Lezen

writersblock

'Wanneer ga je die bult onder het behang weghalen Françoise? Het is echt geen zicht!' 'Ma, toe jong, ga je daar nu weer over beginnen? Je weet dat ik hem graag zie!' 'Maar Françoise toch! Die vent van jou is echt onmogelijk! Hoelang is dat nu al? Is dat geen week of drie geleden dat hij jou vroeg om hem onder het behang te plakken? En gij leent U daar toe! Dwaas trien van een dochter...zoiets!' 'Het is een fase of zoiets. Hij is echt vastbesloten. Hij komt er weer vanonder als hij uit zijn writersblock is zegt hij.' 'Praat hij dan nog met jou? Dan?' 'Wel, iedere keer ik aan het eten van de kinderen begin, hoor ik een licht kreunen en dan vraagt hij mij om elders te koken. De rest van de dag hoor ik hem nauwelijks!' 'Hoe is het mogelijk! Elders gaan koken! Stuk pretentie...onnozel schrijverke! Hij zou beter een beetje gaan werken! Dat zou ik nog wel eens...' 'Hij heeft verschrikkelijke honger zegt hij...' 'Ongelooflijk! En jij laat dat allemaal toe! En hoe zit het dan met je seksleven?' 'Tja, dat moet je er bij pakken natuurlijk. Ik moet zeggen dat het me eigenlijk wel opwindt. Hij is eigenlijk in een soort van constant gesteven toestand, bij wijze van spreken!' 'Daar ben je vet mee!' 'Is het daar haast gedaan, stukske schoonmoeder van mij, met de nadruk op schoon!' 'He Manuel, levend en wel, zo te horen!' ' Dat is het minste wat ik van jou kan zeggen! Weer aan het stoken? Het mag al beginnen gaan of moet ik vanonder mijn papier komen misschien?' 'Rustig vent! Rustig! Ik kom Françoise steunen in haar ellende! Je weet toch hoe behoeftig ze is! Straks moet ze een minnaar nemen, weet je wel!' 'That's it! Ik geef er de brui aan! Wat kan mij de verheven poezie schelen! Ik kan hier toch nooit in stilte werken!'   Ripppppp....boenkkkkk   Kreunnnn  

Manuel Van den Fonteyne
2 0

Het nest.

De onderbuur plaatste een vogelhuisje. Het zou nooit naar beneden tuimelen, daar liet het kordate optreden van de klopboor geen twijfel over bestaan. De muren van de stadstuin maakten er een supersonisch gesnerp van. Wij hadden alles uit onze handen laten vallen en ons naar het raam gerept. Eindelijk gebeurde er weer iets tijdens onze afzondering. Van op de tweede verdieping volgden wij benieuwd de werkzaamheden. De ladder wiebelde op het milimetergazon tussen hortensiabloemen in de maak.            “Het wordt een dorp.” gniffelde opa. ”Dit is nummer vijf.” Wij wisten hoeveel nestkasjes er ondertussen hingen, maar voor de zekerheid telde Ellie ze nog eens na.             “Och here toch…”blies pa. “Precies een Centerparcs. Daar trappen de mezen niet in. Daarbij: zij hangen verkeerd. Te laag en in de schaduw. Met al die hoge bomen aan de overkant.”             De boor hield even haar bek.             “Sshhttt!” beval ma. “Kom! Maak dat hij ons niet ziet. Geen ruzie met die rotvent.” Aan de zijkant van het gordijn trok zij Ellie naar zich toe. Maar dat belette opa, pa en mij niet om verder te gapen naar de kleine bungalows die plik plok aan de muur hingen. Chalets zonder Alpen.             “Toch mooi hout. En die koperen daken, heel chic.” vond ik.             “Oh ja?” pufte pa. “Er komt wel geen vogel op af.”             Ma haastte zich de kamer in en duwde de transistor aan. Zij werd er zenuwachtig van.             “Het is al goed.” klaagde zij en draaide de volumeknop fors open. “Non… rien de rien. Je ne regrette rien.” Een aftands nummertje dat zij in jaren niet meer had gehoord. Ma verstond geen Frans, maar dit wel. Zij neuriede enkele woorden mee en kwam weer tot bij de anderen. “Zie ons hier staan.” foeterde zij. “Een mooi gezinsportret, zo van beneden gezien.”             Ellie telde nog eens. “Eéntje voor elk van ons.” besloot zij ernstig. “Ik zie mij daar al hangen.” grapte opa. “Dan nog liever hier binnen. Zo opeengepakt.”             Ik keek naar de open lucht. Uitvliegen, leek mij ook wel wat.                 Het hing. Goed stevig. De man probeerde het uit. Dan verplaatste hij de lichte ladder tot tegen de hoogste boom aan de overkant van het smalle perseel. Hij schoof de aluminiumstaven zo ver mogelijk uit, maar de andere bomen beletten ons te zien wat hij precies uitvoerde. Hij kwam nog even te voorschijn om op het gazon een zaag te halen.             “Zie je wel!”zei pa. “Zoals ik zei. Teveel schaduw. Hopelijk gaat hij de boom niet verminken.”             “Sadist.” zei ma tussen haar tanden. “Ik kan die vent niet uitstaan. Nooit een goeiendag, zelfs geen glimlach. En hoe hij naar je kijkt. Geen wonder dat hij geen vogels aantrekt.”             “Wat wil je.” zei pa. “Een eenzaat.”             Ergens in het midden van de ladder hield de man halt. De bladeren ritselden vervaarlijk. Dan spurtte hij naar boven. Wij begrepen niet wat hem bezielde. Hij morrelde in de groene kruin. Deed de hoogste takken wild wuiven en dan hoorden wij de zaag naar beneden kletteren, ontwaarden een uitgestrekte arm, een bruuske beweging, een voet die de lucht in veerde en het geflits van zonlicht op de metalen staven.                           De week nadien mochten wij terug naar school. Ellie vond dat maar niets. Ik had er wel zin in. Als ik thuiskwam  keek ik of er koolmeesjes op bezoek kwamen. Maar niets. Pa had gelijk. Het bleef doodstil. Er was teveel schaduw.

Dorlan Slefficsroth
5 0

De duivenbende

Het is maandag. De lucht is grijs en voelt kil aan. Het is buitengewoon stil wanneer de roltrap me op het plein Zwarte Vijvers in Molenbeek duwt. Er komt me geen geur van warme broodjes of look tegemoet zoals op andere dagen. En ook de helblauwe lucht en de snijdende winterwind waar ik zo van hou zijn afwezig. Er zit dus niets anders op dan zo snel mogelijk te stappen in plaats van slenterend te genieten. Net als ik wil oversteken valt mijn oog op de stoeprand. Of beter in het keelgat van een duif.Keelgat mag je hier zeer letterlijk nemen. Er liggen drie duiven op de stoeprand met elk een gat in hun keel ter grootte van een klein ei. Vol afschuw draai ik me om en loop door, maar ik krijg het beeld niet van mijn netvlies geveegd. Het doet me denken aan die ochtend dat de buurvrouw me kwam zeggen dat Kurt rost Pietje had dood geschoten. Ik was toen 14 jaar en smoorverliefd op Kurt. De buurvrouw wist dat en toch vertelde ze het zonder veel details en liet me dan achter. De buurvrouw was een opgetutte dame uit Brussel die zo deftig en beheersd was dat ze de jonge liefjes van haar man met een zure glimlach verdroeg. Daar stond ik dan, een verdwaalde tiener, met honderden vragen in mijn hoofd, maar ik kreeg geen geluid meer uit mijn mond. Ik had een hekel aan rost Pietje. Als kind vond hij niets leuker dan mij en mijn vriendinnetje te pesten. Zes jaar lang hebben we dat moeten dulden. Tot hij groot genoeg was om zich met andere dingen bezig te houden. Wapens blijkbaar. Ik kreeg direct een schuldgevoel voor alle vloeken die ik als kind over hem had uitgesproken. Misschien was ik echt een heks en was Pietje door mijn schuld dood? Pas uren later heb ik vernomen dat het niet mijn Kurt was die had geschoten en dat het eigenlijk allemaal een ongeluk was. Ze hadden met oude wapens zitten spelen en een kogel die had vastgezeten was los gekomen en recht door het achterhoofd van Pietje gegaan. Misschien waren de duiven ook zo aan hun einde gekomen, door een ongeluk, of door rebelstienergedrag? Hadden de jongens hier op het pleintje al spelend naar elkaar geschoten en waren de duiven ertussen beland? Of was er een burenruzie uit de hand gelopen? Of zouden de bewoners hier dagelijks een aantal duiven schieten om dan lekker gaar te stoven? Dan waren hun ogen groter dan hun buik geweest en dat klopt niet met het beeld dat ik de voorbije jaren ontwikkelde over de bewoners hier. Voedsel wordt hier niet verspild, maar met de buren gedeeld. Nee, de duiven lijken brutaler aan hun einde gekomen te zijn, alsof er een gepantserd voertuig met grote pinnen op de bumper gepasseerd is waarop de drie duiven tegelijk vastgepind werden. Dat moet dan wel zelfmoord geweest zijn, of waaghalserij van een paar jonge duiven die elkaar uitdaagden. De man achter het stuur moet van totale schrik de duiven op de stoep gegooid hebben. Het zou ook geen zicht zijn om in een zwarte geblindeerde wagen met drie duiven als trofeeën vooraan je bumper door Molenbeek te rijden. Dan denkt de plaatselijke politie helemaal dat ze in één of andere maffiafilm terecht gekomen zijn en gewoon in het wild mogen schieten. In gedachten verzonken voel ik de kilte niet meer. Aan het groentewinkeltje ruik ik het verse fruit. Een vlucht lichtgrijze duiven maakt een sierlijke beweging over mijn hoofd. Dat waren de mooie duiven die steeds de aandacht trokken door één of andere kunstzinnige dans. Nooit zag je ze bedelen om eten of zenuwachtig rondpikkelen. Ze leken wel uit prinselijke oorden te komen, enkel om wat schoonheid in de stad te brengen, nooit om onze rust te verstoren. Misschien behoorden de drie dode duiven wel tot een onruststokende gangsterbende en werden ze door de duivenpolitie neergekogeld met de lechees van het groentewinkeltje op de hoek? Ze leken wel gangsters nu ik eraan denk. Het waren niet de verzorgde duiven die respectvol uit de weg gingen en hun behoeften aan de muurkant achterlieten. Nee, de duiven op de stoeprand waren van de vuile bende, die hun groenwitte slijmerige behoeften over het hele plein lieten vallen, zodat je bij regenweer gegarandeerd op je bek ging als je de metro uitkwam. En dan weet ik het plots... De drie duiven stonden wellicht heel hard te lachen wanneer er weer een oudje tegen de grond ging. En deze keer was het oudje in totale woede met zijn wandelstok de duiven te lijf gegaan. Zo is het vast gegaan. En niemand durft de duiven nu weghalen uit respect voor dat oudje. Ik ril nog even en dan verdwijnt de dode duivenbende samen met wijlen rost Pietje voor altijd ergens in mijn achterhoofd.

Fien SB
8 0

Den Dries

“’t Is van dat, ja lap, dat van dat is. Kermis, jong, op Den Dries, jong. Ge ziet ze, alleman is te gare. Allee het valt te bezien of ’t is te zeggen. Pintekens drinken tot k’n kan nie meer. K’n kan nie vele. Peis ik. k’n kan nie vele nie meer. Van ’t flubiet in mijnen kleine teen. De jonge meiskes draaien met hun rokken rond. En Rogerke, ’t smeerlapke, legt hem neer en kijkt er onder. Hij spreekt niet, zijn tong is afgebeten door ne kameraad in ’t schuttershof zeven winters geleden, maar hij sist en tjielpt gelijk een vogelke en met zijn arme armkes bewegingen maken. Bijna tegen de schede van ’t meiske bij wie ’t rokske tot onder d’oksels komt. Dan vraagt ze der ook om. ’t Is precies Sodom en Gomorra. Rick en Jean Luc, d’homos, lopen hier ook rond op hun sandalen. Rick mankt. Zijn knie is kapot. Zijn knie is gammel als een kameel met ene bult. Hij moet alle zeilen bijzetten om Jean Luc te kunnen volgen. Zijn stem klinkt zagerig, alle woordekes uit zijnen mond worden slap als meel. Ze hebben ruzie gehad. Ze hebben altijd ruzie. Iederen dag van de weke maar ’s zondags niet. Dan gaan ze pastis gaan drinken. Met den bus en komen ze thuis als de koekeloeren haan gekraaid heeft. Die ze dan plachten te roosteren met brood. En als ’t mislukt, en ’t is mislukt, boterhammen mee confiture van pruimen. En lap weeral ruzie. Zouden zij naar ’t schietkraam gaan vandaag op de kermisse? Subiet schiet den enen den anderen een oog uit. ’t Zijn al manke hier op Den Dries. Ge kunt gij hier anders niet blijven. Horzelvoet, tandeloos gebit, zonneallergie. Wreed is ‘t, zo zonder zon. Anton, kan niet met de zon. ’t Is daarom dat hij altijd zo wit ziet, precies een lijk. We zeggen ’t tegen mekaar: -’t Lijk, zeggen we. ’t Lijk loopt hier rond. -Ah ja, waar? Vraagt de gindsen. -Ah hier, ziet ge ’t nie? Zo wit. Een lijk. ’t Moet er wel een zijn, subiet komt er vocht uit zijn hol. Past op. Ge kunt daar vervaarlijk over vallen. Antontje toch, ge moet u proper houden. ’t Is niet omdat ge lijk een lijk zijt dat ge niemeer fier moogt zijn ze. En Anton stamelt dan totdattie verder wankelt, uit de zon. Odette heeft vlaaien gebakken. Mee appelsienen in. Slappe vlaai. Met lauwe Rodenbach moet ge da drinken. Zonder schuim. Uit de kelder. Odette strompelt den trap af. D’r zitten muizen in haar haar. Dat leeft daar al zo lang, want Odette komt haren hof nie meer af. In een tuinstoel mee bloemekes op, half doorgezakt, dienen stoel, maar Odette ook, z’heeft water in haar knoessels. Juist vaderlanderkes. Ge kunt er mee naar den oorlog, en als ’t mislukt geeft dan wa vlaai aan de vijand. Directe capitulatie. Haar dochter is ook al vijftig. Nog altijd vlechtjes op hare kop. Vette vlechtjes. Van ’t frietvet. Ze danst heelder dagen rond het huis. En bakt haar frieten. Z’eet nie elle. Of ’t waren lekstokken. Alle dagen van ’t jaar staat ze te lekken. Mee haar grote tong. Precies van een koe. Giet er wa madeira in en ge kunt et eten mee kroketten. En vals zingen doet z’ ook. Ze wil het aanleggen mee Rogerke. Maar hij kan ’t niet uitleggen, dat hij niet wil en dat zij moet stoppen want ge krijgt het zuur van hare kop. Ne goeie kinderkop, maar wel ’t zuur in uw maag als ge er dagelijks op moet kijken. Ze pakt zij zijn handje ne keer en steekt het tussen haar benen. En blijven lekken en Rogerke kwieten. Haar vader was Marcel maar hij is dood. Hij ligt bij de pieren te zwieren. Hij was in de gierput gesprongen van ’t verschieten toen dat hij zijn dochter zag. Maar hij kwam niemeer boven. We stonden wij daar allemaal op te kijken. We hebben dan een lotje getrokken wie d’r achter ging. ’t Was aan Rudy. Maar Rudy durfde nie. We hebben hem dan geduwd. Ah ja, anders moette nie meedoen. Lap Rudy ook nie meer gezien sindsdien. Nog ne keer geprobeerd, maar z’hadden mij in gedachten. Kzeg: kheb mijn tanden nog niet gepoetst. Da ga nie gaan. En ’t een ging nie. Poetst ze anders nu, zei d’r enen, de facteur Louis, hij was al zat. Kzeg tegen Louis: gaat gij ze dan gaan halen, ze liggen in een glas naast mijn bedde, ge kunt er nie nevens kijken.Hoe da niet, vraagt Louis. Ge herkent da wel een gebit. Wa tanden op een rij. Maar Louis was nie zinnens naar mijn huis te trekken. Na wat vijven en zessen zijn we dan maar gegaan, naar ne staminee. Louis zegt: kga mij iets sterks pakken. Hij dronk zijne whisky puur, maar hij zat mee nen hoest. En hij hoest zijne whisky op zijn broeke. Zo ne facteur mee geen broek aan, ’t is toch da nie. ‘k Zal ze afkuisen zegt Nadinda. Komt mee naar boven.   En wij blijven zitten en wat wachten. Ja ja. En ah zo. En al ineens. Ne slag en ne boenk. Wij naar boven. Ze lagen zij daar opéén. Juist voordat Omer, de man van Nadinda, Louis ne boks wou geven, zegt hij nog: mijn broek was toch al af. Da was daar wreed. Bijna drie lijken op nen dag. ’t Zou te veel van ’t goede geweest zijn. Gelukkig dat hij nog overlast had staan een eindje verderop. ’t Was koelen zonder blazen. Nu is ’t hier dus feeste. ’t Zijn al zwijnen dat hier rondloopt. Tot den dinsdag kijkt da naar niets. En dan nog twee maand mee uwen kop in de grond als ge den anderen passeert. Want der is weer van alles gebeurd da nieden deugd. Al een grote chance dak kik zo nie ben. Ik zittekik maar wa te kijken. In de lommerte. Als ’t er iemand komt zeg ik: neen jong ’t is zo goed of ‘k heb het gehad. En ‘k leg mij op de grond van de kelder als ’t mij te warme wordt. ’t Is dan wachten op moeder de vrouw totdat ze thuiskomt. -Vuilaard, smeerlap waar zitte zegt ze. -Hier in mijnen kelder. Alhier alhier dicht bij ’t bier. -Vuilaard, smeerlap wie gaat die bakken naar beneden slepen als ’t op is? ‘k Zeg dadda wel meevalt. Maar ze sleept geen bakken, zegt ze. Blijf kik dan maar terplekke. Totdat z’uitgeraasd is. -Vuilaard smeerlap, ze ziet me zo gaarne. ‘k Hoor het aan haar stem. ’t Is een en al liefde. Allange. Vroeger was ze schoner. ‘k Zeg het haar:-Stop mee paté t’eten. -Ik een eet gene paté. -Maar muilkorft mij ne keer nie. Patéekes me crème, da maakt u vet. Moorevet. -Ge zijt nen dronkaard. Kzeg van nie want ik blijve thuis. -Subiet ne paté op uw muile.En ’t spel is were hespe.En op elkaars muile. Wat moeten w’anders? En zo gaat den dag vooruit.”

Gabriel Rooms
10 0

De Kale Realiteit

Zittend achter z’n bureau zat Richard weer over haar te denken. Het was vandaag 2 jaar geleden dat hij haar gesproken had. Ik ga d’r weer bellen, dacht hij. Vanavond is het weer tijd. Hij keek rond op z’n bureau. Zeven, acht, negen lege flesjes. Dat was meer dan de afgesproken twee biertjes. Afgesproken met zichzelf wel te verstaan. Eigenlijk was de afspraak om helemaal niet meer te drinken, maar dat is even anders gelopen.   Zijn verlangen om haar te spreken steeg met elke nieuwe slok. Hij weet stiekem  dat het geen goed idee is. Ze gaat het niet waarderen. Er is een reden dat zij niet zelf al contact heeft gezocht. Zou ze al een ander hebben, vraagt Richard zich af. ‘Al’, want het is pas tweeënhalf jaar uit. Een half jaar daarna had Richard toch dronken opgebeld. Ze had hem duidelijk gemaakt dat die dat niet nog is moest doen. Toch dacht hij er elke keer aan als hij had gedronken. Dan pakte hij d’r foto erbij en keek met plezier terug naar die tijd. De enige tijd dat hij ooit gelukkig was, was met haar. Maar wie zegt dat ze het niet zou waarderen, vraagt Richard zich hardop af. Misschien voelt zij wel precies hetzelfde, maar durft ze, net als ik, niet te bellen. Misschien is ze zelf in net zo’n wanhoop om mijn stem te horen als ik de hare. Je kan niet van de ene op de andere dag niets meer geven om iemand waarmee je zoveel moois hebt meegemaakt.   Het is gewoon een ondankbaar stuk stront, denkt Richard. Dat is wat ze is. Een ondankbaar stuk stront. Ik maar betalen, betalen en betalen. En wat kreeg ik ervoor terug? Wat een kutslet. Richard schrikt van zichzelf. Hij zit voorover gebogen boos te staren in het donker met alleen zijn telefoonscherm dat zijn gezicht oplicht. Hij neemt terug wat hij dacht. Hij neetm het terug voor zichzelf. Niemand anders heeft hem gehoord, maar hij wil het toch terugnemen voor zichzelf. Het spijt me lieveling, denkt Richard.Hij neemt nog een laatste slok van zijn biertje, en pakt een nieuwe uit de koelkast die onder zijn bureau staat. Als het biertje open is pak hij een sigaret uit zijn pakje Camel en steekt hem aan met een lucifer. Als de lucifer uitgeblazen is met een flinke adem rook, denkt Richard terug aan het vorige telefoongesprek. Hij probeert het zich goed te herinneren, maar het is alweer twee jaar terug en hij had wel een slokje op. Richard weet nog wel dat hij zich pas de volgende middag kon herinneren dat hij überhaupt gebeld had. Hij zag op z’n telefoon dat hij gebeld had en toen kwam het weer terug. Nooit had hij zoveel schaamte gekend als dat moment. Hij kon zich alleen nog haar boze stem herinneren en zijn lichte gejank. Gesmeek, dat was er ook nog. Waarom precies, wist Richard niet meer, maar hij had wel een goed idee waar het om ging.   Nu hij terugdenkt aan die nare herinnering beseft hij toch dat het inderdaad geen goed idee is om te gaan bellen. Alhoewel, denkt hij, dat is twee jaar geleden. Wat nou als ze intussen heeft ingezien dat ze nooit zo gelukkig was als met hem? Wat nou als ze snakt dat telefoontje van hem? Hij wist dat ze niet alleen maar verliefd is geweest op hem. Ze was knettergek op hem.   Richard is vaker meisjes tegengekomen waar hij gevoelens voor had, maar het was nooit zoals met haar. Hij kon haar misschien een paar uur vergeten, maar daarna vergeleek hij elk meisje met haar en niemand kon evenaren.   Hij drukt z’n sigaret uit en steekt direct een nieuwe op. Hij ziet het armbandje liggen dat ie van haar had gekregen voor z’n verjaardag. Hij pakt het op en doet hem om. Soms vraagt hij zich af waarom het uit is gegaan. Hij heeft er nooit een duidelijk antwoord op gekregen. Het was zondag nog koek en ei. Letterlijk, want ze waren samen gaan lunchen. En maandag was het ineens voorbij. Het was gewoon over. Dat heeft ook niet geholpen met het ‘rouwproces’. Was het maar een rouwproces, denkt Richard. Was ze maar overleden, dan had ik het makkelijker kunnen accepteren. Dan was ze voor altijd de mijne geweest. Dan had hij de rest van z’n leven met haar in gedachte kunnen bestaan. Maar zo is de realiteit niet. De realiteit is dat Richard weer dronken is met z’n telefoon in de hand, niet wetend wat hij moet doen.  Hij is bang dat ie een heel ander meisje aan de telefoon krijgt. Iemand die nooit zou kunnen vallen voor een weirdo als hij. Hoe dat de eerste keer gebeurd is snapt hij nog steeds niet.  Maar het gebeurde wel. Het gebeurde wel en het kan nog een keer gebeuren. Ik moet het erop wagen, denkt Richard. Ik moet het geprobeerd hebben. Als ik nu nog steeds niet over d’r heen ben, gaat het dan nog wel gebeuren? Dan moet ik er alles aan gedaan hebben om haar terug te krijgen. Liever morgen even schamen dan een leven lang spijt, zo redeneert hij. Hij neemt nog een grote slok en drukt z’n sigaret uit. Hij pakt haar nummer erbij en belt.  Hij gaat over, twijfel begint toe te slaan. Wat als ze weer boos wordt?Nog een keer, moet ik niet een keer nuchter bellen? Hij gaat voor de derde keer over, wat ga ik zeggen? Totdat ze opneemt. ‘Waarom bel je mij?’ ‘Waarom nam je op?’

Dirk de Ruyther
0 0

Afgod

Het containerpark. Niet meteen een plaats waar je in een emotionele rollercoaster stapt. Tenzij misschien je de inboedel van je overleden ouders komt weggooien.  Ik was er, deze ochtend. Met mijn ouders vooralsnog alles prima. Het containerpark waar ik naartoe moet om mijn ei kwijt te kunnen ligt op een berm aan de spoorweg. Het bevindt zich dus iets hoger gelegen. Het waait er altijd, zelfs op mooie zomerdagen overvalt een soort kilte me daar vaak. Al komt dat niet alleen door de koude wind die er giert. Het gehannes begint al nog voor ik binnenrijd, mijn auto staat net te ver zodat ik met mijn kaart niet tegen de chip geraak die kijkt of ik wel nog recht heb binnen te mogen. Uitstappen dus, tot frustratie van degene achter mij, je zult het altijd zien, een professionele opruimer. Omdat ik uitstap zakt mijn gerangschikte stapel vuil, of afval of overschot of wat dan ook, in elkaar als een pudding van weinig benijdenswaardige makelij. Nog meer frustratie bij alle omstaanders deze keer, alsof ik het expres doe allemaal, wat niet zo is. Eenmaal binnen parkeer ik de auto plompverloren aan een foute container. Dus moet ik met mijn gehele mik het terrein een stuk of wat keer oversjouwen. Maar goed, de stappenteller loopt, wat zou ik anders doen op een vrije dag. Op het containerpark voel ik me verder een zonderling. De overige mensen lijken wel te weten wat brandbaar materiaal is. Alles wat kan branden zodra je er een lucifer tegenaan houdt zou je denken maar zo simpel is het dus niet.  In ieder geval: al de andere mensen stappen doelbewust op een container af, gooien daar in wat moet en gaan verder. Met hun leven in het algemeen, met opruimen in het bijzonder. Ik ben altijd zeer vriendelijk tegen het personeel al valt die vriendelijkheid telkens weer op een koude steen. Ze herkennen mijn plastieken glimlach uit de duizend, noem het beroepsmisvorming, en vermoeden stiekem asbest in mijn wagen, zonder aanhanger maar met alle banken naar beneden en gestapeld tot aan de passagierszetel. Ik hou me groot maar ik breek bijna. Vandaag was ik er in opdracht. Mijn schoonouders, die verhuizen, hadden gevraagd of ik ze een handje wilde helpen. Een erfenis komt je niet aanwaaien dus had ik weinig keuze. Kapotte radio’s, in onbruik geraakte keukenapparatuur, massa’s karton, wat metaal, het verdween allemaal netjes waar het thuis hoorde. Het ging vrij vlot. Helemaal op het laatst moest er een toiletpot aan geloven. Een porseleinen. Het leek alsof hij onhandig opgerold in een doos lag. Ik zag hem en kreeg een krop in mij keel. Ineens overviel mij een soort diepe tristesse, naast ons passeerde een trein, waarschijnlijk naar Antwerpen. Daar zaten nu mensen in die misschien heel onverschillig naar mij hadden gekeken, niet wetende dat ik met iets uitermate existentieel aan het worstelen was. Die pot was alles wat het leven je te bieden kan hebben. Hij is je trouwe bondgenoot die zonder klagen of zonder gevolg jou helpt. Bij ziekte ben je blij dat je hem net op tijd bereikt. Je kan er de drukte ontsnappen en even tot rust komen wanneer je een huis vol visite hebt (allemaal vriendinnen van je lief) of wanneer je kinderen alweer de boel op stelten zetten. ’s Nachts doet hij je wegdromen van meer slaap als je even dringend moet. Hij vangt je op na een avond stappen waarna de genadeloze afrekening altijd volgt, ook daar is hij de zwijgzame getuige van. Nu moet ik die smetteloze witte porseleinen pot weggooien bij het steengruis, zo werd mij verteld. Ik zag hem daar al liggen, in de regen, de wind, de brandende zon, tussen ander steengruis wat daar overigens wel heel terecht ligt. Als ik hem al over de rand kon tillen zou hij breken, daar was ik zeker van. Dat lot wens je zelf je ergste vijand niet toe en wij waren vrienden. Ik kreeg het niet over mijn hart en keerde onverrichterzake huiswaarts met die pot. Ik blonk hem op sloeg een plank tegen de schouw en plaatste hem daar waar in vroeger tijden een kruisbeeld aan de muur hing. Daar hangt hij in al zijn glorie. Deemoedig knielen wij nu dagelijks tot onze godeen eenvoudige doch mooie porseleinen wc-pot.

Gabriel Rooms
0 0

Kwispeltje (Het Grote Bos deel 4)

Er was eens, heel lang geleden, in het Grote Bos, een ontploffing. Alles in een straal van drie kilometer was verwoest. Alles? Neen, een piepklein houten huisje was blijven staan, aan de rand van de perimeter.            Vlak na de ontploffing was het doodstil. Dieren ritselden niet meer in het struikgewas. Er was geen struikgewas meer, en de dieren lagen her en der, uiteengereten. De volwassen beuken, eiken en espen lagen als een grote mikado door elkaar. Daartussen vonden aaseters de afgerukte pootjes, snuitjes, staartjes en buikjes waar de ingewandjes uit puilden. De geur van verbrand vlees vulde de lucht. Het was alsof iemand een enorme vleespastei aan het bereiden was. Geen vogeltje kwetterde nog, morsdood als ze waren, te pletter gestort van de takken van de bomen aan de rand van het bos. Alles was verbrand, weggeblazen, omvergehaald of versplinterd. Wat overbleef van het Grote Bos hield zijn adem in. Plots piepte er iets. Het deurtje van het houten huisje rammelde zachtjes en het huisje zelf kraakte in al zijn voegen. En daar bleef het bij. De nacht viel. De wolven huilden naar de volle maan. Ze cirkelden rond het houten huisje, snuffelden aan het deurtje, probeerden krasselend aan losliggende planken te morrelen, maar raakten niet binnen. Ten langen leste wrong de leider van de roedel zijn snuit door een spleet aan de achterkant. De anderen wachtten in spanning af. Ze hoorden een klap, steen op ijzer. De wolf jankte hevig en de anderen trokken in paniek aan zijn achterpoten. Ze kregen geen beweging in hun leider, terwijl die harder en harder jankte, schreeuwde, huilde, brulde, krijste, loeide, vloekte en tierde. Als de wolven niet zo bezig geweest waren met sleuren, zeulen, trekken, sjorren en beulen, dan hadden ze vast opgemerkt dat hij wat gesmoord klonk. Nu lag de roedel trekkende wolven ineens enkele meters achteruit, met een onthoofd wolvenlijf nog stuiptrekkend in hun poten. Bloed spoot pulserend uit de nek tot tegen het houten huisje en dan steeds minder ver, tot het lijf ophield met kronkelen en al het wolvenbloed op was. Verbouwereerd liet de roedel hun voormalige leider liggen. Ze kwamen nooit meer in de buurt van het houten huisje. De ochtend gloorde. Op andere dagen zou de zon zo mooi tussen de takken door geschenen hebben, maar nu zorgde de warmte er alleen maar voor dat het rottingsproces van de gesneuvelde dieren sneller vooruitging. Het begon steeds erger en erger te stinken aan de rand van het Grote Bos. Eerst deden maden zich tegoed aan de in ontbinding zijnde karkassen, daarna groeven doodgraverkevertjes diep in de zachte weefsels van de kadavers en de gieren scheurden stukjes halfvergaan vlees los om een eindje verder op te schrokken. Tenslotte kwam de hyena, vorig jaar tot president van het Grote Bos gekozen, om zijn voormalige onderdanen finaal achter de kiezen te steken. Met veel smaak kloofde hij de botjes af, hier en daar een made of een kevertje uitspuwend, want die lustte hij niet. De cirkel des levens was rond. Dagen gingen voorbij. Op de bomen verschenen zwammen. De geur van ontbinding werd minder zoet, en neigde meer naar natte dozen. Het huisje bleef dicht. Aan het deurtje werd niet meer gemorreld en het kraakte niet meer, behalve als een zuchtje wind over de vlakte waaide. Toen verscheen de machtigste van alle dieren: Nobel, de leeuw. Hij had het verhaal van de wolven gehoord en wilde er het fijne van weten. Welk monster verborg zich in het enige houten huisje dat de explosie had overleefd? Zou het nog leven? En hoe had het de ontploffing kunnen doorstaan?            Voorzichtig naderde Nobel zigzaggend het piepkleine huisje. Voor elke stap snoof hij even aan de omgewoelde grond. Alles nam hij in uiterste concentratie in zich op. Een zuchtje wind deed het huisje kraken. Nobel keek op en verstijfde. Na enkele seconden die minuten toeschenen, kwam Nobel terug in beweging. Hij snuffelde aan het kiertje onderaan het piepkleine deurtje. Hmm. Wolf. Ja, natuurlijk, dacht Nobel bij zichzelf, die kop. Hij besloot te kloppen. Er gebeurde niets. Net op het moment dat hij nog eens wilde bonzen, verschoof de grendel aan de binnenkant. Nobel deinsde achteruit. De deur piepte langzaam open. Nobel legde zijn oren plat, schudde eens met zijn manen, spande al zijn spieren op en was klaar om de aanval in te zetten. Toen moest hij bulderend lachen. In het deurgat stond een kleine, onschuldige puppy die kwispelde.            “Hallo,” zei de puppy.            Nobel gromde zachtaardig en verbaasd.            “Praat maar, hoor,” zei de puppy. “Ik begrijp je.”            Nobel was nu nog meer verbaasd. “Hoe kan dat nu? Iedereen weet toch dat honden alleen maar kunnen blaffen en niets verstaan van wat andere dieren zeggen? Hoe is het dan mogelijk dat ik jou begrijp en dat jij mij begrijpt?”            “Dat weet ik ook niet. Alleen, voor de explosie blafte ik zoals alle andere honden en kon ik niets van het gekonkelfoes van bijvoorbeeld de gieren verstaan, maar sinds de ontploffing kan ik dat wel.”            “Wel verdraaid.”            “Zeg dat wel. Maar kom toch binnen, eh…”            “Nobel. Nobel is de naam. En ik wil niet onbeleefd zijn, maar je nederige stulpje is me te klein.”            “Oh, natuurlijk, wat dom van me. Ik neem even mijn stoeltje en een tafeltje. Wil je wat drinken?”             “Neen, dank je, eh…”            “Ik heb geen naam gekregen, Nobel, dus kies jij maar.”            “Dank je, Kwispeltje dan, ik heb geen dorst.”            Kwispeltje ging zijn piepkleine huisje binnen en kwam terug met een piepklein tafeltje en de schedel van een wolf met een lange spijker door zijn neus en onderkaak. Hij plaatste het tafeltje voor Nobel en ging zelf op de schedel zitten. De leeuw zakte door het stoeltje, maar zat er niet mee. “Vertel eens, Nobel, wat brengt u hier?”            “Wel, ik had gehoord van de wolf.” Nobels blik gleed naar de schedel onder het zitvlak van Kwispeltje. “En ik wilde wel eens zien wie dat gedaan had. Verder is het je misschien opgevallen dat jouw huisje het enige is wat is blijven staan na de ontploffing en dat jij de enige overlevende bent binnen een straal van drie kilometer.”            “En?” vroeg Kwispeltje.            “Wel,” bromde Nobel, “Hoe moet ik het formuleren? Ik ben de leider van het leger. Een onbekende vijand heeft een onbekend wapen ingezet met nog onbekende gevolgen. We weten dat het alles vernietigt en jouw huisje is dan ook een verrassing. We weten dat het iedereen doodt. Dat jij nog leeft en meer zelfs, dat je kunt praten, is ongelofelijk maar waar. Ik wil weten hoe dat komt.”            “En je denkt dat ik dat weet?” vroeg Kwispeltje ongelovig.            “Nee, maar ik denk wel dat jij de sleutel bent.”            Maarschalk Nobel en Kwispeltje praatten nog een tijdje verder over koetjes en kalfjes en hoe die erbij lagen na de explosie. Sommigen hadden nog gras tussen hun tanden, anderen stierven een pijnlijke dood terwijl ze melk aan het drinken waren. Een koe werd uit elkaar gerukt, net toen ze aan het kalven was, vertelde Nobel met veel smaak. Ze hadden het er ook over dat ze beiden wees waren. Na een twintigtal minuutjes moest Nobel er vandoor, maar hij beloofde de volgende dag terug te komen. Kwispeltje nam afscheid en begon vriendschappelijke gevoelens voor Nobel te koesteren. De volgende dag was Nobel er niet en de dag erna ook niet. Kwispeltje voelde zich verdrietig. Hij miste zijn nieuwe vriend. Op de derde dag kwam Nobel wel, maar hoe zag hij eruit? Ten eerste had hij zeker niet de soepele tred die je met een leeuw associeert. Ten tweede stonden er nog maar enkele plukjes van zijn ooit zo fiere manen op zijn hoofd. Ten derde jankte hij zachtjes en ten vierde had hij zich overal tot bloedens toe gekrabd. Tussen zijn klauwen hing vel en ruw manenhaar en hij deed de moeite niet om het ervan tussen te likken.            Kwispeltje schrok bij de aanblik en dartelde naar Nobel. Net op tijd. Nobel stortte in, nahijgend van de inspanning en het overduidelijke lijden dat hem ten deel viel. Hij kon het evenwel niet laten om met zijn achterpoten te blijven krabben, ook al hingen overal lappen huid en plukken haar los. Zijn hele rug was rauw vlees. Kwispeltje moest huilen.            “Wat is er gebeurd?” vroeg Kwispeltje.            Nobel kon bijna niet meer praten. Hij fluisterde, maar na elk woord was hij buiten adem. Hij was werkelijk aan het eind van zijn Latijn. “Deze.” Pauze. “Plek.” Pauze. “Is.” Gehijg, Nobels tong hing uit zijn muil en hij deed geen moeite ze terug binnen te trekken. “Gevaarlijk.” Langere pauze. “Vlucht.” Pauze.            “Moet ik vluchten? Is het zo gevaarlijk?”            Nobel knikte met moeite. Zijn ogen kreeg hij niet meer open.            “Ben je er zo aan toe omdat je hier drie dagen geleden geweest bent?”            Nobel knikte opnieuw heel zacht, maar wel erg duidelijk. Een traan liep langs zijn neus, naar zijn mondhoek, maar hij likte ze niet meer af.            “Maar hoe komt dat dan? Is het de ontploffing?” Kwispeltje wachtte op een antwoord, maar dat kwam niet meer. Nobel was dood. Kwispeltje ging zitten, legde zijn oortjes droevig plat en zijn grote puppy-ogen vulden zich met tranen. Hij kwispelde voor het eerst sinds hij zich kon herinneren, niet. Zo bleef hij een tijd waken tot het besef kwam dat hij voor Nobel niets meer kon doen en eigenlijk moest vluchten voor het onbekende gevaar. Hij nam zijn knapzak, die rode met witte bollen, en holde het Grote Bos in. Hij liep drie dagen en drie nachten aan een stuk door. Toen botste hij onverhoeds op de schuilplaats van een roedel wolven. Ze lagen kriskras door elkaar heen op de open plek voor hun hol. Het waren de wolven die in zijn huisje wilden inbreken en wiens leider hij had dichtgespijkerd. Zo te ruiken lagen ze hier al een tijdje.             Kwispeltje kwam voorzichtig dichterbij, voor het geval er toch nog eentje zou leven. Met die lepe wolven wist je nooit. Wat hij toen zag, deed hem de haren te berge rijzen. Hun vacht was losgescheurd en hun huid overal opengehaald. De aarde rond de wolven was gedrenkt in hun bloed. Ze hadden zichzelf levend gevild en ze hadden zich doodgekrabd.            Kwispeltje zigzagde tussen de wolvenlijken door. Vlak bij de ingang van het hol lag een hyena. De president, dacht Kwispeltje. Wat deed die hier? Hij tikte met zijn voorpootje tegen het linkeroor van de president. Hij verroerde niet. Toen pas zag hij dat ook hij onder de krabletsels zat en meer nog, hij had zijn eigen buik open geklauwd en daarbij waren al zijn ingewanden naar buiten gekomen. Automutilatie in de ergste graad. De jeuk moet verschrikkelijk geweest zijn, ook in zijn buik. De restanten van de diertjes die hij opgepeuzeld had, waren in de smurrie nog vagelijk herkenbaar.             Kwispeltje wist niet wat hij nu moest doen. Hij was alleen op de wereld. Ouders had hij niet, zijn beste vriend was dood en zelfs zijn vijanden hadden het loodje gelegd. Wat moest hij nu met zijn leven? Het had gewoon geen enkele zin meer. Kwispeltje zocht een touw, vond dat in het hol van de wolven en ging op zoek naar een stevige tak. Hij hing zich op. Zijn laatste gedachten waren voor Nobel. Een traan welde op en biggelde langs zijn neus tot bij zijn mondhoek. Hij likte ze niet op. Na een paar laatste stuiptrekkingen was het over. Kwispeltje bungelde zachtjes aan de tak, enkele blaadjes dwarrelden naar beneden en alles werd doodstil.  Plots zweefde een krom stuk hout door het zwerk en sneed het touw door. Kwispeltje kwam met een kwak op de grond terecht en verzwikte zijn rechtervoorpootje. Het krom stuk hout landde naast hem in het malse gras. Kwispeltje lag enkele ogenblikken roerloos onder de boom vooraleer hij het bewustzijn hervond. De lus rond zijn nek maakte hij reflexmatig met zijn voorpootjes los, hij rochelde een aantal minuten tot zijn strottenhoofd weer een beetje in zijn normale plooi lag en huppelde naar het krom stuk hout. Hij besnuffelde het helemaal, merkte dat er tekeningen in gegroefd waren en dat er iets op geschreven stond. Vreemd genoeg kon hij het lezen: “Als je wilt dat een boemerang bij je terugkomt, gooi hem dan weg.”            Kwispeltje besloot om het te proberen. Met een flinke zwaai smeet hij de boemerang naar de eiken aan de rand van de schuilplaats der wolven. Eerst zwiepte het ding rechtdoor, maar vlak voor de bomen maakte hij een wijde boog en zweefde zo snel als de wind terug in zijn richting. Kwispeltje liep de boemerang tegemoet en hapte hem na drie vierde van zijn vlucht uit de lucht. Dat vond hij een leuk spelletje. Zo leuk, dat hij het nog eens probeerde en nog eens en nog eens. Zo speelde Kwispeltje nog lang en gelukkig, zonder ooit nog de behoefte om zichzelf te verhangen, te voelen. En als er niets onverwachts gebeurd is, dan speelt Kwispeltje dat spelletje daar nu nog.

Wim Dhaese
0 0

Zibethica en het zwijn (Het Grote Bos deel 3)

Alles is peis en vree in het Grote Bos. Alles? Neen, alle bevers van het Grote Bos zitten als ratten in de val, omdat de muskusratten beleg slaan om de burcht der bevers. Alle bevers wachten bibberend zonder spijs en met veel vrees op de volgende aanval. Alle bevers? Neen, Castor Bever mag dan niets te knabbelen hebben, hij laat het echt niet aan zijn hartje komen. Hij broedt een plannetje uit om aan Zibetica’s beleg te ontsnappen. Hij kijkt of het zwijn uit de diepvriezer kan. De bevers waren altijd dikke vriendjes met de muskusratten geweest. Altijd? Ja, altijd. Ze werkten samen om dijken te breken, om de loop van de Grote Beek bij de zuidgrens van het Grote Bos te verleggen en om te vissen. Er werd zelfs gefluisterd dat Castor, het alfamannetje bij de bevers, en Zibethica, koningin van de Muskusratten, zwoele minnaars waren. De vriendschap kon niet stuk, tot op een dag, nu ongeveer anderhalve maand geleden.          Pollux Bever en Bisam Muskusrat, respectievelijk Castors broer en Zibethica’s zoon, vonden toen een krom stuk hout met allerlei vreemde tekeningen op. Er stond ook iets op geschreven. Pollux vertrouwde het niet en Bisam wilde het mee naar huis nemen. Er ontstond een handgemeen waarbij Pollux de boemerang uit de pootjes van Bisam rukte. Hij wilde hem weggooien, maar op het laatste ogenblik bedacht hij zich. Hij sloeg met het kromme stuk hout op Bisam in, net zolang tot ook zijn lange staart niet meer bewoog. Pollux veegde het bloed en de plukken pels van de boemerang, vluchtte naar de open plek in het Grote Bos en verstopte hem daar tussen de varens. Hij verdween toen hij een groepje egels hoorde aankomen.           Inmiddels zat Zibethica Muskusrat ongeduldig op haar troon. Bisam had al lang terug moeten zijn. Haar staart zwiepte furieus over en weer. Hij zou niet lang weg zijn, had hij gezegd. Hij was bij die klaploper van een Pollux. Maar wacht tot hij terug is. Ze zwaaide opgefokt met haar scepter. Hij zal ervan lusten. Net op dat moment hoorde ze gekrabbel aan de poort van de troonzaal. Twee wachters deden open. Voor de poort lag helemaal bebloed en afgestroopt: Bisam. Hij miste twee vingers die ogenschijnlijk afgeknaagd waren. Met zijn laatste krachten vertelde hij dat het Pollux was geweest.De vriendschap tussen ratten en bevers was nu voorgoed uit. Zibethica zon op wraak. Die Pollux en zijn botergeile broer zou ze wel krijgen. Balthazar, kwatongen beweerden dat hij Castors zoon was, stelde ze aan als legeroverste en gaf hem opdracht om de burcht der bevers te belegeren. Alle toegangswegen werden afgesneden, niets kwam de beverburcht meer in of uit: geen munitie, geen voedsel en geen medicijnen. Ze zou ze uitroken. Ze beval grote katapulten te bouwen om het bolwerk van de bevers meedogenloos te bestoken. Eerste doelwit waren de voorraadkamers. Ze werden vakkundig in in de fik gezet en brandden volledig uit.            De bevers ondernamen verschillende pogingen om uit de omsingeling te breken. Door hun ingenieuze dammenstelsel konden ze bepaalde delen van het Grote Bos onder water zetten en andere juist droogleggen. Ze beheersten die inundatiestrategie meesterlijk, maar het was niet genoeg. Bij de ultieme uitval verdronk een derde van de vijandelijke hordes, maar hun belangrijkste generaal, Ever Bever, werd krijgsgevangen genomen. Het gros van de bevers sneuvelde of raakte gewond. Het was voorgoed mislukt. Anderhalve maand, zo lang duurt de belegering nu al en Zibethica’s geduld raakt op. Ze stuurt haar eskadron duikers op de bevers af. Dat zal ze leren. De muskusratten zwemmen onder water tot vlak bij de buitenste dam. Als ze boven komen staat alles in lichterlaaie en ze verbranden levend. Het is een hels inferno. De muskusratten kijken vanop de oever machteloos toe hoe hun beste strijdkrachten krijsend ten onder gaan.            Balthazar wil wraak voor die pijnlijke nederlaag en houdt, goed in het gezichtsveld van de bevers, maar net buiten hun bereik, een gigantisch en overdadig buffet met de meest uitgelezen spijzen. Hij zorgt voor grote windmachines die de verrukkelijke geur naar de burcht van de bevers drijft. Vervolgens katapulteert hij een lading dekens de burcht binnen. Ze zijn geïmpregneerd met pest, een ziekte waar alleen bevers aan sterven. Ook broedt Balthazar nog andere plannetjes uit. Voor de bevers is de situatie uitzichtloos. Ze bibberen niet alleen van de kou, maar ook van de honger, de koorts en de tastbare wanhoop. Anderhalve maand belegering eist zijn tol. Alles wat gegeten kan worden, tot de laatste wilgentwijgjes toe, is afgeknaagd. Moeders zuigen het merg uit de beentjes en botjes van hun jongen. Op de dammen liggen aangevreten kadavers en in het water drijven opgezwollen lijken waarin maden wriemelen als levende spaghettislierten. De stank in de burcht is niet te harden. Bij de buitenposten maakt de verrukkelijke geur die opstijgt uit het kamp van de muskusratten de bevers gek van de honger. Muiterij steekt de kop op, ook al heeft het plan met olie en vuur goed gewerkt. Als klap op de vuurpijl breekt er pest uit. Castor haalt het zwijn uit de diepvriezer en roept de Grote Raad bijeen.            “Beste Bevers,” begint Castor, “het hoeft geen betoog dat we nooit voor grotere uitdagingen stonden. Onze wereld staat op het punt in te storten. En ik weet dat er sommigen twijfelen aan mijn aanpak van deze crisis, maar ik heb een plan.” Hij smijt het ontdooide zwijn met een appel in de bek gespiesd, op tafel. Zijn dikke buik is met grove steken dichtgenaaid. De andere bevers vallen uitgehongerd aan. Het zwijn zouden ze vast en zeker verscheurd hebben als niet net op dat moment een bever door het kreupelhouten dak te pletter stort, midden tussen hen. Het is Ever en zijn bloed spat op alle deelnemers, behalve op Castor en Pollux. Zij duiken weg achter het zwijn. Een verschrikkelijke jeuk overvalt de leden van de Grote Raad, overal waar Evers bloed spatte. Ze krabben en krabben tot hun vingertjes eruitzien als afgeknaagde stompjes. De lappen vacht scheuren van hun pootjes, van hun buikjes en van hun gezichtjes. Ze villen zichzelf levend, ze krabben zichzelf dood. Zo worden Castor en Pollux Bever alleenheersers, maar Pollux heeft wel nog een eitje te pellen met Castor. “Wat was dat met dat zwijn, broer? Waarom heb je dat achtergehouden?” vraagt hij. Hij klappert venijnig met zijn platte beverstaart.“Broertje van me, lief, dom broertje van me. Vertrouw me nu toch. Kom eens hier.” Castor vertelt Pollux wat hij bekokstoofd heeft.            “Wat?” roept Pollux verbouwereerd uit, “Ben je nu helemaal besodemieterd? Het is het enige wat we nog hebben.”            “Het zijn twee ratten in een val, broertje. Balthazar heeft liggen flikflooien met Zibethica en Zibethica heeft me bedrogen met die schobbejak. Ze zal hem vermoorden, ik zweer het je.” De Muskusratten houden topoverleg. Of het beleg wel waterdicht is, wil Zibethica weten, want als er ook maar een kilootje vlees binnen kan gesmokkeld worden, is alles voor niets geweest.            “Majesteitelijke moeder,” antwoordt Balthazar, “Al anderhalve maand komt er geen appeltje, nee, zelfs geen graankorreltje meer binnen bij de bevers. Alle toegangswegen hebben we onder controle. Het is absoluut uitgesloten dat ook maar iets van voedsel de bevers heeft kunnen bereiken.”            “Hoe zeker ben je daarvan?”            “Honderd procent. Absoluut honderd procent. Je mag me kelen en me van mijn vel beroven als ’t niet waar is. Hun provisiekamers met alles wat erin opgetast stond, zijn vernield en het is onmogelijk dat ze nog iets te vreten hebben. Ze vergaan ginds van de honger, de pest en de verschrikkelijke jeuk, geloof me. Het duurt niet lang meer of ze zullen capituleren, mama.”            “Mooi zo,” zegt Zibethica. Haar kraaloogjes flitsen heen en weer. “En als het zover is, dan moorden we ze tot de laatste bever uit. Geen clementie. Maar we hebben tijd. We kunnen rustig afwachten.”            Zibethica’s woorden zijn nog niet koud of een heraut stormt de zaal binnen. “Majesteit, majesteit,” stamelt hij.            “Ja?” antwoordt Zibethica ijzig. “Wat nu weer?”            “Het zijn de egels en de dassen,” brengt de heraut haspelend uit. “De egeltjes hebben een nieuw geheim wapen, een schoemerbang of hoe het ook mag heten. Ze hebben het tegen de dassen gebruikt. Alle bomen rond de dassenburcht zijn geveld en alle dieren in de buurt zijn onthoofd. De dassen hebben het op miraculeuze wijze overleefd.”            “En?”            “De dassen zijn bang en vragen hulp.”            “En?”            “Ze doen een beroep op het Verdrag van de Duizend Sikkels.”            Zibethica’s adem stokt en ze verbleekt rond haar neus. Verdomd nog aan toe, het Verdrag van de Duizend Sikkels. Ze moet binnen een tijdsspanne van achtenveertig uur met haar hele leger bij de dassen zijn. Ze is verplicht om de belegering op te geven. Tenzij… Misschien kan ze de dassen misleiden en slechts haar halve leger sturen. Dat risico is misschien te groot. In het verdrag staat ook dat bij bedrog de dassen het recht krijgen om van alle muskusratten bontmantels en parfum te maken. Zibethica brengt het dilemma ter sprake. Er ontstaat een felle ruzie en de muskusratten zouden elkaar vast en zeker verscheurd hebben als niet net op dat moment een gewone soldaat binnenvalt.            “Uwe majesteit. U moet nu komen. Naar de legerplaats,” hijgt hij.            Zibethica, Balthazar en iedereen die bij het topoverleg is, snelt naar de legerplaats.            “Dit,” zegt de soldaat, “is enkele minuten geleden door de bevers aan hun uiterste dam naar beneden gelaten, recht in de armen van onze verst vooruitgeschoven post.”Middenin het kamp ligt een zwijn met een appel in zijn bek gespiesd. De buik is met grove steken dichtgenaaid. Zibethica neemt haar ceremoniële zwaard en met een flinke houw snijdt ze het stiksel door. De buik opent zich en in plaats van ingewanden stroomt er een grote hoeveelheid graan naar buiten. Iedereen is met stomheid geslagen. Dan maakt de soldaat een diepe buiging: “Dit bericht,” zegt hij hakkelend, “zat er ook nog bij, uwe majesteit,” Hij overhandigt bibberend een briefrol, verzegeld met rode was en een stempel van Castor Bever.            Zibethica verbreekt het zegel en rolt het perkament open. Er staat: “Liefste Zibethica, wat verlang ik ernaar bij jou in je nestje te kruipen zoals vroeger. Ik mis je pelsje, je fijne pootjes die over mijn dikke buikje wrijven en ik mis het zachtmoedig zwiepen van je staartje tegen de binnenkant van mijn tere billetjes. Ik smacht naar jou, meer dan ik naar eten smacht, want daar hebben we genoeg van. Dit zwijntje en alles wat erin zit, is helemaal voor jou. Hoe ik eraan kom? Vraag dat eens aan dat zoontje van jou, aan Bastaard Balthazar, je lievelingetje. Kropen jullie niet samen in ons nestje? Dacht je dat ik het niet kon ruiken, vuil, smerig incesthoertje van me? Hopelijk stik je in dat zwijn. En laat ons nu gerust, het beleg heeft geen enkele zin, dat moet je door mijn liefdevol geschenk toch inzien? Je liefste Castor.” Naarmate ze verder leest, wordt Zibethica laaiender. Steeds heviger zwiept haar staart als een zweep heen en weer. Tegen het einde van de brief loopt haar gezicht helemaal rood aan. Ze is ziedend. Ja, van de voorraadkamers schieten alleen rokende puinhopen over en ja, het beleg is waterdicht. Hoe is het dan in Godsnaam mogelijk dat ze de luxe hebben een zwijn vol graan te geven? Zibethica wil het perkament verscheuren, maar dat lukt niet. Ze smijt het dan maar razend op de grond, trekt haar dolk en snijdt de keel van haar bastaardzoon Balthazar over. Vervolgens stroopt ze hem eigenhandig het vel af en laat er bontmutsjes voor de koninklijke garde van maken. Dan beveelt ze haar hele leger op te trekken naar de dassen. 

Wim Dhaese
0 0

Waarom egeltjes kunnen lezen (Het Grote Bos deel 2)

De egeltjes van het Grote Bos speelden buiten. Alle egeltjes? Neen, de tien oudsten hadden zich op hun gemakje onder de oude eik gezet. De dassen, hun erfvijanden, waren op vakantie en dus konden hun kinderen en kleinkinderen vrij in het bos dartelen. Egeltje Prik en negen van zijn vriendjes speelden voetbal op de open plek, midden in het bos. Ze hadden al drie ballen kapot geprikt en dit was hun laatste. Egeltje Pegeltje gaf de ideale voorzet en Egeltje Prik kopte hem binnen. De bal rolde de helling af en de egeltjes renden erachter aan. Ze vonden hem lek tussen de varens. Beschuldigend keken ze naar Egeltje Prik, maar die haalde zijn schouders op. Wat kon hij eraan doen dat hij een egel was, met stekels op z’n kop?             Net toen ze terug wilden keren naar de open plek, zag Egeltje Pegeltje een vreemd voorwerp tussen de varens. Het was een krom stuk hout met allerlei vreemde tekeningen op. Er stond ook iets op geschreven. Hij riep Egeltje Prik erbij, de enige van het gezelschap die kon lezen. Er stond: “Als je wilt dat een boemerang bij je terugkomt, gooi hem dan weg.”            “Wat is een boemerang?” vroeg Egeltje Pegeltje.            “Dat weet ik niet precies,” antwoordde Egeltje Prik, “maar ik veronderstel dat wat jij in je handen houdt, een boemerang is.”            “Waarvoor zou het dienen?”            “Dat weet ik niet precies, maar ik denk dat je hem moet weggooien en dat hij naar je terugkomt. Misschien moeten we dat eens proberen.”            “Dat is een goed idee, Prik. Kom, we gaan naar de open plek,” riep Egeltje Pegeltje.            De hele muite stoof naar de open plek. Prik mocht de boemerang als eerste weggooien. De anderen gingen een eindje van hem af staan. Misschien was het gevaarlijk. Met een flinke zwaai smeet Prik de boemerang naar de berken aan de rand van de open plek. Eerst zwiepte het ding rechtdoor, maar vlak voor de bomen maakte hij een wijde boog en zweefde zo snel als de wind in de richting van de andere egeltjes. Fwap-fwap-fwap, chop-chop-chop. Ze hadden geen tijd om weg te duiken. Onthutst ving Egeltje Prik de boemerang. Hij droop van het bloed. Negen kleine egeltjes lagen onthoofd op de open plek. In paniek rende Egeltje Prik naar de oude eik en vertelde hyperventilerend wat er was gebeurd. Toen hij de dood van de egeltjes meldde, raakte Egel Regel buiten zichzelf, greep de boemerang en smeet die zo hard mogelijk weg. “Duivelswapen”, riep hij nog. Egeltje Prik rolde zich vliegensvlug op een bolletje en liet zich in het gras vallen. Even later vielen negen hoofdjes en vier vingertjes naast hem. Egel Regel had de boemerang willen vangen, maar het ding ging door zijn hand, sneed zijn keel half door en bleef steken in de oude eik. Regel keek verbijsterd naar de onthoofde egels in het gras en vervolgens naar zijn hand waar het bloed uit gutste. Toen viel hij morsdood neer.              Egeltje Prik wrikte de boemerang uit de boom. Hij wilde dat ze het nooit gevonden hadden. Maar wat nu? Weggooien was levensgevaarlijk. Misschien moest hij de boemerang ergens verstoppen. Hij nam het vervloekte ding, sloop ermee naar de plek waar hij gevonden was, verstopte hem tussen de varens en snelde terug naar huis. Niet veel later legde een kwispelende hond de boemerang neer aan zijn voeten. “Wat was dat nu?” vroeg Egeltje Prik zich af. Hij joeg de hond weg en verborg de boemerang nu op een andere plaats. Niet veel later legde dezelfde kwispelende hond de boemerang opnieuw aan zijn voeten neer. En weer verstopte Egeltje Prik de boemerang. En weer legde Kwispeltje het krom stuk hout aan zijn voeten neer. Enkele dagen gingen voorbij. Ontmoedigd zat Egeltje Prik onder de oude eik. Kwispeltje was nu zijn vriend, maar de boemerang raakte hij niet kwijt. Hij dacht en dacht en ineens had hij de oplossing. Hij zou hem bij de burcht van de dassen leggen. Ze zouden de boemerang vinden en hem net zoals de egeltjes gebruiken. Er zouden koppen rollen. Kwispeltje zou hij afleiden met een andere kromme stok. De dassen van het Grote Bos waren net terug van vakantie en pakten hun koffers uit. In de hele dassenburcht was er een bedrijvigheid van jewelste toen er plots op de poort gebonsd werd. Plastron, de oudste der dassen, deed open, maar er stond niemand. Hij wilde net de poort terug sluiten, toen zijn oog viel op een vreemd voorwerp op de mat. Het was een krom stuk hout met allerlei vreemde tekeningen op. Er stond ook iets op geschreven. “Als je wilt dat een boemerang bij je terugkomt, gooi hem dan weg,” las hij. Plastron riep meteen alle andere dassen erbij. De boemerang ging van hand tot hand en allemaal lazen ze de tekst, van de oudste onder hen tot de jongste.             “En wat nu?” vroeg Cravat, een van de pubers, “Is dat een boemerang?”            Plastron antwoordde: “Dat klopt en misschien moeten we hem eens weggooien. Waarschijnlijk komt hij dan terug.”            “Goed idee Plastron. Kom, naar buiten iedereen” riep Cravat enthousiast.Plastron, Cravat en de anderen holden naar buiten, naar de voortuin van de dassenburcht. Het was een enorm grasveld omzoomd met eeuwenoude beuken.“Mag ik gooien, Plastron, mag ik gooien?” smeekte Cravat.            Cravat kreeg de boemerang. De anderen gingen een eindje van hem af staan. Misschien was het gevaarlijk. Met een flinke zwaai gooide Cravat de boemerang naar de rand van de vorstelijke voortuin. Eerst zwiepte het ding rechtdoor tot tussen de bomen, maakte dan een wijde boog en zweefde zo snel als de wind terug in de richting van de dassen. Fwap-fwap-fwap, chop-chop-chop. Alle beuken die de voortuin omzoomden lagen omver. Met ontzetting, maar ook triomfantelijk, ving Cravat de boemerang. Het droop van het vele bloed. Alle dieren in de baan van de boemerang lagen onthoofd tussen de bomen. ‘s Avonds werd er feest gevierd op de dassenburcht. Al hun vijanden waren in één klap dood en ze hadden het machtigste wapen onder de dieren in handen. De dassen hadden alles laten liggen om iedereen in het Grote Bos te laten weten wat er was gebeurd. Later die avond kwam zelfs de beruchte Jan Konijn, samen met Reinaert de Vos, bibberend champignons brengen om eer te bewijzen aan de dassen. Tegen middernacht waren de dassen in een ongeëvenaarde overwinningsroes. Ze lalden, paarden, schransten en zopen erop los en om drie uur dertig lag iedereen kriskras door elkaar op de grond, in bed of op banken en kussens. Het was muisstil, enkel het gesnurk van de dassen was te horen.            Plots zwaaide de poort open en Kwispeltje stoof luid blaffend binnen. Voor de dassen goed en wel beseften wat er gebeurde, was Kwispeltje al met de boemerang tussen zijn tanden verdwenen. Egeltje Prik lag snikkend tussen de grafzerkjes van zijn vriendjes, zoals elke nacht sinds de gebeurtenissen. Een vertrouwd geluid haalde hem uit zijn treurnis. “Het is niet waar,” dacht hij, maar het was wel waar: Kwispeltje. Hij legde de boemerang neer aan de voeten van Egeltje Prik. Tot zijn grote verbazing begon Kwispeltje te spreken.            “Hier, Egeltje Prik, vriend van mij. Heb je gehoord wat er met de dassen gebeurd is?”            “Ze zijn allemaal onthoofd zeker?”            “Maar neen. Ze hebben een heleboel andere dieren onthoofd en de eeuwenoude beuken bij hun burcht liggen omver.”            “Hoe hebben ze dat kunnen doen? De boemerang zaait dood en verderf bij iedereen die hem gebruikt. Er zijn negentien egeltjes onthoofd.”            “Maar geen twintig,” blafte Kwispeltje. “Denk eens na, Egeltje Prik. Wie van de egeltjes heeft de boemerang gebruikt en heeft het leven niet gelaten? En wie van de egeltjes zag de boemerang geworpen worden en heeft het overleefd? Prik, vriend, jij bent de enige die weet wat dit stuk hout echt kan aanrichten. Daarom is hij van jou. Je bent nu het machtigste dier van het Grote Bos. Zelfs de dassen zullen je vrezen. Doe wat wijs is. Denk na.” En Kwispel verdween met de noorderzon. Het nieuws van de roof en het feit dat Egeltje Prik de boemerang nu had, verspreidde zich als een lopend vuurtje door het Grote Bos. Egeltje Prik genoot wel van zijn nieuwe status en maakte voor zichzelf een troon onder de oude eik. Elke dag zetelde hij er enkele uren, terwijl hij de boemerang als scepter hanteerde. Hij zorgde er wel zorgvuldig voor dat niemand het magische opschrift op de boemerang te zien kreeg. Van heinde en ver kwamen de dieren met geschenken om Egeltje Prik gunstig te stemmen. Zelfs de beruchte Jan Konijn kwam, samen met Reinaert de Vos, bibberend champignons brengen om hem eer te bewijzen. Egeltje Prik dacht veel na over wat hij uiteindelijk met de boemerang zou doen. Toen besloot hij dat alle egeltjes moesten leren lezen.

Wim Dhaese
0 0

Het zilveren belletje (Het Grote Bos deel 1)

De konijntjes van het Grote Bos speelden buiten. Allemaal? Neen, een familie zat gezellig rond de tafel. Nou ja, wat heet gezellig. Het hol was wel knus, overal langs de wand lagen kussens, de open haard brandde en het hout knisperde. Op tafel stond een grote trog vol wortelstamppot. De inhoud was onderwerp van hevige discussie. De vijftien broers kibbelden er op los, Pa Konijn hield zich afzijdig en Ma Konijn had zin om iedereen een lel voor z’n oren te verkopen, maar dat deed ze niet. Ze was bang. Er werd op tafel geslagen, er vloog al eens een glas door de kamer en Piet, de oudste zoon, had zelfs een mes in zijn houten bord gepind. Net toen Konijn acht en veertien op het punt stonden elkaar de hersens in te slaan, werd er luid op de deur gebonkt. Het werd stil in het gezellige konijnenholletje.             In het voortuintje stond Ome jan, de broer van Pa en de meest roemruchte telg uit het bekende konijnengeslacht. Zonder ertoe te zijn uitgenodigd, struinde hij binnen en nestelde zich op de gezelligste kussens. “Zo”, zei hij, zijn blik op de tafel werpend, “Wat schaft de pot? Of moet ik trog zeggen?”            Meer was niet nodig om opnieuw een kakofonie aan verwensingen op te wekken. Ome Jan kon toch ergens het woord “wortelstamppot” opvangen en meteen werd hij gloeiend kwaad. Hij sprong op de tafel, grabbelde de trog en smeet die woedend naar het andere eind van het hol. Iedereen keek nu naar hem. “Wat is dat voor smerige troep,” schreeuwde hij, “Jullie weten toch dat ik allergisch ben aan wortelen. De damp alleen al maakt me ziek. En niemand die me ook maar een beetje waarschuwt?”            Piet Konijn nam het woord: “Sorry ome Jan.” Hij liet zijn oren deemoedig platvallen. Het zilveren belletje dat hij in zijn linkeroor droeg, rinkelde zacht. “Onze excuses. We wisten niet dat je op bezoek zou komen. Onze fout. We hadden het moeten weten. Om het goed te maken wil ik champignons zoeken. Ik weet er in het bos staan.”            Bij het woord “champignons” was ome Jan verkocht. Hij was er dol op. En Piet vertrok zacht rinkelend. Een half uurtje later was Piet Konijn terug in het gezellige konijnenhol. In het bos had hij geen paddenstoelen gevonden, maar wel in het tuintje van Reinaert, de vos. Radeloos als hij was, stal hij zijn mandje vol. In het konijnenholletje was het overigens nog steeds een kabaal van jewelste, maar toen Piet zijn champignons begon klaar te maken en de geur van look het hele holletje vulde, werd het stil. Ome Jan likkebaardde. Eindelijk kwam het heerlijke ruikende gerecht op tafel. Ome Jan smikkelde en smulde en liet geen steeltje van de paddenstoelen over. Zo heerlijk had hij nog nooit gegeten en hij nodigde zichzelf uit om elke woensdag champignons te komen eten. Niemand durfde tegen zijn wens in te gaan. De volgende woensdag had Piet Konijn opnieuw paddenstoelen gestolen uit de tuin van Reinaert, de vos. En ze smikkelden en smulden allemaal van de overheerlijke maaltijd en niemand had het over wortelstamppot. Ome Jan at zijn buikje rond. Iedereen was gelukkig en het was echt gezellig in het holletje. Zo ging dat week na week na week. Piet Konijn werd een beetje roekeloos en dacht er niet meer aan dat Reinaert de diefstal misschien zou kunnen merken. Zo stal Piet week na week champignons en zo smikkelden en smulden ze tot op een kwade dag. Piet was net zijn laatste paddenstoelen aan het bijeen gappen toen plotseling Reinaert voor hem stond. “Haha, betrapt,” zei hij met een minzame glimlach rond de snuit, die hoegenaamd geen vijandigheid verried. “Jij bent het dus die mijn paddenstoelen week na week komt pikken. Laat mij raden voor wie ze zijn.” Reinaert streek even langs zijn pluimstaart. “Ome Jan? Dat dacht ik al. Weet je wat, lief klein konijntje? We zullen ome Jan en die andere wortelvreters eens een lesje leren.” Plots flikkerden de tanden van Reinaert vervaarlijk en als een verticuteermachine gingen ze door het zachte vlees rond de nek van Piet Konijn. Twee uur later werd er op het deurtje van het gezellige konijnenholletje geklopt. Daar stond Piet Konijn. Hij had geen champignons mee, maar een pastei die er heerlijk uitzag en meesterlijk geurde. Piet zette de pastei op tafel en niemand kon eraan weerstaan, zelfs ome Jan niet, die eerst nog geprotesteerd had over het gebrek aan champignons. Bij zijn eerste hap brak alle weerstand. Dit was een driesterrenmaal. Waar had Piet die pastei vandaan gehaald? Waar was hij van gemaakt? Hoezeer ze ook aandrongen, Piet wilde geen antwoord geven.             Toen de pastei bijna helemaal verorberd was, beet Pa Konijn plots op iets hards. Een pitje van het een of het ander? Hij spuwde het uit. Een zilveren bolletje rinkelde op zijn houten bord. Het was een belletje, het belletje van Piet. In een vreselijk moment drong het tot hem door: de pastei was Piet. Ze waren hun oudste zoon aan het opeten. Hij gilde het uit: het is Piet, het is Piet.             Op dat ogenblik ritste de buik van de Piet in het holletje, open. Reinaert sprong eruit en beet alle konijnen de keel over, behalve ome Jan.            “Wel?” vroeg Reinaert, “Wat vond je van mijn recept?”            “Bij leven mocht ik Piet niet,” antwoordde Ome Jan stoïcijns, “maar die pastei was verdomd lekker.”

Wim Dhaese
0 0

De koffer

Pas toen haar assistent het Starbucks-filiaal binnenwandelde, merkte Céline de reclamefoto op. Het paneel was minstens vijf meter breed en hing aan de muur tegenover een taxfree giftshop waar reizigers in afwachting van hun vlucht, vooral Belgische pralines en latten Toblerone kochten. De foto was genomen in een Amerikaanse stad en toonde een jonge vrouw op het trottoir, die onder een grote stalen constructie langs winkels en take-away restaurants liep. Wind blies het haar van de vrouw voor haar gezicht, waardoor ze onherkenbaar was.  Ze droeg een rode koffer.  De rest van de foto was in een korrelig zwart-wit afgewerkt. In graffiti-font was op het donkere staal dat de bovenkant van het beeld vulde, de slogan “Taking you home” aangebracht, met daaronder het logo van een Amerikaanse luchtvaartmaatschappij. Eigenlijk had Céline de foto al veel vroeger kunnen zien, maar ze was te hard in de spanning van het moment opgegaan om haar omgeving in ogenschouw te nemen. Haar assistent, een schattige jongen van drieëntwintig die Julian heette, had met haar nog de laatste agendapunten doorgenomen, maar op een gegeven moment had ze er genoeg van gekregen en hem richting Starbucks gestuurd. Daarna was ze op een stoel gaan zitten en had ze van Julians afwezigheid gebruikgemaakt om de spannende gebeurtenissen in haar leven te laten bezinken. Hoe ongelooflijk het was dat haar lingerielijn op social media een global event was geworden, welke stukken ze zou ontwerpen in het hoofdkwartier van de grootste designer van intieme mode ter wereld, hoe het appartement er uit zou zien in de Upper East Side. En hoe ze op het punt stond om terug te keren naar een stad die haar bijna had vermoord. Tot haar oog dus op de reclamefoto viel. Achter haar ging een alarm af, omdat een suffe reiziger met zijn scheerassortiment voor mannen het anti-diefstalsysteem te dicht was genaderd. Alleen klonk het geluid haar eerder dof in de oren, alsof er een muur tussen haar en de bron was opgetrokken. Wat ze namelijk op het reclamepaneel zag, leek alle zuurstof uit de luchthaventerminal weg te zuigen. Dit kan niet waar zijn, dacht ze. Even nog schudde ze langzaam haar hoofd en bracht ze haar vingertoppen naar haar mond.  Daarna sloeg het besef haar keihard in het gezicht: de jonge vrouw op de vijf meter brede reclamefoto was zij! Ze herkende zichzelf niet alleen aan de kleren die ze droeg (een legging, versleten Doc Martens en een kleedje dat niet helemaal haar maat was omdat ze het in een impuls uit de American Eagle Outfitters op Times Square had gejat), of aan de buurt in Brooklyn waar ze doorheen liep, maar vooral aan de rode koffer die ze stevig in haar linkerhand droeg. Céline kon hem gemakkelijk uit een stapel van duizenden gelijkaardige exemplaren aanwijzen. Op de zijkant kleefde namelijk een sticker die ze bij aankomst in New York had gekregen in een hamburgerrestaurant op de luchthaven van Newark. Ze herkende de koffer ook aan de versleten cijfersloten en aan de schreef die erin was getrokken toen hij een keertje was komen vast te zitten in een draaideur op de Galapagoseilanden.  O ja, het was absoluut haar koffer, daar op die reclamefoto. En zij was degene die hem droeg, daar in Brooklyn, New York. De neonreclame van de takeaway op de afbeelding was grijs. Maar Céline wist dat hij in werkelijkheid gifgroen was. Hoeveel malen waren zij en Jerôme niet bij die B&K Fish Mini Market naar restjes gaan schooien? Soms was het hen gelukt; andere keren waren ze onder luid gevloek terug de straat opgestuurd. Ze herkende zelfs het jonge zwarte meisje dat op de stoeprand haar vingerpoppetjes telde. Macy, de dochter van de eigenares van het nagelsalon. Eigenlijk kon de foto maar op twee momenten zijn genomen. Ofwel bij haar aankomst in Brooklyn, op weg naar Jerôme; ofwel onderweg naar het vliegveld, wég van Jerôme. Céline kwam tot het besef dat de laatste optie de juiste was. Toen ze zichzelf daar zag lopen, onder het premetrostation ter hoogte van Kosciuszko Street, bevroren in de tijd, herinnerde ze zich dat er een scheur in haar legging zat, ter hoogte van haar kruis. Dat beeld bracht meteen een nieuwe golf van herinneringen met zich mee.  Het was de bloedhete zomer van 2011. Ze was halsoverkop verliefd geworden op Jerôme, een Amerikaanse jongen, type emo, die ze in een chatbox voor street photographers had leren kennen. Ze was hem in New York komen bezoeken met het voornemen om er een tijdje te verblijven, maar lang had het niet geduurd voor de kwelgeest in het leven van Jerôme zich met de relatie was komen moeien.  Crystal meth had hen eerst een ongelooflijke high bezorgd, maar daarna had de drug geldproblemen achter hen aan gestuurd, en schuldeisers. Die schuldeisers waren op een verstikkende zomeravond de kamer op Pulaski Street binnengedrongen en hadden Jerôme voor een ultieme keuze gesteld: ofwel zouden ze zijn benen versplinteren met een voorhamer, ofwel zouden ze zijn vriendin neuken tot de hele bende het erover eens was dat de schuld was ingelost. Een man met uitpuilende ogen en een vishaak door zijn lip had de beslissing van Jerôme bekrachtigd door de legging van Céline open te scheuren. Na hem waren er nog drie anderen gevolgd. Elk hadden ze tergend traag en op hun eigen perverse manier duidelijk gemaakt hoeveel geld ze precies tegoed hadden. Het misbruik had misschien een uur geduurd, maar voor Céline kon het evengoed een eeuwigheid geweest zijn. Om het pijnlijke tafereel niet te moeten aanzien, had Jerôme zichzelf met een dubbele dosis richting comaland gerookt. Céline beet op haar onderlip terwijl ze strak naar de rode koffer op de reclamefoto keek. Drieëntwintig, rekende een analytisch deel van haar bewustzijn voor haar uit. Ik was toen drieëntwintig jaar. De ochtend na de verkrachting had ze het noodfonds van haar moeder aangeboord, een vlucht naar Brussel geboekt, haar koffer volgestouwd en de deur van het appartement achter zich dichtgetrokken. Met de kleren om haar lijf, waarin ze de vorige nacht nog was misbruikt, was ze richting premetrostation Kosciuszko Street gelopen. Wellicht had de gejaagde jonge vrouw met de knalrode reiskoffer toen de aandacht van een street photographer getrokken. Met een simpele druk op de ontspanner had hij of zij een brug door de tijd gecreëerd, over negen jaar van wanhoop en moeizaam herstel heen.  Hoe die foto, dit microfragment in haar leven, uiteindelijk op een reclamepaneel was terechtgekomen, interesseerde Céline niet. Het enige waaraan ze kon denken was de serendipiteit waarmee twee scharnierpunten in haar leven door een stom toeval in een luchthaventerminal waren samengekomen. Julian kwam haar tegemoet met een beker waarop haar naam met zwarte viltstift was gekrabbeld.  ‘Miss Céline, your espresso macchiato,’ zei hij eerbiedig, waarna hij haar de beker overhandigde. Ze streek een plooi in haar mantelpak glad en stond op.  ’Thank you Julian. I think business class is ready to board now.’ Voor haar voeten stond dezelfde rode koffer als degene die op de reclamefoto was afgebeeld. Al die jaren was ze hem blijven gebruiken en was hij met haar meegereisd. De koffer was niet veranderd, maar de vrouw wel.  Céline stapte statig met haar assistent richting gate. Deze bood haar nog aan om haar bagage te dragen maar dat weigerde ze.  Mocht iemand op dat moment vanuit de juiste hoek haar richting hebben uitgekeken, dan zou die persoon voor een fractie van een seconde twee vrouwen hebben gezien, die met dezelfde koffer in de hand in tegenovergestelde richting van elkaar weg wandelden. 

Steven Sanders
10 0

nachtvlinder

Klaarwakker kijk ik naar het plafond. Sinds het inluiden van mijn solitaire bestaan slaap ik met mijn gordijnen open, zodat een lantaarnpaal me troost kan bieden tijdens eenzame nachten zonder passie. Een warme gloed baadt mijn slaapkamer in een zachte oranje schijnsel en streelt teder mijn huid.  Het is een monotoon getik dat me uit mijn slaap houdt. Een mot katapulteert zichzelf repetitief tegen het raam, in de hoop te kunnen ontsnappen naar een andere wereld. Na een tijdje geeft hij het op en plakt zijn lijfje tegen het glas. Vanop zijn vleugels staren twee boze ogen me aan, ze zijn gitzwart en omtrokken met een penseeldun lijntje oranje. De rest van het gezicht gaat schuil achter een sober gestreept lijfje; als een masker van beige, grijs en wit. Ik bedenk dat we tegenwoordig allemaal motten zijn. Kwaad op moeder natuur droomt de mot van de kleuren van een echte vlinder, maar hij is slechts een grauwe afdruk van wat de werkelijkheid zou kunnen zijn. Hij verlangt naar zonnestralen om zijn vleugels te verwarmen, maar wordt gedwongen zich behoedzaam te manoeuvreren in een duistere schemerwereld. Bescheiden hervat de nachtvlinder zijn tot mislukken gedoemde ontsnappingspogingen. Tik tik tik tik. Zijn dansende vleugels hypnotiseren me in slaap. De nacht haalt me weg uit een wereld waar collectieve paranoia heerst, waar onderhuidse angst de overhand neemt op huidhonger, waar het laatste restje spontaniteit en zorgeloosheid als het sap van een citroen tot de laatste druppel uit de mens geperst wordt; en brengt me naar een wereld zonder rood-witte linten of tape op de vloer, en zonder mondloze wezens die me verkrampt aanstaren in de supermarkt. Een wereld waar de mens weer mens mag zijn. Dromend huppel ik op blote voeten door een bebloemd grasveld en vlecht een krans van madeliefjes in mijn haar. Er zijn anderen, en we dansen in lange witte gewaden rond een kampvuur, hand in hand, tot de nacht haar intrede doet en ons verblijdt met een blinkende sterrenhemel. Het vuur smeult zachtjes na en we zitten nog met twee te turen naar de tekeningen die de dampende slierten maken boven de gloeiende kolen. Zoals de rook speels draait in de wind vinden onze lippen elkaar en lossen we op in een wervelstorm van warmte. Plots proef ik de dood in mijn mond. Ik spuug een stukje glas uit, en nog één en nog één. Een oneindige bron van glas, waar geen einde aan lijkt te komen, probeert zich uit mij te stoten. Terwijl ik klam en bezweet wakker schiet, probeer ik, wanhopig speeksel aanmakend, de glassplinters uit mijn mond te pruttelen; maar buiten een rauw en schurend gevoel ter hoogte van mijn verhemelte blijkt de schade beperkt. Mijn ogen scannen de kamer: Het raam is leeg, de mot is weg. Zou hij ontsnapt zijn? Heeft hij een uitweg gevonden uit deze dystopische wereld? Of blijft hij gevangen in eenzaamheid? Heeft  hij zich neergelegd bij zijn lot om de rest van zijn leven te slijten in de quarantaine van mijn slaapkamer? Kiest hij voor onbevangenheid of voor eeuwige achterdocht?  Mijn sloffen schuiven zich rond mijn voeten en dragen me naar de badkamer. Terwijl ik mijn tanden poets, vraag ik me af wat mijn droom me wou vertellen. Zou hij me willen straffen omdat ik het waag om me ondoordacht over te geven aan mijn gevoelens, aan mijn drang naar verbondenheid? Ik besef dat zelfs in mijn diepste onderbewustzijn mijn hang naar intimiteit genadeloos de kop wordt ingedrukt en me als straf doet ontwaken met een droog en prikkend gevoel op mijn tong. Ik hoop dat ik het ooit kan loslaten, dat ik ooit weer mezelf durf geven, zonder teveel te piekeren of ik daarmee mijn doodvonnis teken. Mijmerend schrob ik mijn tanden verder en spuug het teveel aan schuim uit in de wasbak. Ik kijk naar beneden en mijn aandacht wordt getrokken door iets wat daar niet hoort te zijn.Tussen het wegebbende schuim wordt een grauwe snipper zichtbaar. En vanop die snipper kijkt het me roerloos aan: Een gitzwart oog, oranje omlijnd.   Marmerpiek - Mei 2020

marmerpiek
3 0

Hoe ik de ziel kocht van een vlogger

Hoe ik de ziel kocht van een vlogger Vorige week werkte ik in de nacht bij een drukkerij. Daar moest ik stickers snijden. Veel stickers voor veel geld. Geld gebruik ik niet, ik kwam voor de reality check. Zo kan het ook zijn, kan ik dat aan? Het antwoord: ja. En nu heb ik geld over. Dus ik kocht een website: verkoopjeziel.online. Het leek mij grappig. De deal was simpel: ‘schrijf je in, met je naam en adres en je ontvangt een tientje’. En een brief, maar dat bleef onvermeld.Om mijn dienst te promoten koos ik voor selectieve marketing. Dit aanbod is alleen voor dagelijkse vloggers, dat had iets met de rentree van een dader te maken. Ik koos een top 5, en spendeerde duizend euro aan gerichte Facebook en Insta advertenties. Ik kreeg één naam en een adres.  ☒ ‘ja, ik verkoop mijn ziel en ontvang een tientje’.  Ik kijk graag naar Kees van der Spek. Hij kreeg ooit te maken met een waarzegster. Je had twee keuzes: betaal veel, en ze voorspelt je gouden bergen, of, betaal niks, en je voelt je misselijk na haar verhaal. Kees zijn redactielid kwam somber terug na een gesprek met deze vrouw. De redactrice was voorbereid en ongelovig. Toch was de dag, om één uur in de middag, voor haar voldoende. “Wat een nare dingen zegt die vrouw.” Ik heb haar opgespoord, de waarzegster natuurlijk. Ik heb haar euro’s toegeschoven in ruil voor tekst. YouTube heading: “Ik verkocht mijn ziel” (reactievideo) – Kanaal: [op verzoek verwijderd] “Welkom bij mijn vlog, vandaag doe ik weinig. Ik had een plan met deze dag, maar het plan dat is verloren. Ik heb mijn ziel verkocht, daar heb ik spijt van. Het klinkt gek, dat weet ik. Het was via een rare site, ik kreeg er een tientje voor. Ik ben niet bijgelovig, dus ik dacht: gratis geld. Het tientje kreeg ik, snel, ik gebruikte het als korting voor deze nieuwe trui. Maar dagen later kreeg ik een brief. De enveloppe was netjes, met goud versierd en met zo een middeleeuwse stempel. Toen ik begon met lezen kantelde mijn maag. Er stonden nare dingen in, zoals dat mijn ingewanden ziek zijn, mijn geld zal verbranden en dat mijn opa in de hel zit en in mij teleurgesteld is. Het is heel gek, wat woorden met je doen. Peace out, tot morgen misschien.

Dromedaris
3 0

Tessa

Met een zucht opende Tessa de deur van haar kraaknette rijwoning en liep de gang in.      Zij hing haar jas aan de kapstok en wierp ondertussen een vluchtige blik in de spiegel van de pas aangekochte en veel te dure halkast.  Alweer liet zij zich overhalen door Pieter, ging het door haar heen. Pieter met de slechte smaak, behalve wat vrouwen betreft, ook die van anderen.Wat zij in de spiegel zag verwonderde haar niet.  Hoewel zij een beeldmooie vrouw was, reflecteerde haar spiegelbeeld iets anders.  Haar gezicht leek wel in een grimas verwrongen.  Ze kon de boosheid van haar gelaat aflezen en het leek wel alsof dat allesoverheersende gevoel van woede aantekeningen achtergelaten had.  Dat was wat Tessa zag. Dat was hoe Tessa zich voelde. Nochtans, dat was niet hoe anderen haar doorgaans zagen. Die zagen enkel haar altijd perfecte kapsel, de blonde lange haren, stralend van gezondheid.  Haren die duidelijk door de duurste shampoo verwend worden. Tessa was niet meer van de jongste maar zij was één van die weinige vrouwen die op die leeftijd nog met zulke lange haren weg konden komen. Zij ging de deur nooit uit zonder perfect aangebrachte make-up en zij slaagde erin die zo aan te brengen dat je gewoon niet doorhad dat zij überhaupt make-up droeg. Lichtjes aangezette ogen, die de blauwe kijkers nog meer lieten oplichten. De lippen gestift met de juiste kleur,  ze had er lang genoeg over gedaan om de kleur te ontdekken die haar lippen de volheid gaf die mannen zo aantrekkelijk vonden.  Rouge mortel van Dior.  En Tessa?  Zij was gewoon Rouge mortel ! Finishing touch:  blush op de wangen.  Dit gaf haar net dat beetje extra, om de look àf te maken. Maar op dit ogenblik zag Tessa dit alles niet.  Zij las niks dan woede in de spiegel.  En zij zag en voelde vooral haar Dior-lippen nog na-trillen.Wat een eikel ! Hoe kon hij ! En hoe kon zij in godsnaam voor hem gevallen zijn?  Wat had ze nu gedacht ? Dat hij voor haar zijn ideale gezinnetje zou opgeven? Hadden ze haar niet gewaarschuwd?  Ga nooit voor je baas !  Not done ! Ja, ze had waarschuwingen genoeg gekregen. Lessen ‘goede raad’ voor beginners.  Maar als de passie onder je huid zit,  probeer dan maar eens om met beide voeten op de grond te blijven.  Sinds zij en haar baas ‘iets’ hadden, leek passie wel onzichtbaar getatoeëerd over haar hele lichaam. Tessa schopte haar schoenen uit.  Daar zie, een cadeau van hem.  Rode hoogvliegers, gekregen van een laagvlieger.  Ze glimlachte terwijl ze de zin uitsprak, haar baas… een laagvlieger. Het deed haar deugd op die manier over hem te denken.  Maar het maakte haar niet minder boos.  De mooie rode schoenen moesten het ontgelden. Ze schopte ze nog verder de gang in.  Ooit was zij er stapelgek op.  Zij had ze zien schitteren in de etalage van 1 van Knokke’s hipste winkels. Het prijskaartje loog er niet om en deed de winkel alle eer aan. Voor haar baas was de prijs peanuts en een week later stond een flashy tasje te schitteren op haar bureau.  Het tasje ademde Tessa.. Cadeau van de baas…. rode sexy schoentjes voor Tessa.  

Inge P.
8 0

Koude Koffie

Ik merk hoe ze stilaan ongeduldig wordt.'Waar zegt u? Hoe komt u daarbij? Neen, vorige week in de wasplaats, meneer.'Ze loopt heen en weer door de kamer, voor het raam waar zware overgordijnen de middagzon buiten houden. 'Ja, hij stond er verdorie naast. Die vent is gewoon naast hem neergevallen, zomaar, ineens. Morsdood was hij.’Ik hou mijn blik strak op het zwakke gloeilampje boven de ontbijttafel.Toch zie ik hoe ze me aankijkt met ogen die even naar een punt hoog in de kamer verdwalen. Ik zucht. Ze verlegt haar mobieltje naar het andere oor.‘Ja…’ aarzelt ze en ze knijpt in haar paardenstaart tot haar vingers wit zien.Ach, ze doet maar wat ze niet laten kan. De koffie is koud. ‘Ja, daarom juist… ja…, neen…, luister nou even, meneer de direc… neen meneer, onze zoon heeft gewoon in paniek het verkeerde gepakt!’Ze kijkt weer met opgeslagen ogen en briest verder op en af door de kamer.‘Neen, het lag daar vóór hem op de wastafel, naast het andere. Je weet toch ook wel hoe onze Bert is.’ En nu gaat ze de overbezorgde moeder gaan spelen, zie. Ik doe alsof ik het niet merk.‘Heel gevoelig, ja. En snel van zijn melk. Je zou voor minder hé? Die jongen lag daar met halfopen mond naast hem op de grond. Met een straaltje kwijl op zijn kin, zo zei hij het. Hij is daar erg van geschrokken.’Ze kijkt me met een veelzeggende grijns aan terwijl ze met haar vinger een paar keer heftig naar haar mobiel wijst. Ze wisselt weer van oor, luistert even en zegt gelaten:‘Hij heeft het in zijn zakdoek gedraaid en is naar zijn kamer gelopen. Ja, zo vertelde hij het me gisteren.’Ik glimlach flauw en concentreer me op het kopje koude koffie. ‘Neen. Nee, pas de volgende dag. Bij het middagmaal, ja. Nee, hij kon niet eten.’Ze zucht nu erg luidruchtig.‘Maar neen, het past gewoon niet. Absoluut zeker!'Ze houdt haar hand over haar mobiel en fluistert me toe: 'Hij probeert ertussenuit te komen, maar 't gaat niet pakken, zie!'Ik roer wat in het kopje. 'Ja, precies, dat bedoel ik nou net, het is tenslotte toch een zorgcentrum daar bij jullie, of niet soms? U kent ons Bertje toch ook? Nee, zó snugger is hij nu ook weer niet.’Mijn vrouw kijkt aandachtig naar haar voeten en haalt diep adem.‘Ja, dat snap ik wel.' zucht ze. 'Nee… en is die jongen ondertussen reeds begraven, zegt u?'Haar ongeloof groeit zienderogen.'Maar ons manneke is wel zijn gebit kwijt hé! Dat heeft me vorig jaar nog twaalfhonderd euro gekost!’Ze danst nu opgewonden van het ene been op het andere.‘Neen, natuurlijk niet. Neen, je kan hem niet terug boven spitten! Ja… Nee, dat snap ik, meneer de directeur. Oké, daar reken ik dan op. Ja…, ja, neen, prettige dag nog…ja… en alvast bedankt.' Ze klapt haar mobiel dicht, geeft me een knipoog en kijkt me triomfantelijk aan.Ik mompel: ‘Jij ook nog wat hete koffie, schat?’                  

Guy Lejeune
3 0