Lopend door de duistere paden in de duisternis van mijn opengescheurde muren. Benzine sijpelt binnen. Ik stik, maar voel het niet. Kijk me gaan, kijk me staan. Lopend ga ik niet vooruit. Duisternis omhult mijn atomen. Ziel of twee? Meerdere zielen staren me aan. Alles sijpelt binnen, maar niets dringt tot me door. Alcohol en deodorant, goeie combo. Kijk me gaan, kijk me aan. Duistere, geniepige ogen. Alles draait en tolt. Ik sta met één voet op de grond. Waar is m’n andere? Vlijmscherpe tanden van mijn vader’s kettingzaag. Sta nooit op een boom terwijl je een zware tak afzaagt. Kijk uit, kijk vooruit. Je vloeibare druppelt op m’n voorhoofd. Waarom gaan tranen, als niets je raken kan. Je druppels zagen me in twee. Of in vier. Of in duizend gekante stukken. Aaneen genaaid en toch 'normaal'. Ik lig neer. Er is een hoek af. Ga bij me vandaan. Of nee, blijf hier, blijf hier bij me staan. Duistere paden waar ik niet heen wil gaan. Gehuld in rook kijk ik je aan. Blijf bij me lopen. Blijf hier. Dan stik ik, maar voel ik het niet.