veerle schaltin

Gebruikersnaam veerle schaltin

Teksten

Opdracht 8 - Dingen die niet overgaan - Veerle Schaltin (deel 2)

h Haar eigen paar   Zodra ze de kamer binnenstapt, voelt ze dat Rebecca en zijzelf hier niet alleen zijn. De lucht is dens alsof een onzichtbare nevel de ruimte vult. ‘Ik heb je voorouders al uitgenodigd’, zegt Rebecca terwijl ze een kop thee inschenkt. Farahilde tuit haar lippen. Ze wil iets zeggen, maar de woorden stokken in haar keel. Haar hele leven al morrelt ze maar wat aan. Ze heeft het gevoel dat ze met een rem op leeft. Dat wil ze niet langer. Ze heeft al zoveel geprobeerd… Ze heeft al zoveel geleerd…, maar slaagt er niet in er echt iets mee te doen. Rebecca had haar aangeraden haar voorouders om hulp te vragen door erover te schrijven. Elke ochtend heeft ze trouw haar schrift genomen en drie pagina’s vol gepend. ‘Lieve voorouders, weten jullie waarom ik zo vastzit?...’ Ze begreep geen snars van de antwoorden die haar voorouders haar stuurden. Hopelijk kan Rebecca helpen om het duidelijk te maken. Ze neemt een slok van haar thee. ‘Je wil dus weten waarom je voortdurend remt,’ begint Rebecca. Farahilde wipt van haar ene been op haar andere. ‘Neem dan maar een kussen dat jezelf voorstelt uit de bak daar.’ Ze kiest een klein roze en legt het midden in de kamer. ‘Neem er ook een voor je rem.’ Nu pakt ze het grootste. Dat laat ze pal op het roze kussen vallen. Rebecca legt er nog een kussen bij. ‘Dit is je grootvader. Ik voel dat hij hiermee te maken heeft.’ ‘Kan best,’ knikt Farahilde, ‘Hij kwam ook in mijn schrijfsels voor.’ Terwijl Rebecca zich concentreert op de boodschappen die ze via de kussens doorkrijgt, zet Farahilde zich op een stoel aan de kant. Het is niet dat ze zich niet op haar gemak voelt bij de gestorven mensen in deze kamer, maar dat die zo meteen iets gaan onthullen, waarvan ze niet weet hoe groot het is, en welke invloed het op haar leven zal hebben, zorgt voor een spanning die kolkt in haar ingewanden. Ze neemt de thee van de tafel en klemt hem stevig in haar handen. Hij kan haar niet verwarmen. Eerst vertelt Rebecca wat ze bij elk kussen waarneemt. Ze blaast en zucht als ze de rem probeert op te tillen. ‘Ik voel veel weerstand, maar ik weet dat het niet jouw rem is. Hij is van je grootvader.’  Uiteindelijk lukt het haar toch hem van het roze kussen af te schuiven. Ze haalt er nog twee kussens bij. ‘Ik weet niet wie dit zijn, maar ze horen hier.’ ‘Misschien mijn nonkel en mijn vader.’ Rebecca schudt haar hoofd.  Na lange tijd fluistert ze: ‘Dit zijn soldaten. Het is oorlog.’ Ze vouwt haar handen op haar hart. ‘Er is iemand gedood.’ Farahilde weet dat haar grootvader in de eerste wereldoorlog heeft gevochten. Ze heeft zijn ‘Oorlogsgedenkenis’ gelezen. Daarin rept hij met geen woord over wat er zich tijdens de veldslagen heeft afgespeeld, maar het lijkt haar niet zo vreemd dat hij iemand zou hebben doodgeschoten. Dat gebeurt nu eenmaal tijdens een oorlog. Een stilte die als een obus ontploft, maakt duidelijk dat het niet zo eenvoudig is. Rebecca schuifelt van het ene kussen naar het andere en terug. Traag, tergend traag. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes. Op het puntje van haar stoel volgt Farahilde al haar bewegingen. Zeg iets, denkt ze, zeg toch iets. Rebecca’s lippen bewegen even, maar er komt geen klank uit. Ze piert in het ijle. Plots heft ze haar arm op en houdt hem als een pistool tegen haar hoofd. Met grote ogen kijkt ze Farahilde aan.  ‘Het was niet op het slagveld. Ook geen moord. Het was een afrekening. Wie niet eerst schoot ging eraan. Hij heeft de trekker overgehaald.’ Farahilde schuift nog meer naar voor op haar stoel. De kamer wordt een vrieskist.   Het is druk op de baan als Farahilde naar huis rijdt. Slechts flarden van het radionieuws dringen tot haar door. Een agent is bij een aanslag op de Champs-Elysees omgekomen… Wat betekent zijn leven bij het leven dat haar eigen grootvader zomaar heeft afgeknald? Op een ander moment zou ze helemaal niet bij deze agent blijven stilstaan. De media kapt bijna dagelijks berichten over aanslagen met liefst zoveel mogelijk doden en gewonden als hete pek over de wereld uit. Het maakt haar immuun voor de brandwonden. De pek die zij deze middag over zich heeft gekregen, brandt wel, tot diep in haar ziel. Rebecca heeft verteld dat het tijdens een spel was gebeurd, een weddenschap. Een gezaghebber had haar grootvader en een kameraad allebei een pistool in de handen gedrukt. Hij dwong hen de revolver tegen elkaars slaap te houden. ‘Wie heeft hier lef?’ had hij gelachen, ‘Vooruit! Toon het!’ Haar grootvader had over zijn hele lijf getrild en geschoten. Hij smeet het pistool weg en stormde de abri uit recht naar de vuurlinie. Kogels floten er een nacht lang om zijn oren, maar geen enkele wilde hem raken. Toen hij de volgende morgen naar hun schuilplaats was teruggekeerd, was het lijk opgeruimd en had iedereen luidop gezwegen. Hij was opnieuw het slagveld opgelopen. Een vrachtwagenchauffeur toetert omdat Farahilde hem niet laat invoegen. Ze maakt zich zo klein mogelijk en remt. Zoals ze dat al haar hele leven heeft gedaan. Net zoals haar grootvader na die afrekening. Hij had zich onzichtbaar gemaakt en gezwegen. Zij heeft al die tijd in zijn schoenen gestaan. Nu is het moment gekomen om haar eigen paar aan te trekken. Ze drukt het gaspedaal stevig in.  

veerle schaltin
10 1

Opdracht 8 - Dingen die niet overgaan - Veerle Schaltin

Dingen die niet overgaan     We zijn nooit voorbereid op wat we verwachten. James Michener           Dites, quel est le pas Des milles pas qui vont et passent Sur les grand’routes de l’espace Dites, quel est le pas Qui doucement, un soir, devant ma porte basse s’arrètera?   Emile Verhaeren     ©Veerle Schaltin 30 mei 2018             & 26 mei 1917   De nacht heb ik in een weide, geleund tegen een dode koe, doorgebracht. Dum-dum kogels schuifelden en ontploften langs alle kanten. De koe beschutte me tegen de schrapnels. Toen het geschut verminderde, krijste een koppel raven, aangetrokken door de lijkgeur boven mijn kop. Verderop waar kapotgeschoten huizen staan, kermden katten. Mijn gedachten tolden wilder rond dan de muggen rond mijn oren die wreed in mijn handen en gezicht beten. Nu strompel ik door het slijk van het ene naar het andere lichaam met opengesperde ogen en mond. Een dof gebrom van kanonnen in de verte vertelt me dat er nog leven is. Soms zak ik tot aan mijn knieën in de modder. Ik moet hem vinden. Ik moet. Ik steek mijn laatste sigaret aan en speur het hele gebied af. Een dik mistdeken bemoeilijkt dat. Maar ik moet hem vinden. Ik moet. Ik klauter over een lege loopgracht en hompel tot aan de spoorlijn.  Ernaast is een obusput waar dode Duitsers in liggen. Tussen de Duitse kleuren herken ik een Belgisch uniform. Ik spring op de levenloze moffen, schuif armen en benen opzij en draai het uniform om. Zijn lede ogen staren me aan. Het bloed rond het gat in zijn kop is opgedroogd. Ik leg mijn vingers erop alsof ze de wond alsnog kunnen stelpen. Ik druk hem stevig tegen me aan en jank. Ik jank zoals ik sinds mijn kindertijd niet meer heb gejankt.  Zo vergaan uren. De gevechten komen dichterbij. Ik hijs zijn lijk uit de put en tors hem op mijn schouders. Hij weegt als een kanon. Ik ben midden op een voetbrug als Duitse schuifelaars fluiten. Ik spring om uit het gevaar te zijn. Mijn bottine blijft hierbij achter een boomwortel haken en ik val languit voorover, met mijn gezicht vlak op de grond. Zijn lichaam kwakt naast me neer. Ik krijg een hele klodder drek binnen.  Met mijn handen veeg ik het grootste deel weg, de rest hoest ik naar buiten. Bruine fluimen vliegen in het rond. Plat op de grond kruip ik verder, zijn dode lijf als een zak op mijn rug, mijn hoofd onder hem geborgen. Als ik bij onze abri aankom, is die leeg. Ik leg hem neer en scheur zijn natte uniform vol bloed open. Dan wring ik zijn opgesteven lijf in een schoon kostuum. Alle tranen, die waarschijnlijk voor de rest van mijn leven waren bedoeld, gutsen er nu uit. Achter de abri graaf ik een put. Daar smijt ik stro waar we ons ’s nachts mee bedekken in. Ik leg hem zacht op het stro neer en gooi de put weer toe. Van takken maak ik een kruis en plaats dit op het graf. Ik kniel en wil bidden, maar de enige woorden die ik over mijn lippen krijg, zijn: ‘Ik had in deze put moeten liggen. Ik had hier moeten liggen.’                                                 h Stille strepen   De krantenpaginagrote tekening ligt tussen hen in op de gebloemde toile cirée. Farahildes hand gaat snel op en neer. Met fijne, haast onzichtbare streepjes kleurt ze de boomkruinen. Zijn hand beweegt trager. Als hij een stuk lucht heeft opgevuld, wrijft hij er in cirkels met een watje over. Zo krijgt ze levensechte schakeringen. Tussendoor grijpt zijn vrije hand regelmatig naar de Jupiler voor hem. De tekening is nog niet voor de helft ingekleurd als Farahilde blaast. ‘We krijgen dit nooit af!’ ‘Maar jawel!’ Nonkel Marcel legt zijn arm om haar schouder. ‘Al zullen we er nog uren zoet mee zijn.’ Ze rekt zich uit en springt overeind. ‘Ik heb dorst.’ Op Moékes sloefen met bolletjes die bij elke stap vrolijk tegen elkaar kletsen, huppelt ze naar de gang waar de cola fris staat. ‘Breng voor mij nog een pint mee,’ roept nonkel Marcel. Met twee flesjes keert ze terug. Het bier zet ze voor zijn neus. Zelf gaat ze met de cola aan de andere kant van de tafel zitten. Het moet duidelijk zijn dat ze voorlopig niet meer mee kleurt. Nonkel Marcel kapt zijn Jupiler binnen en komt met de nieuwe pils naar haar toe. ‘Misschien ben je al wat groot om nog te kleuren. Misschien moet je grote meisjesdingen doen.’ Hij laat zich op de stoel naast haar zakken. ‘Ik weet iets plezant.’ Zijn troebele ogen kijken haar anders dan anders aan. Vanzelf kruipt ze wat naar achter. Hij glimlacht en schuift dichterbij. Hij brengt zijn lippen naar haar oor. ‘Echte grote meisjesdingen!’ Even raakt zijn hand haar wang. Dan glijdt ze naar beneden en duwt haar kleed omhoog. Farahilde wil de hand wegduwen, maar ze is sterk. De hand streelt de rand van haar onderbroek. Zijn vingers met hun lange bruine nagels klauwen achter de rand en trekken de broek omlaag. Ze strelen tussen haar benen en dan kruipt een vinger in haar spleet. Hij duwt zijn vinger dieper in haar en beweegt hem heen en weer. Hij glimlacht nog steeds. ‘Is het plezant?’ Ze heeft haar lippen stevig op elkaar geklemd en schudt ‘nee’. ‘Als later je lief dat doet, zal je het wel plezant vinden.’   De keukendeur knarst. Moéke en Luc komen vanuit de tuin binnen. ‘Doeme!’ Hij trekt haar kleed snel op zijn plaats, giet zijn bier achterover en haast zich met het lege glas naar de tekenprent. Moéke blijft in de keuken, maar Luc stapt haast meteen de kamer in. Hij loopt door naar de gang om er een cola voor zichzelf te halen. Zo onopvallend mogelijk probeert Farahilde haar onderbroek terug op de juiste plaats te krijgen. Dan zet ze zich ook opnieuw aan de tekening en kleurt verder. ‘We zullen straks nog eens proberen,’ fluistert nonkel Marcel ‘Als ik ga slapen, kom ik wel bij je bed kijken.’ Ze buigt zich dieper over de prent en krast grove strepen. In de keuken draait Moéke een blik open en steekt het gasfornuis aan. Even later waait de geur van gesmolten boter die wel bruin wordt, maar net niet aanbrandt de kamer binnen. Een biefstuk knispert in de pan. ‘Ruimen jullie op?’ roept Moéke. Nog nooit lagen Farahildes kleurpotloden zo snel in de doos. Uit de lichtroze geschilderde kast neemt ze borden en bestek. Terwijl het vlees zacht sist, komt Moéke met een rieten onderlegger en een dampende pot patatten de kamer binnen. Ze lacht als ze ziet dat Farahilde al zo flink aan het helpen is. Dan haalt ze de biefstuk en de erwten met wortelen. Ze schept de borden goed vol. Farahilde schrokt alles naar binnen. Ze vult haar bord nog eens en nog eens, tot er maar één patat meer rest. Die prikt ze op haar vork. Daarmee sopt ze de laatste saus uit de vleespan. ‘Is er dessert?’ Moéke geeft haar een potje Saroma-pudding. In een mum van tijd is het leeg. ‘Mag ik nog een koek?’ Terwijl Moéke in de keuken water pompt en een moor op het vuur zet, verorbert Farahilde alle koeken uit het pak. Daarna helpt ze afdrogen. Voor elk kopje of bord dat ze in de kast zet, steekt ze een borstbol uit het blik op het snoepschab er vlak boven in haar mond.   Reusachtige vingers dansen op het plafond. Bij een windvlaag worden ze lang en smal en klauwen ze naar kleine meisjes. Farahilde draait haar hoofd weg. Ze ziet de contouren van Moéke en Luc die in de twijfelaar een paar meter verder slapen. Moéke ronkt. Beneden is er af en toe een gestommel. Dan knijpt Farahilde haar ogen dicht, maar houdt haar oren gespitst tot ze zeker weet dat de geluiden niet haar kant opkomen. Waarom moesten jullie naar dat stomme Parijs, Moeke en Vake? Waarom kon ik niet gewoon thuis blijven slapen? Haar ogen flitsen van de vingers op het plafond naar de slapende hopen naast haar en terug. Ze draait en keert.  Bij nieuw gerommel houdt ze haar adem in. Een streep licht onder de deur. Ze spint zichzelf een cocon. Voetstappen op de trap. De deur draait op een kier. De cocon smelt samen met het bed. Voeten schuiven naar de rand van het bed. ‘Psst, ik ben hier…’ Een geruis vlakbij. ‘Oh,… je slaapt al… Dat is spijtig…’ Het duurt eeuwen tot de voeten terug naar de deur schuifelen. Het hoofd dat bij de voeten hoort,  blijft in de deuropening hangen. Het duurt opnieuw eeuwen tot het verdwijnt en de deur zich sluit. En nog eens eeuwen voor ze haar ogen weer durft open te doen. De wind is gaan liggen. De vingers boven haar zijn stille strepen.   Poing. Pom. Poing. Pom. Uren aan een stuk al klopt Farahilde op de straat voor hun huis met haar raket tegen de tennisbal van haar jokari. De bal kaatst aan het elastiek weg en komt terug. Weg. Terug. Bij elke poing flitst een beeld door haar hoofd, alsof ze naar dia’s kijkt zoals op familiefeesten. Het kleuren van de krantenpagina. Nonkel Marcels grote meisjesspel, waarvan ze wel zeker weet dat ze het nooit plezant zal vinden, ook niet later met haar lief. De plafondvingers die haar die hele nacht wakker hielden. De prijsuitreiking gisterenavond.   Groepjes kinderen lopen rond tussen het speelgoed in de grote Christiaensens-winkel. Hun ouders praten met elkaar, met een drankje in de hand. Farahilde past rolschaatsen als iemand in haar arm knijpt. ‘Kiekeboe!’ Het is Jurgen, die in hun straat woont. Ze kijkt hem met grote ogen aan. ‘Heb jij ook met de wedstrijd meegedaan?’ Jurgen blinkt. ‘Ik denk dat ik hem misschien win.’ Farahilde heft haar schouders. Tussen de rekken spelen ze verstoppertje tot een microstem de laureaten op het podium roept. Ze zet zich naast Jurgen op de achterste rij. Haar ouders staan samen met de andere toeschouwers in een halve cirkel voor hen. Een meneer van de krant praat lang. Daarna komt de baas van Christiaensens aan het woord en dan de burgemeester. Farahilde bijt op haar lip als hij met een envelop zwaait. ‘Hierin zitten de namen van de winnaars.’ Hij opent de envelop. ‘Alle tekeningen waren prachtig, maar één sprong er uit. De winnaar is… Farahilde…’ Ze kijkt naar de grond. Dit kan toch niet? Na… na… heb ik niet meer gekleurd. Nonkel Marcel heeft de prent afgewerkt. ‘… lucht … levensecht.’ Ze hoort het nauwelijks. Jurgen stoot haar aan. ‘Je moet naar voor gaan.’ Ze strompelt het podium af. De baard van de krantenman prikt als hij haar het gewonnen boekenpakket met drie kussen overhandigt. Ze moet op de foto en vergeet te lachen. Ze krijgt looza en morst op haar kleed. Als iedereen al lang weg is, laten haar ouders hun glas nog eens bijvullen. Aan een tafel waarop nootjes staan, bladert ze in haar nieuwe boeken. Ze grabbelt de laatste nootjes uit de schaal. Als ze eindelijk naar huis gaan, klemt ze de boeken stevig onder haar arm.   Poing. Pom. Poing. Pom.  Plots staat iemand onder de plataan op het plein vlak naast Farahilde. Als Farahilde haar aankijkt, waggelt ze op haar korte benen naar haar toe. Haar petieterige armen zwieren hevig heen en weer. Gretige ogen en een hemelsbrede lach vullen haar te grote gezicht. ‘Wat doe je? Wie ben je? Waar woon je?’ De vragen spatten als zeepbellen uit haar mond. Voor Farahilde kan antwoorden, gaat het verder: ‘Je hebt me nog nooit gezien, he. Ik ben Sonja, het nichtje van Koen van achter de hoek. Ik logeer hier twee weken. Mag ik meespelen?’ Farahilde steekt de tennisraket naar haar uit. Ze toont hoe je die moet vasthouden en hoe je tegen de bal slaagt. De raket is echter te groot en te zwaar voor Sonja. ‘Die weegt zoveel als een koe!’ Ze kletst met haar handen op haar dijen, stampt met haar voeten op de grond. Farahilde haalt haar autoped. Maar ook daarbij kan Sonja amper met haar handen aan het stuur. Bovendien is ze na een halve toer rond het plein al doodmoe. Ze zetten zich neer in het gras. Sonja tatert erop los. Farahilde heeft nog nooit met iemand zoveel gelachen. Als Sonja toch even stilvalt, zegt ze: ‘Ik sta in de krant.’ ‘Een overval gepleegd?’ ‘Nee, een kleurwedstrijd gewonnen.’ ‘Wauw!’ ‘Eigenlijk heb ik zelf niet zoveel gekleurd. Mijn nonkel heeft het grootste deel gedaan.’ ‘Wat heb jij een toffe nonkel!’                                                     Luchtgitaar   Pas als de bel van de Williams door de straat weergalmt, zwaait de garagepoort bij Jurgen open en stormen Yves, Peter, Guy en Jurgen recht op de ijskar af.  Ze drummen Annick en Farahilde, die aan het hinkelen waren en het snelst bij de ijswagen stonden, opzij. ‘Wij hebben de hele dag gerepeteerd. Wij verdienen onze crème het eerst.’ De meisjes draaien met hun ogen. Ze schuiven achter de jongens in de rij aan.  Uit bijna alle huizen komen mensen gelopen die ijs willen kopen. Als het haar beurt is, haalt Farahilde vijf frank voor een chocoladefrisco uit haar broekzak. De volwassenen blijven op het plein praten over de voorbije dag. De kinderen lopen naar de andere kant van de straat. De jongens zetten zich op het betonnen hek van meneer Pannekoek neer. Annick gaat naast hen op de stoep zitten en Farahilde kruipt op de lantaarnpaal. Haar poep past net op de rand waar de iets bredere basis overgaat in een slanke mast. Ze likt aan haar frisco die snel smelt. ‘Spelen we sebiet potteke stamp?’ Peter zucht. ‘Wij hebben de hele dag gerepeteerd, he.’ ‘We moeten trouwens nog enkele nummers kiezen.’ Yves tokkelt op een luchtgitaar.  ‘En beslissen welke kleren we aandoen. Het optreden is volgende week al.’ De jongens drammen door. Farahilde laat zich van de paal zakken en zet zich naast Annick op de grond. Ze knikkert kiezeltjes die in de goot liggen de straat op. Hoeveel plezanter waren de vorige zomervakanties toen de jongens zich niet dag in dag uit in die stomme garage opsloten, maar we koersen organiseerden en rolschaatswedstrijden. Kampen bouwden en sprinkhanen vingen… en samen speelden tot we eigenlijk al lang in ons bed hadden moeten liggen… ‘Jullie moeten de tickets verkopen.’ Ze schrikt op uit haar dromerijen. Tickets verkopen… het is alleszins iets anders dan touwtje springen of met de barbies spelen…   De volgende dag knipt ze bij Annick in de woonkamer rechthoeken uit gekleurd papier. Ze schrijft er ‘OPTREDEN’ en ‘2 frank’ op, en tekent er nog een gitaar bij. Met deze kaarten schuimen ze de omliggende straten af. Een week later hangen de meisjes lichtjes op de in de garage bij Yves. Ze zetten drie rijen stoelen klaar en een tafel aan de zijkant. Annick plaatst er bekertjes met chips op. Farahilde legt er gebakjes bij die ze thuis met Petit Beurres, Smarties en suikerglazuur heeft gemaakt. Ze halen ook flessen cola aan. Voor de garage klappen ze een picknicktafeltje open. Hierop installeren ze de kassa, een eenvoudige schoendoos waar ze het geld instoppen. Als iedereen er is, sluiten ze de poort. In het pikdonker komen de jongens binnen. Ze tokkelen wild op hun gitaar. Keiharde rockmuziek vult de garage. Zodra Yves begint te zingen, knipt Annick het licht aan. Guy’s armen wapperen op en neer,  zodat iedereen gaat rechtstaan. De kinderen dansen voor of zelfs op hun stoel. Farahilde dwingt haar voeten mee te springen. Op het einde zwaaien Peter en Jurgen hun gitaren in de lucht, en gooit Guy zijn drumstokken weg. De vier pakken elkaar stevig vast. Iedereen applaudisseert luid. Alleen Farahilde vindt het juiste klapritme niet. Als het publiek weg is, zeuren de jongens over hoe goed en tof het is geweest. Annick en Farahilde ruimen ondertussen alles op.   Sneller dan anders fietst Farahilde na school naar huis. De garagepoort kan niet vlug genoeg open zijn. Ze zwiert haar fiets tegen de muur en dendert de trap op. Met de livingdeur nog in haar hand juicht ze: ‘Moeke, er is een muziekschool waar je kan leren gitaar spelen zonder eerst zeven jaar notenleer te moeten studeren!’ Ze grist het briefje van Jeugd en Muziek uit haar boekentas en geeft het aan haar moeder. ‘Mag ik dat doen? Toe?’ Natuurlijk mag het. Haar hart maakt een schroefsalto als ze even later de trap naar haar kamer op holt. Ze zal leren gitaar spelen zonder saaie muzieknoten. Als ze dat kan, repeteert ze volgende zomer met de jongens mee.   Op zaterdagmorgen gaat het hele gezin naar de markt. Terwijl hun vader bij de Sels op hen wacht, slenteren Luc, Farahilde en hun moeder langs de kramen.  Met een heleboel zakken in hun handen stappen ze uiteindelijk ook het café binnen. Als het volgens Farahildes moeder hoog tijd is om naar huis te gaan, smeekt haar vader: ‘Nog eentje?’ Staf schuift dan snel de zoveelste pint naar hem toe. Luc en Farahilde krijgen chips en cola. Farahilde speelt nog maar een spelletje op de flipperkast. Haar moeder roert woest met haar lepel in haar koffie rond. Farahilde kiest nog maar een plaatje in de jukebox. In de auto op weg naar huis vliegt haar moeder uit: ‘Hoe moet dat nu met de muziekschool?’ Thuis brult ze zo hard dat het drie huizen verder te horen is. Zonder eten klaar te maken gaat ze in haar bed liggen huilen. Farahilde schuift de koud geworden kip van de markt in de oven. Ze zet water op voor rijst en lost currysauspoeder uit een zakje op in melk. Als het klaar is, slikt ze alles met grote happen weg. Haar moeder komt niet aan tafel.   Haar vader zegt geen woord als hij haar naar de muziekschool brengt. Het is al gebeld als ze de speelplaats op stapt. Ze kan nog net als laatste de klas binnenglippen. Ze ploft neer op de enige lege stoel, die naast Jenny. Jenny trekt haar neus op. ‘Geen kattengejank naast mij, he.’ De meisjes achter hen gniffelen. Farahilde schuift haar stoel zover mogelijk van Jenny weg en kijkt strak voor zich uit. Op het bord heeft de meester vijf lijnen getekend. Erop staan muzieknoten. ‘Si si, la la,’ zingt hij. Hij wijst de noten met een stok aan. De kinderen zingen hem na. Farahilde prevelt de klanken mee. Jenny zucht. Tijdens de speeltijd priemt ze haar vingers in Farahildes rug. ‘Miauw, miauw, miauw!’ krijst ze. De andere kinderen gaan in een kring rond hen staan. ‘Miauw, miauw, miauw!’ apen ze Jenny na. Farahilde trekt zich los. Ze rent de speelplaats over en duwt de eerste de beste deur open. Daarachter is een trap naar beneden. De kinderen volgen tot aan de deur. Ze holt de trap af. Ze hoort de kinderen lachen. Ze loopt door een lange gang. ‘Miauw, miauw, miauw,’ echoot het in haar oor. Een nieuwe deur. Ze stapt de ruimte erachter binnen.  Een geur van schimmel en zweetvoeten overvalt haar. Langs de kant zijn dozen gestapeld. Sommige zijn kapotgebeten. Links staat een oude piano. Farahilde laat zich op de kruk ervoor vallen. Is dit nu die muziekschool zonder noten? Waarom moeten we dan noten zingen? En waarom krijgen we pas volgend jaar een gitaar? Ze legt haar hand op de pianotoetsen. Ze schrikt op als er een doffe toon weerklinkt. Ze schuift de kruk verder van de piano weg. Enkele jaren geleden bevond ze zich op een plek die rook als hier.   ‘I’m singing in the rain, just singing in the rain…’ De muziek is nauwelijks hoorbaar in de kelder, maar Farahilde hoort hem wel, tussen het geroezemoes van de grote meisjes verderop aan de toog, het gejoel van de jongens die tussen en over de bergen kleren die overal verspreid liggen springen, en het herhaaldelijke ‘Stt…’ en ‘Zit stil!’ van de turnjuffen.  Helemaal alleen zit ze op de bank vlak aan het luik naar de zaal, op blote voeten en in een blauw maillot. Op wat brandende spotjes na is het pikdonker. Niemand merkt haar op. Ze bibbert. ‘What a glorious feeling…’ Ze zou boven moeten zijn en mee dansen. Wekenlang heeft ze elke woensdagmiddag geoefend. Ze kent nu alle passen en danst ook in de maat. En ze laat de paraplu, als Wilfried die naar haar gooit, haast nooit meer vallen. In het begin deed ze dat wel. Wilfried lachte haar dan uit. Dat deed hij ook als ze moest tuimelen en zo scheef rolde dat ze tegen hem aanbotste. Maar ondertussen heeft ze veel geoefend thuis in de tuin, en ze weet wel zeker dat ze vandaag recht zou rollen. Alleen die kus onder de paraplu op het allerlaatst, daar had ze nog tegenop gezien. Wilfried lachte dan altijd zo raar. Stiekem had ze liever met Dirk gekust. Maar die danste met Ann. Al weet ze niet wie vandaag met wie danst. Toen ze zich daarnet, toen het bijna hun beurt was, op twee rijen voor de trap naar de zaal moesten klaarzetten, ontdekte de juf dat er een meisje te veel was. ‘Da’s waar ook,’ verzuchtte ze, ‘Marc is ziek.’ Ze duwde alle meisjes een plaats vooruit, tot ze bij Farahilde kwam. Die nam ze bij haar schouder vast en drukte ze neer op de Zweedse bank. ‘Blijf jij maar hier.’ Het luik was opengegaan. De jongens marcheerden de zaal in met hun paraplu’s over hun schouder en de meisjes huppelden er achteraan. Farahilde bleef achter op de bank waar ze nog steeds zit. Piepkleine beestjes, net luizen, tuimelen rond in haar buik. Dat is vervelender dan in haar haren, want in haar buik kan ze niet eens krabben. Ze trekt haar benen op, grijpt haar knieën stevig vast en wiegt zacht heen en weer. Moeke en Vake zitten in de zaal. Vragen zij zich af waar ik nu ben? Ze staat op en slentert naar haar jas die helemaal aan de andere kant van de kelder hangt. Uit de binnenzak diept ze een bonnetje op. Aan de toog steekt ze het in de lucht. Het komt maar net boven de tapkast uit. Het duurt dan ook even voor iemand het ziet. ‘Paprikachips alstublieft.’ Met de chips zet ze zich weer op de bank. Ze opent het zakje. ‘A smile on my face…’ De chips kraakt tussen haar tanden. Hij kruipt in de spleten en holtes in haar mond. Hij smaakt een beetje naar de zweetvoeten waar heel deze kelder naar ruikt. ‘I’m dancing and singing in the rain.’ Als het applaus tot in de kelder doordringt, laat ze de chips nog harder kraken. Het luik gaat open. ‘Ik heb het goed gedaan!’ ‘En ik de paraplu niet laten vallen…’ ‘Dat was plezant!’ ‘Ik heb ons mama gezien!’ ‘Mijn mama zat op de eerste rij!’ ‘Mijn zus en mijn broer ook!’ ‘Mijn zus applaudisseerde het hardst!’ ‘Stt!’, sist de juf, ‘Jullie hebben het heel goed gedaan, maar ze mogen ons boven niet horen.’ Farahilde gooit haar zakje in de vuilbak. Ze neemt een tweede bonnetje uit haar jas en koopt nieuwe chips. En dan nog en nog.   Haar buik grolt. Nu heeft ze geen chips. In haar tas in het klaslokaal zit een pakje Cent Wafers. Pas als ze de bel hoort, komt ze los van de pianokruk. Ze snelt de lange gang opnieuw door. Buiten adem zwaait ze de klasdeur open. Alleen de meester is er nog. Hij fronst zijn gezicht. ‘Gaat het beter nu?’ Ze grabbelt naar haar tas. ‘Je had toch buikpijn?’ ‘Ja… buikpijn… ik zat op het toilet.’ In de auto terug naar huis is alleen het gekraak van het pak koeken nu en dan te horen. Thuis zit haar moeder te lezen alsof er niets is gebeurd. Haar vader pakt een pint. Farahilde neemt haar boek van ‘De vijf’ van het schab en zet zich mee op de bank. Als ze ergens mee begint, moet ze het van haar ouders minstens een jaar volhouden. Dus gaat ze een jaar lang elke week opnieuw naar de muziekschool. De chips en de cola van bij de Sels liggen elke week zwaarder op haar maag. Af en toe ontsnapt ze naar de kelder. Ze leert nooit gitaar spelen.                   De lijst   Mo drukt zich dichter tegen haar aan. Hij legt zijn donkere hand op haar bleke. ‘Il y a du cognac dans ma tente,’ fluistert hij in haar oor. Zij schuift wat van hem weg op de skai bank, wrikt haar hand los en pakt het glas Pisang van het tafeltje. ‘Ik vind de Pisang oké.’ Ze zuigt extra hard aan het rietje. Haar ogen speuren de rokerige ruimte af. Overal staan of zitten groepjes mensen. Ze lachen, praten, flirten, dansen. Zij zijn de enigen die daar maar met twee zitten. Waarom is An niet gewoon meegekomen? Ze doet al heel de vakantie ambetant. Als we niet op Jefke en Marieke moeten passen, komt ze haar tent niet uit. Af en toe naar ’t strand, ja. Maar ik wil ook nog wel eens iets anders zien. Ik ben niet alleen om te babysitten naar hier gekomen. Mo had hààr trouwens uitgevraagd. Op het terras daarstraks was ’t toch gezellig? Maar toen hij van een dancing sprak, was ze ineens moe. En nu zit ik hier alleen met Mo… meer dan twintig kilometer van onze camping vandaan. Hij buigt zich weer naar haar toe. ‘C’est du bon cognac!’ ‘Gaan we dansen?’ Ze staat recht, strijkt haar rok glad en strekt haar arm naar hem uit. Hij drukt zijn sigaret uit in de asbak, staat ook op, maar negeert haar hand. Ze loopt naar de dansvloer. Hij beent naar de uitgang. Als ze voelt dat hij haar niet is gevolgd, draait ze zich om en ziet hem nog net naar buiten stappen. ‘Mo,’ vormen haar lippen en dan valt alles een seconde stil. Eén seconde maar, want meteen lijkt het alsof iets haar opwindt en danst ze als een ballerina in een doosje rond. Papa Chico you’re the sun… Nog voor het eind van het nummer valt de ballerina stil. Ze keert terug naar het tafeltje, pakt de Pisang en giet hem in een teug naar binnen. Dan laat ze zich op de bank zakken, maar veert haast meteen weer recht. Ze loopt naar de bar. ‘Pisang Ambon, s’il-vous-plaît.’ Met het nieuwe glas in haar handen leunt ze tegen de toog.  Haar blik dwaalt naar de ingang. Telkens als de deur opengaat, hoopt ze dat er een zwarte binnenkomt.  Maar Mo laat zich niet meer zien. Ze kijkt almaar vaker naar de dansvloer waar vrolijke mensen swingen. Als ik hier met een vriendin was, zou ik nogal uit de bol gaan.  …seems like yesterday not far away, this is where I long to be… la Isla Bonita… Zacht lipt ze met Madonna mee. Voorzichtig bewegen ook haar heupen. Je bent hier nu, zegt ze tegen zichzelf, amuseer je! Een blonde jongen bestelt vlak naast haar tien pinten. Als hij met het grootste deel ervan naar zijn vrienden stapt, botst hij met zijn ellenboog tegen haar borst. ‘Excusez-moi!’ Zijn grote blauwe ogen schitteren. Als hij terugkomt om de rest op te halen, vraagt hij: ‘Tu es toute seule içi?’ ‘Oui… Depuis quinze minutes…’ ‘Raconte.’ ‘Dat is een te lang verhaal,’ wimpelt ze hem af. Hij troont haar mee naar zijn kameraden. ‘Je vous propose…’ ‘Farahilde.’ ‘Farrahilde,’ herhaalt hij met een ‘r’ die ze nog nooit zo schattig heeft horen rollen. Daartegenover komt de ‘r’ van Patrice, zijn naam, maar zuinigjes uit haar mond. De vrienden schuiven wat op en zo kan ze half op Patrices schoot net mee op de bank. De jongens drinken de ene pint na de andere. Zij houdt het bij haar Pisang. Ze lacht uitbundig om hun grappen, al begrijpt ze die maar half. Als ze op de klanken van Bon Jovi opspringt, volgen Patrice en de anderen haar naar de dansvloer. Ze hotsen van hier naar ginder, zwaaien met hun armen in de lucht. Take my hand and we’ll make it, I swear. Oooohhh… livin’ on a prayer… Bij de bamba kiest Patrice haar zoveel mogelijk uit. Hij moet snel zijn, want zijn fameuze vrienden proberen haar van hem af te snoepen. Eerst zoenen ze nog op de wang, dan drukken ze hun lippen zacht opeen. Tijdens de slow die erop volgt glippen hun tongen elkaars mond binnen. Ze zetten zich weer op de bank, zij helemaal op zijn schoot nu. Patrices vrienden laten hen met rust. De discotheek loopt langzaam leeg. Ook de vrienden zoeken een voor een hun slaapzak op. Ze vertelt Patrice nu toch hoe ze hier alleen is terechtgekomen. ‘Waar logeer je eigenlijk?’ ‘Op een camping in Lacanau-Océan.’ Zijn ogen worden nog groter als hij hoort hoe ver weg dat is. Hij streelt haar haren. ‘Ik zorg wel dat je er geraakt.’ Ze gaan naar buiten. Hij vraagt haar bij de uitgang te wachten. Net als ze denkt dat hij haar ook laat stikken, rijdt hij een 2PK’tje met open dak voor. ‘Sorry, ik moest onderhandelen met Maxime, dit is zijn auto.’ Patrice heeft geen idee waar Lacanau ligt. Zij wijst de weg waarlangs ze denkt dat ze met Mo is gekomen. Hij loopt langs de kust. Bij een duinbosje vertraagt de auto. ‘Is het goed als we hier even stoppen?’ Ze knikt. Patrice parkeert de wagen zoveel mogelijk achter de bomen. Zodra de motor stil ligt, verdwijnt zijn hand onder haar bloes en de hare in zijn broek. Als hij na een poos een condoom tevoorschijn haalt, wringt ze zich los uit zijn armen. Hij is verrast. ‘Toch niet zo vlug,’ stamelt ze, ‘Ik heb het nog nooit gedaan…’ Zijn ogen worden iets doffer. Hij steekt het condoom weer weg. Op hun rug liggen ze naast elkaar in de wagen. Alleen de haartjes op hun handen raken elkaar nog. Ontelbare sterren zijn getuige van hun ongemakkelijk liggen en zwijgen. Als het te fris wordt, rolt Patrice het dak dicht en rijden ze verder. Farahilde merkt haast meteen een wegwijzer naar de camping op. Blijkbaar waren ze de hele tijd al vlak in de buurt. De Renault draait de parking op. Hun lippen zoeken elkaar weer. ‘Vind je de weg terug in het donker wel? Anders,’ Farahilde aarzelt,’ kan je blijven slapen.’ ‘Vindt je vriendin dat goed?’ ‘Ze moet wel. Het is allemaal haar schuld.’ Ze verheft haar stem. Samen wandelen ze naar de tent. Als Farahilde het zeildoek openritst, schrikt An wakker. ‘Weet je wel hoe laat het is?’ ‘Weet je wel dat Mo me zomaar heeft achtergelaten? Wees blij dat je me nog levend ziet.’ Ze wijst naar Patrice. ‘Hij blijft hier slapen.’ An springt overeind. Voor ze iets kan zeggen sleept Farahilde haar luchtmatras naar de voortent. ‘Er is niet veel plaats,’ gebaart ze naar Patrice. Hij glimlacht. Met hun kleren aan vallen ze te dicht bij elkaar in slaap.   Als ze ook na haar tweede brief geen post uit Lyon ontvangt, weet Farahilde dat haar Franse romance voorbij is. ‘Patrice,’ schrijft ze onderaan de lijst op de laatste bladzijde in haar dagboek. Ze voelt zich een stuk speelgoed dat voor de zoveelste keer achteloos is weggegooid. Eén naam ontbreekt op haar lijst. Of liever: hij ontbreekt niet.   ‘Stoppen we om te eten?’ roept Dirk. ‘Is over tien minuutjes goed?’ Farahilde veegt het zweet van haar voorhoofd. ‘Ik heb nog een beetje mortel dat ik eerst op wil werken.’ Ze schept wat voegspecie uit de kom en strijkt het met haar ijzer tussen de bakstenen. Het teveel aan mortel schraapt ze weg. Dirk kijkt over haar schouder. ‘We dekken de tafel al ondertussen.’ Met enkele vrijwilligers verbouwen ze de kleedkamer van de turnkring. Vera en zij zijn de enige meisjes.  Normaal is ze niet zo’n doe-het-zelver, maar om bij Dirk in de buurt te zijn doet ze al wat meer. Terwijl zij aan haar muur verder werkt, zetten de anderen zich aan de tafel op de koer. Farahilde hoort hen schaterlachen. Ze smijt de specie wat onstuimiger in de voegen. Ze krabt de resten ook niet meer zo zorgvuldig weg. Als ze bij de tafel komt, hebben de anderen al een halve schaal  koffiekoeken naar binnen gespeeld. Ze pakt een stoel en schuift aan vlak naast Dirk. Als ze zich naar de koeken uitstrekt, wrijft haar heup tegen de zijne.  Ze slaat haar ogen neer. Onder de tafel raken hun knieën elkaar. Dirk trekt zijn knie niet weg. ‘Als we goed verder werken, zijn we morgenavond klaar.’ ‘Dat moeten we vieren!’ zegt Vera. ‘Zaterdag zijn mijn ouders niet thuis. Komen jullie dan naar ons?’ De jongens storten zich weer op hun karweien. Vera ruimt de tafel af. Farahilde blijft zitten met de koffiekoeken die over zijn voor haar. Pas als de laatste op is, slentert ze terug naar haar muur. De klodders mortel die ze daarnet niet goed heeft afgeveegd zijn hard geworden. Met een beitel klopt ze de stukken weg. Dan helpt Dirk haar nieuwe mortel maken. Ze snuift zijn zweetgeur op. Het is de heerlijkste zweetgeur ooit.   Die zaterdag is ze als eerste bij Vera. Terwijl Vera iets anders aantrekt, maakt ze kaasprikkers en schikt ze bloemkoolroosjes en wortelstaafjes in een schaal. Ik kan niet wachten tot Dirk er is. ’t Was zo plezant deze week. Ik denk dat hij me nu eindelijk wel zal willen. Hij is met alle andere meisjes van de turnkring al mee geweest. Alleen niet met Hilde. Maar ja, wie wil nu met Hilde? Vanavond wordt onze avond. Ik hoop maar dat hij mijn legging mooi vindt en mijn nieuwe schoenen. Telkens als de bel gaat, kijkt ze vol verwachting naar de deur, alsof ze een kind is op Sinterklaasavond. Maar telkens is het Dirk niet. Het is niet zijn gewoonte zo laat te komen. Hij zal toch niks voorgehad hebben. De anderen lijken zich geen zorgen te maken. Ze babbelen en lachen en drinken en smullen van de hapjes. Farahilde zuigt zuinig op haar rietje. Pas rond half tien rinkelt de bel opnieuw. Hij is er eindelijk. Samen met hem stapt een meisje met lange bruine haren en fonkelende blauwe ogen de living binnen. Ze lacht Farahilde breed toe.   Farahilde begrijpt niet dat ze jaren geleden zo naïef kon zijn. Ze begrijpt niet dat ze nog steeds zo naïef is. De naam die op de lijst ontbreekt of net niet. Hoopt ze nu nog altijd dat ze iets met Dirk krijgt? Ze turnt zelf niet meer, gaat ook niet meer met de mensen van de turnkring uit. Ze ziet hem alleen nog af en toe op een vergadering.  Ze leest alle namen. Waarom houdt ze hier eigenlijk een lijst van bij? Ze neemt de bladzijde tussen twee vingers en scheurt ze uit het dagboek. Dan versnippert ze ze in honderden stukjes. Ze wil niet langer speelgoed zijn.   ‘Hoe was je vakantie?’ vraagt Walter als ze samen in de Tom Tom Club op hun vrienden wachten. ‘Ging wel.’ Farahilde trekt een grimas. ‘Alleen deed An ambetant. Ze had nergens goesting in.’ ‘Ik heb ervan gehoord.’ Hij lacht. ‘Maar er was wel een koene ridder die je van een verkrachting redde.’ ‘Dat klopt niet helemaal,’ wuift ze zijn woorden weg. ‘Het is trouwens al voorbij. Ik hoor niks meer van hem. Ik heb het nu wel gehad met relaties. Altijd dat verdriet als ze je laten stikken…’ Walter kijkt verbaasd. ‘Echt, ik heb niemand meer nodig. Ik voel me goed alleen.’ ‘Daar zullen we dan maar ene op drinken.’ Hij loopt naar de toog en komt terug met twee pintjes.               & 23 november 1918   Soms laat ik me ophitsen door het geroep van de mensen langs de kant van de weg en dan marcheer ik met opgeheven hoofd en mijn borst vooruit door de dorpen. Maar als ik ook maar even terugdenk aan die ene nacht krimp ik vanbinnen helemaal ineen en zou ik het liefst onder de kasseien willen verdwijnen. De mannen brengen de avond in een kroeg door. Ik ben het rumoer ontvlucht en zit beschut onder de wortels van een omvergeschoten boom. Het miezert. De regendruppels vallen niet dik genoeg om het vuur dat ik heb gemaakt te doven. Op amper een uur en half lopen hiervandaan staat het huis van mijn lieve ouders, die ik vier jaar niet meer heb gezien. Als we veel vooruitgang maakten, droomde ik regelmatig van de dag dat ik weer op de drempel van hun woonstede zou staan. Mijn vader, oude krijger van 1870, met tranen van fierheid in zijn ogen. Mijn moeder met haar armen rond mijn hals zonder iets te kunnen zeggen, blijdschapstranen op haar wangen. De andere mannen zoeken hun familie op als we op loopafstand van de plek waar ze geboren zijn passeren. Maar ik kan het niet. Ik mag het niet. Ik haal mijn carnet uit mijn zak en blader door mijn aantekeningen.   … Koude voeten? … Dan nam ik een muziekje en speelde dat men leute had. Al de oude straatdeuntjes kwamen voor de pinnen en rap was onze tent in een danszaal herschapen. Men draaide en danste en zo had men geen koude voeten meer…   Ik had mijn voeten die avond in een deken gerold, herinner ik me. Hij moest daar zo hard om lachen.  ‘Ik bibber, ik bibber! Ik ben een oude grotemoe. Ik bibber!’ Toen ik dat muziekje aan mijn mond zette, was hij als eerste recht gesprongen.   …In de loop van de dag mag men zich niet tonen, dus moet men zijn plan trekken als men zijn behoefte moet doen. Hij kruipt toch naar buiten. Hij hief zijn hoofd nauwelijks boven de tranchée. Dadelijk floot er een dum-dum kogel naast  zijn oor. Ziehier wat ik deed: ik trok een zakje onder mij en… de mitrailleuse werkte!!...   Hij had toen geluk gehad. Maar waarom? Al wat ik lees gaat over hem alsof deze hele rotoorlog alleen uit hem bestaat. Ik steek de ene sigaret met de andere aan.   …Patrouilleurs zijn tot in onze abri geweest. Hoe de voorpost die heeft laten doorgaan weten wij niet… De verkenners waren viervoetig met een lange staart. In zijn musette hadden ze een schietgat geboord en daarna een half brood binnengespeeld…   Dan kom ik bij mijn nota’s over die nacht. Mijn maag draait om. Ik smijt mijn half opgerookte sigaret in het vuur.  De patatten die ik vanmiddag gegeten heb komen eruit. Ik scheur de bladzijden met deze gebeurtenissen uit het carnet en smijt ze achter de sigaret aan. De vlammen laaien hoog op. Ik wil naar huis. Naar mijn moeder. Naar mijn vader. Ik kan het niet. Ik mag het niet.                         h Dozen   De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog rondslingerende paperassen. Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze liefst zo hoog mogelijk klom. Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen toch niet meer bewegen.  Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen. Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af. Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dit huis past haar niet. Het heeft ook nooit gepast. Ze ploft in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu.   Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht. Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’ Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt. ‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant. Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc heeft zijn vuisten gebald. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats. Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.   Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’ Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt. De laatste keer. De laatste keer dat ik hier kom. Zou Ronny in zijn garage zijn? De poort staat open, het licht brandt… niemand te zien… Hij zal ze ook missen. Nu zitten ze daar in die stomme dure serviceflat. Tussen de bomen waar ze hun hele leven van gedroomd hebben. Ze zien geeneens bomen langs hun kant. Nu moet ons vader daar sterven waar hij niemand kent. Sterven… het woord dat niet uitgesproken mag worden. Ik wil afronden, maar hoe kan dat als iedereen doet alsof het allemaal gewoon doorgaat? Ik wil dingen vragen. Over vroeger. Over het begin. Hoe was het toen ik er plots aankwam? Hebben ze abortus overwogen? Waren ze zoveel weg omdat ze nooit jong hadden kunnen zijn? Geven ze mij daar de schuld van? Als we over zijn dood konden praten, zou dat misschien ook lukken over het begin. Maar nee, potjes toe, doen alsof alles goed gaat. Hij leeft nog jaaaaren…   Haar handen zijn klam als ze de oprit voor haar eigen huis oprijdt. Walter neemt de boeken van haar over. Binnen legt hij ze op tafel naast de rommel die er als onkruid groeit. ‘Het was een zware dag, he.’ Hij slaat zijn armen om haar heen. Ze drukt haar hoofd tegen zijn borstkas. ‘Johannes was weer aan het gamen toen ik thuiskwam. Ik hoop dat hij ook wat gestudeerd heeft vandaag.’ ‘Waarom moet dit ook allemaal zo vlak voor de examens gebeuren?’ Ze schenkt zich een glas water in en neemt wortelen, paprika’s, courgetten en paddenstoelen uit de koelkast. Ze bereidt iets met veel vitaminen. Dat geeft hem misschien de nodige energie voor achter zijn studieboeken. Voor ze de groenten fijnhakt, pakt ze een reep biochocolade. Tijdens het snijden steekt ze er regelmatig een brok van in haar mond tot ze helemaal op is. Dan valt ze aan op de biokaas. Hoe stom ben ik? Dure en gezonde producten kopen en ze dan zonder smaak opschrokken? Maar het is me ook allemaal te veel. Kon ik de klok maar terugdraaien. Tot voor dat stomme feest drie weken geleden. Tot voor hun grote nieuws. En voor ze ons zouden vragen borg te staan. Hoe hadden ze het lef? En dan nog kwaad zijn, omdat we dat niet wilden. Na al wat zij voor ons gedaan hadden. Wat hebben ze dan gedaan misschien? Op Johannes gepast. Ja, ze hebben veel op Johannes gepast, dat vonden ze plezant. Ook alleen maar als het hen uitkwam, he. Met de trouw van Annelies hebben ze ons schoon laten stikken. Ze hadden het beloofd. We hadden al toegezegd. En toen konden we hem naar oma brengen die nog een papfles wilde klaarmaken. Hij was al tien. En verder? Bij onze bouw? In ons huis? Met mijn rugoperatie? Het was zelfs te veel om een paar weken voor ons te strijken. Dat kon niet met haar schouder. Ocharme. Ze kwamen me wel alle dagen bezoeken.  En ze brachten rotte druiven mee. Zot werd ik ervan. En onze Luc nu maar de engel spelen. Hij regelde de verhuis. Hij zorgt voor een housewarming. En hij blijft rustig bij die vraag om geld. Ik ben de slechte. De geldwolf. De duivel. ‘Laat het los!’ zegt Walter als ze er na de spaghetti weer over begint. Ze vult de vaatwasmachine en laat haar gedachten dwalen naar toen ze zelf pas waren verhuisd.   Een ijzingwekkende gil weergalmt door hun nog bijna lege huis als Farahilde de kreeft in het kokendhete water onderdompelt. Meteen daarop rinkelt de telefoon. ‘Alles oké?’ vraagt Walter als hij haar schorre stem hoort. ‘Ik heb net een moord gepleegd, verder alles oké!’ ‘De kreeft?’ ‘Het beest hield zich koest, maar ik denk dat de buren mij konden horen. Ik maak nooit nog kreeft!’ ‘Als het maar lekker is,’ lacht Walter, ‘Ik zal over een uur thuis zijn.’ Farahilde werkt de kreeftensla af. Daarna trekt ze zich terug in de badkamer onder een wolk schuim. Toen ze het huurcontract van hun rijtjeswoning opzegden, hadden ze over het hoofd gezien dat ze de vloerverwarming in hun nieuwe huis niet meteen mochten opstarten. Dat mocht pas een maand nadat de tegels waren gelegd. Overmorgen is het zover. Ondertussen wonen ze in de keuken waar ze het met bijzetkacheltjes warm proberen te krijgen. Maar de thermometer wijst amper zestien graden aan. Gelukkig kunnen ze af en toe naar de badkamer vluchten. Een extra radiator verspreidt daar wel een zalige warmte. Ze wrijft zich met een zachte handdoek droog. Haar huid gloeit. Dan smeert ze haar hele lijf in met lichaamsmelk en brengt ze make-up aan. Ze kiest haar frivoolste lingerie uit, trekt er een strakke jeans over en wel drie truien. Een bloemensjaaltje en grote parelmoeren oorbellen zorgen voor de finishing touch. Ze voelt zich een eskimo in feestkledij, maar ze mag gezien worden. Uit een kartonnen doos, diept ze hun trouwservies op en schikt het op de keukentafel. Naar de wijnglazen moet ze lang zoeken. Ze werkt de tafel af met papieren servetten vol harten en theelichtjes. Als ze het laatste kaarsje aansteekt, draait de achterdeur open en staat haar liefste daar met een grote bos rode rozen. Hij kust haar in haar nek.  ‘Fijne Valentijn!’ Terwijl hij snel een douche neemt, en zijn maatpak wisselt voor een warme fleece, legt ze de laatste hand aan de aperitiefhapjes. Walter zet Vaya con Dios op en ontkurkt de champagne. Farahilde tovert het ene exquise gerecht na het andere op tafel. ‘Dat verdient hier een Michelinster,’ paait Walter haar. ‘Als je niet naar de vuile afwas op het aanrecht kijkt’. Naarmate er meer wijn vloeit, vergeten ze de kilte in huis, en kunnen de kale witte muren, de vele dozen die nog moeten uitgepakt worden en al wat ze nog moeten afwerken hen niet meer deren. Als Farahilde de ‘flensjes  Cupido’ opdient en ze er de laatste fles voor vanavond bij kraken, kruipen ze dichter bij elkaar. Even later verdwijnen ze naar boven. Onder de dikke dons pellen ze langzaam hun vele lagen kleren af. Eerst knuffelen ze kalmpjes. Algauw wordt hun bed een vulkanisch landschap met wel erg veel geothermische activiteit. Uiteindelijk dommelen ze in mekaars armen in.   Vanavond is er geen vulkaanuitbarsting.             Benevelde velden   Haar vader zit met zijn ogen gesloten in de relaxzetel bij het raam.  De vingers van zijn linkerhand liggen dichtgevouwen op zijn buik, zijn duim gestrekt erbovenop. Al weken houdt hij zijn hand zo. Op het tafeltje naast hem staat een tas koffie. ‘Hij heeft soep met een boterham gegeten,’ zegt haar moeder, ‘Maar de korsten krijgt hij niet meer binnen.’ Ze staat aan de eettafel en propt papieren in haar handtas. ‘Ik hoop dat hij nog wat drinkt.’ Farahilde loopt haar voorbij. ‘Ik zal het hem vragen.’ Ze buigt zich naar haar vader toe en drukt een zoen op zijn koude wang. Hij slaat zijn ogen naar haar op. Haar moeder neemt haar jas. ‘Hij heeft bijna de hele voormiddag geslapen.’ ‘Dan zal hij nu wel uitgerust zijn. Dan kunnen we goed babbelen, he, Va.’ Haar moeder staat al in de deuropening. ‘Ik moet naar de notaris. Het kan dus zijn dat ik lang wegblijf.’ Ze trekt de deur toe. Farahilde doet haar jas uit en zet zich op de sofa vlak naast haar vader. ‘Heb je dorst?’ ‘Nee. Maar ik zal maar drinken of ze wordt kwaad. Ze is altijd kwaad tegenwoordig.’ Zijn hand graait naar de tas. Farahilde houdt ze voor hem vast en brengt ze naar zijn lippen. Hij nipt eraan. ‘ ’t Smaakt niet. Niks smaakt nog.’ ‘Amai, en gij die zo graag gegeten hebt. Dat moet erg zijn.’ Hij duwt de tas weg. … ’t Is schoon weer, he?’ Hij probeert zich naar het raam te draaien. Zijn gezicht vertrekt. ‘Ik zie er niet veel van.’ … ‘Is er nog bezoek geweest?’ ‘Ja, Greet met haar hond. Hoe heet die weer?’ ‘Jules.’ ‘Ja, Jules, maar die is niet binnen geweest.’ … Hij hangt half uit de zetel. Zijn gezicht vertoont een grijns. ‘Zit je nog wel goed?’ Ze gaat naast hem staan en probeert hem rechter te zetten. Hoe ze ook sleurt, het lukt haar niet hem in een comfortabele houding te brengen. … Zijn ogen vallen telkens opnieuw dicht. De dingen die nog gezegd moeten worden, maken de lucht rondom hen zwaar als beton. Haar hersenen kronkelen tegen lichtsnelheid om een manier te verzinnen om ze uitgesproken te krijgen. Uiteindelijk waagt ze het erop. ‘Heb je er nooit aan gedacht je levensverhaal op te schrijven?’ ‘Gedacht wel. Maar ik zou niet weten hoe ik moet beginnen.’ ‘Waarom heb je het niet aan mij gevraagd?’ ‘Je weet niet hoe moeilijk dat is, zeker, al wat je uitgestoken hebt aan je eigen dochter vertellen?’ ‘Er zijn toch ook goede dingen?’ ‘Ach...’ ‘Ik heb anders wel vragen.’ Hij spert zijn ogen wijd open. ‘Ge zijt kwaad op nonkel Marcel. Waarom?’ ‘Nonkel Marcel is dood. Daar moeten we niet meer over praten.’ ‘Maar ik wil het wel weten.’ Hij zucht. ‘Hij heeft mijn ouders heel veel verdriet gedaan. Meer zeg ik niet.’ Zelf heeft ze ook wel iets over nonkel Marcel te vertellen. Maar kan ze hem dat in zijn laatste weken nog aandoen? Dan wordt hij nog kwader. Moet hij daar nu nog zijn energie in steken? Ze twijfelt, maar zwijgt ook. … ‘Hoe heb je ons moeder leren kennen?’ ‘Mijn vriend was zot van haar vriendin. Toen we hen op de bus naar Mechelen zagen zitten, zijn we ze achternagelopen. Tussen mijn vriend en die vriendin is het nooit iets geworden. Maar tussen mij en haar dus wel.’ ‘Kende je haar al lang toen ze zwanger werd?’ Hij denkt diep na. ‘Een half jaar ofzo.’ ‘Hoe kwam dat dan?’ ‘Ik wilde ook eens iets doen. Ik wist niet dat je daar kinderen van kon krijgen.’ Farahildes mond valt open. Waren ze in de jaren zestig nog zo achterlijk? ‘Heb je dan geen abortus willen laten doen?’ ‘Nee.’ Voor het eerst deze namiddag klinkt hij vastberaden. ‘Nooit.’ Het dubbele kan de leugen niet verbergen. Tegen beter weten in vraagt Farahilde: ‘Heb je dan geen spijt?’ ‘Nee. Helemaal niet.’ Hij wijst naar zijn koffie. ‘Die is koud geworden.’ ‘Geeft niet.’ Farahilde houdt de tas tegen zijn mond. Hij slurpt ze helemaal leeg. Daarna valt hij in slaap. Ze bekijkt hem van top tot teen. Zijn huid is vaal alsof er een laag was over ligt. Wat zou hij echt gedacht hebben toen hij onverwachts vader werd? Zij heeft haar kind bewust gewild. Ze was ervan overtuigd dat ze het allemaal ook veel beter dan haar ouders zou doen.   ‘Weet dat je wordt bemind en gesteund op deze reis,’ fluistert Farahilde tegen het kind dat Walter in haar armen legt. Ze drukt hem dicht tegen haar borst, streelt zijn bolle wangen en de haartjes op zijn hoofd, en glimlacht. ‘Welkom, Johannes!’ Nu pas valt het mistdeken, dat haar de voorbije uren omwikkelde, af en beseft ze dat dit kind het hare is. Dat zij hem op de wereld heeft gezet en de rest van haar dagen voor hem zal zorgen.   Rond half zes wordt ze wakker door een immense plas water die uit haar vagina gutst. Ze stoot Walter aan. ‘Lap, het is van dat!’ Het duurt even voor hij zijn ogen open krijgt. Dan springt hij uit bed en haalt meteen het beddengoed af. Terwijl zij onder de douche staat, dweilt hij de slaapkamer. Ze nemen de koffer die ze pas gisterenavond heeft klaargezet en rijden langs benevelde velden en lege straten naar het ziekenhuis. ‘Goeiemorgen. Mijn water is gebroken,’ zegt ze tegen de receptionist. ‘Ik heb gebeld,’ vult Walter aan, ‘Het is voor een keizersnede.’ ‘Waarschijnlijk toch. Eergisteren lag ons kindje nog dwars. Ik heb hem nog voelen bewegen, maar of hij genoeg gedraaid is om gewoon te kunnen bevallen…’ ‘Wacht hier even. De verpleegster haalt jullie zo meteen op.’ Een vrouw in een wit pak brengt hen naar de verloskamer. Farahilde krijgt een riem om haar bolle buik. Zodra die met de monitor verbonden is, zien ze hun kind op het scherm. ‘Het hartje klopt normaal,’ stelt de verpleegster hen gerust. ‘Er is ook nog voldoende vocht in de vruchtzak. Maar ik denk niet dat hij gedraaid is. De dokter zal straks uitsluitsel geven. Zij is nog niet aanwezig. Heb je weeën?’ Farahilde schudt haar hoofd. Dan valt de blik van de verpleegster op Farahildes handen. ‘Jij hebt rode nagels! We moeten de huidskleur onder je nagels kunnen zien.’ Ze loopt weg en komt terug met een pot aceton en een pak watten. Terwijl ze op de gynaecoloog wachten, verwijdert Farahilde het rode kleurtje. De baby ligt inderdaad nog steeds dwars. Farahilde wordt naar de operatiezaal gereden. Walter loopt er achteraan. Eerst moet ze op haar zij gaan liggen en krijgt ze een spuit in haar rug. Dan zetten ze een hoge tafel met een groen tafellaken over haar buik. Die beneemt haar alle zicht. Walter houdt haar hand stevig vast. Plots komt een straal pipi boven de tafel uit. De dokter en haar assistent lachen. ‘Proficiat, mevrouw!’ Een verpleegster toont een kind in een doek. Farahilde strijkt met een vinger langs zijn gezichtje. Dan is de verpleegster alweer weg. ‘Kom maar mee, papa!’ Walter volgt haar tot achter een glazen wand. ‘Drie kilo honderdnegentig,’ roept iemand, ‘achtenveertig centimeter, apgarscore tien-tien-tien.’ ‘We gaan al naar de kamer,’ komt Walter zeggen. Hij zoent Farahilde. Een vertwijfelde blik. ‘Tot gauw.’ De dokters trekken en duwen aan en in haar buik. Dan rollen ze haar de recoveryroom in. Naast haar staan twee bedden met slapende mensen. Voor haar hangt een klok met wijzers die abnormaal traag tikken. Ze probeert ze met haar ogen te verschuiven. Pas na uren brengt een verpleegster haar naar de kamer waar Walter met de baby op haar wacht.   Ze drukt het kind nog dichter naar zich toe. Walter kruipt tegen haar aan. Hij schuift zijn vinger in het vuistje van de baby. Zo zitten ze daar een hele tijd met drie in één cocon. Een verpleegster verstoort de stilte. ‘Heb je de baby al aangelegd?’ ‘Hij slaapt.’ ‘Hij moet toch eten. Hoe sneller je hem aanlegt, hoe beter voor de melkproductie.’ Walter verhuist naar de stoel aan het raam. De verpleegster maakt het operatieschort los en trekt het naar beneden. Ze verschuift het kind zodat zijn lippen de moedertepel raken. Er gebeurt niets. De verpleegster neemt de borst in haar handen en duwt ze in de kindermond. ‘Ondersteun ze zelf met je vrije hand.’ Zacht tikt ze enkele keren tegen de wang van de baby. De jongen sabbelt even. Haast meteen valt hij weer in slaap. ‘Blijf tikjes geven,’ spoort ze Farahilde aan. ‘Als hij een beetje heeft gedronken, probeer je de andere borst.’ Ze verlaat de kamer. Johannes dommelt meteen weer in. Farahilde probeert hem met tikjes te wekken.  Ze duwt haar tepel naar zijn mond toe. Walter komt weer dichterbij zitten. Als hij over de wang van de jongen wrijft, tuit die even zijn lippen. Veel melk krijgt hij echter niet binnen. Na een poosje proberen ze de andere kant. Ze krijgen het kind niet goed gelegd en hij vindt de tepel niet. ‘Ik kan het niet,’ zucht Farahilde. Uiteindelijk bellen ze om hulp. De verpleegster legt een kussen onder Farahildes arm. Enkele tikjes op de wang en de baby zuigt. De verpleegster lacht. ‘Maak je geen zorgen. Als hij niet genoeg drinkt, geven we hem straks wel suikerwater.’ Farahilde trekt grote ogen. Ze hoort de moor fluiten en de lepel, waarmee Moéke de suiker onder het kokende water roerde, in het glas rinkelen. Speeksel vormt zich net als toen in haar mond. Het was lang wachten tot het water weer wat afgekoeld was en haar mierzoete troost kon brengen. Een voorrecht dat je alleen ten deel viel als je ziek was. Haar kersverse kind is niet ziek. Hij is moe. En zijzelf is te stom om hem te kunnen voeden. ‘Dat wil ik niet,’ zegt ze. De verpleegster heeft de deurklink al vast. Ze fronst haar voorhoofd. ‘Hij heeft toch iets nodig om aan te sterken.’ Om beurten duwen Farahilde en Walter de tepel tussen de lippen van de jongen. Na een poos neemt Walter zijn zoon over en legt hem in het plexiglazen bedje naast het raam.  ‘We proberen het straks wel opnieuw. Hij is te moe nu.’ ‘Ik wil niet dat hij met suiker groot wordt.’ Wat later verschijnt het hoofd van de verpleegster in de deuropening. ‘Is het gelukt?’ ‘Ja!’ knikken Farahilde en Walter gelijktijdig.   Haar vader kreunt. Ze probeert hem weer gemakkelijker te zetten. Hij houdt zijn ogen gesloten. Jij gaf Johannes wel suiker. Maar ook verhalen en fantasie. En jullie moesten altijd zo hard lachen samen. Je hebt hem meer gegeven dan ik zelf had gekund. Ze legt haar hand op de zijne. ‘Je was de beste grootvader die we ons maar hadden kunnen dromen.’                                           & 14 december 1964   Amai, wat ben ik moe van dat kort stukske van ’t Rerum tot hier! Gelukkig heeft de onderpastoor aan de doeken gedacht. Zo moet ik niet meer rondhossen om ze op tijd in de zaal te krijgen. Ik schenk een tas koffie uit en zak neer in mijn zetel. De Vrouwengilde zal content zijn met het toneeltje dat ik morgen opvoer op hun feest. Ik steek een sigaret aan. Tiens, ze smaakt me niet. Dat is ook de eerste keer. Ik druk ze weer uit. Mijn borst doet zeer. ’t Is alsof het schuldgevoel dat ik al zo lang meesleur er tien keer zo hard op drukt als anders. Geen mens die daar een gedacht van heeft. Mijn moeder zaliger, ja, die voelde dat er iets was. Iets anders dan de gruwelen die alle soldaten aan het front hebben meegemaakt. Ze was ambetant omdat ik niet wilde zeggen wat er scheelde. Maar wat had ik kunnen zeggen? Ze had het toch niet kunnen begrijpen. Kan ooit iemand het begrijpen? Zal ooit iemand snappen dat ik niet ben wie de mensen zeggen dat ik ben? De jongeman die missionaris zou worden, maar na de oorlog niet naar het missiehuis is teruggekeerd. De zoon die met zijn zuurverdiende oorlogscenten een woning voor zijn ouders kocht. De ijverige ambtenaar bij de Spoorwegen. De knaap die met ‘Moeder Maria’ uit de processie is getrouwd.  De brave familievader die vanuit zijn zetel aan het raam zijn kroost stil in de gaten hield. De vrome man die zijn gat vanonder zijn lijf liep voor de pastoor en de kerkfabriek. Het manusje-van-alles in de vele verenigingen van het dorp. Zal ooit iemand de man kennen die ik echt ben en die ik nooit heb willen zijn?  De man die niet eens had mogen bestaan. In de keuken rammelt ons moe met potten en pannen. De geur van  gesmolten boter die wel bruin wordt, maar net niet aanbrandt, komt de kamer binnen. Terwijl ik dat anders zo graag riek, word ik er nu mottig van. De zeer in mijn borst wordt ook erger. Ik moet overgeven. Ons moe komt afgestoven. Ik zie nog de paniek in haar ogen. En dan valt het doek.   h Haar eigen paar   Zodra ze de kamer binnenstapt, voelt ze dat Rebecca en zijzelf hier niet alleen zijn. De lucht is dens alsof een onzichtbare nevel de ruimte vult. ‘Ik heb je voorouders al uitgenodigd’, zegt Rebecca terwijl ze een kop thee inschenkt. Farahilde tuit haar lippen. Ze wil iets zeggen, maar de woorden stokken in haar keel. Haar hele leven al morrelt ze maar wat aan. Ze heeft het gevoel dat ze met een rem op leeft. Dat wil ze niet langer. Ze heeft al zoveel geprobeerd… Ze heeft al zoveel geleerd…, maar slaagt er niet in er echt iets mee te doen. Rebecca had haar aangeraden haar voorouders om hulp te vragen door erover te schrijven. Elke ochtend heeft ze trouw haar schrift genomen en drie pagina’s vol gepend. ‘Lieve voorouders, weten jullie waarom ik zo vastzit?...’ Ze begreep geen snars van de antwoorden die haar voorouders haar stuurden. Hopelijk kan Rebecca helpen om het duidelijk te maken. Ze neemt een slok van haar thee. ‘Je wil dus weten waarom je voortdurend remt,’ begint Rebecca. Farahilde wipt van haar ene been op haar andere.

veerle schaltin
8 0

Verslag en structuurplan – Veerle Schaltin (opdracht 7)

-Ik wil voor samenhang in het verhaal zorgen door in de losse scènes telkens hetzelfde thema aan bod te laten komen: zichtbaar en onzichtbaar zijn. Daarbij werk ik met contrasten (het me bewust onzichtbaar maken als overlevingsstrategie –  niet gezien worden door anderen – pogingen tot zichtbaar zijn, zichtbaar zijn). -Qua stijl werk ik clichématige beelden weg, vermijd vaktaal en schrap te expliciete dingen. Ik zorg voor cliffhangers.   Wat wil ik eigenlijk zeggen: Farahilde voert constant strijd om zichtbaar te zijn. Door een bepaalde gebeurtenis (misbruik) heeft ze geleerd dat het soms goed is onzichtbaar te zijn (= overlevingsstrategie), maar ze wordt ook vaak gewoon niet gezien wanneer ze dat wel wil (in gezin, in groepen,…). Ze leert zichtbaar zijn. Neventhema: troosten met eten (dat tegelijk ook manier is om onzichtbaar te zijn) à lezer kan dit aanvoelen, wordt niet expliciet vermeld.   Symbool: voor de strijd die ze voert à oorlog (via het oorlogsverleden van grootvader)   Perspectief: personaal vanuit Farahilde met tussen de scènes de stem van de grootvader (en link naar oorlog)  = probeersel om mezelf qua standpunt uit te dagen   Structuur: Openingsscène: moment van misbruik door nonkel + het zich intuïtief verstoppen om erger te voorkomen (= moment waarop Farahilde ervoer dat verstoppen overlevingsstrategie is). Farahilde is dan ongeveer 10 jaar. Andere scènes: die telkens om onzichtbaar zijn of zichtbaar zijn (=alter ego) gaan. Het schrijven zal uitwijzen of deze chronologisch of associatief aan bod komen. Ik probeer hier met contrasten te werken en kies ook regelmatig voor scènes met mijn vader om de 3 generaties aan bod te laten komen. Stem van mijn grootvader probeer ik tussen de scènes te verwerken met beelden uit de oorlogà dit wordt nog zoeken hoe ik dat in de praktijk doe. Slotscène: familieopstelling waarbij geheim van grootvader aan het licht komt. Farahilde begrijpt nu waarom zichtbaar zijn voor haar zo moeilijk was, kan het plaatsen en geeft gas (letterlijk in de auto, als symbool voor zichtbaar door het leven gaan).      

veerle schaltin
5 0

Opdracht 6 - 2 scènes - Veerle Schaltin

Scène 1   Mo drukt zich dichter tegen haar aan. Hij legt zijn donkere hand op haar bleke. ‘Il y a du cognac dans ma tente,’ fluistert hij in haar oor. Zij schuift wat van hem weg op de skai bank, wrikt haar hand los en pakt het glas Pisang van het tafeltje. ‘Ik vind de Pisang oké.’ Ze zuigt extra hard aan het rietje. Haar ogen speuren de rokerige ruimte af. Overal staan of zitten groepjes mensen. Ze lachen, praten, flirten, dansen. Zij zijn de enigen die daar maar met twee zitten. Waarom is An niet gewoon meegekomen? Deze hele vakantie al boycot ze alles waar Farahilde zin in heeft. Ze zijn hier samen met Jos en Myriam als au pair-meisjes voor hun kinderen. Maar er is genoeg vrije tijd om leuke dingen te doen. Alleen heeft An geen zin in leuke dingen. Het klikt niet tussen haar en Jos en daardoor verpest ze de hele reis. Farahilde krijgt haar amper haar tent uit. Alleen naar het strand gaan lukt zo nu en dan. Daar leerden ze Mo kennen. Die had eerst alleen oog voor An. Toen hij haar vroeg iets te gaan drinken, hapte An tot Farahildes verwondering toe. Eerder deze avond hadden ze samen een terrasje gedaan niet zover van hun kampeerplaats. Na een paar glazen wijn had Mo voorgesteld te gaan dansen. An was abrupt rechtgestaan. ‘Je suis fatiguée.’ ‘Mais non!’ lachte Mo, ‘Het is te vroeg om moe te zijn. Tu veux dancer!’ Maar ze was niet te vermurwen. Farahilde wilde wel eens iets anders zien dan het kinderzwembad, de speeltuin, het lapje gras voor hun tent en steeds datzelfde stuk strand. Maar alleen met Mo… De discotheek was twintig kilometer verderop. ‘Ik breng je wel terug,’ verzekerde Mo haar.  Terwijl An naar de camping wandelde, was Farahilde zijn auto ingestapt. Hij buigt zich weer naar haar toe. ‘C’est du bon cognac!’ ‘Gaan we dansen?’ Ze staat recht, strijkt haar rok glad en strekt haar arm naar hem uit. Hij drukt zijn sigaret uit in de asbak, staat ook op, maar negeert haar hand. Ze loopt naar de dansvloer. Hij beent naar de uitgang. Als ze voelt dat hij haar niet volgt, draait ze zich om en ziet hem nog net naar buiten stappen. ‘Mo,’ vormen haar lippen en dan valt alles een seconde stil. Eén seconde maar, want meteen lijkt het alsof iets haar opwindt en beweegt ze zich als een Duracell-konijn richting dansvloer. Papa Chico you’re the sun… Het opwindkonijn zet houterige passen. Haar lichaam vindt het juiste ritme niet. Ze keert terug naar het tafeltje, pakt de Pisang en giet hem in een teug naar binnen. Dan laat ze zich op de bank zakken, maar veert haast meteen weer recht. Ze loopt naar de bar. ‘Pisang Ambon, s’il-vous-plaît.’ Met het nieuwe glas in haar handen leunt ze tegen de toog.  Haar blik dwaalt naar de ingang. Telkens als de deur opengaat, hoopt ze dat er een zwarte binnenkomt.  Maar Mo laat zich niet meer zien. Ze kijkt almaar vaker naar de dansvloer waar vrolijke mensen swingen. Als ze hier met een vriendin was, zou ze nogal uit de bol gaan.  …seems like yesterday not far away, this is where I long to be… la Isla Bonita… Zacht lipt ze met Madonna mee. Voorzichtig bewegen ook haar heupen. Je bent hier nu, zegt ze tegen zichzelf, amuseer je! Een blonde jongen bestelt vlak naast haar tien pinten. Als hij met het grootste deel ervan naar zijn vrienden stapt, botst hij met zijn ellenboog tegen haar borst. ‘Excusez-moi!’ Zijn grote blauwe kijkers schitteren. Als hij terugkomt om de rest op te halen, vraagt hij: ‘Tu es toute seule içi?’ ‘Oui… Depuis quinze minutes…’ ‘Raconte.’ ‘Dat is een te lang verhaal,’ wimpelt ze hem af. Hij troont haar mee naar zijn kameraden. ‘Je vous propose…’ ‘Farahilde.’ ‘Farrahilde,’ herhaalt hij met een ‘r’ die ze nog nooit zo schattig heeft horen rollen. Daartegenover komt de ‘r’ van Patrice, zijn naam, maar zuinigjes uit haar mond. De vrienden schuiven wat op en zo kan ze half op Patrices schoot net mee op de bank. De jongens drinken de ene pint na de andere. Zij houdt het bij haar Pisang. Ze lacht uitbundig om hun grappen, al begrijpt ze ze maar half. Als ze op de klanken van Bon Jovi opspringt, volgen Patrice en de anderen haar naar de dansvloer. Ze hotsen van hier naar ginder, zwaaien met hun armen in de lucht. Take my hand and we’ll make it, I swear. Oooohhh… livin’ on a prayer… Bij de bamba kiest Patrice haar zoveel mogelijk uit. Hij moet snel zijn, want zijn fameuze vrienden proberen haar van hem af te snoepen. Eerst zoenen ze nog op de wang, dan drukken ze hun lippen zacht opeen. Tijdens de slow die erop volgt glippen hun tongen elkaars mond binnen. Ze zetten zich weer op de bank, zij helemaal op zijn schoot nu. Patrices vrienden laten hen met rust. De discotheek loopt langzaam leeg. Ook de vrienden zoeken een voor een hun slaapzak op. Ze vertelt Patrice nu toch hoe ze hier alleen is terechtgekomen. ‘Waar logeer je eigenlijk?’ ‘Op een camping in Lacanau-Océan.’ Zijn ogen worden nog groter als hij hoort hoe ver weg dat is. Hij streelt haar haren. ‘Ik zorg wel dat je er geraakt.’ Ze gaan naar buiten. Hij vraagt haar bij de uitgang te wachten. Net als ze denkt dat hij haar ook laat stikken, rijdt hij een 2PK’tje met open dak voor. ‘Sorry, ik moest onderhandelen met Maxime, dit is zijn auto.’ Patrice heeft geen idee waar Lacanau ligt. Zij wijst de weg waarlangs ze denkt dat ze met Mo is gekomen. Hij loopt langs de kust. Bij een duinbosje vertraagt de auto. ‘Is het goed als we hier even stoppen?’ Ze knikt. Patrice parkeert de wagen zoveel mogelijk achter de bomen. Zodra de motor stil ligt, verdwijnt zijn hand onder haar bloes en de hare in zijn broek. Als hij na een poos een condoom tevoorschijn haalt, wringt ze zich los uit zijn armen. Hij is verrast. ‘Toch niet zo vlug,’ stamelt ze, ‘Ik heb het nog nooit gedaan…’ Zijn ogen worden iets doffer. Hij steekt het condoom weer weg. Op hun rug liggen ze naast elkaar in de wagen. Alleen de haartjes op hun handen raken elkaar nog. Ontelbare sterren zijn getuige van hun ongemakkelijk liggen en zwijgen. Als het te fris wordt, rolt Patrice het dak dicht en rijden ze verder. Farahilde merkt haast meteen een wegwijzer naar de camping op. Blijkbaar waren ze de hele tijd al vlak in de buurt. De Renault draait de parking op. Hun lippen zoeken elkaar weer. ‘Vind je de weg terug in het donker wel? Anders,’ Farahilde aarzelt. ‘…kan je blijven slapen.’ ‘Vindt je vriendin dat goed?’ ‘Ze moet wel. Het is allemaal haar schuld.’ Ze verheft haar stem. Samen wandelen ze naar de tent. Als Farahilde het zeildoek openritst, schrikt An wakker. ‘Weet je wel hoe laat het is?’ ‘Weet je wel dat Mo me zomaar heeft achtergelaten? Wees blij dat je me nog levend ziet.’ Ze wijst naar Patrice. ‘Hij blijft hier slapen.’ An springt overeind. Voor ze iets kan zeggen sleept Farahilde haar luchtmatras naar de voortent. ‘Er is niet veel plaats,’ gebaart ze naar Patrice. Hij glimlacht. Met hun kleren aan vallen ze te dicht bij elkaar in slaap.     Scène 2   Een ijzingwekkende gil weergalmt door hun nog bijna lege huis als Farahilde de kreeft in het kokendhete water onderdompelt. Meteen daarop rinkelt de telefoon. ‘Alles oké?’ vraagt Walter als hij haar schorre stem hoort. ‘Ik heb net een moord gepleegd, verder alles oké!’ ‘De kreeft?’ is Walter meteen mee. ‘Het beest hield zich koest, maar ik denk dat de buren mij konden horen. Ik maak nooit nog kreeft!’ ‘Als het maar lekker is,’ lacht Walter, ‘Ik zal over een uur thuis zijn.’ Farahilde werkt de kreeftensla af. Daarna trekt ze zich terug in de badkamer onder een wolk schuim. Toen ze het huurcontract van hun rijtjeswoning opzegden, hadden ze over het hoofd gezien dat ze de vloerverwarming in hun nieuwe huis pas een maand nadat de tegels gelegd werden, mochten opstarten. Overmorgen is het zover. Ondertussen wonen ze in de keuken waar ze het met bijzetkacheltjes warm proberen te krijgen. Maar de thermometer wijst amper zestien graden aan. Gelukkig kunnen ze af en toe naar de badkamer vluchten. Een extra radiator verspreidt daar wel een zalige warmte. Ze wrijft zich met een zachte handdoek droog. Haar huid gloeit. Dan smeert ze haar hele lijf in met lichaamsmelk en brengt ze make-up aan. Ze kiest haar frivoolste lingerie uit, trekt er een strakke jeans over en wel drie truien. Een bloemensjaaltje en grote parelmoeren oorbellen zorgen voor de finishing touch. Ze voelt zich een eskimo in feestkledij, maar ze mag gezien worden. Uit een kartonnen doos diept ze hun trouwservies op en schikt het op de keukentafel. Naar de wijnglazen moet ze wat langer zoeken. Ze werkt de tafel af met papieren servetten vol harten en een zee van theelichtjes. Als ze het laatste kaarsje aansteekt, zwaait de achterdeur open en staat haar liefste daar met een grote bos rode rozen. Hij kust haar in haar nek.  ‘Fijne Valentijn!’ Terwijl hij snel een douche neemt, en zijn maatpak wisselt voor een warme fleece, legt ze de laatste hand aan de aperitiefhapjes. Walter zet Vaya con Dios op en ontkurkt de champagne. Farahilde tovert het ene exquise gerecht na het andere op tafel. ‘Dat verdient hier een Michelinster,’ paait Walter haar. ‘Als je niet naar de vuile afwas op het aanrecht kijkt,’ wuift ze het compliment weg. Naarmate er meer wijn vloeit, vergeten ze de kilte in huis, en kunnen de kale witte muren, de vele dozen die nog moeten uitgepakt worden en al wat ze nog moeten afwerken hen niet meer deren. Als Farahilde de ‘flensjes  Cupido’ opdient en ze er de laatste fles voor vanavond bij kraken, kruipen ze dichter bij elkaar. Even later verdwijnen ze naar boven. Onder de dikke dons pellen ze langzaam hun vele lagen kleren af. Eerst knuffelen ze kalmpjes. Algauw wordt hun bed een vulkanisch landschap met wel erg veel geothermische activiteit. Uiteindelijk dommelen ze in mekaars armen in.      

veerle schaltin
0 1

Opdracht 4 - Veerle Schaltin

De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog de altijd rondslingerende paperassen. Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Eigenlijk zijn ze daar te jong voor, maar haar vader is ziek, en haar moeder denkt de zorgen voor hem niet alleen aan te kunnen. Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze kampen bouwde. Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen immers niet meer bewegen.  Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen. Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af. Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dan ploft ze in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu. Daar was haar thuis.   Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht. Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’ Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt. ‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant. Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc wipt van zijn ene been op zijn andere. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats. Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.   Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’ Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt.               ‘Weet dat je wordt bemind en gesteund op deze reis,’ fluistert Farahilde tegen het kind dat  Walter in haar armen legt. Ze drukt hem dicht tegen haar borst, streelt zijn bolle wangen en de haartjes op zijn hoofd, en glimlacht. ‘Dag, Johannes!’ Nu pas valt het mistdeken dat haar de voorbije uren omwikkelde af en beseft ze dat dit kind het hare is. Dat zij hem op de wereld heeft gezet en de rest van haar dagen voor hem zal zorgen.   Rond half zes wordt ze wakker door een immense plas water die uit haar vagina gutst. Ze stoot Walter aan. ‘Lap, het is van dat!’ Het duurt even voor hij zijn ogen open krijgt. Dan springt hij uit bed en haalt meteen het beddengoed af. Terwijl zij onder de douche staat, dweilt hij de slaapkamer. Ze nemen de koffer die ze pas gisterenavond heeft klaargezet en rijden langs benevelde velden en lege straten naar het ziekenhuis. ‘Goeiemorgen. Mijn water is gebroken,’ zegt ze tegen de receptioniste. ‘Ik heb gebeld,’ vult Walter aan, ‘Het is voor een keizersnede.’ ‘Waarschijnlijk toch. Eergisteren lag ons kindje nog dwars.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Ik heb hem nog voelen bewegen, maar of hij voldoende gedraaid is om gewoon te kunnen bevallen…’ ‘Wacht hier even,’ antwoordt de receptioniste, ‘De verpleegster haalt jullie zo meteen op.’ Een vrouw in een wit pak brengt hen naar de verloskamer. Farahilde krijgt een riem om haar bolle buik. Zodra die met de monitor verbonden is, zien ze hun kind op het scherm. ‘Het hartje klopt normaal,’ stelt de verpleegster hen gerust. ‘Er is ook nog voldoende vocht in de vruchtzak. Maar ik denk niet dat hij gedraaid is. De dokter zal straks uitsluitsel geven. Zij is nog niet aanwezig. Heb je weeën?’ Farahilde schudt haar hoofd. Dan valt de blik van de verpleegster op Farahildes handen. ‘Jij hebt rode nagels! We moeten de huidskleur onder je nagels kunnen zien.’ Ze beent weg en komt terug met een pot aceton en een pak watten. Terwijl ze op de gynaecoloog wachten, verwijdert Farahilde het rode kleurtje. De baby ligt inderdaad nog steeds dwars. Farahilde wordt naar de operatiezaal gereden. Walter loopt er achteraan. Eerst moet ze op haar zij gaan liggen en krijgt ze een spuit in haar rug. Dan zetten ze een hoge tafel met een groen tafellaken over haar buik. Die beneemt haar alle zicht. Walter houdt haar hand stevig vast. Plots komt een straal pipi boven de tafel uit. De dokter en haar assistent lachen. ‘Proficiat, mevrouw!’ Een verpleegster toont een kind in een doek. Farahilde strijkt met een vinger langs zijn gezichtje. Dan is de verpleegster alweer weg. ‘Kom maar mee, papa!’ Walter volgt haar tot achter een glazen wand. ‘Drie kilo honderdnegentig,’ roept iemand, ‘achtenveertig centimeter, apgarscore tien-tien-tien.’  ‘We gaan al naar de kamer,’ komt Walter zeggen. Hij zoent Farahilde. Een vertwijfelde blik. ‘Tot gauw.’ De dokters trekken en duwen aan en in haar buik. Dan rollen ze haar de recoveryroom in. Naast haar staan twee bedden met slapende mensen. Voor haar hangt een klok met wijzers die trager tikken dan normaal. Ze probeert ze met haar ogen te verschuiven. Pas na een eeuwigheid brengt een verpleegster haar naar de kamer waar Walter met de baby op haar wacht.   Ze drukt het kind nog dichter naar zich toe. Walter kruipt tegen haar aan. Hij schuift zijn vinger in het vuistje van de baby. Zo zitten ze daar een hele tijd met drie in één cocon. Een verpleegster verstoort de stilte. ‘Heb je de baby al aangelegd?’ ‘Hij slaapt,’ verontschuldigt ze zich. ‘Hij moet toch eten. Hoe sneller je hem aanlegt, hoe beter voor de melkproductie.’ Walter verhuist naar de stoel aan het raam. De verpleegster maakt het operatieschort los en trekt het naar beneden. Ze verschuift het kind zodat zijn lippen de moedertepel raken. Er gebeurt niets. De verpleegster neemt de borst in haar handen en duwt ze in de kindermond. ‘Ondersteun ze zelf met je vrije hand,’ beveelt ze. Zacht tikt ze enkele keren tegen de wang van de baby. De jongen sabbelt even. Haast meteen valt hij weer in slaap. ‘Blijf tikjes geven,’ spoort de verpleegster Farahilde aan. ‘Als hij een beetje heeft gedronken, probeer je de andere borst.’ Ze verlaat de kamer. Het kind dommelt meteen weer in. Farahilde probeert hem met tikjes te wekken.  Ze duwt haar tepel naar zijn mond toe. Walter komt weer dichterbij zitten. Als hij over de wang van de jongen wrijft, tuit die even zijn lippen. Veel melk krijgt hij echter niet binnen. Na een poosje proberen ze de andere kant. Ze krijgen het kind niet goed gelegd en zo vindt hij de tepel niet. ‘Ik kan het niet,’ zucht Farahilde. Uiteindelijk bellen ze om hulp. De verpleegster legt een kussen onder Farahildes arm. Enkele tikjes op de wang en de baby zuigt. De verpleegster lacht. ‘Maak je geen zorgen. Als hij niet genoeg drinkt, geven we hem straks wel wat suikerwater.’ Farahilde trekt grote ogen. Ze hoort de moor fluiten en de lepel waarmee Moéke de suiker onder het kokende water roerde in het glas rinkelen. Speeksel vormt zich net als toen in haar mond. Het was lang wachten tot het water weer wat afgekoeld was en haar mierzoete troost kon brengen. Een voorrecht dat je alleen ten deel viel als je ziek was. Haar kersverse kind is niet ziek. Hij is moe. En zijzelf is te stom om hem te kunnen voeden. ‘Dat wil ik niet,’ zegt ze. De verpleegster heeft de deurklink al vast. Ze fronst haar voorhoofd. ‘Hij heeft toch iets nodig om aan te sterken.’ Om beurten duwen Farahilde en Walter de tepel tussen de lippen van de jongen. Na een poos neemt Walter de baby over en legt hem in het plexiglazen bedje naast het raam.  ‘We proberen het straks wel opnieuw. Hij is te moe nu.’ Wat later verschijnt het hoofd van de verpleegster in de deuropening. ‘Is het gelukt?’ ‘Ja!’ knikken Farahilde en Walter gelijktijdig. Als de deur toegaat, kijken ze elkaar aan. Tranen wellen op in Farahildes ogen.                           ‘I’m singing in the rain, just singing in the rain…’ De muziek is nauwelijks hoorbaar in de kelder, maar Farahilde hoort hem wel, tussen het geroezemoes van de grote meisjes verderop aan de toog, het gejoel van de jongens die tussen en over de bergen kleren die overal verspreid liggen springen, en het herhaaldelijke ‘Stt…’ en ‘Zit stil!’ van de juffen die hen proberen rustig te houden door.  Helemaal alleen zit ze op de bank vlak aan het luik naar de zaal, op blote voeten en in een blauw maillot. Op wat brandende spotjes na is het pikdonker. Niemand merkt haar op. Ze bibbert. ‘What a glorious feeling…’ Ze zou boven moeten zijn en mee dansen. Wekenlang heeft ze elke woensdagmiddag geoefend. Ze kent nu alle passen en danst ook in de maat. En ze laat de paraplu, als Wilfried die naar haar gooit, haast nooit meer vallen. In het begin deed ze dat wel. Wilfried lachte haar dan uit. Dat deed hij ook als ze moest tuimelen en zo scheef rolde dat ze tegen hem aanbotste. Maar ondertussen heeft ze veel geoefend thuis in de tuin, en ze weet wel zeker dat ze vandaag recht zou rollen. Alleen die kus onder de paraplu op het allerlaatst, daar had ze nog tegenop gezien. Wilfried lachte dan altijd zo raar. Stiekem had ze liever met Dirk gekust. Maar die danste met Ann. Al wist ze niet wie vandaag met wie danste. Toen ze zich daarnet, toen het bijna hun beurt was, op twee rijen voor de trap naar de zaal moesten klaarzetten, ontdekte de juf dat er een meisje te veel was. ‘Da’s waar ook,’ zuchtte ze, ‘Marc is ziek.’ Ze duwde alle meisjes een plaats vooruit, tot ze bij Farahilde kwam. Die nam ze bij haar schouder vast en drukte ze neer op de Zweedse bank. ‘Blijf jij maar hier.’ Het luik was opengegaan. De jongens marcheerden de zaal in met hun paraplu’s over hun schouder en de meisjes huppelden er achteraan. Farahilde bleef achter op de bank waar ze nog steeds zit. Piepkleine beestjes, net luizen, tuimelen rond in haar buik. Dat is vervelender dan in haar haren, want in haar buik kan ze niet eens krabben. Ze trekt haar benen op, grijpt haar knieën stevig vast en wiegt zacht heen en weer. Moeke en vake zitten in de zaal. Vragen zij zich af waar zij nu is? Ze staat op en slentert naar haar jas die helemaal aan de andere kant van de kelder hangt. Uit de binnenzak diept ze een bonnetje op. Aan de toog steekt ze het in de lucht. Het komt maar een klein stukje boven de tapkast uit. Het duurt dan ook even voor iemand het ziet. ‘Paprikachips alstublieft.’ Met de chips zet ze zich weer op de bank. Ze opent het zakje. ‘A smile on my face…’ De chips kraakt tussen haar tanden. Hij kruipt in de spleten en holtes in haar mond. Hij smaakt een beetje naar de zweetvoeten waar heel deze kelder naar ruikt. ‘I’m dancing and singing in the rain.’ Als het applaus tot in de kelder doordringt, laat ze de chips nog harder kraken. Het luik gaat open. ‘Ik heb het goed gedaan!’ ‘En ik de paraplu niet laten vallen…’ ‘Dat was plezant!’ ‘Ik heb ons mama gezien!’ ‘Mijn mama zat op de eerste rij!’ ‘Mijn zus en mijn broer ook!’ ‘Mijn zus applaudisseerde het hardst!’ ‘Stt!’, sist de juf, ‘Jullie hebben het heel goed gedaan, maar ze mogen ons boven niet horen.’ Farahilde gooit haar zakje in de vuilbak. Ze neemt een tweede bonnetje uit haar jas en koopt nieuwe chips. Ze laat hem nu zo hard kraken dat dat het enige is wat ze nog hoort.

veerle schaltin
6 0

Afscheid - Opdracht 3 - Veerle Schaltin

De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog de altijd rondslingerende paperassen. Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Eigenlijk zijn ze daar te jong voor, maar haar vader is ziek, en haar moeder denkt de zorgen voor hem niet alleen aan te kunnen. Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze kampen bouwde. Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen toch niet meer bewegen.  Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen. Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af. Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dit huis past haar niet. Het heeft ook nooit gepast. Ze ploft in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu. Daar was haar thuis.   Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht. Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’ Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt. ‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant. Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc wipt van zijn ene been op zijn andere. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats. Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.   Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’ Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt.              

veerle schaltin
7 1

Masterclass Autobiografisch Schrijven – Opdracht 2 - Veerle Schaltin

Vandaag begreep Farahilde dat ik niet was wie men haar altijd had verteld dat ik was. De jongeman die eerst voor priester had geleerd, maar na de oorlog toch met haar grootmoeder Bertha was getrouwd. De brave familievader die vanuit zijn zetel aan het raam, sigaretje in de hand, zijn kroost stil in de gaten had gehouden. Ze begreep dat ik ook niet de kale oude man was in wiens dromerige blik, in zwart-wit ingekaderd, ze elke zondagmiddag had gekeken, als ze aan de grote tafel in de living aten. Ze leerde de man kennen die ik echt was en die ik nooit heb willen zijn. De man die niet eens had mogen bestaan.   Zodra ze de kamer binnenstapte, voelde ze dat Rebecca en zijzelf hier niet alleen waren. De lucht was dens alsof een onzichtbare nevel de ruimte vulde. ‘Ik heb je voorouders al uitgenodigd’, zei Rebecca terwijl ze een kop thee inschonk. Farahilde tuitte haar lippen. Ze wilde iets zeggen, maar de woorden stokten in haar keel. Ze had deze afspraak gemaakt omdat ze al over de helft van haar leven was en het gevoel had nog steeds niets gepresteerd te hebben. Het was alsof ze voortdurend sliep, leefde met een rem op. Dat wilde ze niet langer. Ze had al zoveel geprobeerd: therapieën, yoga, wandelsessies,… Ze had al zoveel geleerd, maar slaagde er niet in het in haar leven te integreren. Eerder had ze nog een familieopstelling laten doen, maar niets was wezenlijk veranderd. Rebecca had haar aangeraden haar voorouders om hulp te vragen door erover te schrijven. Elke ochtend had ze trouw haar schrift genomen en drie pagina’s vol gepend. ‘Lieve voorouders, weten jullie waarom ik zo vastzit?...’ De antwoorden waren heel chaotisch geweest. Het woord ‘familiegeheim’ kwam regelmatig terug. Rebecca dacht dat haar familie een geheim met zich meedroeg. Dat geheim wilden ze vandaag openbreken. Om de mensen die bij de opstelling betrokken waren voor te stellen, gebruikten ze kussens. Uit een bak die in de hoek stond, koos Farahilde een klein roze voor haarzelf. Ze legde het midden in de kamer. ‘Neem ook maar een kussen voor je rem,’ zei Rebecca. Nu pakte ze het grootste. Dat liet ze pal op het roze kussen vallen. Rebecca legde er nog een bij. ‘Dit is je grootvader. Ik voel dat hij met het geheim te maken heeft.’ ‘Kan best,’ knikte Farahilde, ‘Hij kwam ook in mijn schrijfsels voor.’ Terwijl Rebecca zich concentreerde op de boodschappen die ze via de kussens doorkreeg, zette Farahilde zich op een stoel aan de kant. Het was niet dat ze zich niet op haar gemak voelde bij de gestorven mensen in deze kamer, maar dat die een geheim zouden onthullen, waarvan ze niet wist hoe groot het was, en welke invloed het op haar leven zou hebben, zorgde voor een spanning die kolkte in haar ingewanden. Ze nam de thee van de tafel en klemde hem stevig in haar handen. Hij kon haar niet verwarmen. Eerst vertelde Rebecca wat ze waarnam bij elk kussen. Ze blies en zuchtte toen ze de rem probeerde op te tillen. ‘Ik voel veel weerstand,’ zei ze, ‘maar ik weet dat het niet jouw rem is. Hij is van je grootvader.’  Uiteindelijk lukte het haar toch hem van het roze kussen te schuiven. Ze haalde er nog twee kussens bij. ‘Ik weet niet wie dit zijn, maar ze horen hier.’ ‘Misschien mijn nonkels,’ suggereerde Farahilde. Rebecca schudde haar hoofd.  Na lange tijd fluisterde ze: ‘Dit zijn soldaten. Het is oorlog.’ Ze vouwde haar handen op haar hart. ‘Er is iemand gedood.’ Farahilde wist dat haar grootvader in de eerste wereldoorlog had gevochten. Ze had zijn ‘Oorlogsgedenkenis’ gelezen. Daarin repte hij met geen woord over wat er zich tijdens de veldslagen had afgespeeld, maar het leek haar niet zo vreemd dat hij iemand zou hebben doodgeschoten. Dat gebeurde nu eenmaal tijdens een oorlog. Een stilte die als een obus ontplofte, maakte duidelijk dat het niet zo eenvoudig was. Rebecca schuifelde van het ene kussen naar het andere en terug. Traag, tergend traag. Ze kneep haar ogen tot spleetjes. Op het puntje van haar stoel volgde Farahilde al haar bewegingen. Zeg iets, dacht ze, zeg toch iets. Rebecca’s lippen bewogen even, maar er kwam geen klank uit. Ze pierde in het ijle. Plots hief ze haar arm op en hield hem als een pistool tegen haar hoofd. Met grote ogen keek ze Farahilde aan.  ‘Het was niet op het slagveld. Ook geen moord. Het was een afrekening. Wie niet eerst schoot ging eraan. Hij heeft de trekker overgehaald.’ Farahilde schoof nog meer naar voor op haar stoel. De kamer werd een vrieskist.   Het was druk op de baan toen Farahilde naar huis reed. Slechts flarden van het radionieuws drongen tot haar door. Een agent was bij een aanslag op de Champs-Elysees omgekomen… Wat betekende zijn leven bij het leven dat haar eigen grootvader zomaar had afgeknald? Op een ander moment zou ze helemaal niet bij deze agent hebben stilgestaan. De media kapte bijna dagelijks berichten over aanslagen met liefst zoveel mogelijk doden en gewonden als hete pek over de wereld uit. Het maakte haar immuun voor de brandwonden. De pek die zij deze middag over zich had gekregen, brandde wel, tot diep in haar ziel. Rebecca had verteld dat het tijdens een spel was gebeurd, een weddenschap. Een gezaghebber had haar grootvader en een kameraad allebei een pistool in de handen gedrukt. Hij dwong hen de revolver tegen elkaars slaap te houden. ‘Wie heeft hier lef?’ had hij gelachen, ‘Vooruit! Toon het!’ Haar grootvader had over zijn hele lijf getrild en geschoten. Hij smeet het pistool weg en stormde de abri uit recht naar de vuurlinie. Kogels floten er een nacht lang om zijn oren, maar geen enkele wilde hem raken. Toen hij de volgende morgen naar hun schuilplaats was teruggekeerd, was het lijk opgeruimd en had iedereen luidop gezwegen. Een vrachtwagenchauffeur toeterde omdat Farahilde hem niet liet invoegen. Ze maakte zich zo klein mogelijk en remde. Zoals ze dat al haar hele leven had gedaan. Net zoals haar grootvader na die afrekening. Hij had zich onzichtbaar gemaakt en gezwegen. Zij had al die tijd in zijn schoenen gestaan. Nu was het moment gekomen om haar eigen paar aan te trekken. Ze drukte het gaspedaal stevig in.   Veerle Schaltin

veerle schaltin
6 1

Diane Broeckhoven/ Wat voorafging - Rupert Thomson / Dit feest heeft lang genoeg geduurd - Edgar Hilsenrath/ De belevenissen van Ruben Jablonski

Diane Broeckhoven/ Wat voorafging Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? -de ik = de auteur. Broeckhoven schrijft de biografie van haar moeder en van zichzelf. Zij kent haar deel van het verhaal. Wat vertelt de eerste zin? -‘Hoe heb je me gevonden?’àdat iemand kwijt was en iemand anders haar heeft gevonden. De toon waarop is verwijtend, dit wijst dus ook al op een vorm van conflict. Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer? -We kijken door de ogen van de schrijfster, hierdoor krijgen we een ander beeld op de moeder en op hun relatie dan als het vanuit de moeder zou zijn geschreven. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? -bij de auteur, vooral door de herkenbaarheid. Zij schetst  het verleden van haar moeder, waardoor ik kan begrijpen hoe ze zo is geworden, maar tegelijk ook wat zij ondanks dat haar moeder zo is allemaal voor haar moeder doet. Ik denk dikwijls: Diane, gij zijt zot, uw moeder verdient dat niet. De liefdevolle manier waarop ze schrijft stuurt mijn sympathie voor haar. Misschien ontbreekt het verhaal wat aan zelfkritiek. Broeckhoven hemelt zichzelf misschien ook wat op. Bv. p.17: ‘Ik heb de oorlog met mijn moeder overleefd door het principe van onvoorwaardelijke liefde te beoefenen, als een boeddhist.’ Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? -N.V.T. Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol? -De moeder is eigenlijk het hoofpersonage. We krijgen een beeld van haar door de ogen van de schrijfster, dit zal verschillen van wat ze echt denkt. Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? - Broeckhoven begint met de laatste weken en het overlijden van haar moeder (Het einde). Dan geeft ze de geschiedenis van haar moeders leven (Wat voorafging). Ze eindigt met de begrafenis (Wat volgde). Door met het einde te beginnen weten we dat Broeckhoven haar moeder tot het einde bijstaat, hierdoor dwingt ze sympathie af, het maakt tegelijk nieuwsgierig naar wat voorafging. Het laatste deel maakt het verhaal rond. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie? - Het verhaal wordt verteld in de weken die voorafgaan aan moeders dood en de dag van de begrafenis, maar beslaat het hele leven van de moeder. In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? -Het verhaal speelt zich af in Antwerpen en Parijs, de plekken waar de moeder geleefd heeft, in de 20ste eeuw en de eerste 14 jaar van de 21ste eeuw. Het maatschappelijk historisch kader is voortdurend als achtergrond aanwezig. Broeckhoven laat het eerder subtiel doorklinken, maar als lezer weet je dat dit kader de personages maakt tot wie ze zijn en mee hun handelingen bepaalt. Moet ik dingen opzoeken op het verhaal te begrijpen? - Ik kan het boek volledig begrijpen zonder dingen te moeten opzoeken. Er is geen achtergrondkennis nodig. Broeckhoven legt veel uit, bv. p.126: ‘Mijn salaris bedroeg 14 000 Bfr., zijnde 330 euro.’ en p.131: ‘…de Nederlandse Inno, die toen nog L’innovation heette.’ Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? -Thema’s: De moeilijke moeder-dochter-relatie De hunkering naar liefde van en erkenning door de moeder De plaats in het gezin: tussenkind zijn   En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie. - Broeckhoven gebruikt weinig beeldspraak, maar waar ze die wel gebruikt, is het goedgekozen,  bv. p.105: ‘De aders op het voorhoofd van mijn vader spanden zich dan als touwen.’ En p.192: ‘Maar hoe meer ik naar een milde moeder verlangde, hoe meer ze zich met prikkeldraad omwikkelde en me afwees.’ -Broeckhoven vervalt af en toe in clichés als ‘tortelduiven’ voor geliefden, (p.62), spic en span, duivel uit het doosje, om de lieve vrede,… -Soms vult ze suggestieve passages iets te veel in. Zo schrijft ze over het lot van vrouwen als haar moeder: ‘Er zouden  uitsluitend lieve woorden tegen hen gefluisterd mogen worden door zachtmoedige verzorgers. De werkelijkheid ligt er mijlenver vandaan.’ (22) Die laatste toevoeging zou niet nodig moeten zijn als het relaas van de vertelster geslaagd is. -Soms vertelt ze te veel of legt dingen uit, bv. p.28: ‘De volgende dag, na mijn bezoek in de hallucinante wachtkamer vol vertwijfelde bejaarden, is het afscheid nog hartverscheurender.’ Dit is een weergave van oprecht sentiment, maar het zou de lezer moeten zijn die wat er verhaald wordt al dan niet hartverscheurend vindt. De schrijfster zou het hem of haar niet hoeven te vertellen. -Nochtans slaagt ze er meestal wel in niet te sentimenteel te zijn en haar boodschap duidelijk over te brengen. De lezer voelt uiteindelijk mededogen voor de moeder en voor Diane zelf.     Rupert Thomson / Dit feest heeft lang genoeg geduurd Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? -de ik = de auteur. Thomson schrijft een portret van zijn familie en zichzelf n.a.v. het overlijden van zijn vader. Hij kent zijn deel van het verhaal, maar heel weinig van dat van de anderen, en dat is ook wat hij wil meegeven: je kan iemand nooit helemaal kennen, ook niet als je erbij woont. Hij zoekt veel uit door met mensen te gaan praten enzo, maar dan nog weet hij lang niet alles. Wat vertelt de eerste zin? -‘Mijn moeder heeft nog een keer iets tegen me gezegd, na haar dood’àdat de moeder van de ik dood is Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer? -door die van de auteur. Hij probeert dingen ‘objectief’ te schrijven, waar hij conclusies trekt bv. i.v.m. zijn broer door nadien ook mee te geven hoe zijn broer het zag/ziet, maar toch beïnvloedt het mijn kijk. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? -bij de overleden moeder: zij is het enige personage dat alleen positief wordt voorgesteld. Thomson vraagt mensen hoe ze was en krijgt alleen positieve antwoorden, bv. p.162: ‘Nou, ze was echt beeldschoon […] Ze was altijd opgewekt en enthousiast en hartelijk, terwijl je vader eerder iets stugs had.’ Thomson herinnert zich zijn moeder vaag. Hij vraagt anderen hoe ze was en die geven alleen positieve antwoorden, om hem te sparen? Het is in elk geval het beeld dat Thomson van haar wil bewaren en het beeld dat hij de lezer meegeeft. Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? -N.V.T. Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol? - We komen het van weinig personages te weten, of slechts deels, omdat de auteur het zelf niet weet. Het gaat zowel om de mensen dicht bij hem (zijn familie) als anderen. Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? -De schrijver schrijft dit verhaal n.a.v. de dood van zijn vader: in de goede volgorde krijg je dus zijn dood, de 7 maanden waarin de broers samen rouwen in het huis van de vader, de spanningen die er zijn, het leegmaken en de verkoop van het huis, de verwijdering van zijn jongste broer en hun reünie. Op deze manier zou de schrijver nooit uitkomen bij waar het echt om draait, het trauma uit zijn jeugd, het plotse sterven van zijn moeder, de angst dat iemand zomaar kan wegvallen. Door het dooreengooien kan dit wel. De schrijver slaagt er hierdoor in meerdere lagen in het verhaal te stoppen. Helemaal sluitend is het verhaal niet: de schrijver blijft met veel vragen zitten, en bijgevolg de lezer ook. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie? -Het verhaal begint in 1965, een jaar na de dood van zijn moeder, maakt dan een sprong naar 1984, wanneer zijn vader sterft. En daarna worden gebeurtenissen aangehaald in een schijnbaar willekeurige volgorde. De lezer moet heel aandachtig zijn om te begrijpen wat zich wanneer afspeelt, de schrijver geeft dit soms aan met een jaartal te vermelden, of met tijdsaanduidingen als ‘twintig jaar later’ en door het gebruik van de tijd. Wat zich in 1984 afspeelt schrijft hij in de t.t. Door deze sprongen slaagt de schrijver erin de verschillende lagen mee te geven én bij het pijnpunt, het overlijden van zijn moeder, uit te komen. Het is ook door deze sprongen dat hij kan meegeven dat je iemand nooit helemaal kent. -De tijd die hij nodig heeft om het verhaal te vertellen begint in 1984, na het overlijden van zijn vader, maar beslaat zijn hele leven. In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? - Het verhaal speelt zich af in de 2de helft van de 20ste eeuw. De maatschappelijke context klinkt door in de muziek die ze beluisteren, de kleren die ze dragen, de normen die gelden, de kunstenaars die in zijn,…  Het verhaal speelt zich voor een groot stuk af in het huis van de vader na zijn overlijden, maar alle plekken waar de schrijver en zijn broers hebben gewoond komen aan bod. Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen? - Namen van muziekgroepen, kunstenaars, bekenden,… komen voor in het boek. Het is niet noodzakelijk ze te kennen om het verhaal te begrijpen, maar wel interessant. Ook enige kennis van de maatschappelijke context is relevant, omdat de schrijver elementen daaruit aanhaalt om de historische tijd en de milieus te schetsen. Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? -Thema’s: Rouwen, gemis ‘mensen kunnen zomaar verdwijnen’ Familiebanden: tussen broers, tussen zoon-vader,… Herinneren: herinneringen zijn niet betrouwbaar   En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie. - Thomson gebruikt heel veel beelden, bv. p.9: ‘Haar plotselinge dood heeft haar uitgevaagd, als met krijt geschreven woorden die door de leraar van een schoolbord worden geveegd.’ of p. 183: ‘Elke lantaarnpaal waar we langs rijden maakt een fotokopie van mijn gezicht.’ Vaak zijn ze echter ver gezocht, bv. p.9: ‘De bossen doemden voor me op, de bladeren in dreigende clusters als een paddenstoelenwolk.’ of p. 114: ‘… klim ik in mijn lievelingsplataan, waarvan de schors is afgeschilferd op plekken waar takken uit de stam komen, als een trui waarvan de mouw tot aan de ellenboog is opgestroopt.’ En vaak zijn ze overdreven, bv. p.40: ‘Het was zo stil op de overloop dat ik ergens achter me een vlieg tegen het raam hoorde botsen.’ -Thomson raakt gebeurtenissen, vaak ook vreselijke, aan zonder er te diep op in te gaan. Hierdoor dringen ze net meer door bij de lezer. -Hij schrijft intiem en oprecht, nergens sentimenteel, en toch ontroerend. Bv. waar hij terugkeert naar de plek waar zijn moeder ineengezakt is tijdens het tennissen, een plek die vroeger een tennisveld was, maar nu een parkeerplaats is geworden: p. 167: ‘Toen ze weg waren gelopen, bleef ik tussen de Renault en het busje in staan. Met hun witte markeringsstrepen leken de parkeerplaatsen een spookachtige echo van de tennisbanen waarop ze ooit uitzicht hadden geboden – spookachtig en tegelijkertijd logisch, alsof ze een bewerkte versie of de neergang ervan waren. Ik maakte een foto […] Later liet ik op Terminus Road een afdruk maken van de foto die ik had genomen. Drie auto’s, van achteren, een paar ondiepe plassen – wat witte strepen… De foto was opvallend nietszeggend, zonder echt middelpunt. Nee sterker nog: het was alsof hij was bewerkt. Alsof het onderwerp van de eigenlijke foto was verwijderd, waardoor alleen nog achtergrond restte.’     Edgar Hilsenrath/ De belevenissen van Ruben Jablonski Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet? -de ik = Ruben Jablonski = de auteur, die een andere naam gebruikt. De ondertitel leert ‘Een autobiografische roman’ leert me dat. Wat vertelt de eerste zin? -’22 maart 1944. De Russen zijn er!’à We krijgen de datum mee. We kunnen nu al vermoeden dat het om een bevrijding gaat. We krijgen ook een richting mee over waar het zich kan afspelen. Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer? -We kijken door de ogen van deze Ruben Jablonski zelf: het verhaal begint bij de bevrijding uit het getto. Hij is op dat moment een ongeïnspireerde jongeman, zonder levensvreugde of zin in het leven, en dat beïnvloedt mijn kijk. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre wordt ik daarin gestuurd door de verteller? -zeker niet Ruben Jablonski zelf: hij is ongemotiveerd, ongeïnspireerd en hij ‘gebruikt’ vrouwen. -de andere personages komen aanwaaien en verdwijnen weer, ze zijn niet diep genoeg uitgewerkt om sympathie of antipathie op te roepen, behalve op het einde zijn vader, die vind ik niet sympathiek omdat hij Ruben tegen zijn wil in de bontindustrie dwingt. De schrijver creëert dit gevoel bewust. Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? -N.V.T. Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol? -Ruben zelf: doordat hij zo ongeïnspireerd is, geeft hij weinig prijs Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? -Het verhaal beschrijft Rubens kindertijd en jeugd tot hij jongvolwassen is en zijn boek, Nacht schrijft. Hij begint het verhaal bij de bevrijding uit het getto, blikt terug op zijn romantische kindertijd en beschrijft dan hoe hij van de ene naar de andere plek trekt in de hoop een boek over het getto te kunnen schrijven. In goede volgorde zou het eerste deel zeemzoeterig zijn. Nu weet ik dat er een breekpunt komt, het maakt me nieuwsgierig naar wat volgt. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie? - zie vorige vraag. Hij begint het te vertellen vanaf het moment van de bevrijding, maar vertelt over zijn hele kindertijd tot de periode waarin hij het boek probeert te schrijven. Over de tijd in het getto vertelt hij opvallend weinig. Hij besteedt hier ook weinig tijd aan. In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? -Het verhaal speelt zich in de 20ste eeuw af, de tijd voor tijdens en na WO II. De maatschappelijke context bepaalt het hele verhaal. -We volgen Ruben, alias Hilsenrath, tijdens zijn leven: Hilsenrath werd in 1926 in een Duits-Joods gezin geboren in Leipzig, maar groeide op in Halle. Na de Kristallnacht in 1938 vluchtte het gezin zonder de vader naar het Roemeense Sereth. Daar woonden een opa en oma en het stadje had voor de toen 12-jarige Edgar een paradijselijke klank, die hij er in werkelijkheid ook ervoer. Zijn vader bleef in Halle achter, maar vluchtte in 1939 naar Parijs. Edgar zou hem pas na de oorlog weer zien toen het hele gezin wonder boven wonder herenigd werd. In 1941 kwamen Edgar en zijn moeder en broer terecht in het Oekraïense getto Mogilev-Podolski – een stad die niet meer dan een ruïne was – , waar ze soms met meer geluk dan wijsheid gespaard bleven voor transport naar een vernietigingskamp. In 1944 werd het getto door de Russen ontzet en al snel koos Edgar voor het avontuur door naar Palestina (destijds nog Engels mandaatgebied) te trekken in de hoop daar een nieuw paradijs te vinden. Dat werd een ontgoocheling. Hij belandde er meerdere keren in de gevangenis. In 1947 keerde hij terug naar het inmiddels in Lyon wonende gezin, maar vertrok kort daarna al weer naar de Verenigde Staten. -Hij vertelt opvallend weinig over het getto, buiten wat algemeenheden en hoe hij en zijn familie per toeval weten te overleven niets. Het verhaal begint op het moment waarop hij uit het getto bevrijd wordt, het gaat over hoe hij er niet in slaagt zijn gettoroman te schrijven, hij is verdoofd, hij vindt de woorden niet, dus kan hij ze ook niet schrijven in dit boek dat vanuit het perspectief van wie hij op dat moment is, is geschreven. Moet ik dingen opzoeken op het verhaal te begrijpen? -Je kan dit boek grotendeels begrijpen zonder al te veel achtergrond te hebben  over de streek. Uiteraard kent iedereen de grote lijnen van de Jodenvervolging. Veel wordt duidelijk in het boek/ de Russen bevrijden hen uit het getto, Palestina is op dat moment onder Engels bewind,…   Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden? -Thema’s: de pogingen om het boek, Nacht te schrijven: het is een noodzaak voor hem deze roman te schrijven, maar het lukt maar niet, pas op het einde, als hij op de boot naar Amerika zit, vindt hij woorden. zijn onrustige maatschappelijke bestaan (jobhoppen avant la lettre, ongemotiveerd, ongeïnteresseerd in de inhoud van zijn jobs)) de politieke verwikkelingen in de regio: in Midden-Europa tijdens het nazisme, zijn visie op de Armeense genocide en de ontwikkeling van de Joodse staat en de verhouding tussen Palestijnen en Joden in die tijd. zijn gedrag naar vrouwen toe: hij ziet hen alleen als wezens om seks mee te hebben zijn depressie: omdat het niet lukt het boek te schrijven of in de nasleep van het leven in het getto (bijhorende impotentie) familieverhoudingen   En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie. - We vinden hier niets terug van de aangrijpende taferelen in het getto uit Nacht, of van de satire in De nazi en de kapper. Deze Belevenissen lijken met weinig literaire ambitie geschreven te zijn. We krijgen bijna naïef te noemen dialogen  en beschrijvingen die je eerder in een droog geschiedenisboek verwacht. De vele seksscènes worden zonder passie afgeraffeld Ik vermoed dat deze kale, bijna fantasieloze stijl een bewuste keuze van Hilsenrath is, want het sluit wel aan op het levensverhaal van Ruben Jablonski die na het getto zijn inspiratie en zin in het leven totaal lijkt te zijn kwijtgeraakt. De platte, onversierde, taal, de plichtmatige dialogen, het zonder opsmuk beschreven gehobbel van het ene baantje naar het andere, en de kleurloosheid van de rafelranden van het leven passen hierbij. Het maakt er wel ene boek van waar je je als lezer moet door bijten..    

veerle schaltin
6 1

Masterclass Autobiografisch Schrijven – Opdracht 1 – Veerle Schaltin

Geschreven n.a.v. fragment uit ‘Wat voorafging’ van Diane Broeckhoven (p. 92 tot 100) Premisse: Om er bij vrienden bij te horen moet je ergens goed in zijn, om er thuis bij te horen ben je best zo onzichtbaar mogelijk.   Sneller dan anders fietste ik na school naar huis. De garagepoort kon niet vlug genoeg open zijn, mijn fiets niet rapper tegen de muur gezwierd. Ik denderde de trap op en juichte met de livingdeur nog in mijn hand: ‘Moeke, er is een muziekschool waar je kan leren gitaar spelen zonder eerst zeven jaar notenleer te moeten studeren!’ Ik griste het briefje van Jeugd en Muziek uit mijn boekentas en duwde het onder haar neus. ‘Mag ik dat doen? Toe?’ Natuurlijk mocht ik het. Een middag meer dat ze geen last van me had, kwam immers altijd goed uit. Mijn hart maakte een schroefsalto als ik even later de trap naar mijn kamer op holde. Ik zou leren gitaar spelen zonder saaie muzieknoten. En als ik dat kon,  zou ik er weer bij horen, bij Yves, Peter, Jurgen en Guy.   De voorbije zomervakantie was anders geweest dan alle andere. We hadden geen fietsraces of rolschaatswedstrijden georganiseerd. We hadden geen kampen gebouwd en ook nauwelijks potteke stamp gespeeld. De hele zomer had in het teken gestaan van het grote optreden van Yves, Peter, Jurgen en Guy. Elke ochtend hadden die vier zich in de berging bij Jurgen opgesloten om er pas ’s avonds weer uit te komen. Wij mochten er niet in de buurt komen. Annick en ik hinkelden, sprongen touwtje of haalden onze Barbies boven. Een paar keer fietsten we naar de snoepwinkel om zoveel snoep te kopen als we in onze zakken gestopt kregen. Ons zakgeld raakte echter te snel op. We telden af naar de avonden. Elk uur duurde een halve dag. ’s Avonds dramden de jongens door over hun optreden, welk nummer er nog bij kon, waar een akkoord moest worden aangepast, hoe ze zich zouden kleden,… Annick en ik stonden erbij voor Piet Snot. Af en toe hadden ze een taak voor ons. Zo mochten we tickets verkopen. We knipten rechthoeken uit gekleurd papier, schreven er ‘OPTREDEN’ en ‘5 frank’ op, en tekenden er nog een gitaar bij. Met deze kaarten schuimden we de Meerminnenstraat en de Dwergenstraat af. Als iemand me vroeg welke muziek ze speelden, haalde ik mijn schouders op, want alle namen waar de jongens mee dweepten waren Chinees voor mij. Op de vraag of ze goed waren, antwoordde ik volmondig ‘ja’, al had ik nog geen enkele noot mogen horen.   De dag van het optreden zetten Annick en ik drie rijen stoelen klaar in de garage bij Yves. Aan de zijkant plaatsten we een tafel. Annick zette er bekertjes met chips op. Ik legde er koeken bij die ik thuis met Petit Beurres, Smarties en suikerglazuur had gemaakt. We haalden ook flessen cola aan. Voor de garage klapten we een picknicktafeltje open. Hierop installeerden we onze kassa, niet meer dan een eenvoudige schoendoos waar we het geld instopten. Ook al was niet elke stoel bezet, om stipt twee uur deden we de poort dicht, want dat had Yves ons opgedragen. Meteen daarop vulde kattengejank de pikdonkere garage. Ik gaf Annick een stomp. ‘Dat moet zo,’ fluisterde ze, ‘dat heet stemmen.’ Dit vals gedoe ging snel over in keiharde rockmuziek. Toen Yves begon te zingen, knipte Annick het licht aan. Guy gebaarde dat we moesten rechtstaan. Iedereen danste voor of zelfs op zijn stoel. Ik deed uiteraard mee, maar moest mijn voeten wel dwingen om heen en weer te springen. Op het einde zwaaiden Peter en Jurgen hun gitaren in de lucht, en gooide Guy zijn drumstokken weg. De vier pakten elkaar stevig vast. Wij applaudisseerden luid. Mijn handen konden elkaar niet goed vinden. Als het publiek weg was, bleven de jongens maar zeuren over hoe tof het was geweest. Annick en ik ruimden ondertussen alles op. En toen was de vakantie voorbij.   Het briefje van Jeugd en Muziek was een zegen. Elke zaterdagnamiddag zou ik voortaan naar de muziekschool gaan. Dat ik eerst een jaar zang moest doorworstelen voor ik echt een gitaar kreeg, viel wel tegen, maar om er weer bij te horen had ik veel over. Het tijdstip bleek niet zo gelukkig gekozen. Elke zaterdagmorgen gingen we immers met het hele gezin naar de markt. Zo’n voormiddag kon alleen bij de Sels afgesloten worden. Als het volgens mijn moeder hoog tijd was om naar huis te gaan, smeekte mijn vader: ‘Nog eentje?’ Staf schoof dan snel de zoveelste pint naar hem toe. Mijn broer en ik kregen chips en cola. Ik speelde nog maar een spelletje op de flipperkast of koos een nieuw plaatje in de jukebox. Mijn moeder roerde haar lepel woest in haar koffie rond. In de auto vloog ze uit tegen mijn vader: ‘Hoe moet dat nu met de muziekschool?’ Thuis brulde ze zo hard dat het vast drie huizen verder te horen was. Steevast verdween ze zonder eten klaar te maken naar haar bed en ging er liggen huilen. Mijn vader wisselde geen woord met mij als hij me naar de muziekschool bracht. De lessen verliepen anders dan ik had verwacht. Ik heb nooit toon kunnen houden. Als de leraar me vroeg ‘Oude Jan en jonge Jan’  voor te zingen, begonnen de meisjes achter me zacht te miauwen. Tijdens de pauze gingen ze op de speelplaats op een bank staan en riepen: ‘Komt dat kijken, komt dat kijken… hier treedt op… de jankende kat!’ Ik moest dan voor iedereen zingen en alle kinderen miauwden mee. Ik hield mijn hoofd en schouders recht, en boetseerde een lach op mijn gezicht, maar liefst was ik in een gat in de grond verdwenen. In de auto terug naar huis was het weer muisstil. Thuis zat mijn moeder te breien of te lezen alsof er niets was gebeurd. Ik volgde haar voorbeeld of ik ging buiten met de jokari spelen. Over die plagerijen liet ik niets los. Mijn ouders hadden al problemen genoeg. En ze zouden toch zeggen dat ik me er niks van moest aantrekken. Ik wist dat als ik ergens mee gestart was, ik dat jaar ook uit moest doen. Dus ging ik elke week opnieuw naar de muziekschool. De chips en de cola van bij de Sels lagen elke week zwaarder op mijn maag. Ik wist toen al dat ik het na dat jaar zou opgeven, dat ik nooit gitaar zou spelen, nooit meer bij Yves, Peter, Jurgen en Guy zou horen, en dat onze wonderlijke zomervakanties voor altijd voorbij waren.

veerle schaltin
11 1