Lezen

Daar liggen we dan, boven op Emma

Mijn echtgenoot heeft een vriendinnetje. Emma heet ze. Tja, het zat eraan te komen. Het is ook wel een beetje mijn eigen schuld. Hij heeft me vaak genoeg benaderd en keer op keer wees ik hem af. Ik had er gewoon écht geen zin in. Sterker nog: ik voel er de laatste jaren geen enkele behoefte meer toe. In het begin van onze relatie trouwens nog wel, hoor. Toen ging ik er nog flink tegenaan. Meerdere keren per week. Nu kan ik me daar niets meer bij voorstellen. Maar ja, die beginjaren, hè. Dan doe je nog zotte dingen. Maar nu dus nog maar zelden. En zeker niet meer zo gepassioneerd. En dan kun je er natuurlijk de donder op zeggen dat je man het ergens anders gaat zoeken. Zó klassiek. Hij heeft haar tijdens een vergadering ontmoet. Ze hadden meteen een klik. En van het een kwam het ander. Voor hij het goed en wel besefte, bevonden ze zich samen in één ruimte. De fitnessruimte. O, had ik dat nog niet gezegd? Ze is zijn sportmaatje. Ik ben niet (meer) zo voor sport te porren. Zeker niet voor krachttraining. En dat is nu juist wat mijn echtgenoot en zijn sportvriendinnetje zo leuk vinden. Gelukkig vindt het contact vooral digitaal plaats – ze woont een paar landen verderop.Ze sturen elkaar hun trainingsschema’s en -resultaten door. Eerlijk gezegd moest ik er wel aan wennen, hoor. Mijn echtgenoot die zo intensief met een andere vrouw berichten uitwisselt. Als je zo onzeker bent als ik – iets met de hele lagereschooltijd gepest zijn – kan er wel eens wat lichte jaloezie de kop opsteken. En nu zijn we net een nieuw bed gaan uitzoeken. Er stond van alles in de showroom: bedden met een groot leren hoofdbord, luxe boxsprings, maar ook van die heerlijk ouderwetse metalen frames. Wij gingen echter voor een houten bed. Eigenlijk was er maar eentje bij waar we allebei enthousiast over waren. En dus is die het geworden. Er zit echter één nadeel aan: het bed heet Emma. Dat geloof je toch niet! Waarom moeten ze het bed dat ik mooi vind, nu uitgerekend Emma noemen, grr. Maar ik heb een oplossing bedacht, hoor. Om te voorkomen dat ik nare dromen krijg over de combinatie Emma-bed-mijn echtgenoot, heb ik besloten ons bed te herdopen. Ik twijfel nog tussen Brad (rijmt wel lekker op ‘bed’) en Thor.  

Vera's Column
8 0

Toastjes met kip curry

Het overkomt zelfs de meest ervaren klanten. Als een snelwandelaar een aantal keren de volledige supermarkt rondlopen, zeg maar vijfduizend stappen, en die laatste boodschap op je briefje blijft onvindbaar. Op het moment dat ik wanhopig, bijna zoals een man die zijn kinderen kwijt is in het pretpark, op zoek ga naar een verkoopster, spreekt een mevrouw me aan. Een collega-zoeker, zo blijkt. "Meneer, mag ik u wat vragen?", stelt ze meteen een vraag. Ik zeg niet dat ze me net al iets gevraagd heeft, maar ik antwoord bevestigend. "Weet u toevallig de toastjes liggen? Om kip curry op te doen." Nu zeg ik niet dat toeval niet bestaat, maar die heb ik net in mijn winkelkar gekieperd. Voor de paté die ik bij de slager gehaald heb. "Zeker", zeg ik. "Volgt u maar." Nadat de toastjes de weg naar haar winkelmandje gevonden hebben, vraagt ze of ze me nog iets mag vragen. "Zou u mijn winkelbriefje willen voorlezen? Ik heb het thuis met de loep geschreven en omwille van mijn slechtziendheid kan ik het nu niet lezen." Nu pas valt mijn oog op haar sterke bril. "Natuurlijk", zei ik. "Met plezier." Terwijl ik haar boodschappen voorlees, steekt ze telkens een vinger op en zegt ze 'ja' als het in haar winkelmandje ligt. Enkel de peperkoek heeft ze nog niet. "Die ligt helemaal achteraan, bij de koeken", zeg ik. Na een 'dank je wel' en een 'met plezier' vervolgt ze haar weg. Terwijl ik haar nakijk besef ik dat ik die uienkonfijt nog altijd moet zoeken. Dat was het laatste item van mijn boodschappenlijst. Een winkeljuffrouw neemt me mee naar de vaste plek van de uienkonfijt. Ik ben er minstens vijf keer gepasseerd. Dat zal je altijd zien, de rode uienkonfijt is uitverkocht. Had ik ook maar kip curry meegebracht.  

Rudi Lavreysen
22 1

Lengtes negen

Soms verloopt een dag helemaal anders dan dat ik hem voorspeld had. Ik wou tot negen uur slapen maar voor zeven uur werd ik al wakker gemaakt door geroep op straat en een draaiende dieselmotor voor de deur. Ik wist ineens dat het de verhuizers van de buurvrouw waren. En als er iets is dat ik ongelooflijk hard haat dan zijn dat voor niks draaiende dieselmotors, gast. Ik sleep me uit bed om het allemaal door een kier van de gordijn aan te staren. Alsof het dan zou willen ophouden, door mijn gestaar.Als ik de avond ervoor te veel gezopen heb dan is het alsof er zilvermeeuwen door mijn kop janken. Ik voel ze dan vliegen van mijn ene oor naar mijn andere en dan bijten die met hun scherpe gele bek in mijn trommelvliezen. Dit wordt zeker weer een dag waarin alles misloopt. In de badkamer begint het al. De tandenborstel gaat tegen de grond. Een barst in de behuizing en de batterij zit ineens los. Ze komt eruit tijdens het poetsen. Ik poets mijn tanden verder met mijn elektrische tandenborstel alsof het een gewone tandenborstel is.Wanneer ik op straat kom om naar mijn werk te vertrekken, zie ik Micheline, onze buurvrouw. Ze is klaar met verhuizen en nu verhuist zij voor goed naar een verzorgingshome. Ik knuffel haar en besef dat ze aan de laatste etappe van de ronde van haar leven gaat beginnen. Ze huilt. Bijna tien jaar waren we buren. Geen enkele keer hadden we ook maar enig dispuut over lawaai of een overhangende tak in de tuin. Nooit. Altijd heel goed overeen gekomen, moet ik zeggen. Deze kranige weduwe van bijna tachtig is een schat. En dat weet ze maar al te goed. Ze geeft nog wat chocolade voor de kinderen.‘We komen u zeker bezoeken.’ Maar terwijl ik het zeg, denk ik en wanneer zou dat dan zijn? Met ons drukke leven. Loze belofte. De volgende keer wanneer ik wat van haar hoor is het zeker met een zwart omkaderde envelop in onze brievenbus. Ze geeft me een kaartje met daarop haar nieuwe adres, e-mail en telefoonnummer.‘Ik zal u mailen,’ zeg ik dan. Dat moet kunnen. Ik mail toch heel de tijd op het werk. Ik ben een professionele mailer.

Peter Mmm Verreth
10 0

IJskoud

Mijn neus stond op het punt van mijn gezicht te vallen terwijl ik langzaam stappen zette in de meterhoge sneeuw. Ik kan het nog halen, blijf doorbijten. Mijn handen hingen voor mijn gezicht in een poging om de vallende sneeuw tegen te houden. Rond mij was alleen maar wit te zien. Ik wist zelfs niet of het dag of nacht was, zo lang had ik zitten rondwalen in de vergetelheid. Elke stap werd zwaarder, het zou niet lang meer duren tot ik op de grond zou vallen en zou doodvriezen. Verdomme, je kunt het. Er is nog hoop. Af en toe vloog er een sneeuwvlok tegen mijn gezicht. Ik keek voor mij en zag nog steeds de oneindige sneeuwvlakte. Ik zette nog steeds verder, de laarzen die ik aanhad voelden als stukken massief lood. Ik verwijderde mijn hand voor enkele seconden weg van mijn gezicht. Een rivier, die met een dikke laag ijs was bedekt, verscheen voor mijn ogen. Je moet door, een rivier betekent hoop. Ik zette steeds meer stappen totdat ik aan de rand van de rivier arriveerde. Onder het ijs zag ik het water idyllisch bewegen. Ik zette mijn linkervoet op de ijsvlakte. Het ijs voelde sterk aan. Ik verzamelde genoeg zelfvertrouwen om mijn rechtervoet ook op het ijs te zetten, het ijs voelde nog steeds stevig. Het gevoel in mijn handen begon te verdwijnen. Blijf… doorgaan. Het ijs die zich onder mij bevond zag er telkens waziger uit. Ik verwijderde mijn hand weer van mijn gezicht. Een gedaante stond aan de oever van de rivier. Is… het een persoon? Ik wandelde sneller over de dikke laag ijs. ‘Vreselijk weertje, niet?’ zei de gedaante toen ik dichtbij de oever stond. Ik knikte en keek de man recht in het gezicht aan. Shit nee, nee het kan niet waar zijn. De man trok een revolver uit zijn zak. ‘Blijf staan, tenzij je hier wil begraven worden natuurlijk.’ Zei hij koeltjes met een dreigende ondertoon. Ik draaide mij om, richting de andere oever en begon te rennen. Ik slierde uit over het gladde ijs. *beng* Er werd een schot gelost. De man had gemist, ik sprintte verder over de bevroren rivier. Ik hoorde hoe het ijs lichtjes kraakte toen de man mijn kant op kwam. Ik sprintte en hoorde mijn hartslag steeds sneller gaan. Het wordt mijn dood. Ik was de ijzige rivier overgerend en rende verder de dikke sneeuw in. Linkervoet, rechtervoet, linkervoet, rechtervoet… Ik rende nog steeds, ik wou stoppen maar kon niet. De man kon elk moment verschijnen, blijven rennen dus. Er is nog hoop. In de verte zag ik iets verschijnen in de dikke witte mist. Het was een hut, een schuilplek, veiligheid. Ik sprintte nu nog sneller dan voorheen. Zat de man nog achter mij aan? Ik durfde niet om te kijken maar concentreerde mij op de hut die zich voor mij bevond. Ik opende al snel de deur van de houten hut en wandelde naar binnen. Ik was uitgeput en kon eindelijk rusten. Dat dacht ik toch. De houten hut had amper meubels, apart van een zetel en een paar kasten. Het was pikdonker in het gebouw, ik kon geen licht maken. De man kon nog altijd achter mij aan zitten. Mijn ademhaling begon steeds op een langzamer ritme te komen. Ik wreef in m’n handen en ging in een zetel zitten. De hevige wind van buiten was door de volledige hut te horen. Ik hoorde het geluid van iemand die in de sneeuw ploeterde. Blijf rustig, verstop je. Ik deed een kast langzaam open om geen geluid te maken en kroop er zo snel mogelijk in. De deur kraakte terwijl het open ging. Het geluid van de wind werd sterker. Voetstappen, hij is terug, hou je adem in. De man scheen met een zaklamp door de hut. Het licht ging even langs de kast waarin ik me bevond. Hij liep richting een kast. De deuren gingen open. Blijf rustig… Hij had me nog niet gevonden, er was hoop. Verdomme, hij loopt mijn kant op. Het licht van de zaklamp scheen recht in mijn ogen door de spleten van de houten kast. De deuren kraakten terwijl hij ze opende. Hij keek me recht aan. Ik was sneller, ik liep recht op hem af en duwde zijn volledige lichaam op de grond. De zaklamp rolde over de grond terwijl het licht nog steeds door de kamer scheen. Ren verdomme, de deur uit! Ik sprintte richting de deur, terug de ijskoude buitenwereld in. Ik was weer terug bij de rivier, voetstappen achtervolgden mij in de mist. Hij had nog niet opgegeven, hij was zelfs furieus. De man stond dicht bij me, ik voelde het. Ik hoorde het geluid van het geweer, ik kon niet meer ontsnappen. Het geluid van het schot galmde door de mist. Was ik dood? De man viel op de grond.

Nova
3 0

Woensdag

Woensdag, dan ging het gebeuren. Het was alleen nog niet woensdag, het was voor die dag, voor D-day. Nou ja, een verhaaltje, laat ik maar beginnen… Ik herinnerde me nog dat ik een paar dagen voor die woensdag boodschappen was gaan doen. Wacht, dat interesseert je waarschijnlijk niet zo heel erg. Nou ja, even denken, wat was er zo belangrijk… Oh ja, ik herinner het me weer! Ik had me voorbereid, een geweer gekocht, een masker besteld. Ik was er helemaal klaar voor om het te doen. We hadden een paar dagen ervoor ook besloten om een laatste vergadering te houden, er was ten slotte veel planning nodig om zoiets te doen. Eigenlijk gebeurde er niet veel speciaals voor D-day. Laat ik daarom direct beginnen over woensdag. Het was geen normale woensdag, we liepen binnen in het gebouw, met onze maskers op en onze geweren in de hand. ‘IEDEREEN, OP DE GROND, NU!’. Een tiental stemmen begonnen te schreeuwen terwijl ik een M16A4 op hen richtte. Ik was alleen niet van plan om ze neer te schieten, zolang ze niets doms deden toch. Samen met een andere gemaskerde liep ik achter een balie, richting de kluis. Iemand van de groep had ervoor gezorgd dat hij de code had bemachtigd. Terwijl mijn gemaskerde collega de code invoerde, keek ik gestresseerd rond. Er was nog geen alarm geluid, de politie was nog niet onderweg, geen reden om te panikeren. De kluis ging open en honderden goudstaven blonken in het licht. Al snel begon ik mijn zak te vullen. Ik ging rijk zijn, ik zou nooit meer aan geld moeten denken. Toen brak de hel los, iemand had op het noodalarm gedrukt. Het zou niet lang meer duren voordat de politie zou arriveren. Ik besloot om nog een paar goudstaven weg te stoppen en snel te vertrekken. De andere gemaskerde overvallers volgden mij naar buiten terwijl we richting ons ontsnappingsvoertuig vluchtten. We liepen een steegje en zagen een busje wachten. Dat was onze manier van ontsnappen. Toen ik als laatste de zak met goudstaven in het busje laatste, gebeurde iets wat ik nooit zou vergeten. De andere gemaskerden stapten in het voertuig en lieten mij achter in het kleine straatje. Ik keek paniekerig om mij heen terwijl de sirenes van de politiewagens steeds dichter bij kwamen. Ik zette het op een rennen maar ontdekte al snel dat de politie mij omringde. Mij zouden ze niet in de gevangenis steken, nooit. Ik richtte mijn geweer maar de politieagenten waren sneller. Een schot werd gelost, bloed stroomde door het straatje.

Nova
1 0

Hoe Miranda Mira werd

Hoe Miranda Mira werd. Mijn naam is Miranda. Hier zit ik, in mijn vertrouwde betonnen iglo. Hier is alles veilig, ik ben wie ik ben, wie ik geacht word te zijn. De macht der gewoonte regeert. Ik vraag mij af wat er zich buitenshuis afspeelt. Mijn iglo heeft een (veel) te kleine opening, de uitgang. Ik zit in mijn doorzeten relax, ik zat er zo vaak dat hij niet meer comfortabel zit. De spieren in mijn rug smeken om een andere houding of op z’n minst om een minuscule beweging. Vanuit dit antiek meubelstuk staar ik naar de kabouterdeur. Ik mijmer. Zonnestralen sluipen binnen, ze banen zich een weg tot vlak voor mijn voeten. Ik word opgeschrikt uit mijn dagdroom. De zonnestralen kussen zachtjes de toppen van mijn tenen. Een warme gloed stroomt door mijn hele lichaam. De warmte trekt aan, ik wil naar buiten, ik wil verkennen wat er achter dat kleine deurtje zit. Ik sta op uit mijn zetel en tast met mijn voet door de deur. Ik voel niets. Ik doe mijn schoenen en kousen uit en tast opnieuw. Een milliseconde warmtegenot krijg ik cadeau, zomaar. Snel trek ik mijn voet terug binnen, bang om te verbranden. Snel duik ik terug in mijn zetel. Ik zit niet meer met hetzelfde gevoel in mijn zetel als voorheen. Ik heb geproefd van het zonlicht. Iets in mij wil meer. Ik sta weer op, ik ga weer zitten. Kleine kriebelbeestjes tussen het zetelkussen en mijn bilflanken verhinderen mij te blijven zitten. Ik beslis de zetel wat dichter naar de deuropening toe te schuiven. Zittend op de leuning denk ik aan de naam die mijn moeder mij gaf. Miranda…het doet mij spontaan denken aan een tafereel uit “Samson & Gert” met Octaaf De bolle zijn geliefde citaat: “Mijn Miranda zegt dat ook altijd”. Ik stel mij een huisvrouw voor die niet eens weet hoe je geld uit de muur moet halen. Waarom kon ik niet “MIRA” noemen, Mira betekent “verwonderlijk”, “buitengewoon”. Het woord “Mirakel” is er een afgeleide van. Ook de leuning blijkt niet gemakkelijk te zitten. Ik heb er genoeg van. Mijn betonnen iglo die altijd zo veilig en vertrouwd bleek te zijn, geeft me een benauwd gevoel. Mijn zetel deugt niet meer. Ik ben hem dankbaar voor alle mooie momenten, ’t was er ooit goed. Nu wil ik naar buiten, de zonnestralen hebben mij verleid. Ik hunker naar meer.   In mijn hoofd één en al verlangen, mijn lichaam verkrampt. Zou ik? Zou ik niet? Ik kijk rond in mijn Iglo en bedenk me dat het tijd is om hem te verlaten. Ik zet me recht en kruip als een slak met buikpijn naar buiten. Ik ga door een muur van steen, ik zet door. Ik wurm me doorheen de bakstenen. Nu en dan stokt mijn ademhaling, mijn lichaam trilt en zweet. Ik voel weerstand, de muur dreigt in te storten. Even voel ik mij genoodzaakt terug te kruipen naar mijn antiek meubelstuk. Uit het niets duiken er supporters op doorheen de voegen van de bakstenen, ze spreken mij toe: “Je kunt het”, “doorzetten”. Ik focus mij op mijn ademhaling en besluit niet terug te keren. Ik verzamel al mijn kracht en schuif verder. Een gordijn van steengruis gaat open op het einde van de uitdagende tocht. Trots stap ik er doorheen. Voor mij  zie ik een prachtig exotisch eiland. Mijn voeten worden warm, ik merk dat ik middenin het hete zand sta. Opnieuw wordt mijn hele lichaam overvallen door een warme gloed. Zandkorreltjes kriebelen tussen mijn tenen. Een glimlach verschijnt op mijn gezicht wanneer ik het exotisch paradijs aanschouw, dit bevindt zich dus achter de betonnen muur van mijn iglo. Hier wil ik blijven. Tegelijkertijd heb ik angst om te verdrinken in de golven en te verbranden door de zon die er zo fel schijnt. Daar zijn de supportertjes weer, ze springen uit het zand omhoog en spreken me toe met de woorden: “De golven zullen je veilig terug aan land brengen wanneer je kopje onder gaat, de palmbomen zullen schaduw bieden wanneer je dreigt te verbranden”. Een eilandbewoner stapt naar mij toe, “Hoe heet je vreemdeling?”. Trots antwoord ik: “Ik ben Mira.”   Irina V.G 15/01/2020

_Iri_
5 0

Glazen knikkers

Altijd is ze aanwezig. Ze houdt ervan zich te verkleden. Ze bezit twee prachtige gewaden die ze kriskras aantrekt. Wanneer zij  er zin in heeft. Soms draagt ze een smaragdgroen of robijnrood gewaad. Ze is dan getooid met wonderbaarlijke sieraden en draagt sprankelende make up. Haar haren glanzen dan in de zon en haar ogen fonkelen dan als sterren. Ze verleidt je om onbekende plekken te ontdekken, om de hoogste torens te beklimmen en om verre reizen te ondernemen.  Ze denkt met je mee en schrijft de wildste projecten uit. Ze zorgt ervoor dat je de wereld aankan. Ze smeedt plannen met je om met je te winkelen tot je je hele bankreking hebt geplunderd.  Maar je schittert, net als haar, met weelderige lokken, prachtige gewaden, en geurend naar de meest kostbare parfums. Ze tovert met jou de meest exotische en duurste wijnen op tafel.. 's Nachts trekt ze een zachte pyjama aan en vlijt ze zich tegen je aan in bed.  Ze vertelt je de spannendste en mooiste verhalen en kan je wel 10 nachten wakker houden. Onaangekondigd hult ze zich in een donkere cape. Waar vochtigheid en schimmel in zijn verweven. Ze sleept je mee in donkere riolen, en laat alle levensvreugde uit je stromen.  Ze schrijdt geruisloos door het huis, en maakt de wereld buiten angstaanjagend. Je kruipt onder jassen van de kapstok in de gang wanneer de deurbel bedreigend klinkt. Ze nestelt zich dan tegen je, en met handen en voeten zo koud als ijs doet ze je rillen van miserie. Ze sluit muisstil de weg af naar de badkamer en de keuken. Ze lacht je uit en hult je in een jas van stank en verrotting. Ze houdt mensen heel ver van je vandaan.  Aan het einde van de gang gebeurt het dat je een lichtje ziet. Daar wacht de Schitterende, de Stralende je weer op. De cirkel is dan rond. Ze zal je terug doen stralen. Wanneer ze echter beiden op mijn schouders zitten, zwijgen en meekijken, is er een moment van balans.  Dan voel ik me veilig. Ik voel hoe de feeën met glazen knikkers gooien. Zolang de knikkers in de lucht blijven, voel ik me rustig en hoef ik niets te vrezen. Wanneer er eentje dreigt te vallen, zoek ik welke fee me heeft verlaten en me genadeloos mee zal nemen naar het einde van de gang.    

Sophie Philips
5 1

Jeukende logica in station Zwolle

De trein naar Kampen nadert station Zwolle.Spoor 1. Ochtenddrukte. Ongeduldig dromt het forenzenvolkje samen bij de toegang naar de tunnel. Voorspelbare maneuvers. Een handdruk, een schouderklop, een schaarse glimlach, gerantsoeneerde hoffelijkheid.Max heeft zijn vaste plek op het perron. Hij kijkt naar links, staart voor zich uit, buigt het hoofd, slaat een vlieg weg. Max verstaat de officiële mededelingen niet. Ook de excuses gaan aan hem voorbij. Max wacht, ondergaat gelaten de commotie. Spoor 2. Met misplaatste fierheid arriveert de verlate trein naar Kampen. Max aarzelt, zijn brein verliest het contact met zijn lijf. Perfect getimed voert hij het foute plan uit. Hij doet een stap achteruit en werpt zich vooruit, op het spoor. Spoor 1 welteverstaan. Lang voor Max begrijpt wat er gebeurt, is de trein naar Kampen al jammerend tot stilstand gekomen. Op spoor 2.De logica van verlaat spoorverkeer lijkt zowel hard als mededogend. Door een enkele welgemikte wissel loopt Max de stroom aan herinneringen mis die uitbarst net voor een zelfgekozen levenseinde. Niemand ziet hoe tragikomisch het allemaal is. De reizigers op spoor 2 zijn danig druk met de instapprocedure die hen de optimale plek moet opleveren. Daarin is geen plaats voor een pony die een uiltje wil gaan knappen. Haast theatraal nota bene. En op spoor 1. Max krabbelt recht. Met lillende achterhand wandelt hij naar de voorkant van het stilstaande treinstel op spoor 2. Daar vlijt hij zich neer voor de locomotief. In een suïcidale rationaliteit is dat een dood spoor maar zelfs een pony begrijpt instinctief dat arrogantie in dit geval noodzakelijk is om gezichtsverlies te vermijden. Of is de frisse appel waarmee een jozef hem op het perron lokt meer dan een detail in Max’ enigmatische joie de vivre?Trouw aan het ongeschreven scenario volgt Max het perron in noordelijke richting. Bijna kegelt hij een late reiziger om die zijn frustratie wegbalkt. ‘Wat vreet die trein naar Kampen uit op spoor 2? Lopen er alweer lompe pony’s op de sporen?’ Op spoor 2 vertrekt de trein. Aan de hand van hun moeder wuiven twee hummels naar de vader van de jongste die voor onbepaalde tijd verdwijnt. Haar oudste staat al aan de snoepautomaat. De late reiziger interpelleert de jozef van de appel. Max verlaat het toneel. De natuurlijke antioxidanten uit de appel werken gunstig in op zijn dopamine. Station Zwolle blijft er onbewogen bij. Op het rangeerterrein naast het station staat wat afgedankt rollend materieel te suffen in een verlegen lentezonnetje. Naast de derde wagon in het roestende rijtje zoekt Max zijn plekje. Er resulteert esthetische spanning uit de confrontatie van de dominante horizontaliteit van het spoorrijtuig met de verticale lijnen van vervagende graffiti. Bij een artistieke pony als Max wekt dat emotioneel onbehagen op. Kauwend ontwaart hij in een kwintet hoekige maar sierlijke letters de naam van zijn geliefde. Kassy.Vele appels geleden, om 17u07, liet Kassy het leven bij een aanrijding door de trein van 17u07 naar Kampen. Spoor 1. Zij was die keer eerst gesprongen.‘Kassy’, zucht Max. Wat later hijst Max zich recht en gaat op weg, richting spoor 4.In station Zwolle brengt hij routineus zijn schijnbaar onvoltooide sterfscène terwijl de – verlate – trein naar Deventer gewillig meespeelt op spoor 3. Zolang het spoorverkeer netjes wordt ontregeld door omvallende bomen, wateroverlast of een overvloed aan reizigers, levert dat Max met de regelmaat van een stationsklok een heerlijke appel op.

bart e. g. vinck
4 0

Waar ben ik aan gehecht?

Mijn woonkamer is gelegen op de derde verdieping. Geen lift dus neem ik de trap. Die is van steen. Geen tapijt want een tapijt zou wijzen op welstand en dat standje ken ik niet. Als ik de voordeur van mijn appartement bereik zie ik meteen dat er iets niet klopt. Wat klopt hier niet? Er is iets mis met het slot. Ik zie dat er iets mis is met het goedkope slot. Op het matje ligt een donker ding. Ik buk me, raap het op, kijk nog eens naar het slot. Wat in mijn hand ligt is er een onderdeel van! Heel veel denkvermogen heb ik niet nodig om te beseffen dat het slot geforceerd werd. Is het zo? Het is inderdaad zo! Het luidruchtig kloppen van mijn hart maakt me zenuwachtig. Ik probeer het te kalmeren. Met de ene hand open ik de deur, met mijn andere maak ik een denkbeeldige vuist. Er zijn slechts twee stappen nodig; een, twee. Ik zet ze. Stoere stappen richting woonkamer. En dan zie ik hem. Hij ziet mij. Hij schrikt, ik ook. 'Wat doe jij hier?' De nadruk ligt op JIJ! De JIJ van een vijand. De JIJ van een belager, een indringer, een schoft! Hij zegt niets, ik loop naar buiten, weg uit mijn eigen woning. De treden lijken me te helpen bij het wegrennen; ze geven de bal van mijn rechtervoet een duwtje, de hiel volgt, de andere bal een duwtje, de andere hiel volgt. Meteen sta ik terug op het trottoir. Ren de rijweg over, oef, er reden geen auto's in volle snelheid voorbij. Ik duik de bloemenzaak binnen.  'Een telefoon! Nu! Geef me een telefoon!' Op de agenten hoef ik niet lang te wachten. Ze brengen mijn gedachten terug naar de inbreker, staat hij nog steeds in mijn woonkamer, zoekend in mijn kasten naar waardevolle spullen? Naar geld? Zal hij iets stelen waar ik gehecht aan ben? Waar ben ik aan gehecht?    

Ingrid Strobbe
4 0

Stemmen

Anna vlucht naar buiten, weg van de schreeuwende stilte in haar nieuwe studio, waar ze enkel met de stemmen in haar hoofd kan praten. Op straat is het gezellig druk. Marktkramers prijzen hun waren aan. Sappige dialecten stromen samen, krokante appels aan zachte prijzen, de kracht van de herhaling. Het zonnetje schijnt, mensen houden graag halt voor een praatje. Het nieuws verspreidt zich als een lopend vuurtje tussen de kramen: actrice Laura Peeters is gisteren overleden. Anna en Laura waren vriendinnen. Ze groeiden op in de schoot van hetzelfde polderdorp, een vergeten stipje op een vergeelde landkaart. Ze ontwikkelden elk hun eigen strategie om de wereld buiten het dorp te ontdekken, om uit te breken. Taal was hun geliefkoosde wapen. Anna had oneindig veel vragen, de antwoorden zocht ze in boeken, later begon ze al schrijvend ook haar eigen antwoorden te formuleren. Laura was voorbestemd om actrice te worden. De wereld was haar podium, ze speelde altijd, verstopte zich voortdurend achter een masker van drama en mimiek.   Op de dag van de begrafenis keert Anna terug naar het dorp. Laura’s ouders wilden afscheid nemen van hun dochter in intieme kring. Het is meteen duidelijk dat niet iedereen dat begrepen heeft. Anna ziet journalisten en huilende fans. Ze vraagt zich af of zij hier wél op haar plaats is. Haar ogen glijden over het dorpsplein, op zoek naar één gezicht, met ogen als donkere parels. Het dorp uit Anna’s jeugd was onverzettelijk en hardleers, een brokje onvervalste authenticiteit dat zich nu finaal lijkt over te geven aan de Vlaamse verkavelingswoede. Haar leven onder de kerktoren speelde zich af in een klein, gesloten kringetje: haar ouders, broers, grootouders. En Laura, Samuel en Oskar. Anna en haar vrienden waren even oud en op elkaar aangewezen. Ze hadden de ruimte om samen jong te zijn. Maar in hun tienerjaren werd het dorp plots te klein, te benauwd, ze verlangden naar de onbegrensde mogelijkheden van de stad. Ze hadden grote dromen, maar het dorp en hun jeugd konden ze niet zomaar loslaten.   De terugkeer naar het dorp is een stap terug in het verleden. De tijd verglijdt, samen met gemiste kansen en zachte leugens. Anna glijdt langzaam mee. Onvermijdelijk komt ze bij Samuel en Oskar terecht. De jongens uit haar jeugd zijn uitgegroeid tot succesvolle jonge mannen. Oskar heeft net zijn eigen IT-bedrijf opgericht, Samuel is chef-kok in een hoog aangeschreven restaurant. Ze omhelst haar vrienden, zoekt troost in hun vertrouwde stemmen, vergeving in hun vochtige ogen. Anna en Laura deelden alles, van hun diepste geheimen tot de liefde voor dezelfde jongen. Samuel viel eerst voor de excentrieke, wilde schoonheid van Laura. Later zocht hij toenadering tot de bedachtzame Anna. Er ontstond een bijzondere, kwetsbare vriendschap, voortdurend bedreigd door het gif van de jaloezie. Uiteindelijk koos Samuel voor een meisje uit de stad.  Anna probeerde haar verdriet te overwinnen met haar pen, ze vertrouwde op de kracht van de verbeelding. Ze rukte zich los uit de klauwen van het dorp en zocht lang naar haar eigen stem. Laura verdoofde de pijn, ze vluchtte in haar werk, in drank en pillen, in de armen van foute mannen en uiteindelijk in de dood. De dienst is voorbij. Oskar vraagt om hem te vergezellen naar het enige café in het dorp. Hij bestelt drie glazen witte wijn, de favoriete drank van Laura. De tv staat aan, er worden beelden getoond van hun vriendin. Ze was te zien in verschillende televisiereeksen en op het witte doek. Ze speelde altijd zeer intense rollen. Ze speelde zoals ze leefde, vol overgave, zonder compromissen. De drie overblijvers klinken op Laura. Haar glinsterende ogen vullen het scherm, ze knipoogt naar hen.

Ine Moreels
0 0

De echo van een lach

Dit is mijn lievelingsplek en niet de nieuwe, hippe wassalons in de stad. Badend in het witte licht van de tl-lampen, adem ik diep in en kijk ik naar mijn kleren, waar eerder leven in zat, nu veilig in de trommel geborgen. De machines blinken tegen de wanden van wit plastic. Twee allochtone vrouwen komen binnen gefladderd met een grote lege wasmand tussen hen in. De zolen van hun schoenen zijn afgesleten en het leer is dof geworden aan de punten. Samen halen ze de grote droogtrommel leeg en wiegen de veelkleurige dekens en lakens in hun armen naar de plooitafel. Ze maken perfect rechte stapels van de roze handdoeken, rond aan de zijden, zacht verend als je er je handen op drukt. Ik wil de was altijd in zakken proppen en in bergen weer uitkappen, ik weet niet waarom. Is je volwassen leven alleen maar een echo van de rituelen uit je kindertijd? Ik overweeg om straks nieuwe schoenen te gaan kopen. Een huis vol schone was, beddenlakens die ruiken naar violetjes, het was tijd voor de volgende stap: blinkende schoenen. Het mensdom in deze stad kan je opdelen in twee grote groepen die zich voortbewegen in totaal verschillende supermarkten. In de Aldi dragen zowel de mannen als vrouwen afgedragen of vuile schoenen. Als je de Delhaize doorkruist met je blik naar de grond gericht, zie je alleen maar perfect schone exemplaren. Een luide klik kondigt de volgende stap in het wasprogramma aan. Mijn kleren draaien en schuimen geruststellend. Een blanke, oudere man stapt aarzelend het wassalon binnen, met een klein zakje was. Hij neemt de wasmachine die het dichtst bij de uitgang staat en begint te proppen. Nadien gaat hij gebogen zitten in de grijze plastic stoel, zijn opgezette buik zit daarbij een beetje in de weg. De grijze haarbos is perfect gekamd in golfjes. Een luide, heldere lach betovert het wassalon. Hier wordt niet vaak gelachen. De twee vrouwen giechelen en praten met elkaar. Het gesprek kabbelt vrolijk voort zonder hindernissen, terwijl ze met grote gebaren de lakens opvouwen. De punten van het laken verbinden hen als één wezen dat lacht en wappert. De oudere man tilt zijn hoofd op en kijkt hen met een verbeten blik kwaad aan. Zijn ogen staan waterig en zijn gezicht is bleek en rood tegelijk. Ik zie hoe het gelach aanzwelt in zijn hoofd, hoe hij helemaal verstart, blokkeert. Denkt hij dat ze met hem lachen? Hij richt zijn blik op mij, ik lees het misprijzen op zijn gezicht voor zoveel onverbloemde innigheid tussen deze twee vrouwen, het slaat naar binnen bij hem, het is ontstellend, hoe alleen hij is. Hij is hier de vreemde. Ik wend mijn blik af. De vrouwen kijken rond of ze niets vergeten zijn. De man kookt nu bijna van woede. Hij klemt zijn kaken op elkaar, kijkt hen strak aan. Ze lijken hem niet te zien, hij wordt snijdend over het hoofd gezien. Ik glimlach de vrouwen toe. De molligste vangt mijn lach en knikt een tikje verbaasd maar vriendelijk terug. Ze laat de mand even uit haar handen glijden en de perfect gevouwen toren van was dreigt om te vallen. Ik schiet naar voren en druk mijn hand op de stapel handdoeken. De vrouwen verlaten taterend het wassalon. Hun lach tolt rond in mijn hoofd als een echo. De man is een boze kikker nu. Zijn ogen staan wijd, ze vormen bolle, witte knikkers. Als ik naar de deur stap, vastbesloten hem te negeren, zie ik ineens zijn schoenen. Ze lijken wel vergroeid met zijn voeten, zo oud zijn ze. Het bruine leer is helemaal verweerd, de punten zijn wit afgesleten, de veters uitgerafeld. Ze zijn in geen honderd jaar gepoetst. Ik kijk hem aan en glimlach bij het naar buiten gaan. Ik zie hoe zijn mond in een glimlach breekt, zijn ogen ineens zacht worden, een ingehouden adem die eindelijk ontsnapt. De kikker wordt een trieste, oude, lieve prins. Als ik voorbij het raam loop, kijkt hij me nog lang na. 

Annika Cannaerts
14 0

Klimmen voor de echo

We moeten nog ver klimmen, zie ik als ik naar boven kijk. Het zweet op mijn voorhoofd en de krampen in mijn benen vertellen mij dat ik meer had moeten oefenen. Frederik hangt onder mij, voor hem is dit de eerste keer op een grote berg. Sam en Veerle zijn al bijna op de top, het was hun idee om deze vakantie opnieuw te klimmen, zoals vorig jaar. De stilte onder mij baart mij zorgen. ‘Alles in orde, Frederik?’ roep ik naar beneden. ‘Ja hoor, Erika,’ klinkt het, veel stiller. Ik hoor zijn pikkel steeds weer in de bergwand slaan, minder snel dan mijn tempo. Na een paar keer beslis ik ook minder snel te gaan, om Frederik niet achter te laten, maar ook om mijn benen meer rust te gunnen. Boven mij zie ik alleen nog de voeten van Sam en Veerle, de bergwand gaat steeds minder steil, nog even volhouden. Ze roepen iets naar beneden, klinken enthousiast. Ik versta er niets van en roep: ‘Wat zeggen jullie?’ ‘We zijn er!’ herhalen ze tegelijk. Ik roep een zwakke ‘Super!’ terug terwijl ik afzie met de laatste loodjes. Frederik is intussen iets dichter geraakt, we klimmen aan hetzelfde tempo verder. ‘Wij zijn er ook bijna,’ zeg ik, om hem moed in te spreken. ‘Goed, ik kan niet wachten op de echo die Sam heeft beloofd.’ Dat is waar, Sam beloofde hem de heftigste echo die hij ooit al gehoord had, het zou niets zijn vergeleken met de echo op de kleinere bergen. Na een minuut of vier – de langste minuten, naar mijn gevoel – halen wij ook de top. Sam en Veerle zitten in kleermakerszit te wachten en iets te eten. ‘Smakelijk,’ zeg ik, uitgeput. ‘Dankjewel, en proficiat, jullie hebben dat goed gedaan,’ zegt Sam. Ik glimlach, Frederik ademt hardop, hij heeft het even gehad met al dat klimmen. Sam en Veerle staan op en wachten tot we bij hen zijn. ‘Kom, we gaan naar die rand, daar hoor je de echo het beste,’ zegt Sam, wijzend naar rechts. We lopen samen naar het panorama van bergtoppen en kijken rond. ‘Hallo!’ roept Sam naar de andere bergen. Hij krijgt meermaals antwoord van zichzelf, tot zijn stem stiller en stiller wordt en verdwijnt. Frederik roept hetzelfde, hij luistert gretig naar de luide echo van zijn stem. Ze geven elkaar een high five, Sam had gelijk, ik zie het Frederik zo denken. ‘Ze lijken wel twee jongens van twaalf,’ zegt Veerle geamuseerd. Ik knik, het is echt zo. Voor ons is dit niet de eerste keer op deze berg, we kennen hem al, net als de echo. Maar het was opnieuw de moeite waard om zo hoog te klimmen, alleen al voor het zicht. Ik denk dat Frederik de volgende keer wat sneller zal zijn. Nee, daar ben ik zeker van.

Ruben Bultinck
1 0

Hou jezelf levend

'Dat is dan 78 euro alstublieft.' zij een vrouw aan de kassa. De man haalde zijn portemonnee boven en stopte zijn creditcard in de gleuf van het apparaat. De zaken, die hij zojuist had gekocht, stopte hij in een zak. Al snel was hij de winkel uit. Hij liep over de parkeerplaats richting zijn auto. Hij nam zijn sleutels uit zijn zakken toen hij voor een Ford Mustang stond. Net voor hij wou vertrekken, werd hij gebeld. Hij hield zijn gsm vast nadat hij had opgenomen. Voor een tiental seconden hoorde hij niets 'Met wie spreek ik?' vroeg de man met de gsm nog steeds in zijn hand. 'Hou jezelf levend' zei een koelbloedige stem die duidelijk vervormd werd. Hij begreep niet wat dat te betekenen had, de man vroeg voor een tweede keer met wie hij sprak. De stem antwoordde niet op zijn vraag maar zei weer 'Hou jezelf levend.' 'Waar gaat dit over? Is dit een soort grap?' zei de man met een stem die nerveuzer begon te klinken. De stem waarschuwde dat het nog 1 minuut zou duren. Hij had alleen geen idee wat er dan te gebeuren stond. 'IK HEB VERDOMME GEEN ZIN IN GRAPJES!' Zei de man uiteindelijk nadat hij er genoeg van had. 'Waar gaat dit eigenlijk over?!' probeerde hij daarna, iets rustiger, te vragen. De stem antwoordde niet meer en al snel hoorde hij hoe de lijn was toegelegd. Hij keek naar de digitale klok op zijn gsm, het was half vier in de namiddag, klaarlichte dag. Wat kon er hem gebeuren? Niets, toch? Het was waarschijnlijk een grappenmaker, althans dat hoopte de man. Nog even wachten dan is de minuut voorbij, dan kon hij rustig naar huis. De minuut leek een eeuwigheid te duren. De man keek steeds nerveus rond zich, met de gedachte dat iemand hem zou vermoorden. Hij moest er weg, volgens hem was het de gevaarlijkste parkeerplaats van het land. Met handen die vol zaten met zweet, nam hij zijn autosleutels vast. Hij keek in een spiegel van zijn auto en zag een man steeds dichter bij de auto stappen. Het zag er geen normale man uit want al van ver was te zien hoe zijn halve gezicht bedekt was met brandwonden. Door de andere helft van het gezicht van de man, die steeds dichter kwam, liep een groot litteken. Hij was nu zo erg in paniek dat het hem de grootste moeite kostte om de auto te startten met de auto. De vreemde man was nu enkele meters van zijn auto verwijderd. Het was duidelijk dat hij richting de Ford Mustang liep. Nu pas merkte hij dat de man, die steeds dichter kwam, een hakbijl in zijn handen had. De auto was gestart, gelukkig. Hij had zelden zo graag weg willen gaan van een parking. Nadat hij de normale weg terug was opgereden, draaide hij een andere straat in. Hij stopte meteen zijn auto toen een man voor de Ford Mustang stond. De man liep richting het raam van de auto, die zich aan de kant van de bestuurder bevond. De man tikte met zijn hand op het raam. Hij wist wat hij wou, zijn tijd was gekomen. Hij opende het raam met zijn linkerhand. De man met de bijl leunde op de auto. 'Angst voor parkings?' vroeg de man iets té luchtig.

Nova
4 0

In alle eerlijkheid

Het is zover. Ik heb er eentje. Onze oudste confronteerde me er mee. We waren een dag gelijk op pad en hij hoorde het iets te vaak. "Pa, stop daar eens mee", zei hij. "Je zegt het bijna na elke zin." Het was me wel eens opgevallen, maar dat het zo erg was, wist ik niet in alle eerlijkheid. Kijk, daar is het opnieuw. Mijn stopwoord: 'In alle eerlijkheid'. Ik had nooit gedacht dat ik iemand zou zijn met een stopwoord. Om de paar zinnen komt het er automatisch uit. Zoals de koekoek elk uur uit zijn koekoeksklok springt. Het is klokvast. Het moet eruit. Ik kan het niet meer controleren. Ik heb voor de aardigheid enkele zinnen genoteerd. Zinnen waarin het bijna automatisch voorkomt. "Er is in alle eerlijkheid niks met een portie bitterballen.” "Ik proef het verschil ook niet in alle eerlijkheid." "Ik snap dat wel in alle eerlijkheid." Dat zijn er nog maar drie, maar u snapt mijn probleem. Het is alles bij elkaar een gek ding. Soms betrap ik er mezelf andermaal op dat 'in alle eerlijkheid' uit mijn mond komt en dan begin ik te vloeken. Dan lijkt het alsof ik het syndroom van Gilles de la Tourette heb. Nee, er moet iets aan gedaan worden. Voor je het weet gaat het zijn eigen leven leiden en beginnen de mensen je een naam te geven. Zoals bij mijn kennis de Wittewel.   Het goede nieuws is dat ik in de eerste fase van mijn probleem zit. De herkenningsgfase. Ik ben me bewust van mijn probleem. Een zelfhulporganisatie is daarom geen slecht idee. Maar die zal wellicht nog niet bestaan voor mensen met deze aandoening of stoornis. Wat denkt u bijvoorbeeld van de Storende Stopwoordgebruikers? Al is de afkorting daarvan in alle eerlijkheid niet het beste idee.  

Rudi Lavreysen
19 1

Anita gaat vreemd

Anita gaat vreemd. Haar minnaar woont om de hoek. Het is de buurman die nu en dan haar wederhelft bezoekt. Dan kijken de mannen samen voetbal en lachen ze met vrouwen. Ook met haar. Maar: als de kat van huis is, danst Anita rond hém heen. De 'gelukkige' minnaar heet Willy, een naam die klinkt als een klepel van een te traag tikkende klok. Tik... tok. Toch is hij een snelle man, een turbo die niet stilvallen kan. Willy is de match die haar licht ontvlambare lijf doet branden. Grommend als een wilde beer stort hij zich op haar. In ruil zet zij haar tanden in zijn weelderig begroeide torso. Maar soms… Soms voelt ze de drang eens goed door te bijten. Hem pijn te doen, genadeloos af te maken. Naast zijn zweet en zoutig vel zijn bloed te proeven. Zijn ribben te doorboren met een stomp maar krachtig voorwerp. Zijn ogen dicht te schroeien met vuur of één of ander bijtend zuur.   Het is het sluimerende, plots opduikende schuldgevoel dat haar tot zulke waanzinnige gedachten drijft. Ze wordt boosaardig en tegelijk zo teder, zo lief dat ze niet weet of ze moet schreeuwen, hem verscheuren of simpelweg beminnen. Haar lijf davert, haar poriën openen, haar stem gromt. Zo grommen ze samen: hij van opwinding, zij van verwarring, kwaadaardigheid.   Willy weet niet wat het is, bedriegen, hij staat met zijn alleenstaande-status aan de andere kant. Daar waar het niet pijn doet, daar waar het schone leven heerst van cadeaus en saunabeurten. Ze wil het hem inpeperen, kerven in zijn rode, door haar doodgebeten vlees. Tegelijkertijd moét ze hem waarschuwen. Scheer je weg, vlucht voor ik je genot bezorgende lichaam in stukken snijd en in een fondue van chocolade en vruchten dompel. Ach Willy, ga weg!     Maar Willy blijft. Leest enkel liefde op haar schuldbewuste gelaat. Hij voelt geen haat. Hoopt dat ze haar man voorgoed verlaat. Dat die straks in de deuropening staat, hen betrapt tijdens de daad. Anita wil dat hij gaat. Maar hij blijft en zegt “grrr”. Zij gromt “grrr”.  

mme evil
57 3

Borderline ontmoetingen op donderdagavond - partje II

Wat ik hem nog wou vragen, achteraf, na de fles, na de drankzucht, na de gedachtenleegte van de roes, na veel gestrompel en oude wijven om thuis te komen: "Dirk, jong, mocht je een botanist zijn, verantwoordelijk voor 1.000 exotische bomen in een serre, zou je dan ook bepaalde takken beknot houden en slechts een aantal laten bloeien, zoals je doet met je persoonlijkheid, omdat je vreugde schept binnen de beknotting, binnen het idee dat je een zekere af-heid kan creëren, een zekere controle over de paar takken die je laat groeien? Is dat je antwoord op moeilijke vragen zoals Hoe kan een mens gelukkig zijn? Door je visie op geluk zo beperkt mogelijk te houden? Dan is het vingerhoedje snel gevuld.""Dan ben je snel content! Het geluk van onder de stolp, met het risico dat de lucht bedompt en zelfs giftig wordt.""Waarom hou je je verweg van zovele onderwerpen? Omdat ze resoneren vanuit je praktijk en je vreest dat het paden zijn naar psychische ziekten? En jij wil de massa opvoeden!? Een bange man in het diepste van je gedachten. Bang dat je eigenlijk geen antwoorden hebt en de lauwe saus zal moeten serveren terwijl deze al koud geworden is.  Gelukkig zijn er de massa's die nog liever de koude gestolde pudding voor lief nemen dan het Niets dat meestal hun deel is."Mensen vinden de weg niet naar het geluk omdat hen een vals geluk wordt voorgehouden. Het geluk van den teevee, van de reclame, sociale media, noem maar op. Het valse geluk van het bezitten van dingen, het streven naar onrealistische doelen. Terwijl het geluk een hier-en-nu-gevoel is. Eén helder moment kan al voldoende zijn, één ogenblik waarop je beseft dat je dat ene doel waaraan je voortdurend werkt, ook effectief kan bereiken; dat je van een miserabele job kan overstappen naar een leuke als je maar de inspanning neemt om er naar op zoek te gaan; dat je dat ene meisje/die jongen wel zal vinden die alles voor je zal veranderen, die bij je past zoals een handschoen past. Het geluk is niet verweg, het is daar, telkens als je luistert naar jezelf, naar je eigen diepste opwellingen én ernaar handelt! Dan zal elke daad die hieruit voortspruit, begeleid gaan met een streepje geluk, een vreugdevol moment. Elke verbetering van jezelf krijgt een applaus vanuit jezelf! Wie wil dat niet!? De levengevende stroom welt op vanuit het binnenste. Maak de weg zelf vrij!

Dan Fauré
12 0

De echo van het wassende water.

Na een seizoen zwemmen in de zwemvijver van Boekenberg. De echo van het wassende water.     Mijn rouwperiode voor de gezonken badboot is eindelijk afgesloten. Ik ontdekte een waardig alternatief op tien minuten fietsen en bovendien gratis. 70 meter natuurlijk gezuiverd zwemplezier. De zomer van 2017 is moeilijk; razende gedachten in een uitgeput lichaam. Leven “on hold”. Het water heelt, koelt mijn geest en lichaam en brengt de rust die ik nergens vind.   Ik zwem liefst alleen.   Onmogelijk maar bij het openingsuur om 12 uur vind ik mijn draai.   Mensen zwemmen zoals ze zijn .   Sommigen zwemmen alsof ze iets moeten overwinnen. De tijd alvast. De overkant moet bereikt. Het water zit ze in de weg; ze vallen het aan. Met overdreven gebaren splijten ze de vloeistof die, hoog opspringt. Ze maken fonteinen, golven… Vermoeid bereiken ze de overkant om direct weer te vertrekken. Ze eisen hun baan op en nog veel meer.   Anderen gaan eveneens snel maar klieven het water en leggen hun armen ongemerkt in het water dat zich gewillig opent. Is het techniek of zijn ze als vissen? Ook zij zijn ongenaakbaar in hun baan; maar anders. Zowel de eersten als de laatsten mijdt ik in het echte leven.   Er is ook het vriendschapszwemmen. Meestal een duo vrouwen die zich traag maar constant pratend voortbeweegt. De mobiele kop koffie; het gesprek primeert.   Kinderen spelen, plonsen… Het koude water ontlokt kreten, hun lichaampjes schrikken, dartelen… Soms is er ook verliefd zwemmen.   Ik heb het gevoel het water zo min mogelijk te beroeren. De trage zwembeweging voelt harmonieus met het water. De herhaling, het borrelende geluid creëert een vorm van opname door het water; ik vertrouw mijn lichaam eraan toe. Het water neemt mij op, zalft mijn gedachten. Het meestal koude water verlamt mijn geest. Ik adem diep, neem de zuurstof op uit het water, verspreid ze en observeer. Ik neem de zon in ontvangst die op het wateroppervlakte schijnt. Het verhoogt het genot. De schaduw wordt er donkerder door. Zwemmen naar de zon… Het water als vriend, de beweging als motor ( voor het leven).     Yo Van den Bulck    

Calamity yo
3 0

Een vriend

Rode strepen met witte sterren en vlak daarna wegstervende rookslierten. Het vuurwerk ontploft majestueus in al zijn kleuren vlak boven de oude man. Met open mond van dikke droge lippen bewondert hij het smeulen en smelten van de wegschietende pijlen. Hoeveel moet dat allemaal wel niet gekost hebben, vraagt hij zich af wanneer er weer een raket gillend de lucht in schiet. Een jongen komt bij hem staan. Samen kijken ze naar boven. Bij elke knal schrikt de jongen en deinst hij een paar stappen achteruit. ‘Ge moet geen schrik hebben, manneke,’ zegt de oude man, ‘er kan niks gebeuren. Die mensen weten waar ze mee bezig zijn. Dat zijn professionelen.’ ‘Ik heb geen schrik,’ antwoordt de jongen zonder naar de man te kijken. Het blijft een tijd stil. De lucht stinkt naar zwavel. De rook danst traag langs de vuile bruine nachtwolken. De oude man kijkt naar de jongen die de lucht in alle richtingen aftuurt. ‘Is het al gedaan?’ vraagt de jongen. ‘Wat?’ ‘Het vuurwerk. Is het al gedaan?’ ‘Nee, dat denk ik niet. Het eindigt gewoonlijk altijd met de schoonste pijlen.’ ‘Er komt toch niks niet meer?’ ‘Och, jawel. Ge moet gewoon efkens wachten, manneke.’ De jongen zucht: ‘Ik ga al terug naar binnen. Ik heb kou.’ ‘Nee, wacht, een beetje geduld. Zo gaat dat in het leven. Ge moet geduld hebben. Geduld is een schone deugd.’ ‘O.K. Boomer.’ ‘Watblieft?’ ‘Nikske.’ ‘Kom eens efkens hier.’ ‘Waarom? Wat is er?’ De oude man steekt zijn hand uit. ‘Ge hebt toch kou? Ik heb altijd warme handen. Hier voel maar.’ De jongen geeft de oude man aarzelend een hand. ‘Gelukkig nieuwjaar, mijnheer,’ zegt hij een beetje plichtmatig, ‘en de beste wensen.’ ‘Dank u, vriend, voor u ook een gelukkig nieuwjaar.’ De oude man legt zijn andere vlezige hand over de hand van de jongen en wrijft de kou eraf. De jongen trekt zijn hand terug. ‘Waarom noemt ge mij vriend, oude man? Ik ken u niet eens? Ge zijt toch geen pe…’ De jongen slikt zijn woorden in. Voor het eerst kijkt hij naar de oude man. Hij ziet de warme glimlach en de vriendelijke ogen. Dan fluiten er ineens wel twintig vuurpijlen tegelijk naar de hemel en ontploffen in de schoonste kleuren. Het duurt minuten lang. Links royale blauwe spetters die aan Monet doen denken en rechts dikke smeulende vermiljoene strepen van Caravaggio. De jongen en de oude man kijken samen. Hun monden vallen open uit pure bewondering. De ogen drinken de kleurenpracht. De oren ondergaan de felle kracht van de explosies. De jongen schrikt weer bij elke knal. Hij grijpt vlug de warme hand van de oude man.

Peter Mmm Verreth
0 1