Lezen

Verboden vrucht

De zaal zat stampvol. Een kakafonie van lachende stemmen weerkaatste tegen het hoge plafond van de eventhal, en rond de hoge bartafeltjes klonken glazen tegen elkaar. Het oktoberzonnetje maakte overuren boven Oostende. In de Wellington renbaan hing een drukkende warmte, en af en toe wapperde een weeë geur van zweet langs mijn neus. Ik had haar meteen gespot. Al mijn zintuigen sprongen op scherp. Ik voelde de bekende hitte in mijn onderbuik opkomen. De laatste jaren lukte het me steeds beter om mijn driften te onderdrukken, maar vandaag wist ik het zeker: dit ging ik niet winnen. Ik draaide me demonstratief om en probeerde de buikademhaling die ik van de psycholoog had geleerd. In. Uit. Een zacht kreungeluid ontsnapte tussen mijn stembanden. Een vrouw van middelbare leeftijd keek me hooghartig en geschrokken aan. Ik gaf haar een blik terug die zei: bemoei je met je eigen zaken. Het hielp niets. Mijn verdrongen roofdierinstinct was terug van weggeweest. Ik moest haar hebben. Nu. Als in slow motion laveerde ik tussen de bezoekers door. Mijn prooi bevond zich aan de stand van restaurant North. Ik kende die zaak goed. In mijn vorige leven at ik er bijna elke dag. Nee, niet eten. Schrókken. Ik schudde mijn hoofd. Daar wilde ik niet aan herinnerd worden. ‘Dag meneer, wilt u proeven?’ Ik keek op, recht in de vragende ogen van mevrouw Peeters, de eigenares. Haar blik wekte een steek van schaamte en woede in me op. Ze herkende me niet. ‘Nee, dank u. Ik snuister wat rond.’ Ze knikte beleefd. Ik grijnsde. Honderdtwintig kilo minder en volledig incognito. Leve meneer Ozempic! Maar mijn zelfbeheersing brokkelde af. Ik voelde haar brandende aanwezigheid in mijn rug. Vanuit mijn ooghoeken hield ik haar in de gaten. Nog heel even. Nog heel even. Plots hoorde ik een enorm gekletter vlakbij. Een lichtjes aangeschoten vrouw had de ober met haar elleboog gestoten, en zijn volle plateau spatte uiteen op de grond. Scherven vlogen in het rond, alle hoofden draaiden die kant op. Niemand keek naar mij. In een milliseconde greep ik mijn kans. Ik graaide haar ruw mee en sleurde haar naar het toilet voor mindervaliden. Ik sloot de deur, vouwde mijn beide handen om haar heen en beet toe. Als in een slapende vulkaan ontwaakten alle verlangens en dromen die ik jarenlang had onderdrukt. Haar knapperige, roestbruine schil brak open en het heerlijke sap droop over mijn kin. Kreunend bereikte ik een ontploffing van genot en zeeg neer tegen de wand. Met het geduld van een seriemoordenaar verorberde ik haar tot de laatste kruimel. Ik had geweten dat ze me niet teleur zou stellen. Mevrouw Peeters maakte nu eenmaal de beste garnaalkroketten van Oostende.

Sfieke
4 0

Popeline

Al enkele dagen kunnen de lieftallige Vollezeelse wederhelft en ik de slaap niet vatten. We zijn nochtans zo moe dat we nauwelijks onze oogleden openkrijgen. Dus waarom turen we alsnog met bloeddoorlopen oogwit naar het plafond? Het is niet dat er fresco’s van Michelangelo te bewonderen zijn. Omdat we ons schuldig voelen. Schuldig als de pest. Het bijt in ons been en knabbelt aan onze kleine teen. Links én rechts dan nog wel. Want ons schuldgevoel gunt ons geen snippertje rust. We woelen onrustig onder onze klamme tussenseizoenslakens en zelfs de katjes kijken ons argwanend aan. En terecht ook. We hebben namelijk iets verschrikkelijks op onze kerfstok staan. Heb je even tijd? Dan doe ik ons verhaal. Maar zweer eerst op je plechtige communiezieltje dat je niet zal oordelen. Laat staan ons aangeven. Want we wisten niet beter. Het begon vorige week woensdag. Omstreeks 15u26 en 37 seconden in de namiddag. Ja, het is zo onvergeeflijk dat we het tot op de seconde herinneren. Getik op de ruit. Want uiteraard hebben we nog steeds die lege deurbelbatterij niet vervangen. Maar dáárover meer een volgende keer. De pakjesman stond op de stoep. Met in zijn handen een pakje. Dat was op zich niet zo gek. Want zonder pakje zou hij maar een man zijn. Een man zonder bestaansreden en met nóg minder kneiterballen dan hij nu maandelijks op zijn mistroostige bankrekening sprokkelt. Excuses. Ik wijk weer af. Zenuwen door de schuldgevoelens, ongetwijfeld. Soit. De pakjesman, dus. Achteraf gezien is het altijd gemakkelijk. Dat zal je altijd zien. Dan weet je 100% zeker dat je helemaal geen pakje had besteld. Maar op onverwachte ogenblikken wanneer het lot zijn al even onverwachte geschenken offreert, denkt een mens nu eenmaal niet altijd even logisch na. Het was bovendien niet eens een pakje. Maar een bruine gekreukte zak van een niet nader genoemde Spaanse modeketen die weleens een loopje neemt met de waarheidsgetrouwe pasvorm van zijn kledingmaten. Het witte busje was al uit het straatbeeld verdwenen, toen ik mijn vergissing inzag. Daar stond ik dan. Met een bruin gekreukte zak van de Zara, ik bedoel een niet nader genoemde Spaanse modeketen, in mijn grijpgrage tengels. Het verzendlabel loog niet. Het stond er zwart op wit. Timothy Decraecker. Koolzaadstraat 7. En wij wonen wel degelijk in de Koolstraat nummer 7. Waar onze kool het zonder zaad moet doen. En niemand van ons heet Timothy Decraecker. Tenzij mijn lieftallige Vollezeelse wederhelft hier nog ergens een huisgenoot waarvan ik het bestaan niet vermoed voor mij verbergt. Wat zeg je? Waarom ik het pakje niet gewoon terugbreng naar de post? Dat gaat niet. We hebben het namelijk al opengedaan. Ja, dat hoort niet. Dat weten we allemaal wel. Zie je. Mijn lieftallige Vollezeelse wederhelft neut al eeuwen dat ik deftige nieuwe kleren nodig heb. Zeven babyborrels en drie verjaardagen in de agenda komende weken. Maar geen cent te makken, want die babyborrel- en verjaardagscadeaus betalen zichzelf niet. Doch. Plottwist! Misschien zat er wel een net linnen zomerjasje in dat pakje. Dat op de koop toe ook nog eens exact mijn maat is. Als de niet nader genoemde Spaanse modeketen eens woord houdt, tenminste. Quod non. Het was een pyjamaset van ademend katoenpopeline. Met een relaxed fit overhemd. Mooi afgewerkt met contrasterende rode biesjes. Zit écht lekker hoor. Alleen jammer dat het zo warm is wanneer je schuldgevoel ’s nachts weer eens opspeelt onder de klamme tussenseizoenslakens.  

Matthias Van de Velde
0 0

Geheim hart

De regen sloeg tegen het raam. Ze praatte snel. Haar woorden hadden haast, terwijl de regen haar net aanmaande om te vertragen. Zijn blik bleef rusten op haar borst, die op en neer danste. Net die blik spoorde haar woordenstroom dan weer aan. Ze moest zo meteen naar huis door de koude herfstregen. Ze voelde de loodzware jeans al aan haar huid kleven, de regen die striemend op haar gezicht zou vallen. Ze stond op uit de sofa. ‘Ik moet maar eens gaan’, zei ze zacht, bijna onhoorbaar door het geraas van regendruppels. In zijn ogen lag een trieste blik. Hij begreep dat ze opnieuw haar leven moest gaan leiden, opnieuw in de grijze maalstroom moest stappen. Ze nam haar jas en liep door naar de voordeur. Hij volgde, opende de deur voor haar en even staarden ze samen naar de waterstroom die over de straat gutste. Ze nam aarzelend een stap terug. ‘Misschien kan ik gewoon nog even blijven tot de bui gaat liggen. Ze zullen het wel begrijpen als ik wat later thuiskom’, zei ze terwijl ze zijn blik zocht. Ze glimlachte toen ze houvast vond in zijn donkere ogen. Ze vond er het wrakhout van haar gedachten, en klampte zich stevig vast. Haar jas ging uit, en samen vonden ze opnieuw de weg naar de sofa. De ruimte tussen hen werd kleiner. Ze draaide zich naar hem toe. Ze opende haar houding, en zo ook haar hart. ‘Ik las in de Kama Sutra dat een man altijd voorbereid moet zijn op regenweer. Als een vrouw door de regen naar hem toe moet komen, zorgt hij voor haar lievelingskost, iets warms om te drinken’, en terwijl ze het zei voelde ze een zachte gloed op haar wangen. Hij keek naar zijn handen die losjes in zijn schoot lagen. ‘Zal ik thee maken?’, antwoordde hij terwijl hij haar blik zocht. Een subtiele lach speelde om zijn dunne, strakke lippen. In zijn lippen toonde zich hun grootste verschil. Haar volle mond had iets baroks, gul en overdadig. Zijn lippen waren strak, beheerst, alsof zelfs woorden er niet zomaar overheen mochten. De regen liet zich niet bedwingen. Ze luisterde naar het ritme, naar haar eigen ontembare natuur. Ze wist dat er in hem ook een gelijkaardig temperament schuilde, ze had het al gezien in het tikken van zijn voet, in de vluchtige oogopslag waarvan hij dacht dat ze het niet merkte. Hij gaf haar het dampende kopje en samen dronken ze zwijgend. Hun blikken dwaalden af en gaven vooral niet toe aan de zin om elkaar terug te vinden. Ze zette het kopje neer, nam het kussen dat op de sofa lag. Ze klemde het stevig vast en keek hem strak aan. ‘Heb jij een geheim hart’, vroeg ze zacht. ‘Een wat?’, antwoordde hij aarzelend. ‘Een geheim hart, waar je al je verlangens verborgen kan houden. Dat alleen aan jezelf toebehoort, en dat je angstvallig dicht bij je bewaart. Een vat waarin begeerte rijpt, bestemd voor die enkelen die het durven aanraken zonder erdoor bedwelmd te raken.’Het werd stil, in zijn handen lag nog steeds het kopje waarvan hij nipte terwijl hij haar woorden savoureerde. Ze sloeg haar blik neer, legde het kussen weg en nam het kopje uit zijn handen. Met een korte tik zette ze het op de salontafel. Ze schoof dichterbij en legde haar hand op zijn dij. Haar andere hand volgde zijn kaaklijn, zijn zachte stoppels prikten. Met haar vingers streek ze over zijn lippen, ze voelden lichtjes droog aan. De vingers vervolgden hun weg, en gleden over zijn hals naar zijn borstkas. ‘Zit het misschien hier?’, fluisterde ze. Ze boog naar hem toe en kuste hem. Ze voelde de kleine barstjes, en vulde ze met haar kostbare begeerte die ze had opgespaard. Hij beantwoordde haar kus en sloeg zijn armen om haar heen. ‘Leer het me’, fluisterde hij. ‘Leer me hoe je dat geheime hart maakt, hoe je het vormt.’‘Het hart ademt, het is soms flinterdun als het fijnste ijslaagje op de eerste winterdagen. Soms is het zwaar en donker maar zacht als fluweel. Het groeit en krimpt, en soms blijven er alleen nog scherven over.’ Haar lippen zochten opnieuw de zijne. ‘Ik denk dat het je moet lukken, dat geheime hart vinden en cultiveren.’ Ze lag in zijn armen, en deinde mee op het ritme van zijn ademhaling. ‘Soms is het ook de zachte regen die de aarde opnieuw vruchtbaar maakt’, zei ze zacht. Het was bij die woorden dat ze besefte dat het stil was buiten. ‘Ik moet gaan’. Ze raakte hem nog één keer aan, en reikte hem zo zijn eerste bouwsteen aan.     

Jolien Van de Velde
224 1

Wat overblijft

Margot rook de haas voordat Pierre hem op de tafel legde. Onder de gewone geur van wild en bloed zat iets zoets dat daar niet hoorde. Ze drukte haar duim in het vlees aan de binnenkant van de achterpoot en wachtte tot de afdruk terugveerde. Dat deed hij niet. "Die gaat niet naar boven." Pierre keek naar het dier alsof het hem persoonlijk teleurgesteld had. "Valère heeft er gisteren nog voor betaald." "Dan heeft Valère gisteren een slechte haas gekocht." Valère deed de boodschappen en hielp in de keuken wanneer er handen tekortkwamen. Ze hield haar vingers onder Pierres neus. Hij trok zijn hoofd weg en nam de haas weer op. "De andere is kleiner." "De andere is goed. Dat is genoeg." Hij grijnsde en verdween naar de voorraadkamer. Margot veegde haar hand aan haar schort af en keek opnieuw naar het blad naast de snijplank. Juffrouw Amélie had het haar de avond voordien gegeven. Bij het eerste lezen had Margot gedacht dat twee maaltijden door elkaar waren geraakt. Potage à la reine. Snoek. Kapoen met kastanjes. Hazenpastei. Duiven. Artisjokken, pastinaken en wortelen met boter. Daarna kaas, peren in wijn en amandeltaart. Onderaan, door een witruimte van de rest gescheiden, stond rijstebrij met kaneel. "De snoek is er." Cécile kwam achterwaarts door de deur met een natte doek tegen haar borst gedrukt. De staart van de vis brak los, raakte een houten kom en stuurde die over de vloer. Pierre probeerde te helpen en kreeg een slag tegen zijn pols. Margot nam de snoek achter de kop, legde hem op de werkbank en bracht hem met één slag tot rust. Cécile wreef over haar arm. "Rotbeest." "Dat vond je buiten nog een mooie vis." Margot zette haar mes onder de buikvin en daarmee begon de dag. Tegen negen uur had de keuken haar ochtendkou verloren. Achteraan trok bouillon uit kalfsbot, kippennekken, rundvlees en groenten. Cécile trok de laatste stoppels uit de kapoen, terwijl Pierre veren opveegde. Margot hield van dit uur, waarin een keuken nog tijd bezat. Later zouden de pannen elkaar op het vuur verdringen en zou boven een bel klinken alsof beneden niets anders bestond dan de hand die eraan trok. Nu kon alles nog worden voorbereid voor het ogenblik waarop het nodig was. Wat uren nodig had, stond al op. Wat sterk rook, bleef weg van melk en boter. Ze sneed de lever van de goede haas in plakken en liet boter schuimen in een kleine pan. Pierre keek onmiddellijk op. "Ik dacht dat jij hout ging halen." "Dat heb ik gedaan." "En toch sta je hier." "Hout ruikt niet zo." Cécile schoof dichterbij. Margot verdeelde de gebakken lever over drie stukken brood van gisteren. Cécile beet te snel en hield haar mond open om de hitte kwijt te raken. Pierre veegde met zijn korst de boter uit de pan. "Waarom krijgen zij dit nooit?" vroeg Cécile. "Omdat jij het opgegeten hebt." "U weet wat ik bedoel." Dat wist Margot. "Er zitten nog stoppels onder de vleugel." Cécile zuchtte en ging weer aan het werk. Vlak voor de middag kwam meneer naar beneden. Margot zag eerst zijn schoenen op de trap en merkte dat ze zijn tred niet meer herkende. Vroeger had ze kunnen horen of hij kwaad was, honger had of onaangekondigd gezelschap meebracht. Nu zette hij zijn voeten voorzichtig neer, alsof iedere trede eerst overtuigd moest worden hem te dragen. Pierre maakte ruimte. Margot ging verder met de kapoen. Meneer keek langs de koperen pannen, de stenen vijzel, de geopende haas en de snoek, en bleef uiteindelijk rusten op de kom waarin Margot de rijst had klaargezet. "Je hebt eraan gedacht." "Het stond op uw lijst." "Met veel kaneel." "Dat stond er niet bij." Hij glimlachte. "Mijn moeder deed er altijd te veel op." Margot duwde de kastanjevulling dieper in de vogel. "De oude mevrouw kwam zelden in de keuken." "Je weet wat ik bedoel. Maak hem zoals toen." Haar vingers bleven een ogenblik stil. "Welke keer?" Hij leek de vraag niet te begrijpen. "Zoals mijn moeder hem liet maken. Je weet hem toch nog?" Margot keek hem aan. Hij was zestig en zij negenenzestig. In haar gedachten bleef hij een kind uit een andere verdieping van hetzelfde huis. "Ja," zei ze. "Ik weet hem nog." "Ik ook." Hij liep terug naar de trap. Margot hoorde zijn stappen verdwijnen en trok de draad waarmee ze de kapoen had dichtgenaaid iets harder aan dan nodig was. Ze was zeventien geweest. Het bericht was 's morgens gekomen, gebracht door een jongen uit haar dorp die zijn muts in beide handen hield terwijl hij vertelde dat haar moeder die nacht gestorven was. De begrafenis zou de volgende ochtend plaatsvinden. Margot had Béatrice gevonden bij het fornuis. De kokkin had geluisterd zonder haar werk neer te leggen. Er waren die avond twaalf mensen aan tafel voor de verjaardag van de oude mevrouw en de keuken liep al achter. Margot mocht gaan, dat had Béatrice gezegd. Ze mocht haar spullen pakken en naar huis lopen. Niemand zou haar tegenhouden. Alleen kon Béatrice niet beloven dat haar plaats er nog zou zijn wanneer ze terugkwam. Er waren meisjes genoeg die een betrekking zochten, en een keuken kon niet wachten tot verdriet voorbij was. Margot was gebleven. Dat deel had ze later vaak anders proberen te herinneren. Soms maakte ze van Béatrice een hardvochtige vrouw die haar eenvoudig verboden had te vertrekken. Maar Béatrice had haar niet gedwongen. Tegen de avond moest ze de rijstebrij maken waar de oude mevrouw van hield. Ze zette melk op het vuur, voegde de rijst toe en roerde terwijl ze probeerde niet te denken aan de kleren waarin haar moeder begraven zou worden. Ze wist niet welke jurk haar zussen gekozen hadden. Ze wist zelfs niet of er genoeg geld was voor kaarsen. Ze merkte de geur te laat. Béatrice rook hem eerder. De kokkin nam de pan van het vuur, stak een lepel door de bovenste laag en schraapte over de bodem. "Proef." Margot wilde zeggen dat ze wist wat er gebeurd was. Béatrice hield haar de lepel voor. De eerste smaak was zoet. Daarna kwam de aangebrande melk, bitter en vuil, een smaak die achter op haar tong bleef hangen. "Nog eens." Margot proefde opnieuw. Béatrice zette de pan weg. "Onthoud eerst de geur. Dan hoef je dit nooit meer te proeven." Meer straf kreeg ze niet. Dat was bijna erger. Margot spoelde de pan uit, goot nieuwe melk in een andere en begon opnieuw. De tweede rijstebrij brandde niet aan. Meneer was toen acht geweest. Hij had er twee kommen van gegeten. "Margot?" Cécile stond met een geschilde peer in haar hand. "De wijn. Hoeveel?" "Tot ze half onderstaan. Daarna water." Cécile pakte een fles. "Niet die. Dat is meneers wijn." Cécile zette hem terug. De rest van de middag liet weinig ruimte voor gedachten. De kapoen werd voor het vuur gehangen. De snoek kreeg boter, wijn en kruiden. De haas verdween onder deeg. De peren kleurden langzaam donkerrood. Toen het tijd werd voor de rijstebrij, nam Margot de kleine sleutel van het koord onder haar schort. Het suikerbrood en de kaneel lagen samen in de voorraadkast. Ze schraapte suiker in een kom en ving met haar duim het gruis op dat naast de kom dreigde te vallen. De kaneel had Valère uit Antwerpen meegebracht; volgens de kruidenier kwam hij van Ceylon. Cécile keek naar de suiker. "Nog een lepel?" Margot knikte. Daarna zette ze de melk op en gaf Cécile de houten lepel. "Niet alleen bovenaan." "Dat doe ik niet." "Je voelt de bodem niet." Margot legde haar hand over die van het meisje en veranderde de hoek van de lepel tot het hout zacht over de bodem schraapte. "Daar." Cécile bewoog langzamer. "Nu voel ik het." Margot liet haar los. "Onthoud dat." Later in de middag kwam Amélie naar beneden. Ze droeg een eenvoudige grijze jurk en geen juwelen. "Wanneer komen de gasten?" "Er komen geen gasten. Vader heeft die twaalf plaatsen zelf gevraagd." Margot draaide de kapoen een kwartslag. Achter Amélie verschenen twee mannen in de gang. De oudste droeg een donkere jas; de jongste had een schrift onder zijn arm. Hij opende de linnenkast en begon servetten te tellen. "Die met het blauwe borduursel horen bij de kleine salon," zei Margot. "Als u alles samen telt, kunt u opnieuw beginnen." De man keek naar Amélie. "Laat hem maar, Margot." Nu zag ze de kleine papieren kaartjes. Eén hing aan de hoge kast, verderop zag ze er nog een aan de klok en een derde aan het marmeren tafeltje. Ze hoefde niet te lezen wat erop stond. Margot schepte vet uit de braadslede en goot het over de kapoen. Ze had de gesloten kamers gezien, de reparaties die niet meer uitgevoerd werden, de wijnkelder die leger bleef dan vroeger. Sinds de zomer werden er minder mensen ontvangen. Ze had ieder teken apart gehouden van het volgende. "Wanneer moet de keuken leeg zijn?" Amélie aarzelde. "We vertrekken overmorgen." "Dat vroeg ik niet." "Overmorgen, Margot." Margot schepte opnieuw vet over de kapoen, hoewel dat niet nodig was. "En sinds wanneer weet u dat?" "Vader heeft in augustus beslist. We wilden eerst alles regelen." Augustus. Margot dacht aan het meel dat ze in september had besteld, de wintervoorraad, de nieuwe pot mosterd. Ze had niet gevraagd waarom er geen hout meer naar de bovenste kamers ging. "Wie eet er?" "Vader, Philippe en zijn vrouw, de kinderen en ik." "Zeven." Margot keek naar de gerechten. De snoek die meneers vader graag had gegeten. De kapoen die de oude mevrouw ieder jaar op haar verjaardag vroeg. De hazenpastei waar Philippe als jongen ziek van was geworden omdat hij er te veel van had gegeten. De peren. De amandeltaart. Vijf lege plaatsen. "Vader wilde nog één keer alles zoals vroeger." Tweeënvijftig jaar had Margot in deze keuken gestaan; de man die de servetten telde had eerder geweten dat het voorbij was dan zij. "Dat kan niet," zei ze. Margot strooide kaneel over de rijstebrij. "Maar hij kan dit krijgen." Amélie vertrok. Margot wachtte tot de deur boven dichtviel. Daarna liep ze naar de wijnkast en haalde de fles die ze Cécile eerder uit handen had genomen. Ze zette vier aardewerken bekers op de werktafel en schonk ze in. Pierre keek naar haar toen de stop loskwam. Valère zei niets. Cécile hield haar handen stil boven de schaal die ze afdroogde. Margot schoof een beker naar Pierre, een naar Valère en een naar Cécile. De vierde hield ze zelf. Niemand hief zijn beker. Margot dronk. Daarna zette ze de halflege fles terug tussen de andere wijn. "De kapoen," zei ze. Pierre draaide zich om naar het vuur. De eerste schalen gingen naar boven terwijl beneden de volgende werden afgewerkt. Gerechten verdwenen en kwamen terug. Boven stonden ze bijeen op tafel voor mensen die konden kiezen; beneden moest wat warm hoorde te zijn warm aankomen en wat luchtig was niet inzakken. Tussen het werk door aten zij. Pierre kreeg de wang van de snoek. Cécile brak brood in het braadvet van de kapoen en duwde Valère opzij toen hij hetzelfde wilde doen. Margot proefde van alles en at nauwelijks. De rijstebrij ging naar boven bij het laatste deel van de maaltijd. Margot had het vel intact gelaten en er nog wat kaneel over gestrooid. Cécile droeg de schaal weg. Toen ze terugkwam, was die bijna leeg. "Meneer heeft twee kommen genomen. Hij zei dat zijn moeder hem precies zo liet maken." Margot nam de schaal. Langs de rand zat nog wat rijstebrij. Ze streek er met haar vinger doorheen en proefde. Melk. Rijst. Suiker. Kaneel. Ze wachtte op de bitterheid van de aangebrande melk. Er kwam niets. "Is er iets mis?" vroeg Cécile. Margot gaf haar de schaal. "Was hem af." Het was na middernacht toen de keuken eindelijk stil werd. Margot had Cécile naar bed gestuurd en de laatste pannen zelf geschrobd. Het vuur liet ze laag branden. In al die jaren had ze de keuken zelden volledig koud achtergelaten; een vuur dat 's nachts bewaard werd, vroeg 's morgens minder werk. Op de tafel lag een stuk brood dat ze die ochtend had afgesneden en vergeten. Ze smeerde er wat gestold braadvet op en at terwijl ze om zich heen keek. Er stond geen deeg voor het ontbijt. Niemand had bonen te weken gezet. Aan de haak bij de achterdeur hing geen bestelling voor melk. De rest van de bouillon stond nog in de pot en voor het eerst had Margot niet bedacht wat ze er morgen mee zou doen. In de voorraadkast stonden meel, gedroogde bonen, uien, zout, mosterd en genoeg kaneel voor de winter. Ze sloot de deur. De sleutel bleef in haar hand liggen voor ze hem weer aan het koord onder haar schort stak. Haar messen zou ze aan Cécile geven. Niet allemaal. Het kleine uitbeenmes hield ze zelf. Het handvat was door de jaren glad geworden. Van haar moeder vond ze eerst alleen dingen terug: een zwarte kookpot, een aardewerken kom met een barst langs de rand, een mes met een hoornen heft. Haar gezicht kwam niet. Margot wist niet meer precies hoe haar haar langs haar slapen had gelegen en zelfs de kleur van haar ogen was ergens in de voorbije halve eeuw verloren geraakt. Ze probeerde harder. Dat hielp niet. Pas toen ze het opgaf, kwam de geur. Ui in reuzel. Margot opende haar ogen. Haar moeder bakte uien wanneer er weinig in huis was. Brood erbij, soms een ei als de kippen gelegd hadden. Margot herinnerde zich niet dat ze het bijzonder lekker had gevonden. Maar ze zag een hand. Een brede duim met een nagel die aan één kant krom groeide. Haar moeder viste altijd het eerste stukje ui uit het vet en gaf het aan haar, veel te heet om meteen te eten. Margot stond op. In de voorraadkast vond ze een kleine ui. Ze zette een pan op het vuur, schepte er reuzel in en wachtte tot het vet helder werd. Daarna sneed ze. Niet dun en gelijkmatig zoals ze het Cécile geleerd had, maar in ongelijke stukken. Een dikke schijf, een dunne, daarna een stuk dat eigenlijk te groot was. Ze wist niet of haar moeder werkelijk zo had gesneden. De ui begon te sissen. Margot schoof de stukken door het vet. De scherpe geur veranderde langzaam terwijl de randen doorschijnend werden en begonnen te kleuren. Toen kwam het. Niet het gezicht van haar moeder, alleen die hand. De kromme nagel was er weer. Ze stak haar hand naar de pan, voelde het vet spatten en trok haar vingers terug. Een lach ontsnapte haar voordat ze wist waarom. Ze nam het kleine uitbeenmes en viste daarmee een stuk ui uit de pan. Even hield ze het voor haar mond. Daarna at ze. Veel te heet.

Dominique80
0 0

Artemis & Orion

Het laatste daglicht verdween uit haar haren. Een frisse bries streelde haar wakker. Door haar halfopen ogen zag ze de maan boven de heuvel uitkomen. Het zilveren licht verspreidde zich over de vallei en bereikte haar nest van zacht, sappig mos, zorgvuldig gevlochten takken en uitgekozen veertjes. Ze ontwaakte in de schaduw van haar dichte woud. Nog even duwde ze zich dieper in het mos. Haar blik bleef bij de maan hangen. Haar maan. Vanavond was ze niet vol. Ze was gekrompen tot een stralende sikkel. Artemis glimlachte zacht. Net genoeg licht viel over de donkere hemel om ook het verborgen deel van de maan zichtbaar te maken. Het stuk waar niemand op lette. Het stuk dat zij zelf het liefst verhuld hield. Ze stond op en baadde in het asgrauwe licht. Ze liet het over haar huid stromen, over haar zachte borsten, langs haar vermoeide armen, naar de warmte onder haar navel. Ze leidde het naar binnen, alsof ze de maan zelf in zich wilde bewaren. Daarna keek ze naar de donkere zijde, die ze koesterde als een zeldzame zwarte parel. Artemis voelde hoe het natte mos aan haar voeten zoog. Ze maakte haar blik los van de hemel en zocht haar boog. Haar vingers gleden over de pees. Ze trilden niet. Maar diep in haar borst rolden wilde golven af en aan. Haar geest daverde, terwijl haar lichaam er roerloos onder bleef. In het schijnsel van de maan tekende het pad naar de open plek zich af. Orion. Haar jager. Hij wachtte. Vanavond nam ze slechts één pijl mee. Al weken kon ze zich niet meer aan haar jacht overgeven. Elke pijl die ze afvuurde, vond haar prooi, maar drong nooit echt door. Nochtans was haar grip rond de boog sterk, en haar blik trefzeker. Ze verwondde slechts. En elke wonde die zij maakte, leek zich ook in haar eigen ziel af te tekenen. Ze speurde opnieuw de hemel af, op zoek naar het donkere deel van de maan. Hij was degene die het in haar had aangeraakt. Hij had iets in haar gezien wat zijzelf zorgvuldig verborgen hield. Hij raakte aan haar mysterie, en sinds hij dat had gedaan, voelde haar ongenaakbaarheid niet langer als kracht. Waar zijn blik haar raakte, leek haar huid te gloeien. Het zilver in haar werd vloeibaar en zakte langzaam naar een brandpunt diep onder haar navel. Meer dan eens had ze haar boog in het mos willen werpen en haar vingers daarheen willen brengen. Maar ze had een eed afgelegd. Ze omklemde de boog steviger. Hij stond al op haar te wachten. Zijn eigen boog lag naast hem in het gras. De pijl lag ernaast, onaangeroerd. Ze stapte op hem af. Hij nam haar vast en kuste haar. In één beweging brak iets open wat eeuwenlang gesloten was gebleven. Een honger die ze niet kende, of misschien veel te goed kende, trok door haar heen. Haar handen sloten zich om zijn hals. Ze hield zich aan hem vast alsof ze daarmee haar voeten op de aarde kon houden. Ze wilde niet langer een hemellichaam zijn. Het maanlicht leek om hen heen te pulseren. Haar onaantastbaarheid gleed van haar af. Hij maakte haar boog los. Ze verzette zich niet, ze stak hem haar laatste pijl toe. De pijl die hem had moeten raken. Ze wandelde enkele passen terug, draaide zich om en keek hem strak aan. Geen van beiden bewoog. Toen trok hij de pees van haar boog strak. Ze voelde hem niet binnendringen. Alleen de slag, diep in haar kolkende kern. De pijl drong niet door, zelfs al had hij haar vol geraakt. Ze wankelde niet. En toen begreep ze het: zij was hem geworden, en hij haar. Orion kwam naar haar toe. Hij nam haar vast en legde zijn hand op haar onderbuik, precies daar waar de warmte al die tijd had gewacht. ‘Orion,’ fluisterde ze, bijna zonder stem, ‘heb ik je dan eindelijk gevonden?’ Hij bracht zijn gezicht naar het hare en kuste haar opnieuw. Dit keer ontloken haar lippen in warmte. Haar adem stokte. Hij trok zich terug en in zijn ogen zag ze iets veranderen. De wonde die hij haar had toegebracht, had ook hem bereikt. Iets wat hij zo lang had verborgen gehouden, kwam naar boven en liet zich niet meer terugduwen. Ze maakte zich van hem los en voor het eerst zagen ze elkaar naakt. Er nestelde zich een broze warmte in hun lichamen. Ze keek naar de pijl die tussen hen in lag en liet haar blik omhoog glijden naar de maan, naar het donkere deel dat zich niet langer verborg. Voor het eerst wist ze niet meer wie van hen beiden de jager was.   

Jolien Van de Velde
250 0

Kunstuur

Ze keek naar het visgraatmotief dat in het parket verweven zat. Ze volgde het patroon en liet zich naar de zware deur leiden. Ze sloot haar ogen, liet de geluiden van de ruimte over zich heen spoelen. Zo drong hij langzaam bij haar binnen. Zijn voetstappen klonken gedecideerd, zelfs lichtjes gejaagd. Opwinding echode in zijn kielzog door de gang. Met een trage zwaai opende ze de deur. Zoals altijd verwelkomde ze haar vaste bezoeker met de warmte die ze voor hem had opgespaard. Ze gloeide als een laatste zomerdag in de herfst, waarop elke kleur nog één keer in haar warmste tint te zien was.  Het warme eikenhout van het parket vormde een vreemdsoortige harmonie met de bijna klinische witte muren van de kunstgalerij. De werken varieerden in grootte en kleur. Ze zorgden zo voor een fragiel evenwicht in de kamer. Doorheen de ruimte klonk enkel hun ademhaling. Ze hoorde het zachte schuiven van zijn kleding wanneer hij zich iets naar voren boog om een kus op haar wang te drukken. Hij was klaar om de rondleiding voort te zetten. Haar hakken tikten speels op het houten parket. Ze leidde hem steeds verder naar binnen.  Ze liepen voorbij de werken die ze in de weken ervoor hadden besproken. Haar uitleg volgde een vast stramien. Telkens begon ze met een naam. De nacht waarin het was ontstaan. Een lichaam dat ze zich na jaren nog precies herinnerde. Ze streek met haar vingertoppen over littekens, kleine onvolmaaktheden die haar intens aantrokken en een liefdevolle genegenheid in haar opriepen. De kleine imperfecties maakten haar alleen maar vastberadener in haar toewijding. Het was haar gave, had ze gezegd. Om de weeffouten van het lichaam met tedere vingers te beroeren, tot ze even verdwenen.  Terwijl haar woorden klonken keek hij gebiologeerd naar de andere mannen. Haar stem zakte soms, alsof wat ze hem toonde niet gemaakt was voor het daglicht. Ze vertelde over mannen die ze nooit echt had kunnen vatten, en daarom zo lang had begeerd. Ze vertelde, en ze kreeg het onbestemde gevoel dat haar herinneringen niet langer alleen van haar waren. Naarmate het ritme van hun voetstappen samenviel, viel ook zijn schroom weg. Wanneer hij wegkeek en hun blikken daarna elkaar terugvonden raakten ze elkaar nog dieper aan. Op die momenten werd de ruimte kleiner, werd ze zich bewust van haar handen en de warmte in haar gezicht.  Ze gingen verder, ze weidde uit over het zoete gevaar van haar geheimen, over de opwinding die kon ontluiken wanneer iets niet mocht bestaan. Zonder franjes gaf ze toelichting bij de werken die haar sensuele drift verbeeldden. Over beproefde technieken en gewaagde experimenten. Hij luisterde zonder enig ongemak, alsof het donkerste werk een ereplaats verdiende in haar collectie.  Telkens wanneer ze iets nieuws onthulde, trok er een lichte spanning door haar lichaam. Dan rechtte ze haar rug, sloeg ze haar blik naar beneden en pas toen de laatste klank van haar woorden verdween keek ze hem recht in de ogen. Soms wist ze niet meer wat haar het meest blootgaf: het verhaal dat ze vertelde, of de manier waarop ze hem aankeek terwijl ze het vertelde. Ze naderden de deur van haar atelier. Begeleid door etherische stemmen dreven ze naar dat kloppende hart van haar privégalerij. Monteverdi. Madrigali guerrieri e amorosi. Altri cante d’Amor. Laat de anderen maar over de liefde zingen. Liefde en oorlog. Ze stapte binnen, hij volgde.  In het midden stond een tafel waarop een blad lag. De eerste lijnen waren al uitgetekend. Haar mond, haar lippen met hun zachte welvingen. Vingers die reikten naar haar albasten lichaam. Ze liet haar hand in de zijne glijden. Op de tast las ze zijn littekens. Zijn hand trilde, ze had hem nog nooit zo aangeraakt. Ze registreerde zijn angsten, zijn pijn. Ze ontleedde zijn drift en dissecteerde de weg naar zijn ultieme genot. Ze liet zijn hand los, liep naar het papier en bleef even staan. Plots draaide ze zich om. ‘Deze keer kan ik het niet alleen’, fluisterde ze. Ze nam het stuk houtskool en gaf het aan hem. Hij antwoordde met een aarzelende blik.  Hij stapte naar voren. Een dunne, onzekere lijn verscheen. Ze observeerde de beweging van zijn hand. Er was iets onherroepelijks aan zijn eerste spoor. Hij viel stil. Ze kwam naast hem staan, hun schouders raakten elkaar bijna. Ze rook de warmte van zijn huid, en hoorde hoe zijn adem stokte toen ze haar hand over de zijne legde. Ze leidde zijn vingers een fractie verder. Toen ze zich terugtrok, bleef hij staan. Hij zocht haar blik. De lijnen waren vers en toonden de plek waar hun handen elkaar hadden geraakt. Geen van beiden bewoog. Het laatste licht gleed langs de witte muren. In de schemering die volgde, bleef het papier op hen wachten.

Jolien Van de Velde
278 0

Bankje

Ik snapte het niet. Ik snapte gewoonweg niet waarom ze me niet zagen staan. Dag in dag uit stapten ze me voorbij. Niet één keer bleef er iemand stilstaan. Niet één keer koos iemand ervoor om even bij mij te rusten, het zonnetje op te vangen en verhalen hier neer te leggen. Ik was nochtans opgefrist. De bloembakken? Die waren gevuld. Alles was klaar om mensen te ontvangen. Maar niemand keek naar me om. Behalve die ene hond. Die elke keer weer zijn rechterachterpoot hief en mij zonder schaamte besproeide. Zijn baas? Gunde me geen blik. Die keek steevast de andere kant op. Verderop was het anders. Daar zaten de jongeren. Elke dag na school lachten ze, aten ze, leefden ze. Ze zaten op de trap van de kapel, dicht tegen elkaar aan. ‘Ik heb misschien niet zoveel plaats… maar met een beetje inschikken past het hier ook. Ik ben een bankje, weet je wel. Om op te zitten.’ ‘Kom hier… zet je neer,’ fluister ik naar elke passant.‘Dan weet ik hoe het voelt.’ Terwijl ik diep in gedachten verzonken was, stond er plots een oude man met een loopkarretje vlak voor mijn neus stil. Hij keek naar links en naar rechts en liet zich kreunend op mijn planken zakken. Oh, wat een zalig gevoel. Eindelijk iemand die ook blij was met mij! Maar het duurde niet lang. De oude man begon te schuifelen en fronste. “Maar wat is die stank?” Hij draaide zich om, tuurde even en las luidop: “honden toilet”. “Een gekke plaats voor dit bankje,” mompelde hij. “Ik zal een brief schrijven naar de gemeente.” Langzaam kwam hij weer recht. Hij nam zijn karretje vast en schuifelde stap voor stap weg. “Dank je wel, oude meneer… en tot snel!” riep ik hem nog na. Maar hij kwam niet terug. Niet de volgende dag. Niet na een week. En ook niet na een maand. Tot, na twee maanden, er plots vier mannen verschenen. Ik begreep niet wat er gebeurde. Ze kwamen dichterbij, overlegden kort en haalden een machine en kettingen boven. Voor ik het besefte, trokken ze me uit de grond. Oh nee… wat gaan ze met me doen? Word ik weggegooid? Of nog erger… maken ze brandhout van me? Halen ze me door de hakselaar? Help… stop… Ik voelde hoe ik loskwam van de grond. Mijn planken trilden. Ik kneep al mijn ogen dicht en hakkelde een schietgebedje. En dan… stilte Aarde, ik voelde de aarde onder mij. Voorzichtig opende ik mijn ogen. Ik keek om me heen en zag het meteen: De kapel! Ik sta dichter bij de kapel. Mijn planken maakten een sprongetje van vreugde terwijl ik stevig in de grond werd verankerd. Ik sta gewoon… dichter bij de kapel. Sindsdien word ik elke dag bezocht. Jong en oud komt langs om even te zitten, te rusten of te lezen. Of gewoon… om te genieten van mij. Net zoals jij.  

Idha Zadel
12 0

Hoger dan ik durfde

Onze moeders zaten gezellig te kletsen en koffie te drinken toen ze onderbroken werden door ons gesmeek. We moesten beloven dat we zeker niet zouden oversteken naar 'het tunneltje'. Het was voor het eerst dat we alleen buiten mochten spelen, zonder dat onze oudere zussen erbij waren. Vanaf het balkon hadden onze moeders zicht op de speeltuin, dus ze konden ons in de gaten houden, had mama nog gezegd. We renden jubelend via het trappenhuis naar beneden. We kunnen niet ouder zijn geweest dan 7 jaar. Ze liep enkele passen voor me en hield plotseling halt op het fietspad. Ze keek naar links en naar rechts om te zien of er een fiets aankwam. Vervolgens keek ze vluchtig achterom om zeker te zijn dat niemand ons zag en stak over richting het tunneltje. Ik volgde zonder te twijfelen. Het tunneltje was altijd al een verboden plek geweest, zelfs als onze zussen erbij waren mochten we er niet spelen. Het was een fietstunnel waarover een trein reed die ons dorp verbond met de grote stad. De tunnel zelf was voor ons een doorgang tussen twee werelden. We waren nog nooit in die andere wereld geweest. Het hekwerk volgde de contouren van de fietstunnel, stevig verankerd in een betonnen boord. Het klom langzaam omhoog, om daarna weer af te dalen naar de stoep aan de overkant. We waren er al vaker geweest, dan klommen we op het betonnen boord, dat laag bij de grond begon en klommen we zo hoog dat we door de spijlen van het hekwerk het duivenkot en de weide met afgedankte materialen van de flodders konden zien. Wanneer we waren uitgekeken liepen we weer terug naar beneden, om vervolgens zo hoog als we durfden van het boord op de stoep naar beneden te springen. Ook deze keer stapte ze direct op de boord en haakte haar arm over de reling. Ik volgde haar en al gauw stonden we op de gekende hoogte van waar we de weide konden zien. Ze stopte even, draaide zich om en zei: "Kom, we gaan verder" . Ik aarzelde maar volgde haar toch verder naar boven, terwijl ik mijn arm steviger vastklemde om de reling. Ze bleef stappen, keek niet meer om en zei niks meer, hoger en hoger... Tot ze bij de brug was. Ik stond enkele passen van haar verwijderd, wachtend totdat ze zich zou omdraaien. Maar ze draaide zich niet om, integendeel, ze reikte met haar linkerhand naar het hekwerk van de brug waarover de trein reed. Ik keek voorzichtig naar beneden, maar de afstand naar de grond was zo groot dat ik me niet meer durfde te bewegen. Zij stond ondertussen al volledig op de brug. Omdat daar geen boord was zette ze haar voeten zijwaarts stap voor stap tussen de tralies en schoof telkens mee met haar beide armen over de reling. "Ko-hom!" riep ze me ongeduldig toe. Ik durfde niet te weigeren en volgde met knikkende knieën haar voorbeeld. Voorzichtig schoof ik mijn voeten tussen de tralies en klemde mijn bovenlichaam tegen de spijlen. Beide armen klemde ik tot aan mijn oksels over de bovenste rand van het hek. Met mijn beide ellebogen naar buiten uitstekend en mijn handen die het koude hekwerk zo stevig vastklemde dat mijn knokkels wit werden, begon ik langzaam zijwaart te schuivelen. Mijn hart bonkte zo hard dat ik amper zou kunnen horen of er al een trein aankwam die ons aan een enorme snelheid en oorverdovend kabaal voorbij zou razen. Ik deed iets wat ik niet mocht doen: Ik keek naar beneden en zag verschillende fietsers onder mij uit de fietserstunnel komen. Het was alsof ik boven hen zweefde. Ik versteende; zag mezelf naar beneden vallen en mijn hoofd en rug zich verbrijzelen op het grauwe fietspad. Ik kneep mijn ogen dicht om mijn blik los te rukken van het bloederige tafereel. Toen ik ze weer opendeed stond mijn buurmeisje op het hoogste punt van de betonnen boord. Het gaf me op de een of andere manier moed om verder te gaan. Daar was in ieder geval beter dan waar ik stond. Terwijl ze iets verder op me stond te wachten, riep iemand ons toe dat we daar niet mochten spelen. We daalden zo snel als we konden, uit schrik dat iemand ons zou verklikken, naar beneden. Voor mij was het vooral pure opluchting dat we weer op veilige hoogte stonden. Na dit gevaarlijke avontuur hebben we braafjes in de speeltuin gespeeld, alsof er niks was gebeurd. Zij en ik hebben het er nooit meer over gehad. Ook niet nadat de nachtmerries begonnen die me nog jarenlang hebben achtervolgd. Tegen mama heb ik nooit durven vertellen wat ik die dag heb gedaan. Sterker nog, het is vandaag pas voor het eerst dat ik dit verhaal vertel.

Idha Zadel
10 3

Zeevlam

De mist hing zo dicht boven het strand dat haar wereld zich beperkte tot enkele passen. Ze strekte haar armen uit en zag hoe de zachte witte muur haar vingers verzwolg. Alles rondom haar was verdwenen: de duinen, de einder, de hemel. Het natte zand trok zachtjes aan haar voeten, de koude beet zich dieper vast. Ze wist niet of hij haar daar verwachtte. Ze draalde, zette een stap achteruit, klaar om rechtsomkeer te maken. Op dat moment herkende ze het zachte, donkere geluid: zijn voetstappen in het vochtige zand. ‘Ben jij het?’, vroeg ze. Haar woorden zweefden de witte mist tegemoet. ‘Ja.’Zijn contouren tekenden zich af in de nevel. Ze hoorde zijn ademhaling, rustig en beheerst. ‘Kom’, zei ze kort. Hij volgde. De mist tussen hen begon zich langzaam te vullen met hun onuitgesproken woorden. Soms verdwenen zijn voetstappen in het geruis van de golven, om dan weer terug te komen, dichterbij dan daarvoor. Maar hoe dicht hij ook kwam, hij bleef een schets, een vluchtige figuur die ze al duizenden malen had uitgelijnd in haar gedachten. De stilte naderde haar breekpunt. ‘Ik zou graag één nacht met je willen’, zei ze zonder aarzelen.Zijn tred vertraagde.‘Een nacht?’, in zijn stem klonk een warm vibrato. Ze had een snaar geraakt. ‘Ja.’ Ze slikte. ‘Een nacht. Zonder klok, zonder deur die op een bepaald moment dicht moet.’ Het werd stil. De golven sloegen harder in op het zand. Ze bleven staan.‘Waarom?’, vroeg hij uiteindelijk. Alles kraakte onder hun zinderende gedachten. Een golf gleed naar hun voeten. ‘Ik wil je kennen’, zei ze zacht. Hij bewoog zich dichter naar haar, net niet dicht genoeg om haar aan te raken, maar net dicht genoeg om haar hele lichaam ervan bewust te maken dat hij er was. ‘Hoe dan?’, fluisterde hij. ‘Ik wil je kennen in de uren waarin de wereld je niet nodig heeft. In de uren die liggen tussen de werkelijkheid en het verlangen. De uren waarin de nacht ons haar zwarte inkt uitleent, waarmee we onze vehalen kunnen schrijven die we anders nooit prijs geven’, antwoordde ze met zachte stem. Ze voelde hoe haar haren nat werden door de duizenden fijne mistdruppels. Een verborgen traan liep langs haar hals. ‘Een zomernacht of een winternacht?’, vroeg hij zacht. Ze strekte haar arm uit en hij stapte dichter. Haar vingertoppen raakten zijn jas aan en hielden halt bij de plek waar zijn hart hoorde te zitten. Misschien kon ze de zee ook daar ontdekken mocht ze haar oor tegen zijn borst leggen. Ze deed het niet. Ze speelde met de waterdruppels op zijn mantel. Ze tekende cirkels, schreef langzaam haar hunkering op hem neer. ‘Een laatste winternacht, in de weken voor de lente zich aankondigt. Een nacht vol bittere koude, waarin de sterren ons herinneren aan de traagheid van de tijd. Ik zou met je willen kijken naar het breekpunt van nacht en dag, het moment waarop de eerste schemering zich aankondigt. Het moment waarop de tijd ons aanmaant om opnieuw onze rol op te nemen waarvoor we in dit ondermaanse bestemd zijn’, zei ze terwijl ze verder bleef schrijven met de kleine mistdruppels die zich aandienden. ‘Een nacht is een klein verzoek in de tijd die ons gegeven is, er is niemand die weet hoeveel van die tijd er ons rest. Het is een kwalijke gewoonte om te denken dat de dag ons genadig is.’Zijn borst bleef in hetzelfde ritme op en neer gaan terwijl ze met haar vingertoppen bleef verder praten. Ze voelde hoe zijn antwoord zich vormde. Uit zijn longen begonnen woorden hun weg af te leggen. Nog voor ze over zijn lippen stroomden, legde zij er een vinger op. ‘Ik weet wat je zal zeggen. Het is onmogelijk.’ Haar woorden dreven als kleine wolken de mist in. Haar hand maakte zich los, daarna haar lichaam. In de compacte stilte die volgde, bleef het volkomen onduidelijk of hij daar daadwerkelijk bij haar had gestaan. Misschien had ze hem opgeroepen uit de diepste, meest eenzame holtes van haar eigen verlangen. Ze jaagde haar laatste restje warmte naar haar voeten en maakte zich los uit de verweekte tijd die haar probeerde te verzwelgen. Doorheen het hermetisch wit klonken zijn voetstappen, ver weg. Ze draaide zich om en liep zonder nadenken de melkwitte oceaan in, op zoek naar de plek waar het daglicht opnieuw geboren werd uit de onderstroom van haar rusteloze verlangen.  Geïnspireerd op ‘On the nature of daylight (Entropy)’ door Max Richter. 

Jolien Van de Velde
288 0

Prachtige wallen (deel 5) (einde)

8 februari 2014 Stevige discussie achter de rug vandaag. Magda wil dat we naar de relatietherapeut blijven gaan. Ik niet. 'De vorige keer heeft hij niks gezegd. Enkel geluisterd. Hij was een toeschouwer, meer niet. Wat heb je daaraan? Bij een voetbalmatch of concert moet het publiek betalen. Waarom moeten wij in dit geval het publiek betalen?' 'We hebben hem de vorige keer de kans niet gegeven om ons te helpen. De sessie zat erop nog voor hij begonnen was.' 'We hebben hem de kans niet gegeven?' 'We, ja.' 'Ik ben niet weggelopen.' 'Doe nu niet flauw. Ik had alle recht om kwaad te worden. Jij bent degene die doodleuk zijn overspel ontkende.' 'En daarvoor heb ik me al lang verontschuldigd. Verschillende keren. Dus hou erover op. Feit is dat niemand je heeft gedwongen om de kamer uit te stormen. Jij wou therapie, weet je nog? Dacht je dan dat alles vanzelf ging gaan? Je kan niet zomaar weglopen vanaf je kwaad wordt. We zaten net daar omdat we niet meer overeenkomen, en dat willen oplossen.' 'En daarom wil ik terug.' 'Wie zegt dat je niet opnieuw wegrent als ik iets verkeerds zeg?' 'Zeg dan niets verkeerds.' 'Heb soms de indruk dat alles wat ik zeg verkeerd is…' 'Och, jij, met jou valt niet te praten!' Ik heb hoe dan ook echt geen zin om terug te keren naar die therapeut. Waarom kunnen we het niet zelf oplossen, samen? Die kwakzalver kan toch nooit weten wat er in onze hoofden omgaat? Waarom zou hij het dan zoveel beter weten? Dit is iets tussen ons, Magda en mij. Wij moeten eruit geraken. En ik zie niet in hoe psychologieboekjeswijsheid ons daarbij zou kunnen helpen. Ik heb het een kans gegeven, en zij heeft het verpest. Punt. Meer geld wil ik er niet aan verspillen. We kunnen het net zo goed thuis uitpraten. Thuis… ik begin over thuis te spreken. Beangstigend… 9 februari 2014 Elk dag ruzie. Elke dag. Ik weet niet hoelang ik nog aankan. Zou er geen uitweg zijn? Soms mis ik mijn oude leven. Mijn betekenisloze leven. Ik begin moet te worden, verschrikkelijk moe. 10 februari 2014 Zelfmoord. Misschien is zelfmoord de oplossing. Misschien word ik dan morgen weer als iemand anders wakker. Of zou ik dan gewoon dood zijn? Misschien ben ik van een acteur in een echte persoon veranderd, iemand voor wie de normale wetten van de natuur gelden. Ik zou het graag testen. Maar ik weet niet of ik durf. 11 februari 2014 Ruzie. Weeral ruzie. Ik zit vast. In een huwelijk dat niet werkt. Ik weet het niet meer, ik weet het echt niet meer. Eén kogel door de kop zou alles veranderen. Maar hoe? Wat zou er hierna komen? Zou er iets hierna komen? 12 februari 2014 Vanavond doe ik het. Ik spring van een brug. Er moet iets veranderen. Het moet gewoon. Ik ga aan de rand van een brug staan en aftellen. 10… 9… 8… 7… En daarna… Daarna heb ik eindelijk mijn vrijheid terug. Maar wat voor vrijheid? Ik ben nog nooit zo bang geweest om eerlijk te zijn. Maar zo kan het niet verder. Echt niet. 13 februari 2014 Ik was er helemaal klaar voor gisterenavond. Tot ik op de brug stond. Ik kon het gewoonweg niet, springen. Ik merkte dat ik een hele hoop zou missen. Mijn job, mijn dochters, alles eigenlijk. Het gevoel een plaats te hebben in deze wereld, een vaste thuis. Het gevoel iemand te zijn in plaats van iemand te spelen. Ik ben al een tijdje geen acteur meer, ik ben Mark Desmet geworden. Mark Desmet… Mijn naam. Het woord ik heeft inhoud gekregen, mijn bestaan heeft inhoud gekregen. Omdat er mensen om me geven, om mij. Een prachtig gevoel. Vandaar dat mijn besluit vast staat. Ik ga ermee door. Morgen vertel ik Magda dat ik me bedacht heb, en verder wil gaan met die relatietherapie. En ik ga een agenda kopen om daarin de verjaardagen van mijn dochters te noteren. Zodat ik ze nooit meer vergeet. Dag wereld, mijn naam is Mark Desmet, en ik heb er zin in.

nEMO
0 0

Prachtige wallen (deel 4)

7 februari 2014 Het gaat niet goed. Het gaat helemáál niet goed. Lijkt elke dag wat moeilijker te worden om met Magda te praten. Gelukkig heb ik mijn job. Leraar geschiedenis. Vreemd genoeg bevalt het me wel, voor de klas staan. Heb het gevoel dat ik iets bijdraag, betekenisvol werk verricht. Kijk, we hebben het in het Westen nog nooit zo goed gehad. We leven in een democratie waarin onze rechten door de wet worden beschermd, worden door geen enkele Godsdienst of andere ideologie onderdrukt, en zijn rijker dan ooit tevoren. En we vinden dat allemaal doodnormaal. Omdat we er nooit meer bij stilstaan dat al onze rechten verworvenheden zijn. Dat onze grootouders en overgrootouders hebben gevochten voor onze vrijheid. Als leraar geschiedenis breng je je leerlingen echter een historisch bewustzijn bij. Wijst hen erop dat er op het einde van de negentiende eeuw nog geen nine to five jobs bestonden in de fabrieken. Dat het stakingsrecht niet altijd in ons wetboek heeft gestaan, maar afgedwongen moest worden. Dat er vroeger zoiets als slavernij bestond, mensen elkaar als bezit konden beschouwen, omdat de een toevallig in een betere familie was geboren dan de ander. Dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens nog niet zo oud is. Je doet je leerlingen beseffen dat niks vanzelfsprekend is, en dat we onze ((over)groot)ouders dankbaar mogen zijn voor de wereld die ze ons hebben nagelaten. Weet je, je hoort gepensioneerde mensen soms klagen dat onze generatie verwend is. 'Een oorlog, dat is wat ze nodig hebben. Dan zullen ze hun leven pas werkelijk op waarde schatten.' En daar zit iets in. Maar het is een beetje drastisch natuurlijk. Gelukkig kunnen we geschiedenisles geven. Bovendien is het een ideale manier om onze jeugd te leren dat niks zwart-wit is. Ik stel bijvoorbeeld graag de vraag wie in de klas ondergedoken Joden aangegeven zou hebben als hij/zij in de jaren veertig van de vorige eeuw had geleefd. Geen enkele hand gaat in de lucht. Daarna stel ik een andere vraag. 'En wat als je familie omkomt van de honger, en de Duitsers klikspanen belonen met voedsel? Zou je dan overwegen om joden uit te leveren? Dan beginnen ze natuurlijk te twijfelen. En daar draait het om. Twijfel. Dat ze beginnen nadenken over de wereld rondom hen. En beseffen dat alles zich afspeelt binnen een bepaalde context die ervoor kan zorgen dat de grens tussen Goed en Kwaad soms heel vaag kan worden, afhankelijk van uit wiens perspectief je de zaak bekijkt. Op zo'n moment maak je als leraar een verschil, en dat werkt bijzonder motiverend. Mijn dochters helpen ook om de dagen dragelijk te maken. We gaan elke dag samen de eenden in het park voederen met een zak oud brood, en het is geweldig om ze dan bezig te zien. De manier waarop ze met die eenden omgaan… Ze praten ertegen, doen een oprechte poging om met die dieren te communiceren. Wij volwassenen lopen hen zo maar voorbij, besteden geen aandacht meer aan die eenden, omdat we ze gewoon zijn als achtergronddecor. Maar mijn dochters lijken echt geïnteresseerd in die beesten, behandelen ze als mensen, tonen er respect voor, zien het niet louter als wandelende objecten – door de natuur voorgeprogrammeerde robots zonder bewustzijn – maar als levende wezens met gevoelens en verlangens, waarmee je een band kunt aangaan. Gisteren zei mijn jongste dat ze een bakkerij wil openen waar enkel oud brood verkocht wordt. Geen taarten, geen croissants, geen stokbrood. 'Je kan in geen enkele bakkerij oud brood kopen, en die eendjes eten dat zo graag!' Ze vindt het jammer voor die eenden dat ze elke dag op ons moeten wachten voor hun oud brood, en ze wil ervoor zorgen dat de eenden zelf naar de bakker kunnen gaan. Vandaar, een bakkerij met enkel oud brood. Ze geven echt om die dieren. Heel mooi. Bovendien lijken ze ook om mij te geven. Voor hen ben ik geen acteur die de rol van hun vader speelt, maar gewoon hun vader. Papa. Ze noemen me papa. En stilaan begin ik me ook als hun papa te voelen. Dag na dag zit ik met hen aan de ontbijttafel, en dag na dag willen ze dat ik hun 's morgens een afscheidskus geef voor de schoolpoort en 's avonds een verhaaltje lees voor het slapengaan. Ik ben een constante in hun leven, iemand op wie ze kunnen rekenen. En dat voelt goed. Ik merk dat ik gehecht aan hen begin te raken, hen stilaan als mijn dochters begin te beschouwen. Wederzijdse, onvoorwaardelijke liefde. Verbondenheid. Zelden zoiets moois meegemaakt. En tegelijkertijd is die onvoorwaardelijke liefde beangstigend tot en met. Kijk, als ik vroeger wakker werd als vader en één van mijn dochters stierf, dan was dat allemaal niet zo erg. Op één dag bouw je geen betekenisvolle band op met iemand, zeker als je elke dag omringd wordt door andere mensen. Iedereen in je omgeving is een soort abstractie. Een abstractie van het begrip vrouw, een abstractie van het begrip dochter, een abstractie van het begrip grootvader. Maar je voelt je nooit verbonden met je vrouw, je dochter, je grootvader. Als één van hen sterft, voel je geen echt verdriet, want je hebt die mensen nooit gekend. Je enige zorg is dat je overtuigend overkomt als de gebroken echtgenoot, de door verdriet verteerde vader, de geëmotioneerde kleinzoon. Nu ligt de situatie helemaal anders. Ik heb elke dag dezelfde dochters, waardoor het moeilijker en moeilijker wordt om ze als abstracties te zien. Vroeger was iedereen die ik tegenkwam net een filmpersonage. Hij/zij speelde één dag een rol in mijn leven. En die personages konden zeker sympathie of haat oproepen, maar ook niet meer dan dat. De volgende dag had ik er niks meer mee te maken. Mijn dochters daarentegen zijn van personages in echte mensen veranderd. Net als Magda. Of mijn collega's. Ik leer ze echt kennen. Ze spelen een bepalende rol in mijn leven. Ik geef om ze. En als mijn dochters morgen om zouden komen in een verkeersongeluk, dan zou ik daar kapot van zijn. Ik ben gewend geraakt aan hun aanwezigheid, ik zou ze missen. En ik heb mijn hele leven lang nog nooit iemand gemist. Ik weet niet of ik dat aan zou kunnen, iemand missen. Mijn God, wat is het eng, om mensen geven… Zelfde met Magda trouwens. Ze is al lang geen personage meer. Haar gevoelens doen ertoe voor mij, ik wil het goedmaken met haar. Haar gelukkig zien. Medeleven, ik begin het te snappen.

nEMO
0 0

Wortelen en witloof

  Er is hier helemaal geen vraag naar verse groenten. Anders zag je ze wel. Knagend op de velden. Als zotten. Zich rot te knabbelen. Zelfs vervoering moet eerst op transport en ik. Roeland. Ik zie dat goed. Daar staat een paard te gapen. Bovendien. Ik ben zeer en uitermate onschuldig. Dat is zeker. Ik heul ook mee. Met niemand. Zelfs niet met gedachten. Echt. Trump, Dutroux, Van Rompuy, Anne-Laure Vandeputte. Die ken ik niet eens. Er wordt waarlijks nooit meegelopen. Zeker niet gezeuld met zakjes patatten van anderhalve kilo. Wie doet zoiets en geloof het. Ik blijf vasthouden aan mijn ongulzige argeloosheid. Wat? Kijk niet zo onnozel. Ik heb bij god geen strafblad. Ik heb geen Renault Fuego,. Ook nooit moeten overgeven in de schoot van een maagd. Er is helemaal geen vraag naar beterschap, naar ontheffing uit mijn lot. Het antwoord bood zich aan en tante Hannelore zei dat het goed was  Dat mijn lust nog zo dwaas niet klonk wanneer het stoeltje wiebelde. Dat ik gerust uitgeteld mocht bekomen zonder de formule te kennen. Het is ontstaan gelijk cellen dat kiezen. Zoals tanden dat proeven durven op een schone zondeloze vrijdag. Doe waarlijks niet onnozel. Denk! Aan wortelen en witloof. Zurkel en gezwollen kolen. Wij kweken dat. Wij wassen niets. Wij spoelen geen huid die schuren wil. Knagen op de velden. Dat doen muizen. Zij echter. Zij vertelt. Over pure drang die vuile vingers strelen mogen. Over hoe dwaas een ring kan zijn en vergeet het meeste. Zwijg over Pietje Bel. Dat kindergekwel. Kankergezwel. Jacques Brel. WC-papier. Heb het niet over die zieke tijden. Beschrijf ze niet de vele gele eendjes drijvend op het Minnewater. Want er is nu eenmaal die zee van liefde en ik voel hoe zij geneest. Tante Hannelore schilt geen schorseneren. Er wordt gewreven. Er wordt niets gevraagd. Zagen doen de cirkelbladen. Er strijken wel eens vogelbeesten neer. Zij lusten alles rauw. Er kijken kauwen toe. Wij houden immers van elkaar.       uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
8 0

Niemand heeft het gezien

De deur valt achter me in het slot. Mijn veilige ruimte waar ik steeds weer naar terugkeer is goed afgesloten. Deze keer verlaat ik mijn huis om me naar mijn werkplaats te begeven. Omdat die niet vlakbij ligt neem ik de auto. Mijn huis ligt weliswaar achter mij maar trekt nog aan me, de lekkende kraan in de badkamer bijvoorbeeld en de was die nog in de droogkast moet. Er zijn buiten echter ook verplichtingen.Hoe moe ik me ook nog voel, het maakt niet uit, ik stap met de autosleutel in de hand naar de overkant van de straat. De dag ervoor parkeerde ik er mijn auto.   Elke dag opnieuw plof ik me met dezelfde lichtheid neer, breng ik de bestuurderszetel in een comfortabele positie en zet ik de motor en de radio aan. De radio verbindt me met de mensheid terwijl ik alleen in de auto zit, net als al diegenen die achter, voor en naast me rijden, in bakken die in principe voor één persoon te groot zijn, in bakken waar een gans gezin in past.  Half zo brede wagens waarmee je met grote snelheid over de snelweg mag rijden bestaan niet. Een soort van overdekte motoren die over half zo brede rijstroken zouden mogen rijden. Een drievaksbaan zou dan een zesvaksbaan kunnen worden. Ik weet goed genoeg dat zoiets enkel in een wereld zonder vrachtwagens kan bestaan. Dat ik hun klevende bumpers niet meer zou zien in de achteruitkijkspiegel zou ik niet erg vinden. Om niet meer tussen die mastodonten die de helft van je uitzicht wegnemen te moeten laveren, zou ik niet missen. Om er niet meer achter te moeten hangen terwijl ze tergend traag elkaar proberen in te halen, om niet meer te moeten vrezen dat ik de afrit zal missen omdat ze me geen plaats gunnen, dat alles zou ik heerlijk ontspannend vinden. Nachtelijke dromen krijgen een vervolg in dagdromen terwijl ik de sleutel, die aan dezelfde sleutelhanger van de huissleutel hangt, in mijn hand houd. Ik steek de sleutel in het slot. Een handeling die ik talloze keren heb uitgevoerd. Ik krijg hem er niet in en dat stopt meteen de hele gedachtenstroom over vrachtwagenvrije snelwegen. De sleutel hapert en daarmee ook mijn hele timing! Ik weet perfect hoe lang ik over de weg doe en ook hoeveel tijd ik er moet aan toevoegen voor onvoorziene omstandigheden. Het mag dus niet te lang meer duren. Ik wrikkel nog even met de sleutel, hopend dat hij vlotjes in het slot wil glijden.  Het lukt me niet. In fracties van seconden verschijnen bij mij alle mogelijke fouten die ik bij deze eenvoudige handeling gemaakt kan hebben. Ik kijk of ik wel degelijk de autosleutel tussen mijn vingers heb en niet mijn huissleutel. Ik probeer opnieuw, zonder succes. Dan draai ik de sleutel om. Dat zal het zijn. Opnieuw krijg ik er hem niet in! De ontreddering slaat toe. Een handeling die me nooit enige moeite heeft gekost wordt een probleem. Een routine die soepel zou moeten verlopen blokkeert de rest van de dag en misschien wel de rest van mijn leven. Mijn reputatie van altijd stipte en betrouwbare werknemer wordt in luttele seconden vernietigd. Hoe moet ik dit gaan uitleggen? ‘Ik kreeg mijn sleutel niet in het slot’ . Het klinkt als de meest onnozele uitleg bij het te laat komen. ‘Het zal wel zijn dat je je sleutel er niet inkreeg’. Vóór mij staand zie ik ze al gniffelend naar elkaar kijken ‘Dat laatste slaapmutsje zal wel een shotje teveel geweest zijn ‘ . ‘Ze zal door haar wekker heen geslapen zijn.’ Ja, dat zullen ze denken.  Vanuit de spoeddienst in tranen bellen naar mijn werkgever omdat ik voor mijn deur zwaar ben aangereden door een bromfiets die blindelings vanachter de hoek is komen aanrijden, dat zou een goede reden zijn. Dat zou ook medelijden opwekken. Daar zouden mijn collega’s het er de hele dag over hebben, over de pech die ik heb gehad , over hoe ze het werk nu zullen moeten verdelen en of ze de geplande vergadering zonder mij wel kunnen laten doorgaan.  Maar nee, ik sta hier ongedeerd met een sleutel in mijn hand. Hoe kan ik dat straks geloofwaardig maken. Dat vraag ik me af terwijl ik nog een laatste poging doe om die verdomde sleutel erin te krijgen. Er moet iets mis zijn met dat slot. Het lijkt onmogelijk, maar het klinkt voorlopig als de meest logische verklaring. Ik trek nerveus aan de klink en kijk door het raam naar de bestuurderszetel waarop ik al had moeten zitten. Misschien heeft iemand aan mijn auto gezeten. Ik kijk door het achterste raam. Alles lijkt op het eerste zicht in orde te zijn. Op de achterbank staan drie kartonnen dozen. Ik herken deze dozen niet. Ik kijk nogmaals en probeer me te herinneren waar ze vandaan komen. Had ik iets gekocht en op de achterbank laten staan? Ik lees de teksten op de dozen voor zover ik ze in het donker kan zien. De afbeelding van een stofzuiger op de ene doos zag ik nooit eeder. Op de andere doos kleeft een etiket van een chinese leverancier. Op de derde doos zie ik boven een amper te lezen adres de naam van …. Mijn hoofd wordt licht, de diepe mist waar ik ondertussen in verzeild was geraakt klaart onmiddellijk op. De puzzelstukken vallen op hun plaats. Dit is niet mijn auto. Mijn auto staat achter deze auto geparkeerd! Er valt een ton ijsblokken smeltend neer op de straatstenen. Ik draai mijn hoofd discreet naar alle ramen en deuren vanwaaruit men mij had kunnen zien en stel vast dat er geen getuigen zijn geweest.  Niemand heeft het gezien. Ik open de deur en plof me neer op de bestuurdersstoel. Ik start de auto. De mensheid zal niet weten wat voor een drama ik heb meegemaakt deze ochtend. Voorlopig toch niet. Later misschien, wanneer ik op pensioen ben. Ik zal mooi op tijd aankomen op de werkplaats. Niemand zal aan mij twijfelen. De autozetel voelde nooit eerder zo relaxt. De radio op volle bak verbond me nooit eerder zo sterk met de mensheid. Ik kijk in de achteruitkijkspiegel, steek de lichten en richtingaanwijzer aan, rijd voorbij de auto die voor me geparkeerd staat en geef volle bak gas.      

Alma lavado
0 0