Lezen

Mijn vriendin

Ze hebben een filmpje gemaakt in haar laatste huis. Haar laatste thuis. Zelf staat ze er niet op. Niet meer. Haar vriendin zie ik wel in het filmpje. Wandelend in het bos, zoals wij ook samen deden. Meestal hetzelfde toertje. "Dit is de ring", zei ik dan, als we de auto's aan de rand van het bosje voorbij zagen scheuren. "Ze gaan er nogal vandoor", zei ze altijd. Het is iets om bij stil te staan. Ik zie haar vriendin lachen op het filmpje, zoals ze het vaak samen deden. Zeker die ene keer, toen ma haar tanden kwijt was en haar vriendin de verloren tanden onder het bed zag liggen. Ze schaterden het uit. Zelf hadden we alles afgezocht en binnenstebuiten gekeerd. Onze tanden in de zoektocht gezet. Maar ze waren nergens te bespeuren. God weet hoe ze daar terecht waren gekomen. In het begin kon ze de naam van haar vriendin moeilijk onthouden. "Mijn vriendin is nog hier geweest", zei ze dan. Of: "Ge weet wel, mijn vriendin." We wisten het wel. Och, als het leven een film was, zou er niemand naar de bioscoop gaan. Dan speelden we allemaal de hoofdrol. Wat eigenlijk zo is natuurlijk. Een beeld uit haar persoonlijke film was de voorschoot die ze van 's morgens tot de late namiddag droeg. Dat was in het eerste huis (voor ons, niet voor haar), waar het allemaal begon. Het is een treffend beeld van de moederschoot. Altijd in de weer, dikwijls in de keuken. In de geur zit onze sterkste herinnering. Het zijn vooral haar gebloemde keukenschorten die ik regelmatig in mijn hoofd zie opduiken. Misschien moet ik - als de nostalgische buien niet meer te stoppen zijn - er ook zo eentje aantrekken. Niemand die het weet.  

Rudi Lavreysen
9 0

De Liefde van de Man

Het struint door de dichte mist, blind als een mol. Maar ons heb helder zicht. Ons hoor het riet knikken. Ons voel zijn zuigende stappen in het veen. Ons ruik de stront tussen zijn billen.  Het zet nog een paar stappen. Ons voel het veen veren boven ons hoofd. Laat het verder lopen Aar. Laat het zich veilig voelen. Denken dat alles anders in het moeras net zo blind is als hij. Het kent ons niet. Oh nee, ons kent het nog niet. Het had in zijn hut moeten blijven.  Kom maar bij Aar.   Veen splijt en duwt ons omhoog. Het is niet ver gekomen nog, het gaat in domme rondjes. Zoekt het iets? Het deert niet. Óns zal het vinden. Ons zet een stap in zijn richting. Hard genoeg om ons te horen. Het lijkt het niet te merken. Ons zet nog een stap. Nu schiet het hoofd op van het lange lijf. ‘Is daar iemand? Wat..’ Het blijft staan en tuurt de mist in. Meestal rennen ze nu. Ons ren naar hem toe. Nu schrikt het pas. Het rent weg van ons, zwaaiend met zijn armen. Ons lach een schelle lach, maar de nevel maakt het dof. Met een blaas van ons lippen wijkt de mist.  Het kijkt om en ziet ons.  Ons lach een schelle lach. En pak hem.   Het hoest en maakt stikgeluiden. Ons rol met ons ogen. In het veen houd je je adem in je lijf. Het is zo dom als ons dacht. We storten langs het plafond ons huis in. Ons land plat op de voeten, maar het valt met een plof op de grond. Het ziet paars en ademt niet. Ons stamp een voet op zijn borst. Het buigt krom en hoest stukken grond op. Ons knik. Ons kan beginnen.   Ketel bruist en bubbelt, zoals ons graag zie. Ketel hangt midden in het huis. Hij is het centrum van ons kunst. Ons kreeg hem ooit van ons meesteres. Nee Aar, niet kreeg. Nam. De brouw zwelt al veel wenden. Zij is ook nog daar ergens, meesteres. Ons haal ons neus op en spuug in ketel.  Kook! Rijp! Til ons hoog! Ons roer en neem een lepel van de brouw. Ons loop naar de kooi. Het staat te wankelen op zijn benen. Het wrijft veen van zijn hoofd. Zijn ogen vallen op ons. ‘Ik heb u gevonden… Ik kan het niet geloven.’ Het heeft óns gevonden? Het is te hard gevallen zeker. Ons moet beter opletten volgende keer. ‘Aar? De veenvrouw?’ Ons stop. Het kent ons? Bij naam? ‘Ik.. Ik ben hier voor u!’ Ons denk na. Het deert niet. De wortels van de kooi wijken voor ons. Ons loop naar binnen. Lang is deze. Ons kom tot zijn hart. Maar niets is te groot voor Aar. Ons leg een hand op zijn arm. Het siddert voordat het lam wordt. Ons trek het op zijn knieën en wroet zijn mond open. De brouw glijdt naar binnen. Het biedt geen verzet. Ons laat de grip op zijn keel los om te zien wat het doet. Het drinkt gulzig terwijl het ons aan blijft kijken. Ons staar terug. Wat een vreemde. Ons laat hem. Terwijl ons eten maak en onder een berenhuid kruip klinkt gekerm uit de kooi. Goed. Zo moet het. Ons val in slaap bij dovende vlammen.   ‘Aar? Aar? Waar bent u?’ Ons krabbel terug naar wakker. Hoe lang heb ons geslapen? Te kort voel ons. ‘Aar?’ Het heeft ons wakker gemaakt. Tijd voor snijden. Ons kom bij de kooi, waar het op de knieën zit, zijn handen in elkaar gevouwen. ‘Oh dank u, dank u! Ik was zo alleen.’ Het aarzelt. Zijn voorhoofd druipt zweet van de brouw. ‘Gelooft u me niet? Ik ben hier voor u. Doe met me wat u wilt. Mijn wens is verhoord.’ Ons loop de kooi binnen en leg een hand op zijn arm. ‘Dat is niet nodig, echt.’ Ons doe het toch. Het wordt lam maar ziet en voelt alles. Ons pak zijn bovenste ooglid en snijd het met een nagel los van zijn hoofd. Het stukje vel met een rijtje haren bungelt voor zijn hoofd tussen ons vingers. Ons laat ons grip op hem los. Het ademt scherp in. Bloed stroomt in zijn oog dat nog half dicht kan. Het wrijft bloed weg maar het blijft komen. Het blijft wrijven. Maar het geeft geen kreet. Het slaat zijn ogen neer voor ons en buigt naar voren, als een reu zonder zaadballen. Ons loop weg.   Het vel verdwijnt in ketel. De drank rekt en vouwt zich. Een bel knapt content. Meer is nodig, dat is zeker. Maar het past. Het is wat miste. Een sliert brouw komt uit ketel en geeft het vel terug aan ons. Ons pak het en eet het. Ons proef wat het is dat past. Een onbekende smaak. Zoet, maar anders. Ons loop weer naar de kooi om het eens goed te bekijken. Zodra het ons ziet scharrelt het op de knieën. De kooi is vol schaduw. Ons maak vuur met een vingerknip. Dan maken ze hun monden heel wijd altijd. Ook deze. ‘Mag ik u iets vragen?’ Ons hef ons hand. Het sluit zijn mond en knikt zijn hoofd naar voren. Ons kijk ernaar. Het heeft zijn kleren uitgedaan. Door de hitte van de brouw denk ons. Het is groot, niet alleen lang. Onder het vuil glimt een huid licht als volle maan, en het heeft haren de kleur van stro. Ons breng ons hand omhoog. Het gaat staan. Tussen zijn benen hangt een lange pisser met grote ballen. Het verbergt zich niet zoals de anderen. ‘Kan ik iets voor u doen? Ik ben sterk en kan hard werken.’ Het buigt zijn hoofd wanneer ons naast hem kom staan. Ons pak zijn oor en trek het los van zijn hoofd. Het doet niets. Ons blijf een poosje staan, maar het blijft mak. Terwijl ons wegloop drukt het zijn hand tegen zijn oor.   Strohaar maakt zich nuttig later. Het maakt de vloer effen. Als ons slaap stookt het het vuur op. Het kan koud zijn in het veen. Het biedt me zijn vlees gewillig. Stukken die niet belangrijk zijn voor hem. Een lip. Een teen. Een oog. Als ketel de geest ervan heeft genomen, maakt het zijn eigen vlees klaar in een smakelijk maal. Ons smul ervan. Ons bood het hem aan maar hij wilde niet. Ons heb hem gedwongen. Het werd ziek. Nu eet het wortels. Er is een andere bij gekomen. Het liep in een groep van vijf. Deze gilden wel toen ze ons zagen. Ons koos er één omdat het ons aan Strohaar deed denken. Het zit in de kooi. Strohaar niet, Strohaar ontwijkt het. Wanneer het denkt dat ons het niet kan horen, praat het tegen Strohaar. ‘Broeder ik smeek je, help me hier uit te komen. We moeten haar doden. Er blijft niets van je over!’ Maar Strohaar ruimt en veegt en geeft en slaat er geen acht op. Wanneer ons zijn eerste ooglid los heb gemaakt, schreeuwt en vloekt het, en spuugt naar ons. De kooi knijpt het tot het stil is maar nog ademt. Strohaar ziet ons met het vel met de kleine haren. Het wendt zijn gezicht af maar ons zie zijn oog nat worden. Ketel neemt het vlees. De brouw golft en pakt de geest er uit. Het spuugt het vel uit. Het blijft plakken aan het veendak boven ons. Geen Strohaar, maar goed genoeg.    Ons neem vooral vlees van Geen Strohaar. Voor het slapen laat ons het voor ons dansen. Het doet Strohaar geen genoegen, maar hij kijkt. Hij doet alles voor Aar. Ons geef hem mos om op te liggen, en brouw om sterk te blijven. Als ons ons haren plat strijk maakt hij een groot oog en lacht met zijn blote tanden. Soms wordt zijn pisser groot. Het voelt dan warmer in het veen. Ons ben klaar om een poot te nemen van Geen Strohaar. Het zit weggedoken in een hoek. Ons open de kooi en loop ernaartoe. Het glipt langs ons voor ons het kan pakken. Rustig loop ons erachteraan. Ons hoor een gil en een bons. Strohaar houdt een stuk hout vast en Geen Strohaar ligt op de grond. Ons pak het bij de nek. Dood. Dood heb ons er niets aan. Ons word boos. Óns bepaal over de dood. Alléén Aar! Ons loop naar Strohaar, die het hout laat vallen. ‘Sorry,’ zegt hij. Ons hand schiet naar zijn arm maar stopt er vlak voor. Moet ons dit wel doen? Hij kijkt naar ons. ‘Ik hou van u.’ Ons hand sluit zich om zijn arm. Hij wordt lam. Met meer zorg dan ons dacht in ons te hebben, snijd ons zijn ene poot van zijn lijf, en daarna de andere. Ons geef hem brouw zodat hij niet dood gaat. Ketel neemt de poten gretig. De brouw verkleurt naar rode klei. Het is niet lang meer voor het ons hoog zal tillen. Laag bij de grond stooft Strohaar het vlees van één poot en pekelt het ander. Van het bot maakt hij soep. Ons smul ervan.   Strohaar kruipt naar ons toe. Hij hangt tegen ons been zoals hij doet. ‘Mag ik?’ Hij knikt naar ons schoot. Ons open ons benen. Ons zie alleen zijn haar terwijl hij van ons smul. Erna klimt hij op ons. Hij trekt aan zijn pisser en duwt zijn tanden tegen ons mond. Zacht aait hij ons haar. Dat heeft hij niet eerder gedaan. Ons ben verbaasd eerst. Hij haalt zijn tanden weg en hijgt: ‘Ik hou van je. Ik blijf voor altijd bij je.’ En dan weet ons het. Ons ken dit. Veel wenden geleden, van vóór ketel. Ons haat dit. Ons pak zijn pisser en ballen en trek ze van zijn lijf. Strohaar schreeuwt van schrik. Hij vouwt zijn handen en doet van sorry sorry sorry. Ons vertrek naar boven het veen. Bij nieuwe maan kom ons terug met acht hoofden van de hutten dichtbij. Ons gooi ze op de grond voor Strohaar. Hij heeft er geen oog voor. Hij smeekt ons om weer van hem te houden. Hij kruipt steeds achter ons aan en blijft om ons roepen. Ons kook van binnen, zoals ketel. Ergens weet ons dat Strohaar anders is. Zoet. Maar het is te laat. Ons heb besloten. De kooi pakt Strohaars armen en trekt hem omhoog. Ons kom voor hem staan, ons ben even lang als hem nu. Strohaar kijkt ons aan, water loopt uit zijn oog. ‘M..m..misschien wilt u nu stoppen.’ Óns bepaal! Ons snijd zijn tong los.   Ons heb er een met lang haar gepakt om voor ons te koken en huis te houden. Het kermt de hele dag, vooral als het Strohaar ziet. Hij kan niets meer nu ons ook zijn armen heb genomen. Ons had gehoopt dat het ons zo kon behagen als Strohaar deed. Maar het is niet zoals hij. Ketel deert het niet. Ketel is content. Maar ketel wil nog één ding van Strohaar. Zodat de brouw ons hoog kan tillen. Het lijkt of ons benen in veen blijven hangen als ons naar Strohaar toe loop. Ons kniel bij Strohaar. Hij kijkt naar ons met zijn oog. Blauw als de hemel op een dag zonder mist. ‘Het is bijna over,’ zeg ons. Strohaar heft zijn hoofd. Ons leg ons voorhoofd tegen het zijne. En snijd zijn hart los.   Langhaar komt binnen met een stoof van hart. Het ruikt zoet, maar anders. Terwijl ons eet denk ons aan ketel, midden in ons huis. De brouw is klaar. Zoveel wenden werk ons al daarvoor. Maar al wat ons wil proeven is het zoete hart van Strohaar. Ons tuur in de stoof. Water loopt uit mijn ogen.

Wet OpDeWalle
4 0

Het dorp waarin wij leven

In een cafeetje in het midden van het dorp waarin wij leven, zitten wij. Je vraagt me op te staan. Je kijkt me aan terwijl ik zonder woorden vraag naar het waarom. Ik doe wat je me opdraagt en je vraagt of je al mijn zorgen weg mag nemen. Al mijn leemten, al mijn pijn. Dat mag je niet, zeg ik, het moet er zijn. Nog wat wijn? Ik knik de barman ja, mijn glas stroomt vol. Even snel terug leeg zoals een plas op straat, opgezogen door een uit het niets oprukkende, drukkende hitte. Ik kus je welterusten, loop de deur door en verdwijn in de smoor van de opkomende ochtend. Eén, twee, drie, nee. Zo snel kun je me niet bereiken, dat is goed. Er is geen VTM, er is geen gsm, laat staan smartphones. Je stuurt brieven. Ons geduld wordt op de proef gesteld, maar er is ruimte. Geduld wordt geduldig geduld. Verveling hoeft niet te worden opgevuld door een eindeloze stroom aan woorden. De buis is grijs, er is niets op - wat een geluk. Mocht er eindeloos veel op zijn, het was nooit meer stil. Hoe zouden we kunnen denken? Stil is het. Ik aai de hond vanuit mijn hurkje. Tot plots de telefoon roept vanop het krukje naast de buis. Ik veer op, neer, op. Hallo? Ah, toch iemand thuis! Wat een plezier je stem te horen. We praten, we verhalen, laten de tijd in zinnen verdwalen, dwalen af en komen terug. Tot straks, tot straks, tot vlug. Vier uur, de hoorn ligt terug neer. De omgeving maant me aan te nietsen. Ik staar voor me uit en ga op wandel in mijn diepten. Aan de ingang van de zaal roep ik jouw naam door het kabaal heen. Je baant je een weg door al het volk en begroet me hallo, hey. Alles goed met mij, met jou? In de hoek staat een jongen met een toestel in zijn hand. Zijn rolletje bevrijdt hem enkel momenten van betekenis vast te leggen. We dansen en we springen, we zingen mee met de muziek. We maken ons geen zorgen, morgen weet niemand wat wij deden, wie wij waren hier en nu. We verlaten het bonzen van de bassen, we laten ons verrassen door wat nog komen gaat. De nacht behoort ons toe. De diepste gesprekken spreken in het diepste diep van nachten en we luisteren. Een gesprek van jou en mij is enkel van mij en jou. Er vallen stiltes en dat mag, laten we luisteren. We zitten naast elkaar, we luisteren. De koude trekt aan onze armen, tijd om te verwarmen. We kennen zoveel plaatsten, we gaan terug naar wat we kennen. In een cafeetje in het midden van het dorp waarin wij leven, zitten wij.

Dolomar
5 0

Na de duik

Net na het verlaten van de départementale 784 rijden we via een smalle weg naar onze vakantiebestemming. De meeste namen van de dorpjes die wij doorkruisen beginnen met ‘Ker’.  In het Bretons betekent het  ‘bewoonde plaats’. Het gehuurde vakantiehuisje ligt in een nieuwgebouwde wijk met een tiental woningen, iets buiten een ‘Ker’-plaatsje. Achter de huizengroep leidt een lange zandweg door een heuvelachtig ruig landschap naar een breed strand.Het huisje is kraaknet en ruikt nog naar nieuw. Volgens het verhuurkantoor zijn we pas de vierde familie die er intrekt. Er zijn drie slaapkamers. Beide dochters hebben ieder hun kamer, een extra garantie voor de nachtrust. Terwijl vrouwlief haar garderobe uitpakt en in de kast hangt,  vind ik in het nachtkastje naast ons bed een stationsromannetje in de Franse taal ‘Une valise mystérieuse à la gare Montparnasse’. Wanneer ik het boekje terugleg, valt er een handgeschreven blad uit met de boodschap: ‘Méfiez-vous de l’homme des caves’ (Hoed u voor de man uit de holen). Op de achterkant staat een plattegrond getekend. Ik stop het blad in mijn broekzak en haal mijn spullen uit de reiskoffer.Nog voor mijn huisgenoten zijn opgestaan, trek ik de volgende morgen mijn joggingpak en loopschoenen aan. Ik gris nog snel een handdoek mee en ren richting zee.In de vakantiefolder had men het over het smaragdkleurige water. Het klopt volledig. Dit is onweerstaanbaar. In een wip sta ik in adamskostuum en neem een duik. Heerlijk!  Op een lange strook kiezelstenen laat ik mij drogen in de ochtendzon en merk op enkele honderden meters een dobberend vissersbootje.  Ik voel mij bekeken maar niet vanaf het bootje. Wanneer ik mij omdraai, zie ik tussen de wilde begroeiing naast de toegangsweg een figuur wegduiken.Ik kleed mij aan, loop nieuwsgierig maar behoedzaam  naar de plek tussen de struiken en vind een hol waarin etensresten en een deken liggen.Het weer slaat plots om, de zee wordt woeliger, het vissersbootje is verdwenen. Ik loop terug naar het vakantiehuisje. De deur staat wijdopen. Ik kom op adem want het ruikt er naar verse koffie. In huis is niemand meer aanwezig …  

Vic de Bourg
7 3

Buikdansers

—Ze wordt moe van wakker worden alleen. Zegt ze. Ze beweegt niet in de zin dat haar voeten verankerd zijn als het schip van de eeuw na de storm van de eeuw op de bodem van een oceaan ergens die we samen bezochten, een beetje blasé omdat we wel weten wat voor zang er uit het koraal opstijgt; ze wrijft een beetje over haar buik, wiegt wat heen en weer vanuit weerwillige heupen die weerwillige schouders tegenwerken. Ze gaat nergens heen. Ook zo gebleven, ziet ze er knap uit op die idiosyncratische manier die iedereen tegenwoordig op prijs lijkt te stellen als reactie op wat een klassieke schoonheid heet. Ze zijn eigenlijk maar vrienden. —Welk boek is het? wil Rambo weten.Ze heeft nog niet gekeken, heeft geprobeerd door de spleet in de gordijnen naar buiten te kijken, niet om te ontwijken wat daar in bed ligt, maar om te weten te komen of het weer er wel bij past, bij de hele situatie. Alsof de situatie haar heeft doen vergeten dat de zon schijnt. Ze houdt echter van dat soort overeenkomsten, zo goed kent hij haar wel. De taal van de wereld moet op z’n minst de taal van de doden spreken, wanneer ze sterven. Zou ze zeggen mocht hij er een opmerking over maken. Ze stapt om de twijfelaar heen, bukt zich, deels omwille van het schuin aflopende plafond en haar hoofd niet te stoten, deels omwille van het boek dat daar half een gezicht afdekt. Ze weten al wel wiens lijk het is. Voor ze de titel leest, vraagt ze of het ertoe doet. —Welk boek het is?—Welk boek het is.Rambo ontwijkt haar blik, kijkt de kamer rond. Er liggen boeken, overal. Op de grond, in kasten, op rekken, in een zetel waar hij ooit nog dronken in slaap sukkelde. Dromen onthoudt hij niet, daarom weet hij dat zijn leven een nachtmerrie moet zijn. Voor zijn part mocht het buiten sneeuwen, het maakte hem geen verschil, hoe de wereld op zijn kop viel. —Ik neem aan van niet. Zegt hij.Lucine schuift het boek naar beneden alsof het om een Arabisch mondmasker gaat. —Boeken, zegt ze, verhullen evenveel als dat wat de mond wil zeggen. Een bleke blauwe baard toont zich, livor mortis. —Piraat, dan toch. Rambo Dendermans kijkt Lucine Vertrappen aan. —Zwaar boek.Ze begint erin te bladeren, stopt en keert terug naar de opengeslagen pagina’s. Rambo trekt de gordijnen open. Hij hoort haar niet lezen. Hij ziet het braakliggende veld niet liggen. Ergens weet hij dat ze, de straat, de buurt, de gemeente, er plannen voor hebben. Een hondenpark. Een speeltuin. Een bloemenwei. Hij heeft er nog niet op kunnen stemmen, weet niet of hij er wel een mening over heeft. —Een zwembad, zegt hij, met een glijbaan, een hoge springplank voor het diepe eind en waterkanonnen aan de rand van het ondiepe. Misschien met een schat begraven onder het zand van een strandvolley-veld. Een hotdog-kraam die overleeft op de verkoop van softijs alleen. Overal parasollen. —Forever Overhead, zegt Lucine.Buiten begint het te regenen. Dat vindt ze passen. Rambo veronderstelt dat de levenden soms ook krijgen wat ze willen, misschien enkel wanneer het samenvalt met wat de doden willen. En Blauwbaard hield van storm, vooral wanneer die nog maar net, geurig, in de lucht hing. Misschien was hij nu net ontevreden. Lucine gaat met het boek op de buik op de rand van het bed zitten glimlachen. Wat anders zou ze doen?           (note to self: een afleiding, zou me eigenlijk moeten focussen op dat andere.)  

Bas Tuurder
19 0
Tip

Zien is weten

[Let op, deze tekst gaat over seksueel misbruik.] Zien is weten Hij had een erectie. Verdomme, hij had een erectie! Neen, het was niet het eerste dat ik zag, misschien wel het laatste. En ik kende die erectie zo goed… God, ik had hem in mijn mond gehad, en hij vond het fijn? Hij vond het toch fijn? Dat hoorde ik toch aan zijn gehijg en gekreun? Ja, ik kende er ieder plekje van. Het eerste wat ik zag, was mijn dochter. Niet naakt, dat niet. Tussen zijn benen, dat wel. En zijn hand onder haar rokje, dat heb ik me niet verbeeld. Ik heb dat toch niet verbeeld? Zijn hand onder haar rokje. Ze leek het niet zo heel erg te vinden. Wel een beetje ongemakkelijk, alsof ze instinctief wist dat het tonen van je erectie niet op het curriculum van een vader stond. Ik sloeg de deur dicht, alsof niet hij net met zijn gore handen aan mijn dochter had gezeten, maar ik hem op masturberen had betrapt. Zijn hand onder haar rokje. Haar blik van ongemak, een heel klein beetje schaamte. Dat vergeet een moeder niet. Nooit. Hijgend stond ik voor de deur, alsof ik degene met een erectie was. Maar ik had geen erectie. Verre van! Al het bloed stroomde uit mijn hoofd, en ik moest lijkbleek zijn geweest. Daar stond ik met een nietsziende blik op die deur gericht, waar ik net mijn kind… met haar vader… haar vader! Nog geen minuut later ging de deur open. Hij was gekleed nu. De bubbel in zijn broek was nog net te zien. “Schat, het is niet wat je denkt!” Zeggen ze dat niet allemaal, wanneer het juist wel is wat je denkt? Als ze met een ander in bed liggen te flikflooien: “Het is niet wat je denkt!” Als ze al kussend een hotel binnenstappen: “Het is niet wat je denkt.” Als je ze hand in hand op straat betrapt: “Het is niet wat je denkt!” En al die dingen die niet zijn wat ik denk, hadden mij voor mijn huwelijk doen vechten. Maar niet dit. Niet dit. Ik zei niets. Ik staarde naar zijn borst, niet eens naar zijn gezicht. En kon alleen maar denken: mijn kind… met haar vader! Haar vader! “Ik gaf haar gewoon wat voorlichting… Daar had ze om gevraagd… En het is wat uit de hand gelopen.” “Uit de hand gelopen,” lalde ik hem apathisch na. Hoe kan zoiets uit de hand lopen? Met je eigen kind? Je eigen kind dat nog geen tien is: “Hier, kijk wat ik krijg van jou. Wil je het even aanraken?” Zo uit de hand gelopen? Ik probeerde me te herpakken, omwille van mijn dochter… Nu, nu echt, moest ik haar moeder zijn. Ik richtte mijn ogen naar mijn kind dat wat ongemakkelijk midden in de kamer stond, haar handen vroom tegen haar kruis, haar blik gericht naar haar voeten die schuin naar elkaar toe stonden. Alsof ze straf verwachtte. “Schat, ga naar je kamer alsjeblieft,” ik zei het zo zacht, dat het amper hoorbaar was. Ik wou vooral niet de indruk wekken dat ik boos was. Boos op haar. Ik was niet boos. Niet op haar. En eigenlijk ook niet op hem. Maar op dat moment was ook alle liefde die ik ooit voor hem had gevoeld, verdwenen. Ik voelde een intense haat, alsof ik misbruikt werd. Zoals ik het altijd had gevoeld voor iedereen die met zijn handen aan kinderen zat. Ik had nooit gedacht dat ik er één in huis had genomen. Ik boorde mijn ogen in de zijne. “Hoe lang is dat al bezig?” “Schat, er is niets bezig… Het is gewoon een misverstand.” Een misverstand? Ik had net mijn man betrapt, halfnaakt, en niet het juiste deel was naakt, met mijn kind - ik kon niet langer denken in termen van ons kind – maar dat was een misverstand. Wat was een misverstand? Zijn erectie, of zijn hand onder haar rokje? “Ik wil dat je gaat,” ik zei het zo kalm en zo koud, dat er wel ijspegels aan mijn lippen konden blijven kleven, maar als hij niet zou gaan, als hij zou tegenstribbelen, als hij ook maar zijn hand zou uitstrekken om mij aan te raken, dan zou ik hem vermoorden. Vermoorden, desnoods met mijn blote handen. Zijn huid van zijn lichaam krassen, alsof hij een konijn was dat ik vilde. “Schat…” Ik huilde. Ik had het eerst niet door. Maar toen voelde ik dat mijn kaken doorweekt waren. “Ga!” zei ik. Luider nu. Wanhopig bijna. Ik weet niet wat hij zag, maar hij stribbelde niet tegen. Mijn blik verroerde zich niet, terwijl ik hem de trap hoorde afdreunen naar beneden. Ik staarde naar de stoel in zijn kantoor. De stoel waarop het was gebeurd. Waar zo-even zijn erectie tentoon werd gesteld aan mijn kind, die nog geen erectie in levende lijve te zien moest krijgen, en al zeker niet van haar vader, een man van vijfendertig. We hadden die kamer samen ingericht. We hadden eigenlijk een groot huis. Vier slaapkamers, met twee kinderen... zou hij aan Anne, van zeven, ook? Ik mocht er niet aan denken. We hadden hem samen geschilderd. In het bruin. Hij wilde een echte mancave, met een lederen fauteuil, een tv, een computer, een eikenhouten bureau en lederen bureauzetel. Ik zou hem in die tijd, en eigenlijk tot vijf minuten geleden, alles gegeven hebben, alles vergeven hebben. We hadden na het schilderen in deze kamer gevreeën. In deze kamer had hij mij zijn erectie getoond. Of liever: ik had hem zelf uit zijn broek gehaald. Zou hij dat aan mijn dochter ook gevraagd hebben: “Net als je mama”? Ik rookte al bijna tien jaar niet meer, maar op dat moment had ik een peuk goed kunnen gebruiken. Ik moest denken aan de eerste keer dat ik hem had ontmoet. Hij was leerkracht geweest in de basisschool waar ik stage ging lopen. Hij was niet veel ouder dan ik, maar wel al afgestudeerd. Ik werd verliefd op de manier waarop hij met de kinderen omging: eindeloos geduldig was hij, en alles konden ze aan hem vragen. Toen dacht ik: zo’n leerkracht wil ik ook worden, een baken van hoop voor de kinderen… Een steunpilaar, die hen altijd serieus zou nemen, wat ze ook te vertellen hadden. En dat werd ik ook. Zijn vrouw werd ik twee jaar later. Het geduld dat hij met de kinderen had, had hij ook met mij, want ik kan best wel irritant zijn. Ik kon me geen betere vader voor mijn kinderen indenken. Heel dat beeld was nu niet meer dan een sprookje van lang geleden. Hoeveel kinderen? Hoe vaak? Ik zag hem niet langer als een zorgzame leerkracht, liefdevolle vader. Ik zag hem als een roofdier, op zoek naar een prooi. Een wolf in schaapskleren. Ik snikte nu. Ook dat had ik in het begin niet door. Maar toen hoorde ik mezelf. En ik maande me meteen aan te stoppen. Ik had geen tijd voor verdriet, of angst, of voor welke emotie dan ook. Nu moest ik er zijn voor mijn dochter. Mijn dochter van negen… Die net de erectie van haar vader had gezien. Zijn handen had gevoeld. Hoe moest ik dit in godsnaam aan haar uitleggen? Ik nam gulzig adem en veegde mijn wangen droog, alvorens ik naar haar kamer slenterde. Ze zat op het bed, bijna zoals ze in de kamer had gestaan: haar handen zedig gevouwen op haar schoot, haar voeten naar elkaar toe, haar blik daarop gericht. Ze had een wit jurkje aan, die afgewerkt was met kant. Ze knarste haar tanden, ik zag het aan de beweging van haar mond. “Het spijt me, mama.”

Malakh Ahavah
71 3

In het spoor van verwondering

"Snel, klauter omhoog.” kirde ze. Enthousiast bewoog ze en wees, op een manier dat ze niet naar beneden tuimelde. Ze leidde enkel met haar scherpzinnige blikken en handgebaren haar broer de weg naar de top. Die bereikte hij verbazingwekkend snel voor een zevenjarig ukkie. Hij zette zich voorzichtig naast zijn zus neer. Hoog verstopt in de toppen zaten ze veilig, leunend tegen de ruwe stam van de zomereik. Reikhalzend tuurden ze over de boomkruinen, naar het uitgestrekte landschap dat zich voor hun ogen kenbaar maakte. Het betoverde hen. “Welke geheimen verbergt dit allemaal?”, dacht Simon bedeesd, al speelde er een kleine grijns om zijn lippen, die volledig wees op een naderend avontuur. Hasse liet haar blik meevoeren, mee met de pikzwarte raaf, die zich loom liet meedrijven op de warme luchtstroom. Het vloog haast tegen de late zomerzon aan, maakte haar kinderlijke fantasie haar wijs. “Psst!”, een hand zwaaide voor haar ogen. Simon haalde haar uit haar dagdromen. “Hasse, kijk.”, fluisterde hij haar toe, zijn pientere ogen straalden.  Simon wees trillend van opwinding naar een plek vlak onder hen. Hasse’s ogen scanden de dichtbegroeide omgeving en reikten naar de open vlakte verderop. Rechts van haar zag ze een frivool fladderende vlinder. Een bont zandoogje, wist ze. Het vloog lustig in het rond, tot het landde verder weg.  Toen zag ze het. Simon’s ogen kleurden in allerlei tinten, vol verwondering. Daar liep het. Een schim, struinend doorheen de bomen, geen acht werpend op de twee mensenkinderen hoog verstopt in het nog dunne bladerdek. Het wurmde zich elegant door de lage begroeiing. Doorheen de duinen versnelde het van tempo. Alsof het zich haastte om de laatste toegangspoort die de weg tussen land en zee scheidde te bereiken. Sporen waren het enige wat het achterliet, ook al verdwenen deze al even snel als ze achtergelaten werden. De scherpe zeewind kende geen genade en nam alles wat op haar pad kwam met zich mee. Als een wervelwind belicht door de al laagstaande avondzon stuwde het de schim vooruit. Dat gaf het een verbazingwekkende kracht, of zo leek het toch voor Hasse en Simon. Of gaf het hen juist moed? Hasse zag hoe haar anders zo voorzichtige broer haast als een zwaluw naar beneden vloog. Een donkerbruine bos krullen was het laatste wat ze van hem zag. “Simon, wacht toch!”, maakte ze haar boos.  Met een laatste blik naar de hemel gericht, zag ze hoe een buizerd hoog boven haar zweefde. Het was alsof de roofvogel haar het vertrouwen gaf dat ze juist in dit onzekere moment nodig had. Met een lynx-achtige sprong, waarvan ze zelf niet wist dat ze deze bezat, landde ze op de zanderige ondergrond. Ze rende en rende, door de duinen die haar stevig vertraagden. Toch, was ze sneller dan ze ooit had durven dromen. Simon rende vrolijk verder. Hij had een doel, even vergat hij zelfs dat hij een zus had. Tot ze lachend en brutaal grijnzend hem voorbij stormde.   “Ik ben sneller, haha. Bedankt om me te vergeten.”, lichtjes nijdig stak ze haar tong uit en weg was ze. Simon remde zijn snelheid af en staarde licht beteuterd voor zich uit. Hij zag nog net hoe een paar stevige kuiten de heuvelachtige duin omhoog renden. “Pfff.”, hij wiebelde en viel. Een tapijt van lamsoor ving hem op. Met een knikje bedankte hij de zoutminners in stilte.  Eénmaal de top van de torenhoge duin bereikt, zag hij zijn zus rustig en dromerig voor zich uit staren. Puffend kwam hij tot bij haar en ze gebood hem om naast haar te komen zitten, zonder haar blik af te wenden van datgene wat Simon niet meer opmerkte. Tot hij keek en zag.  De schim liep op een draf langs de kustlijn. Het liep synchroon met de gloeiende zon, die verdween in de golven van de kalme zee. Ook al kwam de zeespiegel hoger dan ooit en hielden de dijken voorlopig stand, deze twee kinderen die opgegroeid waren in de buurt van het Zwin Landschapspark waren gewend aan de extremen waar ze werden aan blootgesteld. Toch, wie goed keek, zag in de verte - en overal - tekenen van een duurzame vooruitgang en ook vandaag, liet de biodiversiteit het niet afweten. Broer en zus zaten zo een hele tijd, naast elkaar leunend, tot de schim enkel nog maar een vage vlek was. Het donker viel, de sterren kwamen op en zij waren verzonken in het moment en in de gedachte dat wat ze vandaag hadden meegemaakt wel heel bijzonder was.

Zonsondergangdromen
22 0

De waarheid: Hoe de Tip Van De Week van M. De Ridder over MCH tot stand kwam

Ianthe wreef in haar ogen, gaapte naar een griet in rode lange jas die voor haar verscheen, staarde naar de witte bloemen in haar haar, glimlachte zuinig, zag dat het bloemenmeisje naar de vrije stoel aan haar tafeltje wees en nam schuifelend plaats. Wat doet een bloemennimf in Café Sport? ‘Ik ben Marjan,’ zei ze met een stem als een boterbloem. ‘Marjan De Ridder. Ik ben dichter -slash- rapper, schrijver, illustrator en leerkracht.’ Ianthe schudde haar hand, een hand met op de nagels bloemetjes getekend. Nagelillustraties? Een klasjufje dus. Wat moest die van haar? Ianthe zei niets en liet de hand met de bloemennagels los. ‘Je vraagt je waarschijnlijk af, wat ik hier kom doen? En waarom ik naar jou vroeg?’  Asjemenou, een helderziende dichter -slash- rapper! Ianthe kon een zucht door haar tanden niet onderdrukken. Ze keek Café Sport rond, zag geen bekenden en bracht haar hoofd dichter bij Marjan. ‘Mevrouw De Ridder, dichter -slash- rapper, waar kan ik jou mee helpen, want dat doe ik graag als altruïst -slash- Wereldverbeteraarster. Wist je dat er mensen zijn die beweren dat altruïsme niet bestaat? Dat anderen helpen, de straat oversteken bijvoorbeeld, puur egoïsme is? Maar dat is niet waar, mensen streven niet het puur maximale na, ze laten graag nog iets over voor anderen.’ Marjan leek even van haar stuk, herpakte zich, haalde een A4-tje uit haar aktetas en schoof het op tafel, richting Ianthe. ‘Lees dit,’ zei ze dwingend. “Wie is er gek? of One step d'r out!' van MCH” stond als titel gedrukt. Wie is er niet gek, dacht Ianthe. ‘Je moet mij helpen,’ zei Marjan, ‘ik zit helemaal vast. Ik hoorde van de redactie van AZF dat jij hier expert in bent. Ghostwriter zelfs.’ ‘AZF… die klotebende, rotmongolen,’ mompelde Ianthe. ‘Ben ik mee gestopt,’ herpakte ze zich, ‘bracht niets op.’ ‘Ik heb geld, veel geld,’ zei Marjan. Ianthe trok een wenkbrauw op. Veel geld? Als leerkrachtje zeker, dacht Ianthe, met nagels illustreren zal het ook niet binnenstromen.  ‘Ik geef je tweeduizend als je een recensie over dit topstukje schrijft.’ Dit wijf is gek, dacht Ianthe, tweeduizend lire? Of roebels? Kusjes? Ze is niet mis, misschien een trio met Alberto? Werkt ze als lichtekooi? Daarom zoveel geld? ‘Euro?’ vroeg Ianthe. ‘Wat anders?’ Dit wijf meende het. ‘Voor een paar lijntjes?’ Misschien bedoelt ze drugs? ‘Ianthe, het is een meesterwerk. En van MCH!’  Who the fuck is MCH, dacht Ianthe? Dit kind snuift lijm, of flipt van de boterkoekjes. ‘Doe je het?’ vroeg ze smekend, met lippen als een eend. Smeken als een eend? Duckface flowergirl kent de poses niet. Gelukkig waant ze zich geen actrice. Ik laat deze malloot vooraf betalen, dacht ze. ‘Isgoe,’ zei Ianthe, ‘het verlangen om goed te doen, de drang naar juiste kennis en de zoektocht naar schoonheid is voor mij belangrijk.’ Tweeduizend flappen ook, dacht ze. ‘Oh, kan je vooraf betalen? Handje contantje?’ Marjan De Ridder haalde vier briefjes van vijfhonderd uit haar portemonnee alsof het briefjes van vijf euro waren. Mevrouw De Ridder is loaded! Ianthe nam de briefjes aan, plooide ze in vier en stak ze in haar decolleté.  ‘Deal! Je topstukje krijgt een recensie van jouw hand, enfin de mijne, maar in jouw naam. Had je al iets bedacht?’ Marjan nam een tweede vel papier uit haar tas en legde het bovenop het eerste. ‘Nog niet veel,’ zei ze blozend. “One step beyond. MCH kopt in het kortverhaal “Wie is er gek? Of One step d’r out” meteen binnen met impressies van een verhouding tussen huurder en verhuurder.” ‘Niet slecht,’ mompelde Ianthe, ‘helemaal niet slecht.’ Ze schraapte haar keel. ‘Ik snap waarom je mij verzocht. Deze openingszin is loos, platjes, droog, niet fleurig, zou jij moeten weten, met je bloemetjes in je haar.’ ‘Ik weet het Ianthe, het mist bloemetjes.’ ‘Precies,’ zei Ianthe smalend, ‘impressies is te gewoontjes, maak er sfeerische impressies van, dat verstaat geen kat, maar toont dat jij niet gewoontjes bent, speciaal bent, dat je niet gewoon een dichter bent, of een rapper, maar een dichter -slash- rapper, begrijp je?’ De bloemen op haar kop knikten. ‘Zelfde probleem met verhouding, enfin, omgekeerde probleem, dat woord is te zwaar, te heftig, heeft iets nodig, iets zachter, bijvoorbeeld banaal, maak er banale verhouding van en je openingszin is af.’ ‘Wow,’ zei Marjan, ‘ze overdreven niet.’ ‘Die losers van AZF?’ vroeg Ianthe, dacht aan de tweeduizend op haar tieten en las de tweede zin. “Elke zin is een vuist.”  ‘Serieus, mevrouw de Ridder?’ zei Ianthe. ‘Dit lukt misschien in het eerste leerjaar, of geef je les in de peuterklas? Zinnen in een recensie verdienen lengte. Doe bijvoorbeeld volgende.’ Ianthe schrapte vuist, verving het door gebalde vuist en vulde de zin aan zodat ie klonk als een klepel: “Elke zin is een gebalde vuist in een aanslepende ruzie tussen de twee hoofdpersonages.” ‘En dat kan jij zonder de tekst gelezen te hebben?’ schrok Marjan. Ianthe haalde haar schouders op. Ik kan alles voor tweeduizend ballen, dacht ze. Meer had Marjan niet.  ‘Dus zover zat je?’ vroeg Ianthe nodeloos, meer om haar belang te onderstrepen, te benadrukken dat ze die tweeduizend waard was. ‘Hier zit ik vast,’ zei Marjan. ‘Het is een kortverhaal, juist?’ zei Ianthe. ‘Dus het is een verhaal, maar toch is er ruimte, en omdat er te weinig gezegd wordt, weet de lezer niet alles, juist?’ Marjan knikte instemmend. ‘En er is conflict, dat is er altijd? In een tijdspanne?’ ‘Weet ik niet,’ zei Marjan. ‘Doet er niet toe,’ zei Ianthe, ‘wat denk je van volgende: “Het kortverhaal is compleet maar laat ruimte voor mijmeren, laat de lezer twijfelen over wie of wat nu de meeste olie op het vuur gooit. In enkele zinnen toont de schrijver hoe waanzin in de mentale toestand van beide betrokkenen sluipt. Doordat de schrijver verschillende highlights in de week van de figuren opgooit en handige schijnbewegingen maakt in de tijd-ruimte interpretaties doorheen het verhaal krijgt de eigenlijke inhoud van de verhaallijn nog meer gewicht.” Marjans mond viel open. Ze staarde naar Ianthe al zag ze een geest verrijzen, op de muur kloppen en driemaal naar de wc gaan zonder doorspoelen. ‘Die MCH,’ zei Ianthe toen Marjan bijgekomen was, ‘heeft hij iets van een eigennaam gebruikt?’ ‘Madness, dacht ik,’ zei Marjan. ‘Madness?’ herhaalde Ianthe. ‘Dacht ik toch, wacht, check de tekst.’ Marjan greep het blad onder het vel papier waar Ianthe op schreef. ‘Niet nodig,’ zei Ianthe en hield haar tegen. ‘Madness will do.’ Ze schreef verder: “Toch weten we niet wie Madness is en of de gekte in het huis zit, in het hoofd van de verteller, de sfeer of de personages. De woorden hebben nog laagjes.” Laagjes, dacht Ianthe, dat werkt altijd. Toujours, dacht ze, een Frans of Engelstalig woordje gebruiken, dat werkt ook altijd. Maar is misschien hier niet nodig. Het is een ijzersterke tekst, vond Marjan. Dan mag dat nog eens gezegd. ‘Viel er je nog iets bijzonders op, aan die tekst, bedoel ik, niet aan het leven in het algemeen, of aan de stand van de maan, of aan hoe hier in café Sport de mannen scheef aan de toog hangen.’ Marjan keek naar de mannen aan de toog, likte haar lippen en tuurde opnieuw naar het blad waar Ianthe zo meteen nog een zin op zou kliederen. ‘Wel, euh,’ stamelde Marjan, ‘eigenlijk wel. Ik begreep niet goed waarom MCH op het einde er plots twee andere figuren bijsleurde. Dat leek me overbodig.’ ‘Overbodig,’ herhaalde Ianthe, ‘daar kunnen we wat mee.’ “Wanneer de schrijver dan op de valreep nog twee extra personages introduceert, klikken alle zinnen in een context en krijgt de lezer pas een resoluut besluit op zijn bord.” Ianthe las de recensiezin voor en Marjan lachte hardop, als een manische patiënt die te horen kreeg dat er nieuwe pillen uitgevonden werden, en dat zij als testcase uitgekozen werd. ‘Prachtig,’ siste Marjan. ‘Waarlijk prachtig, echt prachtig, zeer prachtig.’ Voor een dichter -slash- rapper toch arm van woordenschat, dacht Ianthe. Ach wat, rijk met geld, niets dat met euro's niet opgelost kan worden. Essentie vinden, daar kwam het nu op aan. ‘In drie woorden, Marjan, waar gaat dit stuk over?’ vroeg Ianthe. ‘Drie woorden?’ De bloemen in haar haar leken te verwelken, drooggezet door de moeilijke taak. ‘Of vier, maar niet meer, gewoon wat is de essentie, als er al een is, want essentieschrijvers, dat vind je niet veel meer, en al zeker niet op AZF. Je vond dat verhaaltje toch daar? Of heb je stiekem het uitgeknipt van een echte literatuursite? Alhoewel, met die start: One step beyond.’ Ianthe gniffelde even, tokkelde met haar vingers op de tafel als waren de vingers astronauten die de maanlanding oefenden, schraapte haar keel en herhaalde haar vraag. ‘Drie à vier woordjes dus, Marjan, over dit topstukje.’ ‘Goh,’ zei Marjan, ‘iets over een dakappartement en dat die kerel rare dingen doet om geen lawaai te maken en met een oud wijf die hem weg wil of zo.’ Tellen geeft ze niet, dacht Ianthe. Een, twee, drie, vier, hoedje van, hoedje van. Spuwt dat kind hier zowaar de langste zin uit in het hele gesprek, terwijl duidelijk drie á vier woorden gevraagd werden. Die leraresjes luisteren niet. Of verzon ze dat lerares zijn ook op haar cv? Schrijver en illustrator, dat is iedereen met een pen en papier. Maar moet je voor lerares geen opleiding genieten? Is dat geen beschermd beroep? Zou het wel moeten zijn, vond Ianthe. Voor de toekomst van de kinderen, en dergelijke. ‘Let op,’ zei Ianthe, schreef en las daarna voor: “Dit verhaal klimt tot in de nokjes van een fantastisch-realistisch studioappartement, vernielt de onschuld van oma’s en verkent de mentaal ongezonde compromissen die vaak voorkomen in een ongelijke machtsrelatie. De schrijver doet dit op zo een vrije en amusante manier dat ik het flitsverhaal graag zou zien doorgroeien tot een novelle of roman.” ‘Tot een novelle of roman?’ vroeg Marjan. ‘Weet ik veel,’ zei Ianthe, ‘is dat niet een mooi compliment, en tegelijk gebruik je de magische ik-zin, trek je jouw wil erbij, over wat jij - want daar gaat het toch om - wil. Dat jij verdomme wil dat die MCH jou een novelle schrijft, of God betert het, als hij echt wil, als hij echt jou wil plezieren, als de muze met bloemetjes in je haren die je draagt, een roman!’ De ogen van Marjan glinsterden, de kaken bloosden, en mocht Ianthe niet beter weten, ze leek te dompen op haar stoel. Dit grietje werd hier geil van. En Ianthe werd ervoor betaald. Betekende dit dat ze… Aan wat anders denken, dacht ze. Kan ik hier nog meer geld uitsleuren? Zoals het een echte professional betaamd? ‘Vind je dit goed genoeg?’  ‘Goed genoeg? Het is meesterlijk, Ianthe!’ Marjan klapte in haar handen. ‘Dit is de beste recensie ooit verschenen op AZF.’ ‘Dat kan wel zijn,’ zei Ianthe, ‘maar voor vijfhonderd extra, word jij de held van de recensie?’ ‘Vijfhonderd is geen probleem, maar hoe dan, hoe ga je dat flikkeren?’ Ianthe stak haar hand uit en vormde een kommetje. ‘Handje contantje?’ ‘Tuurlijk, dom van me,’ zei Marjan, nam nog een briefje, plooide het in vier, leek zich even te bedenken of ze het in Ianthes decolleté zou proppen, maar besloot dan toch het gewoon in het kommetje te leggen. Ze liet niet na Ianthes hand te strelen. ‘Thanks,’ zei Ianthe, ‘watch and learn. One step beyond!’ Ze nam haar pen en in één vloeiende beweging schreef ze: “Ik kon alleen maar denken: heerlijk toch zo een beetje drijven tussen absurdisme, ruzie en geluidsoverlast. En vond als podiumdichter (slampoëet) een soort punchline in een kortverhaal, maar daar zoekt u zelf maar naar. Eén ding is zeker: MCH maakt in dit verhaal geen enkel ongezond compromis.” Ze bekeek het vel papier. Best slordig handschrift heb je Ianthe, dacht ze. Ooit wordt dit ingekaderd, opgehangen in Tate Modern en zullen duizenden ernaar staren en de goddelijkheid bewonderen. Ianthe draaide het vel papier naar Marjan, die het gretig vastnam en luidop las. Toen ze slampoëet bereikte, schokte haar stem en liep een traan over haar wang. ‘Bedankt Ianthe,’ ze stond op, omhelsde Ianthe, kuste haar vol op de mond en probeerde haar tong binnen te wurmen. Ianthe beet op haar tanden. ‘Sorry Ridder,’ zei Ianthe, ‘dat is voor Alberto.’ ‘Ken ik Alberto?’ vroeg Marjan. ‘Neem je werkje, ga naar huis en typ het over.’ Ianthe keek hoe Marjan haar spullen pakte en Café Sport buitenwandelde. Geen foute kont, dacht Ianthe, waarom ben ik zo trouw aan Alberto?  Ze streelde de briefjes door haar borstenhouders. Tweeduizend vijfhonderd flappen.     (De personages in dit fragment zijn verzonnen; elke gelijkenis met bestaande plaatsen, met gebeurtenissen, met levende en/of dode personen, berust louter op toeval.) (Vrij naar 'Tip van de week van 30/03' in opdracht van MCH)

TonyCoppo
59 4