"April in haar regenjas"
(voor Tom, David en René - deel I)
April kwam binnen op blote voeten,
met een regenjas vol klokgelui en sigarettenrook.
Ze sprak geen woord —
maar haar adem maakte condens op mijn ramen,
ergens in de verte huilde een accordeon
het huis herinnerde zich hoe het vroeger lachte.
De bloesem hing aan de bomen
als verfrommelde servetten na een mislukte picknick.
Lentelicht viel scheef door het plafond,
waar vogels hingen aan onzichtbare draadjes —
niet vliegend, maar tentoongesteld
zoals men dromen ophangt in musea
die alleen 's nachts open zijn.
Ze schonk me koffie
uit een theepot die naar benzine rook,
en zei:
“Soms is bloeien alleen maar een langzaam sterven in pasteltinten.”
De zon kwam op in omgekeerde volgorde,
de klok liep achteruit met een trombone op de achtergrond,
en ik begreep ineens
waarom het gras altijd groener lijkt
op een schilderij van iemand die nooit buiten komt.
"Nadat April vertrok"
(voor Tom, David en René deel II)
Ze liet haar regenjas hangen aan een spijker in de lucht,
naast een klok die niet wees.
De koffie was koud,
de theepot verdween langzaam in het tafelkleed
zoals herinneringen dat doen
als niemand ze meer opraapt.
In de gang lag één blote voetafdruk,
gevuld met mos en zacht gezoem
van radio die op geen enkele post stond.
Ik opende het raam —
maar de lucht daarbuiten was geschilderd
op een doek dat bewoog als ademhaling.
Er stond een stoel in de tuin
waar niemand ooit op gezeten had,
maar die precies wist hoe wachten voelde.
Een kraai op het dak droeg een zakhorloge,
en keek me aan met het geduld
van iemand die al weet
dat morgen uitgesteld is.
Onder de vloer zong iets.
Misschien de lente.
Misschien gewoon de buizen.
Ik keek naar mijn handen —
ze waren vol bloesem
die ik nergens had geplant.
Tekst : Manfred - 18 april 2025
Foto : Manfred - Damme

