Lezen

Druiventros

Hoewel ik fanatiek kleurenblind ben, was ik toch enkele jaren aangesloten bij een schildersklas. Het betrof een verzameling van mensen die zich in hun vrije tijd graag iets artistieks aanmaten, maar voor de rest een normaal leven leidden met een baan, een vrouw en een hond. Eén keer per jaar exposeerden we in de kantine van het cultureel centrum. De vernissage aangeboden door de gemeente was altijd overbevolkt. Overschot van de drank en borrelhapjes was er achteraf bijvoorbeeld nooit. Maar na de opening daalde de publieke belangstelling al snel totdat die beperkt bleef tot de passerende bezoekers van de kantine. Zelf heb ik eens kunnen zien hoe een waggelende man op weg naar huis in de late uren even halt hield bij een stilleven van mijn hand. Het betrof een fruitkom in olieverf vol ontbrekende details die aan mijn slechte ogen waren ontsnapt. Vervaarlijk voorover hellend zette hij zijn hand tegen de muur in de hoop daar steun te vinden. Hierdoor kwam zijn gezicht zo dicht bij mijn creatie, dat zijn openvallende mond een kwijlpegel liet bengelen boven de druiventros die me een paar avonden noeste arbeid had gekost. De lesgever had het resultaat nog geroemd en sprak van een sublieme kleurschakering. Helaas deed de zwaartekracht zijn werk en liet de dronken bewonderaar zijn lichaamsvocht achter, precies in de delicate schaduwpartij. Een dikke druppel trok een spoor van vernieling. In een eerste paniekreactie snelde ik toe, en wou deze kunstschennis wreken met een grensoverschrijdende oplawaai. Net op tijd bedacht ik me dat een tegenbeweging me wel eens mijn toen net aangeschafte artistieke bril kon kosten. En die kostte toen wel wat, bij gebrek aan Hans Anders. Toen de man uit beeld was gestrompeld, wilde ik de schade deppen met mijn zakdoek, maar dat bleek allesbehalve een goed idee. Het schilderij bestaat nog altijd, hangend in mijn atelier dat ondertussen meer een verblijfplaats voor de hond en de grasmachine is geworden, al is de druiventros vervangen door een paarse strandbal.

Pelgrims
5 0

De derde blik

Ze stapte uit in Brussel-Centraal. Haar hakken tikten een trager ritme dan de voetstappen van de late pendelaars die zich naar hun kantoor haastten. Schuberts Winterreise klonk in haar oren, haar zachte metgezel tijdens de wandeling door de natte straten naar de Zavel. In de etalages van de antiquairs en chocolatiers die ze kruiste zag ze telkens haar weerspiegeling, een silhouet als een vluchtige houtskoolschets.  De tentoonstelling was kleiner dan ze had verwacht. Enkele tekeningen, wat stadsgezichten, een paar zelfportretten. De muren waren klinisch wit. Ze rilde. Ze bleef hangen bij één van de zelfportretten. Spilliaert leek uit een schaduw naar voren te komen. Haar blik bleef hangen bij de ogen. Ze hadden iets onderzoekend, maar ze zagen er ook vermoeid en hol uit. Ze zette een stap dichter. Het spel van licht en donker hypnotiseerde haar. Er hing een geur van verbrand hout en kruidnagel. Ze hapte naar adem. ‘Je hebt het gevonden’. Ze verstijfde, maakte haar blik los van het werk en met een trage beweging draaide zij zich om. Hij stond op enkele passen achter haar, zijn handen los in zijn broekzakken. Zijn haren glansden nog van de fijne regen.‘Ik was niet zeker dat je zou komen’, zei ze.'Ik kan net hetzelfde zeggen’, antwoordde hij.Ze keken samen naar het werk. Spilliaert was niet alleen, er waren twee schimmen verschenen die zich bij het kunstwerk voegden.‘Hij ziet er anders uit’, fluisterde ze.Hij zette een stap dichter. Ze stonden bijna schouder tegen schouder.‘Hoezo?’, en hij leunde wat meer naar voren om de ogen te bestuderen.‘Hier lijkt hij minder streng dan op andere werken. Het is alsof de angst hier zijn blik volledig overneemt.’Hij keek haar aan. De geur van zijn natte haren drong tot haar door. Er zat iets houtachtig in.  Ze maakte zich los en liep een andere zaal in. Hij volgde haar. De tekening van een lege straat trof haar. Ze herkende het als één van de vele straten die ze doorkruiste midden in de nacht, toen ze na een ontmoeting met één van haar minnaars naar huis wandelde. Het was haar naspel, een intieme dialoog met de duisternis die zich dan langzaam meester maakte van haar. Weer kwam hij naast haar staan.‘Hofstraat, Oostende. Interessante keuze om even bij stil te staan’, en hij keek haar aan. Haar wangen gloeiden.‘Ja, het roept enkele herinneringen op’, en met een kort gebaar wuifde ze zijn opmerking weg. Ze bleven kijken naar de tekening. De straat lag er verlaten bij, de gevels zwart als lege hulzen waaruit het leven lang geleden was weggevloeid. Ergens in de verte een flauw lichtpuntje.‘Ik probeer je gewoon te begrijpen’, zei hij uit het niets.‘En wat als je iets ziet dat je niet kan begrijpen’, fluisterde ze terug. Hij zweeg. Ze had hem die vraag al eerder willen stellen.‘Dan moet ik misschien wat langer kijken,’ zei hij uiteindelijk.‘Is dat niet vermoeiend’, zei ze.‘Wat?’‘Altijd blijven kijken.’Hij leek niet meteen een antwoord te hebben. Ze liepen naar de volgende zaal. Opnieuw hing er een zelfportret, deze keer kleiner. Het gezicht was bijna doorschijnend, de ogen leken op onheilspellende zwarte gaten. Ze ging ervoor staan.‘Ik denk dat ik hem begrijp,’ zei ze.‘En wat begrijp je dan?’, vroeg hij.Ze draaide zich naar hem toe.‘Dat je jezelf kunt bekijken tot je helemaal verdwijnt.’Hij liet zijn blik op haar rusten. ‘Hoe dan?’Haar hand bewoog voordat ze er erg in had. Ze greep de zijne. Zijn warmte drong door tot haar koude vingers.‘Ik wil in jou verdwijnen’, zei ze kort.Ze wachtte op zijn antwoord. Een zin die haar zou laten voelen dat ook hij deze ontmoeting niet zomaar achter zich zou laten. Maar het bleef stil. Ze staarden naar het zelfportret dat nu ook drie figuren telde. Ze liet hem los. ‘Ik moet gaan,’ zei ze.Hij knikte. ‘Natuurlijk.’ Bij de uitgang bleef ze nog even staan. Buiten snelden mensen voorbij door de gietende regen. Ze draaide zich om, haar blik zocht hem nog een laatste keer. Hij stond nog voor het kleine zelfportret, zijn gezicht half in de schaduw. Eenmaal buiten ademde ze diep in. Zijn geur had zich in haar genesteld. Ergens in de ruimte was het verlangen achtergebleven, losgemaakt van alle woorden. Het had zich als een nieuw werk geïnstalleerd, waar niemand voorlopig eigenaar van wilde zijn. Ze liep zonder omkijken de stad in.

Jolien Van de Velde
99 0

Elon Musk heeft het buskruit niet uitgevonden

Elon Musk heeft het buskruit niet uitgevonden“Elon Musk heeft het buskruit niet uitgevonden.” Dat is de titel van een taak die mijn kleindochter Laurence gisteren kreeg, in het vijfde jaar Grieks-Wiskunde. Ik weet niet of de heer Musk het met die titel eens is. Ik denk het niet. Iemand die van plan is de kleinkinderen van mijn kleinkinderen naar Mars te sturen, kan niet anders dan daar een andere mening over hebben.Gisteren was ook de dag dat ik in de supermarkt een oude bekende tegenkwam. We stonden in de frisdrankafdeling met onze ruggen naar elkaar toe en draaiden ons tegelijk om. We botsten letterlijk, alsof we elkaar gingen kussen. Ik zette vlug een stap terug, en zij zei, met grote ogen en een brede glimlach: “Wim!” En ik zei: “Marianne!” Na een korte aarzeling omhelsden we elkaar. Het was vrij druk in de supermarkt, en onze knuffel viel wel op.Marianne is de zus van wijlen mijn vrouw. Ze is drie jaar jonger dan mijn vrouw, en ze verdween vrij vlug uit ons leven, omdat ze haar vriend volgde naar Zuid-Frankrijk, naar Saint-Siffret. De laatste keer dat ik haar zag, was op de begrafenis van mijn vrouw Julie, zeventien jaar geleden. Mijn dochter Fleur was toen in verwachting van Laurence. Marianne is nog steeds een mooie vrouw, net zoals haar zus, mijn vrouw, dat was. En in mijn hoofd nog is.Ze vertelde me dat haar vriend haar had verlaten voor een ander. Sinds ze terug was in België, woonde ze in bij een vriendin die voor zes maanden in het buitenland zat.We spraken af om elkaar diezelfde avond nog te zien, bij mij thuis. In haar ouderlijk huis.Ik stond haar op te wachten toen ze om zeven uur het laantje naar ons huis op reed. Ze reed in een opvallend rode Tesla, en ze stapte uit in een opvallend lange, groene jurk. Ik kon er niet naast kijken: een split tot hoog op haar dij. Haar slipje was rood, net als de Tesla. Ik liep naar haar toe, en ze sloeg meteen haar armen om me heen en kuste me, tot mijn verrassing, op de lippen. Ik meende zelfs het puntje van haar tong te voelen. Ze nam een klein zwart handtasje, en we liepen met de armen om elkaar heen naar binnen. Toen ze het salon binnenging, keek ze even om zich heen.“Het is helemaal anders dan vroeger, en toch ook weer niet,” zei ze, en ze vlijde zich neer op onze sofa.Zo kwam haar rechterbeen helemaal vrij, en even flitste er een herinnering voorbij: het zwembad, Viols-le-Fort, haar been.“Maak je nog eens een aperitiefje, zoals vroeger?” vroeg Marianne, terwijl ze zich uitstrekte op de sofa. “Zoals vroeger aan het zwembad? Campari met gin? ‘Dat houdt het pittig,’ zei je altijd.”De beelden kwamen nu langer en scherper binnen: de baby, Julie, mijn schoonouders en het zusje. Ik voelde als het ware de hitte weer en hoorde de krekels. Al die jaren had ik daar nooit meer aan gedacht, en nu was het alsof het gisteren was. Ik draaide me snel naar de bar.“Inderdaad, Marianne. Pittig!” zei ik, en ik voelde plots een onverwachte golf van begeerte. Van verlangen.Ik deed drie ijsblokjes in het glas, en toen ik het haar gaf, keek ze me recht in de ogen.“Je weet het toch nog, Wim?”“Ja, Marianne. Ik weet het nog.”“Julie wou absoluut naar Avignon. Maar jij had geen zin. Mijn ouders wel, en toen heb ik voorgesteld om samen met jou te babysitten. Dan konden zij meer van hun uitstap genieten.”“Wij waren goede babysitters,” zei ik. “Fleur heeft ons met rust gelaten. Na haar flesje heeft ze een heel eind doorgeslapen. Als baby was Fleur een schatje. Later is dat wel een tijdje anders geweest. Puberen…”“Ik had toen voor ons gekookt: spaghetti alla puttanesca. En na de twee pittige aperitiefjes hebben we bijna twee flessen van die goedkope wijn gedronken. En toen zei je iets tegen mij wat nog nooit iemand tegen mij had gezegd, en wat ik ook nooit ben vergeten. Weet je dat nog?”“Neen,” zei ik. “Dat weet ik niet meer.”“Je zei, met je stem van leraar Nederlands: ‘Marianne, ik vind jou een begeerlijke vrouw. Begeerlijk.’”“Zei ik dat?”“Ja, Wim. Begeerlijk. Ik vond dat zo’n speciaal woord dat ik het later heb opgezocht. Ik begreep het toen al, maar in het woordenboek stond dat ‘begeerlijk’ betekent dat je iets of iemand heel graag wilt hebben of bezitten. Toen ik dat las, dacht ik: dan had ik het toen toch goed begrepen.” Ze hield haar glas omhoog. “Wim, geef me nog eens zo’n aperitiefje. En bestellen we straks iets om te eten? Chinees of Thai of zo?”Ik stond nog altijd recht, en ik had zelf nog niets gedronken. Ik draaide me weer om en maakte meteen twee campari-gins.Ondertussen was Marianne rechtgestaan. “Is het toilet nog altijd op dezelfde plaats, Wim?”“Ja,” zei ik, en ze verdween.Ik stond daar een beetje verweesd, met twee campari-gins in mijn handen, terwijl plots hele flarden herinneringen aan die vakantie in Frankrijk door me heen raasden.Julie en Marianne waren vrij hecht. Wat nieuw was, was dat Julie mij al vanaf het begin van de vakantie plaagde met haar jongere zus, met zinnen als: “Vind je niet dat Marianne een mooie vrouw geworden is?” of “In die bikini zie je toch echt heel goed hoe mooi Marianne is?”Dat begon altijd ’s avonds. Dan waren haar ouders al naar bed, en zaten wij achteraan in de tuin, met de babyfoon.“Vind je haar lippen even sensueel als de mijne? Dat zijn toch lippen om te kussen?”Op een of andere manier vonden we dat leuk, vanaf de eerste avond. En toen Julie later op de avond in de slaapkamer merkte dat het mij toch had opgewonden, vond ze het leuk, dat vertelde ze me achteraf, om na de babymaanden weer een man in bed te hebben die er echt voor ging.Marianne kwam weer binnen, nam haar glas en ging vlak voor me staan. Ze had haar blonde haar opgestoken met een of andere speld. Zo was haar mooie, lange nek helemaal zichtbaar. Op een of andere manier hing haar jurk ook anders. Ze ging weer in de sofa zitten.“Weet je nog wat we deden toen ze weg waren?”Het kwam me allemaal helder terug voor de geest. “Ik denk het wel,” zei ik.“Wel, Wim. Dan mag jij, na al die tijd, jouw versie van de feiten vertellen.”“Toen Julie en je ouders vertrokken waren, zijn we met Fleur in de kinderwagen naar het dorp gewandeld. In de plaatselijke superette heb jij inkopen gedaan voor het eten, terwijl ik in bar Les Musquetaires een pastis dronk. Toen zijn we teruggewandeld. Jij hebt Fleur in haar bedje gelegd, en je kwam naar buiten in een rood badpak. Een badpak dat ik nog niet had gezien. Ik vroeg me meteen af of je dat ook zou durven dragen als je ouders erbij waren. Rouge ardent, dacht ik toen.”“Ja… En dan?” zei Marianne. Ze had haar schoenen naast de sofa gezet. Ik kon het groen van haar gelakte teennagels goed zien.Buiten was het donker geworden. Ik trapte op het knopje van de uplighter en deed de gordijnen dicht.“En dan ben jij het zwembad in gedoken. Toen je even later uit het water kwam en een handdoek nam, kon ik zien waarom je dat badpak misschien voor je ouders verborgen hield. Ik zal het nu ‘vrij transparant’ noemen, als je het daarmee eens bent.”“Ja, Wim. Dat noemen ze een mesh-badpak,” antwoordde Marianne. “Daarna trok je je badpak uit en een groene tuniek aan, kwam je naar me toe en pakte je mijn boek af.”“Natuurlijk. Je was Opus Pistorum van Henry Miller aan het lezen. In het Frans, nota bene. Ik heb je nog gevraagd of dat alleen was om je Frans bij te spijkeren.”“Je nam mijn boek en zei: ‘Kom mee naar de keuken voor het aperitief. Jij mag kijken hoe ik het eten klaarmaak.’”Toen we in de keuken aankwamen, hoorden we Fleur. Het was tijd voor haar middagflesje, een nieuwe luier en misschien haar middagdutje.Door het keukenraam zag ik haar badpak buiten over een stoel hangen, te drogen in de zon.“De spaghetti alla puttanesca was lekker, en we hebben toen inderdaad flink gedronken, glas na glas. Jij stond recht, liep naar de rand van het zwembad, deed je tuniek uit en trok je badpak weer aan. Toen zag ik je voor het eerst echt naakt. Je rug, je dijen. Het was vlug voorbij, want je dook meteen weer in het zwembad. Ik bleef naar je kijken, jij riep me, en ik sprong naar je toe, in het zwembad. Naar jou!”“Hier neem ik over,” zei Marianne. “Hier vertel ik mijn verhaal. Ga maar in de sofa liggen, en luister!”Toen ze rechtstond, zag ik dat ze geen beha meer droeg. Dat was duidelijk te zien.“Hoewel het niet haar bedoeling was, heeft Julie mij die week op een pad gezet dat ik eigenlijk al een beetje gekozen had. Ik wist alleen niet hoe ik erop moest geraken. Ik had je altijd al een fijne man gevonden, en door die vakantie kon ik echt dicht bij je komen. Toen Julie jou zo begon op te jutten en het voortdurend over mij had, over mijn lippen, mijn figuur, mijn borsten, waren zij en jij niet de enigen die opgewonden raakten. Ik ook. Alleen mocht Julie daar als enige de vruchten van plukken. Ik niet. Toen er op de vierde dag gesproken werd over een uitstap naar Avignon, zag ik mijn kans. Zeker toen ik hoorde dat papa ook nog een neef wou bezoeken, die een grote vakantiewoning had in Foissac, in de buurt van Uzès. Met de wegenkaart van papa kon ik uitrekenen hoe lang ze onderweg zouden zijn. Ik vroeg mama om te bellen voor ze terugreden, om zeker te zijn dat we niet gestoord zouden worden. Tenzij door de onschuldige Fleur.”Marianne ging helemaal op in haar verhaal en kreeg een blos op haar wangen. Ik denk dat ik met open mond lag te luisteren.“Ik zorgde ervoor dat je in mijn armen sprong, en dat we elkaar in het water half gedwongen omhelsden. Dat was mijn bedoeling. Niet de jouwe. Maar je liep niet weg. Toch ben je even weggegaan, omdat je Fleur hoorde via de babyfoon. Je liep naar binnen. Ik heb toen van de gelegenheid gebruikgemaakt om mijn badpak uit te trekken. Toen je weer in het water sprong en bij mij aankwam, aarzelde je even toen je het merkte. Maar ik was je voor en heb je letterlijk besprongen. Ik heb je voluit gekust, jij deed mee, en het resultaat was dat we elkaar aan de ladder van het zwembad genomen hebben. Zo herinner ik me die eerste keer. De tweede keer was een tijdje later, in mijn bed, en die was zachter en rustiger. Ik ben Fleur nog altijd dankbaar dat ze ons die kans heeft gegeven.”Marianne kwam naar me toe en liet in twee bewegingen haar jurk op de grond vallen. Ze trok me recht, en we omhelsden elkaar. Tot mijn verbazing rook ik haar geur: de muskusgeur van haar parfum. De geur van Julie. Maar dat hield me niet tegen. We namen elkaar, net zoals toen aan het zwembad: hevig en gretig. Daarna gingen we naar boven.Ruim een uur later lagen we daar nog.“En heeft Julie het ooit geweten, Wim?” vroeg Marianne.“Ik denk het niet,” antwoordde ik. “Al herinner ik me wel dat ze me dat jaar, ergens tussen Kerstmis en Nieuwjaar, toen ze wat gedronken had, vroeg: ‘Dat was een leuke vakantie dit jaar, hè Wim, met Marianne erbij? Dat vond jij ook wel sexy, niet?’ Dat was alles. Kort na die vakantie ben jij met een vriendin naar Barcelona gegaan, en daar heb je de vriend leren kennen die nu vertrokken is.”“En heb je spijt dat we dit nu gedaan hebben?”“Neen, toch niet. Ook niet nu ik weet dat je me een beetje in de val hebt gelokt. Als je in België blijft, wil ik je wel blijven zien, Marianne. Als jij dat wilt, tenminste.”“Ja, dat wil ik!” lachte ze. “Maar jij moet op een bepaald moment wel met je dochter praten. En met Laurence.”* * *Terwijl ik dit verhaal schreef, heeft Elon Musk weer een nieuwe stap gezet richting Mars, met zijn nieuwste raket.Zou hij dan toch het buskruit hebben uitgevonden?Dat moet ik aan Laurence vertellen.EINDE

Ludovico48
5 0

De verkeerde voordeur

De verkeerde voordeurDendermonde in de regen, 10 uur“De tweede straat rechts, en dan het huis met de gele voordeur.” Dat had de man in het café op de hoek gezegd. Ik had wel de straat opgeschreven, maar niet het nummer. Daar woonde Marijke Elshout.De gele voordeur. Daar stond ik nu. Mijn paraplu dicht. Nog een keer door mijn haar geveegd. Zat mijn jasje goed? Ik belde aan en wachtte af of Marijke echt thuis zou zijn. Ik had via 2dehands.be afgesproken om de dressboy van de opa van Marijke te kopen, voor 25 euro. Ophalen bleek makkelijker, want een dressboy in een pakje, dat leek wel een tegenspraak.De bel. Nog een keer? Ik wachtte nog even. Daar denderde iemand de trap af.De deur ging open. Daar stond een grote vrouw met grote ogen, een grote bos krullend haar, een omvangrijke boezem en een bijzondere glimlach. Marijke!“Dag mijnheer! Komt u toch binnen. Ik had u al vroeger verwacht, maar nu bent u er toch. Kom binnen, kom binnen. Sorry, ik moet me nog even voorbereiden. Ja, ik ben te laat, ik moet nog even… Maar mag ik uw jas aannemen? Uw paraplu kan daar in de hoek. U moet daar in die rode zetel gaan zitten, en ik haal een kop koffie voor u. Of had u liever iets sterkers? Zegt u het maar, ik haal het voor u.”Voor ik het wist, zat ik in een rode zetel die wel heel laag was. Marijke was plots verdwenen, maar stond er even snel weer, met een kop koffie én een borrel. Ik wou iets zeggen, maar zat daar met een kop koffie in de ene hand en een borrel in de andere, een beetje achterover balancerend in de zetel. Marijke verdween alweer, deze keer de trap op, maar kwam meteen weer naar beneden en zei nerveus: “Het spijt me dat u moet wachten, mijnheer, maar het is voor mij de eerste keer. Sorry, hoor.” En ze liep weer de trap op.Ik slaagde er na enige tijd in het kopje en het borrelglas op een bijzettafeltje te zetten, en keek rond. De living was niet groot. De voordeur en de trap kwamen uit in de living; er was geen halletje. Door een deur zag ik een kleine, rommelige keuken, en achter mij lag een binnenkoer met een waslijn, waaraan een kleurrijk assortiment damesondergoed hing. Ik hoefde niet goed te kijken om te weten dat de lingerie uit de kleerkast van Marijke kwam. De maten leken allemaal even groot.In de living zag ik een oude schouw met een elektrisch verwarmingselement ervoor. Op de schoorsteenmantel stonden een heleboel eenhoornfiguurtjes, met kerstverlichting eromheen gedrapeerd. Verzamelwoede? Aan de muur hingen posters: Leonardo DiCaprio uit zijn Titanic-periode, een naaktfoto van Lady Gaga uit haar wilde periode en een heel bijzondere van Beyoncé.In de hoek stond een tv-toestel, en behalve de rode zetel was er een vrij grote, brede sofa, gedrapeerd met een heel grote patchworkdeken.Ondertussen had ik heel wat geluiden gehoord: een toilet, een bad of een douche of iets dergelijks, maar niet lang. Bizar? Waar bleef Marijke met de dressboy?“Komt u maar, mijnheer!” hoorde ik Marijke roepen. “Komt u maar boven.”Ik dronk vlug mijn borrel uit en liep de trap op. Bovenaan stond Marijke te wachten, in een lange, glanzende blauwe jurk vol groene sterretjes, met aangestifte lippen en, zo leek het mij, glitter op haar oogleden.“Komt u maar, mijnheer. Hier is het waarvoor u kwam.” Terwijl ik de deur binnenstapte die Marijke aanwees, zei ze: “Hier vindt u wat u zoekt. Chiara en Talara zullen u helpen…”Ik stapte de kamer binnen. Daar stond een vrouw, even groot als Marijke, met een kleine boezem en een lange, felgroene jurk met blauwe sterretjes. Ze had heel donkere ogen en lang, sluik zwart haar. Ik was zo onder de indruk van alles wat er gebeurde, dat ik ongevraagd ging zitten in een zetel die midden in de kamer stond. Tegen het plafond was een donkere hemel nagemaakt, met glinsterende sterretjes en een maan. Voor de muren hingen zware rode gordijnen.“Dag mijnheer,” zei de vrouw. “Welke naam heeft uw moeder u gegeven?”“Mijn moeder? Wat… U weet toch wie ik ben?” zei ik. “Ik ben Werenfried Vandeloo.”“We-ren-fried Van-de-loo. Wat een bijzondere naam. Heeft uw moeder u die gegeven?”“Neen. Ik heet Vandeloo, zoals mijn vader,” antwoordde ik geïrriteerd.“We-ren-fried: de bewaker van de vrede.”“Neen, ik bewaak helemaal niets. Ik werk bij de belastingen, en mijn naam is Vandeloo,” antwoordde ik, op boze toon.“Van-de-loo is…”“Mevrouw,” onderbrak ik haar.“Mijn naam is niet mevrouw, maar Chiara. Chi-a-ra: helder licht.”“Wij weten dat u uit de duisternis naar het licht komt. U wilt verlichting van uw duisternis,” zei de andere vrouw ineens. “Mijn naam is Talara. Ik bied beschutting.”“Ik kom die dressboy ophalen!” riep ik luid.“Niet roepen, Werenfried. Roepen is een slecht teken van je lichaam.”“Talara: de dressboy!” riep ik.“Pakchoi. Geen stress, boy,” zei Talara zachtjes.“Neen, geen stress,” fluisterde Chiara.Ik sprong recht. “Ik ben naar hier gekomen om een dressboy op te halen, een herenknecht, die u mij zou verkopen voor 25 euro.”“Vijfentwintig euro? Neen, ons tarief is 100 euro voor 90 minuten,” antwoordde Chiara.“Neen,” zei Talara, “ik denk dat Werenfried iets anders bedoelt. Wat kwam jij doen, Werenfried?”“De dressboy van je opa ophalen. Jij bent toch Marijke Elshout?” antwoordde ik.“Neen, Marijke Elshout is mijn zus. Ik ben Marina Elshout, en dat is mijn vriendin Klaartje Moeremans. Waarom heb jij die dressboy nodig?”“Wat dacht je? Om mijn hemd, mijn broek en mijn jas op te hangen. En om weer orde te brengen in mijn leven. Daarom!” brulde ik. Ik stond te trillen op mijn benen.* * *“Dat is goed: orde,” antwoordde Marina. “Daar zullen we voor zorgen. En voor rust. Ik ga straks met je mee naar de echte Marijke, voor je dressboy. Die woont hier een paar deuren verder. Maar wil je eerst even met ons praten, Werenfried?”“Waarover moet ik met jullie praten?” zei ik. “Over waarom jullie doen wat jullie doen? Zijn jullie psychiaters misschien? Ik dacht even dat jullie herengezelschap verkochten, maar dat is blijkbaar niet zo.”“Neen,” antwoordde Klaartje. “Wij zijn geen psychiaters of therapeuten. Wij verkopen rust en orde, en soms antwoorden. Wij kunnen goed luisteren.”“Hoe doen jullie dat dan?” vroeg ik.“Door aan jou te vragen waarom er geen orde is in je leven, en hoe je die hoopt te bereiken met een dressboy.”Ik ging weer zitten. “Sinds mijn vrouw Linda vijftien maanden geleden omkwam bij een verkeersongeval, is er geen orde en geen rust meer in mijn leven. Ik mis heel veel: haar liefde, ons samenzijn en de orde die zij bracht. Ik slaag er niet in mijn leven weer op te pakken.”Beide dames waren één en al oor. En ik vertelde verder.“Toen ik vorige week weer eens over mijn broek struikelde in de slaapkamer, en de dag erna mijn vest niet meer vond, heb ik besloten mijn leven weer in handen te nemen en de orde terug te brengen die zij in mijn leven bracht. Ik kende dressboys van de hotels tijdens onze vakanties. En hoe belachelijk dat ook klinkt: daar vond ik de kapstok. Een echte, mooie dressboy kost al gauw 150 euro, en omdat Linda dikwijls spullen kocht via 2dehands.be, heb ik daar ook eens gezocht. Zo ben ik hier beland.”“Wat een ontroerend en mooi verhaal,” zei Klaartje.“Marijke zal het ook fijn vinden dat de dressboy van haar opa zo goed terechtkomt,” reageerde Marina.Ik zei dat ik het fijn vond dat ze zo reageerden, en voegde eraan toe dat hun tarief te laag was, zowel voor dames van plezier als voor een luisterend oor. De belastingen zouden het nooit geloven: dat bedrag, voor twee personen, zelfs in bijberoep.Terug beneden hebben we nog een borrel gedronken. Ze zeiden dat ik nog een keer gratis terug mocht komen, voor een nieuwe beurt.We zijn samen naar Marijke gegaan, en die bleek ook een gele voordeur te hebben. Bovendien was zij de tweelingzus van Marina. Ze leken echt niet op elkaar. Zelfs niet boezemsgewijs. Marijke bleek meer het afstandelijke type. Dat kon je van haar zus en Klaartje niet zeggen. Die deden of ze me al lang kenden. Ondertussen was het één uur, en we zijn met z’n allen gaan lunchen in een brasserie in de buurt.De herenknecht staat nu in mijn slaapkamer en doet wat hij moet doen: dressboy zijn!EINDE

Ludovico48
0 0

De vrouw van ‘Ga even naar de bakker’

De vrouw van ‘Ga even naar de bakker’“Waar is de bakker?” zei de vrouw die aan de beurt was.Het tienermeisje achter de koffiekoeken, met slaapoogjes en een vuile schort, zei: “De bakker slaapt, mevrouw. Wij mogen hem niet wakker maken van zijn vrouw.”“Vraag haar dan of het vandaag niet kan. Ik denk dat het vandaag moet van mijn man.”Datzelfde meisje met Shakira op haar badge trok grote ogen en verdween.De andere klanten werden ongeduldig omdat er niemand anders was om hen te helpen. Vooral de mannen zuchtten diep. Drie zuchten later verscheen de bakkersvrouw in haar peignoir, met pieken natte haren. Ze keek een beetje boos en zei: “Wie was dat van die vraag?”De vrouw die aan de beurt was, zei: “Mevrouw, mijn man zei: ‘Ga even naar de bakker.’ Daarom dus die vraag. Mijn tweede vraag nu: is hij wakker?”“U bent toch aan de beurt, mevrouw? Wat kunnen wij u bieden?”“Zoals ik u al zei: ik moet even naar de bakker.”“Daar bent u toch!”“Maar ik wil Dirk, de bakker.”“Wel, Dirk, die slaapt, en wat u vraagt, kan ik u ook verschaffen. Wat zou u willen: brood, koeken of een of andere taart?”“Ik zie dat u Charlotte heet. Dat staat zo op het raam. Charlotte, kan ik u even spreken? En Esther is mijn naam.”“U mag Charlotte zeggen, Esther, maar als het zo speciaal is, schrijf het dan op een briefje.”“Nee, echt niet, echt, dat schrijven, dat hoeft echt niet. Het is nu net iets dat nog moet gebeuren, want ik wacht al zo lang.”“Waarop dan wel, en dan nog op de bakker? U bent toch aan de beurt. Ik wil u helpen. Zegt u nu maar hoe.”“Zal u dan met me meegaan naar de bakker en vragen of hij het geeft?” vroeg Esther.“Waarom toch? Waarom kan ik dat niet? Ik kan dat ook wel geven.”“Charlotte, u heeft die vandaag misschien al wel gekregen, dat weet ik niet. Dat mag u mij vertellen. Dan weet ik dat het goed is.”“Wat moet hij u dan geven?”“Een beurt, want mijn man wil het niet.”Hij zei: ‘Ga even naar de bakker.’

Ludovico48
7 0

Postpartum

Ik had op mijn smartphone een afspeellijst gemaakt. Het eerste lied van Allegri klonk snoeihard door de aangesloten box en galmde in de hal. Halverwege het lied zette ik de muziek stiller. Toen ging ik aan de slag. Ik opende Zijn werkkoffer. Er zaten twee soorten schuurpapier in. Het bordeauxrode blad was ruw en het gele was fijner.  Ik streek met mijn vingers over het rode schuurpapier en plooide het in tweeën . De koffer liet ik geopend staan op de vloer van de inkomhal. Boven schuurde ik zorgvuldig rond en op de plaats waar het touw over het muurtje had gehangen. Eerst met het rode, daarna met het gele schuurpapier. Ik blies het stof weg. Beneden viel het op Zijn gezicht en in Zijn haren. Het was zo weinig dat het amper zichtbaar was. In de rekken in de kelder vond ik de plamuurpasta en in de geopende werkkoffer een plamuurmes. Op de tonen van Mozarts Lacrimosa plekte ik alles dicht. Een dag laten drogen en met wat verf zou er niks meer van te zien zijn. Van het ‘Erbarme Dich’ van Bach hoorde ik bijna niets omdat ik toen met Zijn boor een extra gaatje boorde om ook de radiator weer netjes op zijn plaats te krijgen. Dat lukte niet helemaal, maar iemand die niet wist dat hij zo uit de haak had gehangen, zou het niet opmerken, dacht ik. Hij zou het niet beter gekund hebben. Ik smeerde mijn boterhammen voor de volgende dag op het werk en zette een flesje water en een blikje cola klaar. Als ik blikjes uit de automaat in de kantine moest halen, kostte me dat te veel geld en na het bouwen van dit huis stond er niet zo veel meer op mijn rekening. 10 962 euro om precies te zijn. Ik bespaarde waar ik kon besparen.  Ik dekte de tafel voor twee en warmde het beetje pasta op dat Hij nog gemaakt had. Met verse tomaten, zwarte olijven, zoete paprika’s en kappertjes en gezouten spek bij de slagerij Geert in de Stationsstraat gehaald. Van de kappertjes was ik geen fan. Ik viste ze eruit en legde ze op de rand van mijn bord. Hij was er niet meer om ze op te eten, dus kieperde ik de kappertjes in de bak bedoeld voor de kippen van Tara, de buurvrouw. Nu zou ik niet bang meer hoeven te zijn dat Tara Hem zou verleiden. Mijn hart sloeg over als ik dacht aan de keren dat Hij met haar een praatje maakte over de haag. Met een zak chips zat ik tot half tien in de zetel, keek naar ‘Thuis’ en naar een opgenomen aflevering van ‘Person of Interest’. Omdat ik de verwarming had afgezet, koelde het huis af. Het was nog maar zeventien graden. De dikke deken waaronder ik was gekropen, had ik voor Hem gekocht, maar Hij had haar zelden gebruikt. De tekening op de deken stelde een grote blauwwitte vlag van Schotland voor. Om half tien stond ik op uit de zetel, vouwde de deken in drie op en legde het op zijn plaats op de legger onder de salontafel. Naast mijn eigen knalrode fleecedekentje. Ik dronk nog een bodempje whisky. Oban, 14 jaar. West Highland Single Malt Whisky. Little Bay of Caves. Een klein bodempje maar. En dan naar boven, tanden poetsen. Ik stond in mijn cherry print flanellen pyjama voor het lege tweepersoonsbed. De dons lag beneden over Hem. Ik sleurde de matras van de lattenbodem en kieperde hem over het muurtje. De matras plofte boven op Hem.  Ik zette de wekker van mijn smartphone op vijf uur en viel snel in slaap. Met mijn gezicht naar Hem gekeerd. 

Hans Van Ham
8 0

Ten lange leste

                                                                                               afbeelding: Beverlee Mathews ‘Heeft Andrea toegezegd?’‘Ja, mam, maar ze kan slechts net op tijd toekomen en zal na de ceremonie meteen terugkeren.’‘Wat goed, Bas, dat wij allemaal samen zullen zijn om afscheid te nemen.’ Goede taxichauffeur, ik ben nog ruim op tijd maar god, die aula zit al stampvol en ik hoor helemaal vooraan bij de familie te zitten. De halve zaal kijkt op als ik met mijn tikkende naaldhakken op de tegelvloer naar voor stap. Her en der wordt gefezeld.  Ook al ben ik reeds een tijdlang uit dit dorp verdwenen, herkennen velen mij natuurlijk. Op mijn beurt zie ik  bekende gezichten en enkele anderen van wie ik de tronies nog niet ben vergeten. Zogenaamde vrienden die mij als een baksteen lieten vallen na het venijnige aandringen van mijn grote zus. Er klinkt geroezemoes in de zaal wanneer ik moeder, vader, broer Bastiaan en zijn vriendin omhels, allen gehuld in zwarte rouwkledij. Fronsend kijkt moeder zeer bedenkelijk naar mijn knalrode jurk en hoed, maar ze houdt de lippen stijf op elkaar. Mijn broertje fluistert: ‘Fijn dat je wilde komen, maar hou je alsjeblief gedeisd.’ Het is waar dat ik wat sarcastisch overkwam toen hij mij belde. Zachte muziek weerklinkt, iets pseudo klassieks en enkele familieleden, oude bekenden en vrienden van wijlen mijn zus lezen iets voor. Ik geef discreet te kennen dat ik ook iets wil zeggen en stap naar het spreekgestoelte. Intuïtief vermoed ik dat nu meerdere personen de adem inhouden. Betraande maar ook kurkdroge argusogen staren mij aan. Enkelen verbijten duidelijk hun woede. ‘Lieve Imke, wat is het lang geleden dat ik je zo heb toegesproken, maar jij weet beter dan wie ook waarom dit zo moest lopen. Wat schrok ik toen Bastiaan mij in Dublin belde om mij jouw heengaan te melden. Anders dan de vorige sprekers, herinner ik mij niet veel van ons en …wil ik dat wel?  Je was zonder twijfel opgetogen toen ik uitweek naar het land van Chris de Burgh, jouw groot idool. Zijn Lady in red was ooit je lievelingsliedje, dus heb ik me vandaag speciaal voor jou zo opgetut om je deze laatste groet te brengen. This is our final countdown. Vaarwel, zus.’ 

Vic de Bourg
0 0

Ode aan Herman De Coninck

Want ja, ik ben een ware straatvechter. Zonder handen te gebruiken kan ik zelfs mijn teelballen weer optrekken tot in dit bekken. Fraai zijn ze mijn kunstjes. Kung fu. Zich op de borst slaan gelijk een ware King Kong. Chinees eten met vork en mes. Ik kan het allemaal. Intussen ben ik stoer genoeg geworden. Ik waag het wilde uitspraken te doen aan kassa's allerhande. In de Pizza Hut: Om niet rond te worden moet men scherpe driehoeken verslinden. In de Aldi: Neen, mevrouw. Ik dank u, geen emoji's. Ik kan al die gevoelens best alleen de baas. In de Delhaize: Waar is hij dan die leeuw? Laat hem maar eens los op mij! En onlangs, ik zat daar, als kale in die coiffeurstoel want echt, geloof me vrij, ik riskeer dat. Deuropeningen trotseren en me volkomen achteloos ergens neerpoten. Dag, Ruben! Zonder deze coiffeur en die wielerparlé, wie was jij dan? Hij antwoordt mij niet eens, die broekschijter. Stil dat worden zij van mij. Net gelijk die bisschop, dat gespuis bij wie ik ooit mijn misdaden heb opgebiecht. Tja. Die kon daarna geen woord meer uitbrengen. Want echt, ik doe de zielen sidderen, wek ze uit hun lome doelloosheid. Toe, maak eens een vuist, gij vadsig schepseltje. Kom eens uit uw navelput gekropen, gij die op roze papier geleuter kliedert, weer eens uitlegt wat ik niet eens weten wil. En nu? Hoe moet het verder? Mijn teelballen, ze willen liever bengelen en het straatgevecht is uitgesteld wegens die staking bij de spoorwegen. Miljaar, zie daar. Iemand durft, legt zomaar twee knopen in de nek van vader ooievaar. Zozo. Poëzie! En zonder die gêne van Herman. Ja die! Herman De Coninck! Mijn god. Wat een blêtkop was me dat! Ruben glimlacht en ik weet het wel, wie van ons die echte man zal blijven. Vraag het maar aan hem Meneer den Bisschop. Hij zit nog altijd op zijn ongemak, ginds in dat biechtkot, met die knuppel in zijn reet.     uit de reeks 'Hormonoloog'

Bernd Vanderbilt
13 0

Verboden vrucht

De zaal zat stampvol. Een kakafonie van lachende stemmen weerkaatste tegen het hoge plafond van de eventhal, en rond de hoge bartafeltjes klonken glazen tegen elkaar. Het oktoberzonnetje maakte overuren boven Oostende. In de Wellington renbaan hing een drukkende warmte, en af en toe wapperde een weeë geur van zweet langs mijn neus. Ik had haar meteen gespot. Al mijn zintuigen sprongen op scherp. Ik voelde de bekende hitte in mijn onderbuik opkomen. De laatste jaren lukte het me steeds beter om mijn driften te onderdrukken, maar vandaag wist ik het zeker: dit ging ik niet winnen. Ik draaide me demonstratief om en probeerde de buikademhaling die ik van de psycholoog had geleerd. In. Uit. Een zacht kreungeluid ontsnapte tussen mijn stembanden. Een vrouw van middelbare leeftijd keek me hooghartig en geschrokken aan. Ik gaf haar een blik terug die zei: bemoei je met je eigen zaken. Het hielp niets. Mijn verdrongen roofdierinstinct was terug van weggeweest. Ik moest haar hebben. Nu. Als in slow motion laveerde ik tussen de bezoekers door. Mijn prooi bevond zich aan de stand van restaurant North. Ik kende die zaak goed. In mijn vorige leven at ik er bijna elke dag. Nee, niet eten. Schrókken. Ik schudde mijn hoofd. Daar wilde ik niet aan herinnerd worden. ‘Dag meneer, wilt u proeven?’ Ik keek op, recht in de vragende ogen van mevrouw Peeters, de eigenares. Haar blik wekte een steek van schaamte en woede in me op. Ze herkende me niet. ‘Nee, dank u. Ik snuister wat rond.’ Ze knikte beleefd. Ik grijnsde. Honderdtwintig kilo minder en volledig incognito. Leve meneer Ozempic! Maar mijn zelfbeheersing brokkelde af. Ik voelde haar brandende aanwezigheid in mijn rug. Vanuit mijn ooghoeken hield ik haar in de gaten. Nog heel even. Nog heel even. Plots hoorde ik een enorm gekletter vlakbij. Een lichtjes aangeschoten vrouw had de ober met haar elleboog gestoten, en zijn volle plateau spatte uiteen op de grond. Scherven vlogen in het rond, alle hoofden draaiden die kant op. Niemand keek naar mij. In een milliseconde greep ik mijn kans. Ik graaide haar ruw mee en sleurde haar naar het toilet voor mindervaliden. Ik sloot de deur, vouwde mijn beide handen om haar heen en beet toe. Als in een slapende vulkaan ontwaakten alle verlangens en dromen die ik jarenlang had onderdrukt. Haar knapperige, roestbruine schil brak open en het heerlijke sap droop over mijn kin. Kreunend bereikte ik een ontploffing van genot en zeeg neer tegen de wand. Met het geduld van een seriemoordenaar verorberde ik haar tot de laatste kruimel. Ik had geweten dat ze me niet teleur zou stellen. Mevrouw Peeters maakte nu eenmaal de beste garnaalkroketten van Oostende.

Sfieke
4 0

Popeline

Al enkele dagen kunnen de lieftallige Vollezeelse wederhelft en ik de slaap niet vatten. We zijn nochtans zo moe dat we nauwelijks onze oogleden openkrijgen. Dus waarom turen we alsnog met bloeddoorlopen oogwit naar het plafond? Het is niet dat er fresco’s van Michelangelo te bewonderen zijn. Omdat we ons schuldig voelen. Schuldig als de pest. Het bijt in ons been en knabbelt aan onze kleine teen. Links én rechts dan nog wel. Want ons schuldgevoel gunt ons geen snippertje rust. We woelen onrustig onder onze klamme tussenseizoenslakens en zelfs de katjes kijken ons argwanend aan. En terecht ook. We hebben namelijk iets verschrikkelijks op onze kerfstok staan. Heb je even tijd? Dan doe ik ons verhaal. Maar zweer eerst op je plechtige communiezieltje dat je niet zal oordelen. Laat staan ons aangeven. Want we wisten niet beter. Het begon vorige week woensdag. Omstreeks 15u26 en 37 seconden in de namiddag. Ja, het is zo onvergeeflijk dat we het tot op de seconde herinneren. Getik op de ruit. Want uiteraard hebben we nog steeds die lege deurbelbatterij niet vervangen. Maar dáárover meer een volgende keer. De pakjesman stond op de stoep. Met in zijn handen een pakje. Dat was op zich niet zo gek. Want zonder pakje zou hij maar een man zijn. Een man zonder bestaansreden en met nóg minder kneiterballen dan hij nu maandelijks op zijn mistroostige bankrekening sprokkelt. Excuses. Ik wijk weer af. Zenuwen door de schuldgevoelens, ongetwijfeld. Soit. De pakjesman, dus. Achteraf gezien is het altijd gemakkelijk. Dat zal je altijd zien. Dan weet je 100% zeker dat je helemaal geen pakje had besteld. Maar op onverwachte ogenblikken wanneer het lot zijn al even onverwachte geschenken offreert, denkt een mens nu eenmaal niet altijd even logisch na. Het was bovendien niet eens een pakje. Maar een bruine gekreukte zak van een niet nader genoemde Spaanse modeketen die weleens een loopje neemt met de waarheidsgetrouwe pasvorm van zijn kledingmaten. Het witte busje was al uit het straatbeeld verdwenen, toen ik mijn vergissing inzag. Daar stond ik dan. Met een bruin gekreukte zak van de Zara, ik bedoel een niet nader genoemde Spaanse modeketen, in mijn grijpgrage tengels. Het verzendlabel loog niet. Het stond er zwart op wit. Timothy Decraecker. Koolzaadstraat 7. En wij wonen wel degelijk in de Koolstraat nummer 7. Waar onze kool het zonder zaad moet doen. En niemand van ons heet Timothy Decraecker. Tenzij mijn lieftallige Vollezeelse wederhelft hier nog ergens een huisgenoot waarvan ik het bestaan niet vermoed voor mij verbergt. Wat zeg je? Waarom ik het pakje niet gewoon terugbreng naar de post? Dat gaat niet. We hebben het namelijk al opengedaan. Ja, dat hoort niet. Dat weten we allemaal wel. Zie je. Mijn lieftallige Vollezeelse wederhelft neut al eeuwen dat ik deftige nieuwe kleren nodig heb. Zeven babyborrels en drie verjaardagen in de agenda komende weken. Maar geen cent te makken, want die babyborrel- en verjaardagscadeaus betalen zichzelf niet. Doch. Plottwist! Misschien zat er wel een net linnen zomerjasje in dat pakje. Dat op de koop toe ook nog eens exact mijn maat is. Als de niet nader genoemde Spaanse modeketen eens woord houdt, tenminste. Quod non. Het was een pyjamaset van ademend katoenpopeline. Met een relaxed fit overhemd. Mooi afgewerkt met contrasterende rode biesjes. Zit écht lekker hoor. Alleen jammer dat het zo warm is wanneer je schuldgevoel ’s nachts weer eens opspeelt onder de klamme tussenseizoenslakens.  

Matthias Van de Velde
0 0

Geheim hart

De regen sloeg tegen het raam. Ze praatte snel. Haar woorden hadden haast, terwijl de regen haar net aanmaande om te vertragen. Zijn blik bleef rusten op haar borst, die op en neer danste. Net die blik spoorde haar woordenstroom dan weer aan. Ze moest zo meteen naar huis door de koude herfstregen. Ze voelde de loodzware jeans al aan haar huid kleven, de regen die striemend op haar gezicht zou vallen. Ze stond op uit de sofa. ‘Ik moet maar eens gaan’, zei ze zacht, bijna onhoorbaar door het geraas van regendruppels. In zijn ogen lag een trieste blik. Hij begreep dat ze opnieuw haar leven moest gaan leiden, opnieuw in de grijze maalstroom moest stappen. Ze nam haar jas en liep door naar de voordeur. Hij volgde, opende de deur voor haar en even staarden ze samen naar de waterstroom die over de straat gutste. Ze nam aarzelend een stap terug. ‘Misschien kan ik gewoon nog even blijven tot de bui gaat liggen. Ze zullen het wel begrijpen als ik wat later thuiskom’, zei ze terwijl ze zijn blik zocht. Ze glimlachte toen ze houvast vond in zijn donkere ogen. Ze vond er het wrakhout van haar gedachten, en klampte zich stevig vast. Haar jas ging uit, en samen vonden ze opnieuw de weg naar de sofa. De ruimte tussen hen werd kleiner. Ze draaide zich naar hem toe. Ze opende haar houding, en zo ook haar hart. ‘Ik las in de Kama Sutra dat een man altijd voorbereid moet zijn op regenweer. Als een vrouw door de regen naar hem toe moet komen, zorgt hij voor haar lievelingskost, iets warms om te drinken’, en terwijl ze het zei voelde ze een zachte gloed op haar wangen. Hij keek naar zijn handen die losjes in zijn schoot lagen. ‘Zal ik thee maken?’, antwoordde hij terwijl hij haar blik zocht. Een subtiele lach speelde om zijn dunne, strakke lippen. In zijn lippen toonde zich hun grootste verschil. Haar volle mond had iets baroks, gul en overdadig. Zijn lippen waren strak, beheerst, alsof zelfs woorden er niet zomaar overheen mochten. De regen liet zich niet bedwingen. Ze luisterde naar het ritme, naar haar eigen ontembare natuur. Ze wist dat er in hem ook een gelijkaardig temperament schuilde, ze had het al gezien in het tikken van zijn voet, in de vluchtige oogopslag waarvan hij dacht dat ze het niet merkte. Hij gaf haar het dampende kopje en samen dronken ze zwijgend. Hun blikken dwaalden af en gaven vooral niet toe aan de zin om elkaar terug te vinden. Ze zette het kopje neer, nam het kussen dat op de sofa lag. Ze klemde het stevig vast en keek hem strak aan. ‘Heb jij een geheim hart’, vroeg ze zacht. ‘Een wat?’, antwoordde hij aarzelend. ‘Een geheim hart, waar je al je verlangens verborgen kan houden. Dat alleen aan jezelf toebehoort, en dat je angstvallig dicht bij je bewaart. Een vat waarin begeerte rijpt, bestemd voor die enkelen die het durven aanraken zonder erdoor bedwelmd te raken.’Het werd stil, in zijn handen lag nog steeds het kopje waarvan hij nipte terwijl hij haar woorden savoureerde. Ze sloeg haar blik neer, legde het kussen weg en nam het kopje uit zijn handen. Met een korte tik zette ze het op de salontafel. Ze schoof dichterbij en legde haar hand op zijn dij. Haar andere hand volgde zijn kaaklijn, zijn zachte stoppels prikten. Met haar vingers streek ze over zijn lippen, ze voelden lichtjes droog aan. De vingers vervolgden hun weg, en gleden over zijn hals naar zijn borstkas. ‘Zit het misschien hier?’, fluisterde ze. Ze boog naar hem toe en kuste hem. Ze voelde de kleine barstjes, en vulde ze met haar kostbare begeerte die ze had opgespaard. Hij beantwoordde haar kus en sloeg zijn armen om haar heen. ‘Leer het me’, fluisterde hij. ‘Leer me hoe je dat geheime hart maakt, hoe je het vormt.’‘Het hart ademt, het is soms flinterdun als het fijnste ijslaagje op de eerste winterdagen. Soms is het zwaar en donker maar zacht als fluweel. Het groeit en krimpt, en soms blijven er alleen nog scherven over.’ Haar lippen zochten opnieuw de zijne. ‘Ik denk dat het je moet lukken, dat geheime hart vinden en cultiveren.’ Ze lag in zijn armen, en deinde mee op het ritme van zijn ademhaling. ‘Soms is het ook de zachte regen die de aarde opnieuw vruchtbaar maakt’, zei ze zacht. Het was bij die woorden dat ze besefte dat het stil was buiten. ‘Ik moet gaan’. Ze raakte hem nog één keer aan, en reikte hem zo zijn eerste bouwsteen aan.     

Jolien Van de Velde
228 1

Wat overblijft

Margot rook de haas voordat Pierre hem op de tafel legde. Onder de gewone geur van wild en bloed zat iets zoets dat daar niet hoorde. Ze drukte haar duim in het vlees aan de binnenkant van de achterpoot en wachtte tot de afdruk terugveerde. Dat deed hij niet. "Die gaat niet naar boven." Pierre keek naar het dier alsof het hem persoonlijk teleurgesteld had. "Valère heeft er gisteren nog voor betaald." "Dan heeft Valère gisteren een slechte haas gekocht." Valère deed de boodschappen en hielp in de keuken wanneer er handen tekortkwamen. Ze hield haar vingers onder Pierres neus. Hij trok zijn hoofd weg en nam de haas weer op. "De andere is kleiner." "De andere is goed. Dat is genoeg." Hij grijnsde en verdween naar de voorraadkamer. Margot veegde haar hand aan haar schort af en keek opnieuw naar het blad naast de snijplank. Juffrouw Amélie had het haar de avond voordien gegeven. Bij het eerste lezen had Margot gedacht dat twee maaltijden door elkaar waren geraakt. Potage à la reine. Snoek. Kapoen met kastanjes. Hazenpastei. Duiven. Artisjokken, pastinaken en wortelen met boter. Daarna kaas, peren in wijn en amandeltaart. Onderaan, door een witruimte van de rest gescheiden, stond rijstebrij met kaneel. "De snoek is er." Cécile kwam achterwaarts door de deur met een natte doek tegen haar borst gedrukt. De staart van de vis brak los, raakte een houten kom en stuurde die over de vloer. Pierre probeerde te helpen en kreeg een slag tegen zijn pols. Margot nam de snoek achter de kop, legde hem op de werkbank en bracht hem met één slag tot rust. Cécile wreef over haar arm. "Rotbeest." "Dat vond je buiten nog een mooie vis." Margot zette haar mes onder de buikvin en daarmee begon de dag. Tegen negen uur had de keuken haar ochtendkou verloren. Achteraan trok bouillon uit kalfsbot, kippennekken, rundvlees en groenten. Cécile trok de laatste stoppels uit de kapoen, terwijl Pierre veren opveegde. Margot hield van dit uur, waarin een keuken nog tijd bezat. Later zouden de pannen elkaar op het vuur verdringen en zou boven een bel klinken alsof beneden niets anders bestond dan de hand die eraan trok. Nu kon alles nog worden voorbereid voor het ogenblik waarop het nodig was. Wat uren nodig had, stond al op. Wat sterk rook, bleef weg van melk en boter. Ze sneed de lever van de goede haas in plakken en liet boter schuimen in een kleine pan. Pierre keek onmiddellijk op. "Ik dacht dat jij hout ging halen." "Dat heb ik gedaan." "En toch sta je hier." "Hout ruikt niet zo." Cécile schoof dichterbij. Margot verdeelde de gebakken lever over drie stukken brood van gisteren. Cécile beet te snel en hield haar mond open om de hitte kwijt te raken. Pierre veegde met zijn korst de boter uit de pan. "Waarom krijgen zij dit nooit?" vroeg Cécile. "Omdat jij het opgegeten hebt." "U weet wat ik bedoel." Dat wist Margot. "Er zitten nog stoppels onder de vleugel." Cécile zuchtte en ging weer aan het werk. Vlak voor de middag kwam meneer naar beneden. Margot zag eerst zijn schoenen op de trap en merkte dat ze zijn tred niet meer herkende. Vroeger had ze kunnen horen of hij kwaad was, honger had of onaangekondigd gezelschap meebracht. Nu zette hij zijn voeten voorzichtig neer, alsof iedere trede eerst overtuigd moest worden hem te dragen. Pierre maakte ruimte. Margot ging verder met de kapoen. Meneer keek langs de koperen pannen, de stenen vijzel, de geopende haas en de snoek, en bleef uiteindelijk rusten op de kom waarin Margot de rijst had klaargezet. "Je hebt eraan gedacht." "Het stond op uw lijst." "Met veel kaneel." "Dat stond er niet bij." Hij glimlachte. "Mijn moeder deed er altijd te veel op." Margot duwde de kastanjevulling dieper in de vogel. "De oude mevrouw kwam zelden in de keuken." "Je weet wat ik bedoel. Maak hem zoals toen." Haar vingers bleven een ogenblik stil. "Welke keer?" Hij leek de vraag niet te begrijpen. "Zoals mijn moeder hem liet maken. Je weet hem toch nog?" Margot keek hem aan. Hij was zestig en zij negenenzestig. In haar gedachten bleef hij een kind uit een andere verdieping van hetzelfde huis. "Ja," zei ze. "Ik weet hem nog." "Ik ook." Hij liep terug naar de trap. Margot hoorde zijn stappen verdwijnen en trok de draad waarmee ze de kapoen had dichtgenaaid iets harder aan dan nodig was. Ze was zeventien geweest. Het bericht was 's morgens gekomen, gebracht door een jongen uit haar dorp die zijn muts in beide handen hield terwijl hij vertelde dat haar moeder die nacht gestorven was. De begrafenis zou de volgende ochtend plaatsvinden. Margot had Béatrice gevonden bij het fornuis. De kokkin had geluisterd zonder haar werk neer te leggen. Er waren die avond twaalf mensen aan tafel voor de verjaardag van de oude mevrouw en de keuken liep al achter. Margot mocht gaan, dat had Béatrice gezegd. Ze mocht haar spullen pakken en naar huis lopen. Niemand zou haar tegenhouden. Alleen kon Béatrice niet beloven dat haar plaats er nog zou zijn wanneer ze terugkwam. Er waren meisjes genoeg die een betrekking zochten, en een keuken kon niet wachten tot verdriet voorbij was. Margot was gebleven. Dat deel had ze later vaak anders proberen te herinneren. Soms maakte ze van Béatrice een hardvochtige vrouw die haar eenvoudig verboden had te vertrekken. Maar Béatrice had haar niet gedwongen. Tegen de avond moest ze de rijstebrij maken waar de oude mevrouw van hield. Ze zette melk op het vuur, voegde de rijst toe en roerde terwijl ze probeerde niet te denken aan de kleren waarin haar moeder begraven zou worden. Ze wist niet welke jurk haar zussen gekozen hadden. Ze wist zelfs niet of er genoeg geld was voor kaarsen. Ze merkte de geur te laat. Béatrice rook hem eerder. De kokkin nam de pan van het vuur, stak een lepel door de bovenste laag en schraapte over de bodem. "Proef." Margot wilde zeggen dat ze wist wat er gebeurd was. Béatrice hield haar de lepel voor. De eerste smaak was zoet. Daarna kwam de aangebrande melk, bitter en vuil, een smaak die achter op haar tong bleef hangen. "Nog eens." Margot proefde opnieuw. Béatrice zette de pan weg. "Onthoud eerst de geur. Dan hoef je dit nooit meer te proeven." Meer straf kreeg ze niet. Dat was bijna erger. Margot spoelde de pan uit, goot nieuwe melk in een andere en begon opnieuw. De tweede rijstebrij brandde niet aan. Meneer was toen acht geweest. Hij had er twee kommen van gegeten. "Margot?" Cécile stond met een geschilde peer in haar hand. "De wijn. Hoeveel?" "Tot ze half onderstaan. Daarna water." Cécile pakte een fles. "Niet die. Dat is meneers wijn." Cécile zette hem terug. De rest van de middag liet weinig ruimte voor gedachten. De kapoen werd voor het vuur gehangen. De snoek kreeg boter, wijn en kruiden. De haas verdween onder deeg. De peren kleurden langzaam donkerrood. Toen het tijd werd voor de rijstebrij, nam Margot de kleine sleutel van het koord onder haar schort. Het suikerbrood en de kaneel lagen samen in de voorraadkast. Ze schraapte suiker in een kom en ving met haar duim het gruis op dat naast de kom dreigde te vallen. De kaneel had Valère uit Antwerpen meegebracht; volgens de kruidenier kwam hij van Ceylon. Cécile keek naar de suiker. "Nog een lepel?" Margot knikte. Daarna zette ze de melk op en gaf Cécile de houten lepel. "Niet alleen bovenaan." "Dat doe ik niet." "Je voelt de bodem niet." Margot legde haar hand over die van het meisje en veranderde de hoek van de lepel tot het hout zacht over de bodem schraapte. "Daar." Cécile bewoog langzamer. "Nu voel ik het." Margot liet haar los. "Onthoud dat." Later in de middag kwam Amélie naar beneden. Ze droeg een eenvoudige grijze jurk en geen juwelen. "Wanneer komen de gasten?" "Er komen geen gasten. Vader heeft die twaalf plaatsen zelf gevraagd." Margot draaide de kapoen een kwartslag. Achter Amélie verschenen twee mannen in de gang. De oudste droeg een donkere jas; de jongste had een schrift onder zijn arm. Hij opende de linnenkast en begon servetten te tellen. "Die met het blauwe borduursel horen bij de kleine salon," zei Margot. "Als u alles samen telt, kunt u opnieuw beginnen." De man keek naar Amélie. "Laat hem maar, Margot." Nu zag ze de kleine papieren kaartjes. Eén hing aan de hoge kast, verderop zag ze er nog een aan de klok en een derde aan het marmeren tafeltje. Ze hoefde niet te lezen wat erop stond. Margot schepte vet uit de braadslede en goot het over de kapoen. Ze had de gesloten kamers gezien, de reparaties die niet meer uitgevoerd werden, de wijnkelder die leger bleef dan vroeger. Sinds de zomer werden er minder mensen ontvangen. Ze had ieder teken apart gehouden van het volgende. "Wanneer moet de keuken leeg zijn?" Amélie aarzelde. "We vertrekken overmorgen." "Dat vroeg ik niet." "Overmorgen, Margot." Margot schepte opnieuw vet over de kapoen, hoewel dat niet nodig was. "En sinds wanneer weet u dat?" "Vader heeft in augustus beslist. We wilden eerst alles regelen." Augustus. Margot dacht aan het meel dat ze in september had besteld, de wintervoorraad, de nieuwe pot mosterd. Ze had niet gevraagd waarom er geen hout meer naar de bovenste kamers ging. "Wie eet er?" "Vader, Philippe en zijn vrouw, de kinderen en ik." "Zeven." Margot keek naar de gerechten. De snoek die meneers vader graag had gegeten. De kapoen die de oude mevrouw ieder jaar op haar verjaardag vroeg. De hazenpastei waar Philippe als jongen ziek van was geworden omdat hij er te veel van had gegeten. De peren. De amandeltaart. Vijf lege plaatsen. "Vader wilde nog één keer alles zoals vroeger." Tweeënvijftig jaar had Margot in deze keuken gestaan; de man die de servetten telde had eerder geweten dat het voorbij was dan zij. "Dat kan niet," zei ze. Margot strooide kaneel over de rijstebrij. "Maar hij kan dit krijgen." Amélie vertrok. Margot wachtte tot de deur boven dichtviel. Daarna liep ze naar de wijnkast en haalde de fles die ze Cécile eerder uit handen had genomen. Ze zette vier aardewerken bekers op de werktafel en schonk ze in. Pierre keek naar haar toen de stop loskwam. Valère zei niets. Cécile hield haar handen stil boven de schaal die ze afdroogde. Margot schoof een beker naar Pierre, een naar Valère en een naar Cécile. De vierde hield ze zelf. Niemand hief zijn beker. Margot dronk. Daarna zette ze de halflege fles terug tussen de andere wijn. "De kapoen," zei ze. Pierre draaide zich om naar het vuur. De eerste schalen gingen naar boven terwijl beneden de volgende werden afgewerkt. Gerechten verdwenen en kwamen terug. Boven stonden ze bijeen op tafel voor mensen die konden kiezen; beneden moest wat warm hoorde te zijn warm aankomen en wat luchtig was niet inzakken. Tussen het werk door aten zij. Pierre kreeg de wang van de snoek. Cécile brak brood in het braadvet van de kapoen en duwde Valère opzij toen hij hetzelfde wilde doen. Margot proefde van alles en at nauwelijks. De rijstebrij ging naar boven bij het laatste deel van de maaltijd. Margot had het vel intact gelaten en er nog wat kaneel over gestrooid. Cécile droeg de schaal weg. Toen ze terugkwam, was die bijna leeg. "Meneer heeft twee kommen genomen. Hij zei dat zijn moeder hem precies zo liet maken." Margot nam de schaal. Langs de rand zat nog wat rijstebrij. Ze streek er met haar vinger doorheen en proefde. Melk. Rijst. Suiker. Kaneel. Ze wachtte op de bitterheid van de aangebrande melk. Er kwam niets. "Is er iets mis?" vroeg Cécile. Margot gaf haar de schaal. "Was hem af." Het was na middernacht toen de keuken eindelijk stil werd. Margot had Cécile naar bed gestuurd en de laatste pannen zelf geschrobd. Het vuur liet ze laag branden. In al die jaren had ze de keuken zelden volledig koud achtergelaten; een vuur dat 's nachts bewaard werd, vroeg 's morgens minder werk. Op de tafel lag een stuk brood dat ze die ochtend had afgesneden en vergeten. Ze smeerde er wat gestold braadvet op en at terwijl ze om zich heen keek. Er stond geen deeg voor het ontbijt. Niemand had bonen te weken gezet. Aan de haak bij de achterdeur hing geen bestelling voor melk. De rest van de bouillon stond nog in de pot en voor het eerst had Margot niet bedacht wat ze er morgen mee zou doen. In de voorraadkast stonden meel, gedroogde bonen, uien, zout, mosterd en genoeg kaneel voor de winter. Ze sloot de deur. De sleutel bleef in haar hand liggen voor ze hem weer aan het koord onder haar schort stak. Haar messen zou ze aan Cécile geven. Niet allemaal. Het kleine uitbeenmes hield ze zelf. Het handvat was door de jaren glad geworden. Van haar moeder vond ze eerst alleen dingen terug: een zwarte kookpot, een aardewerken kom met een barst langs de rand, een mes met een hoornen heft. Haar gezicht kwam niet. Margot wist niet meer precies hoe haar haar langs haar slapen had gelegen en zelfs de kleur van haar ogen was ergens in de voorbije halve eeuw verloren geraakt. Ze probeerde harder. Dat hielp niet. Pas toen ze het opgaf, kwam de geur. Ui in reuzel. Margot opende haar ogen. Haar moeder bakte uien wanneer er weinig in huis was. Brood erbij, soms een ei als de kippen gelegd hadden. Margot herinnerde zich niet dat ze het bijzonder lekker had gevonden. Maar ze zag een hand. Een brede duim met een nagel die aan één kant krom groeide. Haar moeder viste altijd het eerste stukje ui uit het vet en gaf het aan haar, veel te heet om meteen te eten. Margot stond op. In de voorraadkast vond ze een kleine ui. Ze zette een pan op het vuur, schepte er reuzel in en wachtte tot het vet helder werd. Daarna sneed ze. Niet dun en gelijkmatig zoals ze het Cécile geleerd had, maar in ongelijke stukken. Een dikke schijf, een dunne, daarna een stuk dat eigenlijk te groot was. Ze wist niet of haar moeder werkelijk zo had gesneden. De ui begon te sissen. Margot schoof de stukken door het vet. De scherpe geur veranderde langzaam terwijl de randen doorschijnend werden en begonnen te kleuren. Toen kwam het. Niet het gezicht van haar moeder, alleen die hand. De kromme nagel was er weer. Ze stak haar hand naar de pan, voelde het vet spatten en trok haar vingers terug. Een lach ontsnapte haar voordat ze wist waarom. Ze nam het kleine uitbeenmes en viste daarmee een stuk ui uit de pan. Even hield ze het voor haar mond. Daarna at ze. Veel te heet.

Dominique80
0 0

Artemis & Orion

Het laatste daglicht verdween uit haar haren. Een frisse bries streelde haar wakker. Door haar halfopen ogen zag ze de maan boven de heuvel uitkomen. Het zilveren licht verspreidde zich over de vallei en bereikte haar nest van zacht, sappig mos, zorgvuldig gevlochten takken en uitgekozen veertjes. Ze ontwaakte in de schaduw van haar dichte woud. Nog even duwde ze zich dieper in het mos. Haar blik bleef bij de maan hangen. Haar maan. Vanavond was ze niet vol. Ze was gekrompen tot een stralende sikkel. Artemis glimlachte zacht. Net genoeg licht viel over de donkere hemel om ook het verborgen deel van de maan zichtbaar te maken. Het stuk waar niemand op lette. Het stuk dat zij zelf het liefst verhuld hield. Ze stond op en baadde in het asgrauwe licht. Ze liet het over haar huid stromen, over haar zachte borsten, langs haar vermoeide armen, naar de warmte onder haar navel. Ze leidde het naar binnen, alsof ze de maan zelf in zich wilde bewaren. Daarna keek ze naar de donkere zijde, die ze koesterde als een zeldzame zwarte parel. Artemis voelde hoe het natte mos aan haar voeten zoog. Ze maakte haar blik los van de hemel en zocht haar boog. Haar vingers gleden over de pees. Ze trilden niet. Maar diep in haar borst rolden wilde golven af en aan. Haar geest daverde, terwijl haar lichaam er roerloos onder bleef. In het schijnsel van de maan tekende het pad naar de open plek zich af. Orion. Haar jager. Hij wachtte. Vanavond nam ze slechts één pijl mee. Al weken kon ze zich niet meer aan haar jacht overgeven. Elke pijl die ze afvuurde, vond haar prooi, maar drong nooit echt door. Nochtans was haar grip rond de boog sterk, en haar blik trefzeker. Ze verwondde slechts. En elke wonde die zij maakte, leek zich ook in haar eigen ziel af te tekenen. Ze speurde opnieuw de hemel af, op zoek naar het donkere deel van de maan. Hij was degene die het in haar had aangeraakt. Hij had iets in haar gezien wat zijzelf zorgvuldig verborgen hield. Hij raakte aan haar mysterie, en sinds hij dat had gedaan, voelde haar ongenaakbaarheid niet langer als kracht. Waar zijn blik haar raakte, leek haar huid te gloeien. Het zilver in haar werd vloeibaar en zakte langzaam naar een brandpunt diep onder haar navel. Meer dan eens had ze haar boog in het mos willen werpen en haar vingers daarheen willen brengen. Maar ze had een eed afgelegd. Ze omklemde de boog steviger. Hij stond al op haar te wachten. Zijn eigen boog lag naast hem in het gras. De pijl lag ernaast, onaangeroerd. Ze stapte op hem af. Hij nam haar vast en kuste haar. In één beweging brak iets open wat eeuwenlang gesloten was gebleven. Een honger die ze niet kende, of misschien veel te goed kende, trok door haar heen. Haar handen sloten zich om zijn hals. Ze hield zich aan hem vast alsof ze daarmee haar voeten op de aarde kon houden. Ze wilde niet langer een hemellichaam zijn. Het maanlicht leek om hen heen te pulseren. Haar onaantastbaarheid gleed van haar af. Hij maakte haar boog los. Ze verzette zich niet, ze stak hem haar laatste pijl toe. De pijl die hem had moeten raken. Ze wandelde enkele passen terug, draaide zich om en keek hem strak aan. Geen van beiden bewoog. Toen trok hij de pees van haar boog strak. Ze voelde hem niet binnendringen. Alleen de slag, diep in haar kolkende kern. De pijl drong niet door, zelfs al had hij haar vol geraakt. Ze wankelde niet. En toen begreep ze het: zij was hem geworden, en hij haar. Orion kwam naar haar toe. Hij nam haar vast en legde zijn hand op haar onderbuik, precies daar waar de warmte al die tijd had gewacht. ‘Orion,’ fluisterde ze, bijna zonder stem, ‘heb ik je dan eindelijk gevonden?’ Hij bracht zijn gezicht naar het hare en kuste haar opnieuw. Dit keer ontloken haar lippen in warmte. Haar adem stokte. Hij trok zich terug en in zijn ogen zag ze iets veranderen. De wonde die hij haar had toegebracht, had ook hem bereikt. Iets wat hij zo lang had verborgen gehouden, kwam naar boven en liet zich niet meer terugduwen. Ze maakte zich van hem los en voor het eerst zagen ze elkaar naakt. Er nestelde zich een broze warmte in hun lichamen. Ze keek naar de pijl die tussen hen in lag en liet haar blik omhoog glijden naar de maan, naar het donkere deel dat zich niet langer verborg. Voor het eerst wist ze niet meer wie van hen beiden de jager was.   

Jolien Van de Velde
250 0