Big boy

14 mei 2026 · 15 keer gelezen · 1 keer geliket

De laatste weken droom ik dat ik iets kwijt ben. Ik dwaal door het huis van mijn jeugd, de monumentale trap op naar de eerste verdieping waar in een nis een eind boven mijn kruin een opgezette haas staat. Schutkleurig, kreupel.
Hij staart me aan. 
Hier is niets te vinden, jongen, zegt hij.
Hij neemt de rest van zijn dood nog maar één houding aan: stijf van de houtwol, staand op zijn achterpoten, zijn voorpoten als sabels de lucht in. 
Nu klop ik aan. Daar is mijn moeder, zij is het. Haar ben ik dus niet kwijt. Als ik mijn arm strek kan ik bij haar kamerjas met de zilveren stiksels, bij haar vochtige hals, maar er is terughoudendheid geboden.
Ik heb hartkloppingen, zegt ze.
Ik ook, zeg ik, omdat ik het niet begrijp.
Ga met Elvis spelen, sommeert ze me.

Elvis heeft geen vacht, wel organen die je doorheen zijn huid ziet pompen. Telkens als ik ernaar kijk, verwacht ik dat ze gaan ophouden want Elvis is ziekelijk, zoals zoveel te ver doorgekweekte naaktkatten. Zijn huid is geïnfecteerd, zijn ogen etteren doorlopend. 
Ik loop in halve cirkels om hem heen.
In de vooravond zit mijn moeder in de sofa met een okerkleurig glas en een trillende Elvis op haar schoot. Ze begrijpt hem zo goed, zegt ze, altijd tegen mij. 

Vooraan in de gang is een smalle, hoge deur, met daarachter warme poedergeur en borduursels.
Ik kleed me uit en schuif het bed in, wacht. Als ik me uitstrek komen mijn koude voeten tot halverwege de matras. Ik wil hier slapen, als een koekoeksjong. 
Tegen mijn rug voel ik Gita’s warme buik, haar arm reikt over me heen, haar hand landt op mijn sleutelbeen.
Does it still hurt, vraagt ze.
Yes, zeg ik met mijn verminkte s. Er zit een gat waar mijn voorste melktanden vanochtend nog zaten. In mijn eigen bed ben ik alleen dat waaiende gat in mijn mond, maar hier is het windstil.
Ze geeft me zachte klopjes.
Good night, fluistert ze.
Good night, fluister ik, met hetzelfde Letse accent. 

Overdag zet Gita mijn boterhammen met een klap op tafel, zeurt ze over huiswerk en modder aan mijn schoenen. Ze heeft een contract na te leven, verplichtingen die mijn moeder haar oplegt en waar mijn vader haar voor betaalt.
Na bedtijd geldt het contract niet. In de ogenblikken vlak voor de slaap me naar beneden trekt, is Gita ongebonden.

Wanneer ze niet kookt, schoonmaakt of me voorleest, verzorgt ze Elvis. Dagelijks wordt hij in lauw water met olie gewassen, zodat zijn huid het nog even trekt. Vanaf een afstand kijk ik toe. Elvis is bang voor het water, maar wanneer Gita hem toezingt, precies op de rand van de stilte, stopt het beven. 

Kaķīt’s mans, kaķīt’s mans,
melns ar baltām ķepiņām.

Hij is kneedbaar en voller in haar handen.

Ik ben acht. Nieuwe, grote tanden hebben het gat in mijn mond gevuld. 
Big boy, zegt Gita, en dat ik weer in mijn eigen bed kan slapen nu, maar dat gebeurt niet. 
Dan ben ik plots dertien en bereiken mijn koude voeten bijna de bedrand. Wanneer ze toevallig Gita’s onderbenen raken, zucht ze en dan doe ik het opnieuw. 
Big boy, big boy.

Ze vraagt me te helpen bij het wassen van Elvis, maar ik weiger. Zijn dood is nakend, ik ruik het al aan hem. Ze wast hem op twee meter van waar ik huiswerk maak. Tussen mijn wimpers zie ik het licht iriseren op het badwater, op Elvis’ glibberige vel. Gita’s handen vinden geen grip, lijken te zweven. Haar vingers zijn behendig, ze weten alles. Elvis verroert zich niet. Ik zie zijn kattenogen met die typerende diepte die geen diepte is, alleen reflectie. En overal daardoorheen: pus.

Op de ochtend van mijn veertiende verjaardag ligt hij opgekruld in zijn mand. We krijgen hem moeilijk uit die krul. Hij kan als we dat willen in de nis op de eerste verdieping gezet worden, naast de haas, maar dat willen we niet. 
Er wordt een gat in de tuin gegraven en wanneer alles achter de rug is, komt er een zerkje bovenop.

Daarna begint alles gevaarlijk te hellen. 
Na bedtijd is er steeds minder toeval. Ik ben alleen nog wildgroei, overdaad. Gita zucht steeds vaker, draait zich dan om; haar rug is een kil, ademend schild. 
Ik vind geen houding, kan niet bedaren, alles is klam.
You should sleep in your own bedroom from now on, zegt ze.
Ik doe alsof ik het vergeet, houd me gedeisd, maar ik kan niet tegenhouden dat ik word wat ik primair ben: roofzuchtig.

I should tell your mother, zegt ze.
Ik denk aan Elvis’ laatste bad, zijn onhoorbare spinnen. Ik grijns naar haar en ze wendt haar blik af terwijl haar handen zich kort ballen – ze heeft ze zeker gezien, al mijn volwassen tanden.

Tijdens een van die nachten geeft Gita mij een duw en beland ik plat op mijn buik naast het bed. 
Ik kom overeind, grijp haar vast en bijt in haar onderarm. De wond bloedt in twee boogjes, een opwaartse en een neerwaartse. Ze kijkt me verrast aan. 
Ze wikkelt er een verband rond en zegt niets meer, ook niet wanneer ik weer naast haar ga liggen. 
Precies even groot zijn we, maar ik ben breder.
I should tell your mother, zegt ze opnieuw, maar het is niet ondenkbaar dat ze erbij grijnst.

Ik moet de kamer uit, het onheil nadert. Wanneer ik opsta, begint het me te duizelen. Waar moet ik heen, waar is de dreiging het kleinst?
Ik ga het huis uit, wandel naar de plek waar Elvis begraven ligt. Ik wil hem terug. Ik begin te graven, kluiten aarde hopen zich op tot een heuveltje naast het gat waarin een houten kistje bloot komt te liggen. Er liggen alleen botten in, maar ik herken Elvis meteen.
Achterbakse kat, zeg ik, je bent niets veranderd.
Zo ver mogelijk smijt ik hem weg; hij valt rammelend in het gras en activeert meteen een sprinkler.

Binnen is het koud geworden. Opkomend zonlicht valt horizontaal door de ramen. Helemaal tot vooraan het huis loop ik, tot bij de garage. Ik kan de deur beter dichtlaten, weet ik.
Op deze plek blijf ik staan, ik heb geen keuze.

Daar is het dan eindelijk, precies zoals het altijd komt, bedrieglijk terloops: zwart gas dat onder de garagedeur vandaan komt, de gang vult. Ik leg mijn hand op de klink en duw die naar beneden, maar de deur zit op slot.
Ik roep mijn moeder, die me eerst niet hoort en ten slotte heel traag en argwanend de trap afdaalt, waar ze halverwege blijft staan omdat ze niet begrijpt wat ze ziet.
Wapperend met haar armen nadert ze me. Dan duwt ze me weg en werpt haar volle gewicht tegen de deur waarachter het gebeurt, maar haar volle gewicht stelt niets voor. 
Ze loopt naar buiten, probeert de garagepoort te openen, daarna de achterdeur – alles zit vast en uit alle kieren en gaten kringelt het gas omhoog, elegant in de frisse lentezon. 
Een prachtige dag is het, terwijl we manieren blijven zoeken om binnen te geraken in de garage. 
Mijn moeder roept een paar keer haar naam en ik denk: het is de eerste keer dat ik mijn moeder haar naam hoor roepen. Ik word er heel verdrietig van, maar het verdriet voelt meteen oud.

In het midden van al die gebeurtenissen is er een stilstaand beeld van een slappe Gita die uit de wagen wordt getrokken wanneer de ruimte voldoende geventileerd is. Het is een volkomen kalm beeld, alleen Gita is zichtbaar, verder niemand. Ik zie haar gezicht niet, alleen een deel van haar losgeraakte haar, misschien. Ik roep het telkens op, dwangmatig, al kan ik niet geloven dat iemand toen toeliet dat een jongen van veertien, een kind nog, op dat moment stond toe te kijken vanuit de gang.

Weer later legt mijn moeder een hand op mijn schouder en duwt ze me de trap op. Aan de nis met de haas staan we, wiens sabels nu op ooghoogte zijn.
Even verwacht ik dat ze zal zeggen dat ze hartkloppingen heeft, dat ze met rust gelaten wil worden en dat ik alles alleen moet afhandelen. 
Maar dan legt ze haar hand weer op mijn schouder en articuleert nauwkeurig: ze heeft me verteld dat jullie ruzie hadden. Ik heb gezegd dat ze het allemaal verkeerd heeft geïnterpreteerd. Denk je ook niet?
Ik reageer niet.
Voor de politie zijn verkeerde interpretaties irrelevant, besluit ze.

Ze wacht mijn reactie niet af en schrijdt naar beneden, trede voor trede die gigantische trap af, terwijl ze met een witte zakdoek de roetvegen van haar voorhoofd en hals dept.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

14 mei 2026 · 15 keer gelezen · 1 keer geliket