Lezen

Momenten

Peter kijkt nog een keer achterom naar het beeld van de Griekse godin Niké dat op het kerkplein van Lommel staat. ‘Een mooie herinnering aan de slachtoffers van de oorlogen', denkt hij. Hij loopt verder naar de bibliotheek voor zijn cursus om beter te leren schrijven. Boven zijn hoofd verandert de helderblauwe hemel plotsklaps in een donkere avond. Peter hoort geronk van vliegtuigmotoren, een lichtflits knalt door lucht en grote en kleine projectielen schieten alle kanten op. Boem! Pats! Kleng! Geschreeuw om hem heen.  ‘Wat gebeurt hier en waarom in godsnaam?’, vraagt Peter zich af. Hij kan het niet goed verklaren en staart voor zich uit naar het moderne, bruine bakstenen gebouw met driehoekige ramen waar zijn cursus is. Het dak staat in brand! Mensen rennen uit het gebouw en zoeken een veilige plek tegen meer mogelijk onheil. Peter versnelt zijn passen en lijkt ongevoelig van wat er om zich heen gebeurt. ‘Het lijkt verdomme wel of ik een film beland ben!’, roept hij hardop. Maar niemand hoort hem. Iedereen op en rond het kerkplein is met andere dingen bezig. Peter kijkt nog maar eens om naar Niké. Zijn verbazing trilt door zijn hele lijf! Nu lopen daar soldaten die mensen voor zich uit duwen met een geweerloop in hun rug. Sommigen huilen, anderen steken bang hun handen omhoog en er zijn er ook bij die zich met gebalde vuisten naar de soldaten omdraaien. Voorzichtig kijkt Peter naar de lucht die inmiddels pikzwart is. Hij ontdekt vliegtuigen. En uit hun rompen vallen bommen naar beneden. Ze ontploffen met grote knallen vlakbij het kerkplein. De soldaten met hun gijzelaars beginnen nu te rennen en er klinken schoten! Peter is inmiddels de lege bibliotheek binnen gestapt. Hij treft daar één grote ravage aan. Stoelen en banken liggen ondersteboven en bedolven onder de duizenden boeken die ze hier zo braaf verzameld hadden. ‘Wat een puinhoop!’, concludeert hij. Ineens komt hij tot het besef dat de les vandaag wel niet zal doorgaan. ‘Komt er ooit nog wel een les en wanneer houdt deze ellende op’ vraagt Peter zich af. Hij pakt een omgevallen stoel en gaat erop zitten. Hij moet even nadenken over wat hij hier allemaal in een paar minuten meemaakt. Hij maakt zijn tas open en daar valt pardoes de folder uit over de fietstocht langs oorlogsmonumenten in Lommel en Bergeijk die hij maakt in opdracht van de bureaus voor toerisme van die gemeenten. Peter probeert de folder te pakken, maar hij waait weg. Peter staat op en loopt achter de folder aan. Die waait weer verder de deur uit en het plein op en steeds sneller. Peter holt achter het papier aan. Dar bepaalt zijn koers. Dwars door schoten, gekrijs en gebrul. Maar dan ineens blijft de folder stilliggen. Peter kijkt omhoog en recht in de ogen van Niké. Hij krijgt het warm en het wordt donkerder en donkerder. ‘Het duurt wel lang nu. Toch lijkt hij wakker te worden’ hoort Peter nu. Hij opent zijn ogen. Twee groene ogen kijken terug. ‘Maar dat ben jij, stottert Peter’ nu hij zijn goede vriend Willem boven hem ziet hem hangen. ‘Ik dacht dat je doodging man!’, roept deze. En dan herinnert Peter zich alles weer. ‘Ik had je moeten vertellen, dat ik allergisch ben voor donker gerstebier, maar ik had er geen tijd meer voor toen ik per ongeluk net jouw glas met dat spul leegdronk in het café. En dan ga ik hallucineren. Dat weet je toch. Maar wat ik nu weer meemaakte is ongelooflijk! Je weet dat ik bezig ben met een fietstocht langs oorlogsmomenten?’ ‘Ja zegt Willem, daar heb je het vaak genoeg over. Hoezo?’ En Peter barst lost. De volgende dag is het weer maandag dus cursusdag. Peter steekt met een vreemd gevoel het kerkplein over naar de bibliotheek terwijl hij achterom naar het beeld van Niké kijkt.

Dreschrijft
0 0

Don Key Kong

Helaas en zoals gewoonlijk. Het interne groepsgesprek verliep onordentelijk. Het begon bij die zingende bewaker van de lichtgrijze zone. ~ Kom van je paard af! Ik waarschuw niet meer! Hierachter is De Zone. Niets straalt daar nog. Geen zon. Geen atomen. Geen gimlach. Geen uranium. Daar komt geen Dionysus. Geen nar. Geen chear leader. Geen tear kisser. Geen Bacchus. Geen zot. Manke held, kom nu van je paard af! Strompel terug naar de mensheid. Eet shit aan de tafel van Gert. Kijk naar het bejaardennieuws op de VRT. Om 19h00. Boer Harms komt aan het woord met zijn onverkoopbare patatten. Eugène is een duif kwijt. Gestolen door een postbode. Aan de kust wordt niet meer gekust. Een journalist vraagt naar de oorzaak. Gewoon. Maritieme vettigheid. Gevaar op slipperijen. Aldus random aangesproken, eerste de beste liplezer. Terug naar de studio in Brussel. Oké, en deze winter viel ook de verkoop van sneeuwbanden enorm tegen. Er is een grote daling. In ijsdagen, in schaatsmogelijkheden en echt kritisch denken. Halt! Enough monkey madness! Ja. Werkelijk. Stop hier, Donkey Shot! Kom van dat beest af! Ik waarschuw nu echt niet meer! Moet ik dan specialisten in verleden tijd laten komen? Keer terug! Alles wat men had kunnen redden, heeft men reeds vrijwaard. Bitter weinig is dat en toch waarschuw ik, u: Kom van dat paard af! Lik aan de hoeven van vooruitgang! Moet ik die sukkelfilosoof eens aan het woord laten? Maarten Moudry? Moet ik die rechtse zot uitnodigen voor een kaas- en wijnavond met schele ruiters. Die sul kan schimmel van oude dogma's schrapen. Hij weet alles over demente welvaart en bejaarde normen. Hij kan groeidoelstellingen voor champignons vergelijken met het welzijn in de Onderwereld. Echt! Stop hier, man! Kom van dat paard af! Passeer dit bord niet! Daarachter heersen stilte, berusting. Ledige vlinderhulzen liggen daar. Ga niet kijken! Daar is De Zone. Zonder toekomst. Zonder goden. Zonder idiote stripfiguren met duizend bommen en granaten.       uit de nieuwe reeks 'Foute titelatuur'

Bernd Vanderbilt
1 0

Casa obscura, casus cinereus

  via toegangsdeuren die zelfs hun scharnieren ooit hebben verraden het was met wentelingen naar een ondergang misschien een keldertrap door de sluwe gangen met een tegelvloer voor mank geschaak naar de tuinen waar de ondergrond met veel ongemak de tijd verteert weg zijn de bloemen en ze verschijnen weer die boomskeletten raven hebben er hun nesten, de gebroken takken zijn getemd  is er iemand die de doornstruiken snoeien durft, bloed graag proeft wil de hemel mij nu zeggen waar de rode pannen zijn gebleven  wil het maanlicht schijnen, de gordijnen met wat tederheid bekleden waar is het bed zonder die spijkers, geef die kaars nooit meer vals vuur laat me rusten in de weemoed, slapen op die asse van verkoolde tijd adieu wereld, fout been en fontein vol treurnis, het is tijd ik moet weer moedig opstaan, durven, steigeren gelijk een mier het is naar die gebarsten regenboog, weg van hier, dat ik trekken zal onderweg naar overmorgen, via gisteren, opnieuw door dat gellegat door die boringen gemaakt voor kleinigheden in de bast van treurwilgen naar die stervende rivier, met zijn heen- en weerwolf op dat vlot grauwe nevel doet de wanhoop goed, de regen is voorlopig echt voor hoe lang nog, voor welk duister doel, loerde ergens ooit geluk heeft de toekomst ooit gebloeid, roeide ooit een lichte bries me tegemoet was er ooit een kans dat er larven zouden dansen op het wateroppervlak vraag me nu niets meer, verdwaalde uil, mijn vingers worden liever stil ik wil dit plot verlaten, proeven eten van het dunne winterlicht         uit de reeks 'Reizen met Ricky'  

Bernd Vanderbilt
2 0

Heroïne.

Die ochtend vond hij zijn vader in de zetel, schijnbaar in een diepe rust die nooit meer verstoord zou worden. De jonge man smeekte, schudde aan het levenloze lichaam, sloeg in wanhoop tegen de wangen die ooit warm aanvoelden. Niets. De stilte die volgde was oorverdovend. Zijn wereld stortte niet alleen in; hij verpulverde. De pijn die daarop volgde was zo ondraaglijk, zo allesverslindend, "Hier, adem dit in... alle pijn zal wegvloeien," fluisterde zijn vriend, als een misleidende engel van genade. Op een stukje aluminiumfolie danste een bruin poeder boven een vlam, een duivels brouwsel dat beloofde de rauwe randen van zijn ziel te verzachten. Hij inhaleerde, en inderdaad: de ijzige kou in zijn borst maakte plaats voor een verraderlijke, warme deken. In die jaren was er geen medeleven, alleen verstoting. De maatschappij keek weg en dreef mensen zoals hij naar de schaduwen, naar de vergeetputten van de ziel. Vijftien jaar lang overleefde hij in die ondergrondse duisternis. Hij kocht en verkocht. Terwijl anderen pronkten met blitse auto’s en gouden ketens, kocht hij slechts één ding: verdoving. Elke cent die hij verdiende was een offer aan de god van de vergetelheid, een wanhopige poging om de herinnering aan die ochtend in de zetel uit te wissen. Pas toen de wereld eindelijk leerde kijken met ogen van erbarmen, vond hij de weg terug via een netwerk van hulp. Hij vocht zich uit de klauwen van de roes en koos voor het leven, hoe kwetsbaar ook. Een nieuwe start, weg van de schaduwen. Vandaag de dag zien we de verwoesting nog steeds, vaak vermomd in een legaal jasje. Dagelijks bereiken ons 300 kreten om hulp vanwege fysiek geweld, meestal aangewakkerd door alcohol. Een middel dat we weigeren bij de naam te noemen, omdat traditie en dogma het heilig hebben verklaard. Want stel je voor dat we het 'bloed van Christus' zouden bestempelen als dat wat het voor zovelen is: een verwoestende drug die harten breekt en levens verwoest.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
8 0

Gekooid

Gevangen in mijn eigen gedachten, slenter ik door het lege labyrint van mijn leven. Eenzaam dool ik door doodse gangen en lege kamers die stilte echoën. De hoge muren die ik zelf heb gebouwd, vormen het fundament van mijn zijn.Door het sleutelgat van een voor mij nieuwe en onbekende deur sprankelt een streepje hoop, als de zon die haar stralen door het kleine gaatje perst. Mijn hand rust behoedzaam op de deurknop en laat mijn vingers flirten met het idee van een nieuwe opportuniteit. Een nieuwe kans om mezelf te laten zien, om gezien te worden voor wie ik echt ben. De mogelijkheid biedt zich aan als een zachte bries die me door de kier tegemoet komt. Twijfel loopt langs mijn ruggengraat omhoog en ik hou mijn voet achter de deur zodat de wind ze onmogelijk volledig kan openzwaaien. Nieuwsgierig laat ik mijn blik door de kamer, die in schril contrast staat met de grijze en sombere gangen waar ik in heb rondgedoold, glijden. Ze is gevuld met kleur, gelach, plezier, vriendschap met een gouden randje. Alles waar ik al die tijd zo hevig naar heb verlangd, het gevoel ergens bij te horen. Gehuld in overschaduwd zelfvertrouwen stap ik het uitnodigende onbekende in. De onwetende spotlight keert zich in mijn richting en ik heb maar één doel, één kans om de echte ik te laten zien. Overmand door een angst die zich als donderslag bij heldere hemel aandient, verstijf ik. De schijnwerper dooft zachtjes uit. Ik moet nu mijn kans grijpen vooraleer de aandacht verslapt en haal het vrolijkste masker uit mijn koffer tevoorschijn. Gejoel en luid applaus worden mijn richting uitgestuurd. Goedlachs maak ik een diepe buiging, terwijl stille tranen mijn ogen vullen. Enigszins opgelucht schuif ik mee aan de feesttafel. De eerste indruk ik gemaakt. Starende blikken prikken als kleine kopspeldjes in mijn huid, mogelijke oordelen branden op vreemde lippen. Onzekerheid werpt de hoogste kaart en vult mijn mond met een onophoudelijke woordenvloed gevolgd door een misselijkmakende, valse bulderlach. Een schaamrode paraplu opent zich, woede raast door mijn hoofd als de bui aan ongeloof zich over mij heen stort. Wat heb ik in godsnaam allemaal uitgekraamd? De woorden waarmee ik zopas de kamer heb gevuld hebben geen betekenis, geen waarde. Ze vormen niet meer dan gebakken, zoete lucht. Met een in steen gehouwen glimlach neem ik weemoedig afscheid. Een vertrek dat gepaard gaat met de aankondiging van mijn terugkomst, die met weinig enthousiasme wordt onthaald. Teleurgesteld in het zelfvertrouwen dat me in de steek heeft gelaten, werp ik nog een laatste blik op de warme sfeer die als een roze wolk in de kamer drijft en verdwijn geruisloos in de somberheid van mijn labyrint. Een doolhof waarin de weg naar zelfzekerheid en moed steeds moeilijker te vinden is.Zelfbewustzijn grijpt me bij de keel en slaat mijn hoofd hard tegen de pas gesloten deur. Het schreeuwt en brult, een woede die diep vanbinnen brandt. Opnieuw een kans verpest. Het geroezemoes aan de andere kant van de deur is oorverdovend. Een klaagzang van zelfmedelijden weerklinkt in de gehoorgang. Ik draag het gewicht van een leven vol twijfels en onzekerheden op mijn schouders en voel hoe ik er langzaamaan onder bezwijk. Mijn zelfvertrouwen barst en valt kapot. Buiten adem veeg ik de scherven samen. Met een uiterste precisie tracht ik alle stukjes weer op hun plaats te lijmen, maar mijn trillende handen maken er een zware opdracht van.  Een voorzichtige hand vlijt zich op mijn schouder en geeft er een bemoedigend kneepje in. De warme steun waar hij me mee omringt laat me zweven, alsof mijn lichaam zich vult met helium. We hebben elkaars vertrouwen gewonnen en met een bang hartje laat ik hem toe om mijn strakke jurkje van valse perfectie open te ritsen. Plots kan ik weer ademhalen, mijn longen vullen zich met frisse lucht nadat ze bevrijd zijn uit een veel te spannend korset. Met een met rozenwater doordrenkt wattenschijfje wrijft hij behoedzaam de restanten van de hardnekkige make-up van mijn gezicht en legt zo mijn natuurlijke schoonheid bloot. Liefdevol neemt hij mijn gezicht in zijn handen en drukt zijn lippen op de mijne.  Plots dringt het tot me door. Ik heb geen masker nodig, geen perfectie, want alles is er al. Alles is er altijd al geweest. Een overvloed die zich heeft schuilgehouden in het diepste van mijn zijn. Al die tijd ben ik op zoek geweest naar iets wat altijd al aanwezig was. Ik ben compleet, ik ben heel, ik had gewoon iemand nodig die het zag. Iemand die het geduld in zich droeg om steen per steen mijn muren af te breken en me kon laten zien welke herinneringen mijn hart vullen. Ik ben wie ik wil zijn, ik ben genoeg. Eindelijk word ik gezien. Dat besef bevrijdt me. Als een vogeltje dat veel te lang in zijn gouden kooitje opgesloten zat, sla ik eindelijk mijn vleugels uit en vlieg over de muren van mijn labyrint heen. Ver weg van de overdreven zelfbescherming van gouden tralies en muffe gangen vol angst.

Joni Motmans
5 0

Ford Scorpio

  Kijkt toe. Dit is geen ordinaire volkswagen. Het is een ware Touareg. Speciaal model met wankelmotor voor in twijfeltijden Zeer uniek. Deze machine is speciaal gebouwd voor op die parking naast mijn huis. Het gazon is gekleurd in prachtig British racing green. Bewondert dit. De velgen zijn verzilverd en de pook is van een lekker goud voor extra veel genot. Ik ben een connaisseur in die materie voor de echte man. Is het een kameel met paardenkracht, my lord? Scheurt hij 'wredig' door de bochten, plet hij elke schorpioen? Mijn god, wat glimmen toch die banden, wat zijn ze cool en beestig zwart. Pas maar op, gij kleine man. Ik heb veel zeggenschap, een generaal of tien voor elke vinger van de macht. Kom maar mee. Straks wordt uw ziel gekraakt onder de wielen van mijn Touareg. Er zijn hier knoppen voor de juiste straf en in de koffer ligt het masker voor de beul. Oejoejoei! Ik hoor. U bent wel degelijk een stoer geval, geen kwal die op uw ruitersstoeltje kwijlen zal.  Ik moet nu voort. Mijn voeten zijn doorboord met oude nagels en mijn hemelgeest zoekt frisse lucht. Toch is er hoop, voor U en mij, want de woestijn zal dorstig zijn. Hij slurpt zeer binnenkort de wereld op. Echt. De verlossing is nabij. Heb nog een dag of twee geduld. Dan zijn de oorlogen voorbij. Dan raast die storm niet meer, stopt die razernij. Dan zien die ogen van het zand, voorgoed weer zuiver licht en is ook onze duivel blij, met eindelijk wat rust.       uit de reeks 'Reizen met Ricky'    

Bernd Vanderbilt
0 0

Klavertje en Strohalmpje

Klavertje, een stevige jongen en zijn pienter zusje Strohalmpje mogen vandaag samen in het bos gaan wandelen. De twee kinderen zijn even oud. Ze zijn op dezelfde dag geboren als broer en zus. Ze zijn zowat onafscheidelijk. Tot nu hebben ze altijd naast elkaar mogen zitten in de klas. Dat vinden ze zeer prettig. Tijdens de speeltijd speelt hij wel liever met de jongens, zij vinden meisjes soms te flauw. En zij speelt liever met de meisjes, zij vinden de jongens soms te bruut. Wanneer de speeltijd gedaan is en wanneer ze naar huis mogen, blijven ze wel heel graag samen. Deze woensdagmiddag mogen ze voor de eerste keer alleen naar oma en opa, die aan de andere kant van het bos wonen. Samen met hun papa en mama zijn ze er al veel geweest. Omdat het niet echt ver is, en het bos zo mooi is om wandelen, gaan ze meestal deze zelfde weg.   Omdat ze lief en dapper zijn geweest vandaag, mogen ze van mama er samen op uit. Wanneer ze dan vanavond terug zijn, zal mama iets lekkers voor hen maken. Met verlangen kijken ze uit naar de pannenkoeken die mama zal bakken. Dat is hun lievelingseten, daarom weten ze dat mama dit voor hen gaat klaarmaken. Voor Klavertje zal mama zijn geliefkoosde confituur van blauwe bessen klaarzetten. En voor Strohalmpje zal dat een banaan met bruine suiker zijn. Hun vermoeden vertellen ze elkaar graag terwijl ze met dromende ogen verder stappen. De vele keren dat ze met mama en papa deze weg liepen, hebben ze altijd goed opgelet. Bomen en planten staan er heel veel in het mooie bos en ze wilden het verschil leren kennen. Daar had papa iets op gevonden. Hij nam altijd een boek over bomen en planten mee. Daar staan mooie prenten in. Elke wandeling stopte hij bij een andere boom en las voor wat het boek over die boom te vertellen heeft. En dat was heel veel. Veel te veel om dat allemaal ineens voor te lezen, en dan nog te onthouden ook. Papa moest toegeven dat ook hij daar problemen mee had. Daarom vertelde hij de tweede keer bij eenzelfde boom niet alles meer. Eerst vroeg hij hen of ze iets hadden onthouden. Natuurlijk was dat niet zo. Papa werd daar niet boos voor, hij keek niet zo sip als de leerkracht in de school wanneer ze een antwoord niet wisten. Papa was zo eerlijk om de test voor zichzelf te doen. Hij dacht na wat hij nog wist, zei dat eerst en ging dan toch in het boek kijken of het wel juist was. Niet altijd was dat zo. Klavertje en Strohalmpje lachten dan wel eens, maar ze wisten dat het langer zou duren vooraleer zij alles zouden onthouden. Na de test las papa het eerste feit dat in het boek stond. Wanneer het over de schors van de boom ging, streelden ze die met drie om te voelen hoe puntig, vlak, grof of generfd ze was. Ook mama deed af en toe mee en stelde dan ook vragen als: ‘Hoe kan ik nu weten dat dit een grove schors is, of dat het de vele nerven zijn die ik nu voel?’ Dan trokken ze samen op onderzoek door te voelen, te ruiken, dingen die ze dachten te zien te benoemen en samen kwamen ze tot een besluit en werden wijzer. Zo onthielden ze natuurlijk ook makkelijker welke eigenschap die boom had. De volgende keer was het niet alleen het kenmerk dat ze wisten, ook dikwijls wat en wie er iets speciaal over verteld had. Zo hadden ze die termen beter begrepen. Wanneer een blad werd beschreven moest papa altijd proberen twee van de laagst hangende takken te halen. Natuurlijk ging dit niet bij de grote bomen. Dan gingen ze onder de boom op zoek naar het meest volmaakte blad. Ook die werden dan bekeken, bevoeld en ook meegenomen. Een hele verzameling ervan hadden ze elk in een plakboek. Strohalmpje had daar steeds de bijzonderheden bij geschreven. Om het juist te hebben, schreef ze alles over uit het boek van papa. Klavertje vond dat flauw. Hij schreef hooguit de naam van de boom bij het blad. Je ziet toch hoe het blad eruit ziet, vond hij. Strohalmpje liet hem in zijn koppigheid. Zij wist de kleur nog van het blad want ze had het opgeschreven. In het boek van Klavertje zaten alleen bruingedroogde bladeren waar hij niet meer van wist of die groen waren geweest of die niet iets geler of roder van kleur waren wanneer ze nog aan de boom hingen. Koppig als hij is, vroeg hij nooit of Strohalmpje het niet wilde vertellen. Hij zou de volgende keer bij het blad goed naar de kleur kijken, dan zou hij het wel onthouden. Het ging natuurlijk niet alleen over de kleur van het blad. Hoe groot het kon worden, zagen zij aan hun exemplaar. En welke vorm het had, konden ze meestal ook nog wel zien. Toch was dat niet altijd meer zo bij een uitgedroogd blad. Ook daar had Strohalmpje de oplossing voor. Zij was met een groene, iets dikkere stift, rond het blad gelopen en had de vorm hierdoor echt vastgelegd. Wanneer het blad niet echt groen was had ze in de voorraad stiften die ze ook voor de school gebruikten, de kleur die het dichtstbij was, gezocht en had daarmee de omtrek getekend. Wanneer Klavertje haar zo bezig zag, schudde hij zijn hoofd. Zijn zus was altijd zeer geconcentreerd bezig, de tong dikwijls tussen de lippen. Zijn gedachten zaten al bij het spel dat hij wilde spelen. Verstrooid antwoordde zij wel, terwijl ze verder bleef werken om de informatie zo volledig mogelijk over te schrijven en het blad te tekenen. Tot ergernis van Klavertje, die het allemaal overdreven vond en wou beginnen spelen, kon zij tot een half uur bezig zijn. Dan werd hij boos en begon allerlei verwijten naar haar te roepen. Strohalmpje trok haar schouders op en werkte aandachtig verder. ‘s Avonds kon ze haar nieuwe pagina’s aan papa tonen. Die was dan heel fier maar wist wel dat hij haar niet extra in de bloemetjes mocht zetten. Klavertje zou dat uiterst kwalijk nemen en zich enkele dagen zo koppig en vervelend gedragen dat het plezier uit heel het huis zou verdwijnen. Daarom gaf hij Strohalmpje alleen maar een verdoken knipoog. Zij was daar zeer tevreden mee en wist zeer goed dat het meer betekende dan het leek. Klavertje had dit gezien, op school gaf hij haar de volgende dag ook een knipoog. Gelukkig dat ze broer en zus zijn, de leraar had even geglimlacht en verder niet gereageerd.   Nu liepen ze samen in het bos op weg naar opa en oma. Het was de allereerste keer dat zij deze weg alleen aflegden. Wolven waren er niet, dat wisten ze. Als er toch één zou opdagen zouden ze aan zijn staart en oren trekken. Dat hadden ze afgesproken. Wanneer ze dan voldoende hard trokken, zou de bedrieger wel tevoorschijn komen. Dan konden ze hard lachen. Dat hadden ze ook gedaan toen ze die afspraak maakten. Klavertje zou aan het dak van het huis gaan voelen of het van peperkoek was. Ze kregen bijna buikkrampen van het lachen. Welgemutst waren ze vertrokken. Aan de eerste boom die ze zich herinnerde, bleef Strohalmpje staan. ‘Wat zou papa nu te verklaren hebben over deze boom? Is dit geen tamme kastanje? Ik herinner mij dat je dat kan zien aan die lange bladeren met puntige uitsteeksels aan de nerven. Was dat niet zo, Klavertje?’ Het is toch niet makkelijk zoveel te onthouden. Ook op de school krijgen ze elke dag weer wat nieuws te horen, soms heel veel zelfs. Papa heeft hen wel gezegd dat zijn vertellingen hen wel van pas zullen komen wanneer de natuurlessen hierover zullen gaan. ‘Ja, ik weet dat nog goed. Zeker omdat we hier met papa en mama kastanjes konden rapen. Weet je nog dat we er warme konden eten bij die man met zijn zinken schotel?’ ‘Dat was lekker. Maar de puree die mama met onze oogst gemaakt heeft, was ook heel lekker. Mmm, gaan we wat kastanjes rapen? Dan maken opa en oma daar misschien ook iets lekker mee.’ ‘Zotteke, zie je er nu liggen? Dat is niet het hele jaar dat je die kan rapen, dat heeft pap toen ook gezegd. En daarbij, we mogen onderweg voor niets of niemand stoppen. We moeten zo snel mogelijk doorgaan, dat heeft mama heel duidelijk bevolen.’ ‘Ja ja, ik weet het. Toch zouden ze dat leuk vinden, denk ik.’ ‘Ach kom, er valt toch niets te rapen. En we gaan niet meer aan een boom vertellen wat we erover weten!’ Samen huppelden ze nu in de grote laan. Tijd om rond te kijken gunden ze zich niet meer, tot …   Niet ver weg van de laan waren vreemde bewegingen achter een grote boom. Ze konden niet goed zien wat er was. Zo te zien waren het vier figuren, meer konden ze nu nog niet zien. ‘Wat doen die nu?’ Strohalmpje was perplex blijven stilstaan. Af en toe schudde ze haar hoofd terwijl ze zich kleiner maakte. Tussen haar wimpers door hield ze de bezigheden in het oog. ‘Als ze mijn ogen niet kunnen zien, weten ze niet dat ik al hun bewegingen volg.’ fluistert ze. Klavertje had de opgewonden vraag van haar wel gehoord maar niet goed verstaan. Ook haar laatste verzuchting was niet tot hem doorgedrongen. Toen hij merkte dat ze achterbleef, volgde hij haar blik. Ook hij schudde zijn hoofd. Samen tuurden ze naar de vreemde bewegingen van dat viertal. Ze keken elkaar licht verbaasd aan. Strohalmpje herhaalde met een zucht: ‘Wat doen die nu?’ Klavertje bleef sprakeloos turen. Met de neus bijna in de grond leken een man en drie kinderen als sprinkhanen te bewegen en zo rondom te speuren. Met de neuzen dichtbij de grond leken ze bladeren voorzichtig opzij te schuiven. ‘Die mensen doen raar, wat zouden die daar zoeken? Hebben ze zelf iets verloren of zo?’ ‘We moeten voortmaken, we mogen ons niet laten afleiden. Dat zei mama, dus we maken voort.’ ‘Dan zullen we dat aan papa moeten vragen wanneer we hier de volgende keer voorbij komen. Kom we spoeden ons verder. Oma mag niet ongerust zijn.’  

Luc Van Roosbroeck
0 0

Egyptisch katoen

Het begon met twee lengtes baksteenslag en een herstelperiode van vijf dagen. Intussen volbrengt ze, zonder verpinken, drie maal per week vijfentwintig baantjes in het plaatselijke zwembad. Dat doet iets met een mens.  Na zo’n zwemsessie, waant ze zich niets minder dan een Olympiër. Een bovennatuurlijke kalmte daalt op haar neer en begeleidt haar naar huis, ongeacht welke verblijdende taak haar daar wacht, als ze het geluk heeft dat het er maar één is.  Door niets of niemand laat ze zich nog op stang jagen, denkt ze hardop, nog helemaal in de roes van het zwemmen. Terug thuis worstelt ze met de twintig identieke katers die haar beletten haar dekbed in fris gewassen Egyptisch katoen te stoppen. De scherpe nagelsporen in de dure stof negeert ze stoïcijns - dat krijg je dus, als farao's dieren een goddelijke status verlenen. Ja Toet, draai je maar om in je sarcofaag. Onverstoorbaar schudt ze het dekbed tot er zich een geëffend bed ontvouwt, een vijfsterrenhotel waardig. Haar krachtige, Olympische slag zegeviert en de twintig ellendelingen stuiven de kamer uit, de ogen opengesperd, oren plat tegen de kop. De overige huishoudelijke taken worden vrolijk vergeten of glashard genegeerd en voldaan nestelt ze zich op de sofa. Links van haar ligt de kater bedrieglijk beminnelijk in zijn mand, zijn overige negentien persoonlijkheden meesterlijk achter de geraffineerde blik verborgen.  “Ha”, denkt ze, “ha kattenkop, daar heb je niet van terug”, zij het iets minder overtuigd dan ze zelf zou willen. Het mag dan een pluizige dictator zijn die om zich heen kijkt alsof hij ieder moment een stoet bedienden verwacht, toch kruidt hij ook haar anders wat flauwe leven.  Synchroon met de ondergaande zon, zakt de overwinningsroes in als een soufflé. Van de medaillewinnares blijft maar weinig meer over op dit eenzame uur van de dag. Zelfbewust kirt ze vruchteloos wat verzoenend tegen haar huisgenoot. Hij trakteert haar op de obligate hoeveelheid volstrekt ongenaakbare blikken en strekt tergend traag de achterpoten, één voor één. Wanneer ze zuchtend het licht uitknipt, springt hij op kousenvoeten van de sofa en volgt haar zwierende kamerjaspanden de kamer uit. Nog voor ze hem ziet, hoort ze hem met een zachte plof op het bed landen. “Ik wist het wel”, fluistert de winnares in haar.  De ogen tot spleetjes geknepen, zet de kater spinnend zijn nagels in het Egyptisch katoen. Als je niet beter wist, zou je denken dat hij lacht. 

nikki_petit
3 0

Ter aanbidding van de koningin (liefst die zwarte)

  De aanzet is meestal instant. Dat is sluw voorbereid. Verder vangt het aan met een ware liefde voor geslepen hout. Ze mogen glimmen. Echt. Als groene nieuwtjes. Doch. Raak niets aan. Nooit onbedacht. Zoals de maan gedurende de nacht wit probeert te zijn. Gelijk die nacht zichzelf mooi zwart waant, niet minder lekker dan een geile negerin. Zo oogt het dan en daar staat ze. Voorlopig nog onaangeraakt. Ik wil jullie allebei. Zo denk ik. Het sterrenbeelden Maagden is veruit mijn favoriete illusie. Ik veeg je straks van de vloer, zeggen die andere ogen. Mannetje man is een pooier. Hij verkoopt vals licht. Hij schijnt slechts tederheid te slijten aan een ziel die zich te lomp vindt in die duisternis. Bovendien zijn het meedogenloze rozen die op de torens klimmen. Het zijn ook twijfelachtige paarden die zo onnozel hinken. En er zijn lopers die steeplechase proberen in een polderlandschap. Poldergeist. Soms steel ik nog woorden. Van Ignace. Van een lijdend voorwerp dat zich spontaan uitkleedt. Straks, zwarte schone, dan pak ik je. Ik neem je mee, gezeten op mijn troebel paard met schimmelvlekken. Hete brokken smeulen in het avondvuur. Het is een haard die rode wijn verdraagt, gegooid om vlammen te verlammen. Wat zijn verder uw emotionele ervaringen, schuchtere schakelgeest? Was je vroeger kettingroker, een smet op het blazoen van die edellieden, ouders van een maf fenomeen. Mijn zwarte schone glundert intussen. Ze beweegt nog niet. Paaldansen is voor stijve slangen, zegt ze. Goed. Dit alles heet dan liefde. Voor zielloze wezens. Voor geslepen hout. Het zijn Wanderungen, wandelingen op een tafeltje. Toch houd ik zo van jou. Dat denk ik dan, terwijl een wolfspin op de koning kruipt, zijn geest verslindt.       ter herinnering aan Ignace Somers                  

Bernd Vanderbilt
0 0

Consultatieadres: Niemendal 9, 1307 Twijfelgem

  Dokter Schilferziel, met die spinnenwebben in je operatiekamer. Dokter Schilferziel, met je schilmachine, wreed geduld, schone collectie van weke schimmels. Dokter Schilferziel, ik heb nu al die afspraken gemaakt. Met het lijden uit een oude tijd, met een oorlogsgeest die mij wil tonen hoe het domme collectief kan culmineren in die waanzin rondom mij. Ik moet ook nog, zo heeft u aanbevolen, spreken tot sterren in de lucht. Ik wil het echt aanhoren waarom zij die vlucht ooit namen, weg van onze opschudding. Het zijn allicht die paddestoelen rond de eilen in het Niemendal. Zij kropen uit de onderwereld langs tentakels zwart als droevig roet. Het stopt intussen niet. Zure regen is een flauw begrip voor het arsenicum dat stoffen kleurt voor lijken die zo moeilijk die zo lastig stierven. Intussen heb ik al geoefend, dokter Schilferziel. Intussen heb ik geprobeerd, die loutering te proeven. Doch, ik kon, ik mocht niet dichter naderen. Mijn badkuip werd een geiser, kokend heet. De zon werd wreed toen ik aan die stralen trok. Hegesias hij bleef maar prevelen, alle doelen te versnijden. Een solipsistische kabouter las mij voor uit sprookjes waarin ik alles rondom mij op een te slimme dag verzonnen had. Later, dokter Schilferziel, dan kom ik nog eens langs. De wortelen die groeien in mijn achtertuin ze hebben, denk ik, psoriasis. De zonnebloemen zijn dit jaar zó neerslachtig dat zij alle schijn van bovenaf beschouwen als verkleurde lust. Ikzelf, dokter Schilferziel, ik voel het. Ik brokkel langzaam af gelijk de bergen doe op donderdag. Ik red me wel. Het moet. Mijn hart is dwaas. Mijn geest plant nog ballonvaarten. Over heuvelruggen. Die beweren. Dat het dak van deze wereld. Alles tegenhoudt.       uit de reeks 'Duim voor Dimitri'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Kropsla

‘Heb jij de sla mee in je rugzak? ‘ ‘Jaja, maar loop nu gewoon door!’ ‘Amai, dat is verder van aan het station dan dat ik had gedacht!’  ‘Kijk! Het is ons gelukt! We zijn net op tijd! Kijk,daar!’  Het vuurwerk knalt hard. De rode dotjes aan een lange lijn exploderen met veel lawaai. Ik duw mijn vingers tegen mijn oorlellen. Een wolk van rook stijgt op. De tip vanop de website om oordopjes mee te nemen was meer dan een warme suggestie.  De hele straat is gevuld met mensen. We schuifelen ons erbij. Ik zet me op de tippen van mijn tenen. Het geroffel van een grote trommel komt dichterbij. Gongs en cimbalen geven het  opjagende tempo mee aan. De menigte verdeelt zich in twee en kiest elk een kant van de straat. Twee kleurrijke rode leeuwen sluipen dichterbij. Hun kostuum is rijkelijk versierd met bontranden, spiegeltjes en gelimmende pailletten. De kop heeft grote knipperende ogen. Binnenin laat iemand de mond bewegen. Onder de lange kleurrijke mantel vormt een andere persoon de achterpoten en de staart.  De trommelaar slaat sneller en sneller. De leeuwen dansen energieker van het in midden van de straat tot aan de mensen op de stoeprand. De grootste van de twee leeuwen springt voor ons en stopt. Hij schudt met zijn hoofd van links naar rechts, kijkt naar mij en knipoogt guitig. Hij schudt met zijn achterwerk en legt zich neer zoals een hond in rust.  Het trommelgroffel bouwt verder op, harder en harder. Plots houdt het op. De leeuw staat op zijn achterste poten. De mantel van rode vacht en gouden randen aan de buik valt open. Er passen twee getrainde mannen in. De ene zit in de nek van de andere.   Jij kijkt naar mij en vraagt: ‘Durf jij de sla te geven?’  Ik schud vluchtig nee.  Jij moet lachen en geeft me een knuffel: ‘Wauw! Prachtig! Gelukkige nieuwjaar!’ De leeuwen schuddenbuiken verder door de straat. Het tromgeroffel dooft uit.  ‘Zin om nog naar het pleintje te gaan? Volgens mij, hebben ze in één van die kraampjes zo’n knuffelpaardje. Wil je graag eentje dat lacht of eentje dat huilt?’ ‘Euuh, of eten we anders samen eerst een baozi ?’ ‘Ja, dat is goed!’ 

Evelien Meulders
14 0

The Flameman whose heart shivered

Everyone of the village of Evol would abandon their homes on the coldest day of the winter. For just one night they would flee and sleep out in the snow. For that night the Flameman came to the village. And everyone of the village Evol deeply feared the Flameman. They feared his presence so much they would leave everything except for their clothes and hearts behind so Evol would look like a ghost town the night he visited.The Flameman was always cold and shivering despite being made of orange and yellow and red radiant flames.On the coldest day of winter he would come to Evol looking for warmth. The Flameman was always cold and shivering despite being made of orange and yellow and red radiant flames.Every time he came he found a dark, abandoned and silent village of black and blue and grey.The Flameman would snuggle up in all the blankets and cushions of Evol. Just before he fell asleep, he felt something pull on one of the blankets. He threw everything off him and saw a little girl and her husky. The Flameman stared at her.The little girl stared back. ‘My mama is very cold sleeping in the snow. She won’t stop shivering,’ she said.The Flameman stared at her. ‘Could I please have just one of these blankets for her sir?’The Flameman wiped some snow off the husky’s hair. ‘These blankets haven’t made me warm at all. So I guess you can have them, sure.’The little girl felt the tremble in his hand as he wiped snow off her strawberry hair. ‘You’re also shivering,’ she said. ‘It’s winter. What to do about it?’ the Flameman snorted. ‘Well, the people of my village all go sit back to back in one big circle when we try to sleep.’‘And how’s that working out for your mama?’‘Well, your hand is pretty warm. Why don’t you join us?’ ‘My hand is warm?’ The Flamemans eyes lit up. He nodded to the little girl and they went to the people hiding from him. They were all asleep next to each other. Shivering.Together, the Flameman and the girl covered every one of them with blankets so they would shiver less.The little girl thanked the Flameman and went to sleep in her mother’s arms.The Flameman stared. The husky was the only one left without a blanket. So the Flameman let him snore and sleep in his lap. He could here the breaths of everyone around him. Their heartbeats. Soon as he tried to sleep his longues breathed with theirs.His heart burned with theirs.In that moment his fires flamed a color they had never flamed before. Pink.And every villager stopped shivering. When the villagers woke up they were pleasantly surprised by the blankets. Having survived the night they hugged and cheered while the little girl and the husky searched for the Flameman.But they couldn’t find him.Everyone walked back to the village in the morning air.The snow was as white as the clouds and sky was orange and yellow and red.There was another surprise waiting for the villagers of Evol.From that day forth every day was a warm one, because all their torches were lit with radiant pink flames that burned forever. The crackling of the fire in rhythmic sync with the heartbeats of everyone.  

Émile K.
0 0
Tip

Erwtensoep

Wandelweekend tweede dag Ze zijn op één kilometer van hun vertrekplaats. Zij herkent plots de baan. Ik ben hier al geweest, zegt ze. Gisteren had ze op kaart zitten kijken welke wandeling ze vandaag konden doen. Ze toonde welke haar interessant leek. Een wandeling van 15 kilometer, een stukje bos, een stukje langs de rivier en ook langs een abdij. Zijn interesse was meteen gewekt. Toon eens, had hij gevraagd. Ze toonde hem de foto's van de abdij en las de beschrijving: “In de abdij van Mariawald kan je nog steeds de welbefaamde erwtensoep eten.” Hij veerde enthousiast op achter zijn stuur “Het is die, het is die abdij!”. Zij voelde vuurvonkjes in haar binnenste. Ze had de abdij uit zijn jeugd waar hij vorige maand naar zocht gevonden. En hoe fijn vond ze het om hem blij te maken. Kon ze dit maar alle dagen doen! Ze komen aan op de parking. Zij gelooft haar ogen niet. Ze trilt. Haar buik voelt warm. Ik ben hier al geweest, zegt ze nog eens. Ze loopt in de richting van de abdij, als betoverd. Ze was er inderdaad al geweest, 2 zomers ervoor. Ze had haar toenmalige partner doen stoppen langs de baan omdat ze een mooie witte muur had gezien en wou weten wat daarachter zat. Hij had gereageerd dat de stopplaats niet ideaal was, maar zij wou absoluut uitstappen. Ze was langs de muur gelopen en had getrild. Ze wist niet waarom, maar ze wou hier even rondlopen. Haar partner en kinderen waren gevolgd. Ze liepen langs de abdijmuur naar boven. Daar was zij op het bankje gaan zitten. Ze was stil. Ze voelde iets maar kon dat niet delen. Ze zou wel weer horen “ben je daar weer met je rare gewaarwordingen”. Dus was ze stil en genoot van het gevoel te zweven, langs de abdij, over de uitgestrekte velden, in de zon, naar het verleden. Ze voelde liefde, de liefde die ze vaak miste. Ze lachtte naar haar kinderen. Wat was het leven mooi zo. Ze wou dat gevoel zo lang mogelijk vasthouden. Ze was thuis en ze wist niet waarom. Voor ze de plek weer verliet ging ze nog eens binnen in de kerk en keek door het raam van de cafetaria. Er was niemand. Alles was verlaten. Hij komt naast haar staan. Jouw abdij is mijn abdij, zegt ze en vertelt haar verhaal al wandelend. Er is veel zon, maar ze moeten eerst door het bos en zitten daarna aan de verkeerde kant van de vallei. Toch geniet ze. Hij is speelser vandaag. Ze kruisen een Vlaams koppel met hond. Ze praten wat over het ras en dan over de streek. Hij en de dame hebben vooral het woord. Haar introverte man kan wel heel gemakkelijk met vreemden praatjes maken en dat vindt ze fijn. Na een zin of drie doet hij het weer: hij brengt tijdens het gesprek zo subtiel zijn liefde voor haar naar boven dat ze gloeit. Hoe kan hij toch zo zacht duidelijk maken dat ze de vrouw is waarmee hij oud wil worden? Het laatste stukje is een ommegang, een klim naar boven. De zon recht in het gezicht. Ze zweten. Een zestiger komt naar beneden met een paternoster, strak gezicht. Hij zegt dat ze helemaal toe zit, madam paternoster. Zij lacht dat hij dat net moet zeggen met zijn blokkades. Dan lacht hij: “ik had die reactie zien aankomen”. Ze bekent dat zij ook zou toe zitten als hun relatie zou kapot gaan. Jij bent het, zegt ze, jij en niemand anders meer. Eindelijk zijn ze er. Hij gaat met de hond een plaatsje zoeken in de cafetaria, zij schuift aan voor zijn erwtensoep met worst. Hij zit in de zon. Ze zet de soepkom voor zijn neus, maar hij schuift hem naar het midden om met haar te delen. Zijn ogen spreken liefde en weemoed, hij neemt haar hand, zij wrijft over zijn vingers, kijkt hem in de ogen. Ze delen het abdijbier en de kaastaart. Ze voelt een gelukzalige vermoeidheid opkomen. De emoties van het goddelijke. Zijn abdij is haar abdij. Het was voorbestemd. Ze passen bij elkaar als twee erwtjes in één peul.

Fien SB
79 2