Lezen

Afterstorm

Na een eenzame liefdeloze nacht, wanneer de koude wind, de vorst en dauw verstrooit, nog voor het daglicht wenkt, herrijs ik! Naakt en onbemind. Moe van wat het innerlijke gevecht tussen dromen en werkelijkheid brengt. Aan genot onthouden en met zacht gefluister van een stem op de achtergrond ontwaakt. Groots en spookachtig, met uitpuilende ogen in wit en met een starende blik. Sterker dan gedachten en met trage bewegingen komt het tot leven. De vorst prikt zacht en geeft brandende kussen zo teder als de liefde , en zo koud als de dood. Zijn lippen, trillend van verrukking, ruisende lakens en een mond die ijle ademtocht uitstoot ver in de grijze stilte van de ochtend. Langzaam verschijnt hij, zijn ogen geopend, boven haar hoofd een zwarte hemel vol schitterende sterren. De lucht die uit haar mond ontsnapte, bracht haar ademhaling langzaam op gang waardoor haar gestalte en haar gemaskerde gezicht oplosten in de duisternis. De klanken van viool zweefden door de ijle lucht naar hen toe. Hoge muren doemden voor haar op, groot en duister met hoge beschilderde glasramen en een puntdak uit lood dat met puntige pinnen in allerlei vormen was bezet. Haar gedachten waren warrig en haar hersenen leken als een kwaadaardige zon uit elkaar te spatten in haar broze schedel. Maar toen zij hem aankeek, kon zij zich nog steeds herinneren wat er verscholen zat achter die hoge muren. Hoe kon het ook anders? Ze had maandenlang het huis verkend met de passie van een geliefde die ze veel te lang had moeten missen. Ze was door de kronkelende gangen gelopen, had wenteltrappen beklommen en was betoverende vertrekken binnengestapt. Het was allemaal nog... tot in de kleinste details opgeslagen in haar beschadigde hersenen. De bloedrode kamer met de lichtgevende rozen, de balzaal met de dansende vlinders. De kamer met de maskers waar het licht van een onzichtbare zon een spinnenweb in goud veranderde. Kamers vol schoonheid. Maar in het huis bevonden zich ook kamers die stonken naar verderf en narigheid. Kleine kamers met vochtige verrotte muren waar ze de starre ogen kon aanraken die uit het plafond groeiden. Troebele ogen die toekeken hoe zij als nachtvlinder door een labyrint van beelden en gedachten zweefde. Zij kende de volgorde en vaak ook de opeenvolging van de dingen die te gebeuren stonden. Waarom kostte het haar dan zoveel moeite om haar hoofd, dat aanvoelde als een kapotte gloeilamp helder te houden? Ze voelde hoe de lakens die haar in een stevige greep hadden gehouden gedurende de nacht over haar naakte lichaam gleden enze vroeg zich af hoe het zou zijn als ze naakt in het binnen schijnende licht zou bekeken worden. Plots werd het duister doorboord door een vriendelijke lichtstraal. Iemand had een lamp aangedaan in de kamer. Ze probeerde een kreet te onderdrukken, maar de spieren in haar keel weigerden om mee te werken. Het licht viel door de openstaande deur en achter de verlichte rode en purperen glazen ruitjes dook een schaduw op die roerloos bleef staan. Er kwam beweging in de schaduw en hij stapte de kamer binnen, terwijl hij verder liep kon ze zijn geur ruiken en haar hart ging als een wilde tekeer.Ze had al die tijd geweten dat hij er was. En nu kwam hij haar redden......   Zijn ogen straalden vanachter donkere brilglazen en zijn hoofd ging schuil onder een trendy hoofddeksel. De kleine monniksaap zat op zijn schouder,pikzwart. Zelfs in het vage licht zag ze hoe de vacht van de aap glansde. Hij ging op zijn knieën zitten naast het bed, boog zich voorover en keek haar recht in het gezicht. Een gouden schijnsel viel over haar schouder en om zijn nek droeg hij een dunne ketting met een hangertje in de vorm van de letter M. Het stak glanzend af tegen zijn zwarte kleren. De klanken van de viool die van ergens op de achtergrond kwamen, waren nu veel duidelijker te horen en ze herkende de muziek 'Andante Cantabile"van Tsjaikovski. Het eerste strijkkwartet opus 11, de extatische noten riepen haast vergeten herinneringen op. De laatste keer dat zij deze muziek hoorde, brandde er vuur in de open haard. Op de donkere houten tafel stonden twee glazen rode wijn te wachten op een zilveren dienblad. Dit hield ze niet langer vol en smekend bewoog ze haar armen en strekte ze naar hem toe. Hij zou haar meenemen, hij zou haar veilig naar een ander oord brengen. Hij keek haar bezorgd aan en de rimpeltjes in zijn voorhoofd spraken boekdelen. De aap sprong met een kreet op het bed en overal in de kamer in het rond, ze zag niets anders dan de glanzende ketting met de letter M die voor haar ogen bengelde. Zijn beeld was verdwenen en enkel de geur was gebleven. Uitgeput viel ze weer neer en keek naar haar gestrekte naakte lichaam, dat koud en eenzaam achter bleef.  

Joke111
0 0

PATJE

Toen Patje vertrok op de Zündapp, die nog van Moe was geweest, regende het nog niet en zag het er naar uit dat het dat ook helemaal niet zou gaan doen. Moe had maar één long gehad en fietsen was dus nooit aan de orde geweest. Ze was al een aantal jaren dood. Haar brommer was het meest opgevoerd. Die haalde makkelijk 67 kilometer per uur.Met wind in de rug 73. Het was volkomen helder, de zon scheen lichtjes, geen wolkje aan de lucht. Bij het binnenrijden van Sint-Lenaarts barstte er een gigantisch onweer los.Daar had hij niet op gerekend. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘Wat een kutweer. Als ik dat had geweten.’ Hij ging, zoals zo vaak op donderdag en normaal gesproken alleen als het niet regende, twee kiekenbillen kopen en misschien een blokske kaas. “Als er nog een wolkbreuk komt, gaat het nog lekken in de veranda ook want het dak van de achterbouw is niet in orde.” dacht hij. ‘Godverdoemme,’ ging hij te keer, ‘ik was beter niet vertrokken.’ De eerste kiekenbil zou hij ’s middags, met een boterham, opeten. De tweede ’s avonds, koud met wat mayonaise erbij. Het zat niet mee de afgelopen dagen. Alles liep fout. Gisterenavond had de videorecorder het begeven. Hij had op alle knopjes geduwd en er een klap opgegeven. Niks hielp. De pornofilm uit 1982 zat geblokkeerd. Vooruit. Achteruit. De video eruit halen. Niks hielp. Nu ja, dat toestel was al een paar jaar oud en versleten. Vervelend. Gisterenmorgen had hij verder willen werken aan de Junkers Ju 87B- STUKKA op schaal één tweeënzeventig, maar er een ontbrak een stuk in de modelbouwdoos. Hoe kan dat nu in godsnaam. Heel de kamer had hij afgezocht. Nog enigszins hoopvol. “Ik ga niet bidden voor de heilige Antonius,” zei hij tegen zichzelf. In de herfst en de winter is modelbouw zijn favoriete tijdverdrijf. ’s Zomers gaat hij vissen aan de vaart. Bidden doet hij nooit. Hij gaat wel graag naar air-shows en kan aan het geluid van de motoren exact zeggen welk type vliegtuig het betreft. Zowel bij oudere toestellen uit WOII als hedendaagse. Zijn favoriet die al wel eens grote indruk heeft gemaakt op een air-show was de Hawker Harrier. ‘Die heeft zelfs geen vliegveld nodig. Een wei bij een boer volstaat,’ zei hij ‘En achteruit vliegen, hé, achteruit, hé,’ ging hij enthousiast verder. ‘En lawaai dat dat maakt! Ongelofelijk!’ Afgelopen dinsdag wou hij een deel van zijn collectie singletjes van zolder halen, maar hij was komen vast te zitten in het gat naar de zolder.Het had hem twee uur gekost zich los te wringen. Hij heeft dan ook een buik als twee zakken cement.               Twee maanden later, putteke winter. Uiteindelijk had Patje zijn videorecorder-inclusief de Duitse pornofilm- in de grijze container geflikkerd. Hij was wel zo slim geweest er een gewone vuilzak bovenop te gooien om te verdoezelen dat er elektrisch materiaal in zat dat je afzonderlijk zou moeten aanbieden op het containerpark. Masturberen deed hij minder vaak. En als hij dan zin had, deed hij het op fantasie en onvergetelijke, dierbare herinneringen aan enkele pornoblaadjes. Hij zag de plaatjes levendig voor zich. Zijn libido was door de koude buitentemperatuur aanzienlijk verschrompeld. Soms heeft Patje zelfs last van indolentie. Hij had in het café bij Chantal een koper gevonden voor zijn verzameling. Er lag sneeuw. Alles zag wit. Wit is altijd mooi. Na zeven pintjes, thuis aan de keukentafel dicht bij de gaskachel, dacht Patje erg vrolijk: ‘Ik ga toch met de bromfiets!’ Het was bijtend koud en er woei een snijdende noordenwind. Hij zette de blauwwitte bananendoos vol met porno video’s op de achterste slijklap en bond ze vast met een caoutchouc snelbinder. Het was een opvallende collectie. ‘Daar komen misschien vodden van, ‘ dacht hij. Het brommerke pruttelde even en startte dan met hevig gebrom en gekwetter. Patje vertrok. In het dorpscentrum, ter hoogte van de Voorzorg, glinsterde een akelige ijsplek. Hij ging spectaculair met zijn kloten tegen de grond en greep naar zijn heup. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij. Door de val scheurde de doos en schoven zijn video’s dwars over de weg tot juist voor café ‘den Boemel’. Chantal, de bazin, en boer Mertens, haar enige klant, schoten wakker en dachten alle twee: ‘Wat is dat allemaal?’ Het vroor en het kraakte. ‘Kom jij mij zo je collectie overhandigen,’ zei boer Mertens lachend ‘Da’s sympathiek.’ ‘Doe niet onnozel,’ antwoordde Patje die zich echt had bezeerd. Aan het Flandriake was niks aan. Chantal, boer Mertens en Patje verzamelde de VHS banden en staken ze terug in de gehavende doos. ‘Wat moet gij drinken?’ vroeg de cafébazin. ‘Doe mij maar een trappist van Westmalle,’ antwoordde Patje. ‘Dan kan ik een beetje bekomen.’ Hoe hij die avond thuis was geraakt, herinnerde hij zich niet meer. Zijn bromfiets stond nog voor het café. Het vroor nog steeds. Die nacht had Patje een fabuleuze droom. Hij had een ernstig gesprek – dat gebeurde niet zo vaak- met zijn engelbewaarder. Nog merkwaardiger was dat hij het zich compleet kon herinneren.   Engelbewaarder: ‘Waarom drink jij toch zo veel?’ Patje: ‘Geen idee. Het is plezant zo.’ Engelbewaarder: ‘Dat loopt nog eens fout af. Ik heb mijn handen wel vol.’ Patje: ‘Tja, het zij zo.’ Engelbewaarder: ‘Wil je niet oud worden?’ Patje: ‘Neen, niet per sé of kost wat kost.’ Engelbewaarder: ‘Denk je niet dat je soms wat overdrijft?’ Patje: ‘Ik weet niet beter. Ik vind het wel leuk zo.’ Engelbewaarder: ‘Vaak heb ik je kunnen helpen.’ Patje: ‘Weet ik. Merci.’ Engelbewaarder: ‘Ik had beter moeten weten.’ Patje: ‘Maakt niet uit   Patje werkte in een beschutte werkplaats als slordig boekbinder. Hij ging “zuiver op karakter” naar de fabriek. Hij werkte half-time want de advizerend geneesheer van het ziekenfonds zorgde redelijk goed voor hem. Naar zijn pensioen keek hij al uit. Vader Baelus was een zware drinker die zich zelfs in zijn eigen huis niet meer kon oriënteren. Het gevolg van hersenschade door te veel alcohol en te weinig eten. Hij confabuleerde vaak. Onlangs beweerde hij Jezus te zijn tegengekomen in de Lidl in het dorp. Vader had altijd in den bouw gewerkt. Moe was redelijk jong gestorven.Patje woonde in een rustige, doodlopende straat net buiten de bebouwde kom. Sjarel, de buurman, was onverwacht overleden. Zijn collectie LP’s en wat tuinmateriaal waren voor Patje, wist de notaris. Schoon.Vierenzeventig is eigenlijk niet zo heel oud. Een hartaderbreuk ’s nachts in zijn slaap. Ook dat is schoon. De rest van de erfenis ging naar de belastingen en een ander goed doel. Sjarel, was net als Patje, nooit getrouwd en had geen kinderen. Ze konden het altijd goed met elkaar vinden.Twee weken na de vredige begrafenis stond Sjarels huis al te koop.               Maandag drie februari stond Patje in de living aan de raam zijn Sanseveria’s water te geven, dat was negen weken geleden, toen hij een politiecombi traag zag voorbijrijden en stoppen voor het huis van Sjarel. Eigenaardig genoeg stapten er geen twee geüniformeerde politieagenten uit maar een bloedmooie, jonge vrouw en één lange politieagent. Was die vrouw ook politieagente? En wat kwamen ze hier doen?                                                                                                                             

Hubert Grimmelt
0 0

ZMMMH

            Toen ik aankwam in het afgelegen bos aan de andere kant van de wereld, regende het pijpenstelen. Toch kon je de maan en de sterren zien. Het kasteel van mijn tante bleek een roze, versleten caravan. Er stond een blauwe strandstoel voor. Daar ging ik inzitten om te bekomen. Er schreed een pretentieuze struisvogel voorbij. Ik nam het boek ‘De Naakte Waarheid’ van Jozefien dat ik meegenomen had in mijn bagage, ter hand en begon zonder taboes wat te lezen. Het vrouwenlichaam interesseert me wel. Er huppelde een tweede struisvogel voorbij. Deze laatste leek wel muzikaal getalenteerd. Hij waggelde niet zomaar voorbij zoals men dat in Australië doet. Neen, ter hoogte van mij en de strandstoel draaide hij een perfecte pirouette gevolgd door een grande-écart. “Is een homofiele, mentaal gestoorde struisvogel gevaarlijk?” vroeg ik me af.               Eergisteren was ik bij meester Luguber. Hij houdt kantoor in de Schipperskapelstraat 48 bus 2. Meester Luguber is een vervelende man en een invalide. In zijn kantoor hingen er belachelijk slechte reproducties van Mark Rothko. Hij begroette me amper. Een kort knikje en met de rechter arm, de enige arm die hij heeft, wees hij me erop dat ik mocht gaan zitten. Ik had geen flauw benul wat ik hier deed en wachtte mindful tot het gesprek zou beginnen. “Uw tante laat u haar fortuin na,” zei hij droogjes. “Welke tante?” vroeg ik met verstomming geslagen. “De ongetrouwde zus van uw moeder. Je moet contact nemen met notaris LiftSCWingliNGe in KRajaKovskiKRFTSTdstok,” antwoordde hij.               In het kantoor van meneer de notaris vloog een merkwaardig beestje, een insect. Het is moeilijk te omschrijven, maar ik doe een poging. Het hield het midden tussen een gigantische libel en een Amerikaanse bumblebee – neen, niet het Transformer hoofdpersonage uit die saaie film – maar een mottige bij. Het had een dik opgeblazen, donker geel lijfje, vier flinterdunne vleugels, drie korte pootjes en een tamelijk lang snuitje. De oogjes zaten links en rechts van dit snuitje. Het bijzondere insect zoemde: ‘Zoemmh, Zoemh, Zoemh, Zmmmh, Zoemmh, Zmmh…’ Meneer de notaris overhandigde me een envelop en een steen. Ik vroeg hem of het zoemende insect een naam had. De man antwoordde luid: ‘ZOEM’ en iets dat klonk als ‘Leve de fanfare!’ Hij stelde nog voor -als ik het goed heb begrepen- om kalfslapjes met schorseneren en stoemp te blijven eten, maar dat aanbod sloeg ik af.               In de envelop zat een cheque van 173 miljoen. Wat ik met de steen moest aanvangen wist ik niet , dus die flikkerde ik weg. “Mijn tante heeft goed geboerd”, dacht ik. Ik stonk uit mijn bek. Er wiebelde weer een struisvogel voorbij. Dit exemplaar had een trombone bij zich. Hij ging op zijn gat zitten en met zijn twee poten gaf hij een Jazz nummerke ten beste. Tof. Op de achtergrond reed meneer de notaris, luid een aangepaste versie van The Mad Gardener’s Song van Lewis Caroll zingend -het leek wel IJslands en Hebreeuws door elkaar- zijn tractor te pletter tegen een boom. Het kon hem niet veel schelen. Hij bleef rustig doorzingen. Als ik het vertaal -ja,ja, ik kan dat- klonk het ongeveer zo:   Ik dacht dat ik twee flessen wijn zag Die met elkaar stonden te praten. Ik keek opnieuw en vond dat het Een triestig kerkhof was. “Het lijkt hier wel een camping,” dacht ik. “Met al die dwaze Hollanders.”   Ik dacht dat ik Franz Kafka zag Die wat zat te schrijven. Ik keek opnieuw en vond dat het Een chocolade koekje was. “Als ik dit opeet,” zei ik “Wordt dat mijn laatste beet.”   Ik dacht dwaze gedichten te zien Die je zelf kan verzinnen. Ik keek opnieuw en vond dat het een giraffe was. “Met zo’n lange nek,” zei ik “Zie je alles over het hoofd.”               Toch even een dienstmededeling : Wel, beste lezer dit alles is geen sciencefiction of fantasy. Het zijn gewoon mooie voorbeelden van de avonturen van Hubert Grimmelt. Hij wist nog steeds niet wat te doen met de miljoenen. Misschien had hij, gezien de omstandigheden, de steen ook beter bijgehouden. Hubert zei tot slot: “Ik ga de uitdaging aan.”                        

Hubert Grimmelt
5 0

Een misvatting

"Het is een misvatting", zeg ik tegen mijn vrouw. "Een wijdverspreid misverstand. Dat oudere mensen door hun leeftijd langzaam stappen. Dat het met de jaren allemaal wat trager gaat. Zeker bij mensen die alleen zijn." We zitten aan de enige tafel van het gezellige koffiehuis waar je rechtstreeks op de straat ziet. De andere mensen in de zaak moeten langs onze hoofden proberen te kijken, vooraleer ze een glimp van buiten opvangen. Het is een tafel waarvoor gevochten wordt. Op straat zien we de man langzaam stappen. "Ik ken hem via zijn vrouw”, vervolg ik. “Door het vrijwilligerswerk dat ze deed. Hij is nu een paar jaar weduwnaar. Ik herinner me dat ze vertelde dat haar man ziek was. Vrij ernstig. Toch is zijn vrouw nog eerder gegaan. En hij is goed hersteld. Je ziet hem nu dikwijls ergens alleen een koffie drinken." "Het is niet hun leeftijd. Of hun fysieke toestand. Ze stappen langzaam om de tijd te vertragen. Met elke stap die ze buiten zetten, moeten ze binnen niet voor de tv zitten. Daarom bewegen ze zich, misschien onbewust, traag voort. Ik begrijp het wel. Ik zou mijn pas ook inhouden. Zeker tijdens de donkere wintermaanden, als je om vijf uur de afstandsbediening naar de beeldbuis richt. Alsof je een knop indrukt om de dag af te sluiten." We zien de man net halt houden bij een kennis, vooraleer hij uit het zicht verdwijnt. Terwijl ik bij een lang durende straatbabbel nadenk over wat er nog te doen valt, en al eens op mijn telefoon durf kijken alsof er een bericht binnenkomt, maar eigenlijk is dat om te zien hoe laat het is, neemt hij er zijn tijd voor. Met de handen op de rug. En maakt hij geen aanstalten om op zijn horloge te kijken of om er een smartphone erbij te nemen. Slim.  

Rudi Lavreysen
4 0

Niet huilen

  Hoe hij daar ligt. Zijn lange benen die reeds licht verwelken, zijn buik een kuil van pijn. De botten duwen tegen zijn huid. Hij vervloeit in wit. Op tijd zijn is nooit mijn sterkste punt geweest maar vandaag ben ik veel te laat. Gisteravond heb ik zoals altijd naar het journaal gekeken. De nieuwsstroom waarin de ellende van de wereld wordt gevat in bewegende beelden heeft altijd een kalmerende uitwerking op mij. Ik word niet neerslachtig van vaders met een kind op schoot te midden van geraamtes van een kapotgeschoten stad. Piëta. Het leed is te groot. Ook nu kan ik niet huilen. Ik kijk en blijf kijken naar het afgedekte lichaam tot mijn oogbollen prikken aan de achterkant van mijn hoofd.  Maar tranen komen niet. Ik voel slechts een onbestemd geduw achter mijn navel. De dans van mijn ingewanden. Onder het laken prikken zijn knieën, zijn schouders als een landschap van sneeuw. Ik stel mij skiërs voor die vanaf zijn romp de afdaling naar zijn bekken maken. Het is stil in de bergen. Het enige geluid is het zachtjes zoemen van de TL-lamp boven mijn hoofd. Misschien moet ik in mijn hoofd op zoek naar de noten die altijd iets breken van binnen; Bach’s sicilienne of Miles Davis' Ascenseur pour l’échafaud. Trage klanken die zich een weg zoeken naar diepere lagen en daar iets aantreffen dat zich uiteindelijk zal overgeven aan de zachte kant van het bestaan. 'Bent u familie?’ De stem klinkt hol in de lege ruimte. Het woord klinkt even hol als de stem. Familie is als een klaterlach die galmt in bloeiende bomen, handen die plakken van limonade en een mond vol zelfgebakken cake. In plaats daarvan proef ik een vage metaalsmaak. Ik heb mijn lip kapotgebeten en knik.  Mijn moeder had hier allang moeten zijn. Mijn moeder zou geen gelegenheid laten voorbij gaan om het gewonde dier te spelen. Ze is op haar best als ze haar leed als sterke vrouw mag verbijten. Zie mijn pijn die ik tracht te beteugelen en ondertussen is het aan jou om mij te helen, dat is mijn moeder. De ruimte is leeg op het bed en een stoel na. De gordijnen voor het raam zijn gesloten en net iets te kort. Ze bewegen licht door de tocht onder het raam. De kamer is koud. De verpleegster laat de deur terug dichtvallen. Ik ga zitten. ‘Het is lang geleden, pap. De laatste keer dat ik je zag had je net frietjes gehaald. We kwamen elkaar tegen voor je voordeur, weet je nog. Je keek schuldig omdat je voor mij niets had meegebracht. Ik zei dat het niet erg was, ik bleef niet lang.’ Hoelang zou ik hier kunnen blijven zitten? Eén uur, twee uur, om dan gillend naar buiten te lopen en naar iedereen die het wil horen, te roepen dat het niet mijn schuld is. Of misschien ook wel. Het telefoontje kwam laat gisterenmiddag. Ik was niet voorbereid. De stem vertelde dat ze hadden gedaan wat ze konden. Dat het misschien beter was zo. Alles is beter als je niets meer voelt.  Hij kon haar moeilijk loslaten. Nadat mijn moeder was opgestapt heeft hij nooit meer echt iets geprobeerd in zijn leven. Ook naar mij had hij het opgegeven. Mijn vader belde twee keer per jaar: op mijn verjaardag en met Kerst. We wisselden woorden als kleine kadootjes die we onzorgvuldig hadden ingepakt, snel maar toch goed bedoeld. De kou zet mijn benen in beweging maar dichterbij komen in de stilte die hij uitstraalt, voelt als langzaam een ijszee in waden. Ik ga terug zitten en wrijf vruchteloos mijn benen warm. Ze was recent aan de andere kant van het land gaan wonen. Daar kan mijn moeder eindelijk zichzelf zijn. Ze belt me elke dag, eind van de middag, tegen schemer. Haar spoken moeten bestreden worden met het verslag van de dag. Ik heb vaak geprobeerd om niet op te nemen. Maar dan blijft ze doorbellen, ook in mijn hoofd. ‘De slager waar ik nu al een half jaar kom, zegt nog altijd geen goedendag.’ ‘Maar moeder, dat is vast niet zo bedoeld. Die man ziet elke dag honderden klanten.’ ‘Zo druk is het daar anders niet. Let je nog wel op je gewicht? En vergeet niet regelmatig je haar te wassen.’ Hoe kan zij weten dat ik heb besloten om de rekwisieten van mijn kinderjaren op te sluiten in een kamertje zonder deur. Ik heb geen broers of zussen. Mijn oma leeft nog maar zij woont in een bejaardentehuis en kan al twee jaar geen zinnig woord meer uitbrengen. Mijn moeder bezoekt haar elke maand, met een fles rode wijn. Die ze vervolgens zelf opdrinkt. Voor de gezelligheid. Als mijn oma daarna wordt weggereden naar haar plat geprakte eten vertrekt mijn moeder met het idee dat zij in ieder geval een goede dochter is. De verpleegster komt binnen met een aantal formulieren. Terwijl ze de papieren uitspreidt op de tafel kijkt ze mij vragend aan. Was zij het die mij gisteren heeft gebeld? Ik wil haar honderd vragen stellen. Er komt er slechts één. ‘Mag ik gaan?’ ‘Ik wil u graag nog en paar vragen stellen.’ Ik knik met tegenzin. ‘Was u op de hoogte dat hij hier al een aantal weken verbleef?’ Een aantal weken. De laatste keer dat ik hem sprak was in augustus, het is nu november. Ik heb mij intussen nooit afgevraagd waar hij was. Ik veronderstelde hem op zijn versleten sofa, voor zich uit starend naar de dag die langzaam voorbij drijft. De laatste weken lag hij dus hier en staarde hij naar een vaalwit plafond. En schuurde een deken van karton over zijn knieën. ‘Uw vader heeft verschillende keren bezoek gehad maar we kunnen haar niet bereiken. Er moeten nog papieren getekend worden en uw moeder kon dat vanmorgen niet doen.’ ‘U bedoelt dat mijn moeder is geweest?’ ‘Uw moeder was hier inderdaad vanmorgen maar enkel directe familie kan de formaliteiten afhandelen.’ ‘Ik dus.’ ‘Ja. Uw moeder suggereerde vanmorgen dat u waarschijnlijk niet ging komen. Wij hadden u dus niet verwacht. Maar nu u er bent kunt u het misschien afhandelen?’ Ze schuift de papieren naar mij toe en houdt een pen in de aanslag. Ik pak de pen zonder nadenken en kriebel mijn naam op de plaatsen die zij aanwijst. Drie handtekeningen bezegelen de overdracht, vanaf nu is mijn vader van mij. Maar wil ik hem wel?  De schuldbewuste blik in zijn ogen zag ik vaak als teken van onvermogen. Schuldig voelde ik me, onder die blik. Alsof ik het kon rechttrekken, alles wat krom was. Bach is opgehouden met spelen in mijn hoofd. Ik ging niet komen. Zij had gemeld dat ik niet ging komen. Hoe vaak had zij niet voor mij beslist wat de volgende stap ging zijn. Altijd een stap in de richting die zij aanwees. Ik was vier jaar geleden een ander pad ingeslagen maar mijn moeder denkt dat ik nog altijd achter haar loop, concentrerend op haar rug. Ik ging niet komen. Omdat zij beslist had dat ik niks meer met hem te maken wil hebben. Ik denk aan hem, op afstand, omdat niet aan hem denken hetzelfde zou zijn als erkennen dat hij heeft gefaald. Ik veronderstelde dat ik hem op afstand dichtbij kon houden. ‘U kunt vanaf nu de begrafenis regelen. Uw vader wordt zo dadelijk overgebracht naar het mortuarium. Daar kunt u verder afspreken of u nog een laatste groet voor de nabestaanden wenst.’ Ik kan dit, dit is wat dochters doen. Ik ga nu naar zijn huis en zoek daar in de lades van zijn lelijke tweedehands wandmeubel naar de namen die hij de laatste keer dat ik op bezoek was achteloos op een enveloppe van Telenet had geschreven. Hij streek hem een paar keer glad om te laten zien dat deze enveloppe niet bij het oud papier zou belanden. Hij gaf toe dat het er niet veel waren maar dat hij deze mensen graag op zijn begrafenis wilde. Het leek mij een daad van melancholie gepaard met een vorm van aandacht zoeken. Toen. Terwijl ik mijn auto uit de parkeergarage van het ziekenhuis manoeuvreer, bel ik met mijn moeder. In gedachte overloop ik het lijstje in mijn hoofd: niet ingaan op insinuaties; alleen reageren op wat er letterlijk wordt gezegd; rustig blijven ademhalen. ‘Moeder, ik ben bij papa geweest. ‘ ‘Ah, zo.’ Stilte. ‘Hij was allang niet goed. Hij dronk teveel, dat deed hij vroeger al. Maar recent is het verergerd denk ik.  Je kent je vader, het zou mij niet verbazen als hij zich doodgedronken heeft. ‘ ‘Hij heeft een nieuwe vrouw.’ Terwijl ik het zeg vind ik het kinderachtig klinken. ‘Ach kind, hoe kom je daar nu bij. Je vader kan niet eens een cavia onderhouden laat staan een vrouw.’  ‘Waarom heb jij me niet gebeld vanmorgen toen je naar het ziekenhuis ging. Je belt me elke dag met onzinverhalen en hierover hoor ik niks.’ ‘Kind, doe niet zo dramatisch. Ik wist dat ze jou gisteren al gebeld hadden. Ik had geen zin in jouw verwijten en ik ging ervan uit dat je toch niet zou komen. Een echte vader kan je hem toch moeilijk noemen…’ Ik hang op zonder nadenken. Ik heb nog nooit eerder een gesprek met mijn moeder beëindigd en ik heb er onmiddellijk spijt van. Ik had moeten doorvragen, haar op de rooster leggen tot ze zwart ziet. Ik heb een lijstje, overgeschreven bij de kapper uit een Feeling-artikel over dominante moeders, en daarmee probeer ik in elk gesprek één leugen te doorprikken. Vandaag is die poging opnieuw gesneuveld op het slagveld van mijn goede voornemens. Ik heb moeite mij te concentreren. De weg naar het huis van mijn vader ken ik alleen vanaf mijn appartement. De gps vertelt dat ik over een kwartier op mijn bestemming ben. Langzaam laveer ik mij door het drukke verkeer en in mijn hoofd tollen vragen die nood hebben aan een verklaring. Hoewel ik al heel mijn leven deskundig ben in het ontwijken van vragen die geen antwoord krijgen, voel ik dat die strategie op zijn einde loopt. Een nieuwe strategie dient zich vooralsnog niet aan. Op de radio zoek ik naar Klara in de hoop dat violen of cello’s mijn donkerste gedachten kunnen afwenden. Zelf heb ik nooit een instrument bespeeld. Op de een of andere manier is voor mij de taal van muziek alleen begrijpelijk als ik het hoor, zodra ik noten moet lezen en vervolgens mijn handen in beweging moet zetten, blokkeer ik. Er is geen weg tussen mijn hoofd en mijn handen. En ook niet tussen mijn hoofd en mijn hart. Aangekomen bedenk ik dat ik geen sleutel heb. Laten we hopen dat hij zijn buren vertrouwde en daar een sleutel achter liet. De vitrage van de buurvrouw beweegt licht als ik aanbel. Eerst kijken, dan beslissen. Ze  besluit gelukkig in mijn voordeel en opent de deur op een kier. Haar grijze haar steekt scherp af bij haar huid die is overwoekert met dunne haarvaatjes. ‘Sorry voor het storen, maar ik vroeg mij af of u een sleutel van mijn vader heeft.’ ‘Uw vader?’ ‘Ja, de buurman van nummer achtenzestig.’ ‘Ach nee meiske, uw vader spreekt met niemand dus ook niet met mij. Is hij niet thuis?’ ‘Hij ligt in het ziekenhuis en ik kom zijn papieren halen.’ Dood is een woord dat zich niet makkelijk nestelt in een vluchtig gesprek. ‘Ik denk dat uw vader de achterdeur altijd openlaat. U kunt het eventueel via mijn tuin proberen.’ Ze opent aarzelend de deur naar haar muffe gang. Ik probeer niet teveel om mij heen te kijken. Sporen van het dagelijks leven die de kwetsbaarheid van de bewoner blootlegt, roepen altijd lichte weerzin op. Haar tapijt, haar opbollend bloemenbehang, de lucht van haar oksels, ik durf niet te slikken bang dat de geur zich zal vastzetten in mijn keel. Ik rep mij naar haar achterdeur en stap opgelucht haar tuin in. De buurvrouw kijkt toe hoe ik onhandig over de betonnen tuinmuur klim. De tuin van mijn vader is die naam niet waardig. Het enige aanwezige groen probeert zich tussen tegels moeizaam een weg naar het licht te groeien.  Twee tuinstoelen en een verzakte windroos, waarschijnlijk neergezet door de vorige bewoners. Ik had hier nog nooit een voet gezet. Mijn vader waarschijnlijk ook niet.  De achterdeur is inderdaad open. Het huis is stil. Een dun laagje stof verraadt dat hier al een tijd niemand meer woont.  Het huis voelt net zo vreemd als het leven van mijn vader. Ik loop naar de kast waarin ik de enveloppe hoop te vinden om hier zo snel mogelijk weg te kunnen. De lades liggen vol met allerhande papieren, paperclips, een verlopen paspoort, rekeningen, uitgelopen pennen, een tangetje, oude sleutels. De stem van mijn vader klinkt door in onbenullige dingen. Af en toe stond hij aan de schoolpoort om een stukje met mij mee naar huis te lopen. Niet tot aan de voordeur en niets tegen mama zeggen. Heel soms gingen we samen op stap. De kleine kadootjes die hij me gaf, een zeepje of een sleutelhanger van smurfin, werden bij thuiskomst door mijn moeder resoluut in de vuilbak gesmeten. In mijn pubertijd wist ik niet goed of hij mijn vader mocht zijn, kon zijn, wilde zijn. Inmiddels had ik geleerd dat het antwoord door mijn moeder wordt gegeven. Het is goed zo, met z’n twee. Wij hebben niemand nodig. Zelfverklaarde onafhankelijkheid dat balanceert op het smalle koord van mijn beschikbaarheid. De laatste jaren belde ik hem, heel soms. Altijd op voorhand, om hem de kans te geven de schijn op te houden dat hij zijn leven onder controle heeft. Niets is zo onverbiddelijk als onverwacht bezoek. Hij had dan altijd een doosje After Eight klaar staan. Als decorstuk uit een gezamenlijk verleden. De eerste keer dat ik zo’n zakje open knisperde was op een van de zeldzame momenten dat we samen naar een speeltuin gingen, ik was twaalf. Hij had voor mij en een buurmeisje, een meisje van vijftien die al borstjes had, het groene doosje uit zijn binnenzak getoverd. We zaten op een bank en ik keek hoe het buurmeisje het platte chocolaatje langzaam maar ervaren op haar tong liet smelten. Ik beet er kleine stukjes af, bang dat het niet in één keer in mijn mond paste, en proefde chocolade met tandpasta. Vandaag dan toch onverwachts op bezoek. Een uitgedroogde handdoek over de radiator, de koelbox die dienst doet als bijzettafel. Zijn zetel staat er verloren bij, ernaast een matras tegen de muur. De laatste keer dat hij daar zat, op zijn schoot een pak friet met stoofvlees en een bamischijf apart, drupte langs zijn kin een beetje jus. Vreemd genoeg kon ik het wel verdragen. Een eettafel is er niet. Eten wordt dus altijd op de zetel gedaan. Picknicken voor tv heet dat. ‘Fijn dat je kon komen, Louise. Als ik geweten had hoe laat je zou komen had ik misschien kunnen koken. Enfin, iets klaarmaken. Maar neem gerust mijn bamischijf.’ ‘Direct na het werk had ik gezegd maar nee dank je, ik lust geen bamischijf en ik heb bovendien al eetplannen voor vanavond.’ Picknicken voor het journaal mag een eetplan heten. Op dat moment vroeg ik mij af hoe zijn leven er zou hebben uitgezien als mijn moeder niet was weggegaan. Dan had hij waarschijnlijk in haar rotan zetel gezeten, omringd door zorgvuldig bedachte nonchalance. Een stapeltje boeken, waargebeurde romans en reisboeken, strategisch met de rug gepositioneerd naar de onverwachte bezoeker. Souvenirs, al dan niet ter plaatse aangeschaft, en stoelen met batikdoeken losjes gedrapeerd. Azië is haar favoriete continent, wierook haar favoriete geur. Mijn vader rook naar klei en frieten. In mijn jaszak zoemt mijn telefoon onophoudelijk. ‘Ik wens niet dat je zomaar ophangt. Zo heb ik je niet opgevoed.’ Onafgeronde gesprekken zijn nooit mijn moeders sterkste kant geweest. ‘Ik ben thuis bij papa, ik ga zijn begrafenis regelen.’ ‘Zijn begrafenis. En hoe denk je dat te doen?’ ‘Dat weet ik niet maar het is belangrijk voor mij, denk ik.’ ‘Je vader heeft zich nooit om ons bekommerd. Hoe vaak heb ik niet alleen gezeten met al mijn zorgen over jou.’ ‘Hij is niet weggegaan, moeder. Dat was jouw keuze.’ ‘Sommige dingen in het leven zijn geen keuze. Als ik had mogen kiezen …’ Dan was je nooit met mijn vader getrouwd, dan was ik er niet geweest en zat je nu champagne te nippen in het Sheraton hotel in Bangkok. Ik hoef niet opnieuw te horen hoe niemand haar begrijpt. Hoe niemand haar serieus neemt en bewondert. ‘Ik moet gaan. Ik word terug in het ziekenhuis verwacht.’ Ik loop naar de kast en open de lade die ik in mijn haast had overgeslagen. Bovenop ligt de enveloppe op mij te wachten. Alsof hij wist dat ik hier zou staan, met het zweet in mijn handen en de moed in mijn schoenen. ‘Kop op, Louise, nog iets hoger. Zo’n flinke meid lukt het vast om tot bovenin het klimrek te klimmen.’ ‘Ik ga vallen en mama gaat boos zijn.’ ‘Niet bang zijn.’ In het ziekenhuis aangekomen, besef ik dat ik sinds vanmorgen niets meer heb gegeten. Hoewel mijn maag is gevuld met beton lijkt het mij toch een goed idee om eerst naar de cafetaria te gaan. Alles is beter dan nu de lift te nemen naar de kelder waar het mortuarium zich bevindt. Er zitten enkele mensen verspreid aan de plastic tafels. Het felgekleurde meubilair en het behang met foto’s van tropische kamerplanten kunnen niet verhullen dat ik met elke inademing ziekte en dood proef. Geen geanimeerde gesprekken maar zachte fluistertoon, bezoekers met familie of vrienden in pyjama op sloffen, al dan niet vergezeld van een infuus dat de hoop met gestage druppels in de bloedbaan sijpelt. Ik bestel een broodje kaas en een witte wijn. Kaas en wijn, altijd een goede combinatie zou mijn moeder zeggen. Hoewel het glas en de verpakking culinair weinig veelbelovend zijn, is het hopelijk goed genoeg om het trillen van mijn handen te stoppen. Ik zet mij aan het tafeltje in de hoek met mijn rug tegen de muur, uitzicht is een geruststellend iets. Onder het wegslikken van mijn broodje, koud en taai, voel ik de daadkracht uit mijn lijf vloeien. Ik voel mij als het lichaam van mijn vader. Verslagen en geradbraakt. Hoe kon ik voorspellen dat uit de maat lopen zoveel energie kost. Een berg beklimmen doe je in de voetstappen van je voorganger. Een pad waar je zelf aarzelend je voeten moet plaatsen, aftastend of de grond vlak genoeg is om je gewicht te dragen, heb ik nooit bewandeld. Alleen in mijn hoofd zoek ik naar omwegen en uitwegen. De tijd tikt traag weg op de klok van de cafetaria. Beneden mij, een verdieping lager ligt mijn vader. Te wachten, tot ik de laatste overblijfselen van zijn leven in goede banen leid. Hij weet niet dat ik mijn hoofd wegdraai als een kind dat niet wil kijken naar de wond die gaapt onder de gescheurde broek. Kijken doe ik alleen als de afstand groot genoeg is. Ik drink mijn wijn in één slok op, gooi wat overblijft van mijn broodje in de vuilnisbak en loop resoluut naar de uitgang van het ziekenhuis. Buiten valt de nacht. En de schrale wind droogt mijn tranen alsof ze er nooit zijn geweest. ***            

Carmen van Geffen
1 1

Vlinders op zak

                                                                           I. Een authentieke Rothko. Daar leek de zonsondergang op vanuit haar vierkant Boeing 787-8-raampje : alle kleuren van het prisma waren horizontaal vertegenwoordigd tegen een achtergrond van het diepste paars. Als het land waar we naartoe vliegen even rustgevend zal zijn als dit kleurenpallet, dagdroomde Tara, belooft het een prachtige trip te worden. Dat mocht ook wel: ze had tien jaar niet meer gevlogen en had net haar C4 gekregen op haar halftijdse job als secretaresse. Bovendien keek haar man amper naar haar om, zo druk had hij het de laatste tijd op zijn dierenartsenpraktijk. Ze piekerde erop los en tuurde in de verte, om alles even te kunnen vergeten. Waarom weet ik nu pas van het bestaan van m’n artistieke tante af? Het had me misschien al een hoop kopzorgen kunnen besparen, dacht Tara toen de stewards voorbijkwamen met krasloten. De onverzorgde man op de stoel naast haar kocht er meteen tien en begon fervent te krabben. Het schraapsel van de loten veegde hij op haar broek. Ze zei er niks van en verzonk terug in gepeins. Ze bedacht dat ze zich heel haar leven al een vreemde eend in de bijt had gevoeld in haar familie. Het vechten voor erkenning voor haar werk als artieste, zowel tegenover hen als daarbuiten, had haar al veel bloed, zweet en tranen gekost. Daarom had het onverwachte telefoontje uit Mexico vorige week haar als muziek in de oren geklonken: “Mevrouw Anne-Theresa Van Thillo, bekende fotografe en zus van uw vader,” deelde een advocaat haar in gebrekkig Engels mee, “wenste in haar testament u haar nalatenschap toe te vertrouwen, op voorwaarde dat u in eigen persoon alle papieren ter plaatse in orde komt brengen.” Gezien Anne-Theresa al enkele jaren sukkelde met haar gezondheid en hoge verzorgingskosten had gehad, was haar vergaard fortuin inmiddels geslonken tot enkele honderden euro’s. Was het daardoor dat ze haar laatste adem had uitgeblazen? Of was ze werkelijk aan het einde van haar krachten gekomen? Al deze vragen lagen op haar te wachten in Mexico, het artistieke walhalla van haar tante. Ze boekte vrijwel meteen haar ticket. Gelukkig had ze ooit al een zomercursus Spaans gevolgd, zodat ze er zich toch een béétje zou kunnen behelpen. Zelf zat Tara er ook niet meer zo warmpjes in, sinds ze zich had gefocust op het schilderen. Hoewel ze al enige naam verworven had in de kunst-business met haar laatste tentoonstellingen in Antwerpen, bleef het een kwestie van de eindjes aan elkaar te knopen, zélfs toen ze die halftijdse job nog had. Verre reizen naar exotische oorden had ze al lang uit haar regime geschrapt.  Daarom dat dit bericht haar een nieuwe impuls gaf. Ze was erdoor geroerd te weten dat ze al die jaren een artistieke tante had gehad, al hadden haar ouders haar daar nooit over verteld. En dat deze tante nota bene haar laatste centen aan háár toevertrouwd had! Het intrigeerde haar ook dat ze haar expliciet gevraagd had om de zaakjes ginder af te gaan handelen. Alsof er iets op haar wachtte, ook al zou er van dat ‘fortuin’ niet veel overblijven na deductie van de vliegkosten. Enkel haar man had ze ingelicht van haar plotse vertrek. Ze keek al uit naar de afspraak met de advocaat morgen.   “Ladies and gentlemen, the Captain has turned on the fasten seat belt sign. We are now crossing a zone of severe turbulence. Please return your seats and keep your seat belts fastened. Thank you.” Jeetje, dacht ze, hopelijk gaat dit snel voorbij. Buiten was het inmiddels pikdonker. Ze concentreerde zich op haar ademhaling. De bemanning leek gelukkig heel rustig. Een tiental minuten later was alles weer normaal. Ze besloot in te dutten en haar welbehouden oversteek verder volledig in handen te geven van Whyfly.                                                                             II.   Ze was blij dat ze na 13 uur vliegen -waarvan 7 naast een stinkende man met overgewicht- uit haar knellende stoel verlost werd. Bovendien werd ze opgewacht door een puike, afgeborstelde man in donkerblauw pak aan de toeristenuitgang van de luchthaven van Mexico City. Hij hield een bordje “Sra Tara Van Thillo” vast. Toen ze naar hem toe stapte, stelde hij zich voor en vroeg hij heel beleefd of ze een goede vlucht had gehad. Hij nodigde haar meteen uit voor een kort gesprek in de loge van het Hilton-hotel tegenover de luchthaven. Deze was immens en veel moderner ingericht dan ze verwacht had, in natuurlijke zandtinten. “Dus je hebt haar nooit gekend, je tante?” vroeg de advocaat.                                  “Nee, helaas niet. Gek he?!” zei Tara. “Ik ben wel benieuwd meer over haar te weten te komen.” “Dat zal wel. Je tante had een joviale, warme persoonlijkheid. En ze was best gekend in Mexico als fotografe. Je zal nog wel werk van haar zien. Hoelang blijf je?” vroeg ie. “Zes weken, denk ik ongeveer, maar ik heb nog geen terugvlucht geboekt, daarvoor dacht ik de erfenis te benutten” en ze checkte even haar telefoon of ze hier ontvangst had. De advocaat onderdrukte een zenuwachtig kuchje. Een zweetparel liep van zijn slapen. “Wel, ik wens je heel veel plezier. Hier zijn de sleutels van haar laatste verblijfplaats, een gehuurd appartement. Eén van de buitendeur, en één van het appartement, op de vijfde verdieping. Je kan zolang wel blijven denk ik want de eigenaar is nog op zoek naar een nieuwe huurder. Het is wel al grotendeels leeggemaakt. Wat er overblijft van haar vermogen zal je in een bankkluis vinden. OK? En hier heb je ook nog een brief van haar, gericht aan jou.” “O zo fijn, hartelijk dank. Zeg en wat een mooie sleutelhanger, en zo’n prachtige vlinder erop!” zei ze bewonderend. “Die? O ja, die is gemaakt van jade, een groene natuursteen. Volgens de Maya’s en Azteken was het een geluksbrenger: hij zou je een voorspoedig leven bezorgen, of zelfs onsterfelijkheid.” “En deze vlinder heeft ook een masker op zijn rug. Wat toevallig! Maar het lijkt geen doodshoofdvlinder. Deze soort heb ik nog nooit gezien!” kirde ze opgewekt. “Hmm… je gaat nog veel leuks tegenkomen in Mexico, daar ben ik zeker van. Het adres van het appartement had je ook al gekregen en de sleutel en de code van de bankkluis krijg je woensdag, op onze nieuwe afspraak om 10 uur in het café vlakbij het appartement. Ik moet nog ’t één en ’t ander in orde brengen. Lukt dat?” “Zeker. En ik kan gewoon het openbaar vervoer nemen om naar het appartement te gaan?” “Ja, of een taxi als je meer privacy wil, die zijn hier veel goedkoper dan in Europa”, en hij trok één mondhoek omhoog. Ze zag nu een gouden hoektand fonkelen in zijn gebit, met een diamant erin, wellicht als barometer voor zijn professioneel succes. Ze keek nog es goed naar hem. Wat raar dat hij nog dingen moest regelen, dacht ze. Haar tante was toch al even overleden ondertussen? En als de erfenis toch niet zo veel bedroeg… En wat gek van die diamant. Het leek haar eerder iets voor een rapper of een zware jongen dan voor een zakenman. Enfin, ze maakte zicht vast onnodig zorgen. Ze keek nog es op haar gsm, maar ze zag nog steeds geen signaal. Dat wilde ze ook zo snel mogelijk in orde brengen, die gsm-connectie. “Zo. Dat zijn dan 6100 pesos alstublieft. U kan -liefst zo snel mogelijk- betalen per overschrijving op dit rekeningnummer”, en hij overhandigde zijn visitekaartje met alle gegevens op. “Carlos Solano Ingenuo. Abogado….” “Euh. 6100 pesos. Dat zijn euh…” “285 euro, ja” dat zal wel lukken met die erfenis van u weldra. Nu moet ik gaan. Er wacht me een volgende afspraak.” Hij nam afscheid met een stevige handdruk. Ze rook plots een walm van sterke drank. Voor hij wegging, streek hij nog even door zijn gitzwarte haren, zette zijn pikzwarte zonnebril op en stapte in lang rechts in een zwarte auto met geblindeerde ramen en onzichtbare chauffeur. De wagen scheerde met piepende banden weg.                                                                          III. Tara draaide de sleutel in het slot. Het duurde een volle vijf minuten eer ze ook maar enige beweging in de voordeur kreeg. Op de binnenkoer lag her en der speelgoed en wat rommel verspreid. Er waren ook stukken plaaster van de gevels naar beneden gevallen. Tientallen planten stonden in kleurrijke potten tegen de buitengevels. Op het dak joegen twee krolse katten elkaar met loeiende sirenes achterna. Achter een stalen deur vond ze de traphal naar de appartementen. Ze beklom de 5 verdiepingen. Luid gepraat weerklonk van achter de deuren, en televisie in het Spaans met Mexicaans accent. De houten deur van haar appartement ging gemakkelijker open. Het was er eenvoudig, maar netjes. De meeste meubelen waren inderdaad al weg, behalve een bed en wat keukengerei. Aan de muur boven het bed hing een foto van tante, tijdens één van haar fotovernissages. Ze leek niet echt op Tara’s vader en had eerder iets weg van haar grootmoeder. Daaronder hing een foto van Anne-Theresa met een oudere man. Ze stonden voor een bizar uitziend gebouw met surrealistische trekjes, te midden van een oerwoud. Haar haar was in vlechten omhoog gestoken, afgewerkt met roze hibiscus-bloemen. Ze droeg grote gouden oorbellen. Tara haalde het kader van de muur en tuurde er lang naar. Toen ze het terug wilde hangen, viel er een gevouwen A5’je uit. Het was een kort liefdesgedicht in het Spaans, ondertekend door Sir Edward Jade.                                                                 “Poco a poco,                                 Suave como tu cantar,                                 Has sido envenenándome de ti, de tu savia,                                 De tu veneno fresco y Flamenco.                                 Flamenca Maga                                 Me tienes en tus manos                                 Y me lees como un libro.                                Me rompes y me curas.                                Sabes, me pone loco no verte durante tanto tiempo.                                Como lo hago sin mi Elfa mágica que con un abrazo                                Me roba, me convierte,                                Me baila, me sopla y                                Me cante entre otros maravillas.                               Estoy enamorado de usted, y usted lo sabe no?                               Tu mirada que me habla,                               Tu cordura y tus aretes, y                               Tus aceites y tu pony de niña...                                  Un suspiro.”                                                                      Sir Edwarde Jade   Tara herlas het  briefje meerdere keren. In haar bescheiden Spaans kon ze toch al begrijpen dat zijzelf tot nu toe nog nooit zulke poëtische brief gekregen had. Plots wekten spelende kinderen op de binnenkoer haar nieuwsgierigheid. Ze hing het kader terug en stak het briefje terug op zijn oorspronkelijke plek. De kids waren enthousiast aan het voetballen. Vanuit het andere raam zag ze een horde luid zingende lagere schoolkinderen voorbijgaan, hand in hand en per twee, de juf enthousiast zingend vooraan. Noch voor haar, noch voor deze kids leek het schoolgaan een ‘opdracht’. Ze zongen toonvast, vol overtuiging en stapten in cadans op het ritme van de melodie. Op een bank ernaast zat een jong koppeltje te kussen onder een paarse Jacaranda (de naam van die veel voorkomende boom in Latijns-Amerika had ze al opgezocht in haar Lonely Planet-gids!). Dit idyllische uitzicht werd verstoord door gestommel op de trappen. Een moeder riep luidkeels haar kinderen naar binnen. Een deur sloeg dicht. Toen Tara de gang opging om te gaan kijken, holden de kinderen haar voorbij en begroetten haar in een vrolijk Spaans. Ze renden ze haastig weer terug naar beneden, deze keer naar buiten. De moeder stond hen nog na te roepen van achter de balustrade op de hoogste verdieping en draaide zich nu boos om, ging haar flat terug binnen en sloot de deur achter zich. Tegen de balustrade stonden meerdere vuilniszakken uitgestald, waaruit een vies goedje naar beneden drupte. Terug binnen ging ze op het bed zitten om de brief van haar tante te lezen die ze van de advocaat had gekregen.   “Liefste Tara, Het spijt me dat ik nu pas van me laat horen. Sommige familiezaken kan je maar beter z’n gang laten gaan, al heb ik altijd van je gehouden sinds ik wist dat je geboren was. Zelf heb ik nooit kinderen gekregen. Niet alles wat we willen beheersen ligt altijd binnen ons bereik. Soms is het zelfs zo dat hoe harder we proberen, hoe harder het ons ontglipt. Maar toch wil ik alsnog iets voor jou proberen te betekenen, al kunnen we elkaar niet meer live spreken nu. Voordat ik in het appartement in Mexico DF introk, waar jij nu allicht verblijft, woonde ik met Sir Edward Jade, een Australisch-Mexicaanse beeldhouwer en architect in een prachtig bouwsel van hem, in een subtropisch woud ten Noorden van Mexico. Ik zou graag hebben dat je daar naartoe reist, al is het om te zien hoe paradijselijk het er was. Ik weet dat ik niet veel fortuin kan nalaten, maar daar heb ik ook nog twee van mijn allermooiste kunstfoto’s bewaard. Het staat je vrij ermee te doen wat je wil. Eduardo Junior zal je hen tonen, zo heb ik hem opgedragen. Eduardo is de zoon uit een ander huwelijk van Sir Jade. Hier is het adres en zijn telefoonnummer. Wacht er niet te lang mee, want dit appartement zal weldra verhuurd worden.   Veel liefs, uit het diepste van mijn hart. Het ga je goed, Je tante, Anne-Theresa Van Thillo.  PS Mag ik vragen in ruil om de liefdesbrieven die Edward aan me schreef, goed bij te houden? Het is het kostbaarste wat ik had. Ze liggen in de bankkluis, samen met de erfenisdocumenten (waarmee je het geld kan innen van mijn rekening) en wat juwelen.”                                                                                IV. ’s Anderendaags ging ze de buurt verkennen, met haar foto-apparaat als trouwste vriend rond haar nek. Ze wilde even alles op een rijtje zetten en de brief van haar tante laten bezinken. In een park zag ze gigantische eekhoorns. Op een bonte openluchtmarkt lagen sandalen van autobanden uitgestald naast tortilla’s en meelwormen. Clowns en straatartiesten deden bezwerende kunstjes en jonge koppeltjes probeerden te overleven van zelfgemaakte juwelen. Zelf geknutselde Jezussen en Maria’s waakten over dit folkloristisch schouwspel vanop een kleurrijk altaartje en zagen dat alles goed was. Tegen 2 uur ’s middags ging ze het café binnen, nabij haar tantes appartement.  De anti-tabakswet was er duidelijk nog niet van kracht. Aan de toog hingen enkele mannen met houthakkershemd en ranzige buik te vegeteren. De klok leek stil te staan voor hen. Ze bestelde een café con leche. Vanuit hun ooghoeken namen ze haar behoedzaam op van kop tot teen, en weer omhoog. Op de achtergrond weerklonk een bonte en tijdloze mix van “Besame mucho” van Pedro Infante, de Negende van Beethoven en Rihanna’s “Shine bright like a diamond”. Opeens zag ze een bordje op de toog staan met: “Prohibido a mujeres, menores y uniformados” erop.  Wanneer de serveur haar koffie kwam  brengen wees ze verontschuldigend naar het bordje, maar de ober stelde haar gerust en zei: “Voor toeristen maken we een onderscheid. Verblijft u hier ergens?” En ze vertelde dat ze het nichtje was van Anne-Theresa Van Thillo en dat ze de plek en het land kwam verkennen waar haar tante zo lang gewoond had. “Innige deelneming,” zei de cafébaas in het Spaans. “Señora Van Thillo was een vriendelijke dame. Een beetje gek wel, zoals alle vrouwen, maar vooral de artiestes!” Bulderde hij van het lachen. De tooggangers vielen hem bij als verveelde rottweilers die zich opjutten tegen een kleine chihuahua. Tara had geen zin om hier uren te blijven rondhangen en stond op zodra haar koffie uit was, want ze had ook honger gekregen. De volgende ochtend ging ze tijdig naar haar afspraak met de advocaat, in diezelfde bar nabij haar appartement. Er was meer geroezemoes dan de dag ervoor. Venders van cigaretten en traditionele armbandjes kwamen regelmatig binnen om hun waar aan cafégangers proberen te verpatsen. Ze bestelde weer een een con leche en checkte nogmaals het bereik van haar smartphone, maar hij was nog steeds dood. Daar moest ze straks toch ook dringend es gaan naar informeren, dacht ze, en bladerde wat in een magazine die op haar tafeltje lag. Haar man zal misschien toch willen weten of ze goed is aangekomen. Toch probeerde ze de laatste tijd zich niet meer zo aanhankelijk op te stellen. Dat werkte immers nooit bij hem. Zonder het te merken ging er een halfuur voorbij. Eén van de ongeschoren mannen aan de toog kwam van zijn kruk en sprak haar aan in een onbegrijpelijke taal. Ofwel was ie straalbezopen (wellicht sowieso het geval), ofwel moest het één of andere traditionele Mexicaanse taal zijn, dacht ze. Ze gebaarde onbegrijpend naar zijn makker op de andere kruk, om te vragen wat ie haar wilde vertellen. Deze vertaalde: “Pregunta que si Usted está esperando a alguien?” Beide mannen keken haar nu iets te begeerlijk aan. Hun buiken puilden uit hun joggingbroeken. Gouden kettingen met amuletten van Jezus Christus en het heilige kruis bengelden tussen hun borsthaar. De ene man kwam op haar tafeltje leunen. Zijn navel niet meer te bespeuren in het landschap van weelderig gevouwen buikorgaan, dat zich golvend en blubberend voor haar ogen voltrok. Op de radio klonk het salsanummer “Me liberé”. Zou ze hen kunnen vertrouwen, vroeg ze zich af? Nu ja, als ze discreet bleef, zou er vast niks mis kunnen gaan. En ze zei dat ze op Mr. Carlos Solano Ingenuo wachtte, de advocaat. De twee mannen keken elkaar plots verschrikt aan. Ze leken als door een bliksem getroffen en wisten de eerste seconden niets uit te brengen. Oei, ik zal toch niks verkeerd gezegd hebben, dacht ze. De man met het inheemse dialect nam de krant beet die slordig op een tafeltje lag en drukte die snel in haar handen. “El abogado Carlos Solano, met kort haar en gouden tand? Dat zal niet meer mogelijk zijn vandaag” zei ie, wijzend op pagina 3 van de krant. Daar stond in het groot een foto van haar advocaat met in het vet: “Abogado recibe 3 años de cárcel para un asunto de narcotráfico” (nvdr “Advocaat krijgt 3 jaar owv drugshandel”). Onderaan stond in het klein een extra foto waarop je hem met gebogen hoofd zag weggevoerd worden door politiemannen. Nee, dacht ze, dit kon niet waar zijn? Zou mijn tante geweten hebben dat hij bij louche zaakjes betrokken was? Ze keek nog es naar de twee cafégangers, maar deze bestelden een nieuw Sol-biertje en staarden zwijgend voor zich uit. Buiten reed een combi traag voorbij met de raampjes naar beneden. Twee agenten keken naar binnen om een oogje in het zeil te houden. Tara wist even niet wat te doen of wie nog te vertrouwen. Ze had al gehoord dat politie in Afrika of Latijns-Amerika vaak even corrupt waren als de criminelen die ze vervolgen, maar tenslotte had haar tante deze advocaat in vertrouwen genomen. Wilde ze die foto’s en liefdesbrieven van haar grootmoeder in bewaring nemen zoals ze haar gevraagd had, en een terugvlucht zien te verzilveren, zou ze ervoor moeten zorgen dat ze die sleutel van die kluis te pakken kreeg. Maar hoe? De baas bood haar een nieuwe koffie aan om even te bekomen van alles. Toch sympathiek, dacht ze. Toen ze de melk door haar koffie wilde roeren, bemerkte ze dat er een papiertje onder de tas zat geschoven met daarop gekribbeld: “Vuelva aqui a la una de la noche cuando cierro el bar. Sé donde está lo que usted está buscando. Procure usted 5850 pesos.” (nvdr “Kom om één uur vannacht terug wanneer ik de bar sluit. Ik weet waar hetgeen u zoekt zich bevindt. Breng 5850 pesos mee.”) Ze keek nu spichtig naar de cafébaas, die met zijn rug naar haar toegekeerd de glazen stond af te drogen en ze op het rek achter de toog zette. Jeetje, dacht ze, zou hij me straks de sleutel gaan overhandigen? Of zal hij me gewoon willen bestelen, of wie weet wat nog? Ze stelde alvast de wekker op 01.00 uur in op haar gsm. Als ze wilde betalen voor haar koffie zag ze dat haar handtas die ze op haar stoel naast haar gezet had er niet meer was. “Ook dat nog!” zei ze luidop. Ze had misschien niet zoveel Stephen King moeten lezen de avond ervoor. Gelukkig had ze de sleutels van het appartement nog en haar foto-apparaat rond haar nek. Ze vroeg aan de cafébaas of hij iets gezien had. “Nee,” zei ie, “je moet goed op je spullen letten, want dieven liggen hier overal op de loer” en beet met luide krak een tandenstoker in twee. Toen ze vroeg waar ze het dichtstbijzijnde politiekantoor kon vinden, legde hij haar met lange tanden uit hoe ze er naartoe kon gaan. “Maar die gaan je niet kunnen helpen hoor, sweety.” Twee dagen in Mexico en ik lijk al verzeild in criminaliteit, dacht ze bij zichzelf! En zij die de extreem gewelddadige beeldvorming van dit land in Amerikaanse films steeds had afgedaan als overdreven. Of was dit gewoon een spijtig en uitzonderlijk toeval? Compleet van haar melk, ging ze langs op het politiekantoor. Grote Mechelaars lagen op de deurmat voor de ingang los en ongemuilkorfd te slapen. Ze keken niet op toen ze binnenkwam. Drie stoere agenten stonden te praten met elkaar, een koffietje in de hand. Als ze binnenkwam, werd ze tweemaal van kop tot teen bekeken. Ze begroetten haar en vroegen: “dus je bent alleen, hier in Mexico?” Ja zegt ze. “Maar je spreekt Spaans, dat is al goed nietwaar!” liet hij als een compliment klinken. Ze vertelde dat ze zopas bestolen werd, maar verzweeg de nakende afpersing door de cafébaas. Eén van de mannen vroeg haar te gaan zitten en ze deed een beetje zenuwachtig haar aangifte. Ze hoopte dat ze er niet verdacht uitzag. Ze had toch ook niets te verbergen, toch? Eens buiten, besloot ze even langs het appartement te gaan om van alles wat te bekomen en vond een boekje onder het bed: “Cien sonetas de amor” van Pablo Neruda. Ze las er een paar gedichten uit en viel dan in slaap op haar bed. In haar dromen zag ze iemand met een groen masker op van één of andere precolumbiaanse stam, naar haar wenken, al zingend in een voor haar geheel onbegrijpelijke taal. In haar reisgids had ze dezelfde maskers zien verschijnen bij de Maya’s en Azteken. Ze kwam dichterbij. Dan deed de persoon zijn masker af. Het was haar tante. Ze gaf nu het masker aan haar en gebood haar het op te zetten. Meteen voelde ze zich anders: licht en lyrisch leek ze te zweven in een gelukzalige trance. Alles en iedereen om haar heen scheen haar liefdevol, in idyllische kleuren toe. Een man met weelderig zwarte krullen stond in een lang wit kleed te dansen voor een groep vrouwen. Ze volgden blindelings zijn bewegingen, wiegend op muziek. Hij nodigde haar uit om mee te doen. Dan schrok ze door luid gestommel, wakker uit haar droom. Ze hoorde weer joelende kinderen de trap afhollen en hun moeder die achterna tierde. Om één uur ’s nachts kraaide de haan op haar gsm.                                                                             V. Omgekocht door de cafébaas en nog een duizendtal euros lichter aan bank- en notariskosten, kon ze eindelijk richting het kasteel vertrekken, waar haar tante het grootste deel van haar leven had doorgebracht als fotografe. Haar gsm-bereik was intussen ook in orde. Kotsend van de haarspeldbochten kwam ze de bus uit gestrompeld bij aankomst. Ze was zelden zo wagenziek geweest, maar de aanblik van zoveel groene exotische weelde en de rust, deden haar al snel bij positieven komen. Eduardo Jade Junior deed niet open toen ze na lang zoeken een koperen deurbel vond. Het was zijn sirviente, die haar vriendelijk gebood binnen te komen en te wachten op hem in een naar vanille en cocos geurend vertrek. Ze bood haar een tas verkwikkende chocolade aan van zelfgeroosterde cacaobonen. Na een halfuurtje kwam Jade Junior binnen, met enkele mango’s. “Ah jij moet het nichtje van Anne-Theresa zijn, riep ie uitbundig uit, en hij begroette haar hartelijk en met een stevige omhelzing. “Dat klopt” zei ze blozend. Even later leidde hij haar rond in de tuin en de natuur rondom het kasteel. Ze had nog nooit subtropische planten en bomen in het echt gezien. De geluiden van de dieren op de achtergrond waren betoverend mooi. “Dit was de lievelingsfontein van mijn vader” zei Jade Jr. Hij deed zijn teenslippers uit en liep door het koele water. “Kom je mee?” Beiden waadden ze door de heldere bron. Plots vloog er een zwerm grote, helblauwe vlinders voorbij. Ze fladderden even rond Jade. Eén ervan ging zelfs zitten op zijn schouder. De vlinder had een tekening van een masker op z’n rug. “Maar dat is dezelfde vlinder als op de steen van mijn sleutelhanger?!” riep Tara verrast uit. “O, heeft zij je die sleutelhanger gegeven?” vroeg Jade. “Wat leuk!” “Mijn vader gaf het haar ooit cadeau, geloof ik. Wist je dat deze vlindersoort nog nooit geregistreerd werd, door geen enkele botanicus ter wereld. Maar dat is ons geheimpje, beloofd?” “Ok, ik zweer het op het graf van mijn tante zaliger. Maar ik ga toch een foto van je nemen met die vlinder op je rug. Blijf nog even stil zitten!” Nadien klauterden ze de heuvel op, naast de fontein. Op de takken van de bomen die hen omringden, groeiden weelderige varens. Door het gebladerte brandde de hete zon niet zo fel op haar hoofd. Vanaf hier hadden ze een wondermooi uitzicht over gans het woud en de omgeving. Het kasteel was eigenlijk geen echt kasteel, maar een verzameling knotsgekke, kleurrijke bouwsels die planten en bloemen uitbeeldden. Ze keek nog es goed naar Jade en moest toegeven dat ze nog nooit zo’n warmhartig en knap natuurmens ontmoet had. Een zwerm vlinders leek nu door haar onderbuik te razen en haar op te tillen tot hoog boven de heuvel. Ze besloot dat ze zich de komende dagen niet zou inhouden voor wat dan ook en zich volledig zou overgeven aan de natuur en deze zalige zinnenpracht. Haar man had haar al lang genoeg genegeerd en van constructieve gesprekken was er de laatste maanden niet echt sprake geweest. Eens terug binnen, liet Jade haar de twee grote foto’s in kader zien waar haar tante van gesproken had. De ene beeldde een traditionele sjamaan met gevederd hoofddeksel uit. Op de andere stond een meisje met lange vlecht naar een strand te staren, met de sleutelhanger van jade in haar hand! Tara voelde ineens iets warm langs haar arm omhoog glijden: het was de jadesteen van haar sleutelhanger, die Jade vast had. Hij gleed er behoedzaam mee naar boven, over haar schouder tot in haar nek, verder langs haar sleutelbeenderen tot in het kuiltje van haar hals, tot bij haar lippen. Hij sloot z’n ogen. Ze sloot haar ogen. Hij zoende haar voorzichtig, genietend van elke seconde, elke beweging, in perfecte harmonie met alle natuurgeluiden rondom. Vier weken gingen er zo voorbij. Tara had de gedachte aan haar terugvlucht zo lang mogelijk uitgesteld. Op een ochtend kreeg ze een berichtje in haar inbox. “Tara, ik mis je. Het spijt me dat ik zo koppig was. Waar ben je? Laat je me iets weten? Je echtgenoot.” Ze vertelde aan Jade dat ze nog geen terugvlucht geboekt had, maar dat ze dit nu wel overwoog. Dit leven hier was als een droom, maar niet de hare. Ze paste niet in het plaatje. Of durfde niet. Bovendien was ze nog getrouwd. Ze wist alleen niet hoe ze die vlucht zou betalen. Jade streelde door haar haren. “No te preocupes, mi amor” zei ie zachtjes. De week erop ging ie naar Mexico City om de twee foto’s aan een galerij te verkopen. De eigenaars waren vrienden van de familie. Tara had zichzelf plechtig beloofd om de foto’s ooit terug te nemen als ze genoeg geld zou verdienen met haar eigen kunstwerken en ze sloten een deal.   Bij hun afscheid op de luchthaven kraaiden honderd kaketoes en duizend hyena’s huilden in de donkere nacht.                                                                                            VI.   “Geef toe, het was geen slecht idee he, die digitale afdruk van die vlinder te schilderen?” zei Tara trots tegen haar man. “Dat heb je zoals altijd super gedaan, schat, en dat op slechts enkele weken tijd” antwoordde hij en hij wiegde haar zachtjes in zijn armen terwijl hij op haar oorlel knabbelde en over haar bolle buikje wreef. “En ik ben ook zo blij met ons aanstaande cadeautje” neuriede hij in haar oor. “Niet te familiair worden he zoet, de pers wil ook nog een stukje van me, straks. Dat is wel de nationale TV-zender die hier naartoe gekomen is he!” en ze maakte zich uit zijn armen los om toe te stappen op de reporter die haar werk aan het filmen was. “Heeft u nu even tijd voor een interview, mevrouw Van Thillo?”   “Jazeker, shoot!” maar ze checkte eerst nog even haar gsm, die ze voelde zoemen in haar broekzak, trillend tegen de sleutelhanger van jade.

Lena
12 0

De havik, de villa en de draak

Het landgoed was een kwartier van de kleine haven verwijdert, had meneer Hawk gezegd. Het enige dat me opviel terwijl hij ons leidde, was dat er niets echt opviel. Er was geen dorp, winkel of elektriciteitspaal te zien. Enkel dezelfde groene bomen aan weerskanten, in twee gespleten door de smalle zandweg. De weg zat vol gaten, en het water spatte hoog op als we hobbelden. Het was bijna even ongemakkelijk als de boottocht hier naartoe. Ik aaide Mimi, zelfs zij leek het spannend te vinden.Pa zat alleen achteraan met zijn armen gekruist. Vreemd dat ook hij nooit iets hiervan geweten had. Dat mama hier vandaan kwam. Het leek me een vreemde toevalligheid dat ze Nederlands kon spreken toen ze mijn vader ontmoette. Een taal van amper twintig miljoen sprekers. Dit eiland kon ons de antwoorden geven die ik lang gezocht had. Haar mysterie kon misschien eindelijk ontrafeld worden.Voor ik langer in mijn gedachten kon vertoeven, vertraagde de camionette en draaide het naar links. Ik hoorde het geknisper van kiezels dat geplet werden onder de grote banden. De bomen wijkten uit en maakten plaats voor een grote, ronde plein. In het midden daarvan stond de villa. Al leek het eerder een kasteel. De façade bestond uit bruine bakstenen, hoewel ze misschien ooit rood waren geweest. Andere delen van het gebouw bestonden dan weer uit natuursteen, grillig van vorm en glad. Klimop groeide aan de schaduwkant van het gebouw, helemaal tot aan het dak. Er was een toren met een plat dak en grijze kantelen. Grote ramen weerspiegelden de groene bossen rond het gebouw. Ik vroeg me af wat het gebouw hier deed, wie het hier had neergezet en waarom. Waarschijnlijk kon er een heel dorp in wonen, zo groot was het. Statige trappen brachten je naar de imposante dubbele deuren uit donkerbruin hout met een gulden deurknop. Dit was een residentie voor prinsen en presidenten. Voor schrijvers met rijke vrienden. Voor een excentrieke uitvinder die na zijn ontwerp te hebben verkocht, een plek zocht om rustig te kunnen leven. Ik was geen van die dingen en toch was ik hier. ‘Zo, genoeg gezien om me te geloven?’ vroeg meneer Hawk toen hij de camionette stillegde. De airco stopte, en er volgde een complete stilte. Hawk draaide zich om en keek me aan met zijn blauwe ogen achter zijn ronde bril. Zijn blik leek door mijn hoofd te kunnen zien. ‘Dit is onmogelijk,’ zei ik. ‘Dit ís onmogelijk,’ beaamde mijn vader van achter. ‘Waarom zou een tante die haar nog nooit heeft gezien, haar zomaar een kasteel op een eiland nalaten?’ ‘U weet allicht wel dat ik een goede band had met uw schoonzus, meneer Davids. Samen hebben we veel bereikt in deze wereld. We hebben in Zuid Afrika gejaagd op de Beezelpus. In Turkije op de Hoveratu. In Groenland op de Mordenkan en de Inal. Talloze keren redde ze mijn leven. Het was een speciale vrouw, moet u weten. Met haar geheimen en ideeën over de wereld. Maar in al haar reizen heeft ze nooit de liefde gevonden. Nooit is ze getrouwd of heeft ze kinderen gebaren. Er was niemand anders dan jouw dochter die het verder kon zetten.’ ‘Ik? Wat moet ik verder zetten?’ vroeg ik. Er zaten duizend vragen in mijn hoofd, tot die laatste zin viel. ‘Wel, het verhaal natuurlijk. De legende.’ Na dat gezegd te hebben, deed hij de deur open en stapte hij naar buiten. Hij strekte zijn armen uit alsof hij de hemel wou omhelzen. Ik keek naar pap, hij haalde zijn schouders op. ‘Komen jullie nog? Er is veel meer te zien dan het interieur van een voertuig, geloof me.’Mimi volgde de man naar buiten en rende richting de villa, haar staart omhoog. Ik stapte uit. ‘Pa, kom je?’ Hij gromde en stond op. De camionette waggelde terwijl hij zich naar voor begaf. Ik draaide me om en keek rond. Mimi was al uit het zicht. ‘Als je nog steeds denkt dat dit een grap is, meneer Davids, dan verzeker ik u, dat is het niet. Ik ga mijn tijd niet verdoen met het opzoeken van een meisje om haar uit te nodigen naar Nieuw Zeeland, alleen maar om haar op te lichten. En ik zou zeker niet de tickets betalen en haar vader mee uitnodigen.’ ‘Welke legende? Wat was mijn tante dan?’ vroeg ik meneer Hawk, terwijl hij met een stevige tred naar de trappen liep. ‘Je komt er weldra achter, mag ik eerst-’ Zodra zijn hand aan de klink kwam, ging de deur open en een dikke man stormde naar buiten. Hij leek het meest op een dikke mimespeler uit de cartoons, alleen zonder de make-up, hij droeg een ruime, zwarte kleren. De man ontweek meneer Hawk dat zijn arm uitstrekte en omhelsde me. Ik hoorde mijn rug kraken, voelde mijn ribben buigen en rook een zweetlucht. Voor ik kon beslissen wat het ergste was, liet hij me los en keek me glunderend aan. Alsof ik een puppie was dat voor het eerst de krant had gebracht.‘Mras-kapala, wadunkan kunkan ukanuk.’ ‘Ehh,’ stamelde ik.‘Nee!’ zei meneer Hawk. ‘Af! Naar binnen!’ De vreemde man sprak verder in zijn vreemde taal. Er kwam blijkbaar veel speeksel bij kijken voor een goede uitspraak. ‘Het spijt me,’ zei meneer Hawk. ‘Hij had moeten wachten.’ ‘Meis, alles okee?’ pa kwam aangelopen. Ik knikte en kuchte. ‘Wie was dat? Woont hij hier ook?’ vroeg hij aan de advocaat. ‘Natuurlijk, meneer. U dacht toch niet dat deze villa leeg zou staan?’ ‘Jullie hebben vreemd personeel.’ ‘Oh nee, u begrijpt het verkeerd,’ zei hij tegen mijn vader, toen draaide hij zich terug naar mij. ‘ Uw tante heeft nooit echt personeel gehad, Aurélie. Dit zijn haar gasten.’ Toen stapte hij de drempel over, wij volgden. Ik haperde, alsof mijn hoofd een seconde leeg was. Van buiten leek de villa gigantisch, maar eens binnen drong het echt door.Ik zag een enorme hal, met een dubbele trap tegenover. Er waren vier deuren aan de linker en rechter kant, en twee achter de trappen. De tegels waren zwart en wit, als een enorm schaakbord. Er hing een luster dat zo uit Versailles leek te komen. De vreemde man brabbelde nog steeds verder, en keek me aan terwijl hij langzaam de trap opliep. ‘Welke taal spreekt hij?’ vroeg ik. ‘Dat weet je toch al, niet dan?’ zei meneer Hawk. Ik stamelde. ‘Je weet al hoe het werkt, denk eens terug aan de mail die je me schreef, drie dagen geleden.’ Ik dacht even na, toen wist ik het; de steen! Ik grabbelde in mijn broekzak en haalde toen de steen naar boven.Het was een smaragd groene steen met een gat in het midden, een beetje als een oneven ring. Maar het diende niet om aan je vinger gezet te worden. ‘Je vader is misschien moeilijker te overtuigen, maar jij wist het natuurlijk al.’ Meneer Hawk glimlachte naar me en knikte. ‘Wist wat al?’ vroeg mijn pa. Ik zette de steen voor mijn rechteroog en pitste de linker dicht en alles wat ik zag veranderde. Er was een regenboog in de kamer gevallen. Alles zag er anders uit, alsof je onder water naar de zon keek, maar dan met talloze kleuren. De vreemde mime-man dat me zojuist omhelst had, was nu een soort krokodil met kleine vleugels geworden. Hij keek me grijnzend aan terwijl hij op zijn achterste poten de trap opliep. ‘We gaan nog lol hebben, samen. Ik kan niet wachten!’ zei hij. Uit de voegen van de vloer kwam een paarse wolk. Meneer Hawk zag er hetzelfde uit, alleen droeg hij iets op zijn rug. Het leek wel een zwaard. Maar dat -. ‘Schat, waar ben je me bezig?’ Ineens werd ik me bewust van deze wereld.      

vleeshburger
0 0

Krakende dagen

We glijden door de dagen, bergaf, of misschien wel bergop. We lijken wezen van ons eigen leven, achtergebleven kinderen uit een gestorven relatie. We zijn nog samen, dat wel, we leven nog in hetzelfde huis en zorgen voor onze twee jongens. Ik doe de strijk, dat was afgesproken, zij de was. Vroeger vonden we elkaar nog in de wasmand, maar dat was vroeger. Toen vonden we elkaar nog in de plooien van de dagen, in de kleine stiltes tussen twee momenten, maar nu niet meer. Nu zorgt ze ervoor dat we elkaar niet vinden. En misschien doe ik hetzelfde.            Het begon zoals het altijd begint, sluipend. Als een plant die enkel lijkt te groeien wanneer je niet kijkt, die spruit op momenten van onoplettendheid. Zo ook bij ons. We konden er de vinger niet opleggen, nog steeds niet, maar we voelden het beide, dat er iets groeide, tussen ons in, wild, als woekerend wildgroei. Beide gezet in gedragingen die ons weerhielden om de verharding te verzachten. Het begon zoals het altijd begint, zonder grote gebeurtenis; in het gebeuren.             En zo gebeurde het. Laat op de avond, in de keuken, met twee glazen rode wijn die met grote teugen leeggedronken werden.            “Praat met me,” vroeg ze. “Zeg me waar je bent.”            “Wat?” Ik schonk mijn glas bij, tot net aan de rand, zodat de fles op was en zij een nieuwe zou halen.            “Zeg me waar je bent.”            “In de keuken.”            “Niet nu. Praat.”            “Ik weet het niet,” mompelde ik.            “Je weet het altijd.”            “Ja. Maar nu weet ik het niet. Weet jij het?”            “Neen. Maar jij hebt altijd je grote woorden. Spreek dan.”            “Ik ben het spreken verleerd.”            “Zo.”            “Ik kan niet antwoorden.”            “Je hebt altijd een antwoord. Waar ben je? Spreek.”            “Ik ben ergens waar jij niet bent. Waar jij niet geraakt.”            “Daar komt het.”            “Waar komt wat?”            “Je verbergen.”            “Je vraagt me te spreken.”            “Maar spreek dan eerlijk.”            “Ik spreek zo eerlijk als ik kan.”                        “Dat is niet genoeg.”            “Neen. Het is nooit genoeg.”            “Wat?”            “Niets.”            Met een grote slok dronk ze haar glas leeg. Ze stond op, liep rond de tafel naar de kelderdeur achter me en duwde de klink naar beneden. Daar stokte haar handeling. En daar, achter mijn rug, wist ik dat ze overrijpe gedachten dacht, die voelbaar in de keuken gleden.            “Hoe zijn we hier beland?”            Ik trok mijn schouders op. “Door weg te drijven.”            “Ja,” antwoordde ze en trok de deur open. “Naar waar zijn we gedreven?” Ze daalde af. En daar bleef ik achter. In de keuken, met mezelf in de reflectie van een te vol glas rode wijn.            Ik deed een poging om momenten te onderscheiden die zouden verklaren dat ik ergens was beland, dat wij, samen, ergens onbestemd waren aangekomen, maar ik kwam niet verder dan grote gebeurtenissen. De menselijke geest leek ontoereikend om in zijn geschiedenis te bladeren en meer te zien dan ezelsoren, terwijl dat wat tussenin gebeurde, de onzichtbare alinea’s, uit de analen van de herinnering slopen.            Het was het moment dat zij besloot om van job te veranderen. Of misschien was het ons tweede kind. Of was het de ruzie over het drinken. Misschien toen ik terug ging studeren. Of toen we verhuisden naar de rand. Of misschien toen we een hond namen.            Het zit in de rituelen, dacht ik, in de afgestompte regelmaat van stoot en tegenstoot, van klank en weerklank, in de eeuwige herhaling van het aangeleerde.            Zij was ongelukkig, dat kon ik zien. Ik was ongelukkig, dat zag ik ook. We waren samen ongelukkig en dat zagen we. Niettemin bleef het geheel draaien, moest het blijven draaien. Niet voor ons, en toch ook wel voor ons, maar vooral voor de kinderen, die het verdienden op te groeien in een gezond gezin. Dat zeiden we, niet tegen elkaar, maar tegen onszelf.            Ik hoorde haar de trap op kraken.            “We kunnen niet meer terug,” zei ze terwijl ze naar de besteklade liep. “Dat voel ik.”            Ze ging voor de tafel staan, zette de fles neer en probeerde de kurkentrekker op de kurk te plaatsen. Ze had het al vaak gedaan, misschien te vaak, maar het lukte haar niet.            “Geef me de fles.”            “Had je gewoon gesproken.”            “Dat hadden we beide beter.”            “Ja.”            Ik ontkurkte de fles en goot haar glas bij. Ze nam een slok, geen grote slok, neen, een kleine slok, een lange, kleine slok. En terwijl ze een lange, kleine slok nam, keek ze naar links. Dat deed ze altijd, naar links kijken. Als ze naar rechts keek, ging haar rechterwenkbrauw omhoog. Dat gebeurde niet als ze naar links keek, dan gebeurde er niets. Dan keek ze gewoon, naar links. En als ze naar links keek, werd ik kwaad. Dat was zo, als een afspraak die we lang geleden hadden gemaakt. Zij keek naar links en ik werd kwaad. Dan wist ik dat er iets zou komen waarvan we later spijt zouden hebben. Ze zou iets zeggen dat doordacht leek, maar dat, welbeschouwd, nergens meer op sloeg dan op mijn hart, en dat van haar.             “Ik weet niet of ik ooit van je heb gehouden.”             Daar was het.             “Waarom zeg je dat?”            “Omdat het zo is. Ik had beter moeten weten.”            “Wat had je beter moeten weten?”            “Dat we hier zouden belanden.”            “Waar zijn we dan beland?”            “Je weet wel. Hier.”            “Neen, ik weet het niet. Hier, hier is voor mij nog steeds samen. Wij twee, samen.”            “Lieg niet.”            “Ik lieg niet.”            “Je bedriegt jezelf. We leven al maanden, nee, jaren, naast elkaar. Wat weten we nog van elkaar? Waar vinden we elkaar nog? Waarom neem je me niet meer vast wanneer we slapen? Waarom geef je me geen kus wanneer ik thuis kom? Waarom poetsen we onze tanden niet meer samen? Waarom?”            “Omdat je niets meer zegt. Omdat je onmiddellijk naar je bureau gaat. Omdat je altijd met je gsm bezig bent. Omdat je je wegdraait wanneer ik me naar je toe draai. Omdat je de deur op slot doet wanneer je in de badkamer bent. Omdat je …”            “Je doet hetzelfde.”            “Ik probeer.”            “Alsof ik dat niet doe.”            “Wanneer?”            “Altijd.”            “Zwijg toch.”            “Ik zwijg altijd.”            “Praat dan.”            “Wat denk je dat ik doe?”            “Dit is niet praten. Dit is zwijgen met woorden.”            “Hier komt het.”            “Hier komt wat?”            “Niets.”            “Je hebt wel van me gehouden. Je houdt nog steeds van me, zoals ik nog steeds van jou houd.”            “Neen. Ik houd niet meer van je. Al lang niet meer. Dat weet ik. Dat voel ik. Je doet me niets meer. De kinderen, ja, de kinderen, die zorgen dat ik nog iets voor je voel. Je bent de vader van mijn kinderen, daarom heb je betekenis. Maar van je houden? Neen. Dat weet ik al lang.”            “Toch wel. Je houd wel nog van mij, zoals ik nog steeds van jou houd. Ik houd nog van je.”            “Dan ben je alleen. Zielig.”            “Wat zeg je toch allemaal?”            “Ik zeg waar het op staat. Het heeft lang genoeg geduurd.”            “Goed. Dan stopt het hier, dan glijden we vanaf hier ongeleid naar nergens, alleen.”            “Stop toch. Stop toch het lelijke te verbergen achter woorden die nergens op slaan. Stop toch gewoon. Leugenaar.”            “Zwijg.”            “Ik zal zwijgen, in de badkamer, met de deur op slot.”            “Je doet belachelijk.”            “Dat doen we allebei.”            “Stop dan.”            “Goed. Ik zal stoppen.”            En ze stopte.            Ze dronk van haar glas en keek naar rechts, haar giftige rechts. De rechts waarmee ze keek wanneer ze klaar was, alsof ze recht in een groots besluit keek, daar ergens rechts. Ik volgde haar blik, naar rechts, mijn links, maar zag geen grootse dingen, enkel volle wasmanden met ongestreken was.             En zo gebeurde het. We glijden door de dagen, bergaf, of misschien wel bergop. Van die dagen die je bij elke stap hoort kraken, waarvan je hoopt dat ze niet zullen breken. Je staat in zo’n dagen stil, geruisloos stil, zo stil dat je niet zeker weet of je nog in de dagen staat. Maar toch zie je hoe je geruisloze stilte de dagen breekt. Alsof je bestaan, je geruisloze bestaan, voldoende is om de dagen te breken.            Die avond, in de keuken, met twee glazen rode wijn die met grote teugen leeggedronken werden, mondde het leven uit in een gebeurtenis, als de slotsom die het begin en het einde met elkaar verbond.            Nu leven we verder, in het nawoord van onze geschiedenis, voorbij het kantelpunt, waar niemand later over spreekt, omdat het leven daar gewoon terug gebeurt.

Kevin De Pelsmaker
2 0

Roger that

Als hij met zijn auto stopte, riepen we om ter snelst 'Roger that'. In een Amerikaanse film hadden we gezien dat een soldaat het tegen zijn walkietalkie zei. “Oke, begrepen”, lazen we in de ondertiteling. We vonden het geweldig grappig om te zeggen als nonkel Roger achterom kwam.  We zagen hem thuis vier keer passeren. Hij moest langs de vier vensters. Het grote raam aan de voorzijde van het huis, drie tellen later het raam bij de tv en dan bij het hoge raam aan de schouw, waar pa altijd zat. Het vierde raam was dat van de keuken, waar we hem opwachtten.  Eenmaal binnen kwamen de verhalen op tafel. Net als vlaai en koffie. En niet lang daarna een flesje bier voor nonkel Roger, dat ik mocht opendoen. Voor onze pa een borrel. Het leek alsof hun mond telkens wat breder werd. Van het lachen. Of van de vlaai. Hij kwam graag en wij zagen hem graag komen. Hij en onze pa waren twee handen op één buik. Ze hadden trouwens dezelfde buik.  Soms zie je het aan het gezicht dat mensen familie zijn. Soms hoor je het aan hun stem. Soms zie je het aan hun buik. Ik moet aan die bezoekjes denken, als ik hem zie zitten op het verjaardagsfeest van ons ma. Zichtbaar vermagerd. Hij is net voor me gearriveerd, terwijl ik naar de slager was. Het is barbecue vandaag. “Ha, ge komt toch nog. Ik dacht, die zit zeker al op hete kolen", lacht hij als ik me aan tafel zet.  Al snel ligt de jaarlijkse verjaardagszin op de tuintafel. “Och, een jaar is niks”, zegt de jarige. “Het vliegt voorbij.” “Nee, twintig jaar is niks”, zegt nonkel Roger. “Ik herinner me nog, toen wij klein waren, dat mensen van 80 jaar stokoud waren. Nu ben ik zelf bijna zo oud. Het is niet te geloven”.  Er is iets van. Je ziet jezelf nooit zo oud als je bent. In je hoofd zit nog die dertigjarige. Zo is het ook bij nonkel Roger. Op zijn 75e kreeg hij een hartaanval. Hij is er goed doorgekomen, maar hij loopt er sindsdien ontzettend verkrampt bij. Meestal met zijn armen gekruist over zijn borst.  Alsof hij tijdens die hartaanval alles wou vasthouden zoals het was. Alsof hij niets wou loslaten.  Zoals dansen, zijn passie. Bij elk feest droeg hij witte schoenen. Meteen klaar om een dansje te placeren. “Nee, dat dansen gaat nu niet meer”, zegt hij. “Ik ga nu elke week petanquen. Dat lukt nog. Daar laat ik de ballen maar wat dansen.” Als hij later op de avond naar huis vertrekt zie ik hem door de weerspiegeling van het keukenraam naar het gezelschap kijken.  Hij merkt dat ik hem zie en hij knipoogt. Roger that.  

Rudi Lavreysen
8 0

De vraag

Iets wat grootvader vrijwel elke dag deed, was de stenen van de schouw tellen. Het was misschien een vorm van geheugentraining. Al heb ik dat nooit gevraagd. “Zijn het er nog evenveel als gisteren?”, vroegen we wel eens. Ook zie ik hem nog wakker worden, in diezelfde stoel, na een middagdutje. “Welke dag is het vandaag feitelijk?”, vroeg hij dan. Het leek alsof hij de vraag aan niemand in het bijzonder stelde. Of aan zichzelf. Of aan zijn geheugen. We konden dat vroeger niet begrijpen, dat de dagen op elkaar leken. Want als je naar school gaat, weet je welke dag het is. Zeker als je niet naar school moet. Misschien deed hij dat om te testen of hij zich de dag van gisteren nog kon herinneren. Maar ook dat heb ik hem nooit gevraagd. Nu, zoveel jaren later, word ik wel eens wakker met dezelfde gedachte. “Welke dag is het vandaag feitelijk?” Grootvader liep altijd naar de keuken, om op de scheurkalender te kijken of ons antwoord wel klopte. Of we hem niets op de mouw spelden. Tegen dat ik ’s morgens in de keuken ben, is het in mijn hoofd meestal uitgeklaard welke dag het is. Al een geluk, want een scheurkalender hebben we niet meer. Bij het slapengaan verwijderde hij de afgelopen dag van de scheurkalender. Ook dat heb ik hem nooit gevraagd. Waarom hij de dag er al afscheurde, terwijl die nog niet helemaal voorbij was. Het was alsof hij de tijd een stapje voor wilde zijn. Morgen staat klaar. Gisteren is afgescheurd. Er kan me niets gebeuren. Laat gisteren maar liggen. De grap op de achterzijde van gisteren las hij bij het ontbijt van morgen. Eerst in stilte voor zichzelf. Dan luidop voor ons. Daarna de uitleg, waarom hij het altijd grappig vond. Ook dat hebben we nooit gevraagd. Ik had het moeten vragen. Ik had de tijd een stapje voor moeten zijn.  

Rudi Lavreysen
2 0

De rollator in het café

Tijdens een wandeltocht zie ik door het raam van een café een rollator bij de toog staan. Op zich geen abnormaal gegeven, maar het café is gesloten, dus iemand is die rollator vergeten.  "Die heeft iets straf gedronken", zeg ik tegen mijn vrouw. "Na een paar glazen was de rollator niet meer nodig. Of de persoon heeft iets anders voorgehad.” Nu moet u weten dat ik op zich niet nieuwsgierig ben, maar ik weet graag veel. Daarom stap ik de volgende dag het café binnen. Ik zet me aan een tafeltje en bestel bij de patron een tas koffie.  Dan pas zie ik dat er op de rollator een papier hangt. "Van Jos. Laten staan."  "Jos kwam hier al jaren", leest de cafébaas mijn niet uitgesproken vraag. Ik ben wellicht niet de eerste die ernaar kijkt. "Ik herinner me nog de dag dat hij voor het eerst binnenkwam. Een man op leeftijd die niet meer goed te been was. Telkens rond 10 uur. Hij droeg altijd een grijs kostuum en zat meestal aan het tafeltje waar jij nu zit. Met zijn rollator naast hem. Hij bestelde gewoon een koffie. De eerste keer vroeg hij of er een borrel bij kon. " "De volgende dag kwam hij terug en was het een koffie met een knipoog. Daarna wist ik het. Hij was geen grote prater. Een stille genieter. Hij vertelde me dat hij eigenlijk geen borrels meer mocht drinken. Op advies van zijn dokter en nog meer van zijn vrouw. Telkens als hij zijn borrel leeg had, haalde ik die snel op. Een stilzwijgende afspraak tussen ons. Alsof we het bewijsmateriaal meteen moesten opruimen.” “Een paar maanden geleden liep het fout. Jos zette na zijn knipoog de borrel aan zijn lippen en net op dat moment kwam zijn vrouw binnen. Ik schrok nog harder dan Jos. Er was geen tijd om het bewijsmateriaal op te ruimen. Zijn vrouw plaatste zich naast hem. Toen ik haar aankeek maakte ze een nee-schuddende hoofdbeweging. Alsof ze Nee, ik moet niets hebben wilde zeggen. Of misschien was de betekenis Nee, Jos mag eigenlijk geen borrel." "Even later waren ze samen weg. Toen pas zag ik dat de rollator van Jos er nog stond. En hij staat er nu nog. Voor als hij terugkomt. Omdat ze er 's avonds ooit mee rondhossen in het café, jonge gasten met iets te veel bier in hun lijf, heb ik er dat blad op gekleefd. Hij heeft die rollator nodig, want zonder geraakt hij nog geen tien meter ver.” “Maar die avond is hij toch ook zonder rollator vertrokken?”, zeg ik. “Inderdaad”, zegt de cafébaas. “Dat begreep ik ook niet goed. Zijn vrouw was wellicht met de auto en had misschien voor de deur geparkeerd. Ik heb er eerlijk gezegd niet op gelet. Van het schrikken wellicht. Of ik al gebeld heb? Nee, zijn vrouw kan opnemen. Dat kan ik best niet doen. Dan mag hij zeker niet meer komen.” Ik bedenk me plots dat de patron die geschiedenis verzonnen zou kunnen hebben. Een rollator met een blad in het café en je hebt een verhaal.  Het zou zomaar kunnen.

Rudi Lavreysen
10 0

Bij oma op de koffie

Pralinewinkels? Ze zijn onweerstaanbaar. Bij het binnengaan van een chocolaterie gaat mijn neus open zoals sluisdeuren bij hoogwater. De chocoladegeur stroomt naar binnen. Het verleidende aroma heeft ook meteen een effect op mijn koopgedrag. Een klein doosje wordt al snel 'nee, doe toch maar een grotere doos'. Of 'doe nog maar een extra doosje, maar dat is een cadeautje'. Alsof de verkoopster dat niet door heeft. Het inpakpapier haalt meestal het einde van de straat niet. In de Nederlandse zaak waar we ons bevinden is het niet anders. Terwijl we onze beurt afwachten concentreer ik me op de afgebroken stukken chocolade die zich op de toog bevinden. Om te proeven. Welk stuk is het grootst? "Is het een cadeautje?", vraagt de vriendelijke verkoopster aan de man die net samen met zijn zoon een bestelling heeft afgerond. "Neeeeej", klinkt het op zijn Brabants. "Het is gewoon voor dadelijk, bij oma op de koffie." "Ooooh, gezellig", klinkt het aan de andere kant van de toog. Wat het ongetwijfeld ook is. Onze noorderburen verstaan de kunst om hun meest gebruikte woord in de praktijk om te zetten. Na het afronden, 'doe maar pinnen' is de gebruikelijke term in Nederland, krijgen de man en zijn zoon een mooie afscheidszin mee. "Nou, veel plezier nog bij oma ", zegt de verkoopster bij het overhandigen van het tasje met pralines. Alsof ze de oma in kwestie hoogstpersoonlijk kent. Alsof het haar eigen oma is. Geef toe, ze zijn er bedreven in, onze vrienden van over de grens. Het komt even in me op om te vragen of ik mee mag naar oma, om van die gezelligheid te proeven. En van die pralines. Maar dat zou een beetje gek zijn. Maar ik smelt er wel van. Onze pralines krijgen even later die kans niet.

Rudi Lavreysen
7 0

Op de afspraak: Allerheiligen

Afgelopen zaterdag bij de bloemist: buiten pronken witte, gele, oranje en roze chrysanten in vol ornaat. Een prachtig kleurenpallet, je kan er niet naast kijken. Alsof ze de grijze hemel uitdagen: “Durf nu maar eens te regenen!”. Binnen staan talloze grafstukken mooi geëtaleerd. Keuze genoeg, van potsierlijk, groots tot bescheiden en sober. Allerheiligen zal ongetwijfeld naast Valentijn en Moederdag een topdag voor bloemisten zijn. Aan de kassa rekent een oudere dame af. Ze draagt een mooie, lange, cognackleurige mantel, met daaronder zwarte, lakleren mocassins. Ze heeft een piekfijn, wit kapsel dat mij aan de chrysanten doet denken. Haar bijpassende, dure handtas staat op de toonbank. Ze kocht een chique grafstuk. Ik vraag mij af voor wie het grafstuk is. Haar overleden man? Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Achter haar wacht een jonge man met een baby in een Maxi-Cosi. De baby is niet tevreden met het bezoek aan de bloemist en maakt dit luidkeels duidelijk. De man kiest rap, rap voor een pot witte chrysanten. Hij betaalt en probeert ondertussen de baby te sussen. Maar die laat zijn protest met nog meer decibels horen en stampt heftig met zijn voetjes. De man zoekt zijn evenwicht tussen de Maxi-Cosi in zijn rechterhand en de chrysanten in zijn linkerhand. Opnieuw vraag ik mij af voor wie de chrysanten zijn. Zijn moeder? Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Dan is het mijn beurt. Ik vraag 11 roze rozen aan de bloemist. Voor mij geen chrysanten. Onze blikken kruisen en ik merk even een meewarige blik op in haar ogen. Ze weet waarom ik 11 rozen vraag, en geen 10 of 12. Het kerkhof even verderop krijgt weer een jaarlijkse make-over. Rond deze periode van het jaar zie je mensen met emmers, borstels en zeemvellen af en aan lopen. Zoals bijen die in en uit hun korf vliegen. Het is er een drukte van jewelste. De chrysanten en grafstukken zijn de finishing touch. Op andere momenten is het kerkhof – sorry - ‘doods’ en verlaten. Telkens wanneer ik deze plek passeer, wordt mijn aandacht ernaartoe gezogen. Het kerkhof is nochtans volledig ommuurd. Alsof het aan het oog moet onttrokken worden. Of willen onze doden rust en privacy? Ik piep altijd even door het smeedijzeren hek. Zelden bespeur ik een levende ziel in mijn blikveld. Behalve in deze periode van het jaar. Ik vraag me af of ze hun overleden geliefden ook alleen maar nu gedenken? Zijn de chrysanten en bloemstukken daar het bewijs voor? Verdriet of rouw kent toch geen afspraak of agenda? Ik hoop dat hun overleden geliefden ook op andere momenten in hun hoofd of hart een plek hebben. Dat daar de chrysanten een jaar lang mogen bloeien. Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Alleen maar hopen.

Hilde Bours
3 0

Alles of niets

Dat een zonnige zondag me zo ver zou brengen, had ik nooit verwacht. Gisterenochtend liep ik voor de laatste keer deze week naar de brievenbus, benieuwd wat de krant zou schrijven over de altijd interessante actualiteit. Eigenlijk verheugde ik me elke week opnieuw op zaterdagochtend. De dag die de start van het weekend aankondigde en waarop ik me ’s morgens niet hoefde te haasten om hopelijk eens op tijd op mijn werk te zijn. Het beste woord om de dag zaterdag te omschrijven, was ongetwijfeld vers. Terwijl andere mensen in mijn omgeving eerder woorden zoals uitslapen of familiedag koppelden aan de zesde dag van de week, hield ik het simpel. Zaterdag stond bekend als de meest verse dag van de week. Ik stond altijd goed op tijd op – ik zou niet durven zeggen vroeg, want vroeg opstaan deed ik enkel als ik moest gaan werken. Maar toch, klokslag acht uur was de limiet. Vandaar dat ik uitslapen nooit zou gebruiken om zaterdag te omschrijven. Het eerste wat ik deed als ik uitgeslapen in de keuken stond, was koffie maken. Het duurde dan ook niet lang voor mijn appartement zich vulde met de geur van verse zaterdagochtendkoffie. Dat was nog maar het begin. Een tweede vaststaand ritueel was het lezen van de krant. Een krant die ’s nachts gedrukt was, vers van de pers. Dat was mijn gezelschap op een rustige zaterdagochtend. Alle andere dagen van de week kwam er geen krant, enkel die dag.  Toch was gisteren anders. Bij het openen van de brievenbus, merkte ik een enveloppe op. Vreemd.  Post kreeg ik zelden, laat staan op zaterdag. Heel even speelde het idee om de brief mijn ochtend niet de laten verstoren en hem gewoon te laten liggen. Weer zo’n rekening hoefde ik niet. En toch nam ik hem mee, goed wetende dat hij voor de krant gelezen zou worden.   Ik had geen spijt dat ik de brief gelezen heb. Integendeel. In zeven haasten pakte ik diezelfde ochtend mijn koffer en haastte ik me naar mijn laptop. Last-minute ticket naar Australië was het enige wat er die dag door mijn hoofd spookte. Zoeken en zoeken, de hele dag lang. En ik had geluk: voor zondagochtend waren er nog tickets beschikbaar. Snel boeken was de boodschap, de prijs maakte niets uit. Alles. Had ik op dat moment in de spiegel gekeken, waren er zeker en vast geldtekens in mijn ogen te zien. Dit maakte je natuurlijk niet elke dag mee. Ik was binnen voor de rest van mijn leven! Op het vliegtuig kon ik opnieuw maar aan één ding denken: alles. Het toestel vloog hoog boven de wolken en passagiers genoten van het prachtige uitzicht op die zonnige ochtend. Ik niet. Hoewel ik aan het raam zat, keek ik geen enkele keer naar buiten. Mijn hoofd zat in de wolken. Alles. Ik kon het nog steeds niet geloven. De toekomst lachtte me toe. Wie had dat durven denken? Een rijke tante aan de andere kant van de wereld die me alles naliet. Had ik geweten dat mijn moeder een geheime zus had, dan stonden er nu al vele reisjes naar Australië op de teller. Ik probeerde afleiding te zoeken door mijn medepassagiers te observeren. De man links naast me viel me onmiddellijk op. Voor zover ik het kon inschatten was hij rond de vijftig. Hij genoot duidelijk van het leven; zijn buik kwam onder zijn loszittend hemd uit. Af en toe zag ik een druppel kwijl uit zijn mond vallen – hij was al anderhalf uur vredig aan het slapen. Wie dat absoluut niet deed, was een jong kind aan de andere kant van het gangpad. Hoewel haar moeder er met het schaamrood op de wangen alles aan deed om voor stilte te zorgen, bleef het meisje krijsen. De reden was me niet helemaal duidelijk, maar op een gegeven zag ik hoe het kind aan haar blonde staart getrokken werd. De wanhopige poging om haar rustig te krijgen had een averechts effect; het kleine meisje krijste alleen maar harder. Met regelmaat kwam een stewardess me eten en drinken aanbieden. Ik hield het simpel en dronk enkel water. Ik wilde er alles aan doen om te vermijden dat ik ziek zou worden. De levensgenieter duidelijk niet. Hij at op zijn gemak alles wat hem aangeboden werd. De laaste keer voor de landing vroeg hij de stewardess rode wijn. Toen de dame met pikzwart haar hem de wijn opdiende, sloeg ze de beker om. De rode drank kwam niet enkel neer op zijn plaats, het grootste deel belandde op mijn broek.   Met een opgedroogde wijnvlek kwam ik aan in Sydney. Ondanks die mindere start van mijn reis, kon ik niet wachten om in mijn gehuurde Toyota te springen en full speed richting het zuidwesten van het land te rijden. Dat viel wel tegen. Meer dan vier uur ben ik onderweg geweest voor ik in Wagga Wagga mijn eerste tussenstop kon houden. Toen zat het grootste deel van mijn rit erop. Nog anderhalf uur rijden en ik was er. Onderweg viel het me op dat ik meer en meer de bewoonde wereld aan het verlaten was. Toch was dit volgens mijn gps de enige en juiste weg. Ik vertrouwde op de technologie en liet de drukte achter me. Op een bepaald moment werd ik door mijn vrouwelijke kaartlezer een zandweg ingestuurd. Door de snelheid te verhogen zag ik in mijn spiegels hoe er achter de Toyota een stofferige zandwolk opsteeg. Al snel veranderde de onverharde weg in een bospad dat steeds smaller leek te worden. You have reached your destination. Ik keek om me heen: niets te zien. Ik besloot nog een stukje verder te rijden. Plotseling hoorde ik gekras aan de zijkant van mijn huurwagen. In eerste instantie dacht ik dat een tak van een boom tegen de autodeur gevallen was. Ik stopte de wagen meteen en besloot te gaan kijken hoeveel schade de wagen opgelopen had. Toen ik uitgestapt was, keek ik om me heen. Het enige wat ik zag, waren bomen. Zonder het te beseffen was ik steeds dieper het bos ingereden. Het was een prachtig en tegelijk beangstigend uitzicht. De vier kanten leken zo hard op elkaar dat ik me afvroeg hoe ik ooit uit het bos zou geraken. Ik besefte dat ik die gedachte snel opzij moest zetten, want een huis in dit prachtige gebied stond op mij te wachten. Ik liep naar de andere kant van de wagen. De rechterdeur aan de voorkant van de Toyata stond vol met krassen. Ik keek opnieuw om me heen. Er was nergens een tak te zien die op de wagen gevallen kon zijn. Ik staarde naar de weg waar ik nog maar net over gereden had – een lange rechte lijn langs beide kanten geflankeerd door bomen. Zover mijn zicht reikte kon ik niets zien uitsteken dat de krassen veroorzaakt kon hebben. Ik wilde net terug plaatsnemen in mijn chauffeurszetel, toen ik boven me opnieuw gekras hoorde. Ik legde de motor stil en verwachtte dat de rustige sfeer van het bos me zou overvallen, maar niets was minder waar. Het woud op zich bracht heel wat lawaai met zich mee. Ik hoorde verschillende vogelgeluiden met af en toe harder gefluit. Het leek wel alsof de vogels tegen elkaar op zongen. Naast vogelgeluiden kon ik niet naast het geritsel van de bladeren luisteren. Zacht geritsel en af en toe hard geritsel, perfect op het ritme van de wind. Zowel de zingende vogels als de dansende bladeren gaven me een soort rust. Het was absoluut niet stil, maar toch werd mijn lichaam er rustig van. Plotseling werd ik opnieuw opgeschrikt door het vreemde gekras. Het geluid leek van hoger te komen en werd steeds scherper. Het kon niet anders dan het dak van de wagen zijn. Mijn blik viel op een kleine tak die op het bospad lag. Ik nam het stuk hout en gooide het op het dak. Het gekras stopte en ik hoorde een scherpe kreet. Plof. Ik keek verschrikt naar rechts en zag een dier zitten dat ik nog nooit eerder had gezien. Het beestje was net van het dak gesprongen en staarde met grote ogen in mijn richting. De vacht  van zijn lijf was lichtbruin, terwijl zijn snoet grijskleurig was. Het had grote ogen en in verhouding heel kleine oren. Ik wilde dichterbij komen. Opnieuw sloeg het beesje een scherpe kreet. Hij toonde de scherpe nagels waarmee hij op het dak gekrast had. Neen, dacht ik. Ik borg mijn idee om dichter te gaan snel op en zette me terug achter het stuur van de wagen.   De gps had een halve kilometer geleden al aangegeven dat ik op mijn bestemming was, maar ik zag niets. Enkel bomen, geen huis te bespeuren. Het moest in de buurt zijn. Ik wilde opnieuw uitstappen, maar twijfelde. Wat als dat vreemde beest me gevolgd was? Ach nee, die kans leek me klein. Ik wist dat het niet mogelijk was om heel mijn koffer mee te sleuren door het bos, dus nam ik enkel mijn handbagage mee. De grote fles water die ik na mijn landing gekocht had stak ik erbij. Ik was klaar om op pad te gaan. Het duurde helemaal niet lang voor ik doorhad dat de bestemming helemaal niet met de wagen te bereiken was. Aan een dikke boom was een houten pijl getimmerd waarop in het groot farm geschreven stond. Door de spinnenwebben waren de letter onduidelijk geworden, maar ik wist wel: deze pijl wijst me de weg. Ik volgde een kronkeld bospad dat naar zachtjes naar beneden leek te hellen. Deze weg had ik nooit met de wagen kunnen afleggen: het pad was enerzijds te smal en anderzijds stonden de bomen te dicht op elkaar. Ik moest ongeveer een tiental minuten gewandeld hebben tot ik opeens voor een gebouw stond. Boven de houten deur stond opnieuw het woord farm. In een zijvak van mijn rugzak zocht ik de sleutel die ik van de notaris ontvangen had. Ik wilde hem in het slot steken, toen ik opmerkte dat de deur gewoonweg los zat. Uit mijn eerste stap in de boerderij volgde meteen een vraag: waar is het grote huis? Dit was zelfs geen boerderij, eerder een afgedankte schuur. Teleurstelling overviel me. Was ik helemaal naar de andere kant van de wereld gereisd om te ontdekken dat mijn nieuwe eigendom een schuur was? In het gebouw was niets te zien. Een rotte houten tafel met twee stoelen die er minstens even erg aan toe waren trokken mijn aandacht. Op de tafel lag een grote asgrijze steen, waar ik geen aandacht aan schonk. Ik hoorde plots een vreemd geluid. Het leek op voetstappen buiten het huis. Ik draaide me om en zag hoe een man de schuur binnen kwam. Hij was slordig gekleed en zag er onverzorgd uit met zijn stoffige baard. Hij keek me aan. Ik probeerde hem in het Engels uit te leggen dat dit het huis van mijn tante was, maar hij zweeg. Het was alsof hij me niet verstond. Plots brabbelde hij iets. Ik had geen idee welke taal hij sprak. Opnieuw brabbelde hij iets, vermoedelijk een zin. Ik schudde mijn hoofd om hem duidelijk te maken dat ik hem niet begreep. Hij had het door en begon wild gebaren te maken. De vreemde man wees naar de steen die op tafel lag. Hij gebaarde dat ik hem op de grond moest gooien. Ik had er geen zin in en wilde weg gaan. Wat had ik aan een steen? Die hadden we in België ook. Ik liep in de richting van de deur, maar de man versperde mijn weg. Hij wilde me niet laten gaan. Opnieuw wees het naar de steen en gebaarde hij met mijn vuile handen hoe ik hem op de grond moest gooien. Hij was duidelijk niet van plan me te laten gaan zonder dat ik de steen zou hebben gegooid. Als ik de man daarmee een plezier kon doen…Ik liep terug richting de tafel en nam de steen. Met al mijn kracht gooide ik hem op de grond. De harde klap zorgde ervoor dat de steen meteen brak. Tot mijn grote verbazing lagen er heel weinig stukken van de steen op de grond. Plotseling viel mijn oog op iets blinkends tussen het steenpuin. Ik bukte en raapte een rood steentje op. Meteen erna zag ik terug een steen blinken. Dit keer was het een ring met een groene steen op. Ik begon sneller te ademen. De steen was hol vanbinnen en erin zaten allemaal edelstenen! Ik kon het niet geloven. Snel wilde ik de stenen in mijn rugzak steken en terug naar mijn wagen gaan, maar toen zag ik de onverstaanbare man. Hij glimlachte naar me. Ik verstijfde en dacht aan hem. Het was dankzij hem dat ik de waardevolle stenen gevonden had.   De reis naar Australië zou ik nooit vergeten, net als de man die ik daar ontmoet heb. Nadat ik de stenen gevonden had, toonde hij me zijn woonplaats. Hij woonde de boerderij wat verder in het bos, samen met zijn vrouw en drie kinderen. Ze leefden in een huis dat veel te klein was voor een gezin van vijf. Ik vond het verschrikkelijk om te zien hoe slecht verzorgd ze er allemaal uitzagen. Gelukkig gaat het nu veel beter met hen. Elke maand ontvang ik minstens één brief waarin ze hun beste Engels schrijven hoe het met hen gaat. Mijn hebzucht naar de bezittingen van mijn tante bracht me een levenswijsheid bij. Dankbaarheid ontvangen geeft een gevoel van voldoening. Ik glimlachtte, woorden zijn niet nodig om iemand te helpen. Ik staarde naar mijn laatste aandenken aan mijn tante in mijn hand: de ring die ik meebracht uit Australië.

Wout Debast
0 0

de uitdaging

Wat doe ik hier. Waarom doe ik dit. De bomen zijn groter, donkerder, taaier dan ik ooit gezien heb. De wind ruist scherper, ruikt duisterder, doet me denken aan – wat is dat? Ah de taxi rijdt weg. Waarom heb ik niet iemand meegenomen hier naartoe? Omdat niemand met me mee wou, niemand had er het geld voor over, alleen ik, stapelgek als ik ben, betaal me groen en geel, steek me in de schulden om .. nou ja, het is ook wel een leuk avontuur. Moet je dat hier nou toch zien. Wat een lollig huis. Ik zal eens aanbellen. Zowaar, er wordt opengedaan. Ach meneer, ik snap u niet. Parlez vous francais? Sprechen sie Deutsch? Do you speak English? De man is niet goed. Hablas Espagnol? Oeps, maar dat doe ik zelf niet. Ik zal hem de brief laten zien. Aha, dit werkt. Wat een aardige man, hij geeft me schouderklopjes, trekt me meer naar binnen, ik mag gaan zitten aan een soort keukentafel, krijg een soort koffie. De koffie is koffie en smaakt goed. Nee, dank u, geen suiker, geen melk, prima zo. Er kijken twee ogen naar me vanuit een openstaand keukenkastje, dat is raar. Ik maak een gebaar naar de man, wijs naar het keukenkastje en trek mijn wenkbrauwen op. Hij ziet wat ik bedoel, staat op en sluit het deurtje. Jee, was dat een rat? De man zegt wat en pakt ondertussen een brood, een groot plat langwerpig brood, het ziet er interessant uit, een soort steenbrood denk ik. Wat ze in steenovens bakken, ik heb er wel over gelezen. Zo’n brood dat lijkt op een menhir. Ik lust wel wat. Kijk nou toch, de man houdt het brood vast en zwaait ermee, oei, he, pas op, wat…   De deur van het keukenkastje piept open, en er komt een dier uit. Niet zomaar een dier, een zwart wit geblokt eekhoornachtig beestje. Het beestje springt op de gast af en begint diens hoofd schoon te likken. De gast vindt het goed, vindt kennelijk alles goed. Dat komt omdat voor deze gast er niets meer toe doet.  

nette menke
6 0

Moedermond

Moedermond   Instinct is verstand dat niet in staat is tot zelfbewustzijn – John Sterling   ‘Suzanne!’ roept Greg verbaasd in zijn gsm terwijl hij op het nippertje een jengelend kind ontwijkt dat met een maxipak snoepspekken op zijn moeder toeloopt. ‘Om zoals vorig jaar in het vuur te doen, please, please, please.’ Ik zie hoe Greg fronst, zich omdraait en de rayon uitloopt in de richting van een vracht panettones, Italiaanse kerstcake, metershoog gestapeld in dozen met blinkend rode strikken, die me doet afvragen waar al de Italianen zitten die dat gaan verteren. Maar ik heb zo al zorgen genoeg, met name: hoe overleef ik dit jaar opnieuw de geboorte van het christuskind? Ik passeer de dame met haar snoepspekkenkind en hoop dat ze vóór haar kerstdiner nog de tijd vindt om de wallen van onder haar ogen te schminken. God behoede me dat ik ooit zo’n feest moet organiseren.   ‘Het was Suzanne.’ zegt Greg met zijn gsm in de hand. Alsof hij een mes vasthoudt. ‘Ik weet het’ zeg ik. Zijn duim beweegt heen en weer over de pijltjes. Ik vraag me af wanneer hij gaat steken. ‘Ze heeft het me gezegd, Ille.’ Gregs scherm wordt donker. Voor de elfendertigste keer schettert de reclame door de boxen. ‘Je bent zwanger.’   Ik zwijg. Ik weet niet hoeveel Suzanne verteld heeft. ‘Wanneer zou je het míj vertellen?’ Ik heb geen antwoord. Ik lieg. ‘Ik wou nog even wachten en mezelf wat tijd geven.’ Suzanne, in godsnaam. Vanaf nu wordt alles alleen maar ingewikkeld. ‘Greg, ik weet niet meer of… Moesten we servetten meebrengen?’ Ik duw met mijn vinger op de stapels alsof ik kan voelen welke servetten het best absorberen. Het rijtje af: groene, rode, zwarte met gouden sterren, witte… Ik zou willen dat de kleuren eindeloos waren zodat ik nooit meer hoefde op te kijken naar Greg, die me ongemoeid laat zolang ik bezig ben met iets waar we baat bij hebben namelijk: de feestelijkste servetten voor bij de fucking kalkoen. ‘Jij hebt gebeld met ons moeder, Ille. Dan weet je toch of ze servetten nodig heeft.’ Ik neem een pak van de zwarte servetten. Greg komt dichter en haalt diep adem. Ik duw mijn knokkels in het pak. Jingle Bells op de achtergrond. ‘Ille..’  Mijn naam kan je niet serieus uitspreken. Ille. Te weinig lettergrepen. Geen grip op de letters. Dan was ik liever een Constance of Marijn. ‘Ille, we’re in this together.’ zegt Greg. Waarom spreken mensen Engels als ze denken iets zinvols te moeten zeggen? Love you, glijdt gewoon van je af maar houden van is een baksteen. Greg schudt me zachtjes bij mijn schouders. Zijn handen op mijn slapen. Een kus op mijn voorhoofd. ‘Je vindt me bij de boekjes en anders zie ik je bij de kassa.’ Mijn gsm trilt. Suzanne, mijn beste vriendin. Supposedly.   Greg weet het. Weg boodschappenlijstje. Greg weet het. Ik leun op mijn kar en rol traag voorbij de verzorgingsproducten. Als ik goed rondkijk, herinner ik me misschien wat we nog nodig hebben. Botermelk voor zachte benen, dagcrèmes met thee-extract, shampoos waar je haar van opfleurt. Ik heb er geen boodschap aan. Ik neem een ordinaire bus deo. Ooit schroef ik de dopjes los van alle potten en tubes en zet ze ondersteboven zodat lotion, zalf en crème langs de rekken naar beneden sijpelen. Die foto wil ik maken. Een hele reeks. Zou ik nu al maandverband nemen? Van die dik gewatteerde en dan met O-benen lopen; met een kind tussen mijn dijen. Dan zijn zachte watten het minste wat ik kan doen. Zou het Greg opvallen, zo’n groot pak? Was dit de bedoeling, Suzanne? Moet ik me bij alles vragen stellen? Ik heb al last genoeg van mezelf.   Ik wandel tot ik Greg kan zien bij de boekjes, zoals voorspeld, zoals altijd als we samen naar de supermarkt gaan. Dit benijd ik bij mannen. Je vertelt hen dat je zwanger bent en tien minuten later verdiepen ze zich in de geniale vondsten van autofabrikanten en hun strijd om het patent. Greg slaat een bladzijde om. Hij is werkelijk aan het lezen. Mijn kar is propvol en moeilijk te manoeuvreren. Ik duw hem iets te hard voor me uit en heb de oude man die met zijn mandje van om de hoek kwam niet gezien. Ik ben een stomme koe. Dat zegt hij. Ik mompel een excuus, maar niet luid genoeg.   Greg komt aanwandelen. Zijn wijsvinger tussen de bladen van een groot, wit tijdschrift. Hij leest verder terwijl ik de spullen uit de kar laad. Psychologies, met een special over abortus: Het trauma van zelfbeschikking. Dan nog liever een nummer over monstertrucks. De caissière is ongeveer even oud als ik, halverwege de twintig. Een schminkpop, maar wel knap. Met een gebaar mijn lief absoluut niet te willen storen in zijn lectuur, nodigt ze Greg uit het tijdschrift zelf over de scanner te halen. En alsof dat nog niet galant genoeg was, interesseert ze zich ook nog eens voor wat Greg zo gekluisterd aan het lezen houdt. Ze houdt haar hoofd schuin en leest de cover. Ik zie het haar al zeggen: Oh abortus, interessant. Willen jullie geen kindje dan? Smeer ik snel wat vaseline op mijn tanden om net zo dwaas terug te glimlachen naar haar? Dat ze haar belangstelling voor ons huishouden inslikt en erin stikt. Ik probeer haar dood te bliksemen. Het pak maandverband schuift achteloos bij de rest van de producten. Greg leest verder. Ik houd met moeite de zakjes bij. De servetten belanden onder de kip.   Greg opent het portier aan de passagierskant, legt de abortusspecial op het dashboard en klapt het portier weer toe. Hij mompelt een verstrooid excuus als hij merkt dat ik klaar stond om in te stappen. ‘Er staan interessante dingen in, Ille. Je moet het lezen.’ We draaien de weg op. Het tijdschrift schuift bijna van het dashboard op mijn schoot. ‘Wat heb je gekocht voor Laure?’ vraag ik. ‘De plaspop. Het was dat of een stofzuiger, maar dat vind ik onnozel. Dan kan ze net zo goed met de kruimeldief spelen.’ ‘En een gitaar?’ vraag ik. ‘Dat stond niet op haar verlanglijstje,’ zegt hij. Wat staat er zoal op het lijstje van een driejarige? De wereld ontdekken zodat ze zelf hun lijstje kunnen maken, misschien? ‘Een gitaar had haar niet misstaan,’ zeg ik. ‘Da’s waar. Je zou een coole moeder zijn. Fuck het lijstje. De volgende keer koop jij het cadeau voor Laure.’ Fuck lijstjes, maar ik ben Laures peter niet. Ik neem Psychologies van het dashboard en blader tot aan het bewuste artikel. Zou Greg me willen steunen? Dat had ik niet verwacht. ‘Lees dat stuk over zelfmoord. Je risico daarop verzesvoudigt.’ Risico op zelfmoord? Wat een idee. Is dat zoiets als een risico op gescheiden ouders? Of, risico op een mislukte carrière? ‘Ik wil niet dood.’ Dat zeg ik niet om Greg gerust te stellen, ik weet het zeker. ‘Verder is er een verhoogde kans op borstkanker omdat je de hormonenboost van de zwangerschap abrupt onderbreekt en dan worden de borstcellen veel ontvankelijker voor carcinogene stoffen. Kanker dus.’ Greg is geïnformeerd. Dat is belangrijk. ‘Wat heeft dat te maken met psychologie?’ zeg ik. ‘Ille, je moet je informeren vóór je een beslissing neemt.’ Vóór ik een beslissing neem. Is Suzanne vergeten te zeggen dat ik een beslissing genomen heb?   We draaien de oprit op tot voor de garage, waarin Greg zijn atelier heeft. Wij hebben geen twee auto’s nodig. Greg moet vaak naar klanten voor audits maar ik werk dichtbij in het ziekenhuis. Collega-verplegers moeten vaak van veel verder komen. Greg heeft me ooit voorgesteld een eigen auto te kopen maar eigenlijk had vooral hij daar zin in. Hij wilde zelfs geld bijpassen tot ik bedacht dat hij zijn garage zou moeten opgeven voor mijn parkeerruimte. ‘Ik ga verder sleutelen aan de carbubar,’ zegt hij droog. Een geval van proactieve concentratie? Hij heeft mij dat concept eens uitgelegd maar ik denk dat hij het zelf verzonnen heeft. Ik denk dat hij mij gewoon even niet wil zien. We hebben nog amper een uur voor het feest. Ik moet me nog klaarmaken en ik moet de kerstkaarten nog schrijven. Ze maken is geen probleem; dat vind ik leuk. Bedenken wat je de mensen wil wensen, daar heb ik een oprechte hekel aan. Bovendien is het Gregs familie. Eigenlijk zou hij ze moeten schrijven. Greg knalt de koffer dicht. ‘Ik kan niet geloven dat je mij hierbuiten hebt willen houden, Ille. Zou je het mij verteld hebben, mocht Suzanne niet gebeld hebben? Ik weet het niet. Op dit moment wíl het zelfs niet weten.’ Als ik zijn twijfel kon wegnemen deed ik het. Twijfels zijn nooit leuk, dat weet ik. Ik zoek onze sleutel en stap naar de voordeur. Ik wil echt proberen zo weinig mogelijk te liegen. ‘Schrijf je mijn naam mee op de kaartjes?’ ‘Tuurlijk, geen probleem,’ zeg ik en ik doe mijn best om casual te klinken. Is dat liegen?   Merry XXX-mas, Greg en Ille   Het is zo ongeveer het beste wat ik kan bedenken. Voor iedereen. Het liefst van al wil ik me afkappen voor tv, maar ik zou niet verdragen dat Greg binnenkomt en me weer aantreft in de sofa. Alsof ik niets beters te doen heb. Dan kan je net zo goed kinderen op de wereld zetten. Ik neem me voor nooit nog tv te kijken. Ik ga boven iets convenabels uitzoeken voor het feest. Ik heb zelfs tijd voor een bad. Ons huis is eigenlijk te groot voor twee. Greg kon het kopen na de dood van zijn vader. We hebben een zolder waarin ik een studio mocht maken om lessen te geven. Verder hebben we een logeerkamer. Ik mocht doen met de muren wat ik wou. Op de zolder schilderde ik een uitvergroot detail van een jugendstilmotief in goud en diepbordeaux, uitgewaaierd tot het dak dat afloopt. Uiteindelijk hebben we er een pooltafel gezet. Het was voor Greg een welgekomen afleiding en maakte dat zijn vrienden ook graag naar ons kwamen. In die tijd is bij hem de goesting om uit te gaan bijna volledig opgedroogd. Die studio is er nooit van gekomen.      Als ik dampend uit de badkamer kom, zie ik hoe Greg voor de spiegel zijn das staat te strikken. ‘Hoe is het eigenlijk gekomen?’ vraagt hij. ‘Jij zit toch aan de pil?’ Ik zoek naar een manier om ongemerkt van mijn badhanddoek in mijn jurk te slippen. ‘Ik ben ze vergeten nemen’ zeg ik. Ik heb op dit moment geen zin om hem naakt onder de ogen te komen. ‘Eén keer maar?’ vraagt Greg terwijl hij de knoop in zijn das aansluit. ‘Vier keer.’ Ik haak mijn bh vast; nu nog mijn borsten erin krijgen. ‘Van de éénentwintig?’ Greg keert zich naar mij en kijkt hoe ik in mijn jurk stap en me buk, waardoor hij een geprivilegieerd zicht krijgt op mijn opgezette boezem. ‘Waarom heb je geen morningafterpil genomen als je per se geen kinderen wil?’ ‘Ik heb er niet aan gedacht. Ik dacht dat het oké zou zijn.’ Een week geleden hebben we nog gelachen met mijn borsten die dan toch nog zouden groeien. Nu zijn ze niet meer dan het bespottelijke bewijs van mijn stommiteit. ‘Om zwanger te worden?’ – hij. Greg ziet er streng uit met zijn das, maar wel sexy. ‘Daarstraks in de supermarkt dacht ik dat je mij zou steunen.’ – ik. Geraakt die jurk nog een keer toe? Ik wil Greg niet vragen mij toe te ritsen. Niet nu. ‘Ik heb gezegd we’re in this together. Het is net zo goed van mij als van jou.’ Ik weet dat hij gelijk heeft. Het is ook zijn kind. Suzannes woorden. ‘Ik wil mijn best doen om je te begrijpen. Maar dat zul jij ook moeten doen.’ – hij.   Ik ga op het bed zitten om mijn panty aan te trekken. ‘Ik weet het,’ zeg ik, sta op en wandel de badkamer in.  ‘Kon je niks anders kiezen?’ zegt hij. ‘Die jurk had je aan op de begrafenis van mijn vader.’   Kerstfeesten zijn voor mij een mooi symbool van de ondraaglijke lichtheid. Met de mensen waar het op aankomt in het leven praten over verbouwingen en kinderen, dingen die voor mij naast de kwestie zijn. En met vriendinnen gaat het bijna telkens over onze lieven, wat ergens wel logisch is. Maar ik heb nooit gesnapt hoe een mens genoegen kan nemen met steeds dezelfde onderwerpen. We rijden voorbij monstrueuze iconen van menselijke vlijt: obscure industrieterreinen, de eeuwige sporthal, wellnesstempel, cafés en discotheek, de zoveelste tweedehandsautozaak en winkels, eindeloos veel winkels en frietrestauranten; een brutale samenvatting van wat een mens bezighhoudt. Hier en daar een boom; onkruid op het schampere plan van de vooruitgang. Misschien zie ik het gewoon niet. Of vraag ik te veel. Ik heb een job. Ik zie Greg graag. Hij heeft verbeeldingskracht en dat geeft pit aan het leven. Maar ik heb geen zin om mee te draven in de stampij van kleine koters omdat niemand een beter antwoord heeft kunnen verzinnen op de vraag wat dan de zin is van het leven.   ‘Gaan we morgen naar de haven om uit te waaien?’ vraagt Greg. Ik hou van de haven. Daar hebben Greg en ik elkaar ontmoet, hij op studiebezoek, ik schetsend, tussen de batterij containers, kranen, sluizen en het vlechtwerk van buizen. Zo’n zes jaar geleden. We draaien de straat in waar zijn moeder woont en parkeren een beetje verderop. ‘Goed idee,’ zeg ik. Hij legt zijn hand op mijn knie. Mijn hand op de zijne. ‘Klaar voor Kerstmis?’ – hij. Ik knik. Hij brengt zijn andere hand naar mijn buik. Ik veeg zijn hand weg, langzaam.   ‘Vrolijk kerstfeest! Beste wensen. Dat al jullie dromen mogen uitkomen, liefst niet allemaal ineens, maar vooral een goede gezondheid. Glaasje cava?’ Uitbundige mensen zoals Gregs moeder beschikken vaak over een onmiskenbaar talent. Ze maken de poespas van sociale conventies in één klap overbodig. ‘Ille is bob vanavond, moeder. Ik wil wel een glas, maar als Ille bob is, drinkt ze nooit.’ De smeerlap. ‘Goed, dat respecteren we.’ Gerda knipoogt naar mij. Ze weet dat ik kan genieten van een glas. Als ze maar niet denkt dat ik zwanger ben. ‘En… Nog nieuws onder de zon?’ Gerda kijkt naar Greg. Dan naar mij. Dan weer naar Greg. Ik volg haar blik. Zo lijkt het of ik nee schud en lieg ik niet. ‘Niks bijzonders,’ mompelt Greg. Geen moeder die dat gelooft.   Gerda loopt de woonkamer in terwijl wij onze schoenen uittrekken en naast de andere zetten. Er zijn blijkbaar wel wat mensen. ‘Bedankt, Greg,’ zeg ik vóór hij de deur naar de woonkamer kan openen. ‘Graag gedaan,’ antwoordt hij en hij glimlacht flauwtjes. Hij weet niet eens waar ik het over heb. ‘Van het drinken!’ bijt ik hem toe. ‘Oh, dat! Je hebt gelijk. Het is niet leuk wanneer je lief beslissingen neemt achter je rug. Maar ik moet toch niet altijd degene zijn die rijdt, of wel?’ Hij vindt het nog grappig ook. Greg stapt naar binnen terwijl ik in mijn rugzak de kerstkaarten, servetten, kaviaar en dessertkoekjes bijeenzoek. Vanuit de woonkamer hoor ik nonkel Johan een straf verhaal vertellen. Dat hoor je zelfs zonder te luisteren. En aan de stiletto’s te oordelen is zijn dochter Petra er ook bij; wat uitzonderlijk is. Ze is even oud als ik, maar heeft de vipstatus voor kinderen van echtgescheiden ouders. Die kunnen nooit op twee feesten tegelijk zijn en krijgen speling. Haar lief zit trouwens in dezelfde situatie. Ik ben ondertussen een vaste waarde geworden, hoewel ik daar nooit om gevraagd heb. Ik zie mijn familie gewoon niet meer. Mocht ik een vipstatus hebben, zou ik hem handig gebruiken om al eens een familiefeest te rateren. Ik denk dat Petra dat ook doet. Ik loop de keuken in met de boodschappen.   ‘Ille, je komt als geroepen!’ Gerda staat met een dampende ovenschotel in haar handen voor een volle keukentafel. ‘Je hebt zelfs servetten meegebracht. Zwarte dan nog!’ Ze zet de ovenschotel op het werkblad achter haar; nog voor ik plaats kon maken op de tafel. ‘Dat was niet nodig, Ille,’ zegt ze terwijl ze de kaviaar aanneemt en de dessertkoekjes. ‘Als je het niet erg vindt, gebruik ik mijn servetten. Sinds René, heb ik besloten om zo weinig mogelijk zwart te gebruiken. Niks persoonlijks hoor, dat is gewoon zoiets.’ ‘Ik begrijp het,’ zeg ik en neem de servetten terug voor bij ons thuis. In de woonkamer hoor ik Greg lachen. Hij heeft de mood gevonden. Fijn. En ik in de keuken met zijn moeder.   ‘Laat die hapjes nu maar,’ zegt Gerda. ‘We gaan kijken naar Laures cadeautje’ Ik zet de viseitjes op tafel. Gerda loopt naar het salon en positioneert zich naast haar dochter en kleindochter op de leuning van de sofa. Drie generaties op een rij. Greg knielt voor hen neer met de camera. Laure houdt het inpakpapier van Gregs cadeau vast als een fortunecookie. Ze loert opzij, naar Annelies en Gerda die verwachtingsvol terugkijken naar haar. Laure glimlacht, niet omwille van het cadeau op haar schoot maar omdat ze voelt dat ze met haar fijne vingertjes de gelaatsuitdrukking van haar mama en oma controleert. Traag scheurt ze het papier. Annelies houdt zich met open mond klaar voor een theatrale uiting van appreciatie. Gerda heeft haar wenkbrauwen beloftevol opgetrokken. Eventuele teleurstelling voor het cadeau zal meteen worden opgevangen door plaatsvervangend enthousiasme van de moeders. Dit huis is geen plaats voor ondankbaarheid. Greg drukt af. Het inpakpapier belandt op de grond. Laure houdt de plaspop met gestrekte armen voor zich uit. Ze grinnikt en ze straalt. Annelies klapt in haar handen en Gerda zucht van ontroering. ‘Is het geen prachtig kind?’ ‘Heb je het bonnetje nog, Greg?’ vraag ik. ‘Ze kan de pop nog altijd ruilen voor iets wat ze echt wil. Mocht het tegenvallen.’ Greg keert zich naar mij, nog steeds gehurkt met de camera in zijn hand. ‘Dat is niet nodig denk ik, Ille. Ik denk dat Laure mijn cadeau wel leuk vindt.’ Laure prutst aan de oogjes van de pop. Annelies en Gerda murmelen instemmend. ‘Ille wilde een gitaar geven’. Greg richt de camera op mij en drukt af. Hij kijkt niet eens door het vizier. Net wat ik nodig had, een close-up van mijn neusgaten.   Gerda doet niet meer aan naamkaartjes op de feesttafel. Ook dat is veranderd sinds René. Toen waren er een aantal dingen die ze niet aan het toeval wou overlaten, nu is dat anders. Voor Greg en mij maakt het niet uit. Wij zitten altijd naast mekaar. ‘En Greg, komt het in orde met je carburatorbar? Krijgen we binnenkort een demonstratie of rijden we een dezer dagen naar het recyclagepark?’. Gerda schatert. Ik vind het ook grappig. ‘Twijfel jij aan mij, moeder?’ ‘Geen seconde. Zoiets doet een moeder niet.’ Daar is die knipoog weer. ‘Je bent een genie, Greg. Dat heb ik altijd geweten.’ Ze kan het zo indringend zeggen. Zum kotzen. Duits verwoordt het wel weer treffend. Annelies frommelt een servet achter Laures rolkraag terwijl die haar lepel rechtop houdt in de tomatensoep.‘Vind je het niet lastig dat Greg de hele tijd in de garage zit?’ vraagt Annelies. Ze zit tegenover mij. ‘Ik vind wat Greg doet met zijn leven fantastisch.’ Het is niet omdat het niet zo goed gaat tussen ons dat ik daarover ga liegen. Ik meen het, maar het klinkt niet zo. Greg legt zijn hand op mijn dij. ‘Jij hebt ondertussen waarschijnlijk je eigen projecten?’ polst Annelies.   ‘Dat valt wel mee,’ zeg ik. Greg knijpt zachtjes maar ik weet niet wat hij ermee bedoelt. ‘Maak je die kaartjes alleen met kerst of doe je dat het hele jaar door?’ Heeft Annelies nog niet door dat er niet veel te rapen valt in deze conversatie? il   µ   ‘Alleen met kerst en verjaardagen. Waarom?’ Ik snak naar een glas. Zou eentje kwaad kunnen? ‘Omdat er nooit kerstbomen of sneeuwmannen op staan. Maar dat is misschien niet artistiek genoeg.’ Afschuwelijk woord, artistiek. ‘Ik moet jouw kerstkaarten niet, Ille.’ – nonkel Johan van drie stoelen verder. ‘Ik heb het gehad met jouw kerstkaarten. Volgend jaar wil ik van jou een schilderij van vier meter op vier om in de plaats te hangen van mijn Muller. Begrepen?’ Ik lach. Hij weet dat ik zijn Muller fantastisch vind. ‘In orde, Johan’ zeg ik, ‘maar ik doe geen naakt!’. Johan schatert. Ik moet ook lachen. Echt. Greg kijkt bedenkelijk. Hij kent Muller niet en hij heeft Johan niet graag. Hij vindt hem te luid. Stel je voor, mijn werk op de plaats van zijn Muller. Johan is niet goed wijs maar net daarom vind ik hem wel leuk.   Mijn dessertkoekjes zijn een succes. Goed gekozen in de winkel dus. Hierna komen nog de pousse-cafés van nonkel Johan. Hij houdt het nooit bij één rondje. Voor mij is het welletjes geweest maar ik betwijfel of een avond thuis met Greg nu me beter zou bekomen.   ‘Laure,’ zingt Annelies. ‘Laure, het is tijd.’ Laure laat haar pop vallen en loopt op mij toe. Ze verbergt haar gezicht in mijn schoot en wrijft heen en weer tegen mijn benen alsof ze zich in mij wil ingraven. Ik leg mijn handen op haar hoofdje. Het wrijven stopt. Greg laat de conversatie over sigaren en kijkt naar mij alsof hij net iets interessants heeft gevonden om te volgen op tv. ‘Tijd om te gaan slapen, Laure,’ zegt Annelies. ‘Tante Illie!’ klinkt het van tussen mijn benen. ‘Tante Illie moet mee slapen.’ Annelies glimlacht een beetje gegeneerd. ‘Tante Ille mag nog even opblijven, Laure, maar wij gaan ons bedje opzoeken. Kom!’  Ik strijk mijn vingers door Laures krulletjes en buig me voorover. ‘Zal ik je in je bedje stoppen, lieve Laure?’ Lievelaure, het zou een mooie naam kunnen zijn. Ik heb zo een idee van de film die in Gregs hoofd aan het draaien is, maar ik doe gewoon waar ik zin in heb. Tegen Laure wil ik niet liegen, nooit. ‘Ja!’ trilt het tussen mijn billen. ‘Illie mij slapen.’ ‘Mij best,’ zegt Annelies met het soort achteloosheid waarmee mensen tonen hoe flexibel ze zijn. Ik aai Laures hoofdje tot ze rechtkomt. De greep van haar armen achter mijn knieën verslapt. Ik neem haar bij de hand en sta rustig op. ‘Nemen we de pop mee naar boven?’ vraag ik als we voor de trap staan. Laure schudt van neen. Ze is te moe.   Als ik de trap weer afkom zit Greg me aan te stralen. Ostentatief. Pregnant. ‘Nu wil ze haar pop toch,’ zeg ik. Wat gelogen is. Ik raap de pop van de grond. Greg blijft stralen. Alsof ik hem trots maak. Alsof hij in mijn handelingen leest waarom hij van mij houdt. Hij heeft er geen idee van. Mensen moeten ophouden dingen van mij te verwachten. De treden klinken hard onder mijn voeten. Ik stap veel te snel dan nodig is. Als niemand iets van mij zou verwachten zou ik niet moeten liegen. Mijn hart bonst. Ik open de deur waarachter Laure ligt te slapen en schuif haar pop in het duister over de grond naar binnen. Ik hoor haar adem ruisen en hoe elke uitademing haar dieper in slaap voert. Ik sluit de deur. De stilte in de gang boven het feest valt dof in mijn oren.   ‘Kind,’ zeg ik en ik weet niet waarom. ‘Kind,’ zeg ik en het steekt. Ik wil het roepen en dieper steken maar niet hier of nu. ‘Kind.’ Iets van een scheut. Pijn in mijn keel. En willen spuwen. ‘Kind’. Eruit maar niet te luid. Dan maar tranen. Het spijt verschrikkelijk. Maar dat zeg ik niet. Het is onuitspreekbaar want het is niet zo. Het spijt mij niet. Dat klopt. Ik kalmeer. Het klopt, het spijt me niet. De tranen houden op. ‘Het spijt mij niet.’   Tranen brengen rust. Tranen brengen je adem weer bij harstslag. Ik heb nooit gesnapt wat mensen er zo erg of schaamtevol aan vinden. Wat ik wil zeggen ligt zout op mijn tong. Ik haast me niet als ik de trap afdaal. Ik weiger nog koffie te drinken en te keuvelen en te doen alsof. Ik lieg niet als ik zeg, helder en duidelijk: ‘Greg, ik wil naar huis.’   Het regent op de voorruit. Ik zet de ruitenwissers op hun zachtst. Greg zoekt zich een comfortabele houding. Hij weet zich met zijn stomme grijns geen blijf. Hij gooit Psychologies op de achterbank nadat hij er eerst nog eens naar gekeken heeft als naar de kladversie van een slecht script. Hij kijkt uit het raam, draait de radio open, knikt een paar maten met zijn hoofd mee op Fuck ‘m and their law. Hij kijkt naar mij en wendt zijn hoofd abrupt af om uit het raam te staren. Zijn stomme grijns, nog steeds zichtbaar in de reflectie van de ruit. Dan zet hij de radio uit. ‘Ille, ik vind het fantastisch.’ Ik zeg dat ik het merk. ‘Ille, ik wil dit kind met jou. Fuck de rest. Het kan me niet meer schelen dat je het mij niet wou vertellen. Ik denk dat ik het je kan vergeven.’ Ik zeg dat hij gedronken heeft. Ik zeg het traag, tegen dertig per uur, in de hoop dat het snijdt, maar ik weet dat hij het meent. ‘Niet dronken genoeg, Ille.’ Zijn niet klinkt bijna als net. ‘Ik heb níet genoeg gedronken om níet te weten wat ik zeg.’ Greg draait zich helemaal naar mij, trots omdat hij zijn dronkenschap door articulatie heeft overtroefd. ‘Hoe ver ben je?’ Ik zeg dat ik zes weken ver ben. ‘Is dat ver?’ Ik zeg dat ik nog zes weken heb om te aborteren. ‘Dan heb ik nog zes weken om je te overtuigen het te houden.’   Als we thuiskomen gaat Greg rechtstreeks naar boven. We hebben wel vaker dit soort communicatierespijt gehad. Eerst vond ik dat akelig, daarna ben ik er de voordelen van gaan inzien. Vanavond voelt het weer akelig. Ik geef Greg een voorsprong. Hij doet er meestal minder lang over dan ik om in bed te kruipen. Is het niet gek je best te doen om afstand te scheppen en elkaar de ruimte te gunnen om vervolgens in hetzelfde bed te kruipen? Alsof het donker je zintuigen uitschakelt.   Het lijkt of een slingerplant zich rond mijn eierstokken gewikkeld heeft. Zo spant het onder mijn buik. Eigenlijk wil ik niets liever dan Gregs handen op mijn buik, maar hij ligt tegen het nachtkastje aan. Ik ook. En ons bed is groot. Ik weet dat hij niet slaapt. Ik luister naar zijn ademhaling. Ik heb me voorgenomen te zwijgen. Zou Greg aan ons aan het denken zijn? Misschien groeit er wel een plant in mij. Misschien is dat kind in mij wel een plant. Blind en doof en kan het zich niet bewegen. Misschien wil ik dat soort kind wel. Een kind dat niet spreekt, niet huilt, alleen maar staart. Mensen zouden twijfelen of ze mij moeten gelukwensen. Ze zouden medelijden hebben en zichzelf daarom verachten. Ik zou trots zijn en geen ander kind willen. Ik hoop dat mijn kind een mongool is. ‘Greg. Misschien is het een mongool’. ‘Ons kind is geen mongool’. ‘Het is een mogelijkheid.’ ‘Ons kind is geen mongool, Ille. Zoiets kunnen ze op voorhand zien en dan kunnen we het nog laten weghalen.’ ‘Dus je zou het wel goed vinden dat ik het liet weghalen als het een mongool was?’ ‘Ille!’ ‘Ik denk dat het een mongool is’. ‘Slaapwel, Ille’. Als ik me voorneem om te zwijgen, moet ik me daaraan houden. Nu kan ik niets meer zeggen en ben ik nog meer alleen met mijn gedachten.   Greg weet het. Het eerste wat ik denk als ik wakker word. Het bed is leeg op mij na. Er valt een straal zonlicht binnen langs de bovenkant van het raam. Twaalf uur voorbij. Weer heel lang geslapen. Greg weet het. Dag twee. Ik heb er geen zin in. Hij wil mij overtuigen. Kan ik dan nog hopen op begrip? Fucking Suzanne. Het leven had gewoon door kunnen gaan.   Er is iets wat wij deden, Greg en ik, wat wij doen. Waardoor ik weer het gevoel krijg dat hij van mij houdt. Omdat ik vind dat ontwaken soms een nachtmerrie is en hij dat weet. Ik weet dat het aanstellerig is maar Greg heeft het me altijd gegund. ‘Greg!’ roep ik zo luid ik kan. ‘Greg!’ Nog luider. Ik roep soms ‘lief’ maar niet nu. Omdat ik niet weet of hij nog komt na gisteren. Ik heb alles in huis gehaald dus hij kan niet in de winkel zijn. ‘Greg!’ Voor de laatste keer. Verder ga ik niet. De deur gaat open. Greg in overall.   ‘Ille, ik moet begrijpen waarom jij dit kind niet wil. Anders raken we hier niet door.’ Ik ga rechtop zitten en trek mijn knieën op; ik ga proberen het zo goed mogelijk te formuleren. ‘Ik ben nog niet klaar met mezelf. Greg. Misschien wil ik nog iets studeren. Misschien.’ Greg fronst al van de inspanning om me te begrijpen. ‘Ik weet misschien niet wat ik wil maar ik weet wat ik niet wil. En een kind zou mij tegenhouden om er toe komen om nog te ontdekken wat ik wil.’ Dat was het, ongeveer. ‘Wanneer zul jij ooit klaar zijn, Ille?’ – hij. ‘Dat weet ik niet.’ – ik. ‘Exact. Je weet het niet. En je weet niet wat je wil. Wat wil je dan, Ille?  Gaan studeren? Weet je al wat? Een paar jaar geleden wilde je een studio. Je krijgt de ruimte en wat doe je ermee?’ Niks, helemaal niks, maar dat hoef ik hem niet te vertellen. En niks, helemaal niks wat ik bedenk dat ik zou willen kan weerstand bieden aan de sloopbal waarmee hij mijn doorzettingsvermogen zo treffend heeft geschetst. Godverdomde studio.   ‘Hebben wij niet genoeg aan elkaar? Kunnen wij niet zonder kinderen?’ probeer ik. ‘Ik weet het niet, Ille. Je vraagt heel veel van mij nu. Heel veel. Je weet hoe graag ik dat wil. Papa zijn.’ Gregs ogen lopen vol. Zijn tranen zijn salpeterzuur op mijn hart. ‘Kan ik voort met de vrouw die mijn kind niet wil? Ik weet het niet.’ Ik kan niet anders dan zijn verdriet omarmen ook al ben ik er de oorzaak van. Een gewond mens heeft warmte nodig. Maar ik ben niet meer dan een pleister. Greg kust me alsof ik de kraan ben die zijn dorst lest. Maar een kus die niet uitmondt in een vrijpartij dooft na een tijd vanzelf uit. Hij staat op en laat mij alleen met mijn gsm op het nachttafeltje.   ‘Ille,’ zegt Suzanne. ‘Trut,’ zeg ik en ik begin te janken. Dat ze dacht dat ze er goed aan had gedaan, zegt ze. Dat ze vond dat ik daarover niet kon liegen omdat ze niet wilde dat ik spijt zou krijgen en sorry. Dat ze het niet had mogen doen. Dat ik het haar vergeef omdat ik haar nodig heb. Dat ik niet meer weet wat gedaan. Of ik van gedachten ben veranderd dan? Dat niet. Dat ik wel zou willen. Dat ik anders Greg verlies. Waarschijnlijk. Dat ze een rund is. Of zij vindt dat ik iemand ben die iets zou kunnen maken van haar leven? Dat ik daaraan niet mag twijfelen. Of ze komt.   Ze komt.   Suzanne komt.

Evi Rosiers
0 0