Lezen

E403

  E403 is een speciaal poeder en er is de man met zijn brommer. Elke dag, ook op zon- en feestdagen, doet hij met zijn kawasaki hetzelfde traject. Meermaals. Hij vertrekt stipt dertig minuten na zonsopgang vanuit zijn woning te Loppem en aan Het Grote Klaverblad neemt hij richting Kortrijk. Zijn bestemming is simpel, het Volgende Grote Klaverblad. In de buurt van Aalbeke is dat. Daar maakt hij rechtsomkeer, al moet hij daarvoor op dat klaverblad twee net geen volledige rondjes rijden van elk 270°. Hij voegt dan weer in en broemt terug richting Brugge met dat poeder in die twee bakken, bevestigd achteraan de brommer, één aan elke zijde. Velen zullen zijn machien een moto noemen, maar daar doe ik niet aan mee. Ik heb een hekel aan het geluid van brommers, laat staan van moto's en ook aan die man zelf heb ik de pest, want hij versnelt bederf. Hij werkt in opdracht van de Vlaamse Overheid en het poeder is ontwikkeld aan de Universiteit van Gent. E403 dient om dierenlijken sneller te doen ontbinden. Verder verricht het geen schade, niet aan de natuur, noch aan de mens. Het voorstel om dergelijk middel te laten ontwikkelen komt van Diana Hostiekindt. Zij is tweede schepen te Roeselare. Ze is goed bevriend met minister Nathalia Muyldoeck. Natuur, ook wonen behoren tot de bevoegdheden van Diana. Bovendien doctoreert haar oudste zoon aan de UGent. In de scheikunde. Zijn voornaam is Jabir, zijn familienaam onbelangrijk. Jabir is een pienter baasje en toen nonkel Marcel op de babyborrel van Diana's derde kleinkind kloeg over het grote aantal vliegen in zijn doening, dan wist Jabir het. Marcel woont op tweehonderd meter van de autostrade. Vliegen zijn eerst maden. Ze worden vliegen in beesten. Dode. Lijken van dieren die op of langs de autostrade liggen. Platgereden. Of half. Die vliegen komen dan af op de hondenkak rond de villa van Marcel. Diana had eerst nog cava doorgeslikt, daarna gezegd dat zij daar iets aan konden doen, want er waren al meerdere klachten neergelegd bij de gemeente. Met zij bedoelde ze een triumviraat. Nathalia Muyldoeck, Jabir en zichzelf. Jabir had instemmend geknikt, uitgelegd aan nonkel Marcel dat hij er al mee bezig was, want er zijn inderdaad grote nadelen verbonden aan trage desintegratie, aan de miserie gekoppeld aan ongecontroleerde ontbinding. Ik citeer slechts zijn woorden, want ik zou het zelf niet kunnen verzinnen. Het schrijven ervan is al erg genoeg. En toch. Het wordt goed geacht dat ik dit relaas publiceer, dat ik het ganse verhaal doe van die man, van zijn brommer met die zelfklever. Het is een sticker. Met een halve leeuw. Bartje wilde er ooit één als huisdier. Helaas. Dat mocht niet, maar E403 op kadavers strooien langs de snelweg, dat mag wel. Daar is zelfs geen regelgeving voor. Als alle richtingaanwijzers van de kawasaki maar pinken wanneer de man stopt en hij moet, als dat kan, zijn brommer in het gras parkeren, rechts van de pechstrook. Hij heeft ook een telescopische stok met haak die tot aan de linker rijstrook reikt. Hij kan daarmee dode beestjes tot op de pechstrook slepen en hij opent dan één van de bakken die aan de kawasaki hangen. Hij schept er voldoende E403 uit en strooit het op het kadaver. Dat is zijn werk. Hij doet dit elke dag. Van dertig minuten na zonsopgang tot aan de schemering. Alleen als het sneeuwt. Dan blijft die motard met zijn brommer thuis. Dat is zo afgesproken. Want het is onmenselijk, het is zot en ondoenbaar om onder elke bult bedekt met sneeuw een kadavertje te zoeken. In ieder geval, en dat blijkt uit metingen, is het aantal vliegen in de buurt van die snelweg sinds de invoering van de kawasaki met E403 sterk verminderd. Ik citeer hiermee nogmaals Jabir. Het is tegen mijn goesting, maar het moet, voor het begrip van mijn twee lezers. Misschien wonen zij of één van beide langs een autostrade en dan kunnen zij daarover meepraten. Over het lawaai. Over het zwerfvuil. Over mannen op zoek naar een pompstation waar men ook jerrycans verkoopt. Ja, en het mag ook gaan over die blote meiden, over al die moderne boerinnen, over al die naakte vrouwen met een frisser thuisberoep die telkens weer komen beweren dat de ganse wasdraad leeggeplunderd werd door een man op een kawasaki. Net op naturistendag, wanneer je eindelijk eens alles 'toope kunt wasschen' en meer weet ik niet. Het is een zoveelste litanie van de kreupele. Prudence zegt dat het geen kwaad kan, als ik zoiets opschrijf. Als ik mijn zinnen maar kan verzetten. Als ik de namen maar verander. Voor de veiligheid. Dat zegt ze altijd en ze zit vandaag poedelnaakt in mijn kamer, in de éénpersoonsfauteuil met die vele flosjes onderaan. Ze drinkt van mijn thee. Iets wat ze nooit doet en ze zetelt met opgetrokken benen. Terwijl ik niet zo houd van ros schaamhaar. Ros lijkt dunner en ik zie te veel. Het is een aanslag op het verlangen en ik vraag haar om weg te gaan. Niet naar buiten. Het is daar koud en bar. Het sneeuwt. Zalving en redding. Alles dwarrelt uit de lucht en de deur is gesloten. Ze kunnen niet binnen. Tanguy niet, de kreupele niet, en poedersneeuw mag het zijn. Ja. Zacht en dun. Zo fijn als E403 en ze gaan liggen. Tanguy en de kreupele. Op veilige afstand van elkaar. Op de rug. Maken ze armbewegingen. Gelijk de meest lompe vlinders. Wat nog ontbreekt. Zijn hun kadavers.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
2 1

In Memoriam: tante Annie

Vorige week overleed mijn tante Annie op 81-jarige leeftijd in een verkeersongeluk. Op het zebrapad werd ze onderschept door een onoplettende chauffeur. Alle hulp kwam te laat. Tante Annie was niet meer en de hele familie zat in zak en as. Ik nog niet in het minst, ook al was ze slechts een verre tante en hadden we mekaar hooguit twee of drie keer gezien op een familiebijeenkomst. Toch voelde ik me zo schuldig als wat, terugdenkend aan het vreemde voorval enkele maanden voordien, op de begrafenis van een al even verre nicht… De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik destijds heel verward was. Problemen op het werk, verwikkeld in een vechtscheiding: het was mij allemaal wat te veel geworden. Ik wil me echter allerminst achter excuses verbergen: ik had moeten weten dat mijn nicht niet in het huwelijksbootje zou stappen. Er echter rotsvast van overtuigd uitgenodigd te zijn op een huwelijk, stapte ik die dag in mijn wagen en begaf me naar het adres dat mijn oude moeder me doorgegeven had. Ik was al vrij laat vertrokken en merkte tot overmaat van ramp dat de ring potdicht zat. Vloeken, claxonneren, in mijn stuur bijten: niets hielp. Resultaat: ik kwam ruim anderhalf uur te laat aan op de plaats van afspraak, met, op de koop toe, lege handen. Daarom besloot ik nog snel een winkel binnen te gaan om een boeketje te kopen. Gelukkig trof ik, op wandelafstand van het gebeuren, een etalage aan waarin verschillende bloemstukjes tentoongespreid waren. “Goeiemiddag,” verwelkomde de winkelierster mij met zachte stem. Ik beantwoordde haar met een vriendelijk knikje. “Ik had graag een van de bloemstukjes uit uw etalage gekocht.” De vrouw keek mij enigszins verrast aan en trok haar zwarte jurkje wat strakker rond haar lichaam. “Geen probleem, meneer. Had u er al eentje gezien dat u aansprak?” “Welja, datgene daar, in de linkerhoek, met die kleine witte bloemetjes, lijkt mij uiterst geschikt voor de gelegenheid.” “Wit is altijd schoon, inderdaad, meneer,” sprak de vrouw al precies wat opgeluchter. “Leo Pleysier,” sprak ik knipogend, als blijk van herkenning. “Uw vader?” “Ha, neen, hoor, allerminst. De mijne heet Patrick en interesseert zich vrijwel uitsluitend voor zijn duiven. Ocharme, mijn moeder.” Aarzelend bekeek de winkeljuffrouw mij. Ze besloot het gesprek te laten voor wat het was en ging mij voor naar de toonbank, waar ze het potje bloemen zo subtiel mogelijk neerzette. “Als u dat wenst, kunnen we de bloemen leveren op de dag zelf. Het zou voor u vast al een zorg minder zijn, onder de gegeven omstandigheden.” “Wat attent van u,” lachte ik haar vriendelijk toe, “maar ik neem het bloemstukje zelf wel mee. Ik kan het niet maken om met lege handen te verschijnen bij zo'n memorabele gebeurtenis.” Er viel even een doodse stilte. “Hebt u misschien een bijpassend kaartje?,” vroeg ik haar. “Een kaartje? Bedoelt u een lint of zo? Een lintje, met daarop een boodschap?” “Ha, lijkt mij ook wel een goed idee! Bedankt voor de tip! Hebt u er misschien eentje in een fleurig kleurtje?” De vrouw leek het noorden volledig kwijt. “Doorgaans kiest men voor iets soberder, als wit of eventueel paars, meneer.” “Hmm, paars spreekt mij niet meteen aan. Doe maar een wit lint dan, met daarop in sierlijke letters ‘Gelukwensen’”. Met trillende vingers bracht de winkeljuf het lint in orde, waarna ze het op het boeketje bevestigde. In tegenstelling tot wat haar serene zelf deed vermoeden, leek ze er zich nu zo snel mogelijk vanaf te willen maken. Terwijl ik haar gadesloeg, vond ik het spijtig dat ze geen plastic folie gebruikte om de bloemen een nog wat feestelijker aanschijn te geven, maar ik besloot te zwijgen. Ik was al rijkelijk laat en wou mij bij de rest van de familie gaan voegen. Toen ik mijn aankoop bekeek – jammer genoeg was het een vrij sober lint, nergens een sierlijke krul of iets dergelijks te bespeuren – betaalde ik de vrouw en liet haar knipogend het wisselgeld. Bij het verlaten van de winkel zag ik in de reflectie van de glazen deur hoe ze mij verbijsterd nakeek. Veel tijd om er bij stil te staan, had ik echter niet en ik begaf me met stevige tred naar de familie, die ik in de verte zag staan, verzameld bij een grote muur. Ik kuste mijn ouders gedag en plaatste het boeketje voor me op de grond. De stilte die er heerste, kon ik slechts moeilijk met de festiviteiten paren en ik besloot het ijs te breken door over het weer te beginnen tegen twee neven met wie ik een nauw contact onderhield. Ze leken opgelucht dat iemand er de sfeer in probeerde te brengen en begonnen wat over koetjes en kalfjes te babbelen. Ook door de rest van de groep voelde ik precies een zucht van verlichting gaan, waarop iedereen zachtjes met elkaar begon te praten. Een enkeling durfde zelfs een schuchter lachje te plegen. “Waar gaat de feestmaaltijd straks door?,” vroeg ik een oom, terwijl ik hem zachtjes met mijn elleboog porde. De man keek mij verrast aan en wist te zeggen dat er straks een broodmaaltijd voorzien was voor wie daar zin in had. “Haha, besparen op het eten om dan straks een verre reis te kunnen maken!,” lachte ik. “Een laatste verre reis, zo kan je het wel stellen,” schamperde mijn oom, terwijl hij zijn gezicht in een glimlach probeerde te murwen. Hoewel de sfeer al wat losser geworden was, besloot ik dat het allemaal nog net ietsje uitgelatener kon; een mens trouwt doorgaans immers maar één keer. En nog voordat ik mijn nicht en haar kersverse echtgenoot zelfs al maar had gezien, nam ik mijn boeketje in de hand en riep voor de hele menigte uit: “Wie wordt de volgende?” Als ik mij niet met mijn rug naar de familie had gedraaid, had ik de verbaasde en geshockeerde blikken vast en zeker gezien, maar nog voor ik er erg in had, gooide ik de bloemen met een fraaie boog achter mij. Iedereen stond aan de grond genageld. Gelukkig belandde het bloemstukje pardoes in de armen van tante Annie die echter spontaan in stille tranen uitbarstte…   Toeval bestaat niet, zeggen ze, en ik had hen doodgraag geloofd. Maar sinds de beschamende gebeurtenissen die dag en het tragische ongeluk van vorige week, ben ik daar niet zo zeker meer van.  Ik kan slechts mijn diepste excuses aanbieden aan de familie en, in het bijzonder, aan nonkel Henri, die voortaan alleen met de kaarten moet spelen. De begrafenis gaat overmorgen in heel intieme kring door, wist mijn moeder mij te melden en dat is misschien maar beter zo.

Lennart Stein
101 0

Verdieping drie

  Of kleinigheden waardevol zijn, het niets het summum. Er is, en ik begin in het midden, het miniscule beeldje van Franklin, Duits oorlogspresident. In een vakje hoger staat hij te blinken, de locomotief met twee wagons die gisteren nog helemaal van hier tot in het verre Lima reed. Deels uit zamak, deels uit plastiek en dat de knikkers per tien in zakjes zitten, dat wist je al. Teerlingen steken we per vijf. Ze hoeven niet per se even groot te zijn. Het spel wordt er niet saaier door en er is ook het rek met de potjes en de botteltjes. Dat moeten ze mij wel niet elke dag vragen, om flesjes te spoelen, glaswerk te kuisen, want er kan veel ingezeten hebben en ik herinner me nog goed dat ene lokaal op de derde verdieping van het Onze-Lieve-Vrouwecollege te Assebroek. Die klas had een doorkijkvitrine, tussen de gang en het lokaal zelf. Andere klassen hadden eenzelfde vitrine, maar die waren alle zo goed als leeg bij gebrek aan frisse leerstof en zelfs gewoon stof maakte weinig kans. De deurtjes leken voorgoed klem te zitten. Er was geen kier voor fantasie, niet voor zuurstof, noch voor hippe bacteriën of virussen, maar wat leegte betreft, had die ene vitrine op verdieping drie meer geluk. Ze stond vol met glazen potten, te groot voor confituur van zelfgeplukte braambeiers, te klein voor het bewaren van mijn dromen, maar groot genoeg om er embryo's in te krijgen en formol is geen familienaam voor zwarte warmgepelste, ondergronds levende zoogdiertjes met relatief grote graafpootjes. Sommige van die creatuurtjes moeten er ooit met kracht ingeduwd zijn, want hun vale huid plakte tegen de wand, net als de wang van een bleek kind tegen de voorruit van een total loss gereden Simca Talbot. Tanguy reed ooit ook met zo'n Talbot. Toen hij nog geen directeur was van de azijnfabriek. Toen hij nog gewoon naar Sars-la-Buissière reed. Naar zijn vriend Marc. Ook in dit kringwinkeltje werken er klootzakken. Je voelt dat en waarschijnlijk zullen ze hier nog lang aan de slag blijven. Ze denken mij te kennen. Ze kunnen het ruiken. Hoe ze mij eronder moeten krijgen. Dwaasheid dwingt mij vol te houden en voor de rest probeer ik een monoliet te zijn met ijverige armen. Op voeten ook. Oké. Veiligheidsschoenen heb ik gekregen toen ik hier voor het eerst kwam en vandaag zal ik potjes wassen aan het lavabootje. Er zijn twee kuipen. Vijf bruine bakken zullen passeren, vol met glaswerk, door Tanguy en mezelf te schrobben en te spoelen.  Achter ons staat het tafeltje met daarop de vier keukenhanddoeken, waarop we eerst alles zullen laten uitlekken, potjes, bokalen, glazen, de schalen voor het groot rosbief, de kaasstolpen, de taartenstaanders van gestorven zoetelingen. Hun kinderen brachten deze dingen. De stijl was niet helemaal je-dat, de herinneringen die eraan kleefden, waren niet schoon genoeg of ze hadden zelf al jarenlang soortgelijk keukengerei waarmee ze intussen vergroeid waren. Ikzelf hoop vooral dat mijn gedachten nooit met die van Tanguy zullen vergroeien, want hij is het type primaat waarvan het rudiment je beter vreemd blijft. En toch. Zijn loutere bestaan zal onder mijn huid kruipen.  Hij staat hier nu. Naast me. Zijn taakstraf uit te voeren, opgelegd door een al te milde rechter. Hij kijkt neer op de potjes, op de schaaltjes, terwijl ik naar de bloemen staar die een stille hand ooit aanbracht langs de boord van een bord en ik kan het me zo voorstellen hoe die ene kerf in die rand gekomen is. Tanguy. Hij is niet meer dan het lompe jong van een walrus die met zijn zestigcentimerlang penisbot een tarantula te bevruchten wist. Niet dat verbeelding van Tanguy zo groot is. Hij kan enkel lullen. Over de verwarmde kuipstoelen van zijn Lexus. Over zijn goesting naar een koele jupiler en vaak gaat hij languit in een bed liggen waarvan de dood dacht dat de poten oud genoeg waren om eindelijk een lijk te dragen. Zo'n bed kost hier even veel als dat van een gestorven jongeling en Tanguy probeert elke dag een ander ledikant. Hij ligt er te smekken. Hij zal niet bij ons in de mallotenrefter komen zitten en Katja is nog zo lief om elke ochtend voor hem brood met zachtheid te besmeren. Besmeuren ware beter. Met embryosalade. Beginselen van een walrus geweekt in het sap van uitgeknepen tarantula's. Dat is meer iets voor zijn bek en ik probeer het. Om niet meer terug te denken. Aan die scherven. Aan bokaalglazen. Aan de bril die ik kocht voor een mol. Nog minder aan verdieping drie. Ik weet het trouwens al. Sinds ik lezen kan. Het ging aanvankelijk over kwik, over die guitenstreken, over opengereten kikkerbuiken, over flupke en het blazen van de aftocht. Gauw volgde pietje puk en dan kwamen ze. Het brievenbusje van de ondergang. Al die zieke prentkaarten. Veel meer van die malaise. Het kon daarom niet anders. Dat op verdieping drie. In die potten met formol. Moederziel alleen. De dood verscholen zat.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
14 2

Niemandsland

 Het grondgetal van de meidoorn is vijf. Gurkje fluisterde de woorden voor zich uit. Ze zat verscholen in een forse meidoorn die haar omhulde met een bruidssluier van witte bloesem, met doorns die honden en mensen op afstand hielden en met talloze mooi gevormde, diepgroene blaadjes.Ze verplaatste een voet die op een grote tak rustte, voorzichtig, ze zat vrij hoog. Met haar hand streek ze zachte over de ruwe, verwrongen stam. Ze herhaalde de woorden, nu bijna geluidloos. Ze had ze gelezen in een boek in de schoolbibliotheek. Of eigenlijk had ze gelezen dat de eenstijlige meidoorn, net als de tweestijlige, behoorde tot de rozenfamilie. En dat het grondgetal van bloemen uit de rozenfamilie vijf was. Met haar linkerwijsvinger voelde ze aan het puntje van een doorn. Ze had verder willen lezen maar de bibliotheekjuf had het boek voor haar neus dichtgeslagen. Ze mocht de boeken ‘geschikt voor de hogere klassen der lagere school’ echt, heus nog niet inzien. De juf meende het. En of ze dat nu voor eens en voor altijd in haar oren wou knopen.Wat was er zo geheim aan het grondgetal van de een- of tweestijlige meidoorn? Ze herhaalde de woorden weer, proefde ze, liet de g’s en de r-en grommen in haar keel, maakte de ei’s en de o’s zo rond als ze kon en liet de m lekker lang hummen. Daarna zei ze ‘eenstijlig’ en ‘tweestijlig’ een beetje zingend. De bloesem rook lekker zoet en wild tegelijk. Ze snoof er eens goed aan en zocht het ritme in de woorden ‘het grondgetal van de meidoorn is vijf’. Zou het grondgetal van het ritme ook vijf zijn? Een vijfkwartsmaat. Ze kon het eens vragen bij de blokfluitles.Haar ogen volgden de takken, haar vingers gleden langs de omtrek van een blad. Een gelobd blad, zo heette dat. Net als bij eikenblaadjes. De takken vormden een warrelend patroon.Ze rekte de ij in vijf een poosje en ging er een hele toonladder mee op en weer af. Ondertussen probeerde ze tussen de vracht aan bloesems en blaadjes door naar de wereld buiten de boom te kijken. Daarbij leek het steeds, heel even maar, alsof ze een glimp van een andere wereld zag. Een wereld met vijf punten, sluiers, een sneeuwbepoederde doornenkroon. Als ze met haar hoofd of haar ogen draaide, gebeurde het. Een wereld waarin bloemen, bladeren en takken naar een middelpunt vloden of juist daarvandaan. Maar ook een wereld die ze niet vast kon houden, telkens schoof de gewone wereld eroverheen. Op een tak bovenin zong een merel. Zong die van die andere wereld? Vogels hadden veel betere ogen dan mensen.De klok van de kerk sloeg vijf keer. Als ze nu naar huis ging, was ze op tijd om de tafel te dekken en zou niemand vragen waar ze geweest was. Eenmaal op de grond keek ze of ze haar kleren niet had opengehaald en veegde ze haar handen schoon met haar zakdoek. 

Marijke Roza-Scholten
1 0

blog van mij en nietuitdiekutmaandmei maar MIJ VERDOMME (deel één 1)

nadat ik mijn blik eindelijk afwend nadat ik wederom zogezegd achteloos ongemakkelijk door die kutspleten en splinters in dat vermolmde hout gezeten op een bank in een niet nader te noemen winkelstraat want dat zijn uw zaken niet maar eigenlijk stiekem baarmoederkankerveroorzaker lelijkaard geheimlijk naar konten van veel te jonge vrouwen filles fatales heb gestaard al keurende als in een wijvenslachterij vrouwelijk-vlezige-slagerij met dat stel vetbollen van mij die mij mij MIJ VERDOMME zo vaak gedesillusioneerd en wezenloos in de steek laten met hun dramafragma en vettige vliezen gescheurde onschuld verliezende vliezen die mij vangen in hun net net net een spinnenweb of is het spinneweb taalverkrachter reet-van-Tina stroomt het vocht mij over de rood aangelopen wangen vol knetterende puisten want ik krijg mijn ogen godverdomme niet niet niet meer gesloten afgesloten dicht omdat de verleiding onweerstaanbaar is onvermoeibaar is mij achtervolgt mijn ganse lijf en leden hoop verschroeide botten met teveel pus smurrie waar gij ik mij rood slagerood slagerrood bloedend moet doortrekken sleuren mijn ik ik mezelf MIJ VERDOMME ik ikke dus geraak vermoeid onvoldaan hopeloos sta ik dan toch maar onhandig recht door die nu veel te spannende broek onderdebuikbroek onderhuidse fletse zonder avonturenbroek met dwaze gedachtenlozige lozen-doet-hij-niet stijve piet haha-grappig-is-het-niet ontsnapt toch ontspant u nu toch niemand weet het tenzij gij dit alles neerschrijft met naam en toenaam en plaats timestamp algorithm triangulation fucking profiling om mij te vinden te slaan in harde stijve koudstalen boeien om te rotten in de cel van mijn eigen bestaan gij onbeschaamde klootzak met één-wandeling-per-dag stijve spieren en geen intiem bezoek voor u gast tuurlijk niet misschien wel een brief van zo'n zot Dutrouxmens die u zielig vindt omdat ze zelf zielig is zonderzielis leeghaarzielis gelijk die van u stapt verder nu weg van die straat weg van die wij er is geen wij enkel wijven-zien-mij-niet-graag en waarom schrijft gij dat nu toch neder neergezetene gedaalde afgezakt in uw krochten die gij zelve niet kent uw diepere diepste verlangens die niet lang maar kort tekort te kort zijn op blank maagdelijk niet-gerecycleerd-gerecupeerd-tis-toch-naar-de-kloten-al-dat-papieren en de bomenzijndesdoods omdat het moet moet er is geen dwang geen bleiten blaten mak schaap tis kindergezang maar zo jong wil ik ze niet toch enigszins volgroeid vol-gerotte-gewassen komaan stapt trekt u verder nu naar uw kot met boekskes ge-weet-wel-wat-voor-boekskes gestolen boekskes van dat oud vertraagd weduwwijf in het boekskesmagazijn al van u 14 veertien ? ja 14 veeronkundigtien jaren ! dat ge daarin kijkt en trekt en scheurt en mama-stur-lelijk-beer-t gij léleken in-de-put-gezetene-zieligen beer die ge zijt omdat ge niet aan uw trekken komt zielige poot-blijft-van-mijn-lijf kijkt zelfs niet gij nu niet nooit niet nimmer never niet zelfs niet alleen in de woestijn zelfs niet naar ne fotto van eentje die u in techt in real life facetofacekentgijtochniet in lelijke-levenden-lijve lijven niet wilt natuurlijk-zijt-gij-niet wat-gad-gat-gij-gedacht allé gast komaan stapt nu verder zonder kijken en komt morgen terug nog geen 24 vierentwintig uren later terug want gij ik kunt er niet aan wederstaan weerstaan gezulterweerstaanenzittengaan zal ik nadat ik mijn blik dan eindelijk heb afgewend en rechtgestaan heb en naar mijn kot gegaan heb ben whatever waar ik alles geprepareerd heb om haar te ontvangen zij-die-er-niet-is natuurlijk maar fictief als in een verhaal of in een film B-film C-film maakt niet uit welke kutfilm zal ik daar wachten om misschien iets te doen dat daarop rijmt maar ik mag het niet luidop zeggen of schrijven of alleen in braille want die zien mij niet want anders gaan onbestemde zij ze de-geuniformeerde-mensen monopolie-op-geweld mensen mij MIJ VERDOMME opsluiten afzonderen institutionaliseren psychiatriseren want dat kunnen ze goed doen ze graag omdat dan Foucault Ducpétiaux gevangen-is-hij gedetineerde en kinderbezoekrecht kromme recht een recht dat ik niet heb natuurlijk wat had ge nu plots gedacht gij die dit leest en stiekem geniet maar politiek correct denkt ze-moeten-die-toch-opsluiten wat-voor-gedachten-heeft-die-nu ziekte ziekemens dat ik kinderen zou willen biografische kopijen om mijn geslachtte geslacht voort te zetten te parasiteren en iedereen en alles te besmetten ? hoe zoudt zout dat nu kunnen hebt-gij-zonet-nietzonetjes-is-het-niet over MIJ VERDOMME een oordeelkundig oordeel geveld ? geeft het maar toe dat-doet-toch-goe om u verheven te voelen tegenover uw mede-meestalnietintelligente-mens of toch dommerdangij-uzelve-mens? liken of niet liken 't-zijn-toch-maar-woorden en geen daden zoals bij een psychoanaalytische sessie waar ge tegen betaling galspuit ge kunt evengoe uw gat met 50 euro afvegen en 't luidop roepen vanuit uw strot met onstemkundige banden maar kom daar moogt ge dan eens alles zeggen wat ge wilt denkt denkt te denken en u afvragen of ge twel echt denkt als in techtevalseleven en dan krijgt ge tips van Ode-an-die-door-seks-geobsedeerde-Freude door jonge-ja-jong-verdomme-zo-heb-ik-ze-graag-maarniettejongzoalsikalzei dus door JungGestalt-getheoretiseerde veel te geleerde afgeleerde ontleerde zielenknijpers waar ge niets-mee-zijt en kijk toch eens naar MIJ VERDOMME want nadat ik eindelijk mijn blik heb afgewend en mijn rug heb gerecht en rechtgestaan ben en weg weg weg van die winkelstraat ben en terug alleen in mijn kot ben denk ik al terug opnieuw willend lillend smachtend aan die kut-kuttige-kutjesplek die vanMIJ VERDOMMEis en alleen eenzaam ben ikMIJ VERDOMMEniets meer vanMIJ VERDOMMEniets niet nie niemand is van mij of van u of vanMIJ VERDOMMEwant dat is mijn bank mijn plaats mijn uitkijkpost en ik-slaag-u-deraf-als-gij-daar-gaat-zittenpost voelt gunu ongemakkelijk als gijditleest gebterzelfvoorgekoze omvoorttelezen gij stiekemerd merde die ge zijt ge zijt dezelfde alsMIJ VERDOMMEen wendt uw blik nu ook maar af hoewel hoewel tiswellekesgeweest gezijtzeikternognietvanaf want er komt nog een vervolg dat gaat zo bij verslavingen dat gij die dat dier smerig strontdier dat ge zijt er een hebt zoals ik mijn verslaving is vanMIJ VERDOMMEik hoop nu echt dat ook gij jij je eens ongemakkelijk opeenongemakgeïnstalleerd voelt onrustig zieledraaikolkend voeltnietsvoelt zoals ikMIJ VERDOMMEconstant ik-voel-niets-voel-niet beseft 't maar tis-tisch nog ni gedaan er komt nooitnooitgeen einde aan die stream-of-fucking-consciousness-no-fucking-Joy-voelende-Joyce voeljustniets en lacht gij maar niet te luid want ik hoor u wel fluisteren luisteren horen hoorns met die oren van u en kijken en zien en wijzen met gans uw hand gij strontzak ik trap u plat zelfs niet dood opdat gij zou lijden want dit komt alleen van mij is alleen voor mij bedoeld mij mij niet gijikmijMIJ VERDOMMEen nietdiekutmaandmei maar mij die ik die tijdens dat seizoen dat alles weeral opwelt in mij want nadat ik mijn blik eindelijk afwend van alleseniedereenisteindelijkgedaan metgijenikenmijmijmijMIJ VERDOMME

Frederik Ducuroir
1 0

Dirk: een mens en een vierletterwoord

Dirk woont twee hoog in een lelijk en grijs appartementsgebouw, zonder enig gezelschap, zonder lift. Hij bezit zelfs geen huisdier dat op enige wijze zijn aangeboren ootmoedigheid kan beconcurreren: Dirk kan zich immers niet voorstellen een dominante daad te stellen. Dit onoverkomelijke feit vormt het barre fundament van zijn bestaan. Dirk is een dooddoener en dat is zijn alibi, te pas en te onpas gebruikt. Dit idee heeft zich diep in zijn geest verankerd sinds de dag dat de enige vrouw in zijn leven hem hiervan overtuigde en hem zo degradeerde tot wat hij nu is geworden; zodanig zelfs dat Dirks' enige wederopstanding bestaat uit een eerloze erectie, elke ochtend neergeslagen door een mechanische masturbatiesessie. Van de weeromstuit stapt Dirk in de douche, vervloekt de wisselvalligheid van de temperatuur van het water en laat gelaten de harde straal op zijn hoofd neerkomen. Hierna droogt hij zich met een versleten handdoek bruut en onzorgvuldig af. Vervolgens kleedt hij zich onwillekeurig aan want 'kleren maken de man, maar… ik ben er geen', zijn variant van dit zijns inziens verachtelijke spreekwoord. Dan neemt hij gelaten een tas koffie en sigaret tot zich. Tot  slot sleept Dirk zich naar zijn werk, aangespoord door de trouwe maar walgelijke macht der gewoonte. Zijn werk bestaat uit getallen en uitkomsten die hij gevoelloos verwerkt, op een dezelfde stoïcijnse wijze als waarop hij het voortschrijden van zijn levensdagen doorstaat. Zijn motivatie om te gaan werken voedt zich door het dwangmatige instinct om te overleven en het gegeven dat hij niet in aanmerking komt voor enige uitkering. 'Ik móet wel werken en dat is waarlijk een afstotelijk besef!' zoals Dirk het samenvat. Aldus verdient hij op deze wijze een braaf bedrag dat maandelijks op zijn even zo brave rekening gestort wordt, welke Dirk gebruikt om enkele van zijn bezigheden te bekostigen zoals het beluisteren van obscure muziek en het doorworstelen van oorlogsliteratuur. Verder heeft Dirk een sterk onderdrukte voorkeur voor oorlogsfilms, een erfenis van zijn militaire en dus eenvoudige vader. Niet dat Dirk enige moorddadigheid ambieert: dat is teveel gevraagd daar hij vastgeroest is in de hardvochtige evenwichtsoefening al dan niet te blijven leven. Trouwens, zoals Dirk steeds voor ogen houdt, 'Waarom kiezen voor het leven als je die keuze toch al nooit hebt kunnen maken?' Een vaststelling waarover hij nooit nadenkt omdat hij filosofie beschouwt als 'de meest onvoltooide vorm van het imperfectum' en er bijgevolg geen heil in ziet. Bovendien verafschuwt Dirk humor: hij lacht er niet om en hij zal er ook nooit om lachen. De vrouw in zijn leven sprak hij als kind aan met 'Mama! Ja… Mama…'. Deze zin prevelde hij tot voor kort nog somtijds, in diminuendo, met een lange pauze na de positieve term waardoor de laatste mama nog nauwelijks hoorbaar is, alsof hij zich schaamde dit uit te spreken. Dat doet hij ook. Trouwens, zoals Dirk stelt, is het aanspreken van de moeder een 'opportunistische handeling'. De kern van waarheid in deze gedachte is platvloers, is ruw, maar reëel. Inmiddels spreekt hij niet meer over zijn moeder. En zijn moeder heeft nooit over hem gesproken, zelfs niet tot hem. In de loop der jaren, naarmate Dirk vooral fysiek groeide, werd hij ten opzichte van zijn moeder, in een nagenoeg perfecte verhouding, steeds kleiner. Dit bleek een mannelijke gezinskwaal te zijn, naar het voorbeeld van zijn vader. Deze man vereist weinig toelichting daar hij niet in de geringste mate over diepgang beschikte. Dirks' mannelijke schepper is onderhand gevisiteerd door een andere schepper. Hij is schuldig bevonden – het verdict luidde buitensporige militarisering – en werd veroordeeld tot de eeuwige slaap middels een hartaanval. Deze functionele gebeurtenis vond plaats tijdens het bekijken van een inferieure oorlogsfilm: literatuur lag niet wérkelijk in diens aard, conformisme des te meer. Hij was hoe dan ook al dood kapitaal. En het schamele familiegoed zal in elk geval niet vermeerderen via Dirk en tenslotte uitsterven. Behalve als er een mirakel plaatsvindt! Weinig waarschijnlijk voor een zoveelste natuurwonder als Dirk. Hij ís wel een waar natuurwonder want hij is een mens. En toch banaal. Dirk heeft een weerkerende droom waarin telkens slechts één ding verandert. Hij kijkt naar de repetitie van een toneelstuk. Het stuk lijkt steeds te eindigen, nietszeggende scènes herhalen zich, en toch lijkt het stuk pas te beginnen. Het decor baadt in helder licht en Dirk wordt bijna geheel verblind. Hij kijkt toe vanaf het schellinkje en houdt zijn handen voor zijn ogen, durft niet te kijken, maar doet het toch, telkens opnieuw. Precies op dat moment vertoont de droom zich keer op keer in een andere gedaante. Enkele personages verschijnen op de bühne, allen getooid in kleurrijke gewaden. Ze zingen een kinderlijk aandoend volksdeuntje dat almaar schrikwekkender gaat klinken. Ze zingen luider en luider, het is oorverdovend, Dirk wenst vurig dat het stopt en zijn wens lijkt uit te komen: plots valt er een doodse stilte! Eén van de personages treedt naar voren en schreeuwt een onverstaanbaar woord. Met pijnlijke ogen kijkt Dirk in de richting van het podium, hij wil het woord opnieuw horen, schreeuwt hier ook vragend om, maar Dirk ontwaakt, met tranende ogen en zijn handen in vuisten gebald, telkens weer. Hij is er zich pijnlijk van bewust dat hij het woord tijdens zijn ontwaken zal vergeten. Telkenmale beseft hij dat het woord verschilt van alle voorafgaande woorden die hij reeds hoorde in deze droom. Telkenmale voelt Dirk zich in het geheel onbevredigd. Dit kleine detail achtervolgt hem al jaren, wordt steeds meer uitvergroot, en, hij voelt er zich verpletterd door. En hij denkt: 'Mijn naam is Dirk. Ik ben een mens en een vierletterwoord.'

Frederik Ducuroir
0 0

Ik ben acht jaar en mijn broer trouwt

Ik prul aan de bloemen van het kleine boeketje dat in mijn handen ligt. Het zijn gele bloemen die ik nog niet vaak zag. Ze zijn lelijk. Doffe blaadjes met bruingekrulde randen. Geef me maar van die gladde glanzende boterbloemen waarvan ik kransen kan weven, en in mijn haar kan hangen. Ik voel eventjes niet meer de harde stoel, maar wel het malse gras waarin ik ze vinden kan. Meestal staan ze tussen madeliefjes. Van die witte bloemetjes zijn er massa’s meer. Goudbloemen moet je verdienen, na wat zoeken. Misschien had de bloemist geen moeite gedaan om ze te vinden? Ik leg het boeketje naast me neer. Ik had liever mijn barbiepoppen hier bij me gehad. Daarvan kon ik de kleertjes nog veranderen, de haren kammen, doen alsof dit niet gebeurt. Nu zit ik een boeket bloemen in mijn handen waar ik geen blijf mee weet. Bruidsmeisje zijn is saai.  Ik denk niet dat er iets goeds komt van mensen die trouwen. Zo verdween Vanessa plots. Elke dag na school stonden we wel aan elkaars deur. In de zomer hinkelden we op straat terwijl onze moeders in een versleten witte plastic tuinstoel aan de voordeur zaten. Vaak groeide er een kring van wijze vrouwen met andere buurvrouwen. Af en toe viel hun gesprek even stil en bleven ze naar ons staren terwijl we verwikkeld waren in nieuwe manieren van touwtje springen of hinkelen. Maar dan had haar moeder een nieuwe vriend leren kennen. Vanessa verdween een heel klein stukje, elke dag. En plots was ze weg. Nog één keer werd er feest gevierd en toen was er geen deur meer om aan te bellen. En nu is het mijn broer die me op deze manier  verlaat.  

Jolien Van de Velde
3 0

Bulskampveld

  Dit stronttehuis is gebouwd door de firma Deschyttere uit Aalbeke. Dat staat op een bordje aan de ingang. Ook pronken er namen van een burgemeester, schepenen en directeurs der zinsverbijstering. Verder nog een dag, een maand, ook een jaartal. Alles in donkergrijze letters op kitscherig graniet en ik ben slecht gezind. Ze leven allebei nog, Tanguy en de kreupele. Daar moet dringend iets aan gedaan worden!  Voor Tanguy ligt de sterfwijze al een tijdje vast. Die zondvloed is op komst. De manier waarop ik de kreupele om het leven zal brengen, moet ik nog bedenken. Dat is nog niet zeker, maar wat wel vaststaat, is dat Aster Berkhof een jongen was, dat de Film van Ome Willem niet echt een film wilde zijn en als ik hier buiten loop, binnen de tuinmuren van de compound, dan ruik ik het. De kamperfolie is haar beste geuren kwijt. Nog een geluk dat de bruidssluier zich blijft uitsloven. Van mijn part mag hij de ganse boel hier overwoekeren, à la minute en stante pede. Lang mag de plant wel niet meer wachten want de bodem is uitgeput en de mol is een nog grotere gang aan het graven. Straks loopt hij met alles weg. Met weerbaarheid, herinneringen en mijn portefeuille, die is van beverleder, past niet in zijn achterzak. Weet het! Ik ben enkel nog op zoek naar de dieperik en Tanguy heeft een gat geknipt heeft in de ursusdraad, ginds achter het stookkotje. Hij denkt dat hij ze nog kan krijgen, dat de zevenmijlslaarzen in de solden zijn, dat hij al wat vrouwelijk is kan verkloten. Alle mannen uit Groot-Beernem zouden moeten weten waarom. Ze moeten beter op hun wederhelften passen! Alles draagt een masker en hun vrouwen zijn niet veilig.  Tanguy wordt de Houtekiet van het Bulskampveld! Hij kent de weg, naar de kastijding van het speelse. Er is altijd een sluipweg naar de Wredestraat en hij kan huilen als een kleuterwolf, laat zijn stem dan overslaan en klinkt vervolgens als een hellehond die honderd teefjes villen wil. Het is een veelvraat, die nazaat van Dutroux, hij lust de kleinste onschuld en wil ze allemaal verslinden. Meisjeskonijnen. Met vel en vacht. Ze zijn zo wit als loof uit volle grond. Hij heeft weliswaar niet lang meer te leven! Ik zorg ervoor! Ook voor radijzenfriste. Ik zal er rooien, morgenochtend, roze knolletjes met een bleke onderkant, voor Prudence en ik bedenk wel hoe ik eraan geraak. Onverbijtbaar zal het zijn. Venijn voor de kreupele. Ik doe het in zijn spraakwater, puur het in zijn pap! Of met een trechter. In de krop van die duffe gans zal ik het gieten, in de keel van die canard boiteux en hij zegt dat hij ook komt. Vanavond is er een feestje. De waanzin wil weer jarig zijn en er zullen wederom onnozele plaatjes gedraaid worden.  Prudence zal wel niet met dwangbuisjes moeten dreigen. Ze zal een oogje in het zeil houden en weet hoe alles moet. Eerst die ronde toastjes met makreelsalade in hun smoeltjes steken en dan maar wachten, tot ze kokhalzen, tot schaterslijm van hun muil druipt. Ze zullen dan gewassen willen worden, als biggetjes op zondag en uit een ufo zal gelach weerklinken. Wij zijn geen discobal. Geloof wat je wil. Op dergelijke conventies van doolkoppen danst enkel onbalans met dronkenschap en ze weten het, Tanguy en de kreupele, dat ze Prudence niet mogen aanraken.  Denkbaar is het. Misschien komt Prudence achteraf naar mijn kamer. Om te lezen. Want ik heb versjes geschreven, gisteren nog. Een edeldichtje is het voor een morbide illusie en met kleurpotloden heeft een zinnebeeld nog snel een tuinontwerp gemaakt. Het laatste. Het is een jardin d'amour perdu, met anjers uit vergeten revoluties, met donker slangenkruid, ijzerhard, met kogeldistels en ik moest terugdenken aan de dovenetels rond het bankje. Bij de azijnfabriek zat ik met Katja en ik zit er nog. Ik droom ervan. Niet van Prudence. Die is nog helemaal echt en ze leeft. Overigens, Prudence heeft Katja nooit gekend. Dat kan ook niet. Ze huisden best ver uit malkander en het is beter dat mijn laatste tuinontwerp een tekening blijft. Kleurbolletjes zijn geen planten, kartelkringen zijn geen bomen en Prudence woont trouwens op een appartement. Ze heeft ook een bootje, in Blankenberge, ver weg van de zwarte zwanen op het Minnewater, ver weg van het Bulskampveld en zijn demonen.   uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
8 0

Wat wil jij later worden?

Haar glimlach verbreedde toen nonkel Mon zei dat ze talent had om piano te leren spelen. Met blozende wangen van plezier, speelde Maartje het eenvoudige kinderliedje nog een keer. De omzittenden zongen mee,  ‘Broeder Jacob, broeder Jacob …’ Ze genoot zichtbaar en haar favoriete oom werd haar meest toegewijde fan. Het zingen ging nog even door, afgewisseld met mopjes vertellen en vrolijke raadseltjes oplossen. Zo in het middelpunt van de belangstelling voelde ze zich in haar nopjes. ’s Nachts droomde ze haar eigen komende succes. De volgende dag in de klas, vertelde de juf over beroepen. Dat triggerde haar wel. Nog half dromend over de vorige avond, waarin ze zich een beroemde ster voelde met nonkel Mon als haar grootste fan, antwoordde ze enthousiast ‘pianospeler’, toen het haar beurt was om te antwoorden op de vraag wat ze later wilde worden. De hele klas schoot in de lach en zelfs de juf moest haar best doen om zich in te houden. Ze keek een beetje beteuterd rond. Haar klasgenootjes vonden haar soms een beetje raar, maar wel altijd grappig. ‘Gisteren was het juffrouw’, ‘vorige week wilde ze nog mensenhelper worden’ of ‘klerenmaakster’ … werd er zacht gefluisterd. Maartje was het wel gewoon. Ze had meestal ook genoeg aan zichzelf en haar dromen. Ze zweeg, bleef in haar eigen wereld, waar nog net genoeg plaats was om de les te volgen. ‘Misschien,’ dacht ze, ‘misschien moet ik eerst maar eens groot worden.’   (dit korte verhaal schreef ik als oefening voor een cursus van Wisper)

Anemos
13 0

Veiligheid Verantwoordelijkheden en Plichten!

Hey,dag,hallo,hoi,… Vlaanderen   Ik zou het graag willen hebben over de veiligheid van bepaalde dingen die spijtig genoeg dagelijks gebeuren. En waar niet heel veel mensen zich druk over maken, of ook niemand die hier iets aan doet. Daarvoor ben ik hier! Ik zal jullie mijn kijk op bepaalde dingen   Ik heb een groot probleem met de VEILIGHEID in Vlaanderen. Niet alleen voor meisjes maar ook voor jongens, omdat ik altijd iedereen hoor zeggen dat meisjes hun niet veilig voelen. ik denk dat dit ook zo is voor jongens. Maar die geven het gewoon veel minder snel toe. Met veiligheid bedoel ik niet alleen de veiligheid buiten, maar ook de veiligheid online. Ik vind het belangrijk dat iedereen zich veilig voelt. En niet dat als we rond 10 uur nog buiten zijn, en alleen naar huis zouden moeten dan nog moeten denken over wat je zou doen als er iemand stopt, of moeten nadenken over wat je allemaal zou kunnen doen als er iemand je zo maar zou aanraken, ik weet dat heel veel vriendinnen dit maar normaal vinden, maar zelf denk ik zelf dat dit helemaal niet normaal is en dat dit onderwerp zo genormaliseerd wordt dat niemand het als een groot probleem gaat zien, terwijl dit wel zo is. Ik heb ook al eens meegemaakt, toen school was gedaan en ik nam de bus naar huis zoals ik elke dag doe, ik stapte af met een vriendin. We zagen een man in de auto zitten die naar meisjes was aan het kijken en ondertussen was hij aan het masturberen. Hij zag ons ondertussen ook al en begon allemaal signalen en tekens te doen dat we naar hem moesten komen. Tuurlijk hebben we dit niet gedaan, maar voor jongere meisjes is dit wel een groot probleem die zouden misschien nog niet weten wat hij is aan het doen en ook niet wat zijn bedoelingen. We hebben uiteindelijk een hele omweg gedaan en sindsdien hebben we toch wel een beetje schrik. Ik vind het heel onlogisch dat wij zelf stappen moesten ondernemen, en dat dit gewoon “normaal” lijkt. Meerdere mensen hadden die dag ook die zelfde man gezien er werd toen ook naar de politie gebeld, maar die zijden dat ze hier niet echt iets aan konden doen. OMDAT HIJ ONS NIET FYSIEK AANRAAKT!!! VINDT U DIT ZELF NORMAAL? Momenteel zitten we ook aan meer dan 4000 aangiften die jaarlijks gedaan worden voor verkrachting voor zowel jongens als meisjes, ik vind dit persoonlijk heel veel en dit getal is nog niet eens iedereen er zijn heel wat meisjes en ook wel jongens die al eens aangetast of verkracht zijn geweest, maar hier gewoon niks over durven zeggen. Ik vind het heel belangrijk om hier iets aan te doen, ik weet zelf ook wel dat het niet makkelijk is om iemand voor zijn daden te stoppen, maar ik heb hier misschien een oplossing voor door naar elke persoon in Vlaanderen een brief te sturen, waarin ze gewoon 1 vraag moeten beantwoorden of we zouden dit ook kunnen doen via een mail. De vraag zou dan zijn op welke plaats voelt u zich onveilig zowel overdag als overnacht en dan zouden we de antwoorden met elkaar kunnen vergelijken en zien op welke plaatsen de meeste mensen zich onveilig voelen. Dan zouden we daar misschien camera’s kunnen plaatsen als het een openbare plaats is of we zouden ook politieagenten kunnen inzetten op die plaatsen die er misschien meerdere keren per dag voorbij zouden kunnen rijden. Er is wel een kans dat het probleem zich dan gaat verplaatsen naar andere plaatsen, maar dan moeten we met iets beters komen. En om de veiligheid niet alleen op straat te veranderen, maar ook online zouden we misschien onder elke foto die je stuurt op snapchat een watermerk zetten. Voor de mensen dat niet weten wat een watermerk inhoudt; dit is een logo, tekst of het zou ook een patroon kunnen zijn, dat wordt toegevoegd aan een drukwerk, foto’s, documenten om de echtheid aan te tonen of om het doorsturen/ kopiëren van bijvoorbeeld de foto tegen te gaan. Ik denk persoonlijk als we dit merk automatisch zouden zetten op elke foto dat online wordt gezet of verstuurd wordt, dan zou dit sterk helpen bij het niet verder verspreiden van bijvoorbeeld naaktfoto’s en dan zou je ook direct weten wie de persoon is die de foto heeft doorgestuurd, dus dan zou je die ook makkelijker kunnen straffen. En dan zou je het ook kunnen voorkomen dat die foto’s of video’s verspreid zouden worden op school. Want ik denk dat dit heel zwaar is voor de meisjes of jongens die dit meemaken door 1 misschien domme fout, al vindt ik het geen fout, want je mag zelf gewoon nog kiezen wat je doet en als je zelf vindt dat je er goed uitziet en dit wilt delen met iemand dan kan en mag dat gewoon. Dus ik vind niet dat de meisjes of jongens die die naaktfoto’s doorsturen naar iemand niet in fout zijn maar wel de personen die die foto’s dan gaan verspreiden.   Ik hoop dat hier iets aan gedaan zal worden, ik hoop dat jullie iets doen met mijn irritaties en oplossingen.   Vriendelijke groet, Lara De Bock :)

lara1
1 0

Kip

Elsie en John zaten aan de ontbijttafel toen de telefoon in de hal rinkelde. Ze keken elkaar gealarmeerd aan. De vaste lijn, dat waren in de regel enkel  nog televerkopers maar op dit uur, op een zondag  kon het enkel rampspoed betekenen. Terwijl Elsie zich haastte om op te nemen flitste haar in ijltempo  een hele reeks mogelijke scenario’s door het hoofd, heupfracturen voor haar bejaarde ouders, fietsongevallen met vluchtmisdrijf voor haar mileubewuste dochters, ontvoeringen met witte bestelwagens voor haar avontuurlijke kleinkinderen. “Hallo”, zei ze voorzichtig Een stem die ze niet meteen kon thuisbrengen zei “Elsie? Het is Femke. Kip is dood.  Je moet me helpen Elsie. want ik  heb het gedaan, ik heb hem vermoord”. “Georffrey De Cauter, vermoord door zijn vrouw en dat na al die jaren? Dat klinkt als een ongeloofwaardige wending in een slecht televisiedrama”, was de droge reactie van John op het relaas dat Elsie hem even later deed van  haar telefoongesprek. “Jammer genoeg is het realiteit “ zei Elsie terwijl ze van haar lauw geworden koffie slurpte.  “Van al degene die hem dood wensten is het uiteindelijk Femke  die hem vermoord heeft.” ging John verder op zijn eigen gedachtenstroom “Ze noemde hem de hele tijd Kip?” zei Elsie een dikke laag boter op een croissant smerend. “Echt!”  John fronste zijn zware wenkbrauwen wat hem een strenge aanblik gaf.. “Je kijkt zo verbaasd?” zei Elsie en beet in haar croissant “Dat is de  bijnaam die wij mannen onder mekaar hem gegeven hebben.” zei John “ omdat hij het altijd over kippen had wanneer hij over vrouwen sprak.  Zo van, dat zijn lekkere kippetjes, dat is  een mooie kip, of die stomme kip toch niet! en zie daar wat een  vette kip, want  voor Geoffrey waren alleen supermodellen goed genoeg ” “Wij,  de meisjes op kot noemden hem ‘Evil Bambie’” terwijl ze de kruimels van haar vingers veegde. “Evil Bambie!” John verslikte zich bijna in zijn koffie “In die tijd toen hij nog rank en slank was, had hij iets van een hert, met zijn lange benen en zijn kastanjebruine kuif, en dan die  donkere ogen omfloerst door lange zwarte wimpers, die gaven hem een onschuldige Bambielook,  waarvoor veel meisjes gevallen zijn.” “Oh was dat het? Ik heb nooit begrepen wat zijn succes was bij de vrouwen, zo’n arrogante,  brutale  klootzak, en totaal amoreel. Bijzonder geschikt uiteraard als strafpleiter, voor een bepaald  soort cliënteel.  Maar als potentiële echtgenoot, een familiedrama in de maak?“ “Vandaar Evil Bambie” zei Elsie, “ nu de meeste meisjes hadden hem heel vlug door en na een tijdje circuleerde in de hele rechtsfaculteit en ook daarbuiten de waarschuwing,  pas op voor Evil Bambie”. “Die waarschuwing heeft dan blijkbaar Femke nooit bereikt.”zei John “Ik heb ook nooit begrepen wat zo’n fijngevoelig meisje uit zo’n gecultiveerd milieu, dochter van een schrijver en een dichteres en zelf zo artistiek getalenteerd ooit gezien heeft in zo’n vulgaire vent ”. Elsie schudde haar hoofd,  “Jij en je fascinatie voor kunstenaars, daar zitten toch ook veel arrogante, brutale klootzakken tussen. Misschien is Femke wel gegaan voor iemand die op haar vader leek?” “Is dat wat ze gezegd heeft?” vroeg John haar nadrukkelijk aankijkend over de rand van zijn leesbrilletje. Elsie haalde haar schouders op en inspecteerde de broodmand waar nog een chocoladebroodje en twee  zoete sandwiches te blinken lagen. “Misschien is het beter dat ik er niet al teveel over zeg. Wie weet belandt de zaak wel op jouw bureau, meneer de procureur”  zei ze terwijl ze het chocoladebroodje in twee sneed en de helft ervan teruglegde. “Wie weet,  meester, maar één ding kan je me wel nog vertellen, want dat is geen onderdeel van het onderzoeksgeheim als ze zelf schuld bekent. Heeft ze gezegd hoe ze hem vermoord heeft?” “Ja waarom” “Omdat ik schat dat hij ondertussen zeker honderd kilo weegt terwijl zij nog altijd hetzelfde fijne tere poppetje is” “Oh John, je hebt altijd een boontje gehad voor Femke hé” plaagde Elsie John wilde protesteren maar Elsie ging meteen verder “ Ze heeft  hem de hersenpan ingeslagen met een kip ” “Met een kip?” vroeg John niet begrijpend “Met een ingevroren kip”  verduidelijkte Elsie. “eentje die Geoffrey zelf geslacht had”    

Paula Dumont
0 0