Lezen

Devoot taboe.

“Ik moet jullie iets vertellen!” Anja zat net aan tafel met haar ouders. Ze heeft zich gehaast om op tijd te zijn voor de koffietafel op zondagnamiddag. De dampen van het bruine goedje prikkelden haar neus. De geur alleen al gaf haar een boost en ze rechtte haar rug. Ze heeft zo lang gewacht maar vandaag zou ze de knoop doorhakken. Ze nam haar kopje dat bijna weggleed uit haar klamme handen, nipte ervan en wilde net van wal steken toen haar moeder haar een bordje met een aardbeientaartje voorzette. “Proef nu eens eerst, Anja. Jij bent altijd zo gehaast. Ik ben voor deze taartjes speciaal gaan aanschuiven bij de banketbakker.” Ze peuterde een stukje af met haar vork en at het op, traag kauwend haar woorden kiezend. Ze zouden zich vast en zeker verraden voelen, als ik ze het vertel, dacht ze. “Lekker mama, dank je wel.” Een beetje vleien kon geen kwaad. Zeker niet over zo’n oppervlakkige dingen als een duur taartje op zondagnamiddag. Daar voelde ze zich niet schuldig over. Neen, de gedachte aan wat ze gerealiseerd had, dankzij de financiële steun van haar ouders, zat haar dwars. Al  had ze veel talent, alleen had ze dit nooit verwezenlijkt. Ze had immers twee studies mogen afmaken. Daar bovenop mocht ze een specialisatie volgen. Van verpleegster-vroedvrouw werd ze dokter en nu wilde ze zich specialiseren in de gynaecologie. Daar had ze haar redenen voor, die haar ouders nog niet wisten. “Wat zit je nu te treuzelen? Neem nog een hap!” “Zo dadelijk, mama. Ik wil jullie wat vertellen. Ik, euh…” “Anja, heb je er al eens over nagedacht welke stage je wil lopen in mijn ziekenhuis?” onderbrak haar vader. “Ik kan je wel even een duwtje geven. Niemand hoeft het verder te weten.” Daar heb je het, dacht ze. Het lijkt wel of ze ruiken dat ik iets anders wil. Maar ik wil niet afhangen van de noden in zijn ziekenhuis. Ze moest doorzetten als ze het leven wilde leiden dat haar als kind geïnspireerd had. Vanaf het moment dat ze in een kerk stapte om de eerste communie van haar neefjes te volgen, voelde ze het. Het leven was meer dan mooie poppen, Nintendo, snelle Polaroid foto’s en uitmuntende cijfers op school. Elke gelegenheid greep ze aan om een kerk binnen te gaan waar ze zich, gezeten op een te hoge stoel, liet overdonderen door de beelden en de schilderijen die haar verhalen vertelden. Ze wilde zelfs veranderen van zedenleer naar godsdienstlessen en in haar kamer zong ze zachtjes hymnes en psalmen mee van onder haar koptelefoon. Later in de universiteit – ze koos voor de katholieke – zonderde ze zich altijd af na de lessen. Ze zat op peda voor vrouwen, niet op kot, studeerde hard en was niet vies van handenwerk tijdens haar stage. Een lijk, een zwaargewonde, een uitterende zieke, ze bleef er rustig onder en prevelde onverstaanbare woorden. Zelfs  de meest ongelovige Thomassen of de uitzichtloze terminale zieken kalmeerden onder haar bedrijvige handen. “Anja! Luister je wel? Wat wil je doen na je afstuderen? Er zijn twee openstaande betrekkingen voor nieuwe stagiaires.” “Ja, het zit zo, papa, ik heb eigenlijk ergens anders gesolliciteerd. Ik zou graag eerst … ” “Wablieft? Waar dan? Wat wil je eerst? Hoe kóm je erbij om zo plots te veranderen?” bulderde hij. Ik moet doorzetten, dacht ze. Nu! “Ik wil eerst naar het klooster. Ik zal mijn gelofte van armoede en kuisheid afleggen en als het God belieft, zal ik na mijn opleiding naar Afrika reizen om daar meisjes en jonge vrouwen te helpen die…” De woorden zaten in haar hoofd. Ze kreeg ze niet over haar lippen. Was ze maar een eeuw eerder geboren. In die tijd was het een hele eer voor een familie om minstens één kind in een klooster te hebben. Dat gaf aanzien in een katholiek dorp. Haar familie, hoe dankbaar ze hen ook was, geloofde enkel in carrière en achting.  Ze vonden het gedachtengoed van de bedelende kerk en hun naïeve goedheid van het delen diefstal. Daarom mocht Anja nooit naar een katholieke school. De universiteit die ze gekozen had, was prestigieus, de enige reden voor haar vader om haar daar te laten studeren. Ze was bijna dertig, maagd, gemotiveerd, geroepen – hoeveel jongvolwassenen beleefden dat nog?  – en devoot, geïnspireerd door de Blijde Boodschap die zij mee wilde uitdragen. Hadden haar ouders nooit wat opgemerkt? “Ik wil zuster worden!” zei ze plots rechtstaand. “Ik ga naar het klooster en als het God belieft, dan ga ik naar Afrika…” De rest van haar zin ging verloren in het gerinkel van het zondagse koffieservies tezamen met het doffe ploffen van de taart op de vloer en de gil van haar moeder…

Anemos
0 0

Verrassing!

‘Iedereen op zijn plaats? Dan gaat nú het licht uit en denk eraan, pas als het licht weer aangaat komen jullie tevoorschijn!’ Albert had alles minutieus voorbereid. Brigitte, zijn vrouw was jarig en ze zou dit jaar een feest krijgen dat zij zich nog lang zou heugen. Het was waar, hij had de laatste verjaardagen niet voldoende aandacht aan haar besteed. Hij had er wel zijn redenen voor maar toch, dit jaar zou ze niet te klagen hebben. ‘En we roepen: SURPIIIIIISE!’ riep Marietje, zijn dochter nog enthousiast. ‘Jaja, wijsneusje,’ antwoordde Albert, ‘Verstop je nu maar achter je poppenkast.’ Ze verdween, zacht pratend, achter de gordijnen van haar poppenkast. Haar vader maande haar aan tot zwijgen. Ze mocht pas poppenkast spelen als mama er was. Bea, Brigittes zus stond vlak achter de deur als die zou openzwaaien. Twee goede vriendinnen zaten onder de tafel. Zij waren het lenigst om er gezwind onderuit te springen. De partners van de drie vrouwen hadden zich aangesloten bij de gasten buiten. Monica, Brigittes allerbeste vriendin zou niet komen. Daar had Albert wel voor gezorgd. Hij rilde al bij de gedachte dat ze hier zou zijn om hem de hele avond op stang te jagen. Dat mocht ze morgen weer doen, wanneer hij alleen thuis was en de deur op een onzichtbaar kiertje open liet voor haar. Alberts vrienden en hun vrouwen verschansten zich met hun drankje in en achter het tuinhuisje. De andere gasten, vrienden, vriendinnen en de collega’s waarmee ze nauw samenwerkte, verstopten zich achter de hagen, de struiken en de tuinstoelen. De gedekte tafel op het terras zou pas opvallen wanneer de lichten daar aangingen, als Brigitte aan de achterkant van het huis weer naar buiten stapte. Ze zou op een lang surprise-salvo getrakteerd worden vanaf de voordeur tot op het terras. Het geluid van een aanrijdende auto die vertraagde en op de oprit tot stilstand kwam, deed het geroezemoes verstommen. Een autodeur sloeg open en weer dicht. Eindelijk, dacht Albert. De voordeur ging open. Er klonken voetstappen in de hal. De deur zwaaide open maar het licht ging nog niet aan. De voetstappen gingen nog een halve meter verder. Een jas viel ritselend op de grond. Schoenen werden uitgeschopt en toen ging het licht aan. “SURPRISE!” klonk het luid. De roep verstomde snel bij het zien van… Monica slechts gekleed in negligé in het midden van de living, haar mond nog halfgeopend in ‘Surprise!’ Was dat dan niet vandaag dat hij alleen thuis was? dacht ze met koortsrode wangen…

Anemos
0 0

Honger

Ik heb honger, en niet zo’n klein beetje. Lastig. Het hotelrestaurant is dicht. Ik ben te verlegen om op straat elk menu naast de deur te lezen en ter plekke te beslissen. Bang wat mensen denken. Als de ober naar buiten komt, móet ik naar binnen, als vegetariër stapte ik zelfs een Steakhouse binnen.    De enige optie voor een onafhankelijk antwoord op de eetvraag, staat voor de deur. Ik haal diep adem en repeteer in mijn hoofd “waar kan ik iets eten?” Hup, door de draaideur en ik sta op straat. Ik draai om naar de portier. De portier heeft een imponerende snor, zo’n Oostenrijksekeizerssnor. Kraaienpootjes geven ogen vaak vermoeidheid. Dit is bij hem anders, de kraaien hebben vriendelijkheid en vrolijkheid rond zijn ogen gepoot. Zijn geur van Old Spice doet aan mijn vader denken.   Wat denkt hij van iemand die om half elf ‘s avonds nog wil eten? Precies een half uur nadat de keuken van het hotel dicht is? Is dat niet vreemd? Een voorverpakte sandwich bij roomservice kan toch? Of chips, pinda’s en cola uit de minibar?   ‘Weet u … misschien … waar ik… op dit tijdstip …’   De portier knipoogt en zegt: ‘Geen probleem, mijnheer.’ Uit de zak van zijn lange, rode jas haalt hij een mobiel en smoest erin. ‘De taxi rijdt binnen vijf minuten voor, mijnheer. Waar gaat de voorkeur naar uit, als ik niet te onbeleefd ben om het u te vragen?’   Ik stamel wat over geen voorgerecht en iets lichts.   ‘Begrepen, mijnheer. En bent u van de rechtopenneer? Als ik weer niet te onbeleefd ben.’   Waar heeft hij het over? Hij ziet mijn twijfel aan voor ontkenning.   ‘Meer van de bal in de mond en plets op de kont?’ Hij knipoogt. ‘Weten we wel raad mee, mijnheer.’    Ik hoop niet dat hij gehaktballen op het oog heeft, zoals gezegd: ik ben vegetariër.    Hij monstert mij als een paardenhandelaar en zegt: ‘Ik bespeur een bepaalde klasse, daar houden we wel van.’   De taxi stopt, hij duwt mij kordaat op de achterbank en zegt tegen de chauffeur: ‘Peter, deze is voor Rooie Mien, special treatment. Zeg dat ze de kelder eerst een sopje geven, deze heer is niet van de straat. Laat Mien de rekening naar ons sturen.’ Hij klopt geruststellend op mijn schouder. ‘We zetten het op de rekening als diner, dan zeurt de boekhouder niet over de bonnetjes.’ Hij licht zijn hoed en sluit de deur. Weg zijn we.   Ik heb honger, en niet zo’n klein beetje.

MCH
0 0

Viktor 2

Viktor voelde het onzachte asfalt onder zich niet toen hij uit de bus stapte en het uitgestrekte, haast verlaten terrein verliet. Zijn hersenen namen hun tijd om de hele rit en de ontknoping ervan te verwerken, als een oude computer die je pas na een schijnbaar ongestructureerde stroom van witte, hoekige cijfers en letters, weer kan besturen. Het bijhorende gepiep, getuut en geblaas kwam nu ook uit Viktor, alsof het hem wilde afkoelen. Aan de uitgang van de stelplaats liet hij zich harder dan verwacht op een koude, donkergroene bank ploffen. Het zwarte scherm in zijn hoofd verwelkomde nu op volle toeren al wat in hem opkwam. Hij zag zijn vaders kin opnieuw dreigend naar hem wijzen als de bajonet van een geroutineerde, uitgedoofde soldaat. Hij zag de loerende wollen sokken héél even zachtheid brengen, hem teder toedekken alsof zijn vader nooit was gevlucht, hij zag hem héél even warmte strooien op de rand van zijn bed, zorgzaam aaiend over zijn onschuldige, even donkere kruin. Nu de frisse lucht weer vrij spel had, rukte het besef op. Hij voelde zich als een van de twee mogelijke uitkomsten die hij voor en tijdens de busrit voor ogen had: gefaald. Waarom had hij de man niet gewoon kunnen zeggen dat hij een zoon had die nu voor hem stond? Of hem enkel de brieven toestoppen die zijn vader naar moeder had gestuurd? En hoewel hij op zoek ging naar kleine lichtpuntjes, wou vluchten van het zwarte scherm der overpeinzingen, naar de Esc-toets graaide in een poging huiswaarts te keren, besloot hij het mistroostige te omarmen. Daar op die kille bank huilde Viktor in twee golven van zacht naar hard, om te besluiten met enkele diepe ademteugen. De hoop van de laatste weken stroomde, condenserend op zijn koud geworden ik, zijn lichaam uit en leek tussen zijn witte sneakers een plas vers regenwater aan te lengen. Misschien bleef alles beter hoe het was. Enkel zijn moeder en hij. Soms vergezeld door zij die in een opwelling van morele verantwoording even meesurfen op golven van medelijden. Kleefkruidigen noemde hij ze weleens. Maar altijd waren er de oprechte tantes en nonkels, neven en nichten die hun kleefkracht níet verloren, of beter, die het zuidgerichte klimrek waren waar hij tegenaan kon groeien. Misschien was deze hele onderneming een gladde wilde scheut. Hij knipte. Stond op. (dit is een vervolg op eerder werk)

Dieter Desmet
0 0

Over de lotgevallen van de brave soldaat Svejk

We zijn Svejk kwijt. Marleen tuurde op haar monitor. Hij moest er zijn, maar hij was er niet. Het boek was al een tijdlang niet uitgeleend en Marleen had de hoofdbibliothecaris er maar met veel moeite van kunnen  overtuigen het niet te verramsjen. Het had te maken met haar neef die al een tijdlang in Praag  woonde met zijn Tsjechische vriendin. De twee hadden elkaar hier in de bibliotheek voor het eerst gezien. Jana studeerde met een beurs aan de universiteit en werkte aan een scriptie over Jaroslav Hasek. Tom had haar wegwijs gemaakt en later dronken de twee koffie. Voor Marleen het sein dat er wat groeide want Tom was normaal geen lady’s man. Hij was zelfs wat eenzelvig en leek zich het best te voelen als  geïsoleerde eremiet tussen de boeken in zijn hermitage. Diezelfde zomer ging Tom met vakantie naar Praag. Hij kwam terug met Jana, pakte zijn spullen, kuste zijn moeder adieu en zou van dan af in Tsjechië wonen. Van een reconversie gesproken. Toen Jana de volgende zomer promoveerde, zette Marleen met neven en nichten koers richting  Praag voor het doctoraatsexamen. Ze bleven enkele dagen logeren, wandelden door de feeërieke binnenstad  en tijdens zo’n dagje sightseeing wees Jana hen het standbeeld van Svejk. Van toen af had Marleen een zwak voor het excentrieke soldaatje. Hoe het hem als milicien in de Eerste Wereldoorlog aan het front was vergaan, zouden ze nooit weten. Voor hij daaraan toekwam was de tuberculeuze auteur  gestorven aan  de  bacteriële infectieziekte die zoveel generatiegenoten fataal werd. Svejk zou dus altijd verder leven in de dagen vlak voor zijn afmars naar de loopgraven. Wat niet geschreven was, kon men erbij dromen. Als bibliothecaris Hendrik zich na de lunch terugtrok voor een korte siësta, haalde Marleen het boek soms uit de rekken, las bij een extra kopje mokkakoffie een willekeurige pagina en overdacht dan wat er vooralsnog zou kunnen  gebeuren. Soms liet ze de consciëntieuze Svejk urenlang wachten in de regen omdat wie hem moest aflossen aan het pierewaaien was met enkele louche kompanen uit de benedenstad.. Een andere keer stootte de soldaat zich bij het ruimen van de paardenstal zo fel dat het bloed over zijn gezicht liep en hij  in de infirmerie belandde waar de hospik hem verzorgde en hem met een kop zoete thee verwende. Als Marleen dan geëmotioneerd zuchtte, vroeg de bibliothecaris bezorgd of ze misschien op een virale infectie broedde. Hendrik was een intelligente man met een meer dan gemiddeld empathisch vermogen. Dat was ook de reden waarom hij het boek met de lotgevallen van de brave soldaat Svejk tenslotte niet samen met een hele reeks andere niet voor 1 euro te koop had aangeboden. En Marleen was een toegewijde werkkracht die hij hoog inschatte. Zodus. Een boek kan toch niet zomaar verdwijnen, zuchtte Marleen. Niet uitgeleend en toch weg. Het zat niet langer in het bestand en ook in de rekken was er geen spoor meer van Svejk. Zijn we misschien gehackt, grapte Jonas. Hij stond in voor de sectie wetenschappen, was altijd goedgezind en een haantje-de- voorste als het om het  budget voor aankopen ging. Was het Svejk  dan toch gelukt om te ontsnappen uit het boek waarin hij door het prematuur overlijden van zijn geestelijke vader bijna een eeuw zat opgesloten? Marleen zag haar soldaat verdwaasd door de straten van het universiteitsstadje dolen. In zijn oudmodische tenue verzeilde hij tussen bont geklede studenten en studentes, hongerig stond hij voor de uitstalramen waarin hem onbekende etenswaren geëtaleerd lagen. Tenslotte stopte hij voor de boekenzaak. Hij schrok toen hij zichzelf herkende op de kaft van een boek dat voor een habbekrats in de uitverkoop lag. Ze kon het niet helpen maar bij het beeld van de arme dolaard raakte ze  geëmotioneerd en had ze dringend koffie nodig.. Iemand kwam de bib binnen. Gegeneerd  voor haar weekhartigheid keek ze niet op. Hier ben ik dan, hoorde ze. Ze veegde met haar hand langs haar gezicht . Er was niemand. Op de hoek van haar desk lag het beduimelde boekje. Wie het gebracht had? Niemand leek het weten. Misschien de soldaat die hier zo-even was, jokte Jonas. Hendrik knipoogde toen hij Svejk terugzette tussen andere antiquiteiten. Met Marleen in de buurt was dat de veiligste optie en al was de bib een voorbeeld van moderniteit, een beetje nostalgie, waarom niet?      

Flor De Preter
3 0

Waar boeken onveilig zijn ...

Waar boeken onveilig zijn … Leuven is sinds mensenheugenis dé universiteitsstad van de Lage Landen, maar wie ervan uitgaat dat de Stellastad de place to be is voor boeken, is naïef. Boeken zijn daar niet veilig. Je had de universiteitsbibliotheek en faculteitsbibliotheken, maar toen ik er in de jaren 70 als would-besoixante-huitard aanspoelde, lag mijn kot godbetert rechtover de stadsbibliotheek. Als ik niet moest brossen, piket staan, betogen of cafés afschuimen, liep ik daar weleens binnen. Soms zat ik op kot een frietje te steken, multitaskend voortbladerend in een boek hoewel mijn vingers aaneenklitten door mayonaise, bearnaise, pickles of frietvet. Of bier. Vandaar wellicht dat de stadsbib later verhuisde en het pand gesloopt werd! Alleen het classicistische portiek met zes Toscaanse zuilen en fronton bleef ongemoeid en werd de entree van museum M. De boeken van de universiteitsbibliotheek daarentegen beleefden een veel ergere, drievoudige calvarie. In augustus 1914 ontaardden Duitse represailles voor een schietpartij (door francs-tireurs volgens hen, een geval van friendly fire volgens historici) in een rancuneuze, rücksichtslose furie: burgers werden zonder boe of bah geëxecuteerd, de stad platgebrand. Ook de middeleeuwse lakenhal waar het gros van de handgeschreven en gedrukte memorie van onze Alma Mater bewaard werd, ging in vlammen op. Pandemonium in het patrimonium: unieke paleotypes, incunabelen, wiegendrukken met kalligrafische miniaturen, monnikenvlijt, folianten, leporello's, vroegwetenschappelijk werk van beroemde Leuvense humanisten, materieel en immaterieel erfgoed. Verbrande en geblakerde papier- en papyrusrestjes dwarrelden buiten de stad neer. De nazaten van Goethe, Schiller en Gutenberg werden per direct paria's. De opgeschrikte beschaafde wereld smeedde een alliantie tegen de barbaarse 'furor teutonicus'. Overal werden karrenvrachten boeken en fondsen ingezameld: Leuven zou een chique nieuwe universiteitsbibliotheek krijgen, in een nieuwsoortige ad-hocstijl, met carillon en zo veel uiterst gedetailleerde tierlantijntjes, symboliek en iconografische hoogstandjes dat een gedegen stadsgids u urenlang kan onderhouden. De nieuwe bib was amper klaar toen een nieuwe blitzkrieg voorbijraasde. En wat is nu waarheid, wat het broodjeaapverhaal? Waren het de Duitsers die een batterij kanonnen opstelden om cynisch ook de nieuwe bib in de as te leggen? Of was het een verstrooide Engelse RAF-piloot die brandbommen dropte? Hoe dan ook: opnieuw van dattum! Bovengrondse brandschade terwijl het boekenfonds in de brandbestendige ondergrondse verdiepingen nagenoeg volledig verloren ging in gesmolten en vervolgens weer gestolde glasmassa! Ook na de Tweede Wereldoorlog herrees de bib als een feniks uit zijn as, maar geen kwarteeuw later voltrok zich een derde boekendrama. Leuven Vlaams, Walen Buiten! Even voorbij de taalgrens verrees Louvain-la-Neuve. Verbannen Franstalige studenten wrikten op de Oude Markt een kassei los en droegen dit souvenir in een plechtige processie helemaal naar hun nieuwe campus. Zodra Vlaamse folkloristen daar lucht van kregen, volgde een nachtelijke raid om de onmisbare kassei terug te halen. Toch is hij (of een andere) opnieuw in Novum Lovanium geraakt en verankerd. Heel andere kolder, van hoog macaber en morbide niveau, was de boedelscheiding inzake het boekenfonds van de universiteitsbib. Waren er twee exemplaren van een boek, dan werd gevochten voor het minst beduimelde. Complexer werd het met een 25-delige encyclopedie. Twaalf delen voor Leuven, twaalf voor Louvain, en voor het 25e deel werd naar verluidt ten slotte kop of munt gegooid. Dit is echter louter mythe; in werkelijkheid gingen alle even inschrijvingsnummers naar de ene partij, de oneven naar de andere. Ook academici en bollebozen hebben immers gezond verstand. Al beweren mensen die erbij waren, dat deelnemers aan de boedelscheidingsvergaderingen vaak een ruime pardessus droegen, met veel grote binnenzakken, en dat ze na zo'n meeting kromliepen van clandestien meegezeulde boeken. Pocketboeken avant la lettre. Tot slot die faculteitsbibliotheek. Vijf jaar na mijn licenties keerde ik er terug om in het zicht van de deadline nog gauw een thesis te fiksen. De knorrige bibliothecaris herkende me meteen, stopte me prompt een uitleenfiche onder de neus en vroeg geprikkeld wanneer ik dat boek eindelijk zou terugbezorgen! Ik viel compleet uit de lucht: een acute casus van retrograde amnesie. Zoals ik al zei: boeken zijn niet veilig in Leuven!

Piet
1 0

de zee

Een half miljoen jaar geleden ging je de naar zee in je teensletsen en oude shorts. Je slenterde door de betonnen blokken en geasfalteerde straten die bakten in de zon. Als men ging liggen, in de schaduw weliswaar, dan kon men de hitte zien opstijgen naar de hemel. De zon was een magnetron en wij waren als mais; soms ontpopte iemand zich tot iemand en verhuisde hij of zij naar andere oorden. Naar de grote koelkaststeden in het noorden waar men zelden naar muziek luisterde. Je hinkelde over de hete kiezels van het strand tot je het verkoelende water voelde met je tenen. Kinderen liepen in hun plastieke schoenen tot de grens van de zee en het land en liepen weg, elke keer als er een golf kwam. Tot vorig jaar hoorde je bij het soort mensen dat wegliep van de golven. Nu liet je de golven je overspoelen, uiteindelijk gebeurde het toch. De golven haalden iedereen in, dat wisten we allemaal. Je keek naar de blauwe lucht, een verdwaalde wolk zocht haar kudde. Je dook in de zee, te oud om nog echt in zeemeerminnen te geloven, te jong om je ogen te sluiten onder water.De zee rees en daalde als de ademhaling van een gigantische reus, en je dobberde op het oppervlak. Sinds kort was je niet meer bang om overspoeld te worden door al het water. Iedereen zwom uiteindelijk. We zwommen al voor we wisten dat we konden zwemmen. We zwommen terwijl we verdronken. Het was daar op het strand, op de grens van land en zee, dat je je ontpopte. Daar leerde je drijven op de ademhaling van de zee. Ze wisten al lang dat de zee je uiteindelijk vond.Een half miljoen jaar geleden gebeurde er iets. Toen je uit het water kwam was alles zo anders, dat het bijna exact hetzelfde was. We vroegen ons af of zou je weggaan of zou blijven. Voorlopig kwam je elke dag terug naar de zee, in je teensletsen en oude shorts. Je zwom in het zoute water zoals altijd. We haalden onze schouders op, 'wat er ook gebeurd,' zeiden we. 'Uiteindelijk haalt de zee ons allemaal in.'  

Stelselmatig
6 0

Feest!

Christel neemt een tweede glaasje cava. Hopelijk zal er lekker eten zijn, want voor de rest voorspelt dit personeelsfeest niet veel goeds. Alle omhooggevallen collega’s staan te pronken met hun partner en straks volgt vast een kijkronde op de parking.  Ze ziet haar reflectie is de grote ramen: a little black dress, haar speels opgestoken en zelfs hakjes en make up ontbreken niet. Tegen beter weten in is ze  klaar voor een opwindende avond, maar net als op kantoor heeft niemand oog voor haar. Ze kijkt rond, op zoek naar een tafeltje waar ze discreet het vijfde wiel aan de wagen zal zijn maar tenminste ongestoord kan genieten van het eten. Dan staat opeens Pieter naast haar en klinkt met zijn glas tegen het hare. ‘Lekker spul, he.’ Ze knikt alleen maar. Ze wordt altijd een beetje zenuwachtig als ze hem ziet. Hij is zo groot, heeft zo’n blauw ogen en lachende tanden. Hij is slim en grappig en weet altijd precies wat hij moet zeggen. Geen wonder dat hij zo populair is bij de vrouwelijke collega’s. Ze voelt dat hij haar aankijkt en nipt verlegen nog wat van haar glas. Net als ze overweegt om stilletjes te verdwijnen tussen de belachelijk grote bloempotten, spreekt hij haar opnieuw aan: ‘Christel? Ik had je bijna niet herkend. Wat zie je er goed uit vanavond!’ Haar hart slaat er eentje over. Hij kent haar  naam en gaf haar een compliment! Of toch bijna… ‘Weet je of Wendy er al is?’ Waarom vraagt hij naar Wendy? Zou de bitch hem niet verteld hebben dat haar man zal meekomen deze avond? Ze trekt haar gezicht terug in de plooi.  ‘Aan de oesterbar. Rode jurk.’ Over alle hoofden heen zoeken zijn ogen contact. Wendy knipoogt, likt aan haar oesterschelp en kust dan haar echtgenoot lang en vurig terwijl ze over zijn schouder Pieter uitdagend blijft aankijken. Christel ziet hoe hij instinctief een stap achteruit zet en met zijn jasje in een metershoge cactus blijft hangen. ‘Ik help je wel even.’ ‘Dank je. Je bent lief.’ Zijn blik blijft even rusten op haar blozende decolleté en dan verschijnen er sterretjes in zin ogen. Hij draait zijn rug naar de zaal, slaat zijn arm rond haar schouder en kijkt haar intens aan. ‘Lieve Christel, je weet vast wat ze allemaal over mij vertellen. Ik kan niet ontkennen dat het meeste ervan waar is. Maar ik zie dat onze anders zo ruimdenkende collega haar echtgenoot heeft meegebracht en misschien is hij wel van het jaloerse type. Wat zou je er van denken als jij en ik deze avond eens laten zien dat hij zich geen zorgen moet maken?’ Terwijl zijn stem dieper wordt, glijdt ook zijn hand langs haar rug naar beneden. Wanneer ze blijft rusten op haar billen, fluistert hij: ‘Als je begrijpt wat ik bedoel?’ Ze knikt alleen maar en neemt snel een derde glas.  

Hadewijch
0 0

Laat mij slapen!

Met een schok zit ik rechtop, een wazige gedaante danst rondjes in de kamer. Mijn vrees is bewaarheid. Ik zat er al op te wachten. Op de tast reik ik naar de muur en na een druk op de knop springt het licht in de kamer aan. Een gnoom met blonde krullen, gele tanden en een gigantische neus met pukkels zingt tijdens het dansen: ‘Niemand weet, Niemand weet dat ik …’    ‘Kop dicht en laat mij slapen,’ roep ik terug.   Hij staat stil met een verwonderde blik in zijn ogen. Eerst kijkt hij mij aan, dan zwaait die blik rond mijn slaapkamer.   ‘Wat mot je?’ vraag ik.   ‘Ik zoek de dochter van een prinses,’ antwoordt Repelsteeltje.   ‘Zie ik er uit als een prinses?’ Ik sla de dekens van mij af. Het jeukt en ik krab aan mijn kloten.   ‘Meer als een middelbare vent… ’   ‘Precies.’   ‘...met een dikke pens, vlekkerig hemd...’   ‘Precies, genoeg.’   ‘...vettige haren, uitgelubberde onderbroek.’    ‘Genoeg zei ik!’   Die veel te grote neus snuift om zich heen als een stofzuiger die spinnenwebben verwijdert en de kabouter trekt een vies gezicht maar durft niets te zeggen.   Hij zakt zwijgend op de vloer en pakt uit zijn wambuis een rol papier. Met zijn handen strijkt hij het papier vlak, zet zijn voeten op de onderste punten van het papier zodat dit niet dicht rolt en buigt voorover. Lenig is hij wel, dat moet ik hem nageven. Geconcentreerd kijkt hij naar de plattegrond waar in het midden een groot rood kruis staat, omringt door pijlen, tekens en tekst. Hij mompelt een paar getallen en opent de locatie-app op zijn mobiele telefoon.   ‘Laat me raden,’ zeg ik. ‘Drieduizend nog iets bij achttienhonderd zoveel.'    Repelsteeltje knikt verrast en toetst de getallen in de app. Hij drukt op “Go” en het scherm wordt groen, links in het scherm verschijnen drie foto’s. Hij mompelt en zoekt de overeenkomsten tussen mijn slaapkamer en de plaatjes van een slaapzaal met gouden hemelbed. Hij scrolt door naar een roodharige schoonheid met een baby in haar armen. Zijn ogen schieten van de foto naar mij en weer terug en schudt zijn hoofd.   ‘Anton…’ begint hij.   ‘... van de planning. Ja, die ken ik nu wel,’ knor ik geïrriteerd. ‘De afgelopen drie weken wordt die knul elke keer als excuus gebruikt.’ Ik stap met een been uit bed, de vloer voelt kil. ‘Eerst die prins in zijn belachelijk strakke maillot, toen een kudde dwergen en eergisteren een wolf.’ De gedachte doet mij weer rillen. ‘De eerste stak zijn tong in mijn mond en prevelde hitsig “Oh, Doornroosje” in mijn oor, de dwergen zochten tevergeefs naar een glazen kist en die laatste hield niet op met klagen over de kwaliteit van de grootmoeders: “Die tegenwoordig allemaal een snor hebben.” En nu sta jij voor mijn bed te dansen. Rot op en laat mij slapen!’   Repelsteeltje kijkt beteuterd op zijn kaart en zegt: ‘Het staat hier toch echt: 3859,43 - 1843,98.’ Hij houdt de resetknop van de app vijf seconden vast. Het scherm flikkert twee keer en wordt zwart met een draaiend, blauw zandlopertje in het midden. ‘Nou, dan ga ik maar weer.’ Hij rolt de kaart dicht en staat op.    Naast de afzichtelijke kobold vormt zich een grijze mist en vanuit deze steeds donkerder wordende schim klinkt de roep: ‘Doe open, doe open.’ Een wolf met een witte poot verschijnt en staat dreigend wijdbeens in de kamer. Nu heb ik het helemaal gehad.   ‘Laat me raden,’ schreeuw ik tegen de wolf die mij stoer aankijkt. ‘Je zoekt een geit?’    De wolf knikt vastberaden en zegt: ‘Zeven geiten om precies te zijn.’   ‘En Anton stuurt je hierheen?’   De wolf knikt weer, nu onzekerder en zoekt met zijn ogen steun bij Repelsteeltje die ingespannen de rode belletjes op de punten van zijn groene sloffen bestudeert.    ‘Zie ik eruit als een geit?’ zeg ik. ‘Of “Om Precies Te Zijn”, zie ik eruit als zeven geiten?’   ‘Volgens mij is mijn zus hier ook geweest,’ stamelt hij. Ik sta met twee benen op het koele zeil, de kou slaat op mijn blaas. ‘Ik ga pissen, en als ik terug ben zijn jullie vertrokken. Vertel al jullie vriendjes en vriendinnetjes die de komende tijd uitvliegen, dat de volgende die midden in de nacht aan mijn bed staat, terugkeert met ongelofelijke hoofdpijn!’ Bij de deur roep ik ze na: ‘Die Anton moet je ontslaan of op zijn minst een goed functioneringsgesprek mee houden. En de basiscursus planning is geen overbodige luxe.’

MCH
0 1

Op mijn hoede

OP MIJN HOEDE Met gemengde gevoelens ben ik vanochtend vroeg vanuit mijn vertrouwde, veilige thuiskantoor op weg gegaan. Waarvoor ik gisteren vreesde, blijkt helaas waarheid. De reis naar Brussel Centraal is een martelgang. Er zitten, naar mijn zin,  teveel mensen in de trein. Ik heb het in een paar coupé’s geprobeerd, maar nergens kon ik een plek aan het raam vinden, waar de overige drie stoelen leeg waren. Dus ben ik op een plaats aan het raam gaan zitten, met schuin tegenover mij aan het gangpad een dame die iets ouder oogt dan ik. Mondmaskers zijn nog steeds verplicht in het openbaar vervoer, als ik haar hele gezicht zou kunnen zien, zou ik een betere inschatting kunnen maken of ze bij de gelukkige reeks ingeënte cohorten leeftijdsgroepen hoort. Voor de zekerheid blijf ik de hele reis , mijn bovenlichaam half gedraaid, naar buiten zitten kijken. Vooraf had ik geen idee, hoe druk het hier in het station zou zijn. Aangezien de verordening over verplicht thuiswerken nog maar net is opgeheven, hoop ik dat het nog rustig zal zijn. Maar net als in de trein valt het me op het Centraal Station vies tegen. Het is nog geen ouderwetse spitsdrukte maar ik moet al aansluiten bij de roltrap waar mensen weer vervallen  in hun haastige gedrag met dringen en voorschieten als gevolg. Ik wil nog zo graag de anderhalve meter respecteren. ‘Corona is immers nog steeds onder ons’, hamert de platgetreden lijfspreuk van een van de expertologen door mijn hoofd. In de stationshal moet ik laveren en grote bogen maken, om me veilig te voelen. Net als een jaar geleden toen het hier onwezenlijk leeg was, heb ik weer wiebelknie n, in de hal, op de trappen in de Ravensteijngalerij waar het zakelijke voetgangersverkeer zich net als vroeger mengt met plukjes pretwinkelend publiek. Ik haast me  in een nooit-gezien record de trappen naar het bevrijdende daglicht op, waarmee ik voor mezelf een extra bewijs lever dat ik gezond ben. Genietend van het schaarse groen, van de uitlopende bomen, zelfs van de krijsend opvliegende zwerm kraaien,  wandel ik het park door. ‘Houd je negatieve zelftest bij de hand’, lees ik op de deur van ons kantoor. En inderdaad, Jolien aan de receptie vraagt naar mijn ‘bewijs’ dat ik geen risico ben voor mijn omgeving. Niemand die binnenkomt zal daar ontkomen.Na deze reis vol ‘hindernissen’ ben ik blij bij mijn bureau te zijn. Ik ontmoet er fijne collega’s die ik al meer dan een jaar alleen online of helemaal niet heb gezien. Maar bij de impuls om hen bij dit weerzien spontaan te omhelzen, moet ik iedere keer op de rem en me behelpen met die ellendige elleboogstoot.

Melissa Wouters
3 0

Duikboot

Sindsdien mochten we niet meer in de buurt van het meer komen. Mama belde de moeders van mijn klasgenoten op met de vraag of hun kinderen in de tuin kwamen spelen en tikte luid op het raampje van de keuken als ze vermoedde dat we iets verdachts aan het uitspoken waren.  Op school ruimden de lessen plaats voor urenlange praatsessies om het verlies te verwerken. Na twee weken waren we de kringgesprekken in de stille ruimte en de knutselsessies om creatief met de nagedachtenis om te gaan spuugzat. De juf begon weer over gewone onderwerpen te praten, zodat we volgend jaar zouden meekunnen in de grote school. Alles wat met water, duikboten of zelfs maar experimenteerdrang te maken had, verdween onverbiddelijk uit het programma.  De laatste dag van het schooljaar had ik er genoeg van. ’s Middags hadden we elkaar uitgewuifd, wetende dat we de helft in september zouden weerzien en de andere helft waarschijnlijk nooit meer. Toen de bel ging, stroomde de school leeg. De banken bleven achter vol chipskruimels en gemorste limonade. De naam van Benno was nergens gevallen.  In plaats van rechtstreeks naar huis te gaan, maakte ik een kleine omweg. Niet langer dan tien minuten, prentte ik me in, anders zou mama ongerust worden. Ik fietste naar het bos, zette mijn fiets vast tegen het bord waarop de wandelroutes uitgestippeld waren en verdween in de richting waarin er volgens de kaart niets lag. Het modderige pad hadden we vorige zomer zo vaak gevolgd, met Benno, op weg naar ons strandje waar we in het water doken en onze zwembroek als een vlag boven ons hoofd uitzwaaiden. Ik ging op de oever zitten, trok mijn schoenen en sokken uit en waadde door het doorzichtige water.  Ik beeldde me in hoe Benno hier had gewandeld, in het donker, met het gevaarte achter zich aan. Ik zag weer voor me hoe hij onder mijn raam had gestaan nadat hij me met kiezels had gewekt, wijzend naar de duikboot gemaakt van een houten vat, een autoruit en een tuinslang, hoe hij hijgend fluisterde dat ik moest meekomen, hoe ik uit angst mijn raam weer dichtschoof en me tussen de lakens wentelde.

Felix Sandon
9 1

Opgesloten ter dood

Opgesloten ter dood “Pak je korset! De koets staat al klaar.” riep moeder door heel de villa. “Ja moeder!” Terwijl ze mijn korset zo hard mogelijk aanspande, vertelde moeder: “Prins Alexander gaat vanavond ook aanwezig zijn op het bal. Zorg dat je straalt!” Ik knikte en pakte mijn sieraden. Terwijl ik ze aan deed, spelde moeder mijn haar op. “Klaar om te gaan!” zei ze vrolijk. Ik stapte in de koets, helemaal klaar voor een koninklijke avond en een elegante dans. Vader kon er niet bij zijn want hij was weg... voor zaken denk ik. Ach ja, ik red het wel in men eentje. De portier opende het deurtje en liet me uitstappen. “Kin omhoog” fluisterde moeder. Ik lachte triomfantelijk en ging naar binnen. Wel moeilijk op zo’n hoge hakken en zo’n strak korset. We bevonden ons nu in een grote, versierde danszaal. Er klonk sierlijke muziek. Moeder had haar vriendinnen al meteen gevonden. Ik? Ik stond daar dan, alleen. Maar dat was rap over want lord Gabriel van Artelsburg kwam naar me toe en vroeg om te dansen. Ik glimlachte en stapte met hem naar de dansvloer. “Je ziet er prachtig uit.” fluisterde hij. Ik probeerde te lachen maar hield niet echt van die opmerking omdat alle jongemannen dat altijd zeggen. Je moet altijd maar alsof doen als jonkvrouw. Niet veel later zag ik mijn vriendin komen, Margot. Ze zwaaide zo beleefd als ze kon en ik lachte – niet fake -  terug. Ik ging even naar haar toe. “Jij hebt je zo te zien al goed beziggehouden?” giechelde Margot en keek naar lord Gabriel die op me stond te wachten. Ja, te wachten! Ik keek even naar hem en ging dan weer terug naar Margot. “Ik wou dat we samen weg konden. Op witte paarden ofzo. Weg van deze wereld…” zuchtte ik. Plots hoorde ik een luide bonk. Mensen gilden en gingen achteruit. Ik hoorde er zelfs ééntje zeggen: “Nee! Mijn jurk!” De knecht die in de buurt was ging met haar weg om haar te troosten maar had volgens mij zelf niet eens door wat er gebeurde. Ik ook niet. “Zullen we gaan kijken?” vroeg ik geschrokken maar ook nieuwsgierig aan Margot. “Ik weet het niet hoor…” Maar ik was al vertrokken, de massa in. Margot bleef alleen achter totdat ze me hoorde gillen boven iedereen. Ze zocht me meteen en vond me spierwit en in shock. Toen durfde Margot niet te kijken naar wat er was gebeurd maar ze zag bloed op de grond liggen en wou zich echt wel even omdraaien. “What the…” Voor ze haar woorden kon uitspreken, viel ze flauw. Jeetje, wat een gedoe. Ik pakte haar en ging weer naar achteren. Ik zag iemand wegrennen met een rode mantel. Raar, die mantel heb ik al eerder gezien. Waarschijnlijk was deze persoon geshockt en voelde hij zich niet goed. Maar wat was dit nu? Iemand die vermoord is op een bal? Vele gedachten dwarrelden door mijn hoofd. Moeder kwam aanlopen en zei dat ze naar de koets ging en Margot wel meenam. “Ik kom mee want ik wil hier geen minuut langer blijven” zei ik bibberend. De volgende dag zat er – zoals altijd -  een krant onder de bloempot die bij onze voordeur staat. ‘Man … vermoordt … bal van hertog Charles … totale chaos…’ Ik hoefde al niet verder te lezen want ik was erbij. Hé? Dit is raar… dacht ik. Bij het artikel stond een foto van die ene persoon – die op een man lijkt - wegloopt. Bizar… Of zou hij er iets mee te maken hebben? Ik weet het niet meer. Misschien moet ik me er niet mee bemoeien… Of toch wel? Ik heb gewoon die mantel al eens gezien. Die is best uniek omdat het van stof is die van de andere kant van de wereld komt. Speciale stof. Ik denk dat mijn vader die ook heeft omdat hij al eens naar Australië is gegaan. Maar die had hij mee op zakenreis. Ik liet het artikel aan moeder zien die haar ogen neer sloeg. “Het was een kennis van me” zuchtte ze. Ik keek haar aan met puppyoogjes omdat ik wel wat medelijden had met haar maar ook zeker met de familie van die lord. Ik hoopte echt dat ze de dader gingen vinden maar een paar dagen later was er nog steeds geen nieuws. Het was tijd om me te gaan bemoeien. “Ik ga naar de stad” loog ik tegen moeder. Ik kreeg een duimpje als antwoord. Natuurlijk ging ik niet naar de stad. Ik moest de waarheid achterhalen. Ik ging vervolgens naar hertog Charles en vroeg wie er op de avond van de moord allemaal aanwezig was op het bal. Hij keek op en ging dan weer terug naar een paar belangrijke formulieren. “Oké, dan haal ik zelf de lijst wel.” Geschrokken keek hij op en zei hij dat hij zo terug was. Duidelijk dat ik niet naar de bibliotheek mocht, dacht ik. Hij kwam terug met de lijsten. “Succes” Grijnsde hij. Ook duidelijk dat hij dacht dat ik dit niet serieus nam. Ik wou net naar buiten lopen totdat ik zag dat de deur van de bibliotheek nog open stond. Ja, waarom niet? Ik sloop er naar binnen en bewonderde de grote ruimte. Ik ging langs de eeuwenoude boeken en ging via een krakerige trap naar beneden. Blijkbaar had iemand dat gehoord want ik hoorde voetstappen in deze richting. Ik verstopte me rap ergens in de kamer. Deze was iets kleiner dan de eerste. De voetstappen verstomden. Opgelucht keek ik de kamer nog eens rond. Huh? Wat was dat? Ik wou net een boek pakken van een rek en plots gaan er precies een soort deur open? Maar net toen dat ik de donkere ruimte wou betreden, hoorde ik veel luidere voetstappen. Zo snel als ik kon klom ik door een raampje en liep ik weg. Maar de lijst had ik per ongeluk nog laten liggen op het bureautje van de grote bibliotheek.  Shit! Ik moest terug om het te gaan halen en ik wou natuurlijk de verborgen ruimte betreden. Stiekem ging ik terug en klom ik door het raampje. Ik ging rap naar boven, pakte de lijst en ging weer terug naar de kleine ruimte. Eenmaal daar ging ik – met de lijst in men hand – de trapjes af. Wat is dat hier allemaal? Een oude, muffe en vochtige geur kwam ik onderweg tegen. Eindelijk, ik was beneden. Ik keek naar boven en zag hoe diep ik nu onder de grond zat. Er was ook nergens een raam te bespeuren. Raar. Ik snuffelde wat rond omdat het toch wel raar is dat je zo’n koude, suffe en donkere kamer in je huis hebt. Ik vond een paar aantekeningen en andere dingen. Tot mijn verbazing zag ik niets geheims totdat mijn oog viel op een doek. Er zat sowieso iets onder. Ik trok het doek eraf en vond een kluis. Een heel ouderwetse dus kon ik gewoon met een speld – die nog in mijn haren zaten om zogezegd naar de stad te gaan – de kluis openen. “Wat …” De rode mantel met bloedspetters lagen erin met nog wat testamenten. Meteen greep ik ze en las ik de testamenten één voor één. Daar zag ik wat handtekeningen van … mijn vader? Onbegrijpend las ik verder. Geschokt bleef ik kijken naar één zin: Deze opdracht wordt opgedragen aan John McKenzie. Ik keek nog verder. ‘Handtekening hier… absoluut niemand vertellen… geheim…’ Ik was in shock. Dus míjn vader heeft iemand vermoordt?? Ik kon het haast niet geloven! Plotseling hoorde ik een klap die van boven kwam. Rap ging ik kijken. Shit! De deur is dichtgevallen. Ik hoorde voetstappen die weggingen… Of… dichtgedaan! Ik wou naar de deur gaan om te proberen dat die nog open ging maar bedacht me dan dat het tientallen trappen zijn en ik toch best zeker weet dat ik ben opgesloten. Wie ging mij hier ooit vinden? Niemand, precies. Ik ben gedoemd… Ik moest hier weg en deze papieren moesten naar de sheriff en wel nu. Maar wat kon ik doen?   Net toen ik wou gaan roepen kreeg de deur weer beweging. Charles kwam binnen en al lachend zei hij: “zozo, jij hebt ons geheimpje dus gevonden…” Ik keek hem vies aan. “Je kunt me niets doen want ik ben de dochter van John McKenzie!” probeerde ik. “Oooh, dus jij bent Penelope.” Zei hertog Charles grijnzend. Ik keek hem nog viezer aan. “Rustig prinsesje, ik kan je inderdaad niets aandoen maar ik kan je natuurlijk ook niet zomaar laten gaan…” “Wat wil je dan hé?” “Jij… gaat niets maar dan ook niets zeggen tegen niemand. Anders is je moeder de volgende. Oh ja, die testamenten en de mantel die je had gevonden, die blijven natuurlijk ook hier.” Mompelde Charles. “Hoe weet jij dan wanneer ik iets heb gezegd?” protesteerde ik. “Ik heb hier en daar wel wat kennissen… de sheriff bijvoorbeeld” Ik huiverde. Ik kon echt nergens naartoe. Naar niemand. Maar ik liet me niet op mijn tenen trappen en antwoordde: “We zullen wel zien!” De hertog lachte wreed en pakte me bij de arm en zei: “Pas maar op, Penelope. Of je zult hier gauw terug zitten, voor altijd.” Ik verloste me uit zijn greep en deed een spurtje naar boven. Ik liep en liep zo hard ik kon het bos in, op weg naar huis. Eenmaal daar vroeg moeder: “Je bleef zolang weg? Veel gedaan in de stad?” “Jaja, veel gedaan.” Ik ging naar de woonkamer om alles even op een rijtje te zetten en vervolgens een plan te verzinnen. Want hierbij kon ik het echt niet laten. Ik kon er misschien niet mee naar de sheriff gaan maar… wel mee naar de pers! Maar ik moest wel een anonieme naam hebben en een soort van code taal. Ik had meteen al een idee. Blijkbaar is er ergens in de stad een geheim detective bureau waar ze in geval van nood, nu dus, communiceren met cijfers. Margot had dat ooit eens verteld dat de vader van de neef van haar broer daar werkt. Ze zei dat ik het tegen niemand mocht doorvertellen. Zelfs moeder weet het niet. Ik pakte een blad en een vulpen en begon sierlijke getallen te schrijven. “Ziezo, dit moet naar de drukker!” zei ik tegen mezelf. “Ben zo terug!” riep ik tegen moeder. “Naar waar ga je?” vroeg ze snel. “Gewoon naar Margot.” En weg was ik. Ik had natuurlijk ook al een anonieme ‘naam’ bedacht: 483928. Dat betekent in letters gewoon Penelope. Met een lang gewaad en een grote hoed op zei ik met mijn vrouwelijkste stem: “Zou u dit kunnen publiceren?” “Euhm… Er staan alleen maar cijfers op?” begon de redacteur. “Doe het nou gewoon.” zeurde ik. “Naam?” Ik keek naar het blad en zei: ”483928” De meneer keek op en deed zijn brilletje af. “Mevrouw… Voor wie houdt u mij?” Ik begon onrustig te worden want niemand had natuurlijk door dat dit over een moord ging. Plots kwam hertog Charles binnen. Shit! Wat doet die hier nu weer? Ik zei bedankt tegen de oude meneer en vertrok zo snel ik kon. Maar hij hield me tegen. “Wie we hier hebben… Wat is dat? Cijfers? Je denkt toch niet dat iemand dit gaat begrijpen?” zei hij spottend en hij lachte luid terwijl hij me streng aankeek. Ik had echt zin om in zijn gezicht te spuwen maar ik draaide me om en ging rap weg. Hij keek me achterna, bang dat ik het toch op de één of andere manier zou vertellen tegen iemand. Dat was ook het geval. Maar hij dacht sowieso dat hij me nog steeds in zijn macht had. Dat was niet het geval. De waarheid moest aan het licht komen. “Hoe was het bij Margot?” vroeg moeder. Ik mompelde wat met het verslag in men handen. “Wat is dat?” Ik keek naar moeder en dan weer terug naar het blad. “Niets hoor.” Dit moest echt gepubliceerd worden want het detective bureau heeft geen specifiek adres naar waar ik het kon sturen. Ik ga morgen terug, dacht ik luidop.  Zo gezegd, zo gedaan. Deze keer had de redacteur gewoon gedaan wat ik vroeg omdat ik zo serieus leek. Hij keek me raar aan en zei: “Voilà, het zal morgen in de krant verschijnen. Ik knikte vriendelijk en ging weer rap weg. Oké, dat was dat.  De volgende dag stond het inderdaad in de krant. Tevreden was ik. Hopen dat ze het zouden lezen. Van moeder moest ik boodschappen gaan halen, dus deed ik dat. Net toen dat ik de winkel wou uitgaan, verscheen Charles weer. Ik vloekte in mezelf. “Ik heb gehoord van een zeer betrouwbaar iemand dat jij een bericht voor dat ene detective bureau hebt gepubliceerd?” Ik bleef stokstijf staan want hoe kon hij dat nu weer weten?? “Je wilt vast weten van wie ik het heb? Dat krijg je nog te horen, maar nu moet je eerst mee met mij.” Ik slikte. “En wat als ik niet wil?” zei ik met een bibberende stem. “Je hebt geen keuze.” Vlak na die woorden pakte hij me stevig bij de arm en trok hij me subtiel in een kleine koets. Mijn mond was droog, ik kon niet schreeuwen. Er zat gewoon een verrader bij het detective bureau! Ik keek angstig door het raam van de koets. “Je vader.” zei hij droog “Wat?” zei ik onbegrijpelijk. Onverstoord ging hij verder: “Je vader zit bij het geheime detective bureau.” Ik sloeg een hand voor mijn mond. “Dus was dat mijn vader die in de krant stond met die rode mantel?” riep ik uit. Charles keek weg. “Geloof me of niet, je zult het toch niet meer tegen iemand kunnen zeggen. Nooit meer.” De hele rit bleven die woorden in mijn gedachten. Wat bedoelde hij daarmee? Eenmaal aan zijn grote huis zei hij: “Trouwens, met nooit meer bedoeld ik dat ik toestemming had gekregen van je vader om je op te sluiten. Voor altijd.” Ik keek hem met grote ogen aan en schreeuwde: “Dat kan niet! Zoiets zou hij nooit doen!” Ik was woedend, maar ook bang. Ik begon te lopen, dwars door het bos. Takken zwierden om me heen. Netels brandden in mijn handen en benen. Ik keek achter me. Hij was op zijn paard geklommen om me achterna te gaan. Zijn zwaard hing langs zijn lederen uniform. Ik struikelde over een dikke tak. Mijn jurk was vies en gescheurd. Mijn hakken deden het niet meer. Blootvoets ging ik op weg naar Margot. Ze moest dit weten. Maar dat was nog een eindje lopen… Niet veel later kwam ik uit op een weg waar er paarden rondliepen die een koets meesleurden. Daarin zat waarschijnlijk de hertogin met haar dochter op weg naar een evenement. Mijn ogen gingen alle kanten uit. Ik hoorde Charles achter me en begon terug te lopen. Op dat moment pakte hij me vast en zette hij me ruw op zijn paard. Ik stribbelde tegen maar tevergeefs. Ik was verloren. Mensen keken ons raar aan maar deden niets. In volle vaart zette hij koers naar zijn huis waar hij me vervolgens afzette. Voor ik weer kon gaan lopen pakte hij me vast en trok hij me naar binnen. Ik keek onrustig om me heen en begon te gillen. “Kop dicht!” snauwde Charles. “De waarheid moet aan het licht komen!” protesteerde ik. “Denk je nu echt dat iemand jou gaat geloven?” Ik keek hem vies aan. “Je kunt niet zomaar iemand vermoorden op je eigen bal!” Hij lachte gemeen en sleurde me mee de duistere kamer in. “Denk je nu echt dat ik iemand heb vermoord?” Ik deed een klein knikje naar links, dat betekent ja. “Ik zou mijn handen toch nooit vuil maken aan zoiets.” lachte hij wreed. Ik spuwde naar hem. Ik wou hier gewoon weg. Daar werd hij niet blij van. Hij gooide me op de grond en liet me achter. “Groetjes!” riep hij vals. Hij trok de deur dicht met een harde klap. Ik bonkte op de deur en riep het uit. Ik zakte naar beneden en begon te huilen. Hier kon ik nooit meer weg. Niemand ging me ooit hier vinden. Ik was opgesloten. Opgesloten ter dood.    

Loewieze
0 0