Lezen

EEN GEWAARSCHUWD MENS

Toen Rikkie mij vroeg om samen een drankautomaat te plunderen, wist ik dat hij de ware was.  Het was vrijdagavond, en ik zat aan een tafel bij het raam in het café waar we hadden afgesproken, toen ik iemand zag gebaren dat ik snel naar buiten moest komen. Ik herkende Rikkie niet. Ik had hem nog nooit in het echt gezien en op zijn foto’s droeg hij nooit een boerenpet. Sterker nog, als ik had geweten dat hij een boerenpet droeg, was ik nooit met hem op date gegaan.  Ik maakte een verrekijker van mijn handen en hield hem tegen het raam. Niemand anders had zulke oren, zonder één keer in de ring te hebben gestaan. Ik wees naar mijn volle glas bier, waarop Rikkie zijn portefeuille uit zijn achterzak haalde en erop tikte als een goochelaar. Met één arm in mijn jas liep ik naar buiten. ‘Kom mee,’ zei hij. ‘Ik wil je iets laten zien.’ Rikkie was een van mijn zesjes. Om het lot een rol te laten spelen op Tinder, sloot ik iedere zesde foto mijn ogen en swipte naar rechts. Soms waren zesjes knap, soms spuuglelijk. Maar om wekenlang mee te chatten waren ze net zo vervelend als al de rest. Behalve Rikkie. Rikkie was niet als eerste met mij beginnen te chatten, en daarom had ik besloten met hem op date te gaan. Ik hield van zijn onderkoelde reactie. Alsof hem iets gratis werd aangeboden wat hij eigenlijk niet nodig had. Waarom ook niet? ‘Wil je niet weten wat het is?’ vroeg hij. Hij liep zo snel dat ik moest rennen om hem bij te houden. ‘Nieuwsgierigheid is de remedie tegen verveling.’ Hij stopte en keek me onderzoekend aan. Het haar in mijn nek kwam overeind. Een van de voortekenen. Maar ik negeerde het. ‘We gaan bijklussen vanavond,’ zei hij ten slotte. ‘Die date doen we wel een andere keer over.’ Ik schudde met mijn hoofd. ‘Hij is precies goed zo.' We liepen verder en Rikkie praatte over mensen die hij kende en dingen die hij had meegemaakt, en zo nu en dan, als het onderwerp het toeliet, las ik tussen de regels dat hij me slim vond, of dat hij dacht dat ik zo door hem gezien wilde worden. Hij praatte veel, maar niet op de luide, domme manier van iemand die dronken was, en maakte weinig zinnen af, alsof hij meteen spijt kreeg van elke gedachte waaraan hij begon. Toen, na een wandeling van vijf minuten, trok hij me een donker steegje in. Het stonk er naar pis en afval en keukenlucht van goedkope restaurants. Het soort steegje waar vrouwen in films werden verkracht. Ik keek achterom. Niemand hier op dit uur. Zelfs geen keukenhulpje dat na een drukke service namaaksigaretten stond te roken. Halverwege, bij een grauwe gevel waarvan de onderkant enkele meters terugsprong, hield Rikkie halt. Zijn blik zocht naar bevestiging. Ik keek rond, maar ik zag niets wat de moeite waard was om te laten zien. Er zat een verroeste poort in de terugsprong, en ernaast tegen de muur stond een stoffige drankautomaat. Ik kon me niet voorstellen dat er achter die poort iets waardevols werd bewaard. En wat de automaat betrof, het was een oud model. Dat zag ik aan het paneel. Bovendien brandde de verlichting niet, en dus dacht ik, net als iedereen die erlangs liep, dat het ding buiten werking was. ‘Telkens als ik er een zie,’ zei Rikkie, ‘druk ik op de muntretourknop. Een oude gewoonte. We hadden niet veel geld thuis. Maar let nu goed op.’ Rikkie liep naar de automaat en drukte op de knop. Het geluid van iets zwaars dat in een holte naar beneden tuimelde. Hij bukte zich en grijnsde me toe, voordat hij zijn hand door het luik stak en een blikje Coca-Cola tevoorschijn haalde. ‘Alsjeblieft,’ zei hij. ‘Voor daarnet.’ Ik hield het blikje ondersteboven. Het was niet over datum. ‘En hij doet dat iedere keer?’ vroeg ik. Rikkie knikte. ‘Hoeveel denk je dat erin kunnen?’ ‘Geen idee,’ zei ik. ‘Doe een gok.’ ‘Honderd.’ ‘Tweehonderd tot vijfhonderd,’ zei hij. ‘Afhankelijk van het model.’ Rikkie had geen auto, en aangezien hij degene was die de automaat had gevonden en we afspraken om de buit gelijk te verdelen, leek het me fair dat we mijn wagen gebruikten. Maar eerst gingen we terug naar het café om mijn fiets te halen. Daarna liepen we, ik met mijn fiets aan de hand, in de richting van mijn appartement. Toen we bij het gebouw aankwamen, vroeg ik Rikkie om beneden te wachten, wat hij niet erg vond.  In de lift zei de stem in mijn hoofd: ‘Je kunt nog stoppen. Het is nog niet te laat.’ Maar toen ik door het raam in mijn appartement naar beneden keek en Rikkies boerenpet zag, deed ze er het zwijgen toe. Ik liep naar mijn slaapkamer en kleedde me uit. In de plaats van de rode jurk trok ik een zwarte jumpsuit aan. Dat leek me gepaster bij de gelegenheid. Enerzijds wilde ik dat Rikkie zag dat ik het serieus meende. Anderszijds was ik bang dat hij me zou uitlachen. Ik bekeek mezelf in de spiegel en stiftte mijn lippen. Toen ik op de benedenverdieping uit de lift stapte, was Rikkie al in de hal. Hij stond voor de glazen deur te wachten tot ik opendeed. Ik beeldde me in dat de hal een gevangeniscel was en dat hij me smeekte om hem vrij te laten. Ik moest me door mijn verbeelding hebben laten meeslepen, want ik leek uit een droom te ontwaken, toen hij mijn naam riep en met zijn vinger op het glas tikte. Samen liepen we de wenteltrap naar de ondergrondse garage af. Toen hij mijn bestelwagen zag, die in het enige vak stond waarboven geen armatuur hing, verstijfde hij. ‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Waarom hangen er belletjes aan?’ ‘O,’ zei ik, bijna vergeten hoe zonderling andere mensen mijn wagen vonden. ‘Ik kocht hem vijf jaar geleden van een man die in de nesten zat en snel geld nodig had. Tweeduizend euro. Op voorwaarde dat hij hem op elk moment van mij mocht terugkopen. Wat hij nooit deed. Ik heb de bestickering er proberen af te halen, maar dat is niet zo goed gelukt, zoals je kunt zien. Ik zweer het je, het gaat snel vervelen, dat gebons op je deur telkens als je ergens stilstaat. Maar ik gebruik hem vooral als camper, stop mijn bagage in de vriezers. Het is verbazend hoeveel erin past.’ Rikkie maakte aanstalten om weg te gaan. ‘Waar ga je naartoe?’ vroeg ik. ‘Weg.’ Ik liep achter hem aan en pakte zijn arm beet. ‘Waarom?’ ‘Waarom?’ zei hij. ‘Het is een ijscowagen. Je kunt net zo goed je identiteitskaart achterlaten op de plaats delict.’ Ik liet zijn arm los. ‘Je doet net of we een moord gaan plegen.’ ‘En jij doet net of we een asbak gaan stelen.’ ‘Het zijn maar een paar blikjes,’ zei ik. ‘En het is niet eens jouw wagen. Als ze ons betrappen, zeg dan dat je me niet kent, dat we op date zijn. Je hoeft niet eens te liegen.’ Rikkie bewoog zijn getuite lippen heen en weer. Toen liep hij naar het portier en stapte in. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij, zodra ik achter het stuur ging zitten. ‘Dit is een date.’ Ik startte mijn wagen en reed de ondergrondse garage uit, een beetje geïrriteerd door het feit dat hij de belletjes had opgemerkt, maar niet mijn jumpsuit. Toen hij zijn pet op het dashboard legde, zag ik dat hij kalend was. Daar zat ik niet mee. Zijn hoofd had een mooie vorm. Ik dacht erover hem een compliment te geven, over de vorm van zijn hoofd, maar ik was bang dat het een gevoelig onderwerp was. Waarvoor droeg hij die anders? Toen we bij het steegje aankwamen, aarzelde ik om het in te rijden. ‘Wat is er?’ vroeg Rikkie. ‘De schuifdeur,’ zei ik. ‘Ik begrijp het niet.’ ‘Hij zit aan de verkeerd kant.’ Rikkie tuurde het steegje in. Toen zei hij: ‘Dan rijden we er toch gewoon aan de andere kant in?’ Een luide motor haalde ons in. Ik wachtte tot hij weg was. ‘Te nauw,’ zei ik. ‘Als er een tegenligger opdoemt, mogen we achteruit terug. Vijfhonderd meter, oog in oog, voorruit tegen voorruit. Nee, ik heb een beter idee.’ Ik deed mijn richtingaanwijzer aan en sloeg linksaf het steegje in, de rijrichting volgend. Ik reed traag, hield mijn spiegels nauwlettend in het oog en negeerde Rikkie telkens als hij voorstelde om uit te stappen. Als ik hulp nodig had, zou ik het wel vragen. Toen ik in het donker de automaat ontwaarde, trok ik mijn handrem omhoog en deed mijn raam omlaag. De motor liet ik draaien. Daarna klauterde ik de laadruimte in, pakte een handdoek van het schap en gooide hem in Rikkies schoot. ‘Iemand haalt de blikjes eruit,’ zei ik. ‘En iemand blijft in de wagen om ze aan te nemen en in de vriezers te stoppen. Ik stel voor dat ik in de wagen blijf, aangezien ik de chauffeur ben.’ ‘Waar dient de handdoek voor?’ vroeg Rikkie. Zijn vraag verbaasde me. ‘Om het geluid te dempen.’ Zeven seconden deden we erover om op de retourknop te drukken, het blikje uit de automaat te trekken, drie stappen te zetten, het blikje door te geven, en het in de vriezer te leggen. Op die manier zouden we al snel een uur zoet zijn. Nadat ik nog een blikje in de vriezer had gelegd, zocht ik naar een krat zodat Rikkie niet voortdurend heen en weer hoefde te lopen. Onder de bestuurdersstoel vond ik een ingeklapte plooibox van Collect&Go. ‘Hier,’ zei ik, toen hij weer aan mijn raam verscheen. ‘Dat gaat sneller.’ Rikkie klapte de box uit, zette hem voor de automaat neer en begon hem te vullen. Maar in plaats van dat hij de blikjes op hun zij legde, zette hij ze recht, hoewel hij er zo veel minder in zou krijgen. Ik besloot er niets van te zeggen. Ik wilde niet bazig overkomen.  Maar wat zou hij straks doen terwijl ik de box leegde? Ik schudde met mijn hoofd. We hadden hier niet goed over nagedacht. Niet goed genoeg. Maar de volgende keer zou het vlotter gaan. Snelle voetstappen. Terwijl ik ons werk stond te evalueren, zag ik Rikkie door de voorruit wegrennen. Hoewel ik meteen zag dat hij het was, duurde het enkele seconden voordat ik het echt geloofde.  Ik keek door de achterruit. Een struise politieagent beende in de richting van mijn ijscowagen, pratend in de portofoon hoog aan zijn borst. Achter hem, in de smalle strook van de overstaande gevels, piepte de stompe neus van een patrouillewagen. ‘Fuck.’ Wat moest ik doen? Als ik wegreed, leek ik verdacht. Als ik niet wegreed, werd ik het misschien.  Ik kon niet kiezen. Ik ging achter het stuur zitten en deed mijn gordel om. Kon hij me daarvoor tenminste al geen bekeuring geven.  Tien meter. Negen. De dispatcher zei iets over een steekpartij. Ik moest iets doen. Ik griste mijn smartphone uit het vakje in het dashboard en belde het laatst gebelde nummer terug. Voicemail. ‘Rikkie,’ zei ik. ‘Ik ben het, Lilly.’ En weerstond de verleiding om in mijn achteruitkijkspiegel te kijken. ‘Ik bel gewoon om te zeggen dat ik het leuk vond vanavond. Hopelijk vond jij dat ook? Ik denk dat je het leuk vond. Maar vond je het ook zo leuk dat je nog een keer wilt afspreken? Je was plots weg. Zoiets hoor je aan het eind van een date te zeggen, Rikkie, of je dat wilt. Je mag een meisje niet in het ongewisse laten. Daar …' Toen verscheen de agent aan mijn open raam, met zijn rug naar de automaat en de handdoek en de voor de helft gevulde plooibox. Ik deed of ik schrok. Beleefd sneed de agent met zijn vinger zijn keel door. ‘Ik moet ophangen,’ zei ik. ‘Bel me terug, oké? Bye.’ 'Juffrouwtje,' begon de agent. ‘Ik vind het helemaal top dat u uw voertuig aan de kant zet om te bellen. Maar u blokkeert de doorgang. Er kan zelfs geen fietser meer langs.’ Hij wierp een blik opzij. Ik stak mijn hoofd door het raam. Achter me stond inderdaad een fietser. Waar kwam die ineens vandaan? ‘Het spijt me,’ zei ik tegen de agent en trok mijn hoofd weer naar binnen. ‘Ik had mevrouw niet gezien. Anders was ik meteen doorgereden.’ Hoelang stond ze daar al? En waarom had ze niets tegen de agent gezegd? ‘Voor één keer zal ik het door de vingers zien,’ zei hij. ‘Maar denk eraan, een gewaarschuwd mens telt voor twee.’ ‘Dank u, meneer de agent. Dank u.’ De struise man keerde zich om en liep terug naar zijn patrouillewagen, zonder iets te hebben opgemerkt.  Toen ik mijn motor wilde starten, hoorde ik een snerpend geluid. Hij draaide nog. Ik pakte mijn stuur vast, ademde in en uit. Vervolgens ontgrendelde ik mijn handrem en reed weg, met de fietser in mijn kielzog, en in haar hoofd, mogelijk, het geheim van onze misdrijf. Ik weet niet wat me bezielde, maar ik ging terug en maakte de klus af. Het had zomaar gekund dat de agent nog eens langs het steegje was gereden en mij daar weer had zien stilstaan. De smoes van het telefoontje zou niet meer hebben gewerkt. Maar dat deed hij niet. De volgende dag zat ik op de grond in mijn appartement en telde de blikjes, die boven me uit torende als stalagmieten in een grot. Honderdachtennegentig. Meer dan ik in mijn eentje kon opdrinken. Minder dan Rikkie had gehoopt. Zou hij me ervan verdenken een deel achter te houden? Ik stuurde hem een appje. Ik repte niet over wat we hadden gedaan. Dat zou onprofessioneel zijn. Ik schreef alleen dat ik zijn pet had - ze lag nog steeds op het dashboard, waar hij ze had achtergelaten - en dat ik ze hem, al hield ik er eigenlijk niet van, op onze eerstvolgende date zou teruggeven.✦  

Kenny De Thaey
3 0

De horror in klei

Hoe hem het Boek in handen kwam? Hij herinnert zich niks. Het heeft een naam, het boek. Een naam en een huiveringwekkende reputatie. Het heet, in een vereenvoudigde oude mensentaal, Ūxarnåt Qhu Sīnistræ. Het boek dat een wereld kan wegvagen. Het zijn mensen geweest die er een naam aan gaven, mensen die gehoord werden toen ze de vreemde woorden uitschreeuwden terwijl het boek hen doodde. Onthutste getuigen konden enkel verklaren, zonder het boek te durven beschrijven, zonder het boek bij naam te noemen, dat hun broeders in complete razernij hadden verkeerd toen ze de akelige afgrond instortten. Ze getuigden hoe deze gekwelden uitzinnig bleven krijsen, steeds dezelfde klanken, tot ze op de puntige, zwartgeblakerde rotsen van de afgrondelijke duisternis gruwelijk uiteenscheurden. Mensen sidderen voor het Boek. Het kent geen genade. Tallozen daagden het uit, verraadden het of bevochten het. Mannen, vrouwen, krijgers, priesters.. Allen dachten ze sterker te zijn dan het boek. Allen zagen ze hun vergissing in. Te laat.. Het boek slacht door elk vlees. Het klieft door elke schedel. Het boek bevat letter noch cijfer. Het bevat een duivelse duistere Ziel, een metafysische openbaring van krankzinnige, bezwerende beelden die de lezer vroeg of laat de dood indrijven. Beelden die de lezer de dood doen belusten. De dood is de verlossing. --- Hoe het boek hervonden werd is een sinister en verderfelijk verhaal. Het was de bedoeling om het boek eeuwig te verzwijgen. Dat is lang de intentie geweest. Maar dat is nu, vandaag, onmogelijk geworden. Het schijnt alsof de kosmos samenspant om dat te voorkomen. Het moet schijnbaar verteld worden. Mocht er plots worden opgehouden met vertellen dan ontstaat er een reden tot diepe ongerustheid maar er wordt afgeraden om naar de oorzaak op zoek te gaan. Dan zijn de vertellers verscheurd, uiteengerukt, en zijn ze hier nooit meer samen te vinden. Het moet een keer verteld worden om de kinderen te waarschuwen van mensen die doorgaans te vermoeid zijn geworden, wanneer ze deze vertelling voor het eerst in hun leven horen, te onwillig om nog in te grijpen. Ongelovig. Nalatig. Onwetend. Of te zeer van de angst verlamd. --- Het was na de dood van Claire. Het was een raadselachtige dood. Na de dood van Claire werd er onder de vloer van een zwarte kleien kelder, in een loodzware metalen kist, een boek aangetroffen. Het boek bleek later eeuwen al vermist. Dat was beter zo gebleven. Niemand, werkelijk niemand heeft er baat bij om de inhoud van het Boek te zien. De horror. De DREAD. Het zou vele kinderen tot waanzin drijven en volwassenen krankzinnig maken. Dat is telkens, op een paar keer na, gebeurd. Want hoe het Boek gevonden werd? Een Egyptisch kind -het tijdstip is onbelangrijk- vond het boek in een zwarte granieten kamer diep verborgen onder de imposante kalkstenen klauwen van de grote Sfinx van Gizeh, die vele malen ouder is dan tot hiertoe door wetenschappers kon worden ontsluierd. Het eigenaardige boek lag in een uithoek van de kille kamer en leek restant te zijn van een plundering die lange tijd geleden had plaatsgevonden. De welhaast lege griezelkamer scheen in het bleke vuur van de dovende fakkel onder een dikke laag zandstof te berusten, maar langs het koolzwarte geblakerde plafond hingen talloze bloedsmeren, als met razende handen aangebracht in een afgrijselijk gebaar van verweer. De verdwaalde jongen, op de vloer in het kille zand gezeten, opende het zware stoffige boek, aanschouwde, ontstak kort daarna in waanzin en sloeg z'n hoofdje tegen een granieten muur te pletter.  

Lucien Haentjens
168 4

Boer Constant

‘Je kan alleen maar spijt hebben van dingen die je niét hebt gedaan.’  Hij wist niet meer waar hij dat zinnetje precies gelezen of gehoord had, maar het deed hem wel nadenken. Ik heb me hier op de boerderij nog geen dag verveeld, dacht hij. Niet dat hij veel spannende dingen beleefde. Af en toe werd er een kalf of een lam geboren en zo nu en dan ging er een oude koe of een bejaard schaap dood. Hoogtepunten? De aankoop van zijn melkmachine misschien, nu bijna elf jaar geleden. Het was een klotezin. Je mag nog zo’n spannend leven hebben gehad, elk mens zal altijd meer dingen niet gedaan hebben dan wel. Neil Armstrong zette in 1969 als eerste mens voet op de maan. Dat moet een glorieus en zinderend gevoel geweest zijn. Toch droeg die Neil op dat bewuste ogenblik een pamper, misschien wel een vieze, want dat dragen astronauten. Dat had hij gezien tijdens een documentaire over de ruimtevaart. Maar wat hij zeggen wilde: heeft Neil Armstrong ooit een lammetje ter wereld gebracht of een koe gemolken? Geloof het maar niet! Ruimtevaarders zijn bekakte mensen met hoogheidswaanzin. Een mens moet tevreden kunnen zijn. Ik zit liever dagelijks aan een uier dan dat ik in een volle luier op de maan kuier, lachte hij bij zichzelf. Wat hield hij van zijn dieren. Van zijn koeien, maar misschien nog meer van zijn schapen. Een vrouw had hij nooit gehad. Ook daar had hij geen spijt van. Van een televisie krijg je ook gezelschap, maar die klaagt nooit en die kan je afzetten als je wilt dat het even stil is. Om de krant te lezen bijvoorbeeld, want hij was geabonneerd op twee dagbladen en die las hij van voor naar achter en van links naar rechts. Dat was de reden waarom hij niet meer precies wist of hij dat ene zinnetje gehoord dan wel gelezen had.  Sociale contacten had hij amper. Vond hij tijdverlies. We komen alleen en we gaan alleen, waarom dan tussendoor al dat geneuzel? Vroeger maakte hij weleens een praatje met Mia van het buurtwinkeltje. Of met Charel, de postbode, die zijn fiets met daarop een zo goed als lege posttas (de boerderij lag op het einde van zijn ronde) bijna dagelijks een kwartiertje tegen de zijgevel zette om even een praatje te slaan en een jenevertje te drinken. Tijden veranderen. Charel werd ontslagen en vervangen door zo’n asociaal, oorringdragend en kauwgomknabbelend jong ettertje dat dagelijks het grind in de voortuin helemaal uit elkaar reed met z’n ellendige bestelbusje. Op de plaats waar Mia vroeger haar gezellige winkeltje had, stond al jaren een spuuglelijk appartementencomplex en een paar honderd meter verderop een grote supermarkt. Constant leerde zelfscannen, want aan die opgetutte kassasletjes van tegenwoordig had hij ook niks.  Hij was niet altijd even scherp en afgelijnd als vroeger. Met het ouder worden leken de dingen hoe langer hoe meer in elkaar over te vloeien. Er waren momenten waarop hij niet meer precies wist wat hij het uur daarvoor gedaan had. De tijd leek alsmaar sneller te gaan. Zo gaat dat als je ouder wordt. Zolang het dat maar is, oordeelde hij. Buiten zijn zwakke maag, die hem vaak zure en andere oprispingen bezorgde, verkeerde hij, naar eigen zeggen en vooral denken, nog steeds in optimale conditie. Hij wist niet dat de mensen in het dorp, de ‘roddelaars’ zoals hij ze zelf bits betitelde, hem smalend ‘Boer Constant’ noemden, met een andere intonatie dan je zou verwachten, vanwege zijn voortdurende slokdarm- en maaggeluiden. Op een dag zat hij in zijn fauteuil wat televisie te kijken. Hij voelde zich suf en was die ochtend opgestaan met hoofdpijn. Gek eigenlijk, want daar had hij al jaren geen last meer van gehad. Water drinken, dacht hij, dat helpt veel beter dan die stomme pijnstillers. Alhoewel, gisteren had hij ook veel water gedronken. Niet dat hij toen pijn had. Alleen dorst. Of … Was dat gisteren wel? Wat had hij gisteren ook alweer gedaan? Hij klampte zich vast aan het aanrecht en deed zijn uiterste best om zich de dag van gisteren voor de geest te halen. Wat heb ik allemaal gedaan en wat is er zoal gebeurd? Hij had geen idee. Geen enkel. Hij werd draaierig, deels uit paniek, deels uit onmacht. Kalm, Constant, blijf rustig. Ach, waarschijnlijk helemaal niks. Een dag als alle andere. Hij liet een paar luide boeren na elkaar. Op de televisie was het cultuurmagazine ondertussen begonnen, met een reportage over de nakende festivalzomer, waarbij jonge talentvolle muzikanten en uitgelaten festivalgangers aan het woord kwamen. Lawaaimakers! Waar ging het toch naartoe met die jeugd? Een mens vraagt het zich terecht af. Hoor ze bezig, alsof ze ’t warm water hebben uitgevonden. Na The Beatles is het alleen nog maar bergaf gegaan in de muziek, snotapen. Veel geblaat en weinig wol. Wacht eens … Geblaat. Door zijn hoofdpijn heen hoorde hij geblaat. Angstig, luid geblaat. Heel duidelijk. Hij slenterde naar de schapenstal, maar daar was het rustig. Er lag wel iets in het hooi. Een lichtblauwe lap stof? Toen hij wat dichterbij kwam, zag hij dat het … een onderbroek was. Een onderbroek? Onmiddellijk stak hij zijn rechterhand in zijn wijde werkbroek. Verdorie, hij was er vanochtend zelf een vergeten aan te trekken. Hij wist al niet wat hij heel de ochtend gevoeld had. Wat voor een rare vlekken ook op zijn werkbroek.  In zijn hoofd bleef het geblaat voortduren. Hij keerde terug naar de keuken, draaide de kraan open, hield er eerst zijn polsen onder, vulde daarna een glas en dronk het in een teug leeg. Water van de kraan. Daar bekomt een mens van. Beter nog dan water uit een fles. Dat had hij immers gisteren nog ... Toen viel zijn oog op de fles die naast de spoelbak stond. ‘Oude jenever’ stond op het etiket. Verdorie, dacht hij, waar komt die nog vandaan? Die flessen had ik vroeger altijd met bakken in huis, toen Charel de postbode nog langskwam. Wie heeft dat gedronken? Wat was er toch met hem aan de hand? Hij boerde luid. Van de stress deze keer. Even weer wat rustiger worden in mijn fauteuil, dacht hij. Ondertussen ging het op de televisie over een of andere trendy fashion designer, die in het verleden uitsluitend jassen uit leer ontwierp, maar nu een andere weg was ingeslagen. ‘Mijn nieuwste creatie is een winterjas uit omgekeerd schaap,’ zei de bebaarde modeontwerper trots.  Boer Constant veegde het zweet van zijn voorhoofd. Zijn rode zakdoek met witte bolletjes was plakkeriger dan normaal.  Toch bleef het een klotezin. Echt een klotezin.             

Danny Vandenberk
3 0

Zeg maar Cas

                                                                            "The sunrise is the closest I’ll get to heaven…”                                                                                  City of Angels                                                                             "Lots of empty canals and streets at night…"                                                                               Tad Williams, “The Dirty Streets of Heaven”   Het was een zwoele zomeravond. De zon stond laag en al voorbij het westen. Ik reed in de richting van de Noord-Zuidverbinding zodat ik een flink eind gewoon rechtdoor kon gaan met mijn verstand op een zo laag mogelijk pitje.  Zeven overlijdens had ik behandeld die dag en ik had het wel zo’n beetje gehad. Wat voor werk deed ik ook? Hoewel mensen meestal heel dankbaar waren en zich opgelucht voelden als het allemaal goed was gelopen, kwam het toch telkens binnen. Vaak harder dan ik wilde. Misschien maar goed. Het toonde aan, zei ik tegen mezelf, dat het me raakte, dat ik niet onverschillig was. Dat ik het mooie en liefdevolle van een afscheid kon zien. En dat zag ik zeker. Maar dat nam niet weg dat ik moest bekomen. Dus wilde ik eerst op zoek naar wat ruimte in mijn hoofd voor ik naar huis ging. De snelweg sneed als een diep kanaal door het groen van de omliggende weilanden en bossen. Het asfalt lag te rusten in de lange avondschaduw. Op dit uur was er bijna geen verkeer. Zo’n honderd meter voor mij reed een knalrode Volkswagen Golf 2, zo’n model dat nog uit de jaren tachtig stamde. De auto reed niet veel harder dan honderd, ongeveer net zo hard als ik. Ik kwam niet dichter, hij reed niet van me weg. Het gaf me een vreemd soort gevoel van verbondenheid. En zo trokken we samen op in de richting van het zuiden.  Het maakte me, zoals ik gehoopt had, rustiger. Mijn gedachten werden weggevoerd door de wind om mijn oren. Gebiologeerd volgde ik de auto voor me. Een zwarte BMW XM knalde ons met hoge snelheid voorbij. In een zucht was hij weer uit het gezicht verdwenen. Even later stond hij met vier pinkers aan op de pechstrook. De rijzige man, donkere haren en helemaal in een zwart kostuum, stond in de berm met veel gebaren te telefoneren. Altijd hetzelfde met die snelheidsduivels, dacht ik, maar daarna liet ik me weer gedachteloos leiden door de rode Volkswagen.  Een paar kilometer verder gebeurde het. De stoplichten van mijn voorganger lichtten plots helrood op. Het kleine autootje slingerde een paar keer en trok zwarte slipsporen op het wegdek voor hij rechts over de berm tegen de vangrails vloog en in een bosje gekatapulteerd werd. Aan de overkant van de weg zag ik nog net de donkere schaduwen van een familie everzwijnen wegvluchten. Het was in een flits gebeurd en het drong slechts met vertraging tot me door, waardoor ik pas vijftig tot honderd meter verder tot stilstand kwam. Over de pechstrook wandelde ik terug. Twee auto’s passeerden zonder te stoppen, de BMW was er niet bij. Zo had mijn leven de laatste tijd ook aangevoeld, alsof ik wandelde langs een snelweg waar iedereen voorbij raasde. De Volkswagen was waar hij tussen de bomen beland was, helemaal aan het zicht onttrokken van andere bestuurders. Hij lag op zijn rechterzijde, met de voorkant helemaal rond een esdoorn geplooid. Overal lagen de grote afgeschudde bladeren. De motor draaide niet meer. De autolichten brandden nog en herschiepen het bosje in een spookachtige wereld. Sommige van de opgeschrikte vogels, vooral kraaien aan het gekras te horen, nestelde zich weer in de boomtoppen. De bestuurderszetel was leeg. Ik keek rond en zag haar silhouet buiten het bosje op een kleine glooiing staan. Ze keek in mijn richting, haar lange rode haren helemaal verwilderd, bloed over de sproeten in haar gezicht, op haar gescheurde blouse, jeansrok, armen en benen. Op haar witte sneakers. Ze stond over haar hele lijf te trillen. Ik herkende de vrouw van rond de vijfendertig onmiddellijk. Daar gaan we, dacht ik.  “Waar is mijn bril? Heb je mijn bril gezien?” “Die heb je nu niet nodig, Maggie, het is toch Maggie, niet? Hoe voel je je? Heb je ergens pijn?” Ze schudde van nee en keek mij even aan. Ze herkende mij niet. Het maakte niet uit. Het was ook al zo lang geleden.  “Wie ben jij?” vroeg ze, “Ken ik jou?” “Cassiël,” zei ik, “maar zeg maar Cas.” “Jij bent precies niet van hier.” “Ik heb nochtans mijn hele leven hier gewoond.” “O,” zei ze, “sorry.” Daarna zweeg ze. Ze draaide zich om naar de ondergaande zon en ging zitten op het natte gras. “Heb je de hulpdiensten gebeld?” “Ik heb geen gsm.” “Geen gsm? Dat is nieuw. En een beetje raar… De mijne is stuk.” Ze haalde haar gsm uit de achterzak van haar jeansrok. Het glas van de smartphone was gebarsten en hij was helemaal krom. Daar kon je inderdaad niets meer mee. “Mag ik naast je komen zitten, Maggie?” Ze haalde haar schouders op. “Het maakt niet meer uit, zeker?” “Wat maakt niet meer uit, Maggie?” “Nu ja, dit.” “Dat weet ik niet.” Ik ging naast haar zitten en sloeg mijn handen om mijn benen. Ik keek in de richting waar zij naar keek en zag wat zij zag. “Heb jij het niet koud?” “Een beetje.” “Hier is mijn jasje.” Voorbij de horizon was enkel nog het schijnsel van de ondergaande zon zichtbaar. Het verbaasde me telkens hoe snel een zon onderging. Ook hoe snel hij opkwam, maar dat was nu niet het geval. “Wanneer zullen de hulpdiensten er zijn? Iemand moet toch de hulpdiensten gebeld hebben.” “Ik denk dat ik de enige was die het effectief heeft zien gebeuren. Het was laat en er was weinig verkeer, weet je, maar de remsporen zijn zichtbaar en er liggen brokstukken op de weg. Wees maar niet bang, ze zullen er snel genoeg zijn.” “Ben je zeker dat het te laat is?” “Dat weet ik niet, zeg nooit ‘nooit’. Maar ik denk het wel.” “Hoe lang duurt het?” “Moeilijk te zeggen, maar het zal dadelijk wel beginnen.” “Het is net alsof … alsof…” “Op het einde blijft enkel het beste over, Maggie, daar mag je vanop aan.” Terwijl we zo wachtte, vertelde ze me over haar zoontje, Robke, dat op zesjarige leeftijd gestorven was aan een hersentumor, over haar dochter Roos. De vreugde in haar leven, zei ze, en haar man, haar lieve man. Iemand moest hen toch verwittigen dat ze later thuis zou zijn. “Alles op zijn tijd, Maggie.” “Oké.” “Hij hield zo van dino’s,” zei Maggie, “ik heb nog dozen vol met tekeningen van dino’s op de zolder staan. Alles wilde hij erover te weten komen, maar het mocht niet zijn. Het deed zo veel pijn, zo veel pijn, kan je dat begrijpen?” Voor ons, als in een tekenfilm, zag ik haar zesjarige zoontje lachend tussen de levensgrote dino’s spelen. We zaten op een bankje voor hun huis met achter en naast ons de rozenstruiken die in bloei stonden. Rode, roze en witte rozen. Hun geur zachtzoet. Met tranen in onze ogen keken we naar het tafereel dat zich voor ons afspeelde. Ze legde haar hoofd op mijn schouder. “Sorry,” zei ze, “sorry, dat ik je hiermee lastig val.” “Je hoeft je niet te excuseren, Maggie. Het is niet niks wat je hebt meegemaakt. En tegelijk heb je toch ergens voor geleefd. Voor Roosje en je man. En in zekere zin ook voor Robke. Dat is mooi, Maggie. Dat is heel mooi.” “Zo voelt het niet. Het voelt alsof ik tekort geschoten ben, alsof ik…” “Verdriet kent haar eigen wetten, Maggie, dat ligt buiten jouw wil. En er is altijd Liefde. Dat heb je gevoeld, nietwaar Maggie? Voel je dat nu ook?” Ze hief haar hoofd van mijn schouder en keek me met haar grijsgroene ogen aan. Zonder te knipperen. “Nu herken ik je pas,” zei ze, “Jij was de papa van Marte. Is het niet? Marte zat bij Robke in de kleuterklas.” Ik knikte. Zij glimlachte. “Dankjewel,” zei ze. Tegelijkertijd begon haar huid eerst zilverachtig en dan goudkleurig te gloeien. Daarna werd ze doorzichtig en loste ze op in het duister. Het was voorbij. Eens het zo ver was, ging het altijd sneller dan verwacht.  Achter me hoorde ik in het bosje geritsel. De BMW-bestuurder was ook over de vangrails gestapt. Op fluistertoon sprak hij in zijn telefoon. Even keek hij in mijn richting en zag ik hoe zijn ogen me vanuit donkere oogkassen aankeken. Daarna verdween hij weer.  Niet snel daarna hoorde ik in de verte de sirenes. Ik bleef zitten zoals ik zat, terwijl de brandweer achter me met veel lawaai het autowrak openwrong. De zwaailichten verlichtten aan en af het duister rondom me. Toen de zwaailichten vertrokken, keerde een onwezenlijke rust over het bosje en de velden. Ik nam mijn jasje op van het gras, trok het aan en wachtte tot de eerste zonnestralen mijn koude rug opnieuw verwarmde. De kalmte van de voorbij uren werd door de eerste pendelaars op de snelweg verbroken. Met een bezwaard gemoed kwam ik thuis aan, keek vanuit de keuken toe hoe Lief als eerste van boven naar beneden de trap kwam afgestommeld. Haar pyjama gekreukt, haar peignoir losjes en ongeknoopt om haar schouders. Ze was altijd al een vroege vogel geweest. Sinds kort had ze haar lange zwarte, golvende haren laten knippen. Met een kleurenshampoo waste ze de eerste grijze sprieten weg. Ik moest eraan wennen, maar het stond haar. Alles stond haar. Naast me maakte ze voor twee een spiegeleitje. Dit was het moment dat ik het meest koesterde. In dat lege moment ’s ochtends dichtbij de vrouw te staan van wie ik hield, alsof er niets veranderd was. Ik was nochtans altijd degene geweest die langer in bed bleef liggen, net zoals haar nieuwe man, en net zoals ook Marte, die pas rond een uur of tien uit haar bed kwam gekropen en zich rechtstreeks en languit in de zetel installeerde met haar smartphone. “Wil jij ook een eitje?” vroeg Lief. “Neuh,” was het antwoord. Ook ik had zoveel gehad om voor te leven en zo weinig om voor te sterven. Een warm elektrisch gevoel tintelde in mij. Ik keek naar mijn armen of er niets van zilver doorschemerde.

Hans Van Ham
6 1

Het kleurloze kasteel met vakantie

Schrijversrouw, het zou een erkend begrip moet worden. Iets waar je misschien een doktersbriefje voor kan krijgen, voor een uur of drie. Nog meer voor de amateurs onder ons dan voor de 'echte schrijvers', voor wie het afscheid nog wat wordt uitgesteld door een drukke agenda. Het is hen gegund, van harte. Maar de 'verhaaltjesschrijvers' zoals mezelf eindigen een verhaal met een dubbel gevoel. Opluchting, natuurlijk. Ik rondde 'Het Kleurloze Kasteel' af. Helemaal. Begin, midden en slot.  Af. Finito. Tien minuten lang overheerst dan euforie: woehoe! Het is af! I did it! Ik verdien pizza en bubbels, zeven maanden schrijfplezier, afgerond. Heel even stel ik me dan voor hoe het zou zijn om de lokale Standaardboekhandel binnen te slenteren en het daar te zien: schitterend, met een harde kaft (uiteraard) en een kasteel als cover (geen Disney, eerder Gravensteen Gent). Dan berg ik het op, het beeld. En blijft de leegte een beetje nazinderen : een half jaar lang was het mijn hobby en nu kan ik me weer toeleggen op de distels in de tuin. Wat een zalig tijdverdrijf was, is nu plots een tekst op een usb waar niemand zich nu nog druk om maakt.  Ik verzon mijn dialogen op mijn fiets... ik had vandaag niks om aan te denken.  Twee Elions, dat was mijn planning en het is over. Dus ja... een beetje verdrietig. Ik denk dat ik niet alleen sta met dit gevoel, sterkte aan al de amateurs onder ons die hun verhaal na een poosje gewoon wissen... want eerlijk, voor jezelf moet je het niet houden, je weet iedere letter staan. Bij deze: ik zadelde u op met de inleiding en nu krijgt u het nawoord: de rest is opgevuld met 160 pagina's spoken, sleutels van Maanduinzand, dinkelbitters in een moeras, beelden en tronen van Vlameikhout, één held met rugklachten en vier dappere jongeren zonder fysieke klachten. Romantiek, avontuur etc... Een magische grens, een magisch Volk en één Hollywoodacteur :) Pizza, bubbels en film dus.                                                                  Nawoord                        En de Gouden Palm voor beste film gaat naar... Oak of fire!!!! De aftiteling rolde over het scherm. Drie paar ogen, allemaal gevuld met tranen, staarden strak naar de witte letters terwijl het vrolijke viooltje een zwierige dans inzette. Felix slikte, hij tastte naar een stuk koud geworden pizza, propte het in zijn mond en kauwde zonder iets te smaken. 'Triestig,' kraste Serafijn toen ook de laatste namen van het scherm verdwenen. Hij zat op de grond, met zijn rug tegen de sofa, zijn ene hand rustte op Elions borst en in zijn andere hield hij een glas. Hij koos voor het glas en dronk de wijn in twee grote slokken uit. 'Man, dat was triestig. Is het echt zo gegaan?' Drie hoofden draaien zich om richting hun gastheer, hopend op een 'nee, natuurlijk niet, jongens.' Adam keek, innig tevreden naar zijn zwaar geëmotioneerde gasten. Het was een fantasyfilm, dacht hij geamuseerd. Met slagvelden en complotten, geen zware kost. Maar ze waren behoorlijk van slag. 'Oh, er zal wel extra drama aan te pas gekomen zijn maar in grote lijnen, ja. Vond jij het goed, Elion?' Serafijn keek omlaag. Zijn echtgenoot lag op het tapijt, met zijn hoofd op Serafijns bovenbeen, zijn glas vergeten in zijn hand. De barman schudde van het ingehouden lachen. 'Hij slaapt, Adam. Hij zag de eerste twintig minuten, vermoed ik. Hij heeft de vrijscène gezien en gaf het daarna op.' 'Typisch,' bromde Felix. 'Meneer verzet al onze agenda's om illegaal de grens over de steken en dan ligt hij zelf te maffen.' 'Oh, ik heb jou niet horen protesteren,' lachte Moone. 'Is er nog pizza, Adam?' 'Er is Elions deel, dat eet hij waarschijnlijk niet meer op. We kunnen het wel opwarmen en delen.' 'Dat kunnen we niet slecht laten worden,' grijnsde Serafijn en hij keek verrast op toen Adam hem nog een glas rode wijn inschonk. 'Jij bent met vakantie, Serafijn, aanvaard het maar,' lachte Adam.  Vakantie :hangen in een zetel, vrijen met zijn lief en eens bediend worden. Meer moest dat voor hem niet zijn. Felix ving zijn blik en knipoogde. 'Helemaal mee akkoord,' fluisterde hij. 'Kiezen we nu iets vrolijks? Zonder bloed, dubbelgangers van Elion en drama, graag. Heb je iets met een dino, Adam, ik herinner me dat ik vroeger dino's de max vond...' The End        

Kat.
0 1

Vrykholakas

Nyarlan, de sluipende Huiver, moet de oud-zeeman voorlopig gedogen. Imposant figuur, Diederik de Vader. De rokende apostel. De Meester. Ruikt altijd zwaar naar paarse aftershave, Nebulae van Guerlain, en naar pijp, naar pijptabak: vanillig, houterig, harsig, brutaal. Heeft een hekel aan schaamte en gepruts. Over zijn eerste erotische ervaring met een meisje stamelt hij blozend, onder de indruk nog altijd na vijfduizend-zoveel jaren, dat het voelde alsof hij in een nest harige jonge v-vleermuizen greep. Nooit meer! (Nogal grof, vind ik, en ondankbaar. Onbegrijpelijk. Wij houden net van haar. Het maakt haar nog mooier.. dierlijker.. menselijker..) En toch: ook hij had van die wilde tedere haarstreek gehouden, hij dacht er later dickwijls in betovering aan, steigerend onder de lakens maar moeizaam weer op gang gepookt, als een lang gedoofd gewaande haard. Hij stichtte later tijdens een hete seventieszomer, onder het delirium van een zonneslag, een slordige z-zes kinderen, zomaar rapraprap. Last met namen, had hij, dus doopte hij de kinderen Concessie 1 tot en met 6. (Dat deed hij door de eeuwen tot elfmaal toe op rij.) Vervolgens nam hij, in de gewijde bronzen wijwaterkuip, een stortstoombad om voornamelijk zijn duivelse flieter, een kleine meetlat groot, een grote meetlat klein, om de toverflieter Papageno een goeie stevige schrobbeling te geven en tot eeuwige rust te zalven met Zwitsal bodylotion. Tenslotte katapulteerde een laatste LSD-trip hem richting de purperen, vereeuwigende sterrennevels waartussen hij nog altijd graag vertoeft, en waarin hij graag, als zijn echtgenote Angele van huis is, op Purple Pills verblijft en met de muizen meedanst. --- Soms echter kwam het op bittere ernst. Soms kwam het er ook voor Dierik op aan om alert te zijn. Gevaar loert overal. Onderweg naar de nevels scheerde hij rakelings om Vrykolakas heen, die hem scheen op te wachten. Daar, in een van de vele Gotische hemelopeningen, hing die afgrijselijke, menselijke gedaante roerloos op een prooi te wachten. Hij schijnt op het eerste oog een zware struise man, gekleed in een lange, donkere middeleeuwse tuniek. Maar wanneer men goed naar het Gedrocht probeert te kijken, zonder lam te staan van angst, dan ziet men zijn golvende, diepzwarte haren in mist uitrafelen. Het voorhoofd, hoger dan normaal, de ingevallen en gerimpelde wangen en de puntige, klauwachtige knokige handen zijn doods marmerachtig. De gestalte, groot als een Berserker, is vreemd gebogen en verdwijnt bijna in de wijde plooien van het opmerkelijke gewaad. Maar het vreemdst zijn de ogen.. De vermissende ogen: twee holten van afgrondelijke duisternis, waaruit een bovenmenselijke intelligentie spreekt, maar waarvan de boosaardigheid onmenselijk is. De ogen die in een hinderlaag op Diederik lagen gegrepen. Verminkte, giftige, grauwelende klanken stegen uit de diepte op vantussen de monsterlijke slagtanden.       Ph'ngglui mgglw'nafh Čthulhuu R'lyeh wgah'nagl fhtaggn Diederik begreep terstond waar de roep om ging. Het was het afgrijselijkste geheim op Aarde. --- Een gruwelijke kwelgeest is Vrykolakas, de kruisdrager van Eibon, die Diederik op een nacht in bed als kind bekropen was en nooit meer had losgelaten. Het schond de kleine jongen als een trauma, een diepe kras, of een zwarte vlek. Het bloedde uit zijn lichaampje en bloeden bleef het doen. Het hervormt Dideriks wezen telkens er uit het lichaamhuls getreden moet. Losgerukt van Vrykolakas, tenslotte, onder de vlucht, nam hij een laatste slinger langs de Magelhaense Wolkenvelden, niet al te ver van huis weg, waar ook Wiene & haar neef vlogen te dromen. Sindsdien, sinds de landing, heeft Diederik nooit nog een vrouw aangeraakt. Ze werden Heiligen voor hem. Hij miek er teveel een verering van, opdat ze hem ververwijderd en onaangeroerd zouden blijven. Ze verlangen nochtans naar hem. Soms. Rijen van artistieke intelligente knappe rijpere dames. Sterrenbeeld Ram, bijvoorbeeld. Hijzelf zou een Maagd zijn, naar het schijnt. Pas op: het gebeurt ettelijke keren dat Diederik in de rij staat aan te schuiven bij een vrouw die hem niet meer wenst te zien of zelfs maar te dromen. Tja. --- Sterrenbeeld Ram zijn ze toevallig of Boogschutter of Stier. Hijzelf is een Maagd, wordt verteld. En inderdaad: het gebeurt talloze malen dat Diederik in de rij staat aan te schuiven bij een vrouw die hem niet zien wil, niet meer wenst te lezen een liefdesbrief die hem vandaan komt. "Geen maagden in mijn kot meer!" hoort men soms tieren, lang nog voordat er een huisdrempel overschreden wordt. "En al zeker geen linkshandige! Brengt dubbel ongeluk! Buiten!" Koterij natuurlijk, voor hem. Maar doorgaans wint hij later succes, Diederik, en verzachten langzaam de zeden. Het zijn zoals gezegd magnifieke dames, die heerlijk in het hoofd zitten, prettig ongestoord, bedaard de stem verheffend en en gewoon vriendelijk en rust schenkend aan een man, aan dit soort van een man althans. Deze nobele vrouwen hebben de onthechting en de levenswijsheid opgespaard om minzaam een win-win te zien in Dieriks illustere meesterplan om enkel een magische en zuivere afstandsrelatie te gedogen, te genieten zelfs, met volle teugen. Maar louter een platonische. De Kasteelvrouw, noemt hij de muze waar hij naartoe schrijft. Ze wisselt soms van kasteel naar de vergeetput of de kerkers. Dan neemt een nieuwe muze haar betrekking. --- Hij schrijft graag, tekent net zo frivool als Kandinsky, hij doedelt clair-obscuurs naar Caravaggio en hamstert jaarlijks fardes vol nieuwe adressen, voorzekers een farde per seizoen, om soms lieflijke en soms scabreuze hartstochtbrieven te versturen naar overal te velde, van Abelard naar Heloïse. Elke nacht staat hij met een oude sextant, meegetsjoept uit de Zeevaartschool, de talloze omwentelingen in het ootje te houden, leunend tegen de beelden van Djomaz, een grootmeester uit zijn Orde geweest. Hij merkt de laatvliegers nooit op. Geen oog voor. De buren horen hem aangeschoten soms bulderen op zijn broeders uit de Vaart: "Brunooo! Faximiljaardedju! Hard stuurboord met ons Leven heb ik U verdraaid bevolen Faxim! Prutser! Halve haring! Vermiste hersencel! Duizend klompen en bananen! Fuck the duck! Do-o-oorst! Teuten trekken en trekken maar aan de flosj van het Bestaan!" Er is al meermaals, meeermaals naar de flikken gebeld, ge weet wel, zucht, de flikken: er zijn er ook wel goeie bij. Maar geen avance. De verdachte is onvindbaar, zeggen ze zomaar.  

Lucien Haentjens
365 2

Zinnigheid

Verdergaan met de vertelling? Jazeker. Doe ik met gemengd plezier. Het is mijn taak. Neemt U maar gerust plaats buiten tussen de planten op het terras. De Blauwe Regen blijft de mooiste. Ze heet Elvire, naar de fee van het saffieren Licht. Tas koffie? Momenteel doe ik de kopjes gebruiken die me toekomen uit Syracuse, nabij de commanderie der Tempeliers vandaan, waar de vloot van de Ruyter verging met man en macht. Snob, zegt Laïs, snobsi en blaheur. Alix, liefje, haal ons glazen potje, alsjeblieft. Zus, met haar stoute snavel, is met de bandopnemer bezig. En rookt U mee,  een toepke, met mezelf en met m'n zus Alix? Biowiet is het. Akkoord ja? Gezellig, zo. --- Paf-paf.. Waar ergens in de vertelling zijn we ondertussen ievrans aanbeland? Ik ben bij Diederik gebleven. Bij de beulingen die hij soms uitvoert. ("Soms in de opdracht van Wiene," fluistert m'n zusje Laïs het toehoordersgezelschap toe. Zij, soms om de wereld bedroefd, met prachtige zilveren oorbellen, Lapis Lazuli uit Avalon, zij Laïssa adviseert en souffleert mij na de uren bij het hoe en het waarom van deze vertelling.) Eén feit dat al zeker is: de Dierik waarover wij vertellen kan hard uithalen. Als jongeman hing hij een groepje van vijf hyena's bloeiend en huilend in een boom te verdrogen, vertelde ik een vorige keer. Hij plukte een wespennest uit de struiken, sprak er een spreuk van bezwerende woorden op toe en rolde richting de vijf jongens een zoemend nest dat vervaarlijk van agressie zinderde. --- Nu, tegenwoordig, draagt hij onder de vilten hoed een pletse paterskruin, Diederik, met prachtig grijze haren. Hij is tenslotte broeder Franciscaan, een varende broeder op rust. Hij heeft het evenwel nog nooit zo druk gehad in dat groteske, azathothiaanse brein van hem. Officieel binnen de Orde heet hij broeder Amedee, dezelfde Amedee die zonder het te weten op het punt staat om een geheim te ontsluieren over de Maagd Maria en over de Nazareense Geboring, een thema waar hij alreeds aan de universiteit van Léopoldville, in de jaren stillekes, een aanheffend en doorwrocht boek rond publiceerde: La Confession aux Laïques-en-nog-etwa. Schrijft ook voortdurend, al eeuwen lijkt het wel, aan een schelmenroman. Een Reynaertroman. Een dikke pil. Hij ís Vos Reynaert, Diederik, gereïnkakarneerd. --- Hij gidst regelmatig -geheel in het zwart gekleed, geschminkt, zoals gewoonlijk, alsof het tot zijn Geboring behoorde- de grooste groepen lijmende dwaallichtjes doorheen de gloriërende middeleeuwse prachtsteden Afwerpen en Grent, waarover hij de geesten der toeristen de meest waarzinnige, schavuitige histories inprent. Zo geloven ze bijvoorbeeld, de meeste toeristen dan toch, dat Hendrik VIII een zodanig dikke drol in de grachten van Grent achterliet geplonsd dat de zwemvijver van het elfde-eeuwse Ravensteen gedurende drie nachten vooroverliep. Ook volgens Diederik: de Steenkeutel, het eeuwenoude fort in Afwerpen, met muren evenzo gewapend als de schedels van de landerige autochtonen, telgen van de onversaagde Oorspronkelingen, de Steenkeutel is boven Afwerpen gedropt persoonlijk nog door Ramses II. --- De zwarte farao, getuigt Diederik ernstig met gebaar, wenste graag een buitenverblijf ten westen van de heliocentrische Zonnegod, aan diens vergzaligde linkerkant, waar er bier te vinden was. Vele vele bierkes. En hij zag daar plots liggen, Ramses, het centrum van de westelijke Aarde: Afwerpen. Daarrond: bossen bossen bossen en een zootje prenatale inboorlingen. Dus veel parkeergelegenheid voor strijdwagens en huifkarren, en tevens een groenplaats, voor 't groenafval. Een grote beerput, uiteraard ook, rond het Falconplein. Ruimte voor een haventje, misschien, te beginnen in de Saeftinghe? Stempel maar af. Bagger maar uit, spuit maar op. Ze werden baggerboertjes genoemd, de geldbeluste wauwelende minions van Ramses, en voeren alles naar de vaantjes, schots en scheef, op drijvende slijkerige zandstofzuigers. "Een Alexandrische dasja moest het worden dat buitenverblijf van de machtige Ramses in de koele moerassen tussen de eerste Menapii, een verstild en bescheiden volkje, welsiwaar nogal bedrukt "eigen volk eerst"-ingesteld, maar dikwijls terecht, zou de historie zich later meerdere keren bewijzen. Het volk leefde nuchter tussen Smurfen en de Boeboeks. Het droeg scherpe dolken van bijzondere kwalsiteiten gesmeed. Sommige mannen verborgen onder hun gordel boksbeugels uit diezelfde smidse bekomen. Er stonden prachtige blonde Menapische Amazones in hun midden. De stam was matriarchaal ingesteld, zeker inzake een bepaalde diepte in omgang met elkaar." Diederik steekt staande op een stadsvuilbak met wel zestien versulferde lucifers de Pijp van Ulthar op. Paf paf paf.. Blauwe en rode wolken verlaten sliertig en onaangeroerd het straatbeeld van de fictieve kattenstad Kadath. Hij hervat orakelend: "Dus, lieve menschen, er heerste daar veel inlevingsbereidheid, zowel naar de allerkleinste kinderen toe als naar de zwakkeren, de gewonden en de bedroefden. Naïef als ze waren liepen de Premenapen in tijden van spanning weinig alert op indringers gewapend. Niettemin stonden de vrouwen in hun midden tot de tanden gevaarlijk en hanteerden zij slagknuppels, slagwapens die op de tegenwoordige hurleys lijken, lichte en wendbare wapens die de Premenapii ten geschenke mee de plas overgaven aan de Saksen en de Picten en alle Keltische hordes, in feite, en ander roemrijk gespuis, dat tot vandaag nog overleeft, dat door de eeuwen meevloeit. Maar nu eerst een lange pauze, dames en heren: ik heb dorst gekregen." --- Een halfuur later is hij compleet vermist, Diederik. Verdwenen in het daglicht. Met een accordeonist schuimt hij zingend de terrassen en de kelders af, de hele rosse buurt. Bollekes Ceuninck lust hij niet, maar een Karmelietje of twee-drie zo, per ronde..    Zen we góed of slecht gezind   over de zoute ziê   we wörre gedreve deur de wind   over de zoute pekelziê   over de zoute ziê    We frête boêne meh azijn   over de zoute ziê   et spek is vör de kapitein   over de zoute pekelziê   over de zoute ziê    En gon we zuipen on de wal   over de zoute ziê   ze tappe der bier zoe bitter as gal   over de zoute pekelziê   over de zoute ziê --- De duivel hangt soms diep in de fles. Diederik vergeet nochtans nooit, nooit over geschiedenis, en citeert verkneukelend graag uit Wannes Van de Veldes Piet Breughel in Brussel: een historische vermaning aan alle Vlamingen, leest hij erin. Parafraseert dolgraag uit de middelnederlandse Diederic Van Asseneede, "die tale sal mense te rime bringen / ende te redene die aventure", vanzulkse. Hij vereert de verdonkeremaande C.C. Krijgelmans, die volgens hem een rebelse nieuwe Nobelprijs moet krijgen: "Wat een geniale genieuze klaploper was dat!" Men ziet Diererik soms op blote voeten voorbijslenteren in een bruine pij met eromheengebonden een rafelig manillakoord dat volhangt met rookwaren, Limburgse daslook, zongedroogde wijngaardslakken en een paar mysterieuze, rinkelende bedeltjes. Charms die ook Wiene rond de pols of rond de enkel draagt. Zelfs haar grote neef draagt ze stiekem, onder zijn hemd of t-shirt verstopt: een zilver Christelijk kruisje dat van Meeke is geweest. Het moet honderden jaren oud zijn, het kleinood. Misschien wel duizenden. Vindt hij. †    

Lucien Haentjens
150 2

De rode nooddeur (slot)

De deur klikt zachtjes in het slot.  Het is aardedonker. Ogen open of dicht, het maakt geen enkel verschil. Jake vult zijn longen met lucht en krabbelt beverig overeind. Hij hoort zijn belager kermen, een akelig ongezond rasperig geluid waar hij kippenvel van krijgt.  'Blijf uit mijn buurt,' sist hij.  'Help me eens overeind, man. Ik heb mijn enkel verstuikt.' 'Trek je plan,' mompelt Jake onvast. Hij spert zijn ogen wijd open maar er is niks te zien. Complete duisternis. 'Wat een smerige truc heb jij uitgehaald. Wat is dit voor plek?'  Jake negeert de man. Hij haalt met trillende handen zijn smartphone uit zijn broekzak. Geen bereik. De zaklamp doet het gelukkig wel. Muur. Hij staat met zijn rug tegen een muur van roodbruine bakstenen. Voor hem is er een identieke muur. Er zit een paarse deur in, met een spionnetje. Hij drukt zijn oog tegen het glaasje. Aanrander twee, de Smerige Kompaan snuffelt verwilderd rond op zoek naar zijn maat en zijn prooi. De man drukt met beide handen tegen de muur, klampt twee voetgangers aan maar krijgt een meewarige blik. 'Help!' Jake rammelt aan de klink. 'Help, ik zit vast! Help!' Zijn adem stokt in zijn keel. Er komt geen enkele reactie. Smerige Kompaan kan hem niet horen.  Tussen de twee muren loopt een pad. Jake schijnt links en rechts met de lamp, het maakt geen enkel verschil. Als hij zijn armen spreidt, kan hij beide muren met zijn vingertoppen aanraken.  Hij kiest rechts, daar loopt de winkelstraat.  'Hé, laat me hier niet achter, klootzak! Ik kan niks zien!' brult de man achter hem. Hij doet, zo te horen, een poging om overeind te komen maar dat loopt op niks uit. Jake hoort hem vloeken en maakt haastig vaart, hij rent tot het schreeuwen niet langer duidelijk is, gewoon wat klanken.  Ik ben ver genoeg, denkt Jake als hij buiten adem raakt. Hij glijdt, met zijn rug tegen de muur op de grond, en slaat zijn armen rond zijn opgetrokken benen.  Nu de spanning en paniek voor het grootste deel verdwenen zijn, is er vooral misselijkheid. Hij legt zijn hoofd op zijn knieën en huilt een tijdje. Daarna komt hij overeind, veegt zijn wangen droog, knoopt zijn broek en hemd dicht en haalt diep adem. Hij spant zijn ogen in. Vlak voor zijn neus, ver weg maar niet eindeloos ver weg, knippert een wit lichtje. Na enkele knipperbeurten blijft het branden. Jakes hart trekt samen van angst.  Er is daar iemand.  'Volgende! Kom wat dichterbij alsjeblieft.' De stem komt door een oude luidpreker, vlak boven zijn hoofd. Jakes hart wipt tot in zijn keel. Hij loert wantrouwig naar het lichtje, haalt diep adem en kiest voor rechtdoor, het is dat of terug naar 'Die Vent.' De afstand tussen hem en het licht is groter dan gedacht. Het is warm en muf tussen de muren. Zijn verbijstering is groot als hij het licht herkent als een bureaulamp. De lamp staat op een oude schrijftafel die gebukt gaat onder het gewicht van stapels mappen, papieren, stempels, potjes met balpennen en dergelijk. 'Ja?'  Een vrouw, verstopt achter stapel vier en vijf, kijkt op van haar blad, dropt de balpen in een potje, schuift haar bril tegelijk in haar haren en kijkt naar hem op. Haar wenkbrauwen schieten verbaasd de hoogte in. Jake staat met lege blik voor haar tafel, zijn handen diep in zijn zakken en rilt onophoudelijk.  'Het gaat beter na een warm bad, een babbel en nachtrust,' doorbreekt de vrouw plots de stilte. 'Wat?' Jake kijkt verstrooid op.  'Dat gevoel, wat nu overheerst. Het gaat niet meer weg, niet voor echt. Vanaf nu zal je ieder steegje als risicovol beschouwen, wat jammer is want er zijn ook heel veel leuke, mooie en gezellige steegjes. Dat hebben die twee nu voor jou verpest maar de paniek zal wat afnemen.' Jake klemt zijn kaken op elkaar. 'Ik ben niet in paniek.' 'Juist, ook goed. Daar is de uitgang.' Ze wijst in de richting van waar hij komt. 'Bel een vriend, zoek iemand die je komt ophalen en nog een goede nacht verder. Volgende!' De vrouw neemt een blad van de stapel, vist een balpen uit de pot en schraapt haar keel. 'Volgende,' blaft ze voor een tweede keer, alsof er een hele rij wachtende staat. Jake werpt een blik over zijn schouder: de gang is verlaten. Hij kamt snel zijn haar met zijn vingers, trekt zijn hemd recht en schraapt zijn keel. 'Ja?' 'Eh, die deur was op slot,' begint hij schoorvoetend. Ze slaakt een hemeltergend diepe zucht. 'Juist, ik begrijp het al.' Ze neemt een formulier van de stapel. 'Naam?' 'Jake.' De balpen blijft boven het papier hangen.  'Is 'Jake' de afkorting van Jacqueline?' vraagt ze, zonder verpinken.  'Nee, van Jacob, mevrouw.' 'Juist. Jacob, kijk eens naar het tegeltje boven mijn hoofd.' Ze wijst met de balpen. Jake kijkt op: er hangt, tegen de muur, een wit tegeltje met een pictogram van een vrouwtje. Hij kent ze wel, ze hangen boven openbare toiletten en in restaurants. Er hangt maar één tegeltje. Hij kijkt haar niet-begrijpend aan.  'Jacob, ben jij een vrouw?' vraagt ze langzaam.  'Nee,' antwoordt hij ongemakkelijk. 'Wil je vrouw zijn, want ik dat geval kan ik het wel door de vingers zien.' 'Ook niet zo direct, mevrouw,' antwoordt hij naar waarheid.  'Ben je geboren als meisje, ook dat is een soort joker dezer dagen.' 'Nee.' Hij schudt zijn hoofd.  'In dat geval blijft deze deur dicht. Je kunt hier niet door.' Ze wijst opnieuw naar het tegeltje. 'Alleen voor vrouwen. Sorry, jongeman, ik kan je niet helpen, je moet terug en wachten tot die deur nog eens opengaat. Kan lang duren maar het gebeurt ooit wel één dezer weken, het is een vervelend steegje.' Ze neemt de balpen en schrijft, in grote donkere letters: AFGEKEURD op de daarvoor voorziene stippellijntjes. 'Hier, bijhouden.' Ze vouwt het blad keurig in vier en het steekt het hem toe. 'Ik wens je veel succes. Volgende!' Jake staat, met het blad in zijn handen, onwennig te dralen. Hij heeft het niet onaangename idee dat hij gewoon ergens in slaap is gevallen. 'Ik snap het niet.' 'Nee, waarschijnlijk niet. Mannen snappen het zelden,' komt het kortaf.  'Het?' Hij wil hier zo lang mogelijk blijven staan. De vrouw is onvriendelijk maar beter gezelschap dan wat daar op hem wacht. 'Deze tussenwegen zijn vluchtroutes voor vrouwen, ze zijn er in alle vervelende steegjes, donkere parkjes en doodse buurten. Wordt er een vrouw lastig gevallen, gaat de deur open. Het is geen vluchtroute voor mannen, want dan mist het opnieuw zijn doel, begrijp je dat?' Ze legt de balpen neer. Haar ogen zijn van het zuiverste groen als ze hem aan een onderzoekende blik ontwerpt. 'Je hebt je hemd verkeerd dichtgeknoopt en jouw rits staat open, Jacob.' Jakes hand schiet naar zijn kruis, hij voelt dat hij een kleur krijgt en hij sukkelt met de rits. Zijn handen trillen, de tranen branden achter zijn ogen maar vertikt het om hier een deuntje te janken, bij dat ouwe mens alleen maar omdat een vent... Ze kijkt hem strak aan. 'Juist, het kan misschien ook geen kwaad. Geef hier,' zucht ze, wijzend naar het blad. Ze scheurt het netjes in twee, neemt een nieuw en zet een zwierige handtekening. 'Ja, het is een klote gevoel, ik weet het,' glimlacht ze warm. 'Neem de deur.' 'De meisjesdeur?' 'Het is geen meisjesdeur, die deur is een deur, die beslist niet wanneer ze opengaat, ik beslis dat.' 'Ah, dank u, denk ik.'  'Er loopt hier achter mij een gang met veel deuren, ze hebben allemaal een kleur. Ik veronderstel dat jij naar de Grote Markt wil?' Jake veegt zijn neus af aan de rug van zijn hand en knikt. 'Je neemt dan de rode deur, dat is de zevende aan jouw rechterkant.' 'Dank u, mevrouw.' Hij neemt het blad aan, vouwt het dubbel en stopt het in zijn achterzak.  'En Jacob?' Ze tuit haar lippen. 'Ga niet naar huis, ik meen het. Zoek een vriend die je op dat uur uit bed mag bellen, vertel wat er gebeurd is en ga iets drinken, afgesproken?' 'Ja, mevrouw.' Achter haar klikt de deur uit het slot. Jake loert naar een identieke gang. 'En hij?' Hij wijst naar de duisternis. 'Iemand zal hem missen, of niet. Lig er maar niet wakker van. O, jongeman, leg nog maar een bos bloemen neer bij het beeld, ze redde jouw eer en waardigheid deze nacht. Het is een opmerkzame dame.' En de deur klikt dicht. Deur zeven is rood. Knalrood. Met een sleutel in het slot. Hij aarzelt niet, opent de deur en de frisse lucht waait hem tegemoet. Hij staat op de Grote Markt. Jake haalt diep adem, zoekt een nummer in zijn gsm en sluit dankbaar zijn ogen als na vier maal rinkelen wordt opgenomen. 'Jake, man, het is...' 'Ik weet het, ben je thuis?' Stilte. 'Huil je?' 'Nee.' 'Ik kom je halen, waar ben je?' 'Markt...' 'Geef me tien minuten. Ik ben daar... blijf maar praten. Ik moet mijn fiets halen. Wat is er gebeurd?' Jake haalt diep adem. 'Ik had een afspraakje,' begint hij en de misselijkheid neem geleidelijk wat af...      

Kat.
0 2

De Backpackersbijbel

Luid kreunend pakt ze de rugzak op met haar rechterhand en zwiert hem zo snel mogelijk op haar rug. Sarah maakt de gespen vast aan haar middel en springt een paar keer op en neer om te zorgen dat alles goed zit. Alsof het een Olympische sport is: rugzak heffen. De gouden medaille zal ze niet winnen, want na maanden onderweg kost het haar nog steeds een enorme moeite om het gedrocht onder controle te houden. Ze kijkt nog snel naar haar telefoon, neemt dan de kleinere rugzak die ze op haar buik draagt, en vertrekt. De zon staat hoog in de hemel en Sarah’s gehaaste passen door de brede laan vol verkeer en stinkende uitlaatgassen doen het zweet snel langs haar rug druppelen. Een groepje keuvelende senioren op een bankje kijkt zoals gewoonlijk op wanneer ze voorbij marcheert. Deze keer zal ze niet stoppen om hen te vertellen waar ze vandaan komt en hoe ze hier is terechtgekomen, maar beperkt ze zich tot een vriendelijke “buenas tardes, señores!” Als ze snel is, kan ze nog een horchata drinken voor ze de bus op moet. Met dat vooruitzicht versnelt ze haar pas nog wat, tot ze plots een boek ziet liggen op het trottoir. Niemand anders lijkt het op te merken, een dik exemplaar, maar met een kleurrijke kaft, dat kan geen bijbel zijn. Opnieuw gepaard met een luid gekreun, zakt Sarah door haar knieën en grijpt ze het boek. Shantaram, ook wel bekend als de bijbel voor backpackers. Ze streelt de kaft zachtjes… Achter zijn boek ziet ze enkel zijn donkergroene ogen, die erg geconcentreerd aan het lezen zijn. Ze probeert zich in te beelden hoe de rest van zijn gezicht eruit ziet, wanneer hij niet druk bezig is met deze kloefer. Af en toe kijkt ze uit het raampje en bestudeert ze het voorbijflitsende landschap, zodat het niet té erg opvalt. Terwijl ze de kaft van het boek bekijkt, staart hij plots recht in haar ogen. Uh-oh.“Have you read it?” Hij laat het boek zakken en glimlacht. Oh, wat een knapperd.“Sorry?” stamelt ze, nog niet klaar om te spreken. Ze doet haar oortjes uit.“The book, Shantaram, have you read it?” Oh waw, zelfs zijn ogen lachen mee.Ze beginnen een gesprek dat begint bij de protagonist van het boek, maar al snel overgaat in persoonlijke anekdotes en bekentenissen. Sarah voelt de vlinders haar hele lichaam overnemen. “Oh, you picked it up!”Verward kijkt Sarah een blond meisje met blauwe ogen aan. Die draagt een duur uitziende rugzak en is duidelijk minder zwaar beladen. Zeker een Duitse, die hebben altijd de beste spullen mee. Sarah glimlacht en geeft haar het boek terug.“ Don’t worry, I wasn’t going to keep it, read it already and it’s too heavy to hold on to.” Ook al weegt het 936 pagina’s tellende boek beduidend minder dan haar liefdesverdriet. 

Sietske
6 1

De rode nooddeur

Jake, doopnaam Jacob maar zo noemt niemand hem meer sinds zijn elfde, propt zijn handen diep in zijn broekzakken om te vermijden dat hij nogmaals op zijn uurwerk kijkt. Hij slaakt een diepe zucht en het dringt, na ruim veertig minuten wachten, wel door dat zijn afspraakje niet zal opduiken. Een jong koppel passeert hem rakelings, waarbij het meisje hem vol medeleven aankijkt. Het is dus zo duidelijk, denkt hij, terwijl zijn wangen rood kleuren van schaamte, dat zijn date er geen zin in heeft en hem hier laat staan. In het holst van de nacht, tegen het standbeeld geleund waar ze hadden afgesproken, vlakbij een café dat in de buurt bekend staat als 'licht marginaal'. Jake schudt de sombere gedachten van zich af, hij had, eerder op de avond ook geen grote verwachtingen gehad. Grote kans dat zijn vrienden hem vol leedvermaak in het oog houden, omdat hij hier als een verliefde gek staat te wachten op een meisje 'van het internet.' 'Ze bestaat waarschijnlijk niet eens,' prevelt hij tegen zichzelf. Hij voelt zich nu nog net iets dommer dan enkele seconden terug. Jake trekt zijn muts dieper over zijn oren, rommelt in zijn zak op zoek naar de sleutel van zijn fiets en geeft het op. Hij kijkt besluiteloos naar de bos rozen in zijn hand en legt ze dan maar bij de voet van het beeld. 'Alsjeblieft mevrouw, voor jou, je was het beste gezelschap deze avond. Sorry voor het klagen.' Het beeld kijkt, met neutrale blik, op hem neer. Met gebogen hoofd, ogen op de grond gericht en opgetrokken schouders, beent hij de straat uit. Voorbij de lege blikken van de indommelende mannen die tegen de muur zitten, langs het koppeltje van daarnet dat nu innig kussend tegen de gevel geplakt staat.  Zijn fiets mist een voorwiel. Jake heeft enkele seconden nodig om zich dit te realiseren: het beeld strookt niet met het beeld van een fiets, zoals het in zijn hoofd zit. 'Typisch,' mompelt hij, het sleuteltje van het fietsslot verdwijnt opnieuw in de broekzak. Hij kijkt links en rechts, aarzelt om iemand bellen maar kan zo niet onmiddellijk iemand verzinnen die hij onder ogen wil komen.  Een blauwtje lopen is nooit leuk. Een blauwtje lopen, bestolen worden en het dan nog eens allemaal moeten vertellen, nog minder. Dus hij besluit naar huis te wandelen, het is niet zo heel erg ver. Grote kans dat hij zich wat beter voelt na een nachtelijke wandeling, spreekt hij zichzelf moed in. Hij moet eerst doorheen een aantal gelijkaardige smalle straatjes, die straatjes waar je eigenlijk het best niet komt na een bepaald uur. Zo'n plekken waar het normaal is dat iemand je lastigvalt, maar als je nadien verontwaardigd je beklag doet bij vrienden, dan is het antwoord eenduidig: eigen schuld, je hebt daar niks te zoeken.  Jake stapt stevig door, probeert er niet uit te zien alsof zijn hart veel te snel klopt van zenuwen en ontwijkt, zoals voorgeschreven iedere vorm van oogcontact. Hij is het overvallen niet waard, spreekt hij zichzelf moed in, iedereen kan dat zien.  'Hé, schone jongen, kom eens hier.' Hij verkrampt, weigert achterom te kijken maar versnelt ook niet. Hij richt zijn blik op het einde van het straatje, daar is de grote winkelstraat. Daar zijn mensen. Gewone mensen, die op een zaterdagavond, gezellig iets zijn gaan drinken in een respectabel café. 'Hé, komaan, ik heb het tegen jou.' Achter hem versnellen de voetstappen wel. Jake wil rennen, maar dat zou belachelijk zijn, dus houdt hij zich in. 'Oh, doe nu niet zo,' fleemt de stem, vlakbij zijn schouder. Er wordt gegniffeld. Jake haalt diep adem. Hij draait zich, met een vriendelijk glimlach om.  'Avond, heren,' zegt hij beleefd waardoor beide mannen, oud genoeg om zijn vader te kunnen zijn en vast en zeker veel vuiler dan eerstgenoemde, hem wantrouwig aankijken.  Ze zetten een stapje achteruit. Ze keuren hem grondig, over de randen van hun brillen heen. Die twee zijn niet uit op zijn gsm of uurwerk, dringt het plots helder door. Een ijskoude druppel angstzweet loopt langs zijn ribben naar omlaag.  'Zozo,' krast er ene. 'Heb je geen meisje bij? Een schoon moksje, zo voor de gezelligheid.' 'Euh?' Jake kijkt hen één voor één aan. 'Nee.' Ze dragen elk een afgeleefd wit hemd en iets wat ooit een min of meer deftige broek was geweest. Hun kostuumvestje hangt nonchalant over hun schouders, aan één gekromde vinger.  'Jammer, een 'maske' was leuker geweest. Niks aan te doen, ze komen hier niet meer, de vrouwtjes. Geen idee waarom niet.' De man kijkt hem wellustig aan. 'Jij volstaat ook wel, ik doe wel mijn ogen dicht.' Ze schieten in de lach, alsof het de beste grap ter wereld is. Jake kan zijn oren niet geloven. 'Je hebt teveel gedronken, man, laat mij met rust.' Hij probeert zelfzeker te klinken en zet nog een stapje achteruit, richting veilige winkelstraat. Een spurtje van 25 meter haalt hij moeiteloos, denkt hij.  'Oh, nu niet gaan lopen, ik weet zeker dat je ons gezelschap zal waarderen. Breng de volgde keer jouw liefje mee, dan laten we je met rust.' Ze zijn minder dronken dan dat hij gehoopt had. En geoefend. Nog voor Jake uit de startblokken kan schieten, richting zijn veilige haven, grijpt een hand hem stevig bij de pols. Plots is hun lijfgeur heel dichtbij. Zijn hart hamert tegen zijn ribben, zo snel dat hij er misselijk van wordt. Nog voordat hij kan roepen, perst ene zijn hand voor Jakes mond. 'Stttt,' grinnikt de stem in zijn oor. 'Niet beginnen schreeuwen, dat verstoort de pret.' Jake spert zijn ogen wijd open van angst. Hij brult tegen de hand maar kan niet vermijden dat hij nauwelijks drie tellen later in identiek dezelfde positie tegen de muur geplakt staat als het meisje dat hij eerder op de avond kruiste. Het zweet stroomt langs zijn gezicht en hals.  'Laat me los!' De hand drukt steviger door. 'Klep dicht,' klinkt het bot. 'We willen geen pottenkijkers.' Jake werpt een wanhopige blik naar een voorbijkomende groepje. Ze kijken geschokt. 'Doorstappen,' snauwt een kerel. Ze maken zich snel uit de voeten. 'Nu is het alleen jij en wij, jongetje.' Hun gezichten worden scherp van opwinding en van iets wat hij niet herkent omdat hij het tot op heden nog nooit heeft gezien. 'Hmmmfffff!' schreeuwt hij in paniek.  'Hou op met dat gefriemel,' rommelt zijn belager, die tegelijk zijn gulp openrits en Jake hard tegen de muur duwt. Alle kleur trekt uit Jakes gezicht. 'Ik denk dat ie nog nooit zo'n voorstel heeft gekregen,' lacht de maat.  'Hmmmmmf! He...hmmmm!'  Jake blijft plots doodstil staan: ze trekken zijn muts van zijn hoofd, woelen door zijn haren en de kerel begint, zonder vragen, Jakes hemd open te knopen. De kille avondwind strijkt langs zijn huid en hij huivert intens. Hij perst zijn ogen stijf dicht. Vingers glijden van zijn borst naar zijn buik en richting de knoop van zijn jeans. De hand blijft, bijzonder vrijpostig op zijn kruis liggen en hij houdt zijn adem in. Hij piept van vernedering als de man de knoop van zijn broek losmaakt.  'La...me... Ik wil...niet!' perst hij naar buiten.  'Oh, komaan zeg, maak daar nu geen zo'n drama van. Dit duurt niet lang.' De man, die met zijn broek open, komt gevaarlijk dichterbij.  Jake slikt, niet in staat nog te bewegen. Zijn hele brein weigert om verder te denken dan de volgende seconde. 'Werk eens een beetje … wat was dat?' Het drietal blijft roerloos staan. Diegene die de wacht houdt, draait zich als gestoken om. Jake recht zijn rug, gaat op de toppen van zijn tenen staan en probeert, door de tranen van woede heen, over de schouder van de vent te kijken die met zijn hand reeds in Jakes broek zit. Hij spant zijn ogen in, het gele licht van de straatlampen maakt scherp zien moeilijk. De steeg is opgedeeld in gele en zwarte vlakken. 'Niks, een kat waarschijnlijk,' rommelt Stinkerd, plots nerveus gniffelend, waarop hij Jake opnieuw al zijn aandacht schenkt. Jake kijkt de man furieus aan, niet dat het veel helpt en die strijdlust smelt onmiddellijk als de vent opdringerig dichterbij komt, zich tegen hem aanschurkt en hem vervolgens kust.  'Hij heeft er geen zin in,' lacht de man vals. 'Vrouwen zijn makkelijker, ik zweer het. De vrouwtjes zijn dol op mij. Doe niet zo moeilijk, man.' Jake sluit, met een kreun van ellende, zijn ogen. Hij hoopt in de grond te zakken voordat die vent hem... 'Hé, wacht eens. Ik hoorde het weer.' De mond houdt op, ergens ter hoogte van Jakes navel en Jake opent één betraand oog. Zijn hart begint sneller te pompen, de kans dat het een maatje van deze heren is, is groter dan de kans dat iemand hem te hulp schiet. De man grijnst tegen zijn vel en kijkt naar hem op. Jakes maag trekt samen van de zenuwen en hij schuift instinctief zo ver mogelijk naar achter. Er drukt iets in zijn rug. Een deurknop. Hij kan zich geen deur herinneren maar dat maakt hem niet zo veel uit. Jake tast, met één oog op de vent gericht, achter zich en rommelt onhandig aan de deurknop. Ga open, ga alsjeblieft open, please, ga open, smeekt hij wanhopig.  KLIK De deurknop draait één keer mee en Jake, die zwaar tegen de deur aanleunt in een poging te ontsnappen aan de gretige handen, tuimelt achterwaarts, samen met zijn belager, naar binnen ...  

Kat.
2 2

De hond in de bar

Ik voel me als de hond op de grond. Uitgeput ligt hij neer, een poot te kort, mank en diep ademend. Het was veel, erg veel. De haren zweven over de vloer en verraden de tijd. Een wat oudere frêle dame komt langs en ziet hem liggen, ze heeft compassie, gaat door de knieën en streelt zijn blonde vacht, het dier hijgt diep. Ja, zoiets, zo voel ik me, alleen bukt er geen dame om me even te strelen. Ik sip wat aan m’n Alkmaarse Blonde, het lokaal gebrouwen bier dat men hier overvloedig serveert. Ik kom hier elke vakantie en voel me er thuis. Zeker in dit cafeetje met lekkers en volgestouwd met jaren tachtig objecten die te koop zijn, zoals een He-Man pop en een oude typemachine. De barvrouw, Senly, spreekt de knuffelende dame aan:“Oh, ik was je vergeten.”“Ach, ik zat hier bij hem, hem wat aandacht te geven, dat heeft hij graag.” De hond kreunt nog eens en hijgt hunkerend na als ze opstaat. De arme stakker. Ik zit achter mijn laptop en volg het gesprek. Focussen lukt nu toch niet meer, niet na een derde Blonde. Zij begint over de kat van de buren, die ook zoveel aandacht vraagt.“Ja, en ik was een tijdje vegetarisch,” popt de stem op van Olijfje, de dochter van de bazin, die iets verder zit en haar vriend aangeeft dat ze nu wel een stukje vlees lust. Hij glimlacht opgetogen. Ze banen zich weg, stoelen krassen over de vloer, getrippel naar boven.De kattendame doet alsof ze niets merkt en vervolgt haar verhaal.“Ik was heel goed met katten. Als ik naar school ging, gaf ik alle katten onderweg eten.”“Nou ik helemaal niet," antwoordt de cafébazin kortaf.“Nee, jij bent geen kattenmens.”“Het zegt me niets.”“Dat snap ik, katten zijn heel apart, net als ik.”“Ik vind ze vreselijk. Ik ben met katten opgegroeid en kreeg er huiduitslag van, maar mijn  moeder bleef ze binnenhalen. Ik moest er maar mee leren leven.” De dame zet zich aan tafel en staart voor zich uit.“Ik trek dat aan?”“Wat?”“Ja, zo.”“Van die dingen die aandacht vragen en je dan zomaar achterlaten wanneer ze er zin in hebben?”Ze knikt.“Net als bij mijn moeder.”  Het is even stil. “Nou, uh geef mij maar een deca, volgende week moet ik nieuwe medicijnen nemen en dan mag ik geen cafeïne meer, dan neem ik alleen nog cichorei met haverdrank.”  “Bah, vind ik vreselijk.”“Nou heerlijk vind ik dat.” Senly zet de koffiemachine aan en neemt vervolgens een pan die ze achteraan de toog op een elektrisch vuurtje zet, waarna ze olie, eieren, sojascheuten en tomaten bij elkaar gooit. “Nou bamboe, dat smaakt pas nergens naar.”“Ja, juist.” Een Franstalige muziekzender staat op en vult de leemtes in. Ze brengt haar de deca. De hond kijkt op naar zijn bazin. De geuren van tomaten, eieren en zoete gebakjes openen de neusgaten. Koffiemokken zijn opgestapeld. Mijn drank is op. Ik heb zin in een sigaar, dat is lang geleden. Neen, ik blijf ervan af. Mhh, toch echt wel zin in. Die fantasie keert af en toe terug. De geuren die doen herinneren aan leuke en minder leuke dingen. “Wat ruikt het hier lekker?” zeg ik spontaan. “Dat ben ik,” reageert Olijfje, wanneer ze de trap afdaalt die ergens naar de woonruimte boven het café leidt. Achter haar geen vriend te zien, alsof hij nog aan het bekomen is van de tonnen aandacht die het net kreeg, of moest geven. Met haar lange wimpers kijkt ze me glimlachend aan. Wat later gaat het alarm af.  “Dat is m’n peukie,” roept de dame die net in de deuropening is gaan staan met een sigaret. “Nou geen probleem, ik zet het wel af en blijf jij dan nog maar even buiten staan.” De sfeer is hier optimaal.  Het lijkt wel alsof ik bij mijn oma ben, in een huis uit een ver verleden, vol met oude dingen uit de jaren tachtig en mensen uit de buurt die hier om de haverklap binnenspringen en hun ei komen leggen. En als je te veel klaagt, moet je betalen. Zeuren kost hier 1,5 euro. De kattendame betaalde al veel fooi.

Bart Vermeer
21 0

Roodborstje

Hij had zich opgehangen aan een dik touw en hing stil in de grote hal. Zo te zien was Zijn nek gebroken. Zijn mooie pantalon vertoonde natte vlekken in Zijn kruisstreek. Haar blik had eerst Zijn schoenen gezien. Ze was niet geschrokken. Het touw was vastgemaakt aan de radiator op de overloop, die hing scheef uit de muur. Hij moest naar beneden gesprongen zijn. Terwijl ze zo naar Hem keek, zag ze in gedachten hoe Hij als een duiker op het muurtje moest gestaan hebben, en hoe Hij met Zijn duim en wijsvinger Zijn neus dicht hield, hoe Hij Zijn lippen opeenperste en Zijn ogen dichtkneep, alsof Hij in het zwembad in het diepe sprong om de bodem te raken. Hij had een blauw kostuum aangetrokken dat ze niet kende. Hij droeg twee stroppen: één kundig gemaakte van een dik jutte touw en een andere, goudkleurige zijden.  Hij hield niet eens van stropdassen, dacht ze, die gaven Hem het gevoel dat Hij stikte. Op Zijn  ivoorwitte hemd hing een slordig geschreven briefje.  Sorry Hou van je X Het was helemaal verkreukeld alsof Hij het eerst opgefrommeld had en daarna toch weer wilde gebruiken. Petra was net thuisgekomen van haar nachtshift. Het eerste licht van de dag streek door het grote raam, dat zich uitstrekte over de twee verdiepingen, naar binnen. Zijn lange schaduw verscheen tegen de muur. Ze voelde zich uitgeput en ging zitten op de koude zwarte tegels die Hij een paar maanden geleden zelf in de chape gelegd en ingewassen had. Ze had er wel eens aan gedacht wat ze zou doen als Hij er niet meer zou zijn, maar het enige wat ze over zich voelde komen, was die intense vermoeidheid. Ze schoof de deurmat dichterbij, legde haar hoofd op haar rugzakje en viel in slaap.  Toen ze een paar uur later wakker werd, stijf van de kille ondergrond, wist ze nog precies wat er gebeurd was. Het felle middaglicht deed Zijn blauwe kostuum blinken in de zon. Ze liep naar de keuken achteraan het huis, haalde een groot mes uit de lade en sneed het touw door. De radiator veerde gedeeltelijk terug op zijn plaats. Op de plaats waar het touw over het muurtje had gehangen was wat verf en pleister weg. Dat kreeg ze wel bijgewerkt. Beneden in de hal lag Hij met Zijn gezicht op de vloer, armen gestrekt naast Zijn lijf, de strop nog rond Zijn nek, een deel van het touw op zijn rug.  Ze borg het eindje touw dat nog aan de radiator hing en dat ze losgeknoopt had op in haar rugzakje. Het touw rond Zijn nek kreeg ze veel moeilijker los. Ze had geen plaats om met het mes achter het touw te geraken en sneed uiteindelijk met een zucht in het vlees van Zijn nek. Er sijpelde een klein beetje bloed uit de wonde, niet veel. Ze rolde Hem op Zijn rug wat door Zijn stijfheid verbazend makkelijk ging en keek Hem aan. Ze schikte Zijn kostuum en probeerde Zijn nek recht te leggen, maar dat ging niet. Ze trok het bloemetjesdonsdeken van het bed en drapeerde het over Zijn lichaam, duwde een kussen onder Zijn hoofd. Ze sloot de deur achter zich toen ze naar de keuken ging. Ze hield het mes even onder een waterstraal en legde het weer in de juiste lade. Ze draaide aan de knop van de radio.  Bob Marley & The Wailers. One Love.  Ze neuriede mee, nam een pannetje uit de kast onder het kookvuur, boter en twee eitjes uit de ijskast. Het brood was bijna op. Op het voederbankje in de pas aangelegde tuin zat een roodborstje dat elke andere vogel die dichterbij kwam, wegjoeg. De zon scheen. Het zou een mooie herfstdag worden, dacht ze. Fijn, dan kon ze een fietstochtje maken en op de terugweg even langs de bakker passeren.

Hans Van Ham
17 3