“Archief van Verdwijnen”
Aantekeningen van de archiefhouder
Er zijn dossiers die niet opgevraagd worden.
Stukken die fluisteren wanneer je ze openslaat.
Deze bundel is een verzameling daarvan.
Wat u hier leest, is geen reisverslag maar een verdwijnverslag.
Geen herinneringen, maar echo’s van wat zich misschien nooit voltrokken heeft.
Elk gedicht een kaart van een plek zonder coördinaten,
elk beeld een spiegel die niet terugkaatst, maar absorbeert.
In dit archief registreert men geen feiten.
Hier worden stemmingen bewaard.
Verstilde bewegingen.
Stille stemmen.
Vergeten keuzes en hun naschaduw.
Er is geen sleutel nodig.
Alle laden zijn al open,
ze wachten alleen
tot iemand kijkt
en iets herkent
wat hij zelf heeft weggeschreven.
Welkom.
Of welkom terug.
— De archiefhouder
Uitnodiging tot verdwalen (deel I)
Kom, mijn schaduw met je ogen van rook,
laat ons vluchten naar een plek
waar spiegels fluisteren
en tijd in achteruit leeft.
Liefhebben zonder vorm,
onder een bloedrode maan die nooit
beslist of ze opkomt of ondergaat.
Daar, in dat huis zonder deuren
waar het tapijt je naam ademt
en de lampen dromen van verdrinking,
daar ben jij zoals je hoort te zijn.
Daar is schoonheid die je stil doet wenen.
Luxe in het porselein van gebroken maskers.
De stilte na een onuitgesproken schreeuw.
We liggen op de grens
van slaap en verdwijnen,
tussen kamerplanten die fluisteren
in talen van oude radio’s.
En in die schemerzone
waar je naam vervaagt tot een geur,
ademen wij zacht
onder het plafond van stromend marmer.
Onder de stad (deel II)
Er is een stad onder de stad,
waar regen naar boven valt
en lantaarns fluisteren in Morse.
De metro rijdt zonder machinist,
vol slapende mannen
met koDers vol gebakken lucht.
Een vrouw met een gezicht als gebarsten porselein
zingt een lied zonder woorden,
en ergens
op een bank van roest
lacht een man
die nergens meer op wacht.
Hier ruikt het naar motorolie
en vergeten verlangens.
Klokken tikken met zatte tongen,
ratten dragen hoeden
en vragen niets.
Niemand kijkt je aan,
maar alles ziet je.
Hier is geen hemel.
Geen hel.
Alleen de tussenruimte,
waar dromen achteruit lopen
en deuren niet leiden naar kamers
maar naar stemmen
die jouw naam nog weten.
En als je blijft stilstaan,
luisteren,
helemaal luisteren,
hoor je
onder het gebrom van leidingen,
het gehijg van stoom,
het gepiep van neon,
een melodie
die je ooit is nagelaten
door iemand
die je misschien
nooit hebt ontmoet.
Trein der Traagheid (deel III)
Ik zit op een trein
die niet stopt
maar nergens heen gaat.
Het landschap herhaalt zich,
elke boom kijkt me anders aan
dan daarnet.
De conducteur,
ogen van melkglas
spreekt in getallen
die ik ooit droomde.
Hij knikt,
alsof hij weet
wat ik vergeten ben.
De vrouw tegenover mij
draagt een masker
van haar jongere zelf.
Ze ruikt naar vergeelde brieven
en leest een boek
zonder bladzijden.
Iedere wagon, een herinnering
waar je niet meer in gelooft.
De stoelen zuchten
onder het gewicht van wat
niet is gebeurd.
En als ik door het raam kijk,
zie ik
mijn geboortehuis
opnieuw branden.
Altijd datzelfde vuur,
altijd die stilte
nadat iemand mijn naam riep
en niemand opstond.
Er is geen eindstation.
Geen kaartje dat vervalt.
Alleen het ritme
van een wagon
die een droom meesleept
als een jankende mondharmonica
door het vergeten heen.
Iemand stapt in,
maar niemand stapt uit.
Soms denk ik
dat deze trein me zal uitleggen
waarom ik altijd onderweg ben
naar iets
dat ik al was.
Het pad dat zich verzon (deel IV)
Er waren twee deuren
in de bouwvallige hal
van het verlaten hotel Kosmos.
Geen bordjes. Geen nummers.
Allebei ademden langzaam,
alsof ze sliepen,
droomden van iemand zoals ik.
Ik koos er één
omdat de vloer ervoor iets minder kraakte.
Of misschien
omdat de lucht daar stonk
naar herinneringen die ik niet had.
De gelachzaal was leeg
behalve een stoel
en een radio die enkel zong
wat ik gisteren had gedacht.
Op de nachttafel:
een postkaart van een weg in de mist
met mijn handschrift erop.
Achterop stond:
"Je was hier al voordat je koos."
Buiten was geen buiten meer.
Alle ramen waren spiegels,
en in elk keek ik mezelf aan
zoals ik ooit had willen zijn.
Soms hoor ik de andere deur
Langzaam piepend.
Traag krakend.
Zoals iemand die wacht
zonder te weten waarop.
De weg die zich verzon (deel V)
De weg lag daar,
een schaduw die je niet meer kunt dragen.
Gevonden, maar niet verwacht,
drijvend tussen bomen die niet ademen,
zoals een rivier die verdween
voordat je leerde zwemmen.
De buizerds, die altijd hoog boven je leken,
broedden in de lucht,
hun ogen als vonken die je verbranden
als je te dicht bij de rand kwam.
Ze wachtten,
op het moment dat je wegkeek,
alleen een flits van beweging,
een vleugelslag die je ziel wilde grijpen.
En witte tijgers —
ze kwamen niet van voren.
Zeldzaam, niet met brullende kracht,
het geruis van onzichtbare stappen,
hun klauwen de echo van wat je zei
toen je dacht alleen te zijn.
Ze naderden je niet,
maar je voelde ze in je rug,
hun adem, een herinnering,
wat je niet had gezien.
De weg gevonden,
maar de grond eronder bleef trillen,
alsof de keuze pas nu begon.
De lucht fluisterde je naam,
bomen leken te fluisteren
over routes die je niet meer kon kiezen,
maar je was er al.
Je had je gevonden —
een droom die niet herkende
waar hij vandaan kwam.
Epiloog
Archiefkast
Alles wat ik was
past nu in een lade
zonder naam.
En als je hem opent
ruik je
de regen
van een droom
die ik nooit had.
Tekst : Manfred 16 april 2025
Foto : Manfred - Parijs

