet kunnen begrijpen. Kan ooit iemand het begrijpen? Zal ooit iemand snappen dat ik niet ben wie de mensen zeggen dat ik ben? De jongeman die missionaris zou worden, maar na de oorlog niet naar het missiehuis is teruggekeerd. De zoon die met zijn zuurverdiende oorlogscenten een woning voor zijn ouders kocht. De ijverige ambtenaar bij de Spoorwegen. De knaap die met ‘Moeder Maria’ uit de processie is getrouwd. De brave familievader die vanuit zijn zetel aan het raam zijn kroost stil in de gaten hield. De vrome man die zijn gat vanonder zijn lijf liep voor de pastoor en de kerkfabriek. Het manusje-van-alles in de vele verenigingen van het dorp. Zal ooit iemand de man kennen die ik echt ben en die ik nooit heb willen zijn? De man die niet eens had mogen bestaan.
In de keuken rammelt ons moe met potten en pannen. De geur van gesmolten boter die wel bruin wordt, maar net niet aanbrandt, komt de kamer binnen. Terwijl ik dat anders zo graag riek, word ik er nu mottig van. De zeer in mijn borst wordt ook erger. Ik moet overgeven. Ons moe komt afgestoven. Ik zie nog de paniek in haar ogen. En dan valt het doek.
h
Haar eigen paar
Zodra ze de kamer binnenstapt, voelt ze dat Rebecca en zijzelf hier niet alleen zijn. De lucht is dens alsof een onzichtbare nevel de ruimte vult.
‘Ik heb je voorouders al uitgenodigd’, zegt Rebecca terwijl ze een kop thee inschenkt.
Farahilde tuit haar lippen. Ze wil iets zeggen, maar de woorden stokken in haar keel. Haar hele leven al morrelt ze maar wat aan. Ze heeft het gevoel dat ze met een rem op leeft. Dat wil ze niet langer. Ze heeft al zoveel geprobeerd… Ze heeft al zoveel geleerd…, maar slaagt er niet in er echt iets mee te doen.
Rebecca had haar aangeraden haar voorouders om hulp te vragen door erover te schrijven. Elke ochtend heeft ze trouw haar schrift genomen en drie pagina’s vol gepend. ‘Lieve voorouders, weten jullie waarom ik zo vastzit?...’
Ze begreep geen snars van de antwoorden die haar voorouders haar stuurden. Hopelijk kan Rebecca helpen om het duidelijk te maken. Ze neemt een slok van haar thee.
‘Je wil dus weten waarom je voortdurend remt,’ begint Rebecca.
Farahilde wipt van haar ene been op haar andere.