Lezen

Antropologie bij de kabouters

Prof. dr. François L. Oude Kenterink wurmde met een takje de prut uit zijn schoenzolen. “Ga lekker wandelen, dat maakt je hoofd leeg” en meer van dat soort onzin kraamde zijn collega en vakgroepvoorzitter prof. dr G.H. Patloop uit. Midden in het bos en zelfs hier uitglijden over de hondenpoep. De takken geurden als de winkel waar hij van zijn vrouw cadeautjes moest kopen, met een standwerker die reclame maakte voor een verkeerd soort Eau de Cologne. Vreselijk die frisse lucht en wapperende takken, zijn bureau fungeerde als zijn natuurlijke habitat en de geur van boeken en zweet afgewisseld met deo van een bezoekende student voldeed prima. Literatuurstudie uitvoeren en video observaties uitwerken, dat was de kern van zijn werk. Als een dirigent voor een symphonieorkest stuurde hij studenten over de wereld waarna hij de observaties en resultaten van die kinderen onder eigen naam kon publiceren en wetenschappelijk scoren. Als het te moeilijk werd, stuurde hij een paar werkgroepen statistiek op de mailtjes van zijn studenten af en met nieuwe grafieken en tabellen poepte professor François weer een mooi artikeltje uit. Allemaal zonder vies te worden, zonder plakkerig zweet onder de oksels van een of ander tropisch land met enge ziektes, zonder misselijk te worden bij het opstijgen of landen en zonder zijn werkkamer in te ruilen voor een hotelkamer waarin je je afvraagt wie gisteren onder de douche heeft gestaan of op de pot heeft gezeten.    Antropologie moet wel leuk blijven. Hij pakte een pakje papieren zakdoekjes uit zijn jaszak, wapperde een zakdoekje los en legde deze zorgvuldig op een omgevallen boomstronk. Hij ging voorzichtig zitten en zorgde dat zijn broek niet in aanraking kwam met het mos op de boom. Hij peuterde verder met het takje.   ‘Flikker op!’ Piepte een stem.    François keek om zich heen, stond op, liep naar de dikke eik en keek erachter. Niets te zien, ook niet achter de eik ernaast, de esdoorn bij de omgevallen stronk of in de struiken tussen de bomen. Twijfelend aan zijn verstand keek hij rond de iep. Niemand. Hij reinigde de laatste resten van zijn schoenprofiel en schraapte de zijkant van de zool over de boomstronk om de randjes schoon te krijgen.    ‘Flikker op met die shitzooi,’ klonk weer het gepiep. ‘Ik smeer jouw huis toch ook niet onder?’ Vlak naast zijn schoen, boven op de boomstronk, wapperde een klein rood vlaggetje. De felle kleur stak mooi af tegen het mat groene mos op de stam. François zakte door zijn knieen en pakte zijn leesbril uit zijn binnenzak. Hij klapte de bril open en zette deze op zijn neus. Het vlaggetje bleek een muts. En deze muts stond scheef op het hoofd van een mannetje zo groot als François zijn hand.    ‘Wat sta je te loeren man,’ zei het mannetje. ‘Zeker nooit een kabouter gezien.’    ‘Nee.’ Daar moest François de rood gemutste bosbewoner gelijk in geven. ‘En je hebt een authentieke rode puntmuts.’   ‘Getver man, heb je bedorven knoflook gegeten?’ Het dwergje prikte zijn wandelstok in de neus van François. ‘Als je de volgende keer je bek open trekt, praat opzij in de richting van die boom daar.’   François hield zijn hand voor zijn mond en zei: ‘Jullie bestaan echt!’   ‘Tuurlijk bestaan we en natuurlijk heb ik een puntmuts, wat moet ik anders op mijn hoofd? Dat maffe witte hoedje van jou houdt het hier in het bos geen week schoon uit.’ De kabouter keek misprijzend naar de bruine vlekken op het dak van zijn hutje. ‘Elke keer komen we jullie malloten tegen, leggen uit hoe we leven, laten onze dorpen zien en vragen het op te schrijven en uit te leggen.’ De kabouter draaide drie keer zijn wandelstok in de lucht en een mini tornado raasde over het vieze dak en verwijderde de resten hondenpoep. ‘En de volgende die langskomt is net zo verbaasd, elke keer hetzelfde liedje.’ Het mannetje sprong van de stronk op de grond.   ‘Ik ben antropoloog.’ François maakte een korte rondedans.   ‘Ik ben postbode,’ zei de kabouter, maakte de overdreven buiging van een lijfeigene die de koning begroette. Hij stond op en schudde zijn hoofd. ‘Het benoemen van een beroep lijkt mij niet relevant. Ook niet met een moeilijk woord als beroep.’ François danste vrolijk verder en de kabouter sprong snel tussen de wortels van de boomstam.   De kabouter zei: ‘Pas op waar je springt met die lompe poten van je.’   Een licht geknars klonk en een deurtje tussen de boomwortels ging open.   ‘Kunnen jullie effe dimmen met dat gestamp?’ klonk het.   Een klein groen puntje verscheen, François zakte weer door de knieën en zag een vrouwtje. Hij kon zijn geluk niet op, dit werd een live observatie, de laatste observatie die hij zelf had uitgevoerd was tijdens zijn promotietraject. Hij pakte zijn telefoon en noteerde datum en tijd, hij legde de GPS coördinaten vast en maakte snel een foto. Het vrouwtje keek hem pissig aan en daarna naar de kabouter met het rode mutsje.    ‘En wie mag dit dan wel wezen?’ vroeg ze. ‘En waarom zwaait hij met dat platte kastje.’   ‘Een lomperik die zijn identiteit haalt uit zijn werk,’ antwoordde het mannetje. ‘Daarom pocht hij met een moeilijk woord. En als je hem zo blij ziet kijken, is hij onder de indruk dat hij met een echte postbode staat te praten.’    ‘Kan me niet schelen,’ antwoordde het vrouwtje. ‘Ik heb honger, wanneer is je hazelnoten grourf klaar?’   ‘Ik stookte net de oven warm en wilde de ketel erin schuiven. Maar ja, je weet hoe het gaat: ik hoorde geschraap, want deze hier,’ Hij prikte met zijn wandelstok in François zijn wang, ‘smeerde hondenpoep op ons dak.’    François wreef over zijn wang en stond op.   ‘En wat voor moeilijk woord mag jij tot je beroep rekenen?’ vroeg ze.   ‘Ik ben antropoloog,’ herhaalde François.   ‘Sukkel, anthropos betekent mens en logos dat je er iets van weet.’ Het vrouwtje tikte met valse bewondering aan haar muts. ‘Dus je weet iets van mensen. Wij noemen dat gewoon menskunde, dat doet neef Ploenkie ook.’   ‘Hij is gespecialiseerd in jullie soort,’ vulde de kabouterman aan.   ‘Die oversized mensen zijn allemaal hetzelfde.’ De vrouw draaide zich om en liep naar de deur. ‘Grote bek over niets. Hebben we een lekker toetje?’   ‘Zwarte bessenvrobel met schors,’ antwoordde de man.   ‘Mmmm,’ zei ze. Ze gaf hem een kushandje en verdween door de deur.   De kabouter keek haar liefdevol na, keerde terug naar François en zijn gezicht betrok. ‘We weten wat jullie uitvoeren, neef Ploenkie maakt aantekeningen en presenteert die elke volle maan,’ zei de kabouter. ‘Hij heeft een observatiepost aan de rand van het bos.’   François keek hem niet begrijpend aan.   ‘Wat staar je nu zo dom?’ vroeg de kabouter. ‘Dat gebouw met die dieren eromheen. Zo zien we hoe jullie leven.’   ‘Dat huisje met die rode luiken?’   ‘Noem het maar een huisje, dat is een kasteel.’   ‘Jullie kijken naar Robert Nazicht? Een televisienul? Zijn woonboerderijtje wordt onderhouden door anderen en die dieren zijn voor de hobby,’ schamperde François.   ‘Bagatelliseren tekent je zwakte en gebrek aan argumenten, irritant mannetje. Ploenkie heeft in drie eikenbomen op het terrein een holletje gemaakt en ziet op elke plek iets anders, namelijk rond de eerste boom jullie interactie met het dierenrijk en de rituelen die daar mee samenhangen, vanuit de tweede boom de oversized menselijke voederrituelen en op de derde plek het paringsgedrag van jullie soort. Alleen bij dat laatste schuiven jullie rode doeken voor het glas. Dat vindt Ploenkie lastig, vraag of ze bij de volgende paring die doeken weghouden, wil je?’   ‘Die gozer van Nazicht geeft geen voorstelling van het gemiddelde menselijke gedrag.’   ‘Je bent gewoon jaloers dat onze methodologie beter in elkaar steekt.’ De kabouter pakte zijn pijp en begon deze zelfvoldaan te stoppen. ‘Ploenkie formuleert een onderzoeksvraag, in samenspraak met onze raad van ouderen, daarna doet hij gestructureerde observaties die hij presenteert bij volle maan. Wij, de raad van ouderen, gaan hierover in discussie en daarna formuleren we aanvullende of nieuwe onderzoeksvragen.’   ‘Dat werkt toch niet?’   ‘Ja, jij hebt mooi lullen. Je strompelt random door een bos en alleen omdat je die strontpoten aan mijn dak afveegt, merk je iets op. Je bent net zo blind als de anderen.’ De kabouter stak zijn pijp aan. ‘Wat jullie proberen, doen wij ook, en om eerlijk te zijn, wij onderzoeken een stuk beter. Wij dissemineren de kennis tenminste behoorlijk.’   ‘Disseminatie?’   ‘Ja,’ De kabouter keek geïrriteerd. ‘Luister je niet ofzo? ELKE VOLLE MAAN EEN MONDELINGE RAPPORTAGE.’   François keek rond en de kabouter trok rustig aan zijn pijp. ‘Ik ga een artikel over het kaboutervolk schrijven!’ François keek trots naar beneden. ‘Ik stuur studenten voor gedetailleerde video opnames.’   De kabouter lachte sarcastisch, schudde zijn hoofd en nam een diepe trek aan de pijp waarbij de kop vervaarlijk gloeide zodat het leek of de tabak in één keer opbrandde. Hij hoestte en fluimde een bruine klodder vlak voor François zijn voeten.    ‘Beloftes, beloftes, beloftes,' zei de kabouter. 'Maar nakomen? Ho maar!’ Hij liep naar zijn voordeur. ‘Een paar jaar geleden kreeg mijn neef Plop bezoek van een paar je vriendjes. Een of andere Gert beloofde alles op te schrijven en te visualiseren. Plop is met zijn vrienden drie weken bezig geweest.’ De kabouter schudde zijn hoofd. ‘Aan je verbaasde kop te zien, ken je neef Plop niet.’ Hij stapte naar binnen en wende naar François. ‘Meer dan een halve eeuw geleden kreeg ik een of andere eikel met een snor en een baardje op bezoek.’ Hij staarde zoekend naar de grond. ‘De naam is mij ontschoten… Maar goed, die kwam met zijn hele hebben en houwen: pennen, kwasten, grote en kleine witte vellen, verf, ecoline inkt, you name it…’ Hij stond rechtop en riep triomfantelijk: ‘Poortvliet!! Ik weet het weer, die gozer heette Poortvliet.’ De kabouter knikte tevreden alsof hij de relativiteitstheorie had begrepen en klopte zijn pijp uit tegen de deurpost. ‘Zo dement ben ik niet…’ Hij keek naar François. ‘Die kon prachtig tekenen en beloofde alles in boeken uit te leggen. Dat heeft hij duidelijk niet gedaan, anders kijk je niet alsof je een alien ziet. En nu oprotten.’    De kabouter sloeg de deur achter zich dicht. Langzaam vertakten de vormen van het hutje totdat het niet meer te onderscheiden was van de boom.

MCH
8 0

Op zoek naar wiet, drank en pillen

‘Nancy,’ zei Guido tegen het blonde grietje aan kassa drie bij de Lidl in de Langestraat van Poperinge, ‘ik ben op zoek naar wiet, drank en pillen.’     Het meisje nam een komkommer van de rolband, scande het etiket, keek terloops naar mijn banaan en fles Chateau De Paupe uit 2012, trok haar geëpileerde wenkbrauwen op en legde de komkommer in de metalen ‘gescande artikelen’ bak. Ze krabde met een slanke wijsvinger met drie zilveren ringen aan haar bovenlip, controleerde de vingertop of er lipstick aanhing, keek naar Guido en glimlachte met haar blauwe ogen.     ‘Guido,’ zei ze en tikte met diezelfde wijsvinger op het naamplaatje op haar boezem, ‘Ik heet Naëma.’ Iedereen in Poperinge kende Guido.    Guido bewoog zijn hoofd dichter naar het naamkaartje en deed alsof hij het trachtte te lezen, staarde naar haar boezem en hoopte door de Lidl-blouse heen te gluren. Uiteraard. Naëma was als het liefdeskind van Claudia Schiffer en Bradley Cooper of de vrucht van passioneel fleppen van David Beckham met Bella Hadid. Of nee, schrap dat tweede voorbeeld. Beckham blondeert zijn haren en Bella’s haar is zo zwart als Nelson Mandela.     Naëma was beeldschoon, af, perfect, mocht er niet geprutst zijn op haar lijf. Waarom besloot Naëma ooit Tattoo Bert binnen te stappen en te roepen: ‘Ik wil een wolk sterretjes op mijn perfecte kop en een ratelslang die van mijn schouder over mijn rug, langs mijn hals, naar mijn kin sist? En waarom vond Bert dat ‘een prachtig idee’ en Naëma een geschikt canvas om uit testen of tatoeëren iets voor hem was?    Een casting directeur voor catwalks, een Miss Universe rekruteerder of een regisseur van miljoenenblockbusters had haar zonder die verminkingen al lang van de Lidl-kruk getrokken, rechtgezet, van kop tot teen bekeken, schaamteloos gevraagd of ze lingerie aanhad en indien ze ja knikte, die afgrijselijke Lidl-blouse van haar ranke schouders gerukt. Om dan te fluiten en, luid, zodat iedereen het kon horen, haar te complimenteren, ‘Milaan, Japan, New York èn Dubai’ beloven, een bundel papieren uit het kostuum toveren en haar het exclusiviteitscontract doen tekenen. Die man, of vrouw, dat kon ook natuurlijk, rukte haar microfoontje uit de kassa, riep ‘Jos aan kassa drie gevraagd’ waarna Jos naar kassa drie huppelde, hij, of zij,  de arm over Naëmas schouders vleide en zei: ‘Jos, ik neem Naëma mee. Kijk nog eens goed want als je dit juweeltje volgend jaar in de krant ziet blinken, en je “Ahmaneezeg, da’s ons Naëmaatje van kassa drie, hoe ist mogelijk?” tegen je vrouw roept. Je wijf de krant uit je poten sleurt, Naëma bewondert en zegt dat ze een ferm schoon kind is. Salut Jos! Kom Naëma, we zijn weg!’ Allemaal niet gebeurd, door Bert met zijn klungelige hand.    Guido hing met zijn lijf over de kassa, wiebelde, grabbelde naar zijn kar maar miste en zat bijna met zijn tronie tegen haar borsten. Hij snoof alsof hij aan de onderkant van een meloen de rijpheid peilde en veerde terug in de normale ‘aan de kassa’ pose. Hij veerde te vlot, te sierlijk voor een grijze vijftiger, maar veerde zoals je kon verwachten van een yogateacher. Waarom vroeg Guido, de joga guru, naar wiet, drank en pillen? Hier in de Lidl? De Lidl staat vol met liters Jupiler, kratten Veuve Clicquot, rosé á volonté maar iedereen weet toch dat je wiet en pillen hier niet kan krijgen?    Vroeg hij misschien in codewoorden naar oudemannenpampers? Of werd Guido seniel?    Gunther zei er gisteren niets over aan de bar van Café Sport na het kleiduifschieten. ‘Hoe ist nog met uwe pa?’ vroeg ik. ‘Goed,’ zei Gunther, ‘onze guru heeft weeral een nieuwe vlam.’ We lulden nog wat over hoe hij alles van zijn pa geleerd had om iedereen in bed te praten en welke specimen hij laatst scoorde. Gezwans, gezever en allemaal lulkoek, Gunther zat elke nacht te programmeren aan zijn Tinder clone, maar zei niets over gele druppels in zijn pa’s onderbroek.    ‘Drie euro twintig,’ zei Naëma, ‘spaart u zegeltjes, Guido?’ Haar neus en naamkaartje wipten.      ‘Wie spaart er nog zegeltjes?’ zei Guido, krabde met zijn rechterhand aan zijn bil door zijn joga pantalon en legde zijn andere hand op de rolband. Hij wilde zijn pose standvastig doen lijken. Mocht Naëma met haar voet op het knopje drukken die de rolband activeert, joga Guido zou omvallen, opnieuw naar zijn kar grabbelen en slungelig tegen het plexiglas bonzen.     ‘Als je iets gratis bij elkaar kan sparen, kan je niet snel genoeg vreten om de spaarkaart tijdig vol te plakken,’ zei Guido, ‘en als je er wel in slaagt genoeg zegels af te likken en ze binnen de lijntjes in dat boekje te duwen, betaal je nog teveel voor prul dat je nooit wilde kopen.’ Hij legde zijn bankkaart op de betaalterminal en tuurde opnieuw naar haar naamkaartje. Of haar borsten. De terminal piepte tweemaal als teken dat de betaling gelukt was.    ‘Trouwens, … Naëma… ,’ ging hij verder, ‘Naëma is geen naam voor een blondje met blauwe ogen. Alice, Lilly, Ella, Wilma, Maja of zo iets Zweeds, Noors of Deens past beter . Agneta bijvoorbeeld. Of Nancy, vandaar mijn verwarring. Ach ja, wat zou het, daar kan je zelf niets aan doen. Je kiest je naam niet zelf. Verwachtte je moeder een mulatje? Dacht ze dat na het slippertje met Big George, zijn zwarte zwemmers de oorlog met je vaders soldaten onmogelijk kon verliezen?’     Guido werd gemeen. ‘Verleidingstruc numero uno uit Guido’s Grote Verleidersboek’ volgens Gunther. Mooie meisjes verleid je niet met complimenten, want dat weten ze al. ‘Je pa liep al weg voordat jij uit je moeder floepte, hé?’ vroeg Guido. ‘En met George is het ook niets geworden, die gozer werkt bij Rode Mien.’    Naëma keek plotsklaps anders naar hem. Ze snikte en knikte traag haar hoofd. De sterretjes bewogen mee. Haar blik rustte op de komkommer.    ‘Het is niet jouw fout, Nancy’ zei Guido, legde zijn linkerhand op de hare en streelde met zijn rechterhand de komkommer. ‘Jij bent ook op zoek naar wiet, drank en pillen. Kom met me mee!’     Maar allée, Guido flipte. En dat voor een jogaleraar?    ‘Drank met hopen hier te koop, ouwe,’ zei ik. ‘Wiet kan je krijgen bij de Groene Boerenjongens,  en je Viagra haal je bij Apotheek Fillemon.’    Naëma en Guido staarden me aan alsof ik net uit een vliegende schotel sprong en de weg naar het toilet vroeg.    Wist ik veel dat Wietdranq Ken Pillen in Poperinge op tournee was.     U weet wel, die befaamde yoga guru.

TonyCoppo
38 2

Hanoi

In het begin was er chaos. Dat bleek toen de taxi zich gewetenloos van de International Airport Noi Bai naar mijn eerste hotel bewoog. De chauffeur was het gewend om weke westerlingen op zijn achterbank te hebben en negeerde mijn halfvolle shocktoestand volkomen. In een file passeerden me op enkele minuten tijd wel honderd scooters. Erop zat men nooit alleen. Het ene gezin overtrof het andere en mijn waargenomen absoluut record bedraagt vijf. De man des huizes, sigaret slapjes tussen de lippen, bestuurde het ding met op zijn rug een vrouw gekleefd, die op haar beurt, armen achterwaarts reikend, het jongste kind in een grauwe draagzak voor de grootste schokken behoedde. Voor de man zat het middelste kind nog net op de punt van het zadel met zijn handen in de zij van zijn oudste broer die rechtop stond, zijn hoofd net onder de kin van zijn vader, twee handen mee op het stuur. Een plastic zak, wellicht hun avondeten, als teken van de tijd. Het kind op het zadel keek me aan. Ik vraag me nog steeds af wat hij gezien moet hebben, of hoe hij dit gezien moet hebben. Telkens ik terugdenk aan dit tafereel voel ik schaamte, zoals een verwende poedel misschien ook voelt – of zou moeten voelen – als hij door een arme, hardwerkende mierennest zou lopen. Ik voel de mierenbeten van de poedel in de blikken rondom me.    Ik wandelde naar het plein waar de taxi me had uitgebraakt en zuchtte me neer op de eerste bank. Het zou in dit land de enige plaats blijken waar verkeerslichten ietwat werden gerespecteerd, of toch door automobilisten. De mieren op de bromfietsen zagen in het rode licht geen reden tot stoppen en hielden de wet van de luidruchtigste in ere. Tussen verzorgde bloemperkjes naast het Hoan Kiem-meer zat een man te mediteren op het donkere gras. De zon raakte niet voorbij de wolken en zou zich voor de rest van de dag gewonnen geven. Ik had de neiging deze man te vragen onmiddellijk op te houden. Waar haalde hij het lef zijn innerlijke rust zo traag en breed uit te smeren op een van de weinige groene plaatsen van deze stad? Zag hij de drukte rondom zich dan niet, het gewriemel, de haast? Hoe kan je je in tijden van sociale en economische competitie zó verheven voelen dat je zo nodig de spot moet drijven met duizenden levensechte passanten? Hij verstikte zijn medemens door te tonen hoe goed het met hem ging. Is dat niet iets om binnenskamers te houden? Laat mensen die geen nood hebben aan vertraging met rust, besmet hen niet met van dat geitenwollen sokken geleuter dat we elke dag moeten plukken en dat we onszelf niet mogen verliezen in winstbejag, productiviteit en baatzucht. Is meditatie niet gewoon een teken van zwakte? Een noodkreet omdat de aardbol net voor jou te snel draait.  De man was grijs en klein, had een fijne sik en droeg zwarte kleren. Een paar schoenen stond nauwkeurig naast zijn oefenmat. Geruggensteund door de pittoreske Schildpadtoren in het meer achter hem, dolde hij met de drukte van deze metropool. De toren werd gebouwd om, jawel, een schildpad te eren. Nadat keizer Le Loi de Chinese indringers in 1428 had verdrongen met behulp van een magisch zwaard, was het de schildpad die dit zwaard in het Hoan Kiem-meer kwam ophalen om het terug naar zijn meester, de draak, te brengen. Een lome schildpad met meedogenloze meester, beiden ten dienste van Le Loi die een onafhankelijk Vietnam verwierf. Is de grijze man de schildpad van vandaag? De schildpad de rust, de draak de haast? Zijn beide dan noodzakelijk om een verhaal hier op aarde tot een goed eind te brengen? Geen snelheid zonder traagheid. Het onophoudelijke geclaxonneer stelde voor de imposante bomenrijen op de oevers niets voor; ze hadden destijds de Vietnamoorlog overleefd en wuifden stadig verder. De man balanceerde nu op zijn linkerbeen met z’n knie in een halve rechte hoek, zijn rechterbeen had hij voor zich uitgestrekt en zijn voet maakte steeds een halve cirkel naar links en terug, naar links en terug. Zijn twee donkerbruine kijkers volgden deze beweging mee. Niets aan de man leek onbestuurd, alles beheerst.  Misschien slaat al wat ik toen dacht, gezeten op een betonnen bank, net aangekomen in chaos, wel op niets. Ik voelde een schaamte toen ik me als vrije toerist mengde met het drukke leven daar. Iedereen die ik niet in de drukte zag passen wou ik meetrekken in mijn schaamte en in het gelid laten lopen. Waarom? Omdat ook ik me thuis al te vaak op een brommer hijs, rode lichten negeer en anderen, zelfs zonder toeteren, in een vicieuze cirkel duw. Omdat ook ik onderdeel ben van een race en deelneem aan een streven dat op persoonlijk vlak amper winst, vaker verlies oplevert. Ik ben een schuldig slachtoffer. Terwijl ik deze woorden op papier zet, krijg ik steeds meer sympathie voor de man. Hij durfde een schildpad te zijn, omgeven door draken. Ik niet. Wie door het park wandelde of passagier was kreeg dankzij deze man de kans te vertragen, even tot stilstand te komen, in zichzelf te kijken. Zou de moeder op de brommer de man ooit hebben opgemerkt? Of het kind dat me eerder die dag aankeek? Moest ik het kind zijn, zou ik denken dat de man in het park en mijn verschijning in de taxi misschien wel familie waren. De grijze man een eigenwijze vader, de man in de taxi zijn zoon. Ik zou denken dat de zoon zijn vader kwijt is en nooit zal vinden; hij bevindt zich in een stroom die de zijne niet is, zijn vader speelt standbeeld waar de stroom slechts meandert. 

de amechtige specht
3 0

The swimming pool

‘Mevrouw, waar zijn hier de lockers?’ Ellen schrikt op van de plotse vraag naast haar. Groene ogen met een jong mannenlijf staren naar haar decolleté. Ze heeft net haar bikini aan, moedig op weg voor een frisse duik na acht uren werken aan de laptop. Het is hoog tijd om te bewegen. Eindelijk buiten, eindelijk in de zon en de zwemvijver lonkt.   ‘In dat gebouw, daar links vind je kleedkamers en lockers,’ wijst ze vriendelijk.  ‘Dank je wel,’ antwoordt hij tegen haar borsten. Had ze toch niet beter haar sportieve badpak aangetrokken? Is deze bikini te open en bloot? Ach de puber had nog niets gezien. Ze trekt haar badhanddoek een beetje verder naar voren vooraleer ze verder naar het water stapt.  ‘Zalig he zo een frisse duik nemen na de werkdag!’ Ellen glimlacht naar een andere zwemster. Ze lijkt van haar leeftijd, slank, sportief en met zwembrilletje maar blijkbaar zonder zin in socializen. Na een knikje springt de sportieve het water in. Misschien moet ze snel terug thuis zijn om te koken voor een vervelende dominante man. Daar heeft Ellen geen last van. Vrij als een vogel kan ze kiezen waar of wat ze eten zal straks. Niemand wacht meer op haar sinds de kinderen het huis uit zijn. De drukte van haar job vult veel leegte op. Met flinke stappen en een kleine duik is ze vertrokken. Onder haar zwemmen de goudvissen in de zwemvijver. Met haar hoofd onder water hoort ze de gillende kinderen niet meer. Een andere wereld opent zich.    ‘Waar zwem je heen?’ De groene ogen kijken haar lachend aan. Ellen kijkt verbaasd op.  ‘Uhm, naar de andere kant en terug, en jij?’ Vlug zwemt ze weg zonder zijn antwoord af te wachten. Ze heeft rust aan haar hoofd nodig nu. Groenoog is blijkbaar verdwenen. In de verte zwemt de vrouw met de dominante man. Aan de rand zet Ellen zich af, ze dobbert verder op haar rug, in volle zon. Een vakantiegevoel overspoelt haar. De hoge beuken rond de vijver ademen de zomeravond in. Mini schapenwolkjes zweven boven haar en kleuren het blauw nog strakker, een belofte voor een laatste zomerdeal.  Ellen voelt zich vrij.   Toen ze daarstraks de laptop dichtklapte had ze maar nipt haar acht uren gezeten, zo noemt ze het vaak in zichzelf. Ik moet daar weer gaan zitten zegt ze dan luidop in haar appartement op weg naar haar werkplek. Het was ooit de slaapkamer van haar zoon.  Ze  had vandaag weer de ene video call na de andere. Haar leidinggevende had weer een nieuw systeem opgezet, weer een andere werkwijze, nog meer Excel overzichten en PowerPoints.   Ellen draait zich om en met een stevige slag duikt ze diep onder water. Ze zwemt met volle kracht om de werkdag weg te spoelen. Elke armslag, elk visje, elke zonnestraal brengen haar terug de energie die ze zo goed kent. De energie die ze gebruikt om plannen te smeden met de vriendinnen, om nieuwe leuke activiteiten op te starten, wandeltochten te ondernemen en haar eigen weg verder te zetten.   ‘Dag juffrouw,’ klinkt een zware stem naast haar. Grijze haren en rimpels sieren een gebruind gezicht en de sterke glimlach net boven het wateroppervlak trekt haar aandacht. ‘Hallo, heerlijk zwemmen hier he,’ lacht Ellen terug.  ‘Ja nu zeker, nu ik naast jou mag zwemmen.’ Daar was die donkere stem weer. ‘Zwem je hier vaak?’ ‘Ja ik woon hier vlakbij en ik kom al eens na het werk ontstressen hier. En straks kan ik op mijn terras thuis in het zonnetje verder nagenieten.’ ‘Dat moet daar heerlijk zijn op jouw terras…’ zijn glimlach was veelbetekenend.  ‘Ah ja, dat is zo’. Ellen is even uit haar lood geslagen.  ‘Heb je daar veel privacy op je terras?’ ‘Het is er rustig maar er zijn ook andere terrassen.’ ‘Dus je kan niet naakt zonnen?’ Die heeft lef zeg .... ‘Ah gaan we die tour op?’ Ellen is wat van haar stuk gebracht. Ze zwemt rustig verder, nieuwsgierig waar deze conversatie naartoe zal gaan. Maar het grijze haar zwemt naar de kant en kijkt niet meer om. Ze ziet hem met trage, stevige stappen het water uitgaan. Naar zijn felrode badhanddoek. Hij zet zich op de houten rand in de zon met een blik op oneindig. Groenoog was blijkbaar al terug naar de kleedkamers. Misschien vraagt hij nu de weg aan een andere decolleté. Als ze nu het water zou verlaten en beide heren spraken haar aan, dat zou complex worden.  Ellen voelt de koude van het water in haar voeten sijpelen en de zon lonkt. Ze wandelt het water uit, voorbij de redderspost en zet zich op het warme hout in de zon, als een waterschildpad onder de warme lamp. De grijze man zit wat verderop. Lekker rustig zo. Ze strekt haar benen, trekt haar buik in en leunt op haar ellenbogen achterover met de zon frontaal. Lekker drogen voor ik terug naar huis fiets denkt ze en ze sluit haar ogen.   ‘Neen ik zit niet meer op datingsites maar op Instagram volg ik nu een foodie en die post zo van die superlekkere gerechten. Dus ik dacht ik zal die foto liken en ik stuurde zo van jij kan precies lekker koken? Was dat een goeie vraag denk je?’ Ellen luistert mee en kijkt even op. Twee meisjes analyseren een chatsessie.  ‘Hij vroeg of ik single was. Zou ik daaruit kunnen afleiden dat hij interesse heeft?’  Ze staan op  en wandelen babbelend naar het water. Ellen hoort nog een verre ‘Ja natuurlijk!’ vooraleer ze met veel gilletjes en gelach het koude water ingaan. Rust.   Tijd om zich om te draaien en haar rug te laten genieten van de zonnewarmte. Ze kijkt recht op de rug van de grijze man. De zon is wat gedraaid en hij heeft zich dichter bij haar gezet. Hij lijkt een beetje sportief gebouwd maar niet extreem. Hij kijkt over zijn schouder en met een handige draai zit hij in één beweging frontaal voor haar. Hij kijkt haar recht in haar ogen. De gegroefde bruine huid heeft veel zon gezien. Hij is wat jaren ouder dan haar. Zijn aanpassende zwarte zwembroek lijkt net iets te klein. Of is dat enkel nu?  ‘Dag juffrouw, ik heb weer de eer in je aangename gezelschap te vertoeven. Ik heet Alex.’ ‘Ja hier ben ik weer, ik heet Ellen. Ben je van in de buurt?’ Ellen glimlacht vriendelijk.  ‘Neen, ik kom uit Brasschaat, ik kom speciaal naar hier om in openlucht te kunnen zwemmen. Vroeger deed ik dat in het zwembad daar maar dat is al vele jaren gesloten. Ik tref het weer vandaag, weer mooi gezelschap.’ Hij glimlacht breed en kijkt haar onbevreesd aan.  ‘Ah dus je spreekt hier vaker dames aan tijdens het zwemmen?’ antwoordt ze nieuwsgierig. ‘Ik vind het leuk zo eens een praatje te maken, ja.’ Zijn zware stem blijft vriendelijk en rustig. Doordringend. Ellen kijkt wat verward rond. In de verte strijken 2 eenden kwakend neer op het water. Er zijn bijna geen zwemmers meer. De redders hangen rustig aan de kant. De avond zet zich in. Een bries waait over de zwemvijver en Ellen huivert lichtjes.  ‘Het wordt frisjes nu he? Heb je zin om nog iets te gaan drinken in de taverne vlakbij?’ vraagt Alex. Ellens gedachten flitsen warrig door haar hoofd. Zou hij dat elke keer met een dame doen? Zouden ze hem daar al kennen? Ben ik dan de zoveelste in het rijtje? Maar ach, wat verder babbelen lijkt wel leuk. Straks zou ze toch alleen thuis zitten. En wat zou ze eten?   ‘Ja dat is goed. Ik heb wel zin in een warme thee, ik ga me omkleden en zie je aan de brug, OK?’ ‘Dat is een mooi vooruitzicht’ antwoordt Alex met zijn diepe stem. Ellen neemt haar handdoek en is blij dat ze even uit zijn vizier is. Mooi vooruitzicht zei hij. Als hij maar niet denkt dat dit verder gaat dan een drankje samen. Ellen bedenkt haar strategie voor zo dadelijk. Ze zou luchtig en vriendelijk, beleefd een theetje met hem drinken en dan naar huis fietsen. Ze had nog wel wat in de koelkast of diepvries. Ze maakt vaak het eten klaar waarvoor ze de ingrediënten in huis heeft. Ze is geen foodie.  Het is voor haar alleen en als het een beetje gezond is, lekker en snel gereed dan was het al OK. Niemand stelt verwachtingen aan haar avondeten. Niemand die op een stipt uur een warm bord verwacht. Een beetje verder ziet ze groenoog op zijn fiets stappen. Hij merkt haar niet op. Daar is ze al vanaf. De twee vriendinnen wandelen babbelend langs haar naar de ligweide. Ze gaan de allerlaatste zonnestralen oppikken. Haar handdoekburen zullen kunnen verder genieten van de datingverhalen. Ellen heeft nu haar eigen verhaal.   Alex staat haar op te wachten bij de brug. ‘Helemaal klaar?’ Hij kijkt keurend naar haar zomerjurk. Ze had haar haren los nu. Het kleine sportieve staartje paste niet bij een terrasje in de avond en zo kon het makkelijker drogen. In de kleedkamer was ze blij geweest dat  ze haar deo in haar zwemtas  vond en een staaltje blush om zich wat op te maken. Ze voelt zich naakt zonder oorbellen maar om te zwemmen laat ze deze juweeltjes thuis. Ze was al eens één blauwe oorbel kwijtgeraakt toen ze aan de rand van de zwemvijver even het brilletje op haar hoofd zette. Een sportieve man was nog naar de bodem van de vijver gedoken maar tussen de algen was de kleine oorbel snel verdwenen. Ook haar favoriete groene ring die ze samen met haar tante in die kleine exclusieve zaak gekocht had, heeft ze niet om. Het geeft haar een goed gevoel die ring aan te raken en netjes gecentreerd rond haar vinger te draaien.   Ze kijkt hem wat onzeker aan. ‘Ja, wat onverwacht deze date, dus ik heb niets speciaals aan,’ antwoordt Ellen.  ‘Ha, je noemt het al een date, mooi zo!’ Alex biedt zijn arm aan. Er is geen tijd om na te denken en Ellen haakt in. Alsof ze met dit gebaar instemt met zijn intenties. Als ze al wist wat die waren. ’Het is nog een mooie avond.’ Alex ziet het precies al helemaal zitten. Op een vakantiegangetje wandelen ze naar het terrasje.  ‘Ja, prachtig die zon die ginds achter de wolken verstoppertje speelt. Hopelijk wordt het niet te fris straks.’ Alex trekt haar een beetje dichter tegen zich aan. Hij voelt warm en sterk. Ellen geniet van zijn nabijheid.  Zullen we aan dat tafeltje ginds plaatsnemen?’ Alex gidst haar naar het verste tafeltje van het terras. ‘Ja dat lijkt me een rustige plek.’ Daar val ik niet op als er bekenden zouden langskomen, denkt Ellen.  Buren maken zo snel een verhaal van een toevallige vriend of ontmoeting. Eergisteren vroeg een buurvrouw nog waarom haar auto niet verplaatst was deze week. ‘Was je ziek? Was je met vakantie? Mijn volgende auto wordt saai grijs, denkt Ellen. Dat valt minder op dan koperkleur. Wat zouden ze fantaseren als ze me nu met deze oudere man zagen? Zijn rimpels tekenen karaktervol zijn leeftijd. Zijn trendy rode broek en zomers hemd zitten hem als gegoten.   ‘Wat ga je drinken, Ellen?’ Hij spreekt haar naam traag en diep uit en kijkt haar intens aan.  Ze maakt zich los van zijn blik. Hij moest niet denken dat hij haar zou kunnen intimideren. ‘Voor jou ook cava? En bestel ik er ineens wat kaasjes en olijfjes bij?’ ‘Oh lekker. Goed idee!’ Plots bedenkt ze zich haar voornemen om thee te drinken en dan naar huis te fietsen. Te laat. Het leek leuker bij Alex op het terras dan alleen in haar flat. Haar favoriete Netflix serie was ten einde. Morgen was er nog een halve werkdag te gaan. Ja, deze cava-beslissing is onder controle, zo redeneert ze. Alex bestelt. Zijn blik blijft net iets te lang hangen op de lange jonge benen onder de korte rok. De jobstudente tikt de bestelling in. ‘Komt eraan,’ glimlacht ze vriendelijk.  Ellen voelt zich wat opgelaten. Ach mannen doen allemaal zo, verdedigt ze zijn gedrag in gedachten. Hij draait zich terug naar haar met een brede glimlach. ‘Werk jij nog?’ opent Alex de conversatie. Ze gaat met haar hand door haar haar, het voelt nog wat klam. ‘Ja, ik werk bij Astarica, op de IT-afdeling.’  ‘Ah dus als ik vast zit met mijn computer thuis dan kan jij mij komen helpen?’  ‘Neen, hardware is mijn ding zo niet. Ik doe analyses, maak de planning, test de software enzo.’  ‘Slimme dame! Maar jammer, ik wou je al uitnodigen want er hapert wat aan mijn PC...’ Hij kijkt weer diep in haar ogen. Zijn stem neemt haar mee. Zijn handen rusten gevouwen halfweg over het tafeltje. Niet zo ver van haar. ‘Ik ben met pensioen,’ vervolgt Alex, ‘dan heb ik tijd om naar mijn boot in Breskens te gaan. Vaar je graag?’ ‘Ik hou wel van water, is het zeilboot?’ ‘Een jacht met 3 kajuiten. Het is zalig slapen daar, je wordt gewiegd op het water...’ Hij kijkt haar uitnodigend aan.   De jobstudente schenkt 2 cavaglazen uit. De fles gaat in de koeler. Alex maakt plaats voor de hapjes. Zijn rechterarm ligt nu ver vooruit gestrekt op het tafeltje. Als Ellen even niet oplet zou ze hem aanraken. Hij heeft ronde, stevige handen met knoestige vingers. Hoe zou hij aanvoelen? fantaseert ze. Ellen roept zichzelf tot de orde en neemt een paar kaasjes. Ze heeft honger na het zwemmen.  ‘Proost! Ze klinken en kijken diep in elkaars ogen. ‘Anders 7 jaar slechte seks,’ lacht Alex met een bulder. Ellen lacht mee en neemt snel een flinke slok. Ze huivert. ‘Hier, ik heb nog een trui bij, hang die maar over.’ Zijn wollen camel kleurige trui landt op haar schouders. Ze ruikt zijn mannelijke aftershave. ‘Dank je wel, dit is een warme, zachte trui.’ Ze trekt de trui even tegen haar aangezicht en geniet van de strelende warmte.  ‘Ik kreeg die vorige maand cadeau voor mijn 66ste verjaardag, van mijn vriendin’. ‘Ah, je hebt een vriendin?’ Ze laat de trui terug op haar schouders vallen. ‘Ja maar we zijn uit elkaar gegroeid en leven als broer en zus.’ ‘Mooi cadeau dat je kreeg van je zus,’ antwoordt Ellen scherp, ‘wat geeft ze je nog zoal?’ Alex lacht breed. ‘Gewoon cadeautjes met de verjaardagen en met Kerst. En elk jaar maken we nog een reisje. Speciaal omdat zij dat wil. Ik ga mee om de lieve vrede te bewaren. Vorige winter maakten we een cruise langs de Noorse Fjorden. Zij wou zo graag het Noorderlicht fotograferen.’  Ellen drinkt haar cavaglas in 1 teug leeg. ‘Je hebt dorst. Zal ik bijschenken?’ Zonder haar antwoord af te wachten schenkt Alex de cava bij. Zijn rechterhand ligt terug op het tafeltje, nog dichter naar Ellens kant. Hij trommelt met zijn zware vingers op het houten tafeltje. Het klinkt als een vraag naar aanraking. Ellen wil naar de olijfjes met haar prikker maar Alex neemt haar hand en legt ze onder de zijne. Het voelt warm en sensueel. Ze kijkt naar hun handen. Hij streelt traag haar vingers. Hoe zou het zijn om met hem op cruise te gaan? Ze ziet hen al samen op het dek bij zonsondergang en nadien... ‘En dus hebben we geen seks meer met elkaar,’ vervolgt Alex zijn verhaal. Hij knijpt veelbetekend in haar hand. Ellen schrikt op en trekt haar hand terug. Dit gaat te ver. Te snel.  ‘Na dit glas fiets ik naar huis,’ zegt ze kordaat. ‘OK, bedankt voor deze fijne eerste kennismaking alvast.’ Hij leunt over de tafel, over de hapjes en plant een lange warme zoen op haar mond. Even voelt ze zijn tong. Heel even. Ellen kijkt schichtig om zich heen. Wie zag dit? Ze voelt een warme gloed naar haar wangen stijgen. Ze hoort gelach aan de tafel naast hen. Maar ze kijken naar  filmpjes op hun mobieltje, oef. ‘Mag ik je nummer? Dan kan ik zo nog eens een berichtje sturen. Ik vind je leuk gezelschap.’ Hij kijkt haar vragend aan.  Ellen drinkt haar glas leeg, neemt nog 2 kaasjes, staat op en legt snel een eurobriefje op tafel. Ze wil hem niets verschuldigd zijn. ‘Blijf nog even...’ probeert Alex.  Even twijfelt ze maar dan dicteert ze ‘0393 03 13 33.’ Een makkelijk nummer. Hij moet het maar onthouden denkt ze. Hij strekt nog even zijn arm uit en raakt licht haar arm aan als ze voorbij wandelt. Haar huid tatoeëert zijn vingertoppen in haar geheugen...  Het geroezemoes op het terras lijkt te verstommen. Maar kordaat zet ze haar voeten terug in beweging. Ze is op weg naar huis, zo spreekt ze zichzelf toe.  Met een brede glimlach en bijna huppelend snelt ze naar haar fiets. Ze kijkt niet meer om. Lichte schemering zet zich in. Kraaien krassen luid boven de bomentoppen. Hondenwandelaars vinden elkaars gezelschap in het park. Onderweg naar huis voelt ze haar mobieltje trillen. Ze fietst wat sneller. Thuis zal ze lezen. Zij zal de  vriendin wel aan de kant zetten. Zij zal de volgende zijn met wie hij op reis gaat. Zij zal zijn aandacht krijgen. Zij zal stralen. Zij draagt zijn trui.       

Lumes
6 0

Zandloper

Het zand brandt onder mijn badhanddoek. Ik leg mezelf als een stuk barbecuevlees op de rooster en gril mijn lijf, mijn melkflesbenen, mijn kippenbilheupen, mijn puddingbuik, mijn slagroomborsten, mijn mozzarella-armen, mijn worstenvingers. Als een sfinx lig ik op het goudgele tapijt en door die witte pensen aan mijn hand vergiet ik de korrels in andere zinloze hoopjes zand. Terwijl ik zeef, staar ik naar de verte, naar de dijk met haar grijze muur die mij scheidt van de ijskramen en frietkoten en al dat onbereikbaar lekkers dat in geuren naar me toewaait, net als de kinderkreten die nog lang niet aan september denken, het grommen van de go-carts, het schoppen tegen strandballen en het wapperen van de vliegers in de lucht. De hemel blaast haar adem tussen de parasols, frigoboxen, zandkastelen, en plastieken bloemen, waardoor hun molenwieken in cirkels rondmalen, zoals mijn gedachten deze ochtend toen ik het badpak vond dat na het einde van vorige zomer ergens onderaan in mijn kleerkast belandde, en terwijl ik dat badpak tussen mijn duimen en wijsvingers liet walsen, prikten de twijfels of de stof wel voldoende zou rekken in mijn ogen, ja, ik moest het opnieuw passen om te vermijden dat ik op het strand zou liggen in een badpak dat mijn zomerlijf naar boven duwt als een calippo-ijsje, want mijn lichaam negeert de seizoenen en houdt van winterse kost en warme hapjes gezelligheid, dus keek ik met ingehouden adem hoe mijn spiegelbeeld het zeemeerminnenkorset naar boven trok, en ik schipperde om elk kwabje in de tweede huid te vangen, en ik liet mijn borsten in de voorgevormde schelpen schommelen en ik haakte de spaghettibandjes over schouders, en ik zag hoe mijn oksels parelden alvorens de zon me had kunnen brandmerken. Ik keek naar mijn evenbeeld en even beeldde ik me in dat ik de zeste van mijn sinaasappelbillen eraf kon raspen, ik neep in mijn zijplooien in de hoop ze als stokbrood in plukken van elkaar te kunnen trekken, zo stond ik uren voor de spiegel te draaien en in mijn fantasie waaiden er mensen met scheldblikken en nastaarwoorden voorbij, die dik en ieuw en lelijk schreeuwden, of zwegen, maar in hun ogen zag ik de letters verschijnen, en wat als ik gewoon thuisblijf, jou zeg dat ik ziek ben, dat we wel een andere keer naar het strand kunnen gaan.   Het gebrul van een voetbalspelletje haalt me uit mijn verdwaalgedachten, en even komen mijn armharen recht en spitst het kippenvel de oren, ik kijk naar de spelende kinderen die nog mooi en strak en slank zijn, gevangen in een huid die met hen meegroeit, als een elastiekje dat zijn rek nog niet verloren heeft, en in windvlagen hoor ik hen roepen, ik ben bang voor hen, ik ben bang voor hun geroep, maar gelukkig tieren ze enkel pas en goal en ik sta vrij, en kunnen mijn armharen ontspannen verder zonnen. Ik draai me om en het zand knarsetandt onder mijn rug. De zon schroeit mijn ogen dicht, de zomer wordt langzaam stiller tot ik ze niet meer hoor, alles ruist voorbij, tot ik wakker schrik van natte spatjes. Ik open mijn ogen en zie hoe jouw schaduw me half bedekt. Je schudt de zee van je af. Je lokken druppelen na op mijn huid. Frissen me op. Je dept jezelf droog. Waaiert je bevlekte handdoek naast de mijne. Onze blikken kruisen. Je neemt de zonnecrème. Wrijft me in. Jouw handen. Kussen. Elke naakte centimeter.  

Fay_vk
7 0

Ongekend begrip

Het witte konijn van de haast trekt aan mijn gedachten tijdens de zelfopgelegde stilstand in de wachtkamer. Smoezelige witte muren worden afgewisseld met beduimelde posters met lachende gezichten. Waarom ze lachen is niet helemaal duidelijk, ze vertegenwoordigen ten slotte niet de prettigste onderwerpen. Achter de balie zit de voor mij inmiddels bekende persoon. Voor haar, op de balie staat een pannenkoekplant. Een klein hip eiland van zuurstof in deze benauwende ruimte waar iedereen is, maar niet wil zijn. Het zachte geschuifel van drie mannen op kousenvoeten bereikt mijn oren. Woorden vliegen over en weer terwijl er drie koppen koffie uit het ratelende koffiezetapparaat worden gepakt. Suiker en melk wordt met grote hoeveelheden toegevoegd. Met een zwierig gebaar trekken ze de knalharde oranje stoelen onder de tafel vandaan. Onverminderd gaat de discussie voort tussen de drie mannen die mijn gedachtengoed beheersen. Aristoteles legt zijn voeten op de tafel en roept door de ruimte voor iedereen die het horen wil, ‘Dankbaarheid verouderd snel.’ Nietzsche schuift zijn stoel naar achteren, gaat staan en pareert razendsnel, ‘Er bestaan geen feiten, alleen intepretaties.’ Lange tijd is het stil, er wordt zo nu en dan gehoest, gezucht en er klinkt een piepje van een telefoon. Totdat een voor mij vertrouwd kuchje klinkt, mijn favoriete held Socrates reageert eindelijk. ‘Ware kennis bestaat erin te weten dat men niets weet, wijsheid begint met verwondering.’ Ik slaak een zucht van opluchting, mooi gesproken. Als mijn ogen door de ruimte zwerven, blijf ik haken in de lege blik van de tiener tegenover mij. Het stille staren naar levens die nooit de zijne zullen zijn, raakt me diep. Hij is niet hier, maar ook nergens anders meer thuis. Ik voel verse tranen diep vanuit mijn buik opborrelen. Op het moment dat ik contact wil maken, wordt de volgende selfie gemaakt. Met niets anders op de achtergrond dan het groene bord met nooduitgang erop. De pijl wijst naar links, de kant op van de verwijzing. Snel kijk ik naar rechts, verlangend naar het versnellen van de wijzers van de klok die stil verwijtend boven de schuifdeur hangt. Ruw worden mijn gedachten onderbroken door het wekelijkse boodschappenlijstje dat om aandacht vraagt. Vier pakken melk, een kilo aardappels, brood, twee flessen wijn, nee vier flessen wijn. Voordat het einde van de lijst in zicht komt, volgt een welkome onderbreking. Kwiek loopt een struise dame, ingekleurd met tweedbruin en getooid met grijze haren, voorbij mijn vaste plek in deze ruimte. Een tijdloos plaatje zonder gene en nog volledig onwetend en vrij van angst. Zouden de uren gunstig voor haar zijn? Naast mij een jonge moeder die haar kind tergend langzaam een liga geeft en een plastic speeltje in de handen duwt. Het kind bekijkt beide van alle kanten en besluit dan dat de meeste kleur het lekkerst moet smaken. Wat moet het heerlijk zijn om nog geen enkel besef van tijd te hebben. Het gewicht van tijdloosheid maakt het leven luchtig. Ik kan niet goed inschatten hoe oud de moeder is, haar leeftijd valt ergens tussen de vijfentwintig en de veertig. Duidelijk is wel dat haar tijd van leven haar zwaar valt. Dan gaat mijn interne alarm af, rood licht flitst achter mijn ogen. Ik kan het niet langer meer negeren, mijn eindeloze to-do lijst komt genadeloos op me af. Rij na rij wandelt voorbij op de maat van de schuifdeur die telkens weer open en dicht schuift. Tegelijkertijd zie ik een beweging aan mijn linkerkant die onzichtbaar in gang wordt gezet. Een van de witte deuren gaat op een kier open. De gevreesde oproep waarin geen begrip doorklinkt, laat niet lang op zich wachten. Ik sta op, draai mijn hele lijf negentig graden en besluit dat in beweging zijn het grootse goed is. Tijdig loop ik naar rechts, door de schuifdeur het landschap in dat de buitenwereld heet. Mijn naam galmt nog lang na in de eindeloze gang achter me. Naast mij lopen de drie mannen mee naar buiten. Gezamenlijk halen we diep adem en nemen de tijd om af te wegen hoe ik mijn keus begripvol kan maken.  

Daniela Smeman
5 0

Goed vasthouden

Het was een winderige weekenddag. Dat weet ik nog omdat ik het boekje uit de weekendkrant bij me had. Hierin legt een schrijver wekelijks de link tussen een foto uit de krant en een kunstwerk. Het boekje was die dag de oorzaak van wat er gebeurde, ook al geloofde de patron me niet. Het was trouwens winderig in de betekenis van veel wind. Als u het andere winderige in gedachten hebt, daar waar een geurtje aan zit, moet ik u teleurstellen. Maar we komen er toe. Ik had me aan een tafeltje onder de luifel gezet, vastberaden om het artikel over de foto en het kunstwerk te lezen. Bij de patron bestelde ik een glas gerstenat, dat even later netjes arriveerde. Het was een glas met een voetje. Een dergelijk glas is wankeler dan een glas zonder voet, zo bleek later. Mijn glas was nog vol en ik wisselde een woord met de man naast me. Ik had nog niet door dat de wind op het terras vrij spel had. Tot er plots een windvlaag onder de luifel sloeg. Het magazine van de krant vloog omhoog, recht tegen het glas dat zoals een duiker op een springplank met een salto van de tafel tuimelde. Het glas was gelukkig niet stuk. Wel leeg. De barman kwam op het geluid af en zag me het glas oprapen. “Mijn pint is gaan vliegen”, zei ik. “Nu heb ik al veel gehoord hier, maar dit slaat toch alles”, lachte hij. Mijn buurman gaf me evenwel gelijk en van de barman ontving ik een vers exemplaar. “Goed vasthouden”, zegt hij nu wel eens als hij een consumptie brengt. Niet veel later heb ik het artikel in het magazine nog gelezen. Waar het over ging, weet ik niet meer. Wel dat het die dag winderig was.  

Rudi Lavreysen
16 0

SSS Dertig

(Gedanken sind frei, aber hüte dich vor der Gedankenpolizei) Verbijsterd staarde Anouk naar het papier dat ze van tafel had gepakt. Het had naast Peter’s hoofd gelegen, onder het pistool waar zijn hand op rustte. Politiemensen in witte pakken pakten behoedzaam alles op en in. De afgelopen weken was Peter er steeds vaster van overtuigd geraakt dat er achter de werkelijkheid een complex complot school. Meerdere malen had hij erop gezinspeeld dat hij de bewijzen daarvoor in handen had. En dat hij die binnenkort wereldkundig zou maken. “Anno 2021 is Brave New World een feit”, las ze. “Kijk één avondje televisie en zie hoe de kasten worden geconditioneerd. Het begint bij de reclame. Eerst de middelste kasten, de beta’s en de gamma’s. Het vrolijke Vinexgezinnetje, helemaal correct. Hij gekleurd, zij blond, de kleine meid beige met krulletjes. Ikea-interieur. Wat smeren ze ons aan?  Fritessaus, pakt hij heel geëmancipeerd uit het keukenkastje.Volgende. Stampvolle kroeg of feestje?  Allemaal ideale consumenten, schreeuwend en bewegend, maar niks zweten, kijk die gozers de dames eens imponeren, geen gezeur over okselmeur. Moslims of macho’s? En allemaal een baardje, onbehaard is blijkbaar het nieuwe impotent.Ha, daar is de oetlul van de supermarkt. AH, Jumbo, ze zijn allemaal hetzelfde, dikkig, dommig, kalig. Speciaal bedoeld voor de onderklasse, dat zie je ook aan die vale blauwe en oranje kleurtjes. En de shoppende mammies maar lachen terwijl ze die zoete en vette zooi inslaan. Voor de kinderen, blijven die ook lekker onderklasse.” “Wat nu? Die gluipkop van Rutte in de reclame? Oh, nee, dit noemen ze nieuws. Tijd voor de adoratie van de alfa-kaste. Kijk ze eens hard werken, weer een persconferentie, die Rutte en De Jonge persen wat af, heel Nederland wordt afgeperst. En een verhaaltje over Covid vieren op Zandvoort, kan die prinselijke vastgoedmafioos met dat rouwmontuur dat niet vertellen, tenslotte is het zijn Scalextricbaan.Kijk, daar is zijn neef ook, even met het vrouwtje naar Nederland gevlogen om wat lintjes op te spelden, vliegt gelijk terug naar Griekenland, gaat natuurlijk bosbranden helpen blussen, of misschien geen tijd, druk-druk-druk met het leiden van het volk, het lijden van het volk zal’m worst wezen, de wereld gaat toch wel naar de kloten, maar zij hebben tenminste een leuke tijd gehad. Wat moet dat…” Een kleurloos ogende man pakte het papier uit haar handen. “Dit moet ik meenemen”, zei hij. “We houden de online schrijversfora in  de gaten, maar dit was toch onverwacht. Misschien moeten we er een afrekening in het revolutionaire milieu van maken Of anders zelfmoord, dat is nog even een dingetje. Ik denk dat het een nulachthonderdeeneendrie-bericht wordt.” Anouk keek hem niet-begrijpend aan. “Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst” zei hij. “Mijn naam doet niet ter zake, is toch een alias. Standaard surveillance-operatie.  Dit document” hij hield het papier omhoog ”heeft een State Security Status van dertig jaar. Wordt dus in 2051 vrijgegeven. Dan leest sowieso niemand meer.”  

bobcom
11 0

De weg van het vlees

De weg van het vlees Alleen de slager, Jean Devilder was getuige van de ontmoeting tussen Lob en Aagje op het dorpsplein. Het was erg vroeg op een zondag. De klanten van zijn slagerij vonden die ontmoeting toeval. Jean geloofde daar niet in; hij was ervan overtuigd dat elk levend wezen ooit een ander levend wezen zou ontmoeten dat bij hem paste. Twee mensen of dieren die elkaar tegenkwamen en besloten om samen verder te gaan: dat was beslist geen onvoorzien voorval. Jean zag het gebeuren. De hond, een buldog, was op het pleintje beland nadat zot Marieke was gestorven. Lob was nog een puppy toen Marieke hem in huis nam. Hij groeide op en werd een prima waakhond. Dat had de postbode met zijn broekspijp aan flarden hem zuur verteld. In zijn jonge jaren - toen het vreemde Marieke nog leefde - heette hij Lobje. Zo wist Marieke te vertellen toen ze de eerste keer bij Jean binnen kwam en een stuk vlees voor de hond kocht. Voor zichzelf hoefde ze nooit wat. Jean vroeg zich af of ze van knollen en bieten leefde. Met het opgroeien viel het verkleinwoord weg, eerst werd het ‘Lobbes’, en daarna ‘Lob’. Maar nu was zot Marieke een week geleden gestorven. De dikke doktersvrouw, die meer met dieren inzat dan met mensen, vertelde in de slagerij hoe ze de hond onder een struik bij Mariekes huis had zien liggen. Hoe hij lag te janken. De klanten haalden hun schouders op. De vrouw had hem proberen te lokken, maar hij legde het hoofd op de poten en verroerde geen poot. Voor het stulpje van Marieke was een zwarte wagen voorgereden, enkele mensen droegen het vrouwtje in een eenvoudige kist naar buiten. Kort nadien stuurde de gemeente een bulldozer en werd het krotje van Marieke met de grond gelijkgemaakt. Lob was wanhopig naar het dorpspleintje gelopen, had zich gelaten onder de linde gelegd. Jean vond een buldog een vreemde keuze voor een oud vrouwtje. Een hond die niet vooraan stond bij het uitdelen van de schoonheid, maar wel in de rij van de betrouwbaarheid. Hij glimlachte toen hij begreep dat dit het was wat de twee, het vreemde Marieke en de goedaardige lobbes, aan elkaar bond. En ineens was er dat pienter poesje. Op een dag kwam ze aangewaaid. Jean was voor de derde keer die dag het geld in de kassa aan het tellen toen hij door de openstaande winkeldeur het aanzwellend gebrom van een motor hoorde. Hij keek op en met een luid geraas denderde de motorrijder het pleintje rond, terwijl er in een bocht een zwart bolletje door de lucht zeilde. Dat was Aagje. Jean liep naar achter. ‘Ik heb zojuist een vliegende kat gezien.’‘Je moet eens wat vroeger gaan slapen,’ zei zijn vrouw. Ze was nog klein, de poes, een maand of twee hooguit. Ze vloog uit een boodschappenmand die zich in het zijspan van een motor bevond. In die snelle bocht van het dorpsplein was ze er uit gekatapulteerd, zonder dat de motorrijder merkte van de lancering van het harige projectiel. Ze viel pal onder de hond neer, klauwde met haar pootjes in het ijle, bleef dan versuft liggen. Na enkele minuten keek ze naar boven, schrok hevig en wipte als een veertje op waardoor ze voor de tweede keer tegen zijn kaak vloog. Jean moest glimlachen toen hij zag hoe Lob mistroostig om zoveel kabaal zijn kop schudde. Tot zijn vrolijke verbazing gaf de hond haar een paar ruwe likken. Deze keer bleef ze rustig in zijn schaduw nieuwsgierig rondkijken.Op dat moment besloot de slager om het katje ‘Aagje’ te noemen.Van die dag af trokken die twee samen op. Lob was de neus, Aagje was oren en ogen.De slager zag het angstige en nerveuze poesje opgroeien tot een rustige en zelfverzekerde kat. Haar alertheid en Lobs scherpe reukzin behoedden hen voor allerlei gevaren, of voorzag hen van eten. Het was op zijn minst een vruchtbare symbiose tussen Aagje en Lob, en op zijn best was het een vrolijke, maar diepe vriendschap. Zo leerde de slager hen kennen, als een onafscheidelijk stel, die leefden als kat en hond. De behulpzame, onhandige Lob, en het slaperige alerte Aagje. Op een dag zat Jean op zijn knieën de vitrine van de koeltoog te reinigen, de winkeldeur stond open, het warme meizonnetje kwam net zoals het geld weldadig binnen, en zijn vrekkige moeder had enkele weken geleden haar laatste adem uitgeblazen. Wat kon er nog verkeerd gaan?Toen hij puffend met het zeemvel in zijn knuist weer rechtkwam zag hij Aagje op de drempel staan. Met haar kopje een tikje schuin monsterde ze hem. De slager moedigde haar glimlachend aan, gaf een vriendelijk knikje, en knipoogde eens. Tot zijn verbazing knipoogde die zwarte deugniet terug.Jean liep binnen en grabbelde in zijn toog, nam er een schijfje kalfsworst uit. Hij hield het in de lucht en zwaaide er mee, boog door zijn knieën, en stak het in de richting van de aarzelende poes.Maar Aagje kende haar wereld, en bleef lief op de drempel staan kijken. Beetje bij beetje kwam hij dichterbij, en legde het stukje kalfsworst behoedzaam op de drempel. Toen bleef hij toekijken. De poes bewoog niet. Hij keek haar een tijdje peinzend aan.‘Wel poes, lust je het niet?’Maar Aagje bleef hem vragend aankijken. De slager zuchtte, ging terug naar de koeltoog en nam een ander stukje vlees.Toen hij zich weer omdraaide was de poes mét het stukje vlees verdwenen.Een beetje verder zaten kat en hond broederlijk het stukje kalfsworst op te eten. Jean schudde het hoofd en klopte zijn zeemvel uit.De hond verzwolg zijn stukje in één hap, en keek weer droevig in zijn richting.Dit had hij nooit meegemaakt. Jean krabde eens in zijn spaarzame haren. Hij hield het hoofd schuin, en floot tussen het spleetje van zijn tanden.Wanneer hij de volgende dag luid zingend zijn etalage stond te poetsen, was die zwarte belhamel daar opnieuw. Ze hield het hoofd schuin, toen hij glimlachend knipoogde beantwoordde ze dat met een trage knipoog.Grijnzend nam hij een mooi stuk worst tevoorschijn, en hij probeerde opnieuw Aagje dichterbij te lokken, weer bleef ze beleefd op de drempel wachten en hield het hoofd halsstarrig scheef.‘Wel, wel,’ grinnikte hij, ‘jij bent een speciale poes!’ Hij wist wat hem te doen stond. Hij wandelde naar de deur, legde het stuk worst op de drempel. Net zoals de dag daarvoor wachtte de poes. Hij dus ook. Hij wachtte een kwartier, maar de poes bewoog niet, ze knipperde niet eens met haar ogen. Toen kreeg hij een idee. Hij wandelde naar zijn koeltoog zeggend dat hij een ander stukje vlees ging halen, en toen hij de helft van de afstand afgelegd had draaide hij zich schielijk om. De poes had niet eens bewogen, en het leek wel of ze hem uitlachte. Een eindje verder lag de hond met de kop op de poten. Grinnikte die ook niet? Toen hij zich omdraaide om zijn vrouw als getuige te roepen en zich weer omkeerde was de kat verdwenen. Hij ging naar de deuropening. Daar zaten beide dieren enkele passen verder samen het stuk worst op te smullen. Het leek wel of er op dat onmogelijk trieste gelaat van die buldog een grijns verscheen. De dag daarop zat de hond wat dichter als was het om hem uit te dagen, maar de poes bleef netjes op de drempel, en hield zich aan hetzelfde scenario.Zo bleef de slager die hele zomer de sluwste trucjes uitvinden om de poes te betrappen op het moment dat ze het stukje vlees in haar bek nam. Het was toverij, bedacht de slager. Hij bleef, ondanks het succes van beide dieren, toch argwanend. Het was en bleef tenslotte een zwarte kat. Die brachten ongeluk. Jean vertelde zijn wedervaren aan ieder die het horen wilde, de mensen werden nieuwsgierig en nooit tevoren draaide zijn zaak zo goed als die zomer. Sommige klanten bleven tot een halfuur na sluitingstijd toekijken of die kat niet stiekem zou toeslaan. Niemand slaagde erin om haar op heterdaad te betrappen. Iemand beweerde dat de oude Frans, die aan de overzijde van het pleintje woonde, het een keer had gezien, maar die lag de helft van de tijd stomdronken op de sofa voor zijn raam te snurken dus dat geloofde niemand. Aagje en Lob werden in de omgeving bekend als het meest succesvolle paar bedelaars en niemand van de drie personages, de kat, de hond noch de slager, voelde zich genoodzaakt om enige verandering in hun ritueel te brengen. Op een donderdagochtend in september slofte de slager naar zijn brievenbus. Hij opende die met een lichte glimlach die wegtrok toen hij de bekende bruine belastingomslag ontdekte met daarop zijn naam ‘Jean Devilder’, en de inhoud ervan begon te lezen. Eerst keek hij bedenkelijk, toen trok hij wit weg, en liep tenslotte paars aan. Zwaaiend met die bruine omslag liep hij met grote passen vloekend naar achter.Een half uur later werden zowel de buurt als de klanten in de winkel opgeschrikt door een ijselijk gebrul, toen een kletterend geluid, zoals een mes zou klinken dat op een stenen vloer valt, en meteen daarop kwam Jean vloekend en met grote passen naar buiten gelopen, zijn hand onder het bloed. Toen hij de open monden van de verbaasde klanten merkte klapte de zijne dicht. Zo keken ze elkaar enige seconden aan, toen riep hij: ‘Ik heb me gesneden!’De slagersvrouw toverde een dappere glimlach tevoorschijn en sleurde Jean naar achter om de hand te verbinden. De klanten keken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan wanneer ze zijn gejammer hoorden.De derde resem vloeken kwam later op de dag, een uurtje voor sluitingstijd, toen zijn lieve vrouw hem voorzichtig op de hoogte bracht van de komst en erger: het nakende verblijf van zijn schoonmoeder. Die tang zou hem minachtend monsteren als een te vet achterkwartier. Net als die dag toen hij met haar dochter trouwde. Hij was nooit een goede partij geweest, hij had niet het vereiste diploma, was van arme komaf. Ze was bovendien vegetariër.En juist op het moment dat hij met de hakbijl in zijn handen woedend naar buiten keek om te zien of dat kadaver van een schoonma nog niet de straat in kwam waggelen, merkte hij de zwarte kat op de drempel. Die zat hem lieftallig te bekijken en wierp hem een knipoogje. Hij wierp wat terug: met een zwaai vloog de zware hakbijl door de lucht.‘Jij bent de oorzaak van al die tegenslag, jij vuile zwarte kat, jij ongeluksbrenger!’ De bijl zoefde door de lucht en miste op een haar na de kat die recht veerde, een halve meter de lucht insprong, en naar buiten spurtte, recht de straat over, ze zag niet eens de zware truck aankomen, remmen piepten, iemand gilde en met een klap belandde Aagje in de goot.Ze klauwde enkele seconden hulpeloos met de pootjes in het ijle, en toen bleven die stil. Lob had dit tafereel met stijgende verontrusting gadegeslagen. Toen Aagje voor dood bleef liggen, en in haar ogen een heel dorp wegstierf, krabbelde hij jankend recht en viel met ontblote tanden, een grauw en een grom de slager aan. Jean deinsde achteruit de winkel in, wou de deur nog dichtgooien maar hij was te laat.Hij gleed uit over iets glibberigs en sloeg met zijn hoofd op de marmeren toogbank en Lob stortte met een kletterend lawaai over hem heen in de vitrine van de koeltoog, glas zweefde naar alle kanten, Jean hoorde zijn vrouw gillen, er was een kluwen en een gehijg rond hem, toen was er niets meer. Overal droop bloed. Er vielen nog enkele glasscherven en toen werd het doodstil in de winkel. De slagersvrouw gilde, het hoofd van haar man lag in een vreemde hoek opzij, en keek in de richting van de deur. In de keel van Lob stak een messcherp stuk glas, en donker vocht gulpte uit de slagader. Uit de huizen kwamen vrouwen naar buiten. De chauffeur van de truck stapte uit zijn cabine. Een buurman begon met zijn mobieltje te telefoneren. De truckchauffeur wees naar Aagje. Iemand riep iets over die dekselse kat. Andere mensen wierpen boze blikken in de richting van de hond wiens huid nog rilde. Lob zuchtte nog één keer en bleef stil liggen.Een ambulance kwam met zwaailichten aangestoven. Er werd gemompeld en gewezen.De twee witte uniformen liepen met de slager op de berrie naar de wagen. Aan de achterzijde ervan wisselden ze een blik en sloten de deuren. Als een gillende kat vloog de ambulance weer richting stad.  

simondupee
14 0

borsthaar en hotpants

‘Zeg het dan, als je durft!’   Ik richtte mij iets op en zag de schreeuwende de man met te veel open knopen, met te veel krullend borsthaar en met te veel kettinkjes om zijn nek. Hij had in zijn ene hand een literfles Kronenbourg en in zijn andere hand een halfvol bierglas. Vier tafels, twee met gezinnen, een met een bleek stelletje met baby en een met bejaarden, hinderden mijn blik. Ik wurmde heen en weer om het spektakel te zien.   ‘Maar trek niet dat heilige smoeltje,’ vervolgde hij. De aangesproken vrouw schokschouderde en bestudeerde haar glas pastis.   Mijn vriendin keek in een flits geërgerd om en zei: ‘Laten we weggaan, geschreeuw van proleten kan ik niet aanhoren.’ Ze schoof weg achter een parasol. ‘Wil ik niet aanhoren op mijn vakantie. Ik reken af en ga daarna naar het toilet.’ Ze hield haar hand vlak voor mijn neus. ‘Ik zie je zo aan de uitgang van het café naar het strand.’    Ik deponeerde voldoende franken in haar hand en ze trippelde vlug weg op haar sandalen met kurken plateauzolen.   Het bruin-oranje hoedje op het hoofd van toegeschreeuwde vrouw bewoog heftig, helaas klonk haar stem zacht. Door de luidspreker bij de deur zongen de Poppys zo boos dat er niets veranderde, dat ik haar niet kon verstaan. Wel was wat de vrouw zei, uit de reactie van de borsthaarman op te maken.   ‘. . .’ zei ze vermoedelijk.   Hij antwoordde: ‘Ik weet dat iedereen ons hoort, ik ben niet gek, maar niemand kan ons verstaan.’    Deze uitspraak bevatte vier delen, waarvan één deel (hij was niet gek) niet te verifiëren was, daar had ik te weinig data voor, twee delen wel te verifiëren waren en correct (iedereen hoorde zijn geschreeuw, én dat hij het wist). Het laatste deel was niet waar, het terras was nog geen honderd meter van onze camping met voornamelijk Belgen en Nederlanders, en de Middellandse zee klotste bijna tegen zijn voeten. In het lauwe water dreven op dat moment meer Nederlandssprekenden dan zeemeeuwen. Minimaal driekwart van de gasten op het terras volgden geïntereseerd de woorden van het gesprek en de overigen konden uit zijn toon en gebaren opmaken wat hij bedoelde.   Mijn vriendin wiebelde door het zand naar het toilet aan de zijkant van het barretje, straks gingen we teenslippers kopen. Ze had nog nooit gekampeerd en ik gaf haar een spoedcursus. Haar weglopen zag er, door mijn achttienjarige ogen, goddelijk uit. Ze verdween snel door het deurtje en ik probeerde weer over de hoofden heen het ruziënde stel te observeren.    ‘. . .’ zag ik de vrouw met het hoedje zeggen.   ‘Precies, van die bleke nozem met zijn gekleurde plastic balletjes die vanmorgen meedeed bij je Jeu de boules toernooi.’   ‘. . .’   Hij vulde zijn glas, gebaarde met de fles in de richting de camping en zei: ‘Ja, heel goed geconcludeerd, in die grote caravan bij het muurtje. Terwijl die sukkel bij jou op het grind met zijn handen aan zijn balletjes zat, zat zij aan de mijne.’ Hij nam een slok. ‘Die caravan heeft prima vering.’   ‘. . .’   ‘Nee, ik schaam me niet. Je vertelde de afgelopen week duidelijk maar liefst zeven keer: “tussen ons is het over” en elf keer: “thuis splitsen onze wegen,” ik heb het geteld.’ Hij keek suprieur naar zijn vrouw. ‘Maar wat blijkt vandaag? Ik ben een gezonde, productieve jongen: aan mij ligt het niet.’   ‘. . .’   ‘Als je het echt wilt weten, dat kittige dingetje met die rode haren. Die vanmorgen op naaldhakjes naar de douche liep.’   ‘. . .’   ‘Dat was niet zijn oudere zus, ze reist met hem mee omdat hij alles voor haar betaalt. Net zoals ik alles voor jou betaal.’   ‘. . .’   ‘Wat nou zielig? Hij hoopt deze week ontmaagd te worden. En als dat lukt, is het een bofkont. Zij straalt drie klassen hoger in stijl en performance.’   ‘. . .’   ‘Niets mis met een beetje ordinair. Als jij die hotpants met een tijgerprintje zou dragen, hoef ik niet om mij heen te kijken.’ Hij zette het glas met een tevreden klap op tafel.   Ze stond op, pakte zijn glas en gooide de rest van het bier in zijn gezicht.Anderhalf uur nadat ik de spullen van mijn - inmiddels ex - vriendin én het beddengoed uit de caravan van mijn ouders had verspreid onder de pijnbomen van camping Le Dramont, reed ik in mijn tweedehands Opel Rekord op de Route du soleil in noordelijke richting. Hoe zij thuis is gekomen? Geen idee.   Ontmaagd werd ik die avond ter hoogte van Dijon in de eerder genoemde caravan door een, in mijn jonge ogen wat oudere, dame die een lift nodig had en een week daarvoor besloten had dat het over was tussen haar en haar man met te veel krullend borsthaar.  Ik denk hier na achtenveertig jaar met een goed gevoel aan terug. En weet u waarom ik hier, bijna een halve eeuw later, aan denk?   Mijn kleinzoon belde dat hij bij Saint Raphaël gaat kamperen, voor het eerst met zijn vriendinnetje. Of ik nog tips weet over de omgeving.

MCH
22 2

DE OUDE DICHTER

Naar aanleiding van het verschijnen van zijn gebundelde dagboeken komt de oude, misschien wel, grootste nog levende dichter van ons land langs voor een voorstelling in onze boekhandel. Om aan zijn wensen te voldoen hebben we een hotel voor hem geboekt. Een van de medewerkers van het hotel is een goeie vriend van me die af en toe een kop koffie komt drinken in onze leeszaal annex koffiebar. Hij weet me te vertellen dat de vrouw van de oude dichter is meegekomen en om een aparte kamer heeft verzocht. Het is vrijdagavond en naast de harde kern zit er een heel divers publiek in de koffiebar. Onder de bewonderaars - variërend van soms vreemd uitgedoste jonge snuiters tot oude grijsaards met mutsen of hoeden waar haarplukken weerspannig onder uitsteken - herken ik enkele bibliothecarissen en een aantal al dan niet getalenteerde dichters en schrijvers waarvan tenminste een van hen zichzelf binnen enkele jaren, als in een droom, daar op die begeerde stoel ziet zitten, hoewel het gewoon dezelfde stoel is als alle andere stoelen hier.Iemand fluistert me toe dat de oude dichter het evenement op een haar na heeft afgezegd, wegens het overlijden van z'n broer. Maar ze hadden naar verluidt al jarenlang weinig of geen contact meer met elkaar. De oude dichter schrijdt binnen, vriendelijk maar gereserveerd - zijn vrouw is er niet bij. Hij kijkt eens rond, vraagt waar de poëzie staat en inspecteert de kast. Het is een kast waar we trots op zijn, er staan honderden gedichtenbundels in; ongeveer alles wat de moeite waard en te verkrijgen is, van aanstormende, gevestigde en verscheidden poëten, door de eeuwen heen.Van de oude dichter is dat niet enkel zijn meest recente werk maar ook wat nog steeds bij de uitgever in herdruk is, waardoor hij een behoorlijk stuk van deze kast inneemt.Tenslotte vraagt hij een glas wijn, gaat aan het tafeltje zitten dat daar speciaal voor hem werd neergezet en stalt zijn boeken en paperassen voor zich uit. We bevinden ons al voorbij het aanvangsuur en langzaam valt het publiek stil, weliswaar zonder de minste aanwijzing dat er iets op til is, als de oude dichter even kucht en de eerste zin leest. De lezing is officieel begonnen. Ofschoon nog maar net gestart, blijkt het - door de grote stiltes die de oude dichter laat vallen - vaak moeilijk om vast te stellen of de voordracht nog verder gaat of alweer afgelopen is. Soms doet het geritsel tussen de paperassen en het bladeren in een boek vermoeden dat er nog iets achter komt. Het is dan ook één van de kenmerken van de oude dichter. Dat hij zijn tijd neemt.Langzaamaan raakt hij op dreef en leest voor uit het boek vol gemoedsbewegingen, waarin hij zo rauw in zijn ziel laat kijken dat een recensent liet weten dat hij de blik tijdens het lezen geregeld af moest wenden. Maar het is een lovende recensie, het zijn allemaal lovende recensies, zeg maar onvervalste liefdesverklaringen voor de oude dichter en zijn meest recente, volumineuze boekdeel waarvan iedereen diep onder de indruk is, zowel vriend als vijand. Ik sta aan de bar toe te kijken, als last man standing, naar de bijna religieuze stilte bij het publiek, naar het onmiskenbare ontzag voor deze hogepriester van de woordkunst die hier op deze plaats en op dit moment een bijna goddelijke uitstraling bezit.In sterk contrast met dit alles wipt, telkens de stem helemaal stilvalt, de kleine hond driftig overeind door het losbarstende applaus waarvoor ze nooit enig begrip heeft kunnen opbrengen. Iedere keer stelt ze zich tot doel dit collectief aangedreven monster met man en macht te bestrijden, een gevecht dat ze aangaat in de vorm van hysterisch geblaf en pas staakt als het weer rustig wordt. Waarna ze opnieuw neerzijgt, genietend van haar overwinning op de recente vlaag van verstandsverbijstering. Merkwaardig genoeg ontlokt deze reactie keer op keer veel lachende gezichten bij de aanwezigen, deels opgelucht omdat de zwaarmoedige sfeer hiermee eventjes wordt doorbroken, maar ook omdat ze er een vorm van appreciatie vanwege mijn viervoeter in menen waar te nemen, want aangezien een teckel niet kan applaudisseren, moet ze haar enthousiasme wel uiten via geblaf. Wanneer het al geruime tijd weer stil is, begint de oude dichter aan een volgend relaas, een bijkomende of andere overpeinzing of beslommering die ooit eens in hem opkwam en die zich al dan niet enkel in zijn hoofd heeft afgespeeld.Af en toe steekt hij, zonder op te kijken of het lezen zelfs maar te onderbreken, een hand omhoog met daarin zijn lege wijnglas. Op zo'n moment kan ik mijn oude professie als cafébaas nog eens demonstreren en loop dan, ietwat overdreven plechtig - ik kan het niet verhelpen - met m'n linkerhand op mijn rug en met in de andere hand de fles, op de oude dichter af. De eerste keer vul ik z'n glas voor een derde bij, maar, luider verder lezend steekt hij z'n hand wat hoger, dus vul ik het glas nogmaals aan en opnieuw tilt hij z'n hand iets hoger, alsof zijn dorst werkelijk niet te stillen valt dus vul ik het glas dan maar tot aan de rand, dit alles tot grote hilariteit van het publiek dat daarna geamuseerd toekijkt hoe hij het glas voorzichtig, zonder te morsen, tot aan de lippen brengt en het lezen net zolang onderbreekt als het duurt om de volledige inhoud in één keer naar binnen te gieten. De oude dichter loodst ons doorheen de gedachtengangen van z'n dertigjarig labyrint en spendeert naar het einde toe ook nog enkele woorden aan zijn gestorven broer, om ons daarna te trakteren op enige neergeschreven bedenkingen hieromtrent en andere zaken en zichzelf met vaste regelmaat op een glas wijn vooraleer er tenslotte de brui aan te geven, tot opluchting van het overgrote deel van de aanwezigen die weliswaar heel erg genoten hebben maar nu ook dorst krijgen en uitkijken naar ietwat luchtiger vertier om hun vrijdagavond alsnog in te zetten, vrolijk nakletsend aan één of andere toog met een frisse pint of iets sterkers. Onze koffiebar loopt leeg, iedereen vertrekt en de oude dichter blijft achter met de obligate bewonderaars wiens boeken gesigneerd moeten worden en die hem bedanken door nog een glas wijn aan te bieden, een aanbod dat hij grootmoedig aanvaardt. Ondertussen raakt de oude dichter steeds meer in zichzelf gekeerd, wat maar goed is ook want aan de woorden die hij spreekt valt geen touw meer vast te knopen. Zijn bewonderaars daarentegen, die de tijdens de voorstelling opgelopen achterstand nu in een snel tempo met wijn en bier proberen weg te werken, hangen als vliegen om hem heen, remmingen vallen weg en ze ratelen erop los. Sommigen vertellen hun hele leven, bewieroken de oude dichter voor wat hij al die jaren voor hen betekende, bedanken hem nogmaals met een handdruk of zelfs al eens een schouderklopje en gedragen zich alsmaar familialer. Michael komt me vragen of de oude dichter binnen mag roken. Er zijn maar een handvol aanwezigen meer en het is tenslotte bijna winter, we kunnen de arme man toch niet naar buiten sturen? Maar ik wijs hem erop dat het rookverbod in publieke ruimtes ook voor oude dichters geldt. Even later merk ik dat de oude dichter iets voorovergebogen staat, een sigaret tussen de lippen, met zijn handen een kommetje vormend rond de aansteker alsof een felle wind ook hierbinnen zomaar toe kan slaan, terwijl Michael hem een vuurtje geeft, met een grote grijns opzij kijkend naar mij, benieuwd wat ik daaraan ga doen. Ik moet hem echter ontgoochelen, want ik doe niets, ik laat het allemaal voor wat het is en gun hem zijn pleziertje.Terwijl ook de laatste aanwezigen beneveld raken, getuige de mij onbekende, oude Vlaamse liederen die ze zingen waarbij hun interesse in de oude dichter begint af te nemen zodat deze mompelend verdwaalt tussen de boekenkasten, maak ik aanstalten om af te ronden. Mopperend verlaten ze het pand, met een brabbelende Michael als hekkensluiter, die, als ik zeg dat hij zijn glas niet mee kan nemen, nog snel het laatste restje van zijn inmiddels verschaalde pils achterover kapt. Ik help de oude dichter in zijn overjas, schuif de mouwen over zijn armen, knoop het kledingstuk vooraan dicht en zet zijn pet op z'n hoofd. Ik begeleid hem naar de wagen, mijn arm stevig in de zijne gehaakt hoewel het pas eind oktober is en de wegen nog verre van glad. Hij laat zich welwillend zakken in de passagierszetel van de oude Peugeot 309 die ik, toen iedereen nog in gesprek verkeerde, iets verderop ben gaan halen en met het oog op deze handeling hier voor de deur heb geparkeerd. Ik rol de veiligheidsgordel naar voor, ga ermee rond de buik van de oude dichter en klik de metalen plug in de houder. Daarna neem ik de kleine hond, zet die op de achterbank in z'n mandje, sluit ik de winkeldeur af en ga achter het stuur zitten waardoor het een beetje aanvoelt alsof ik mijn oude vader wegbreng. Ik draai de baan op en moet meteen naar rechts waardoor het hoofd van de oude dichter onverwacht op mijn schouder belandt en daar eventjes blijft liggen. Ik krijg hem pas weer overeind als ik linksaf moet zodat datzelfde hoofd nu tegen het raampje van de passagiersdeur slaat. Geschrokken hou ik de oude dichter daarna zo respectvol mogelijk met mijn rechterhand bij de kraag van z'n jas vast terwijl ik verder in de richting van het hotel stuur. Echt handig is dat niet, vooral niet als je moet schakelen, maar hierdoor verloopt de rest van de rit redelijk vlot en tenslotte parkeer ik de wagen voor het hotel. Ik stap uit, loop om de wagen heen en help de oude dichter met uitstappen.'Isss errr hierrrr misss-sschien nog een drankgeleeegennnheid waar we noggg een klei-niggg-heid kunnnnen nut-t-t-tiggen?' Hij doet zijn best om duidelijk te articuleren maar sommige letters blijven hangen in zijn mond en lettergrepen lijken bergen waar hij moeizaam over raakt. En hoewel er inderdaad nog veel zaken open zijn op dit tijdstip, het is pas iets na elven, heb ik weinig zin om zo'n kroeg met de oude dichter te betreden. Het is overduidelijk dat de man nu enkel nog baat heeft bij z'n bed. 'Er is ook een bar bij het hotel', opper ik voorzichtig, in de veronderstelling dat hij ook daar niets meer zal krijgen vanwege z'n benevelde toestand en hij zich dan tenminste al dichtbij z'n kamer bevindt.'Wiltt u mij dann verrr-ge-zel-lennn bij een laatsste glasssss?'Ik weet dat het onbeleefd is om dit aanbod af te slaan, want dat het een hele eer is meegevraagd te worden door de oude dichter maar de avonden dat ik mistige redeneringen en dronken gewauwel moest aanhoren toen ik nog in de horeca werkte, hebben voor een klein trauma gezorgd waar ik me in gewone omstandigheden niet van bewust ben maar die op zo'n moment opnieuw de kop opsteekt. Was ik zelf dronken geweest, dan was er nu natuurlijk niets aan de hand en zou ik vrolijk zijn meegetrokken om god weet waar te belanden. Een avondje met de oude dichter, wie weet, het zou een mooie anekdote kunnen opleveren. Ondertussen zijn we bij de deur van het hotel aangekomen.'Ik moet u helaas ontgoochelen, het is een lange dag geweest en morgen is de winkel opnieuw open en ik heb nog wat opruimingswerk. Maar ik ben heel blij dat u vandaag bij ons bent langs geweest en wil u graag nogmaals danken voor de boeiende lezing die u gaf.'Hoofdschuddend wuift hij mijn woorden met een verveelde uitdrukking op z'n gezicht weg, draait zich om en loopt mompelend en met onvaste tred naar de deur die leidt naar de bar van het hotel. Zo verdwijnt hij zonder verder om te zien. De volgende dag verneem ik via mijn vriend in het hotel dat ze de oude dichter midden in de nacht de bar hebben uitgezet. En dat er even later een ijselijke gil weerklonk die bij nader inzien afkomstig was van zijn vrouw die wakker werd toen hij bij haar in bed wou kruipen. Waarna ze hem naar zijn eigen kamer hebben gebracht.Ik blader door de aanbiedingen die de uitgeverijen voor het komende voorjaar in petto hebben, kijk wat er straks allemaal verschijnt en wie we nu eens voor een lezing kunnen vragen. Want je moet zo'n voorstelling toch geruime tijd van tevoren plannen. Zodat je voor niet meer verrassingen dan noodzakelijk komt te staan.

Rino Feys
4 0

Mooi en haai

Ik zit in bikini in de anti-pijn zetel in de zon, op een werkdag. Ik heb weer te weinig mijn gedachten een loop laten nemen, teveel antwoorden ingeslikt, teveel vrolijke praatjes geforceerd, teveel tranen verstikt. Samen hebben ze een stapeltje gevormd in mijn vijfde ruggenwervel. Mijn spieren waren daar niet mee akkoord en leggen me nu al drie dagen lam. Lam van de pijn. En pijn moet je genezen met genot. De bijtjes zoemen. In de struiken zitten vogeltjes te tsjilpen, heel zacht zoals ik het graag heb. En de kip scharrelt wat blaadjes aan de kant. Ik probeer die rust op te zuigen, maar in mijn hoofd spookt die vervelende mail van begin deze week. Woest werd ik ervan. Ik heb teveel geleefd om op het matje geroepen te worden door een onbekwame leerkracht. Dat mijn zoon de afspraken niet naleeft en zijn enthousiasme storend is zou ik geloven als andere leerkrachten dit konden beamen, maar laat nu net het tegendeel waar zijn. Mijn zoon is lief, aandachtig en werkt goed mee. Raar toch dat het in de klas zedenleer uit de hand loopt? Zou het niet kunnen dat mijn vragen over de inhoud van de lessen (zijnde films die niet geschikt zijn voor achtjarigen en waar geen enkel verband te vinden is met zedenleer) zodanig veel irritatie hebben opgewekt dat mijn zoon nu nog meer geviseerd wordt? Zo’n mails verstoren de rust in huis. En als je thuis komt na een lange vermoeiende dag op het werk, omdat de pijnstillers net niet lang genoeg hun werk deden om als een normale mens te functioneren, dan wil je alleen maar rust. Geen kind dat huilend straf zit te schrijven en tussen de tranen door iets brabbelt van “ik heb zoveel energie en ik vind de les zo leuk, ik kan er niet aan doen dat ik zoveel energie heb, ik wou dat die energie op was”. Ook geen wederhelft die dan brult “ja, neem de suikerklont maar eens goed vast, zo gaat hij de boodschap zeker begrijpen”. Thuis zouden we moeten kunnen doen wat we willen, zonder rekening te houden met gefrustreerde juffen en regeltjes van hoe de opvoeding hoort te zijn.    Woest ben ik ook omdat de mooie kat uit de buurt steeds weer de vrijheid van Lucy, mijn kip, beneemt. Zodra Lucy vrij in de tuin loopt ligt ze op de loer, klaar om toe te slaan. Lucy komt dan onder zacht gekakel onder mijn zetel gekropen op zoek naar bescherming. Zo is het toch steeds weer bedenk ik, wezens die denken dat alle terreinen de hunne zijn en wezens die hun plaats en vrijheid afstaan zonder er lang bij stil te staan. Niet dat ik niet van katten hou, integendeel, maar waarom zit moed en vrijheid niet beter verdeeld? En wat met pijn? De ene niks, de andere een leven lang? Mag ik dan hopen dat de portie pijn tenminste in verhouding staat tot de portie geluk die we toebedeeld krijgen? En niet in het hiernamaals wel te verstaan. Over het hiernamaals mogen ze zeggen en schrijven wat ze willen. Ik leef hier en nu. Dat ik leef wordt tegenwoordig ook bevestigd door mijn smartwatch. Ik die weinig of niet met technologie bezig ben, heb sinds kort binnenpretjes nu ik merk dat liefde dan toch een beetje meetbaar is. Die hartslag van mij maakt soms rare sprongen dankzij bijzondere mensen die niet zomaar toevallig mijn pad kruisen, maar wel heel goed getimed op afspraak komen om te zorgen dat pijn en geluk in verhouding blijven. Net als de zon die fijne straaltjes door een dik donker wolkendek stuurt om een “ooo” te laten ontsnappen in plaats van een “aaa”. En van al dat moois word je haai, zelfs zonder pijnstillers. En een haai kan onbekwame juffen beter aan.

Fien SB
22 1

Kom op met die proharmonica, maar misschien volgende week pas

Ze had het kunnen weten. Dat het maandenlang reikhalzend uitkijken naar twee weken vakantie in het prachtige Italië, een voorbode voor deze post-vakantie-depressie zou zijn. Waarom bestaat daar in godsnaam geen naam voor? En maar zoeken op Google naar een verklaring voor het fenomeen. Toch moet ze zich neerleggen bij het feit dat haar gevoel geen officiële erkenning krijgt. Tuurlijk hebben nog mensen daar last van, weet ze, maar ze wil het zwart op wit door iemand anders gedefinieerd zien, want dan bestaat het echt, toch? Anderzijds, weet ze ook, zou een DSM-diagnose ook slechts een illusie van begrip teweegbrengen. Het weekje Toscane en het weekje Elba waren fantastisch. Geen verantwoordelijkheden. Er was uiteraard wel de dagelijkse routine, maar deze keer tenminste tussen de bloeiende oleanders met zicht op baaien met helderblauw water. Ze was weg van het besef dat op reis zijn zoveel leuker is dan de alledaagse beslommeringen. Ze zat er in het moment, zonder verleden, zonder toekomst. Het Colombus-gevoel van nieuwe plaatsen en mensen te ontdekken, de wanderlust, brachten haar in vervoering. Ze zag hoe ontspannen de mensen die hier leven eruit zien, op deze plek waar de zon de geest verwarmt, dieppaarse bougainvilleas de oude steegjes omarmen en zelfs vervallen gebouwen kunst en schoonheid ademen. Beleefde ze dit zo intens doordat het een jaar was geweest van isolatie en beperking van vrijheid? Hoe zou Napoleon het eigenlijk ervaren hebben, het ballingschap op dit mooie eilandje, vroeg ze zich verder af. Ze waande zich even een wereldheerseres in ballingschap op dit geweldige eiland. De mokerslag bij thuiskomst is hard. Het brengt haar op haar knieën. Als (onder)weg zijn helpt om je beter te voelen, bedenkt ze zich de tweede dag na thuiskomt, waarom kan je dan geen eeuwige wereldreiziger zijn? Maar zo is het ons niet aangeleerd. Nee, we zijn honkvast en we go back to the usual business. Haar brein lijkt ontstoken, de etter onzichtbaar maar drukkend tegen haar hersenpan. Ze kan grijpen naar de pillen. Ze weet dat minstens tien percent van de mensen het neemt. Om toch maar in deze opgedragen ratrace te kunnen blijven lopen. Ze had het ook nodig gehad. Maar nu wil ze koste wat kost de bittere pil slikken, en kiest ze ervoor om haar even goed rot te voelen. Even niet ‘yes, we can’. Even ‘nee nu lukt het niet’. Ze kruipt het bed in en voelt hoe belabberd ze zich voelt. Hoe rot het is om dit rotjaar te verwerken, om afscheid te nemen van illusies, te voelen hoe ze een moeilijke beslissing heeft genomen, hoe dingen werden opgelegd wat ze niet wilde. Ze zit het even uit, dat lastige voel. Ze kan volgende week nog altijd naar die antidepressiva grijpen. Maar dan gaat ze ze wel ‘proharmonica’ noemen. Waarom krijgen sommige woorden ook zo’n negatieve connotaties: 'antidepressiva' - om depressief van te worden.  Ze beslist dan om – na een onbepaalde maar te lange tijd doelloos te 'zijn' – foto’s te kijken, van de mooie beelden, waar iedereen lacht, op plaatsen die ze nu enkel in haar gonzende grijze hersenmassa kan terug oproepen. Dat helpt. Dankbaar zijn voor die mooie tijd. Dat helpt. Net als de wetenschap dat ook dit gevoel, weer overgaat. Ook zonder pillen. Been there, done that. https://ikbinnenstebuiten.wordpress.com/2021/09/14/kom-op-met-die-proharmonica-maar-misschien-volgende-week-pas/  

CasaSara
0 0

Grijze haren

“Kijk, dat is Freddy”, zeg ik naar de tv wijzend. “Ken je hem nog?” Hij kwam altijd in het café waar we als jonge mensen menige jeansbroek hebben versleten. “Ze waren toch met twee broers, niet?”, zeg ik. De naam van zijn broer ontsnapt me. “Hij is oud geworden”, zegt mijn vrouw. Hij werkt voor een museum in de provinciehoofdstad en de lokale tv-zender brengt een item over een nieuwe expo. Je kan inderdaad niet naast zijn lange grijze haren kijken. Vroeger waren zijn haren niet zo lang. Of grijs. Plots besef ik dat ik naar mezelf kijk. Alsof de beeldbuis een spiegel is. Ik ben immers net zo oud. Ook bij mij hebben de jaren hun sporen nagelaten. "Heb ik je dat trouwens verteld van Rita?" Ik leg uit dat ze vrijwilligerswerk deed in de bibliotheek. We lazen wekelijks voor uit prentenboeken en Rita was een van de vrijwilligers. "Ik kwam ze een paar weken geleden tegen. We hadden het over mijn vorige werkplek en dat ze nog steeds vrijwilligerswerk doet." "Ik ben nu wel met pensioen. Het geld komt zo op mijn rekening", zei ze. Het klonk alsof ze de lotto had gewonnen. "Maar jij bent toch ook al met pensioen?" Ze meende het. Ze keek me aan en zag een pensioengerechtigde man staan. "Ik was er serieus van geschrokken", zeg ik tegen mijn vrouw. "Zie ik er echt zo oud uit?" "Misschien ziet ze niet meer zo goed", antwoordt mijn vrouw. Dat zou kunnen natuurlijk. Maar wat als dat niet zo is? Ik laat het onderwerp rusten en stap naar de keuken. In de fruitschaal ligt een appel die enkele rimpels vertoont. Op de duur begin je het overal te zien. De gerimpelde appel moet eraan geloven. Ik zet er mijn tanden in. Hij smaakt nog voortreffelijk.

Rudi Lavreysen
18 0

Inslaande golven (ode aan de alleenstaande moeder)

EEN ‘Negen weken.’‘Pardon?’De vraag krast door een woestijndroge keel en sterft weg tussen mijn opengesperde benen. Dokter Merano strijkt een doekje over de daarnet nog ijzig koude, maar nu warme staaf. Stroperige druppels glijmiddel spatten op de crème-witte muur, maar de tranducer is weer schoon.Hij ziet de spatten niet. Ik doe alsof ik ze niet zie.‘Dat moet een vergissing zijn.’, stamel ik hees. Keelpijn.‘Geen vergissing. Je draagt een wonder van het leven in je lichaam. Proficiat.’Het getuigt van onkunde, vind ik, om iemand te feliciteren, nee, te belasten met een levenslange verantwoordelijkheid, zonder toestemming van de luisteraar.Dat zeg ik natuurlijk niet. Hij kan het ook niet helpen. In plaats daarvan schraap in mijn keel. Nog steeds droog. Wat ik wel zeg valt voorzichtig van mijn tong, met een stembuiging die naar het einde van de zin toe de hoogte in gaat.‘Hmm? Kan jij mijn lichaam misschien al voorbereiden voor dat andere wonder van de medische vooruitgang?’‘Bedoel je-?’Ik knik. Met zijn binnenstebuiten gekeerde latex handschoenen nog in de hand en een eerder zwakzinnige blik, vindt hij de wanhoop in mijn blauwe ogen. Mijn geopende benen rusten nog steeds op de fetisjistische stoel van de dokter, maar ik verbijt mijn ongemakkelijkheid. Hij kijkt recht mijn baarmoeder in, in de ogen van een foetus.Sterk zijn. Doen alsof er niks aan de hand is. Ruggengraat tonen.Ik las ooit dat je je eigen schaamte kan overmeesteren door de rollen om te draaien. Sinds dan pas ik die ideologie op elke ongemakkelijke situatie toe, en dus ook nu. Mijn ogen haken zich in de blik van de dokter. Het duurt niet lang of hij draait zijn hoofd in gêne weg en wenkt me om rechtop te gaan zitten.‘Je kan deze beslissing niet nu nemen. Niet onmiddellijk, dat begrijp je wel. Ik zal aan de receptie doorgeven om je wat brochures en informele website toe te spelen. Denk er eens rustig over na. Dit is geen beslissing om licht over te gaan.’‘Waaraan verdien je het meeste, dokter?’Ik kom rechtop en trek mijn kakikleurige chino over mijn benen.‘Luister, als er problemen zijn met de vader, dan zijn er meer dan genoeg-.’‘Daar gaat het niet over, dokter.’Daar gaat het wel over, dokter, maar in tegenstelling tot mijn preut behoort dat niet tot jouw zaken.Hij antwoordt niet meer en laat zich op een lederen fauteuil achter zijn ebbenhouten bureau zakken, verscholen voor mijn vrijpostige houding achter torenhoge stapels van medische naslagwerken, dikke kleppers van duizend en meer pagina’s waarin het reizen en zeilen van de vrouwelijke voortplanting tot in de kleinste details staat verwoord. Zouden er ook geuren in omschreven staan, vraag ik me af. Ik knoop mijn broek dicht en dokter Merano kijkt me vol walging aan. Het heeft geen zin om verder met me te discussiëren, dat begrijpt hij. Toch iets waarvoor hij mijn respect in ontvangst mag nemen.Ik weet dat ik gelijk heb. Ik weet dat ik dat kind niet wil. Niet dit kind.Ik wil het niet. Des te meer ik het herhaal, des te meer ik het geloof. TWEE Ik sta aan de voet van het gebouw. De poezenhoek. Er slaat een koude rilling over mijn rug, waar de donzige haartjes van overeind komen. Het komt door die platvloerse bijnaam voor het herenhuis, waar vier collega-gynaecologen hun handen in elkaar sloegen, die om een voor mij onverklaarbare reden is blijven hangen bij de patiënten, dat me doet trillen op mijn benen. Het heugelijke nieuws voelde als een natte ijskoude handdoek in mijn nek werd geslagen en ligt nu als het bezinksel van een trappist om de bodem van mijn lichaam.Er groeit leven in me. Het kind rust vredig in mijn heupen. Het geniet van de hypnotiserende beweging wanneer ik wandel. Het voelt me. Het begrijpt me.Zolang ik het maar niet voel, of begrijp, blijft het makkelijk.Negen weken, proficiat.Ik wou dat ik het voelde. Ik wou dat ik het begreep.Proficiat. De hele voormiddag dool ik door de straten. De overhangende takken beschermen me voor de verraderlijke hemel die omlaag dondert en me onder het vooruitzicht verplettert. Ik besluit de trein te nemen. Tegenwoordig staan er computergestuurde kiosken aan het station. Ik koop mijn ticket en prijs mezelf gelukkig dat ik menselijk contact kan vermijden, dat ik niemand in de ogen hoef te kijken.De Panne? Uitwaaien aan zee?Ja, uitwaaien, mijn hoofd koelen. Dat lijkt me wel wat. Een zwarte vrouw zit tegenover me. Ze draagt een kleurrijk gewaad en ruikt naar komijn en look. Op het ritme van enkel voor haar hoorbare muziek tikt ze haar voet op en neer en wipt het meisje op haar schoot synchroon mee. De reusachtige, zilveren hoepels in de vrouw haar oren fladderen naar alle kanten, terwijl ze zonder schroom of aandacht voor de medepassagiers haar dochter toezingt: 'Zo rijdt een boerenpaard, een boerenpaard, een boerenpaard. Zo rijdt een boerenpaard, een boerenpaard rijdt zo.'De vrouw versnelt haar beenbeweging. Het meisje komt lichtjes los van moeders knieën.'Zo rijdt een damespaard, een damespaard, een damespaard. Zo rijdt een damespaard, een damespaard rijdt zo.'‘Nog sneller. Sneller.’, roept de kleine kapoen.'Zo rijdt een renpaard, een renpaard, een renpaard. Zo rijdt een renpaard, een renpaard rijdt zo.'Ze hobbelen nu zo hard dat het meisje van haar moeder tuimelt en op de ranzige treinbank neerstrijkt. Ze schatert van het lachen.Ik kan het niet helpen. Ik lach met ze mee.Pas nu voel ik mijn handen. Ze liggen op mijn buik. Door het raam schieten grasvelden voorbij, waar koeien grazen en hun kalveren te drinken geven. Paarden galopperen met hun veulens langs het houten hekwerk. Gelukkig geboren in gevangenschap.Ze hebben tenminste elkaar.Ik bekijk de achtertuinen waar we in hoge snelheid voorbij sjezen. Ik stel me gezinnen voor. Kinderen die huiswerk maken. Ouders die pannenkoeken bakken. Kinderen die hun rommel niet opruimen. Ouders die boos worden. Kinderen die miserie brengen.Gezinnen die op regenachtige dagen een zak chips opentrekken, zich gezellig op de sofa nestelen onder een fleece deken en een film kijken. Kinderen die hun onvoorwaardelijke liefde betogen. Kinderen die geluk brengen.Op de dijk haal ik een mama in. Ze duwt een kinderwagen voort. In de vlucht bekijk ik het product van haar lendenen. Het jongetje slaapt zo vredig, draagt een leuk modieus mutsje. Mijn handen. Ze liggen op mijn buik. DRIE Ik rol mijn broek tot net boven mijn enkels op. Mijn bloes knoop ik los tot mijn opaalblauwe beha en bescheiden boezem te zien is -voor wie? – en haak de hielen van mijn pumps aan mijn vingers. Ik laat het zand tussen mijn tenen glijden, de korrels mijn voetzolen masseren en loop over het strand naar de bruisende golven. Een zwerm meeuwen vliegt krijsend op. Dat doen ze enkel voor mij, geloof ik. Een donkergroene oceaan snijdt aan de horizon de bloedende zon in twee. Het water is koud. Weet je nog hoe je me op mijn rug gooide in het natte zand, de woeste zee fluisterend in onze oren? Hoe je mijn hals en borsten kuste? Hoe het wegebbend water ons in de bodem zoog? Hoe het ritme van het getij onze bewegingen coördineerde? Hoe we hoopten dat onze lichamen voor altijd verstrengeld zouden blijven en dat de zee ons met haar koude vingers zou meenemen naar een plekje voor ons alleen? De bries verschaft vrijheid aan mijn goudrode lokken. Ze dansen.Ik dans mee. Alleen.Maar ik dans. Dat is goed, toch?Ik dans. Mijn armen gespreid in de wind.Weet je nog toen ik mijn benen voor je spreidde, tussen het bad en de wastafel? Tot ik niet wijder kon, tot ik kramp kreeg, zozeer wilde ik je.Er zijn gevoelens die niet te verwoorden zijn. Zoals de warme zon die zich vanachter dikke, ongastvrije wolken lostrekt en je huid verwarmt, je als een geliefde opzweept. Troost. Koestert. Bemint.De laatste zonnestralen zijn warm.Weet je nog toen we op het tapijt voor de haard zaten? Jij was naakt. Ik was dat ook. Je herinnert het je vast wel. Hoe we kippenvel kregen van het idee onze paden te verenigen. Hoe gezegend we ons in de illusie van een gedeelde toekomst voelden?Daarna vrijden we. Twee levens geallieerd in passie. Wat was onze liefde puur en warm. De golven slaan hard in het zand, trekken zich weer terug. Ze zijn luid. Ze zijn stil. Ze hebben vele stemmen. Er hangt een fluwelen mist gespannen tussen onzichtbare bakens aan de kim. Ik wou dat ik in dat web gevangen zat. Laat die golven maar galmen.Weet je nog hoe we de ene fles rode wijn lieten volgen op de andere?De golven slaan hard in.Weet je nog hoe ik je verzekerde dat ik nog in staat was om te rijden?De golven slaan hard in.Weet je nog hoe het glas versplinterde?De golven slaan hard in.Weet je nog hoe ik naast het ziekenhuisbed zat? Jij met buisjes in je neus, naalden in je arm?De golven slaan hard in.Weet je nog hoe je ogen uitgeput dichtvielen?Weet je nog…? De golven slaan hard in. VIER Ik ben bang. Ik wil er als een haas vandoor gaan. Mijn herinneringen begraven tussen de aanspoelde kokkels in het bleke zand. Zouden ze me voor altijd achtervolgen, zoals jij dat ook zal doen? Ik wil mijn verantwoordelijkheden in een papieren bootje vouwen, laten dobberen op zee, laten meevoeren met het getij, laten verslinden door de onverbiddelijke watermassa.Ik wil weg, steeds verder, tot aan het einde van de horizon, het einde van de wereld.En verder.We zijn allemaal bang. We ontsnappen er niet aan. We moeten leven.Hoeveel verontschuldigingen en excuses er ook in mijn hoofd zweven, ik kan niet vluchten. Ik kan het niet. Ik zak door mijn knieën en dompel mijn gezicht in mijn ijskoude handpalmen. Ik proef de zee in mijn tranen.Weet je nog toen je jezelf voor me wierp toen ik de controle over het stuur verloor?Ik ben je veel verschuldigd.Daar gaan ze.Zie je? Mijn angsten? Daar gaan ze.Ze zweven mee met de meeuwen. Ze worden kleiner en kleiner. Stipjes aan een eindeloze hemel. Verder en verder en verder.Verder. We moeten verder. Op de terugreis denderen goddelijke emoties door me heen op het ritme van het spoor. Ik voel me vederlicht. Het is me gelukt, denk ik. Mijn angsten liggen nog aan zee. Begraven in het zand, verscholen tussen de kokkels, net zoals ik had gehoopt. Net zoals ik had beloofd. Maar mijn geluk kan ik niet begraven. Dat neem ik met me mee.Uitwaaien, ja, dat leek me wel wat.Een man rolt verveeld met zijn ogen, wanneer hij mijn smeulende, idiote grijns, vanachter zijn dubbelgevouwen krant opmerkt.Hij is niet belangrijk. Niemand is dat.Alleen jij. Jij bent dat wel.En dat kind in mij, dat is belangrijk.Het is waar wat ze zeggen over hormonen en zwangere vrouwen en zo. Alle emoties op één dag. Als inslaande golven. Jij wordt papa, liefste. Jij leeft verder in ons lichaam en onze geest.Dat is het minste dat ik voor je kan doen.Minder verdien je niet. Jij wordt papa. En ik denk dat ik maar eens een mama word.

Het Verdwaalde Schaap
2 0

Het meisje dat geluk wou vasthouden

Er was eens een meisje dat geluk wou vasthouden.   Ze vond vele sprankeltjes geluk. Sneeuw. Een regenboog in de zee. Knisperend haardvuur. Stokrozen. Veel likes op facebook. De smaak van foelie in peperkoek. Ze wist dat van haar oma, zij was ook een sprankel.   Ze had al eens geprobeerd om die sprankeltjes te bewaren, in een potje. Maar dat lukte niet goed. Wanneer ze diep viel, vulde haar hart zich met leegte. De sprankeltjes verdwenen. Vooral op ijzig koude decemberdagen, zonder sneeuw. Als ze naar het nieuws keek. Wanneer haar vriendin meer volgers had. Als ze bleef scrollen op haar smartphone. Wanneer ze zich slecht voelde, en ze zag hoe gelukkig anderen waren, was dat niet zo smart van haar. Ze vroeg zich af hoe ze geluk kon vasthouden. Op een nacht droomde ze dat ze een prinses was, die maar niet wilde wakker worden. Tot er plots een kikker haar wakker kuste. Die kikker kwaakte nog net voor haar ontwaken: “Ga bij de ochtendstond naar het bos, daar zal je antwoorden vinden op jouw vraag, kwaak.” Ze ging die morgen, voor dag en dauw, naar het bos. De zon kwam op, de maan wou nog niet gaan. Ze kwam een wezeltje tegen. Die vroeg haar: “Waar ga je naartoe, zo alleen?” “Ik ben op zoek hoe ik geluk kan vasthouden”, antwoordde ze. Het wezeltje keek haar een beetje verdwaasd aan. “Als jij dat weet, mag je het mij komen vertellen.” Dat stelde het meisje eigenlijk wel gerust, dat er nog een wezentje was dat het niet wist. Het pad kronkelde verder. Er kwam naast haar een lief heksje, met een rood kapje, vliegen. Ze leek wel te klein voor die grote bezemsteel. “Waar ga je naartoe?” vroeg het heksje. “Ik ben op zoek hoe ik geluk kan vasthouden.” “Ik kan je helpen,” zei het heksje. “Als je hoofd aan het dwalen is, zing dan dit versje. Het tovert jouw zorgen weg: Iene miene kou, ik hou van jou Ieze wieze wij, het spijt mij Iene miene kief, vergeef me alsjeblief Ieze wieze wel, dank je wel” En poef! Het heksje vloog bliksemsnel weer weg. “Dat moet ik onthouden!” zei ze tegen zichzelf.   Ineens kwam er pimpelmeesje op haar schouder zitten. Het had onderweg haar vraag gehoord, en zei: “In je hart liggen antwoorden, niet in je hoofd.” Het meisje wou een selfie nemen, wie zou anders geloven dat er een pimpelmeesje op haar schouder kwam zitten? “Maak maar een foto met je hoofd. En volg je hart!”, tweette het pimpelmeesje nog. Wat was die lief.   Op de kruising van twee weggetjes stond ze stil. Plots bengelde er een kruisspin boven haar hoofd, die zei: “Doe toch niet zo onnozel! Meisjes zoals jij, die moeten ze een veeg uit de pan geven.” “En waarom dan wel?!” Ze was altijd bang geweest van spinnen, maar deze maakte haar gewoon boos. “Omdat meisjes zoals jij nooit content zijn. Dan hebben ze alles, moeten ze nog klagen.”   Ze maakte dat ze zo snel ze kon wegkwam, weg van de stomme spin. Ze was in de war, struikelde over een steen en bleef even op de grond liggen. Toen kwam er vanachter een paddenstoel, een kikkertje tevoorschijn. Net het kikkertje uit mijn droom, dacht ze. “Wat zie jij er bezorgd uit. Kom, geef mij een kus, dan geef ik het antwoord op jouw vraag!” Ze vond het wel grappig, maar geloofde het niet. “Nee, ik geloof niet in sprookjes,” zei ze al lachend. “Kwaak”, zei het kikkertje, “ik heb toch maar lekker een lach om je mond getoverd.”   Toen zag ze een uil op een tak zitten, die zei:  “We denken over geluk als over een schat vol goud. Dat we pas gelukkig zullen zijn, als we die hebben gevonden. Maar weet je eigenlijk dat je elke dag al goud vasthoudt?” “Maar waarom weet ik dat niet?”, zei ze vol ongeloof. “Omdat je er niet altijd aan denkt. En soms moet je geluk kunnen laten vliegen. Als een ballon. Het maakt dan heus wel iemand anders gelukkig.” “Maar ik weet niet of het nog zal terugkomen. Dan moet ik huilen.” “Je mag ook verdriet hebben, meisje, om wat niet meer is. Dat hoort erbij. En weet dan dat er altijd hoop is.” “Hoop?” “Ja, erin vertrouwen dat het leven nog altijd iets in petto heeft. De sneeuw, die smelt. De bloem, verwelkt. Niets is voor altijd. Toch komt alles altijd terug. Weet je, boven de wolken schijnt toch ook nog de zon?” Wat een wijze uil, mijmerde ze.   Ze stond recht en ging verder. Om de hoek zag ze uit het niets een peperkoeken huisje verschijnen. Het was net groot genoeg voor haar om erin te passen. Er lag papier op tafel, en een pen. In een kooi zat een gele kanarie. Het haardvuur knisperde. Dit moet magie zijn, dacht ze.   Ze zette zich aan het tafeltje en begon te schrijven. Ze schreef de woorden neer, nog voor ze ze bedacht. “Liefste diertjes en heksje, jullie waren mijn sprankeltjes goud vandaag. Ik heb gelachen. En lachen is goud waard. Ik heb me goed gevoeld door pure eerlijkheid. Ik ontdekte dat verdriet en geluk er altijd zullen zijn. En hoop, als je erop vertrouwt. Jij was niet leuk, spin. Maar door jou besef ik nog meer welke leuke wezentjes ik vandaag ontmoette. Ik vergeef je, zoals het lief heksje me leerde.   En kikker, het spijt me dat ik jou niet geloofde. Heel misschien, bestaan sprookjes wel, en ben jij wel mijn prins.”   Dan zette ze het kooitje open. De kanarie vloog weg. Ze liet het deurtje openstaan. Dit ga ik aan wezeltje vertellen. Want zo alleen met dit mooie verhaal, is ook maar alleen, dacht ze.   Ze ging naar wezeltje, en kuste onderweg naar huis, het kikkertje. En ze leefden nog lang, en af en toe, gelukkig.      

CasaSara
9 1