Lezen

Jaap, de ballen, heeft ie last van, in de mond, niet slikken!

'Misschien padellen?' zei zijn vrouw. Frank bouwde met zijn vork een dam in de aardappelpuree om de vleessaus te verhinderen de erwten te overspoelen. Hij keek op. De tijd trok rimpels in haar zoals de zee in het zand wanneer eb vloed aflost. Het leek tachtig jaar geleden dat ze discotheken platwalsten, hoewel hij morgen pas zijn veertig kaarsjes uitblies. Hij frunnikte aan het plastieken heft van het Ikeavork - het zilveren bestek bewaarde ze in de dressoir voor kerst met haar ouders. Hij wilde een gehaktbal prikken, bedacht zich en zwaaide zijn vork wild in de lucht. 'Wat zeik je? Je weet dat ik niet graag speel,' hij onderbrak zijn zin. "Met ballen" ging hij zeggen. Hij was wèl een ballenman. Hij hield van witte, zwarte, gele, oranje, rode en bruine. Maar dat kon niet meer. 'Het zou je goed doen,' zei ze. Met haar vork prikte ze naar een erwt die angstig wegrolde en de tanden ontvluchtte. 'Terug onder de mannen.' Wat een lef. 'Jaap,' zei Frank, 'heb ik vermoord met een harde stoot.' Hij liet zijn vork vallen van een hoogte die - volgens de normale werking van het universum -  het Ikeabord zou breken. Het Zweeds ding gaf geen kick.  Hij haatte zichzelf sinds die noodlottige nacht. Gretig stootte hij, maar na vijf Duvels was zijn zicht troebel, en zijn jarenlange ervaring zoek. Zijn banaan mislukte compleet: De bal drong in Jaaps keel en net zo snel als die in zijn strottehoofd drong, viel Jaap omver en knalde met zijn hoofd tegen de rand van de tafel. Hij stierf op slag, zei de schouwarts achteraf. 'Je vriend stierf een jaar geleden,' zei zijn vrouw monotoon, net als duizend keer eerder. 'Jaap zijn grote bakkes was niet jouw probleem.' Jaaps tronie hing, sinds zijn vrouw hem sloeg, als een vuilbak in een pretpark die op negenvoltbatterijen schreeuwde: 'Vuil hier, mijn plezier.' Toch kon Frank er zich niet overzetten. Sinds die ambulanciers vloekten en hij zijn verhaal vijf keer bracht - de eerste keer tegen cafébaas Ronny, de tweede keer tegen de ambulanciers, de derde keer tegen zijn advocaat, de vierde keer tegen de rechter en de vijfde keer tegen zijn vrouw achter glas met gaten - geloofde hij er zelf niet meer in. Hij vermoordde Jaap, welwillend, met een trick waar hij drie jaar op zolder stiekem op oefende en hij die nacht voor de eerste keer mee uitpakte. 'Ronny,' snikte hij, 'moedigde me aan.' Ronny bood hem die vierde en de vijfde Duvel aan van het huis - niet van zijn gewoonte. Ronny huurde een detective om te zoeken met wie zijn vrouw hem bedroog. Van dat bedriegen was Ronny niet zeker maar omdat zij op de eerste zondag van de maand niet meer met hem naar boven wilde, vermoedde hij het ergste. Die Sherlock Holmes kwam snel met conclusies. Het was iemand die hij kende, een dichte vriend. Plots vielen de puzzelstukjes in mekaar - lange uitleg kort - Ronny's vrouw smoste met Jaap. Toen Frank die avond met Jaap aan de toog hing en opschepte over zijn nieuwe trick, greep Ronny zijn kans. De cafébaas spoorde Frank aan zijn risicovolle act te demonstreren, gaf Jaap zijn mobiel om vanuit een speciale hoek alles te filmen en beiden stonken er met vier dronken ogen in. 'Voor mij geen ballen meer,' zei Frank, '‘T zijn vuile dingen.' Hij knipperde, veegde zijn droge mond droger met zijn servet en merkte dat zijn erwten in een quasi perfecte driehoek als spelbegin lagen. De gehaktballen op zijn bord lachten hem uit en riepen: 'Knal ons in haar strot.' Hij onderdrukte de drang om met de steel van zijn lepel als keu een trekstoot uit te halen.  Franks vrouw staarde verlangend naar de gehaktballen, nam haar mes, hakte er één doormidden en zuchtte. 'Iets zonder ballen? Hardlopen? Windsurfen?' Ze keek misprijzend naar het hoopje miserie aan de overzijde. 'Darts?' Frank tuurde naar haar baard, vroeg zich af waarom ze gelebloemenblouses droeg, zag ze huppelen in een strak, zwart lederen topje in de Zillion. Eénentwintig jaar jonger en drieëndertig kilo lichter kon ze nog huppelen, nu stampt ze de dansvloer kapot. Hij wreef het zweet van zijn voorhoofd, krabde aan zijn bierbuik, voelde zijn ballen jeuken en dacht aan Jaap aan de biljarttafel. Die Jaap kon ze potten.

TonyCoppo
22 2

Terug in het bos

Gefrustreerd keek Ernst van Dealemaete (schrijver van Lady Lovelove’s poolboy nr. 1 t/m 17) naar het halve A4’tje. Met een dubbele regelafstand en in Times Roman 12pt. voldeed het perfect aan de eisen van een professioneel schrijfsel. Maar opmaak verklaarde niets over inhoud. Pas één alinea van 150 woorden over de avonturen van kabouter Kbut en het was al een verschrikking. Na drie keer herschrijven was zelfs Ernst niet meer geïnteresseerd in de beukennootjes roostertechniek van de puntgemutste. Verder was het verhaal niet. Zijn rode potlood hing werkloos in zijn hand, deze bagger was te slecht om één streep door de tekst te halen. Zijn koekoeksklok sloeg tien keer, halverwege de ochtend en Ernst zat helemaal vast. Een ding hielp tegen writers block: terug het bos in en nieuwe inspiratie opdoen. Of het dezelfde boomstronk was wist Ernst niet, maar ergens hier in de buurt zag hij vorige week een kabouter. In een schoenendoos schepte hij een handvol aarde, deed er plukken gras in en maakte met paar takjes een klein huisje. Hij spreidde zijn zakdoek uit op het vermolmde hout, ging er op zitten en stak een joint op. Met een kleine lasso in zijn hand zou hij net zo lang wachten totdat de kabouter het veldje overstak. Deze keer ging het mormeltje mee naar huis.   Hij inhaleerde diep en sloot de ogen. Het struikgewas ritselde en op een doorzichtige blauwe wolk vloog een ouderwets geklede heer uit de coniferen. Hij schoof een dik rechthoekig brilmontuur verder op zijn neus en groette Ernst vriendelijk.    ‘U zoekt iets dat u zittend niet zult vinden,’ zei de heer en hij wees op de struiken. ‘Vlak bij de grond is het antwoord dat u zoekt.’    Hij kriebelde aan zijn borstelige snor en vloog voor Ernst onder de struiken door. Ernst rolde van de stronk, stopte zijn zakdoek weg en ging op handen en knieen achter de wolk aan. De vriendelijke vlieger wees naar voren en verdween tussen het groen. Ernst zijn lichte linnen broek kreeg vieze en groene strepen en kleine takjes haakten in zijn grijze krullen, maar hij zette door. Wiet of niet: dit was de kans op een briljant verhaal. Schuivend op zijn buik wurmde Ernst zich tussen twee jonge dennenboompjes en stootte zijn neus aan een opgeblazen, groene paddestoel met een roze dak. Uit een schoorsteen kringelde rook. Tussen andere gekleurde paddestoelen schoten blauwe wezentjes met witte broekjes en mutsjes heen en weer.   ‘Vreemdeling! wat smurf jij hier?’ riep een krakende stem. ‘Je smurft ons bij de lunch.’    Bij het rechteroog van Ernst stond een oud, bebaard, blauw kereltje van een paar centimeter hoog met een rode broek en muts. Ernst was sprakeloos. Links van hem speelde een mannetje als een slangenbezweerder op een trompet alsof hij Ernst probeerde te betoveren met zijn getoeter. Een bebrild mannetje liep naar de zwijgende Ernst, haalde een boek onder zijn arm vandaan en begon met een piepstemmetje voor te lezen. Ernst volgde het verhaal van het irritante mannetje niet helemaal, maar blijkbaar ging het over hem.    Ernst kroop verder en probeerde omhoog te komen. Hij stootte zijn hoofd aan een laaghangende tak en schoof een stukje op. Goed op de boomtakken lettend stond hij op. Onder zijn linkervoet kraakte het brilletje van de betweter en hij glibberde van het geplette kereltje.    ‘Shit!’ Riep Ernst en hij sprong snel opzij. Zijn rechtervoet plette hierbij een meisje met lang goudblond haar en de idioot met zijn toetertje.   ‘Wat de fuck man!’ De oude dwerg in het rode pakje schopte hem tegen de enkels. ‘Kijk uit waar je je poten smurft!’ Hij zwaaide naar een dwerg met een hartjes tattoo en wees met zijn duim naar Ernst.   De tattoodwerg pakte Ernst bij zijn benen, zwaaide hem drie keer boven zijn hoofd en liet los. Ernst vloog over de huisjes, de lage struiken, kaatste als in een flipperkast tegen tientallen bomen en bleef hangen in een boomtop. Krakend brak de tak waar Ernst zich aan vasthield en stuiterend van tak naar tak donderde hij naar beneden. Hij knalde hard op zijn hoofd. Ernst zijn kop bonkte alsof hij tussen de toetsen van een reuze typemachine zat en opende zijn ogen. De laagstaande zon schemerde over de schouder van een oude stinkerd in een zwarte monnikspij die met zijn pukkelige gezicht dicht bij Ernst zijn eigen gezicht kwam.    ‘Waar zijn die blauwe kutdwergen!’ riep Ernst vertwijfeld.   'Smurfen?' zei Gargamel 'Heb je die mormels gezien, welke richting moet ik uit?'   Ernst had nooit een goed richtingsgevoel en door de klap op zijn hoofd was het laatste restje verdwenen, hij wees een beetje onbestemd tussen de struiken. Gargamel rende, met zijn ranzige kat achter hem aan, het struweel in.

MCH
22 1

Julianne

Elke dag op hetzelfde uur liet ze haar Joseeke uit. Langs dezelfde route, dezelfde pas. Steeds exact hetzelfde aantal stappen zoals de dag ervoor. Uitwijken voor passanten deed ze nooit. Voor de mensen in het dorp was ze een moderne versie van een kerkklok. Klokslag 18u passeerde ze bakkerij Wim om vervolgens 13 minuten later het oude postkantoor, dat nu vluchtelingen huisvestte, te passeren. Ze was een zekerheid in het al zo zekere leven van de steeds grijzer wordende bevolking. Op een goeiedag of een vriendelijk glimlach moest niemand rekenen. Hoewel Julianne’s dagelijkse passage vele mensen wel een glimlach op het gezicht toverde. Wat zekerheid al niet met een mens kan doen. Ze was een fenomeen dat vergelijkbaar is met koppels waarvan je niet meer weet wanneer hun relatie ooit begon. Ze lijken al samen sinds hun geboorte en het lijkt ondenkelijk dat ze op een dag uit elkaar kunnen gaan. Zoals die koppels vergroeid zijn met elkaar, was Julianne vergroeid met het avondlijke straatbeeld van het eeuwenoude dorp. Eenmaal was het voorgevallen dat, door zeldzame wegwerkzaamheden, Julianne een klein ommetoertje moest maken. In plaats van de kinderen op de speelplaats van de basisschool tijdens de avondopvang al passerend te negeren, maakte Julianne noodgedwongen een ommetje langs het klooster. Grappig, vond ze zelf. Dat het lot haar alsnog zachtjes een leven in teken van een fictief figuur wilde opdringen. Het moet gezegd dat niemand zag dat zij iets grappigs vond. Met vaste tred marcheerde ze strak rechtdoor. Links, rechts, links, rechts. In haar hoofd lachte ze wel degelijk. Echt waar, denk ik. Uit deze korte beschrijving is wellicht al duidelijk dat de naarstige wandelaarster niet uit haar lood te slaan was en koste wat het kost haar dagelijkse wandeling zou voortzetten tot de dood haar benen stil zou doen staan. Niets is echter eeuwig en zelfs rotsen en zekerheden zijn onderhevig aan de wispelturigheid van de tijd. Zo gebeurde het dat een ondenkbaar voorval Julianne zou doen wankelen. Zowel op benen als in geest. Op een woensdag in de nazomer van enkele jaren terug, vertrok Julianne zoals de dagen, de weken, de jaren daarvoor stipt om 17u50. Haar eerste stap zette ze met haar linkervoet uit de achterdeur en ging via het terras naar de oprit en zo de brak liggende straat op. Ze passeerde bloemenwinkel Mila, krantenwinkel Vera, bakkerij Wim om zo uit te komen op het marktplein. Niets vermoedend wandelde ze rond de markt. Ze keek steeds recht voor zich uit, gefocust op waar haar benen haar naartoe moesten dragen. Dit keer lukte het haar niet de beweging van haar ogen onder controle te houden. Er was beweging langs haar linkerkant, gepaard gaand met dierlijk gebrul. Er was steeds beweging, overal. Nooit zorgde beweging of lawaai of wat dan ook er voor dat Julianne’s ogen van hun lijn afweken. Dit keer was het niet gewoon het passeren van een fietser of het spelen van een kind. Het was niet een grappenmaker die grapjes maakte die naar beledigingen neigden. Het was niet de zoon van de caféuitbater die zoals zo vaak een bal te hard richting Julianne schopte waardoor het haar raakte. Nee, er mocht nog een onoplettende smartphonegebruiker tegen haar botsen; ze wandelde sowieso steevast door. De bewegingen waren hevig, het gebrul was oorverdovend. Joseeke trok aan de leiband. Julianne probeerde door te lopen en haar ogen in de pas te houden. Joseeke bleef trekken en beet de armtierige leiband dan maar zelf door. Weg was Joseeke. Julianne’s liefde voor haar acht jaar oude Teckel verplichtte haar om rond te kijken. Dat voelde raar, haar nek schoot bijna in een kramp van de vreemde, onverwachte beweging. Haar ogen wisten niet hoe rond te kijken, maar instinctmatig deden ze het toch. Ze moesten Joseeke vinden. En dat deden ze vrijwel meteen. De Teckel van middelbare leeftijd lag onder drie andere honden die toebehoorden aan een grijzende man die enkele seconden daarvoor nog overenthousiast stond te zwaaien en te roepen richting Julianne. Zijn honden hadden al even enthousiast meegeroepen. Julianne had de man gekend toen hij nog het driedubbel aan haren bezat en toen die bovendien nog bruin waren. De honden waren duidelijk jonger dan Julianne’s stoofbuis. Hoewel ze nog puppy waren, waren ze groter en bovendien veel zwaarder dan Joseeke. Nonkel Jorge had ze in geen jaren gezien. Wat zeg ik? In geen decennia! Dat is niet zo moeilijk te verklaren. Nonkel Jorge had jaren in de gevangenis gezeten. Terecht, dat is zeker. Al vond nonkel Jorge van niet. Niemand die in de gevangenis zit vind dat eerlijk. Het onrecht dat hen door justitie aangedaan is nooit in proportie met het onrecht dat zij een ander hebben aangedaan. Ze hadden het niet zo bedoeld. De straf was niet nodig voor wat ze gedaan hadden, een berisping had volstaan. De straf was te zwaar. Moet er überhaupt een straf zijn voor wat gedaan was? Ze waren beter niet betrapt geweest. Of ze vinden het terecht, maar dan enkel als dezelfde straf voor een ander was uitgesproken. Nonkel Jorge was geen uitzondering en zijn gedachtegang was even voorspelbaar als hierboven beschreven. Wat had hij immers fout gedaan? Niets, zo vond hij zelf. Hij kon er niet aan doen dat hij voelde wat hij voelde en liefhad zoals hij liefhad. Dat had hij zo aan zijn advocaat uitgelegd en dat had hij zo ook op zijn aanraden gezwegen voor de rechtbank. Julianne was niet aanwezig geweest bij de uitspraak. Dat viel haar op vele manieren te zwaar. Ze had nonkel Jorge heel graag gezien. Dat had ze aan de politie verteld en daar aan toegevoegd dat nonkel Jorge haar ook graag zag. Nonkel Jorge had haar dat vaak genoeg gezegd terwijl hij haar kusjes gaf en liefdevol aanraakte. Soms zag ze nonkel Jorge niet zo graag meer, zo zei ze de agent, want hoewel hij steeds zij dat hij haar graag zag, deed hij haar ook pijn. Hij toonde zichzelf op een manier dat ze niet wilde zien en liet haar dingen doen die ze liever niet deed. Ze riep Joseeke kordaat maar met een duidelijke krak terug bij haar. Joseeke had teveel plezier met de pups en grolde het uit, kwispelend met zijn staart. “Joseeke! Hier! Nu!’’ Nonkel Jorge glimlachte herkennend naar zijn nichtje wie hij beter kende dan wie ook. Hij had haar gemist en wilde dat ook zeggen. Terwijl hij zich dat bedacht, besefte hij dat hij op een andere manier keek naar Julianne. Ze had vormen gekregen, vrouwelijke vormen. En waren dat al rimpels rond haar ogen? Zijn Julianneke was groot geworden, ouder. Zijn glimlach verdween. Hij floot op zijn duim en wijsvinger als teken voor zijn pups om tot bij hem te komen. Hij bond hen alle drie hun leiband terug aan, knikte veelbetekenend in Julianne’s richting en wandelde het marktplein af. Joseeke bleef hen even nastaren, nog steeds kwispelend met zijn staart. Zijn kop keek van de pups naar zijn baasje, terug naar de pups en opnieuw naar zijn baasje. Ten slotte reageerde hij op Julianne die ‘Kom!’ riep. Ze wandelden van het marktplein recht naar huis. Het postkantoor liet ze links liggen.

dolomar.
8 0

Youssouf

‘Jullie begrijpen niets van mij! Jullie spelen de baas, jullie zijn altijd bezig het mij moeilijk te maken! En nog moeilijker! Jullie zijn fucking de baas, altijd doe dit, doe dat, blijf af, sta in de rij, wacht tot je aan de beurt bent, wacht tot je aan de beurt bent, wacht tot je aan de beurt bent. Jullie luisteren niet, bevelen alleen, maar jullie weten niets. Jullie weten niet wie ik ben, waar ik vandaan kom, niets weten jullie van me, maar jullie bepalen alles.’ Ik raas, ik tier, ik jank, ik krijs in het benauwde kantoortje. Mijn woede kaatst van muur tot muur, van kunststof plafondplaten naar grijze, vaal getrapte tapijttegels, de ruimte bolt en trilt. Mijn armen maaien in het rond als losgeslagen knuppels, mijn handen heb ik tot vuisten gebald, mijn ogen branden. De ambtenaar aan de andere kant van het bureau krimpt in elkaar achter het beeldscherm, alsof deze jongen hem elk moment naar zijn keel kan vliegen. Zie hem daar zitten, dat mannetje in zijn geruite overhemd, zijn vale spijkerbroek en die mislukte modieuze blauwe bril op zijn haakse neus. Geen idee waar hij kijken moet, alsof zijn laatste uurtje is geslagen, vastgenageld op zijn stoel, zijn handen trillend op het toetsenbord van de computer. En hij zegt geen woord meer, helemaal niets komt er uit z’n mond, met die malle smalle lippen die me het laatste uur zo tergend irritant en arrogant hebben bevraagd, gecorrigeerd, vermaand, beschimpt.  En dat door die ene vraag: ‘Uit welk land komt u?’ Ik schrik zelf ook want dit ben ik niet, zo wil ik helemaal niet zijn, ik schaam me dood en dat maakt me nog bozer. Verdwijnen moet ik, in het niets zoals buiten op het asielzoekerscentrum. Daar doe ik vooral moeite onzichtbaar te zijn, ik loop niet maar ik sluip, spied naar links en rechts, je weet maar nooit wanneer er weer gevaar opduikt, plotseling. Mijn woede is angst, permanente angst voor dingen die ik met bijna niemand deel, ze zitten vastgenageld in mijn kop. Het begint met die vraag van de ambtenaar, hij stelt haar lijzig, werpt me een korte blik toe. ‘Wat is de reden van uw asielaanvraag?’ Verbijsterd kijk ik hem aan, er zitten kleine gemorste vlekjes rode tomatensaus op zijn boord. Langzaam herhaal ik hardop diens woorden. Op zijn beurt beziet hij mij afwachtend en trommelt met zijn vingers zachtjes op het toetsenbord. Hij knikt me toe, bemoedigend maar dwingend ook, ik zie hem denken waarom een antwoord op zo’n vraag zo moeilijk kan zijn. Ik kan het hem vertellen, precies zoals het is gegaan. Ik kom uit de goot bij het Noordstation, waar ik leefde van de inhoud van de vuilnisvaten. Ik kom uit de trein via Frankrijk, waar ik me een dag en een nacht verstopt had onder de banken, in het stof, de smerigheid en de slurrie op de houten vloer, die meebonkte op het ritme van de bielzen. Ik kom van de plantages in het Zuid-Italiaanse San Nicola Varco waar ik tomaten plukte, duizenden op een dag glibberden door mijn handen, ik leefde in een kartonnen hut aan de rand van een industrieterrein, buiten het zicht van iedereen, omdat ik en die tienduizenden anderen hier in deze drek illegaal waren, we mochten er niet zijn maar wel werken, tien euro per dag. Ik kom van de helse tocht in een lekke boot over de Middellandse Zee, die ik als een van de weinigen heb overleefd want de meesten van mijn Afrikaanse vrienden zijn verdronken, verdwenen in de golven. Nog steeds hoor ik hun gekrijs om hulp, zie ik hun handen wanhopig in het niets grijpen, ogen wijd open van doodsangst. Ik kom van de woestijn, een reis in zinderende hitte waar wij werden overvallen, de vrouwen verkracht, waar mensen dood vielen door de gloeiende zon, gek werden in de uitzichtloze zee van zand en dan ineens zomaar verdwenen. En daarvoor, helemaal daarvoor, als ik diep in mijn geheugen graaf, ja dan kom ik uit Wabaria, ik ben daar geboren, getogen en uiteindelijk vertrokken. Ik voel de zachte bries die het begin van de avond inluidt en de brandende hitte van de dag verjaagt. Ik hoor de mensen praten in het lokale zangerige Fula, ik zie mijn vader in de smidse onder het enorme dak van riet, hij hamert de ijzers boven het loeihete vuur, en in de verte voetballen mijn vrienden in het stoffige zand aan de oever van de rivier de Niger, die zich krachtig golvend een weg door het dal baant, ik ruik het geroosterde vlees van vers geslachte geiten, dat boven smeulende houtskoolvuurtjes hangt. Hier in dit kantoor op het opvangcentrum heeft nog nooit iemand van Wabaria gehoord, een naam op de kaart zoals alle andere plekken waar die vluchtelingen vandaan komen en voor de meesten ben ik, Youssouf, gewoon een knul uit Afrika, want ik ben zwart en dat is dat. Als ik dat geweten had…, en ik schrik van het geluid van mijn eigen woorden, die dof op de grond ploffen. In de beklemmende stilte van deze kleine, muisgrijze ruimte van spaanplaat en gipsvinyl voel ik mij plotseling hopeloos verlaten. Alleen, verlaten en zo eindeloos ver van thuis. Ik heb ook het gevoel dat mijn leven van toen voorbij is. Niet alleen door wat ik heb meegemaakt, wat me is overkomen, de hitte, de kou, de dorst, de slagen, de pijn, de dodelijke vermoeidheid, het uitzichtloze en uiteindelijk het zinloze. Dat is het niet, in ieder geval dat is het niet alleen. Het is veel meer, het is veel erger dat ik mezelf kwijt ben en niet meer weet waar Youssouf is. Een stemmetje zegt in me: Je weet wel, die Youssouf, die sterke, vrolijke jongen die in Wabaria de geiten hoedde, die achter Aisha aanliep, het mooiste meisje van het dorp, die voetbalde met zijn vrienden in het warme zand, die zwom in het lauwe water van de rivierbedding, die mango’s stal en op school vooraan ging zitten om niets te missen van de lessen. Die Youssouf, zoon van de smid en griot, zou ik die ooit nog terugvinden? Zou hij misschien stilletjes met me zijn meegereisd en op een dag gewoon naast me staan en zeggen: “Hoi Youssouf, we zijn er weer.” En zou alles dan weer zijn zoals het vroeger was, zoals ik vroeger was? Of is die Youssouf verdwenen, bestaat hij niet meer, is hij gestorven, ergens onderweg, in de woestijn, in de zee, in de kou, op het beton. Ik zou hem graag weer willen omarmen, maar ik kan die Youssouf echt helemaal nergens meer vinden.   Als ik mijn ogen open doe, zit ik in die godvergeten kamer waar het ruikt naar zweet en stof, waar de grijze ambtenaar mij glazig aankijkt, zijn handen klaar op het toetsenbord van de computer. Niets is hier als thuis en het moment dat ik me dat realiseer, krimpt mijn maag samen, voel ik mijn ogen branden, mijn keel kloppen en hoe erg ik ook mijn best doe, ik kan mijn tranen niet meer stoppen. Thuis is zo ver weg en nu, omdat ik eraan denk, zo dichtbij. Wat is de volgende vraag? Welk antwoord moet ik geven, welk antwoord kan ik geven? De ambtenaar scrolt met de cursor over het beeldscherm, op zoek naar een nieuw formulier, een nieuw veld dat moet worden ingevuld. Het ergert me, dat tikken van de muis, het zoemen van de computer, de man in het bemorste geruite overhemd die zijn neus ophaalt, onbewust maar onfris, dat vind ik het. Ik heb genoeg drek en smurrie meegemaakt, in riolen geslapen, verrot fruit gegeten, me weken niet kunnen wassen. Maar hier, in deze saaie ruimte van een grijs kantoor, klinkt het gesnotter van die grijze meneer mij plotseling smerig in de oren.   ‘Ah… hier… had ik u al gevraagd waar u vandaan komt?’. Hij kijkt peinzend naar het scherm, alsof hij met de pixels spreekt in plaats van met zijn bezoeker.   Ik had mijn plan gemaakt. De volgende dag heel vroeg, toen de zon nog ver weg was, het dorp uitrustte van de zware hitte van de vorige dag, net voordat het eerste grijs het duister verdrong, stond ik op, zo behoedzaam als de salamander zijn prooi besluipt. Ik verliet ons huis, stiller dan de zucht van de eerste ochtendwind en vertrok. Ik had de tocht in mijn hoofd gestampt, ik wist precies hoe ik het dorp moest uitlopen zonder de anderen te wekken, zonder het minste geluid, het kleinste spoor achter te laten. Toen ik de laatste huizen voorbij was, rende ik, steeds harder, harder en nog meer, mijn adem gierend in mijn longen, mijn hart fel kloppend in mijn borst, mijn hoofd. Ik holde tot de grote weg, de sliert asfalt dat als een zwarte houtskoolstreep door de woestijn was getrokken. Hier moest ik wachten tot de vrachtwagen kwam. Toen ik dagen geleden in de grote stad was geweest, had ik een plaats gekocht voor de truck die mij naar Agadez zou brengen. Als ik daar aankwam, zou ik een ander ticket kopen, voor een andere vrachtwagen, eentje die naar het noorden gaat, naar de grens. En daar zou ik opnieuw zoeken naar vervoer, telkens weer opnieuw, tot ik zou zijn waar ik wezen moest. Europa.   Wil de grijze meneer dit werkelijk allemaal weten?  Deze man die de hele godganse dag op zijn stoel zit in dit bedompte kantoortje van spaanplaat en kunststof, met door de ramen uitzicht op het volgende kantoortje van spaanplaat en kunststof… Mijn hart vult zich met irritatie, met ergernis, met droefenis, ik voel het samenpersen alsof een vuist drukt en duwt. Hoe of waarom moet ik mijn verhaal vertellen aan deze man met zijn bevlekte overhemd, die met zijn cursor speelt en zijn toetsenbord befrommelt en zijn neus hinderlijk luidruchtig ophaalt? Kan, of nee wil deze meneer begrijpen hoe ik in Agadez aankwam, hoe ik dagenlang zocht, wachtte, onderhandelde, wachtte, tot ik eindelijk mee kon met een afgeladen Toyota Pickup die mij honderden kilometers door de woestijn zou brengen? Ver, heel ver, maar lang niet ver genoeg voor de honderden kilometers die nog restten tot aan de stranden van de Middellandse Zee, in Medina, waar de toeristen de Tunesische geneugten opzogen, maar waar ik, toen ik daar na weken uitgedroogd, verhongerd, vervuild en doodmoe aankwam, op zoek moest naar de mannen van de boten, de mannen die mij moesten helpen voor de overtocht. Europa. 1500 dollar voor een plek op het bovendek, 1000 dollar op het benedendek, 500 dollar voor een plaats in het ruim. De dag dat ik het bedrag kon betalen, nadat ik maanden vuilnis had geveegd, schepen gelost, ruimen gereinigd en gestolen handel verkocht, was ook de dag dat ik zeventien jaar was geworden. Thuis in Wabaria zou een schaap zijn geslacht, maar in Medina was ik een arme sloeber die rondhing op het strand, zoals duizenden anderen. Dat was toen. Nu kijk ik naar de grijze meneer tegenover me en zoek naar woorden die passen bij de hel van de boottocht, hoe ik als een van de weinige overlevenden aan land werd gebracht, opgesloten, losgelaten voor de tomatenpluk, ontsnapt, vertrokken, gezworven, verjaagd, gevlucht. Dan golft er langzaam een woeste razernij naar boven, vanuit mijn tenen, via mijn maag, mijn borst, mijn hart, mijn keel, ik doe alles om haar te kalmeren, maar ze is als de zandstorm die over de woestijn raast en alles opjaagt en verwoest wat in haar weg komt. ‘U kwam uit….’, herhaalt de ambtenaar nog eens de vraag, met iets meer ongeduld in zijn stem.   ‘Ik kom uit Wabaria’, antwoord ik en mijn adem stokt. De grijze meneer knikt en tikt het in op zijn computer. ‘En uit welk land?’ Ik kijk hem aan, geschokt, en vraag: ‘Hoe bedoelt u?’ De grijze meneer zegt schouderophalend: ‘Nou… gewoon… wat is uw land?’ Wat wil hij, grijze muis in grijs kantoor achter grijs beeldscherm met mijn land? De grond zakt weg onder mijn voeten en het lijkt of ik in een aardedonker diep gat val. Mijn land? Waar ik vandaan kom is de aarde verscheurd en besmeurd met bloed door en van mensen, gewone mensen zoals iedereen, maar ze gedragen zich als beesten, vechten met elkaar en om elkaar, om de grond, de macht, de winst. Niemand weet waar het begon en hoe het zal stoppen, en wij, de mensen in de dorpen, op de heuvels, worden opgejaagd, vermoord, de vrouwen verkracht, de kinderen ontvoerd. Mijn land is opgeheven, het is in stukken gehakt, kapot gemaakt door mensen die de macht hebben, of zij die dat willen krijgen. Het land dat ik kende, het land waar ik ben geboren, opgegroeid, volwassen geworden, het land dat mij liefde gaf, gelach, gezang, gedans, dat land is een poel van haat, van geweld. Mijn land, mijn liefde, dat bestaat niet meer. ‘Vous connaissez mieux ce qu'est mon pays,’ antwoord ik zachtjes, vanuit de diepte.  De grijze meneer schudt niet begrijpend zijn hoofd, draait wat afwachtend en bozig naar de luidspreker op het bureau, waar via de telefoon een tolk mijn woorden vertaalt. De stem herhaalt de zin nog een keer: ‘U weet beter wat mijn land is.’ ‘Ik moet van U horen uit welk land u komt, meneer’, zegt de grijze meneer licht verontwaardigd, bazig, hij legt de nadruk op U en tikt met een blauwe pen op het computerscherm, precies waar het vakje ingevuld moet worden. Dan kijkt hij mij vanachter zijn blauwe bril doordringend aan: ‘Het is aan U te vertellen, te bewijzen waar u vandaan komt en hoe U hier bent gekomen…’ Ik wil niet meer luisteren, ik wil die grijze meneer niet meer horen, zijn vragen, zijn gesnotter. ‘Daar zul je geluk vinden, daar is werk en daar is geld, voldoende voor ons allemaal’, zingen de woorden van mijn vader, maar te laat, de storm in mijn hoofd is niet meer te bedwingen. De schroeiende woestijn, de ijskoude golven, verrotte tomaten, de stank, de kou, het vuil, de vernederingen. Maanden, jaren van angst, verdriet, pijn, ellende persen zich samen in een kolkende woede die door mijn kop tolt. Ik wil wel, maar ik kan het niet meer stoppen. ‘Jullie begrijpen niets van mij!!’  

Jeroen56
2 1

Op reis

Op het notenhouten dressoir in de gang, eigenlijk meer een vestibule zo ruim is het, staat tussen een enorme bak met bloemen en een volle asbak, een foto van een gezinnetje. Een kale man en lange dunne vrouw glimlachen spookachtig achter twee té uitbundig juichende kinderen, aan de rechterzijde kijkt een struise man rustig toe, waarschijnlijk een oom.   ‘Uw kleinkinderen?’ Ik verdwijn bijna tot mijn enkels in het vloerkleed met brandgaten.   ‘Wie?’ De oude man staart mij met grote ogen aan alsof hij door dikke brillenglazen tuurt en krabt aan zijn baard.   ‘Die tweeling.’ Ik wijs op de foto.   ‘Da’s geen tweeling, ‘t is volgens mij niet eens familie. In ieder geval geen familie van mij, het zijn meer een soort vrienden,’ mompelt hij en staat verstrooid stil als het hangend beeld bij een televisiestoring. ‘Ik weet ook niet hoe het precies zit.' Hij schrikt uit zijn concentratie en wappert met zijn hand dat ik hem moet volgen. Via de gang en de keuken met ongewassen vaat gaan we door de achterdeur naar buiten. Aan de overkant van een klein binnenplaatsje klapt de ouwe een luikje open in een enorme garagedeur. De walm van sigaren gemixt met smeerolie en oud zweet is bijna aan te raken zo dik.   ‘Het labo,’ zegt hij snaaks met een vette knipoog.    Het lijkt het depot van het museum voor ouwe meuk. Jarenvijftig machines met hendels en tandwielen wisselen primitieve computers met groene beeldschermen af. Een afgeleefde houten werkbank ligt vol met roestige onderdelen van mechanische en elektronische rommel. In een rek aan de achterwand, naast een grijze metalen kast, hangen zagen, schroevendraaiers, beitels en allerlei vage gereedschappen. Ik krijg het beeld van een middeleeuwse martelkerker, welliswaar enigszins gemoderniseerd en gestileerd, maar blijven hangen in de rock-'n-rolltijd.   'En dit hier,’ hij klopt op een enorm rasterscherm waar links een soort open liftbak aan zit vastgelast, ‘dit is de teletijdmachine.’   Hij schopt mij de bak in en de combinatie van een migraine opwekkende, scherpe lichtflits met een klap tegen de longen alsof ik van mijn paard val, volgt. Wakker word ik in een landschap met heuphoog gras, in de verte een kerkje.    Waar ik ben? Geen idee.

MCH
13 1

15 zijn.

            Zijn denken, zijn schrijven, zijn drang naar de onbeschaamdheid van het leven werden beïnvloed door ‘De Verkeerde Minnaar’ van Mireille Cottenjé en ‘De Schaamte Voorbij’ geschreven door Anja Meulenbelt. De eerste auteur maakte een diepe indruk op hem en Meulenbelt vond hij uiteindelijk een conformistische trut, al bleef dat boek op hem kleven. De dames zouden hem doen geloven in vrijheid van liefde en seks en de twee titels zouden zeker voorgoed zijn onvermurwbaar militantisme onder zijn huid graveren en hem in een onuitputtelijk streven naar wat later totaal onmogelijk zou blijken, het goede in de wereld en in de maatschappij te betrachten. Wat goed is, zal nooit kunnen zegevieren maar hij beloofde er iedere dag het beste van te maken, voor zichzelf – niet uit eigenbelang maar sinds zijn jeugd leeft hij met het gebrokene en daarom probeerde hij zijn eigen leven en dat van anderen te herstellen -, en voor de ander. Leven in continu herstel levert misschien niet veel op maar hij zou met niemand ruilen. Deze twee boeken waren zijn eerste pornoboeken en hoewel de ‘Happy Hooker’ van Xaviera Hollander ook in de boekenkast stond, hadden Cottenjé en Meulenbelt de meeste invloed op hem. In pornoboekjes ergerde hij zich overigens aan de spelfouten in de teksten. Porno was daarmee zo banaal, zo ordinair, zo seventies. Vriendschap in porno bracht verbondenheid op een totaal ander niveau, dacht hij. De camaraderie die zich uitte in seks vond hij verbluffend en origineel. Het voelde goed aan. Alsof het zo moest zijn. Hij kende de boeken van Michel Foucault nog niet maar onbewust werden de kiemen gelegd voor zijn latere bedenkingen. Porno had zich niet alleen genesteld in zijn lijf maar ook in zijn hele bestaan en zijn gedachtegang.             Daarom geloofde hij in magie. Hij geloofde dat mensen die elkaar niet kenden op een of andere manier met elkaar in verbinding stonden, dat bepaalde mensen elkaar moesten ontmoeten, niet zozeer voor seks of voor liefde maar omdat een of ander noodlot hen naar die ontmoeting dreef om zelf vooruit te geraken in het leven. Soms moesten mensen elkaar gewoon een tijdje ontmoeten en dan weer solo verder gaan.             Hij schreef in schriftjes met lijntjes, met grote en kleine ruitjes, op losse bladen en in kantlijnen van schoolboeken. Alleen hij kende het geheim achter vertellen. De vragen waarop hij antwoorden zocht waren geen echte vragen. Ze waren een aanzet om te denken en op te merken hoezeer mensen naast elkaar konden leven, hoe mensen elkaar de mond dichtsnoerden, hoe mensen het niet zo nauw met elkaar namen, hoe mensen niet bereid waren om toegevingen te doen, laat staan compromissen te maken. Hij schreef hoe hij zag hoe tijden veranderden, hoe, zonder het te merken, de jaren achter hem kwamen te liggen. Wat wist hij over wat hij vandaag deed waar het hem later zou brengen. Mensen voelden de verzuchtingen van hun eigen levenservaringen in hun eigen nek niet meer. En uiteindelijk zouden het diezelfde mensen zijn die er ook in zouden slagen hem het zwijgen op te leggen.             Tot zijn geheim barstte.

Erwin Abbeloos
7 0

16 zijn

Een tekst is nooit af. Een tekst is zoals in het leven, zoals mijn leven, dacht hij. ‘Zijn’: de tekst is, de tekst staat er (maar hij is nog niet af). ‘Hebben’: je hebt de tekst in handen, je hebt de tekst van links naar rechts, van rechts naar links, van boven naar onder en terug geschreven – maar hij is nog niet af; bezitten is niet zo belangrijk in het leven. ‘Worden’: de tekst is zoals jij: in wording. Dat was zijn belofte daar onder ede in zijn slaapkamer: altijd worden. Zijn en hebben zijn volstrekt onbelangrijk in het leven.             Hij trok als een bezetene aan zijn sigaret, alsof het zijn laatste genot op aarde was en hij het aardse ging ruilen voor het hiernamaals. Hij voelde een lichte erectie opkomen. In gedachten rookte hij sigaretten met sportieve mannen gekleed in korte sportshorts. Seks en sigaretten gingen voor hem altijd samen. De rook stapelde zich in zijn mond op en hij blies meteen alles weer uit. ‘Nooit de rook aan je longen laten komen,’ maande zij hem aan en hij rookte verder.             Ze had de sigaretten, ze had het allemaal: een platenspeler met ingebouwde cassettespeler en radio, honderden 45 toeren platen mét alle singles van ABBA, Gerard Lenorman en twee versies van ‘Patrick mon chéri’. Ze had ouders die amper thuis waren en ze had een beroemde schoonbroer die de sigaretten leverde. Ze had een bromfiets waarop hij niet mocht rijden, hij had een tweedehands meisjesplooifiets. Ze had een grote labrador, hij had een poedel. Ze kon zwemmen, hij bleef aan de rand staan met een zwemband rond zijn heupen en twee meisjesachtige vrienden erbij. Ze had twee zussen die het huis uit waren, hij had een afwezige familie. Voor haar verjaardag kreeg ze een huis, hij deelde zijn kamer met zijn broer. Ze had onafhankelijkheid, hij had eenzaamheid.             Ze trok hard aan het laatste stukje sigaret. Ze draaide een beetje in slow motion met haar hoofd alsof ze door te veel nicotine flauw ging vallen. Ze namen afscheid. Hij bleef vertwijfeld achter en hoopte dat het ooit allemaal beter zou worden. Hij had zich nog nooit zo eenzaam gevoeld.

Erwin Abbeloos
8 0

17 zijn.

            Hij keek uit naar de liefde, hij verlangde naar seks, naar geld, naar een carrière in de muziek of in de literatuur. Hij keek er naar uit om vrienden en vriendinnen te hebben, met honderden zullen ze zijn, dacht hij. Hij keek uit naar een vriendje. Een knappe, sterke en geile man. Hij wou zelf een knappe, verzorgde man zijn en die ook nog eens goed met woorden en oneliners overweg kon. Hij wou zingen, hij wou dansen. Hij wou schrijven. Hij wou een groot huis of een modern appartement in het midden van de stad. Met veel ramen.             Maar wat is toekomst als je 17 bent. Hij moest nadenken over wat hij later wou worden. Hij was altijd meer bezig met wie te worden dan met wie of wat te zijn. Hij was moe. Uitgeput. De school wou alles, elke vezel, elke ader, elk beender en elke gedachtegang. Alles. Hij voelde zich vernietigd door de school en door zichzelf. Ik weet wie ik ben maar waarom moet ik iets zijn, dacht hij.             Hij wou zijn eerste fouten maken, met rust gelaten worden en zijn generatie op de straatstenen, onder de lakens en aan de toog van een bruin café aftekenen om later zonder spijt te kunnen zeggen: wat was het goed. Hij wou bochten maken, muren doorbreken, de schaamte voorbij. Hij wou aan de andere kant zijn, los van God.             ‘Ik lees op je informatiefiche dat je toneel of dans wil doen,’ zei de vrouw op een zuur toontje terwijl ze met een middelvinger een tikje aan haar scheve bril gaf. Haar verpletterend streng voorkomen benadrukte in haar gelaat nog meer de stijfheid van haar functie als PMS-psychologe. Ze liet een zuinig misnoegend ‘hum hum’ vallen en gooide ostentatief het briefje dat hij vorige avond zorgvuldig en met alle hoop van zijn bestaan had ingevuld. ‘Wel, jongeman, wat heb je hier op te zeggen?’ Haar armen hingen als gekruiste degens over haar bolle borsten. Hij snoof zweet- en maandstondengeur. ‘Ik weet het niet, mevrouw’ zei hij en boog zich wat achterover. De vrouw hinnikte als een lomp boerenpaard. ‘Maar jongen toch’, lachte ze zijn toekomst weg. De geur van nylon vermengd met zweet hing als een donderwolk over hun conversatie. De stank was niet meer te harden. Zij bepaalde zijn richting, zij bepaalde zijn leven, een leven nu voorgoed gekleurd door stank.             Hij verliet het klaslokaal. ‘Zeg tegen, laat eens kijken... Jan Smeyers dat hij mag binnenkomen’. Ze keek hem niet meer aan, hij was nog slechts het hoopvol foldertje dat een waardeloos papiertje werd en dat ze uiteindelijk in vier scheurde en dopte in haar lege kop koffie.             Misbegrepen fietste hij terug naar huis. Schouders recht, borstkas vooruit. In nog geen vijf minuten had hij zin aan zijn eigen leven gegeven. Het zou zijn geheim zijn. Hij zou zwijgen en hij zou in het leven enkel vrouwen toelaten die bij het voorbij wandelen een discreet wolkje parfum achterlieten.

Erwin Abbeloos
5 0

Zorgen van de guru

'Zorgen,' schreeuwt hij in de microfoon, 'maken we ons allemaal, maar dat is zinloos! Zorgen bestaan niet!'  De aula zit barstensvol, alle zitjes ingenomen en enkele laatkomers op de trappen. Duizend ogen loeren naar hem in kakelvers Versace kostuum. Speciaal op maat gemaakt in Milaan. Drieduizend driehonderd euro. Hij had moeten brullen: slechts drie tickets dekken zijn extravagant kostuum. Zijn levensverbeterende cursus verkocht in geen tijd uit. Het buitenzwembad met poolhouse aan zijn villa in Spanje kan dubbel zo groot bij de komende verbouwing.  Hij pauzeert voor het dramatische effect en scant de zaal. Opmerkelijk veel vrouwen. Enkele stokoude, de meeste rond zijn leeftijd. Ook een paar onbelegen exemplaren. Op de eerste rij zit een prachtig specimen. Hij ontbloot zijn gebleachte tanden en knikt. Ze haalt haar kauwgum uit haar mond, rolt hem tussen haar vingers en knipoogt verleidelijk. 'Heb je geen problemen in het leven?' vraagt hij zonder een antwoord te verwachten. Een vrouwelijke aardappelzak achteraan links hoest. Het klinkt alsof er bloed meekomt. Bijna dood, zal niet misstaan op de composthoop. 'Zijn er hier, onder jullie, mensen zonder problemen?' vraagt hij terwijl hij naar zijn prooi koekeloert. Zijn publiek heeft veel problemen. Waarom betalen ze anders meer dan duizend euro om naar hem te luisteren. Hij weet dat velen leningen aangingen om hier te kunnen zijn. Hij biedt dat aan. Met waanzinnige interestvoet. 'Als je geen problemen hebt, waarom zou je je zorgen maken? Dan bestaan zorgen niet voor jou? Toch?' Gegniffel. Hij analyseert de hele zaal maar zijn blik kleeft op haar als de naald van een kompas op het noorden. Blond, blauwe ogen, slank en een boezem. Haar lederen topje ontbloot de bovenkant van haar bollen. 'Heb je een probleem,' zegt hij, 'dan heb je twee mogelijkheden.' Hij toont twee vingers met gouden ringen. Altijd twee opties. Blauwe zwembadtegels of groene? Verwarmd of niet verwarmd? Met afdekzeil of zonder? Tegenstroomsysteem met drie spuigaten of vijf? Infinity langs één zijde of alle drie? Ze draait haar lokken rond haar ranke wijsvinger met rode nagel als zoekt ze houvast zodat haar hoofd niet van haar slanke hals valt. 'Je hebt een probleem én je kan er iets aan doen?' Hij verheft zijn stem. De spanning in de zaal maakt haar stil. 'Waarom zou je je dan zorgen maken?' zegt hij op een toon alsof hij het zelf uitvond. Er weerklinkt ingehouden gelach zoals pubers grinniken die stiekem de Playboy doorbladeren. Haar ogen stralen. Zij weet dat zij zich geen zorgen moet maken. Hij spreekt haar straks aan en zij geeft hem complimenten die hij afwimpelt om de afstand tussen hen te verkleinen.  'Heb je een probleem,' zegt hij, 'én kan je er niets aan doen?' Zoveel problemen bezitten een oplossing maar deze groep ziet het niet. Domheid belet actie. Zij ademt rustig, tuit haar lippen en tuurt naar zijn kruis. 'Dan moet je je geen zorgen maken,' roept hij. 'Simpel!' De zaal lacht opgelucht en de rest van de namiddag debiteert hij meer goedkope oneliners, tegeltjeswijsheden, clichés en waarheden als koeien. Het licht wordt lichter. Zij zien het nu. Zijn licht. Applaus. Hij strekt zijn nek en toont de palmen van zijn handen, dat toont verbinding en vertrouwen.  'Zorgen maken is zinloos. Stop ermee!' Meer applaus. Standing ovation.   Ze duwt hem ruw zijn loge in en draait de sleutel in het slot. Zijn vrouw heeft hier een probleem mee maar kan er niets aan doen. Ze moet zich dus geen zorgen maken.

TonyCoppo
14 4

Een wandeling in het bos

Getver, dat vertelde zijn uitgever er niet bij. De schrijver Ernst van Dealenmaete, wurmde met een takje de prut van zijn schoenzolen. “Ga lekker wandelen, dat maakt je hoofd leeg”, “Nieuwe inzichten geven nieuwe kansen” en meer van dat soort onzin kraamde zijn uitgever uit. Sinds de bestsellerreeks “Lady Lovelove’s Poolboy” nr. 1 t/m 17, had Ernst geen knallers meer geschreven. De westernreeks met John mcBill was na een paar honderd woorden kapot geknikkerd en de herinneringen aan de avonturen in de woestijn leverden meer gedachten over zand tussen zijn oren dan duizend en één nacht.   Midden in het bos, en dan nog in de hondenpoep trappen. Zijn bureau, dat was zijn natuurlijke habitat. En die uitgever had wel kunnen waarschuwen geen lichte broek aan te trekken. Hij spreide zijn zakdoek uit op een omgevallen boomstronk en ging voorzichtig zitten.  ‘Flikker op!’ Piepte een stem.    Ernst keek om zich heen, stond op, liep naar de dikke eik en keek erachter. Geen stemhouder, ook niet achter de eik ernaast, de esdoorn naast de omgevallen stronk of in de struiken tussen de bomen. Twijfelend aan zijn verstand keek hij achter de iep. Niets. Hij ging door met zijn schoen en schraapte de zool over de boomstronk om de randjes schoon te krijgen.    ‘Flikker op met die shitzooi,’ klonk weer het gepiep. ‘Ik smeer jouw huis toch ook niet onder?’ Vlak naast zijn schoen wapperde een klein rood vlaggetje. Ernst zakte door zijn knieen en pakte zijn leesbril. Het vlaggetje bleek een muts. En deze muts stond scheef op het hoofd van een mannetje zo groot als Ernst zijn hand.    ‘Wat sta je te loeren, man,’ zei het kereltje. ‘Zeker nooit een kabouter gezien.’    ‘Nee.’ Daar moest Ernst de rood gemutste bosbewoner gelijk in geven.   ‘Getver man, heb je bedorven knoflook gegeten.’ Het dwergje prikte met zijn wandelstok in de neus van Ernst. ‘Als je de volgende keer je bek open trekt, praat dan opzij.’   Ernst hield zijn hand voor zijn mond en zei: ‘Jullie bestaan echt!’   ‘Tuurlijk bestaan we echt.’ De kabouter keek misprijzend naar de bruine vlekken op het dak van zijn hutje. ‘Elke keer komen we jullie malloten tegen, leggen uit hoe we leven, laten onze dorpen zien en vragen om het op te schrijven en uit te leggen.’ De kabouter draaide drie keer met zijn wandelstok in de lucht en een mini tornado raasde over het vieze dak en verwijderde de resten hondenpoep.    ‘Ik ben schrijver.’ Ernst van Dealemaete maakte een korte rondedans. ‘Ik ga een serie over het kaboutervolk schrijven!’   ‘Mijn Duitse neef zou zeggen: KELOEL. En ik zeg niets anders.’ De kabouter draaide om en opende zijn voordeur tussen de kapotte boomwortels van de stronk. ‘Beloftes, beloftes, beloftes. Maar nakomen? Ho maar! Een paar jaar geleden kreeg mijn neef Plop bezoek van een paar van jullie soort. Een of andere Gert beloofde alles op te schrijven en te visualiseren. Plop met zijn vrienden zijn drie weken bezig geweest.’ De kabouter schudde zijn hoofd. ‘Aan je verbaasde kop te zien, ken je neef Plop niet.’ Hij stapte naar binnen. ‘En meer dan een halve eeuw geleden kreeg ik een of andere eikel met een snor en een baardje op bezoek.’ Hij staarde naar de grond alsof hij iets zocht. ‘De naam is mij even ontschoten… Maar goed, ook die kwam met zijn hele hebben en houwen: pennen, kwasten, grote en kleine witte vellen, verf, ecoline inkt, you name it . . . Poortvliet!! Ik weet het weer, die gozer heette Poortvliet.’ De kabouter knikte tevreden. ‘Zo dement ben ik nog niet.’ Hij keek naar Ernst. ‘Die kon prachtig tekenen en beloofde alles in boeken uit te leggen. Dat heeft hij duidelijk niet gedaan, anders kijk je niet alsof je een alien ziet. En nu oprotten.’ De kabouter sloeg de deur achter zich dicht. Langzaam vertakten de vormen van het hutje totdat het niet te onderscheiden was van de boom. Ernst rende naar naar huis, een serie kabouterverhalen kwam eraan!

MCH
17 1

Huid van as

’s Avonds laat, wanneer de kinderen dromen van kaboutertjes die in onze schuiven rommelen, en mijn vrouw zich van onze laatste omhelzing van de dag losrukt om op haar rug in slaap te vallen, dan glijd ik het bed uit en sjok ik blindelings door het duister naar ons terras. In het holst van de nacht rook ik mijn laatste sigaret, met enkel het gloeiende topje als krachteloze lichtbron. Ik luister naar de ademhaling van iets wat me vanuit het duister bespiedt. Een zachte stem fluistert me toe: ‘Als het stof in je broekzak goud of zilver zou zijn, dan nog zou je het spenderen aan niks.’ ’s Avonds laat, wanneer ik mijn peuk in de asbak uitduw, hoor ik nog steeds dat obscure stemgeluid, dat me met een handvol zingende stembuigingen en klagerige toon laat weten dat ik me alles herinner van wat ik niet ben vergeten. Daar put ik dan enigszins wel wat kracht uit, maak ik mezelf wijs. Soms strijkt de drager van de stem neer op mijn schouder: een engeltje, met gele katachtige ogen en een donkergrijze huid van as. Haar vleugels gebroken door wat de wereld haar liet zien. Trillend en bevend en angstig als een gekwetste vogel druppelt ze tranen van zwavel in de cocktail die ik mijn inborst durf noemen. ’s Avonds laat, wanneer het engeltje haar klaagzang heeft afgerond, krijg ik de kans om vragen te stellen. ‘Wat wil je eigenlijk?’ sist het schepsel. Dan antwoord ik dat ik het geluk aan het einde van de regenboog wil vinden. ‘Maar beste vriend toch, een regenboog is een kegel. Niets meer dan een illusie van licht dat vanuit elke windrichting een centraal punt op je netvlies vindt. Als het geluk aan het einde van de regenboog ergens te vinden is, dan is het in jezelf.’ Na een poosje, wanneer het creatuur op mijn schouder is uitgehuild, wil het weten of ik alle leed zou vergeten als ik dat kon. ‘Natuurlijk.’, moet ik dan toegeven. En toch… Wanneer het me uiteindelijk vraagt wat ik echt wil, dan vraag ik niet om de kans om alles te vergeten. Dan droom ik. ’s Avonds laat, droom ik dat ik kan leren vliegen. Echte vrijheid kennen, net zoals het lugubere beest op mijn schouder. ‘Dat kan,’ laat het ding me weten. ‘Maar vergeet niet dat je daar een verschrikkelijke prijs voor moet betalen.’ En terwijl die woorden worden uitgesproken, verpulvert het wezentje tot een hoopje grijs stof in de asbak en terwijl de rook oplost in de atmostfeer, word ik wakker met het besef dat ik eigenlijk niet rook en staar ik naar de foto van mijn vrouw en kinderen op het nachtkastje.

Het Verdwaalde Schaap
0 0

Ui en Zand

Je merkt niets van de ui? De schrijver Ernst van Dealenmaete spuugde zand en hield zich stevig vast aan het zadel van de kameel. Eenentwintig kilo ui at het beest gisteravond en dat was hééééél normaal volgens de gids.    ‘Having fun, sir?’ De gids klonk dichtbij, maar Ernst zag alleen maar zand. Voor, boven, onder, achter en aan de zijkanten: zand.    ‘Careful, sir.’   Hoezo “careful?” Die met ruft gevulde kameel moet careful doen. Hoe hoog zou hij zitten? Ernst en zijn kameel vlogen schuddend op-en-neer alsof ze in een zandachtbaan reden.   ‘Enjoy view, sir?’   Als hij deze “view“ wilde “enjoyen”, lag hij liever op zijn buik bij Zandvoort met zijn hoofd in een kuil: zelfde uitzicht en een stuk rustiger.   Ernst snoot zandsnot en trok de hoofddoek strakker.    De bolle buiken betekenden niets, mompelde de gids bij het ontbijt: “gasvorming na uien gebeurt bij kamelen niet.” Zijn Egyptische vertaler wist zeker: deze jongen was de beste gids ooit. Nou, dan kon Ernst op de maan gidsen. "Komt geen zandstorm," vertelde de wegwijzer zelfverzekerd, Buienradar zou dit ettertje met blauwe tulband en witte jurk op staande voet ontslaan. Het idee van de uitgever was idioot: doe field research, laat je inspireren door de sfeer van duizend en één nacht. Waarom? De serie van elf doktersromannetjes had hij ook niet in het ziekenhuis geschreven en voor de bestsellerreeks “Lady LoveLove’s Poolboy,” nr .1 t/m 17, had hij geen enkel zwembad in zijn blote bast staan schrobben. Die cultuurbarbaar had niet door dat Sheherezade verlangend in haar marmeren harem ergens in de negorij van Iran de sprookjes uit haar duim zoog. Ernst voelde zich mooi de pineut in Egypte, een globale 2000 kilometer uit de richting. Alsof een schakelaar omging brak de zon door. Als wolken melk in de caffè latte, draaide de zandstorm onder hem, de kameel schudde minder en dreef uiteindelijk relaxed boven de wind.   Zijn vertaler zweefde aan de linkerkant en zei: ‘Als dit niet inspiratie, dan weet ik niet.’ Hij grijnsde met gele tanden en wees vooruit. ‘Zie je punt? Da’s top Gizeh piramide.’ Ernst schrok, ze hadden meer dan honderdvijftig kilometer gevlogen. Hij schudde zijn hoofddoek uit en snoot zijn neus uitgebreid in een van de punten.  De gids vloog rechts en zei: ‘Lean backward, get tail and pull gently, sir.’   Zijn vertaler en de gids leunden achterover en deden voor hoe je de staart moest grijpen. Voorzichtig krabbelde Ernst met zijn hand via de kamelenrug naar de staart, pakte deze vast en gaf een ruk. Met het geluid van een turbo aangedreven bastuba uit zijn achterste schoot het beest vooruit. De kameel struikelde bijna over de top van piramide, brulde een geschrokken boer en zette zich net op tijd af. Ernst schoof half uit het zadel en hield zich met een hand aan de zijtassen vast.   ‘I said GENTLY, sir!’ schreeuwde de gids.    Bleek uitgeslagen klom Ernst terug en omklemde de kamelenbult totdat ze weer rustig zweefden. Met korte, zachte rukjes manoeuvreerden de beide Egyptenaren hun kamelen geroutineerd in een schuddende glijvlucht naast Ernst. Deze kamelen klonken als zachte trombones. Na een paar keer proberen hield Ernst zijn rijdier onder controle.   De zandstorm was gaan liggen en mensen krioelden beneden door elkaar bij de wereldwonderen. Ze vlogen rond de piramides en zeilden naar de sfinks.    ‘You see no nose, sir,’ zei de gids. ‘My great grandfather not control camel very well.’ De gids begon te grinniken. ‘My great grandfather busted nose too. Own fault, he flying drunkenly.’   Het briesje tegenwind van het vliegen temperde de hitte van de zon en Ernst hing relaxed op zijn zadel, de staart controleerde hij met ontspannen rukjes. Hij wist niet dat de strook naast de Nijl zo vruchtbaar was, hij zag boeren aan het werk op het land en de gids leerde hem verschillende soorten palmen van boven herkennen. Het contrast van de gele woestijn, de groene akkers en het blauwe Nijlwater betoverde. In de verte verpestten de flatgebouwen en krottenwijken van Caïro de horizon.    De wedstrijd naar Sharm el Sheik won de vertaler, de gids werd tweede en Ernst nipt derde, hij verbaasde zich dat hij de andere twee kon bijhouden.   ‘Look out for tourist airplane, sir.’ waarschuwde de gids bij het vliegveld. Met een scherpe bocht ontweken ze een opstijgende Airbus A320, Ernst scheet bagger maar de kamelen knipperden niet met hun ogen.   Boven een dorpje vlogen ze door rookflarden. ‘Sheep skewers,’ snoof de gids. ‘Lunchtime! You hungry, sir?’ Hij zette koers naar het tentenkamp. Boven het kamp strekte de gids gids zich, klemde de kamelenkop tussen zijn voeten en drukte deze naar links. Hij trok de staart voorzichtig maar langdurig naar zich toe, en tegen de klok in cirkelend daalde hij af. De trombone klonk zwakker en zwakker, vlak boven de grond klonk een pufffff-pfff-pff alsof de trombonist zijn laatste adem gebruikte, de kameel landde schokkend, zakte bijna door zijn poten en maakte een geluid dat het midden hield tussen geblaat, getoeter en gorgelen. De gids gleed van de rug en het logge beest hobbelde naar de waterbak bij de hoofdtent. De vertaler voerde op dezelfde wijze de afdaling uit. Met horten en stoten kwam ook Ernst naar beneden. Hij hing na de heftige landing dwars over het zadel.   Met een parelwitte lach zei de gids: ‘Had fun, sir?’ Zijn warme bruine ogen twinkelden. Ernst had inspiratie! Hoeveel delen het zouden worden wist hij niet, maar hij doopte zijn pen in de zonnebrand factor 50 en ging aan de slag .

MCH
19 1

Balsemboomstraat 13

Het huis merk je al van ver op. De gevel is uitgezakt en bol als een buik die strakgespannen in een T-shirt staat, gezapig terend op een rijk leven. Hier en daar lopen barsten door de vaalgrijze verf die van de muren krult. Ze lijken op aderen van oude mensen, dicht tegen half doorzichtige huid liggend. Aderen van mensen die niks meer te verbergen hebben voor het sputterende leven en de nakende dood. Sinds de tien maand dat ik hier woon, werd de bewoner van dit huis één van de vaste waarden: een oude man achter het raam waarop kattenhaar en andere substanties samengekoekt zitten. Samen met hem, stonden er afwisselend fiere, opgeblonken obussen en bijna verdorde cactussen voor het raam. Je zou kunnen denken dat de man het opzettelijk zo besliste. De bijna vergane goudkleur sloot perfect aan op de droge beige vlekken van de plant. De opeenvolging van cactussen en obussen werd op één moment verbroken door een beeld van ‘Het Laatste avondmaal’ in zeepsteen. Een sprankel goddelijkheid en gratie tussen de goddeloze oorlogssouvenirs. Mijn vriend vertelde dat hij er de gewoonte van had gemaakt om zijn hand even op te steken als hij voorbij de man wandelde. Af en toe kreeg hij een opgestoken hand terug, en andere keren bleef de oude man apathisch voor zich uit staren. Hij wacht op de dood, zeiden mijn vriend en ik en dan zwegen we. Zou het kunnen dat hij zat te wachten tot de dood eindelijk dichterbij kwam? Om elke avond zuchtend naar bed te tsjokken omdat de verlossing nog niet kwam en omdat er hem morgen alweer hetzelfde wachten te beurt viel? Hij had twee katten, een lapjeskat en een jong zwart katje. De lapjeskat lag steevast in een rare houding op het beeld dat aan het zijraam stond. Het zwarte katje vond een plek tussen de obussen en cactussen. Op een dag lagen ze er niet meer. Het huis ontbrak aan katten, en dat was verdacht. Na de verdwenen katten, waren er de gesloten gordijnen. Slechts om de twee dagen gingen ze terug open. Telkens voelde ik een lichte opluchting door me heen. Er is leven. Ik negeerde halsstarrig het feit dat er niemand meer in de kamer zat die naar buiten staarde. Ik keek binnen in een huis dat een zwart gat onderdak gaf. En dan bleef het gordijn wat langer dicht. Tot gisteren. Al voor ik aan het huis kwam zag ik dat het raam anders was, er hing een brief aan. Hij heette dus Georges, die oude man. Hij zat opnieuw achter zijn vertrouwde raam, maar nu in papieren versie. Ik ging wat dichter kijken, en in de brief ontdekte ik dat hij het geboortejaar deelde met mijn vader, 1944. Altijd hadden mijn vriend en ik gedacht dat het 'oude ventje' toch wel ergens in de tachtig moest zijn, misschien zelfs negentig. Hoe levens zo anders kunnen zijn. Op de doodsbrief vond ik niet meteen de naam van een vrouw terug. Ik wilde ook niet te lang staren. Zo goed kende ik hem niet, en niemand houdt van voyeurs die pas na de dood tevoorschijn komen om kennis maken. Raar genoeg had ik altijd al de naam Georges op hem geplakt, nog voor ik de doodsbrief zag. Aan de aanpalende huizen wapperen vlaggen. Geen zwarte vlaggen uit respect en rouw. De nationale driekleuren doen de dood snel vergeten en vertellen dat het leven voortgaat, liefst gehuld in feestgedruis. Driekleuren bedrukt met reclame van biermerken, snoepgoed en de nationale luchtvaartmaatschappij. Een land onderworpen aan platte commercie. Er is geen tijd om stil te staan bij wat vergaat. Ik kijk naar de raamkozijnen die afbrokkelen en waar houtmijten zich verder een weg vreten. Het huis zal verdwijnen, net als de vlaggen. Het is gewoon een kwestie van tijd.  

Jolien Van de Velde
62 2

Onder mijn pergola

Onder de pergola dwalen mijn gedachten af. Ik mijmer er over het leven en tuur ik dromerig naar de kuiflavendel die dansend van de aanraking van de wind geniet. Dan denk ik aan jou en hoe ik op jouw tenen stond zodat ook wij samen konden dansen. Jij was mijn wind. Soms, als de zon het hoogst staat, zo rond het middaguur, verblindt me plots het beeld van hoe ik naar je opkeek in elke mogelijke interpretatie en herinner ik me hoe jouw glimlach helderder en feller scheen dan welke zon ooit zal kunnen. Ik herinner me weinig van jou. Te weinig. Maar als het windstil is, en de sereniteit in mijn achtertuin me omarmt, dan kan een zonnige zomerdag me in een paradoxale zweem me terugbrengen naar die regenachtige woensdagnamiddagen. Ik hing gekluisterd aan de televisie, waar de leukste cartoons me entertainden, terwijl jij in de immer beheerste wipstoel een trui voor me breidde. De merel in haar nest in de appelaar voedt haar jongen. Ik houdt het dier vanonder mijn pergola in de gaten. Jij bent dat vogeltje. En ik ben dat weerloze jong. Dan begrijp ik hoe je jezelf wegcijferde wanneer ik ziek was, wanneer ik me niet goed voelde en me voedde met jouw eindeloze kracht. Vanonder de pergola zie ik ook de zieke plant. Net als jou, het uiterlijk nog fris en groen, maar binnenin woedt een brandende chaos die je uiteindelijk helemaal zal verteren. Dan zie ik je in bed liggen, de buisjes in je arm, het gezoem en gepiep van de toestellen die je in leven moeten houden. Ik aarzel. Ik durf niet dichterbij komen. Je werpt me een glimlach, nog steeds zo helder als de zon, dat ene plekje groen op een verder dorre plant. Jouw hoofd glanst in een groen-witte licht en ik vraag me af waar jouw prachtige blonde krullen zijn gebleven. Dan zie ik de donkere kringen rond je ogen. Het bewijs dat je moe bent, dat je bladeren slaphangen. Terwijl ik onverschillig de veranderde realiteit opslorp, weet jij al hoe het verhaal zal eindigen. Ik zit onder de pergola en de kinderen wensen me een goedenacht net voor ze naar bed gaan. De jongste sleept zijn favoriete knuffel achter zich aan. In dat ziekenhuisbed gaf jij me net zo’n knuffel. Nu begrijp ik dat je zo zwak moet zijn geweest, dat je iemand had moeten vragen om jouw laatste cadeau aan mij mee te brengen uit de kiosk aan de ingang. Ik huil te vaak, maar nooit wanneer het moet. Onder mijn pergola huil ik, wanneer ik denk aan mijn kinderen die jij nooit zal ontmoeten. Als ik onder mijn pergola zit, regent het. De kwelling sijpelt langs de dakrand naar beneden en doet zich vooral voor wanneer ik me je probeer te herinneren. Dan prevel ik wat in mezelf – vaak op zoek naar woorden die nog moeten worden uitgevonden, of ik sla mezelf afkeurend op de borst, in de hoop dat ik erin slaag mijn pijn te verplaatsen. Emotioneel is iedereen sterker dan fysiek, dat weet ik zeker. Toch voelt het alsof ik onder dwang een baksteen doorslik, elke keer ik me jouw gezicht niet meer voor de geest kan halen. Daar denk ik aan, onder mijn pergola, wanneer de kimme voor het eerst de zon kust, en daarna meedogenloos in twee snijdt, tot er niets anders meer is dan gewoonweg niets.

Het Verdwaalde Schaap
0 1

De kruisweg

‘Geef me de beits eens aan?’ Carmen veegt snel haar handen schoon, zoekt de juiste pot en schuifelt dociel op hem af. De combinatie van de verzengende hitte van de lampen waaronder ze werken, de penetrante geur van het goedje, de mufheid van de kerk: het doet haar duizelen. Instinctief grijpt ze zijn arm. Hij gromt, maar draait zich niet om. Met haar vingers om zijn getaande pols realiseert ze zich dat ze hem best aantrekkelijk vindt. Ze had een oude, bestofte eenzaat verwacht, toen ze solliciteerde voor een stageplek. Deze conservator was evenwel allesbehalve oud of bestoft. Hij was misschien geen grote prater, hij had haar wel van de allereerste dag gecharmeerd met het buitenlandse accent waarmee hij haar op tijd en stond van instructies voorzag. Na een korte dwaling hervindt ze haar balans, lost haar greep en focust terug op de reeks schilderijen naast hem. Al brengt de stijl van de tableaus haar niet echt in bekoring, de thematiek van de reeks intrigeert haar wel. In gedachten verzonken overloopt ze de Via Dolorosa en houdt gefascineerd halt bij de elfde kruiswegstatie, waar Jezus aan het kruis wordt genageld. ‘Heb je je ooit afgevraagd hoe dat moet hebben gevoeld, gekruisigd worden?’ Een warme adem doet haar nekhaartjes trillen. Zijn stem kraakt, zoals de treden van de trap die ze gisteren namen om het kerkorgel in de was te zetten. In een opwelling draait ze zich om en repliceert vrank dat ze nog nooit die eer heeft gehad. ‘Mag ik?’ Ze huivert, vraagt zich af of hij weet dat zijn ogen haar aan smeulend hellevuur doen denken. Toch knikt ze, legt gedwee haar hand in de zijne en volgt hem naar het manshoge, vergulde kruisbeeld dat prominent de holle ruimte siert. Zwijgend posteert hij haar ervoor, strekt zorgvuldig haar armen uit. Uit het niets tovert hij een set snelbinders tevoorschijn waarmee hij haar polsen vastbindt. Hij gromt opnieuw wanneer ze schrikt, doch de plotse twinkeling in zijn ogen stelt haar gerust. ‘Jezus werd ontdaan van zijn kleren ...’ Hij haakt zijn ogen in de hare, opent zijn lippen en begint zwijgend aan de lange weg knoopjes die haar knielange jurk samenbinden. Opgelucht juicht ze haar beslissing van deze ochtend, om het nieuwe setje aan te trekken, toe. Dan stokt ergens halverwege haar adem. Haar geheim! In paniek spant ze haar vuisten. Hij had haar tot dat moment nog steeds niet aangeraakt, maar nu voelt ze zijn hand door het dal van haar borsten glijden. Wat als hij afdwaalt naar haar heupen? En hij daalt af. Richting het plekje op haar lichaam dat ze altijd angstvallig voor de buitenwereld verborgen hield. Ze zet zich schrap, haar ogen verdrinken in angst. Het blijft echter stil. Nieuwsgierig opent ze één oog en ziet hem gebiologeerd het bordgrote litteken bestuderen. Met de grootste eerbied verkennen zijn vingers de perkamenten restanten van de brandwonde, alsof het een geschrift in braille was. Dan glijden ze verlangend verder naar haar slip. Ze slikt wanneer hij gulzig de kanten stof bevoelt en bidt vurig dat hij de zweetgeur tussen haar benen niet opmerkt. ‘Je bent nat,’ lispelt hij. Met haar vocht nog op zijn vingertoppen schrijdt hij terug omhoog en exploreert het bloemetjespatroon van haar beha, waarop haar tepels instinctief in het gelid gaan staan. Hij is nu vlakbij, ze voelt hoe zijn adem een geruststelling in haar nek blaast. Alsof hij hele dagen niets anders doet, frunnikt hij de randen van de stof naar beneden, waardoor haar jonge borstjes pront tevoorschijn springen. Ze likt aan haar lippen, het frambozenaroma van de lipgloss is helemaal weg. Haar hart bonkt nu zo hard in haar keel dat ze zich nauwelijks bewust is van de klok die drie keer slaat, wanneer hij met twee vingers de laatste verhulling van haar lendenen wegneemt. Ze siddert en trilt over haar hele, verhitte lijf maar wil, nee eist, dat hij verder gaat. Blijkbaar ziet hij het anders. Hij stapt achteruit, waardoor ze iets blinkend voor haar neus ziet flitsen. Wat? Een judas? Heeft ze hem zo fout ingeschat? Ze blokkeert wanneer hij dichterbij komt en haar met glinsterende kooltjes aankijkt. Het koude lemmet beroert haar hals, haar borsten, glijdt langs haar navel en over haar venusheuvel. Dit is het, denkt ze, dit is het moment waarop Jezus aan het kruist sterft. Ze zakt in elkaar, wetend dat niets of niemand haar nu nog kan helpen. En dan voelt ze hoe hij haar polsen lossnijdt. Wanneer hij vervolgens wegloopt, draait hij zich nog eenmaal om – zijn broek is nat – voor hij de sacristie induikt. Vliegensvlug knoopt ze haar schaamte dicht, grijpt haar tas en snelt naar buiten. Het was haar laatste dag, ze zal hem nooit meer zien, doch zal ook nooit meer een kerk kunnen binnenwandelen zonder terug te denken aan deze heiligschennis.  

Vlechtenmeisje
9 1

Dag vreemdeling

De stoelen stonden reeds op de tafels. Ondanks dat de bar pas binnen een uurtje de laatste pint zou tappen, verried het ongeneigde gelaat van het meisje achter de toog dat ze zich in gedachten al in de armen van haar vriendje nestelde. In één teug liet ik het bodempje Chardonnay door mijn keel glijden en wenkte haar de rekening te brengen. De avond kenmerkte zich door het gebrek aan originaliteit van flirtende mannen op leeftijd die me tussen hun lakens probeerden te praten. Ik gleed met mijn vingertoppen over de weke plek die mijn trouwring na twaalf jaar op mijn ringvinger had achtergelaten, duwde mijn borsten hoger in mijn decolleté en stapte op de hengst af, die me al de hele avond zonder scrupules aanstaarde, maar - in tegenstelling tot de horde geile vijftigers met hun beperkte catalogus aan banale versiertrucs – niet de moed had gevonden om me aan te spreken. ‘Hey.’, zei ik voorzichtig. Zijn blik haakte zich meteen op het bleke kringetje op mijn vinger, dat zich enkele uren geleden openbaarde toen ik mijn trouwring in de wagen achterliet. Ik bedekte mijn hand met het andere. ‘Ben je getrouwd?’, vroeg hij. Zijn directe aanpak maakte hem zo mogelijk nog aantrekkelijker dan daarnet. Het verlangen hem in me te voelen overmeesterde me. ‘Ongelukkig.’, antwoordde ik schuchter. Hij knikte en draaide zich naar me toe. Zijn ogen dwaalden over mijn gelaat. Langzaam daalde zijn blik naar mijn nek, over mijn borsten, die voor de gelegenheid in een push-up waren geperst, naar mijn heup en benen. Hij likte onbewust over zijn volle lippen. Op meer voortekens wilde ik niet wachten. ‘Zoë.’, zei ik en ik bood mijn hand aan, die hij stevig omklemde ter begroeting. Ik bracht mijn lippen naar zijn oor en fluisterde: ‘Kamer 103, twintig minuten.’ Ik draaide hem mijn rug toe en wandelde de bar uit, begeleid door het hypnotiserend gewieg van mijn glooiende heupen. Ik voelde zijn blik als naalden in mijn ontblote rug prikken, terwijl ik sensueel wegwandelde. ‘Aaron.’, riep hij nog. Niet belangrijk, dacht ik.     Aarons hunkerende expressie vergrendelde zich in mijn pistachegroene ogen. Seconden, minuten, uren, ik zou me niet herinneren hoelang we elkaar in de deuropening aanstaarden. Aaron nam zonder iets te zeggen een stap naar voor en streelde met zijn rechterhand een losgekomen koperen lok achter mijn oor. Een begerige kriebel trok als elektriciteit vanuit mijn lies door mijn lichaam. Ik legde mijn handen achter op zijn hoofd en streek zijn donkere haren, waar de eerste zilveren strepen reeds door flitsten, tussen mijn vingers. Ik drukte mijn violet gestifte lippen op de zijne. Zijn tong voelde warm aan en smaakte naar gin-tonic en muntkauwgom. Aaron duwde me tegen de muur en mijn rug krulde zich naar binnen door de koude die me plots bestreek. Ik kneep in zijn gespierde armen en beet zachtjes op zijn lippen, terwijl hij me aan mijn kont van de grond tilde en ik mijn benen rond zijn middel haakte. Mijn pumps bungelden los aan mijn voeten. Ik probeerde me te herinneren wanneer ik de laatste keer zo nat was geweest. In de slaapkamer zette Aaron me voorzichtig weer op de grond. Zijn handen en lippen waren overal tegelijk. Ik plaatste een voet tegen zijn borst en duwde hem op het bed. Zijn jeans en hemd gooide ik naast me neer. Ik liet mijn jurk over mijn schouders zakken, wrong ze over mijn heup. Op blote voeten stapte ik uit het hoopje stof dat nu als een afgeworpen huid op de vloer lag. Naakt ging ik op Aaron zitten, mijn lendenen rakelings langs zijn erectie, die ik zachtjes liefkoosde. Ik masseerde zijn balzak en boog voorover, duwde mijn borstjes in zijn gezicht en liet zijn lippen mijn tepels verkennen. Onze ademhaling stierf weg in de geluiden van onze vurige hartstocht. Ik vergat wie of waar ik was. Aaron draaide me met de intensiteit van een bronstig oerinstinct op mijn rug. Met een uitnodigend gebaar opende ik mijn benen, waartussen de wellust langs mijn dijen weg druppelde. ‘Dag vreemdeling.’, grijnsde ik. Zijn tong vond die speciale plek tussen mijn benen en ik kantelde mijn hoofd ver naar achter, onderworpen aan een bloedstollende passie. Ik groef me diep in de lakens en liet onze bezwete lichamen versmelten in een parallel universum dat enkel voor ons werd geopend. Pas wanneer het ochtendgloren de nacht wegduwde, werd onze zinderende honger vervangen door de stilte na de storm.     ‘Ongelukkig getrouwd?’, vroeg Aaron, wanneer hij de wagen startte. Ik bracht de mascara aan in de spiegel van de zonneklep en glimlachte. ‘Spannend, niet?’ Aaron knikte. Gniffelend schoven we onze trouwringen weer over elkaars vingers. ‘Doen we dit meer?’, vroeg ik. Aaron glunderde enthousiast en reed de auto de parking af. Hij stuurde ons huiswaarts, maar niet vooraleer we goedgeluimd en voldaan de kinderen bij de babysit ophaalden.

Het Verdwaalde Schaap
0 0

De knikker

Met zongebarste lippen en het prairiestof aangekoekt op zijn voorhoofd wachtte John McBill tot zijn secondanten in positie stonden. Na twee weken rijden waren ze gereed voor de laatste acte. Schuin boven hem, op het dak van de smederij, stak Frankie ‘Fastfinger’ Gruber zijn hand op, de Winchester nonchalant gericht op de ramen en zijkant van de scheefgezakte saloon.    John, rochelde een dikke fluim op zijn zakdoek en poetste zijn US Marshallster blinkend. Om twee uur in de middag, de zon recht boven het hoofd, liep hij rustig en vastberaden, met de zelfverzekerde, licht wijdbeense tred van een geoefend ruiter, naar de klapdeuren. Hij was klaar om de bende van Wild Boy Richardson in te rekenen. Hij pakte zijn Colt, klapte deze open en gaf een draai aan de ronde patroonhouder. Ingespannen luisterde hij naar het soepele raderwerk. Dagelijks schoonmaken en smeren betaalde elke keer uit: zijn handijzer liet hem nooit in de steek. Hij schoof met zijn duim over elke patroon, klikte de houder dicht en spande de haan. Hij ademde diep in en liet de lucht in opperste concentratie langzaam tussen zijn lippen fluiten. Na drie passen in het zand wipte hij met een jeugdige stap over de eerste tree direct op de veranda.   Daar gleed hij uit over een glazen knikker die Benjamin, de jongste zoon van de barbier aan de overkant, die ochtend had laten liggen toen hij thuis moest komen voor de boterham. John brak zijn val door soepel een koprol te maken, helaas botste zijn hand tegen de deurpost en de Colt ging af, een .45 patroon schoot de helft van zijn kaak tegen de onderkant van de pilaren naast de klapdeuren. Om 14.34 verklaarde de snel opgetrommelde dorpsarts (tevens uitbater van de General Store) hem overleden. De barman plensde met emmers water de prut door de spleten in de veranda op het zand, waar Bullie de slagershond verlekkerd de harde stukjes wegsnoepte. De schrijver Ernst van Dealenmaete keek vol ongeloof van zijn scherm naar zijn toetsenbord en weer terug. Waarom rolde dat klotejoch zijn knikker tussen de regels? Hij baalde als een stekker, hij wilde nog niet stoppen. Een glorieuze toekomst had Ernst voor John in gedachten. Deze toekomst hing uitgetekend, met gekleurde verhaallijnen op meerdere A3 vellen, tegen zijn muur geprikt:- John zou namelijk, na een intens vuurgevecht, de bende inrekenen.- Hij zou uitgroeien tot een dappere heroïsche revolverheld.- Hij zou het Wilde Westen veilig houden van gespuis.- Hij zou op goede voet met de Indianen leven en vele wijsheden leren.- Hij zou trouwen met Jeanny, de lelijke maar lieve en breedgeheupte dochter van veeboer Miller, waar hij lang en gelukkig mee zou leven.- Jeanny zou hem elf kinderen schenken waarvan twee de kindertijd niet overleefden, maar de oudste zoon zou in de voetsporen van zijn vader treden.- Zou…. Dit joch verziekte alles. Ernst (tevens schrijver van Lady Lovelove’s Poolboy deel 1 t/m 17) liet de barbier, met de leren riem waar hij zijn scheermessen op aanzette, zijn zoontje die middag zo ongenadig afrossen, dat de verhalenverpester twee weken gedwongen was op een kussentje te zitten en op zijn buik te slapen. Het was een schrale troost en maakte het verliezen van zijn John niet goed. Na iets over de driehonderd woorden was John uitgeavontuurd. Weg alle kloeke en onversaagde achtervolgingen in de succesvolle serie van vele boeken waar Ernst de laatste vier maanden van droomde.   Wat moest hij nu weer verzinnen? Dan maar Lady Lovelove’s Poolboy nummer 18 t/m 21 schrijven. En wat zou zijn uitgever zeggen?

MCH
11 2