De stad ontwaakt.
Het weggennetwerk kraakt.
Kootje per kootje strekken de straten zich uit.
De wegen krullen hun tenen.
En terwijl de bomen op hun tippen gaan staan, blaast de wind.
Deuren piepen en geeuwen.
Betonnen gebouwen douchen zich
met de eerste zonnestralen.
En terwijl zij licht vangen,
raast bloed door de straten.
Het pompt langs oevers en kaaien.
De stad kleedt zich aan
maakt zich op.
’t Is weer tijd voor haar dagelijkse rendez-vous
met haar eeuwenoude, schone geliefde;
haar onvermoeide minnaar,
het krieken van de dag.

