Lezen

de rol van je leven

Sofia dacht niet dat ze het ouderschap had onderschat. Ze was wel totaal onvoorbereid voor hoeveel lawaai erbij kwam kijken. Immers, als je de strenge psycho-, peda- en andere argusogen op Instagram moest geloven was er behoorlijk wat mis met je als je kind langer dan tien seconden op een dag lichtjes jammerde. Sofia had al deze informatie rond hechting en trauma's als een spons in zich opgeslagen: liet je je baby in vreemde handen achter, al was het maar om zelf eens een warme tas koffie te drinken, dan was je als moeder geen stuiver waard.    En dus zat Sofia met haar drie maanden ouden dochter in een draagzak op het toilet, vertwijfeld heen en weer wiebelend in de hoop het eeuwige gekrijs toch even te temperen. Of jogde ze de trap op en af tot het minimensje in slaap viel, om de rest van de avond stokstijf op de sofa door te brengen, het geluid van de tv op stil zodat ze zeker niet meer wakker zou worden. Het kwam niet eens in haar op om haar dochter ingeduffeld in een bedje te proberen leggen - immers, mensen waren dragers en zij, Sofia, wilde toch alleen maar het allerbeste voor haar kind?    Vroeger deden ze dit toch ook?    Want oh, god: het gekrijs. Ze was zo onvoorbereid geweest op het gekrijs.Het kon natuurlijk alleen maar aan haar liggen - ook al zei elke dokter, elke osteopaat en elke natuurhelende reiki dat ze deed wat ze kon, aangezien Laurie bleef schreeuwen kon dat onmogelijk de waarheid zijn.    "Ik denk dat je te hoge verwachtingen van haar hebt," zei haar vriend, Jeroen, terwijl hij op zijn gemakje zijn trui over zijn hoofd trok. "Ze huilt toch helemaal niet zoveel?"    Hij plantte een kus op Sofia's wang, op Lauries bezwete hoofdje, en haastte zich toen naar de hal. "De plicht roept!"    De plicht, dacht Sofia wrang, riep altijd net iets luider wanneer Laurie zich brullend en krijsend tegen een nieuw rompertje probeerde te verzetten. De plicht begon ook pas te roepen twintig minuten voor Jeroens uren begonnen te lopen, wanneer hij zijn bed uit rolde en dan snel-snel moest douchen en vertrekken. Sofia had dan vaak al meer dan een uur een kwade baby aan de borst - maar daar kon hij toch niet mee helpen, dus waarom zou hij opstaan?    Opnieuw een ochtend waarop hij vertrok voor ze gedoucht was. Alweer een dag die ze in pyjama, met ongewassen haar en een collectie koortsblazen zou voortbrengen, de gordijnen gesloten zodat geen enkele Instamoeder kon zien hoe hard ze faalde in het enige wat vanzelf zou moeten gaan, het enige waar ze volgens het oerinstinct goed voor was.    Toen ze de voordeur hoorde dichtslaan, legde Sofia haar hoofd naast haar dochter op het verschoningkussen, en huilde met haar mee.

Anke Vandoolaeghe
0 0

En de handjes tegen elkaar

Kent u dat? Zo'n klote optreden met zweverig vioolgeneuzel waardoorheen iemand de toetsen van de piano vaker verkeerd indrukt dan juist. En als zure slagroom op de beschimmelde taart, kweelt een zanger onbegrijpelijke zinnen uit zijn strot. Vooral erg diepe, filosofische teksten. Metafysisch. En meer van dat.   Ga weg zou je zeggen, sluip naar de zijkant en verdwijn. Maar dat kan niet. Sterker nog, ik ga straks een staande ovatie geven. Mijn derde om precies te zijn, en helaas, daarna volgen meer ovaties. Staand en enthousiast.   Het zit namelijk zo: Naast mij zit Floortje.    Wie is Floortje, vraag u? Zij is sinds het eerste jaar van onze studie het meisje dat altijd straalt. Waar een licht vanuit gaat dat nooit dooft. Niet zo'n fel licht dat de omgeving verblindt, maar een zacht licht dat je verwarmt.    En gisteren, na twee jaar rustig opbouwen met samen studeren, werkgroepje-hier-opdrachtje-schrijven-daar, "oh, wat een toeval! Doe je ook aan Middeleeuws hofdansen?" en meer onverdachte toenaderingen, stemde ze eindelijk toe. Ik mocht met haar eten, na de voorbereiding voor het werkcollege. En 's avonds, zei ze, "wist ze nog een mooie bijeenkomst met muziek. Het begint om negen uur, is dat niet te laat?"    Dus u begrijpt: tussen die kutzooi zit ik met kramp in mijn ruggengraat te wachten tot het ophoudt.    En Floortje? Zij straalt naast mij op een manier zoals ik zelden zie, die verdwijnt bijna in het geluid. Genieten is niet het goede woord, dat omschrijft niet wat naast mij plaatsvindt. Ze houd mijn hand vast, kijkt mij tussen de nummers aan en zucht iets van: "Precies raak, toch?" en "Hoe kan hij dit zo verwoorden," en "Voel je je nu ook zo een? Echt samen?"   Het publiek heeft al twee keer een staande ovatie gegeven. En ik? Sukkelhans-de-ondergetekende klapte netjes mee, met het kontje van de stoel en een rechte rug. Of zo u wilt: een slappe rug, rechte ruggen klappen niet. Dit gebeurt vaker. Twee weken geleden bij een gastcollege waar ik vlak voor het einde wakker werd. Wat de afgelopen droogte is voor gras en bos, zo vergeeld maakte die docent mijn geest. Maar onze professor vooraan klapte enthousiast, stond op van zijn stoel en draaide rond, spiedend door de collegezaal. Of een keer bij een concert van de Bachvereniging. Mooi hoor, daar niet van, maar geen idee of het écht goed was. Voor mij zat mijn saxofoonleraar, en die heeft conservatorium, die zal het wel weten: Hij omhoog, ik omhoog en wapperde netjes mijn handjes tegen elkaar. Morgen, om kwart over tien, hebben we een werkcollege single case study methodologie, en ik hoop dat we samen daar naartoe fietsen, Floortje mag bij mij achterop de bagagedrager. En ik hoop dat we voor die fietstocht samen ontbijten, en ik hoop dat we voor dit ontbijt al verzamelen. Als u begrijpt wat ik bedoel.   Het vierde zweverige zeiklied is afgelopen, ze laat mijn hand los.   Sorry, ook ik schuif mijn stoel naar achter en daar gaan we weer.   In de literatuur heet dit probleem "The Standing Ovation Problem". Voor de geïnteresseerde lezer: Miller, John & Page, Scott. (2004). The Standing Ovation Problem. Complexity. 9. 8-16. 10.1002/cplx.20033. 

MCH
14 1

Oorlogseend

Ik spring in het zwembad. ‘Niet springen,’ schreeuwt mam. Het water ramt de rand, terwijl mam blijft blaffen. Ik neem meneer Kwak en zwem door het opgeblazen kasteel. Ik kom aan bij de troonzaal. Ik zet meneer Kwak op zijn troon. De koning bibbert. Mijn zusje klimt voorzichtig op het laddertje en voelt met haar teen in het water. Een aanval uit het noorden! Ik sluip naast de ommuring tot heel dicht bij de poort. Ik leun achterover op mijn handen, zodat ik precies een tafel ben. Met mijn gezicht juist boven het water, neem ik haar in het vizier. Mijn voeten gaan van de grond en ik trappel in het water. Een water aanval doet het altijd. Blus het vuur van de duivelin! Mijn zusje schreeuwt. Koud? Je komt van het noorden! ‘Stop met pesten,’ roept mam. Het water drupt van mijn zusjes gezicht. Het zijn tranen. Huh, waarom lacht ze, nu? Ze wijst met haar vinger: ‘Badeend.’ Nee! Meneer Kwak verdwijnt achter een golf. Hij verdrinkt als ik hem niet red. Met mijn raketmotor spurt ik naar koning Kwak. Mam schreeuwt: ‘Stop met wild te zijn!’ Ik spring op de paardenstal van de ridders, en grijp naar meneer Kwak. Hij gaat kopje onder. Nee, niet de koning! Ik zal wraak nemen op de vurige tante. Ik grijp mijn opgeblazen zwaard. Ik sta recht en loop met zware benen naar de vijand. Ze gooit met de ridderkamer. ‘Stop met de burcht te verwoesten, godzilla!’ ‘Ik ben geen zilla,’ schreeuwt ze naar me. ‘Ten aanval!’ Ik spring op haar. Belletjes stijgen achter haar op. Ze gaat haar scheet-turbo-motor gebruiken! Zo snel als ik kan, spring ik op mijn paard. Ik duw me zo snel mogelijk vooruit: ‘Aanvallen!’ O nee, ze heeft geteleporteerd. Ik kan niet stoppen, de golven dragen me naar de omwalling. De muren beven en plots ontstaat er een scheur. Een aardbeving? Nee, een waterbeving! Het kasteel stort in. Oh nee, de golven vallen het nabije keizerrijk aan. De keizerin valt van haar ligstoel. Ze verklaart de oorlog. Het einde van koninkrijk Kwak.

K. Stessens
0 0

Gruyère

  Omdat hij in die gaten wil slapen, de leegaard, het vetzakske. Of omdat hij muizen wil kweken en ze dan ruilen met een ekster tegen zilver, de smerige kapitalist. Zo is het gebeurd. Omdat ik het bos in wilde. Omdat ik weg moest. De laatste daden die ik verricht heb in de normale wereld waren die van grafschennis en muiterij aan boord van een papieren vliegdekschip. De moord die ik had moeten plegen om ervan af te zijn, het is er niet van gekomen. Ik heb hem losgelaten omdat hij erom smeekte. Ik was een zwakkeling, even banaal als de ajuinringen in een hamburger. Des vaders zerk heb ik geopend. Dat was op een domme donderdag. Om te spuwen en te plassen op zijn kist en voordat ik het wist of goed besefte zaten die wormen weer in mijn hoofd. Aderlating, zweepslagen op de eigen rug. Niets had geholpen. Ik was een niemendal gebleven. Er is de schrijdende tijd en het benul dat deze wereld een planeet der vreemden is, kwam tot mij toen ik nog een kleuter was, toen een tuinkabouter tegen mij sprak. Hij leek mij toen nog niet zo echt. De waarheid en de wezenlijke kosmos hebben mij later omarmd als een natte inktvis. Zo ging het en normaal zou ik nu Layla aanroepen. Doch ik, deserteur uit het Leger des Onheils, ik houd ervan. Van deze stilte, de verweesdheid en ik heb het hem beloofd. Aan Alfred. Nu zijn frietkot afgebrand is en hij gewoon weer kabouter is in dit bos. Dat ik een bol gruyère zal meebrengen. In ruil voor een bed. Voor zijn gaten, voor zijn muizen, voor geen gezaag enwat zaagsel in een zak wordt mijn matras en hij, hij was een rotzak mijn vader. In vergelijking met hem is Alfred best nog uit te staan. Hij heeft mij niet getekend op de wanden van mijn eigen grot die ik niet eens gevonden heb.     uit de reeks 'Alfred Frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
4 0

Black-out

Black-out Alles wat Greet zich kon herinneren waren piepende autobanden. Ze wist niet meer wat ze aan het doen was toen ze het geluid hoorde maar ze was er zeker van dat ze niet meer in het examenlokaal gezeten had. De bladen op haar tafel leken haar uit te lachen terwijl ze elke vraag steeds opnieuw las, wachtend, hopend, dat ze zich iets van de leerstof zou herinneren. Haar hoofd vulde zich met watten en ze voelde zich koortsig. De spanningshoofdpijn die al de hele morgen op de loer had gelegen, brak uit. Met lood in haar schoenen sloeg ze haar examenbundel dicht en liep ermee naar mevrouw Fancourt die aan het bureau vooraan in het lokaal zat. Ze meende dat ze de ogen van al haar jaargenoten in haar rug voelde prikken. Katrina Fancourt, haar leerkracht economie en klastitularis, was het vleesgeworden voorbeeld van de stereotype secretaresse met haar bruine haar in een stijve knot, een bleke huid, scherpe gelaatstrekken en de grote bril op haar neus aan een touwtje om haar nek. Haar grote grijze ogen hadden dezelfde kleur als haar ouderwets aandoende mantelpakje waaronder ze zwartgelakte pumps droeg. Greet hield haar haar examen voor. Mevrouw Fancourt nam het aan en keek naar het onbeschreven blad dat was bedoeld om de antwoorden te noteren. ‘Greet?’  Greet wilde een confrontatie vermijden en draaide zich snel om. ‘Greet? Weet je dit zeker? Je bent zo goed bezig, dit semester.’Greet voelde een prop in haar keel. Ze had gelijk. Waarom deed ze dit ook alweer?   Ze onderdrukte de impuls om haar examen uit mevrouw Fancourt haar hand te grissen en terug naar haar tafel te lopen.Na een paar ogenblikken zei mevrouw Fancourt, haar teleurstelling hoorbaar in haar stem: ‘Oké, dan. Even aftekenen en dan mag je gaan.’Ze schoof Greet de aanwezigheidslijst toe. Greet haar hand beefde licht terwijl ze haar handtekening zette. Ze werd zenuwachtig en kreeg buikpijn. Haar wangen brandden. Ze zag witte vlekken voor haar ogen terwijl ze het lokaal uit liep, de gang door en de trap af. Na enkele treden had ze de bizarre gewaarwording dat haar lichaam haar niet langer gehoorzaamde. Ze zwalkte tot in het midden van de brede trap.  Haar linkervoet voet gleed onder haar weg. Ze zwaaide met haar armen en graaide om zich heen naar de trapleuning maar tastte in het ijle en viel. Ze kwam hard neer op haar zij. Haar rugzak gleed van haar rug en rolde verder de trap af. De twee politie-inspecteurs die Greet ondervroegen, keken elkaar aan. Een van hen, een vrouw met kort zwart haar en een vriendelijk gezicht, schudde het hoofd. ‘Wij hebben er moeite mee om jouw verhaal te geloven, Greet. Er zijn verschillende ooggetuigen die beweren dat mevrouw Fancourt helemaal niet werd aangevallen. En mevrouw Fancourt zelf bevestigt dat.’Greet keek haar aan met een blik waaruit zowel angst als nieuwsgierigheid sprak. ‘Denk eens goed na, Greet. Wat herinner je je nog? Veel mensen hebben je van alles verteld sinds je wakker bent geworden in het ziekenkamertje op school, maar - dat weet je nog, dat je daar bent wakker geworden?’Greet antwoordde niet. Haar neus begon te lopen. De vrouwelijke rechercheur gaf haar een papieren zakdoekje en zei tegen haar collega, luid genoeg opdat het duidelijk hoorbaar zou zijn op de opname: ‘Ik denk dat we het hier voorlopig beter bij laten. Verhoor beëindigd om…’ In het examenlokaal keken verschillende leerlingen op van hun grafieken en journaalposten toen ze het lawaai hoorden, gevolgd door het gepiep van autobanden toen er ergens een chauffeur hard op de rem ging staan. Katrina Fancourt droeg hen op rustig verder te werken en stond zelf op om te kijken wat er gebeurde. Op het eind van de gang zag ze een groepje leerkrachten, druk pratend en gesticulerend. Katrina liep om het groepje heen. Benjamin, de conciërge, boog zich over Greet heen die met gespreide armen en benen op de trap lag. Na een waarschuwend ‘Voorzichtig!’ van Sara, de turnleerkracht, schoof hij langzaam een arm onder Greet haar nek. ‘God,’ zei Katrina zacht en sloeg een hand voor haar mond. ‘Wat is er gebeurd?’ De groep week uiteen toen Benjamin met Greet in zijn armen de trap opkwam. Haar gezicht was bleek. Haar oogleden bewogen zachtjes maar ze deed haar ogen niet open. ‘Ze is niet helemaal buiten bewustzijn,’ merkte Benjamin op. Katrina, die naast hem liep, zuchtte: ‘God zij dank!’Terwijl ze terugkeerde naar het lokaal waar de leerlingen over haar economische vraagstukken zaten te tobben, drong het tot mevrouw Fancourt door dat Greet dood had kunnen zijn. Terwijl ze op dit moment in het examenlokaal hoorde te zitten, onder haar toezicht! ‘Ik had haar moeten tegenhouden,’ dacht ze, plots kwaad, ‘Als ze dit niet overleeft, zal het verdomme mijn schuld zijn.’ ‘Wat denk je?,’ vroeg Saskia terwijl ze Anton een bekertje koffie gaf. Ze liepen samen terug naar het teamlokaal waar Anton op zijn bureau neerplofte. ‘Ik weet het niet, Saskia. Haar verhaal over die aanval op Fancourt is in elk geval niet juist. De vraag is waarom ze zoiets vertelt. Als ze iemand wilde beschuldigen, had ze wel namen genoemd.’‘Nemen we dan officieel aan dat die aanval nooit heeft plaatsgevonden?’‘Fancourt was daar heel stelling in.’‘Ze mag Greet graag. Het kan zijn dat ze haar in bescherming neemt.’Anton haalde zijn schouders op en dronk zijn beker in een teug leeg. ‘Laten we even aannemen,’ zei Saskia, ‘dat Katrina inderdaad is flauwgevallen, zoals ze beweert. Door de stress, na Greet haar val.’‘De twee meisjes die haar hebben gevonden, zeggen dat ze op dat moment alweer half bij bewustzijn was. En ze zijn absoluut zeker dat ze niets hebben gehoord of gezien dat op een gevecht zou kunnen wijzen. En Fancourt was niet gewond. Dat heeft de dokter die haar heeft onderzocht bevestigd.’‘En die twee meisjes waren teruggegaan omdat…?’‘Een van hen, Karin, was haar trui vergeten na het examen. Bovendien,’ voegde Anton er abrupt aan toe, ‘Als Greet inderdaad zo’n val heeft gedaan, kan ik mij niet voorstellen dat ze nog geen uur daarna een confrontatie aangaat, daarbij fysiek geweld gebruikt en iemand bewusteloos slaat.’‘Blijft nog steeds de vraag waar Greet het hele verhaal vandaan haalt? Het zit niet in haar aard om zoiets te doen, daar zijn we het allemaal over eens. Zelfs als ze er niet helemaal bij is, lijkt het mij onwaarschijnlijk dat ze begint te hallucineren over dingen waar ze vroeger zelfs nooit aan zou dénken.’‘Uhu.’ Anton wreef opnieuw door zijn haar. ‘In elk geval, als Greet liegt, zijn er twee mogelijkheden: of ze is geestelijk niet helemaal in orde na haar val of ze liegt bewust, mogelijk om de aandacht af te leiden van de moord op Karl en zichzelf iemand anders te beschermen. In dat geval kan het ook zijn dat ze zich met opzet van de trap heeft gegooid en haar labiliteit simuleert.’‘Of ze is bij haar zogenaamde val verkeerd terechtgekomen,’ merkte Saskia op.‘Mijn buikgevoel zegt me dat Greet zich niet bewust en vrijwillig met moord of geweld zou inlaten. Volgens mij is het zo gegaan: Het arme kind krijgt een paniekaanval. Als ze faalangst heeft, is dat misschien niet de eerste keer. Ze herkent de symptomen en vertrekt.’‘En valt van de trap omdat ze duizelig wordt, zoiets?’‘Of omdat ze migraine kreeg en blinde vlekken voor haar ogen zag. Sommige mensen zien dan zo goed als niets meer. Ze zet haar voet verkeerd neer, verliest haar evenwicht en valt.’ ‘Dat, of ze is een topactrice en fabriceerde voor zichzelf een prachtig alibi.’‘Greet kan Karl niet hebben vermoord want daarvoor hebben we een bekentenis.’‘Hoeveel geloof hechten we aan die bekentenis van Jasper Oeverlinck?’‘Meer dan aan het verhaal van Greet.’‘Denk je niet dat hij in staat is om zijn bekentenis in te trekken, uit angst of irritatie omdat we hem aan het lijntje houden?’Anton haalde zijn schouders op. ‘In dat geval maakt hij zich schuldig aan belemmering van het gerechtelijk onderzoek en kunnen we hem daarvoor vasthouden.’ Jasper en zijn vrienden Gerrit en Viktor zaten op het lage muurtje dat de koer scheidde van de vele belachelijke grasperkjes waarmee de school haar steentje wilde bijdragen aan een “betere leefwereld”. Zoals altijd meden de meeste leerlingen deze plek omdat de vuilniscontainers vlakbij stonden. Zoals altijd wanneer ze goed gevuld begonnen te raken, stonken ze door het warme weer. Jasper keek voor alle zekerheid om zich heen voor hij de zakjes cocaïne uit zijn jaszak haalde en Viktor en Gerrit er elk eentje gaf. Viktor wilde het zijne onmiddellijk openpeuteren maar Gerrit sloeg op zijn handen. ‘Ben je gek, idioot?! Toch niet hier?’Viktor deed zijn mond open om te protesteren maar deed hem verrast weer dicht toen Greet op het muurtje ging zitten en vloekte: ‘Wat doet die domme trut nu?’ ‘Stil.’Viktor keek Jasper even uitdagend aan maar haalde toen zijn schouders op.  Hij ging op de grond zitten met zijn rug tegen het muurtje, opende zijn zakje, strooide uiterst voorzichtig wat poeder op de rug van zijn hand en snoof het luidruchtig op. Gerrit rolde met zijn ogen, zuchtte theatraal en liep weg. Jasper bleef naar Greet kijken. Haar wangen waren rood. De wind deed haar haar rondwaaien en ze duwde het onhandig achter haar oren. Toen nam ze een pakje zakdoeken uit haar rugzak en begon langdurig haar neus te snuiten. Saskia en Anton luisterden geduldig naar Jasper. Hij vertelde opnieuw dat hij zich had afgevraagd of Greet last had van ontwenningsverschijnselen: haar bevende handen, het feit dat ze huilde en voortdurend haar neus snoot maar niet een keer hoestte of niesde… Maar als ze al langer drugs gebruikte, had hij bij zijn oorspronkelijke bekentenis twee keer herhaald, dan hadden hij, Viktor en Gerrit daar niets mee te maken.  Greet stond langzaam op, alsof die ene beweging haar uitzonderlijk veel moeite kostte. Jasper volgde haar met zijn blik terwijl ze naar de vuilnisbak liep en er een aanzienlijke hoeveelheid zakdoekjes in gooide voordat ze tot zijn verbazing recht op hem afkwam. ‘Jasper?’Jasper knikte kort. ‘Wat moet je?’‘Ik weet dat jij coke hebt.’Jasper nam aan dat ze hem wilde chanteren en sloeg zijn armen over elkaar. ‘Wie zegt dat?’‘Genoeg mensen. Ik wil van je kopen. Ik heb dringend iets nodig.’Dat had Jasper niet zien aankomen. Na een korte aarzeling zei hij kalm: ‘ Ik wil je graag helpen maar ik heb niets meer. Waarom heb je het zo dringend nodig?’Het was een domme vraag. Deed het er iets toe? Als hij haar niet gaf wat ze wilde, zou ze misschien alsnog beslissen hem te verklikken. Ze trok opnieuw luidruchtig haar neus op. Jasper speelde met het laatste zakje coke in zijn broekzak. Moest hij haar er wat van geven? Hij had met haar te doen. Ze had dringend een shot nodig. Ze trok opnieuw haar neus op en diepte met een zucht een nieuwe zakdoek op uit haar handtas. Jasper had het idee dat ze elk ogenblik in tranen kon uitbarsten. ‘Goed dan,’ zei hij voor hij zich zou bedenken, ‘Ik geef je genoeg voor een shot. Ik ga daar geen gewoonte van maken, de volgende keer betaal je, oké?’Greet haar ogen verwijdden zich een ietsje. ‘Ik wil best betalen, hoor. Ik heb het geld alleen niet – niet contant bij me. Hoeveel wil je?’‘Niets’, herhaalde Jasper met klem, ‘Ik deal niet op grote schaal, alleen onder vrienden. Dus je houdt je bek hierover.’ Hij nam haar hand en strooide een minuscule hoeveelheid – nog steeds dubbel zoveel als wat Viktor net gesnoven had – op haar hand.‘Zo. En nu wegwezen.’ ‘Dat is de laatste keer dat ik Greet heb gezien voor ze van de trap viel.’‘Dus je hebt haar niet meer gezien voor of terwijl jullie het examenlokaal binnengingen?’ vroeg Anton.Jasper schudde zijn hoofd. ‘Ze was er ongetwijfeld, zoals iedereen, maar ik heb haar niet daadwerkelijk gezien.’Saskia vroeg: ‘En toen ze naar voor liep om haar examen af te geven? Zij en Fancourt hebben toen met elkaar gesproken. Stoorde je dat niet?’‘Het stoorde mij niet echt, nee. Ik kan me vrij goed concentreren.’Anton knikte. ‘En mevrouw Fancourt bleef de hele tijd in het lokaal, ook nadat Greet vertrok? Je zou voor de rechtbank onder ede verklaren dat er geen mogelijkheid bestond dat ze een confrontatie gehad hebben waarbij Greet van de trap is gevallen?’‘Ja.’‘Tot het moment dat jullie Greet hoorden vallen?’‘Ja.’‘Wat heeft je eigenlijk doen besluiten om Greet die coke te geven? Zoals je tegen haar zei, deal je alleen onder vrienden.’Jasper liet zijn hoofd hangen.‘Heb je er spijt van dat je haar de drugs hebt gegeven?’‘Nee.’‘Omdat je met haar te doen had. Heb je het zelf ook al meegemaakt? Ontwenningsverschijnselen?’‘Ja.’‘Maar je bleef ervanuit gaan dat Greet alleen maar verkouden was. Of last had van een allergie. Omdat ze voortdurend haar neus moest snuiten.’Jasper knikte. ‘Daardoor viel het niemand op dat ze ziek was door de rohypnol die Viktor en Karl haar hadden gegeven en waardoor ze is gevallen .’ Saskia vroeg: ‘Hoe ben je dat te weten gekomen, van die rohypnol?’Jasper rechtte zijn rug. ‘Ik heb een en ander opgevangen toen ik na het examen naar het toilet ging. Viktor en Karl stonden te smoezen over hun “experiment” en wat een goede grap het was dat ik ervoor zou opdraaien.’  ‘Ik heb de rohypnol hierin gedaan.’ Karl hield een flesje cola omhoog.‘Dat wordt lachen!’Karl grijnsde maar hield daar abrupt mee op om dringend te fluisteren: ‘Daar komt ze!’Karl moffelde het flesje in zijn rugzak. Greet zag er slecht uit. Haar blonde haar was vettig en waaide alle kanten op elke keer dat er een zacht briesje opstak. Ze zag eruit alsof ze had gehuild. Een effect dat versterkt werd door het feit dat ze de hele weg van het schoolgebouw haar neus liep te snuiten. Karl kuste haar op haar wang. Viktor zei opgewekt: ‘Hey, Gretie!’Greet glimlachte flauwtjes maar ze zag er zo miserabel uit in vergelijking met haar gewoonlijke flamboyante persoonlijkheid dat het alleen maar bijdroeg tot het meelijwekkende plaatje dat ze bood vandaag. Karl drukte haar tegen zich aan. ‘Schatsie toch!,’ fleemde hij toen ze opnieuw haar neus begon te snuiten.‘Zeg me alsjeblieft dat je iets hebt, Karl,’ zei ze, ‘Zo hou ik het straks geen twee uur vol.’‘Sorry, schat. Alleen dit.’ Hij haalde het flesje cola uit zijn rugzak.Greet keek ernaar en nam het aan. ‘Beter dan niks, toch?,’ zei Viktor.Greet probeerde opnieuw een lachje en nam toen een grote slok cola. ‘Wat is er?,’ vroeg Viktor even later met gespeelde bezorgdheid toen ze zei: ‘Ik voel me precies niet zo goed.’ Hij gaf haar een hand en ze ging op een bank vlakbij. Karl ging op zijn hurken voor haar zitten.‘Schatsie?’Ze keek naar hem maar haar blik was leeg. Hij wuifde met zijn hand voor haar ogen. Ze knipperde amper.‘Goed,’ zei Karl, ‘Het spul werkt. Wat doen we? Heb je iets bedacht?’‘Reken maar.’Karl stond op en Viktor nam zijn plaats in.‘Greet? Luister even goed naar me. We worden bedrogen. De examens worden vervalst door Katrina Fancourt. Ze trekt bepaalde leerlingen voor. Slechte leerlingen. Arme sukkelaars die zonder een beetje valsspelen amper kunnen slagen voor dat aartsmoeilijke examen van haar. Zij krijgen straks makkelijkere vragen. Wist je dat niet? Natuurlijk niet, jij was altijd een van haar lievelingetjes. Maar dat is nu dus afgelopen. Jij bent een goede brave leerling en dus zal jouw examen extra moeilijk worden gemaakt om die dommeriken ook een kans te geven zich beter te voelen dan de rest. Erg hé?’Viktor sprak als een gediplomeerd hypnotiseur, met zoetgevooisde stem, traag en plechtig. Karl proestte het bijna uit. Hij stelde zich voor dat Fancourt op die manier praatte tegen ‘dommeriken’. ‘Wat jij nu moet doen, Greet, is actie ondernemen. Een voorbeeld stellen. Je weigert je examen op te lossen en dient het pro forma in. Wees niet bang of beschaamd. Anderen zullen je voorbeeld volgen en opstaan om deze onrechtvaardigheid tegenover populaire en slimme leerlingen tegen te gaan.’Karl keek op zijn horloge en gebaarde dat Viktor moest afronden. Viktor knikte en zei tegen Greet: ‘Je weet wat je moet doen, Greet. We zullen die trut van een Fancourt eens een lesje leren. We zullen eens laten voelen wie we zijn!’ ‘Ze wilden de schuld in mijn schoenen schuiven.’ Jasper sloeg zijn ogen neer. Net als bij zijn eerste verhoor kreeg hij het moeilijk nu hij onder woorden moest brengen hoe het dealen hem in de problemen had gebracht.‘Na het examen ben ik dus naar het toilet gegaan. Viktor was daar ook, met Gerrit. Hij stond op te scheppen over wat hij en Karl gedaan hadden. Hij was euforisch en herhaalde steeds opnieuw wat een fantastische grap het was geweest. En toen vroeg Gerrit hoe ze ermee dachten weg te komen als Greet tot het besef kwam wat ze had gedaan en een herkansing zou eisen. Dan zou alles immers uitkomen!’‘Gerrit vroeg en passant ook hoe groot de dosis was die ze haar hadden gegeven. Dat wist Viktor niet meer. Hij maalde er ook niet om. Belangrijker, zei hij, was het tweede luik van Karl zijn plan. Ervoor zorgen dat ik ervoor zou opdraaien. Dat kon ik niet laten gebeuren. Ik sta zelf thuis onder zo’n grote druk om te slagen dit jaar. Als ik niet slaag, krijg ik geen cent meer van mijn vader. En studeren en werken combineren is geen optie voor mij. Veel te zwaar. Anders was ik toch nooit gaan dealen.’ Het klonk vragend, bijna smekend, alsof hij wilde dat ze hem zouden zeggen dat hij beter wist dan dat dat alleen de omstandigheden hem ertoe hadden gedwongen.’‘En dat kon je niet laten gebeuren,’ moedigde Anton hem aan, ‘Daarom heb je Karl geconfronteerd.’Jasper knikte. Hij scheurde zijn blik los van de tafel en keek Anton aan, als een man die met opgeheven hoofd zijn daden onder ogen wilde zien en de gevolgen ervan wilde dragen. ‘Het was oorspronkelijk niet mijn bedoeling om hem uit te schakelen of hem een lesje te leren. Ik wilde hem zeggen dat ik wist wat hij en Viktor met Greet hadden gedaan en dat ze mij ervoor wilden laten opdraaien. Achteraf bekeken was het allemaal niet zo onbegrijpelijk. Buiten Karl en ik dealt er niemand op onze school. Daar heeft Karl wel voor gezorgd. Wat voor Viktor een grap was om een maat een poets te bakken en wat plezier te hebben, was voor Karl niet meer dan een logische keuze geweest. Zijn enige optie.’Jasper zijn blik hechtte zich vast aan de grijze muur achter Saskia en Anton. Een wazige blik als de ramen van een geest die mijlenver weg was. Jasper handelde impulsief. Toen Viktor en Gerrit de toiletruimte verlieten, liep hij het toilethokje uit. Karl stond met zijn rug naar hem toe voor de wastafel. Toen Karl overeind kwam en zijn ogen, die hij in zijn kortstondige gelukzaligheid gesloten had, weer opendeed zag hij Jasper achter zich staan in de spiegel boven de wastafel. Hij draaide zich met een ruk om. Waarschijnlijk voelde hij zich in zijn privacy geschonden zoals wanneer je op de wc zit en iemand plots de deur opentrekt. Gekleed in een jeans, een wit T-shirt dat om zijn lijf slobberde en een te groot zwart leren jack, was Karl hét clichébeeld van wat vrouwen lekker vonden.‘Oeverlinck,’ bromde hij, ‘Wat doe jij hier nog, verdomme? Ik schrik me de pleuris.’Jasper antwoordde niet. Hij kon zien dat Karl nerveus was. Hij wist dat Jasper iets van hem wilde. Maar de meesten die iets van hem wilden, schuwden een rechtstreekse confrontatie tenzij ze juist gesnoven of gespoten hadden. Karl wist dingen. En hij deinsde voor niet veel terug. ‘Wat wil je van me, verdomme, freak? Staar me niet zo aan.’ Na enkele ogenblikken zei Jasper: ‘Ik heb alles gehoord.’Karl keek hem een ogenblik onnozel aan. Dan glimlachte hij. ‘Het is jouw woord tegen dat van mij en Viktor. Die meid zal geen woord lossen. Wie zou haar ook geloven, een junk van dertien in een dozijn, die niet wil dat iedereen weet dat ze gebruikt? En hetzelfde geldt voor jou. Als papa te weten komt dat je dealt, draait hij zeker de geldkraan dicht.’Dat had Viktor hem ongetwijfeld verteld.Karl glimlachte opnieuw, bijna vaderlijk. ‘Vergeet het, knul. Als er straks iemand hangt, ben jij het.’ Hij gaf Jasper een duw met zijn schouder en liep het hokje in.Jaspers bloed kookte plots in zijn aderen. Knul, had Karl hem genoemd. Alsof hij een klein kind was. Het kind dat zo afhankelijk was van het geld van zijn papa.Verblind en verhit van woede werd hij zich er na enkele seconden van bewust dat hij om zich heen stond te kijken. Op zoek naar een wapen. Het enige dat hij zag, was het vuilbakje onder de wastafel. Stond er nergens een vergeten borstel of dweilstok? Op het plankje boven de wastafel stonden twee zeeppullen. In de muur zaten een paar tegels los, maar tegen dat hij die had losgewrikt, was Karl al lang weg. Zijn blik bleef op de wastafel rusten, het enige voorwerp dat de lege muur opsierde behalve de spiegel. Als op automatische piloot draaide hij zijn hoofd om over zijn schouder te kijken naar zijn boekentas. Hij deed hem af, haalde er zijn goedgevulde thermos uit en gooide die tegen de spiegel. Met zijn ogen stijf dichtgeknepen tegen rondvliegende glassplinters hoorde hij Karl schreeuwen: ‘What the heck?!’ Karl kloste onhandig naar buiten, met in elke hand een uiteinde van zijn broeksriem.‘Oeverlinck, wat…?’ Hij onderbrak zichzelf met een scherpe kreet toen Jasper een grote glasscherf langs zijn keel haalde.  De zon scheen aangenaam toen Saskia met Greet een week later het ziekenhuis verliet. Voor de dubbele deuren stond een auto te wachten met een chauffeur in blauw pak met witte handschoenen aan het stuur en een beeldschone vrouw op de achterbank. Een forse man in een grijs pak hield de deur open voor Greet. ‘Stap maar in,’ zei hij nogal afstandelijk tegen Greet die prompt gehoorzaamde. Tegen Saskia zei hij: ‘Bedankt. U hebt deze zaak behandeld?’‘Ja.’‘Een droevige zaak, van die jongen,’ bromde hij, ‘Maar wat kun je ook anders verwachten als ze met drugs rommelen?’ Dat laatste zei hij op een gemaakt opgewekt toontje, alsof het allemaal net iets minder erg was nu hij er zeker van kon zijn dat zijn dochter er niets mee te maken had. Saskia boog zich voorover en zei door het openstaande raampje tegen Greet: ‘Succes met je kuur.’ De knappe vrouw, waarschijnlijk Greet haar moeder, zei: ‘Dank u, inspecteur.’‘Het is ons werk. Goedeavond, allemaal. Dag Greet.’ Voor de auto vertrok, hoorde ze Greet tegen haar moeder zeggen: ‘Ik kan me nog steeds niets herinneren behalve die piepende autobanden.’                          

Flixie
0 0

The Lost Ship

  The gulf stream has driven the boat back to the island. I can feel my leaves trembling as I stare out over the deserted beach and think back to the cold 24 hours months ago which my crew and I spent, floating in that boat, abandoned by the pirates who had ambushed us. The storm that had been chasing us all day mercilessly overtook us. The boat was no match for the waves, and it only took a couple of them for the vessel to tip and for us all to be swallowed by the sea.  I do not know exactly how much time passed before, one by one, my men awoke in the loose sand under a bright and burning sun while I remained motionless. Geralt, my friend and right-hand man, was the first to notice that something was wrong. He called me, by my proper title of captain, looking around, his tone first wondering, then suspicious. Carried by the slight wind that touched both our faces, I heard his rapid breathing and an urgent: "Dave?" as he ran to me, knelt down, turned me onto my back ─ I was lying on my side in the soggy sand at the waterline ─ and repeated: “Dave?”  He shook me by my shoulders, unsuccessfully.  I did not wake up for I was no longer there. My soul had risen from my body and settled in the palm tree that now casts its shadow over the grave that Geralt and Pedro dug for my body. After a short but beautiful speech that made my spiritual frame shake, Geralt closed it while Pedro planted a cross at its base that he had made by tying two branches together with some vines. At the bottom of it, he laid a huge, beautiful flower I did not recognise. I am relieved that none of my men shared my fate. After a few days, a trading ship that came from one of the surrounding islands picked them up. The captain followed Pedro to my grave. I had known him. In the whisper of the wind, I heard how the good man promised that I would not be forgotten and ordered one of his officers to have the clerk draw up a report for the Admiralty  

Flixie
0 0

Zelfmoord: Tweeluik (mijn favoriet!!!)

Rupert   De avond ging snel over in de nacht. Rupert sloot voorzichtig de deur van zijn slaapkamer. De gang was donker en verlaten. Zijn ogen hadden even tijd nodig om aan het donker te wennen en hij werd een ogenblik duizelig. Zijn hoofd bonsde en zijn armen en benen waren zwaar. Toen zijn duizeligheid over was, liep hij wankelend naar de grote marmeren trap die uitkwam in de grote inkomhal, zich er pijnlijk van bewust hoe zwaar hij op de balustrade en de trapleuning leunde. Het koude marmer onder zijn voeten deed hem twijfelen toen hij eindelijk van de laatste trede stapte op de al even koude vloer van de grote hal. De dubbele deuren waren uiteraard stevig afgesloten en bewaakt maar Rupert kende het paleis vanbinnen en vanbuiten. Als kind hadden hij en zijn broer zich ontelbare keren verstopt voor de butler of de kokkin die zichzelf beschouwden als de meesters over hun werkterrein en hun kattenkwaad niet konden waarderen. Het kostte hem dus geen moeite om de keuken en de bijkeuken te vinden vanwaar een klein halletje naar een rommelhok liep dat op zijn beurt een ongebruikte deur die uitgaf op vergeten hoek van de paleistuin uitkwam. Aangezien de deur nooit gebruikt werd, nam niemand de moeite haar te onderhouden. Hetzelfde gold voor de deur tussen de hal en het rommelhok. Deze laatste ging krakend open en hij bleef een ogenblik stokstijf staan voor hij naar binnen sloop, de deur achter zich weer dichttrok en de roestige sleutelbos van het haakje bij de deur griste. Hij wachtte opnieuw een ogenblik, luisterde en opende dan de deur naar de tuin. Een koude wind sloeg hem in het gezicht en hij moest even op adem komen. Het vergif in zijn bloed deed onherroepelijk zijn werk. Ook al had zijn moordenaar hem het gif in kleine beetjes toegediend, toch zou het niet lang meer duren voor hij zou bezwijken en dat gunde hij hem of haar niet. Hij wist dat zijn broer razend zou zijn dat hij zo lafhartig en egoïstisch was, maar hij had ook zijn trots. Sterven zou hij toch, daar hoefde hij niet langer aan te twijfelen. Isla was hem goedgezind. De bomen boden overvloedige schaduw die hem zo goed als onzichtbaar maakten voor de wachters die de grote toegangspoort verderop bewaakten. Hij liep de andere richting uit tot aan de tuinmuur en volgde die een eind tot bij een klein hek dat al even roestig was als de sleutelbos in zijn hand. Zonder aarzelen koos hij een van de sleutels, stak die in het slot en draaide hem om, zo snel als hij kon zonder zichzelf door het geklingel van metaal te verraden. De spanning om zich geruisloos voort te bewegen en doodstil te blijven putte hem uit. Het zweet stond verraderlijk op zijn koortsige voorhoofd. Hij rilde over zijn hele lichaam en vocht tegen een nieuwe golf van duizeligheid. De kloppende pijn in zijn hoofd werd sterker alsof ze de seconden, minuten of uren aftelde die hem nog restten. De koude wind ging liggen en de weldaad daarvan deed Rupert genoeg opknappen opdat hij zich er onaangenaam bewust van werd dat hij enkel zijn nachthemd aanhad en dat hij moest voortmaken voor de wachters aan hun vaste ronde om het paleis begonnen en hem hier aantroffen. De wachters mochten dan al vaak hun plicht verzuimen, hun kapitein ontging niets.Onder het lopen werden zijn benen almaar zwaarder en hij was al snel weer buiten adem. Hij zuchtte diep terwijl de twijfel weer aan hem begon te knagen. Misschien handelde hij toch iets te overhaast. Misschien was het al te laat en zou hij zo meteen hier aan de kant van de weg neervallen. Toch stapte hij door, vastberaden zijn plan ten uitvoer te brengen en na wat hem een eeuwigheid toescheen kwam hij bij het meer.  Hij liet zich neervallen op de kleine zandstrook aan de oever. Het was weken, zo niet maanden, geleden dat hij hier voor het laatst was geweest. De herinneringen aan de vele momenten die hij hier samen met zijn broer had doorgebracht waren eindeloos. De eerste was voor Rupert nog altijd de mooiste. Hij stond in dubio terwijl hij zich warm voelde worden vanbinnen door terug te denken aan het moment maar tegelijkertijd de herinnering wilde wegduwen omdat hij wist dat met haar ook de twijfel zou terugkeren.  Het was een paar jaar geleden geweest. Roderick had een zware discussie gehad met hun vader en Rupert had zijn broer later hier aan het meer teruggevonden. Ze hadden niet met elkaar gesproken, alleen samen naar het water gekeken. Hij had zich suf gepiekerd over wat hij kon zeggen tegen zijn broer die duidelijk gekwetst was. Roderick had gemerkt dat hij niet op zijn gemak was en had hem ronduit gezegd dat zijn gezelschap genoeg was. Met een glimlach had hij die woorden bezegeld en er was geen verdere uitleg nodig geweest. Sindsdien had Rupert hem regelmatig meegenomen naar het meer. Het spijt me, Roderick. Wees alsjeblieft niet kwaad, als je me al zult missen. Niet dat die kans groot is nu ik je zo in de steek laat. Het wateroppervlak rimpelde. Er stak een licht briesje op maar nauwelijks genoeg om het water te beroeren. De rimpels vergrootten en werden lichte golven. Het water stroomde steeds verder het zand op en voelde bijna heet aan zijn verkleumde voeten. Hij balde zijn vuisten en zijn ijskoude vingers maakten duidelijk dat het niet het water was dat bijzonder warm was maar hijzelf die het ijskoud had, afgezien van zijn gloeiende voorhoofd. Het water doorweekte nu de zoom van zijn nachthemd en hij werd zich opnieuw pijnlijk bewust van zijn verschijning.  Hij ademde diep in terwijl iedereen die hij kende en die hem dierbaar was voorbij gleed in zijn gedachten. Roderick, die geregeld terugkwam, de raadsheer, de kapitein, diens rechterhand, Hettie, zijn eerste stiekeme liefje… Zijn ouders en zijn zus zag hij niet.Ondanks Roderick zijn afkeer als die het zou weten, verdacht Rupert hun ouders en Elina.  De golven werden groter en stroomden nu allemaal samen naar eenzelfde punt in het midden van het meer. Een straal water spoot omhoog als een schitterende fontein. Twee meter boven het wateroppervlak plooide de straal open als een bloem die ontluikt.  Uit de straal schoot een tweede straal omhoog die langzaam de vorm aannam van een menselijke, vrouwelijke gedaante. Ze had geen handen en voeten. Haar ledematen leken vergroeid te zijn met de kroonbladeren. Ze was heel frêle. Haar middel was niet veel breder dan de stengel die gevormd werd door de oorspronkelijke waterstraal die nu groen kleurde. Hier en daar ontsnapte een straal water met een lichte schuimkop die als een schil naar beneden gleed en verdween in het kabbelende azuurblauwe water.  Rupert snakte naar adem. Slechts enkelingen hadden ooit Eïsé, de manigri, de nimf van verlangen, aanschouwd.De nimf van verlangen had een smal ovaal gezicht, grote donkerblauwe ogen die diep in hun kassen lagen en een klein mondje met donkergroene lippen. Haar witte huid had een groene schijn.  Ze keek op hem neer en hij voelde zich heel klein en nederig worden tegenover de ontzagwekkende verschijning die zich maar zelden aan iemand verscheen. Hij zakte door een knie en boog het hoofd, ervan overtuigd dat de koorts hem eindelijk klein gekregen had en hij zich dingen begon in te beelden.  Toen de manigri sprak klonk haar stem warm en vriendelijk. “Wat kan ik voor u doen, mijn prins?” Rupert kon niet antwoorden. Hij was te veel onder de indruk van de feeërieke verschijning. Waarom verwaardigde ze zich om aan hem te verschijnen? Hij, en vele anderen voor hem, hadden hier aan het meer hun wensen en verlangens gespuid opdat de manigri deze zou kunnen vervullen. Het was bijna heiligschennis om te twijfelen aan het bestaan van de manigri maar sinds mensenheugenis zou het slechts drie eker gebeurd zijn dat de nimf van verlangen zichzelf had geopenbaard al de formidabele kracht die het meer bezat. En hier stond hij, Rupert, oog in oog met die kracht.De manigri wachtte even. Toen ze tenslotte sprak, klonk haar stem verrassend warm en zacht voor zo’n rijzige figuur. “Majesteit, u hebt mij veel van uw wensen toevertrouwd. Ik weet dat u vol zorgen zit.”  “Machtige manigri, niet alleen ben ik te verbaasd en te zeer onder de indruk van uw verschijning om mijn wens uit te spreken, ik schaam mij ervoor. Dit is de simpele waarheid, geen poging om u met zinloze vleierij in te palmen om u te overtuigen deze wens alsnog te vervullen.” Eïsé nam hem op met haar grote, blauwe ogen. “Ik luister.”Maar Rupert kon de woorden niet over zijn lippen krijgen. Hij had nooit naar hier moeten komen. Hij had moeten luisteren naar de stem in zijn hoofd die almaar twijfel zaaide. Hoe kon hij verwachten dat zo’n prachtig, verbazingwekkend wezen als de nimf van verlangen zijn egoïstische wens zou volbrengen? Hij schudde hulpeloos zijn hoofd.“U zal mij verafschuwen. Ik zal u vervullen met afschuw voor elke onschuldige ziel die uw hulp komt afsmeken.”“Ik heb vele afschuwelijke verlangens aangehoord, mijn prins. Spreek uw wens uit en ik zal bepalen of ik haar vervul, zoals ik doe met elk verzoek, zonder een oordeel te vellen.”Hij rechtte zijn rug en keek in de grote bedwelmende ogen.  “Ik wil sterven.” Eïsé verdween niet zoals hij gevreesd had en ze ontstak ook niet in woede terwijl het water in torenhoge golven op hem af kwam rollen om hem te verzwelgen. Hij had een gemengd gevoel hierbij. De twijfel was weer komen opzetten en als Eïsé hem de rug had toegekeerd had hij daar heel gemakkelijk aan kunnen toegeven. De manigri zei: “Hoogheid, als het uw wens is, zal ik uw levensenergie hier en nu uit uw lichaam wegnemen. U zult sterven op de zachte deining van de diepste slaap, die u de mooiste dromen zal schenken zonder dat nare herinneringen uw geest vertroebelen. Twijfel noch angst zal u kwellen. Doch bezin alvorens u beslist en bedenk wel: Ik heb geen macht over uw ziel.”Rupert keek omhoog. Hoewel ze ver van hem verwijderd was, had hij elk woord perfect kunnen verstaan. Hij weigerde echter haar raad op te volgen. Hij wilde niet weer beginnen twijfelen. Twee keer had hij zichzelf kunnen overtuigen om door te zetten. Een derde keer zou hij dat niet meer kunnen. De dood zou de ultieme oplossing zijn. Slaap noch wake brachten zijn geest rust. Zijn laatste gedachte verwoorde hij hardop: “Ik wil tot op het laatste ogenblik zelf over mijn leven beschikken.”Zijn stem stierf weg en de stilte woog zwaar op hem. Zijn gedachten konden zich nu ongehinderd aan hem opdringen en de twijfel werd sterker dan ooit.  Hij haalde diep adem en sloot zijn ogen in een poging om de groeiende storm in zijn hoofd tot rust te brengen. Hij moest nadenken. Hij moest nu een onomkeerbare beslissing nemen, kalm en beheerst.  Hij wílde ermee doorgaan, besefte hij.De twijfel verdween en maakte plaats voor angst. Geen angst om te sterven, geen angst voor pijn of het onbekende. Angst voor Roderick zijn haat.Het idee dat Roderick kwaad zou zijn en hij nooit de kans zou krijgen om hem uit te leggen hoe belangrijk het voor hem was om zelf uit te maken wanneer en hoe hij zou sterven, was hard. Hij wilde niet dat Roderick hem over het graf verwijten zou maken of erger: hem zou verachten. Maar hij had een plicht op zich genomen ten opzichte van zijn jongere broer en stilzwijgend gezworen dat hij deze nooit zou neerleggen. En nu zou hij dat toch doen.  Maar hij had geen keuze. Hij zou het zichzelf nooit vergeven als hij het niet deed. Hij was zich ervan bewust dat de manigri, die nog steeds boven hem uit torende, en waarschijnlijk zijn gevoelens en gedachten kende, woord voor woord, zoals hij ze zichzelf vertelde.  Op dit punt onderbrak ze die gedachten. “Het is uw broer die uw beslissing bemoeilijkt.” Het klonk half als een vraag die gesteld werd om iets te bevestigen. Hij knikte. Roderick was voor hem zoveel meer dan een broer die zijn steun nodig had, die bij hem uithuilde en die hem al zijn geheimen vertelde. Zijn broer, beste vriend en beschermeling was niet alleen als een zoon die in hem een vader zocht maar hij gaf hem warmte en liefde zoals niemand anders dat deed. Roderick was de zin van zijn bestaan. En hoe waardevol die bestaansreden ook was, toch wilde hij, Rupert, nu een einde maken aan zijn leven. Op dit punt schakelde hij zijn gedachten uit. De volgende gedachten wilde hij zelfs niet in zijn geest vormen. Roderick had het recht op zijn eigen gevoelens. Daar mocht niet mee geknoeid worden. Hij, Rupert, verdiende de pijn die hij zou voelen als hij over de Grens tot in alle eeuwigheid telkens weer geconfronteerd zou worden met de haat van zijn broer. Hij wenste vurig dat het anders kon. Hij kwam overeind uit zijn geknielde houding.Hij had de beslissing genomen.  Zijn benen waren verkrampt en hij kon niet meer dan kleine stapjes zetten naar het water toe.“Machtige manigri, aanhoor mijn wens. Ik wens vandaag te sterven in de wetenschap dat mijn broer gelukkig zal zijn, vrij van zorgen en gevaar.” Eïsé boog. “Ik hoor uw wens. Beschouw haar als vervuld.” Eïsé schreed over het water naar hem toe. De twee waterstralen die haar armen waren kwamen naar omhoog en twee fijne waterhanden werden met een verrassend teder gebaar op zijn wangen gelegd. Ze bracht haar gezicht tot vlak bij het zijne en hij zag water stromen achter de flinterdunne, doorzichtige huid. Een ijzige koude raakte zijn lippen en er liep een koude rilling over zijn rug. Er liep water uit haar mond over zijn lippen zijn eigen mond binnen. Eerst een beetje en dan steeds meer tot hij nog amper adem kon halen. Bloed en water begonnen als een razende door zijn lichaam te stromen en zijn ledematen werden slap. Zoals Eïsé beloofd had, leed hij geen pijn. Sterker nog, de pijn in zijn hoofd en de koorts verdwenen terwijl het water in zijn aderen zijn lichaam afkoelde.Eïsé plaatste een koude hand onder zijn nek en de andere onder zijn rug toen hij in elkaar zakte en hield hem in haar armen als een kind. De spieren in zijn nek begaven het en zijn hoofd viel naar achteren. Het ijle, verdovende gevoel in zijn hoofd nam toe en terwijl hoofdpijn, koorts en twijfel samen met het leven uit hem wegvloeiden, had hij zijn laatste gedachte, helder als kristal: “Ik heb het juiste gedaan.”   Roderick   Roderick bleef abrupt staan toen er een scherpe kou opbloeide in zijn hoofd. Hij hoorde de stem van zijn broer in zijn hoofd: “Machtige manigri, aanhoor mijn wens. Ik wens vandaag te sterven in de wetenschap dat mijn broer gelukkig zal zijn, vrij van zorgen en gevaar.” Een eeuwenoude stem antwoordde: “Ik hoor uw wens. Beschouw haar als vervuld.” Roderick brak door het weelderig tierende struikgewas aan de oevers van het wensmeer. Het tafereel dat hij aantrof, vervulde hem tegelijkertijd met verwondering en afschuw. Rupert hing in de armen van Eïsé, de nimf van verlangen. Bewegingloos. Dood. Iedereen geloofde dat de magie van het meer die elke wens vervulde afkomstig was van een andere bron dat het water zelf. De magie zelf zat niet in de natuurlijke elementen water, lucht en aarde die aanwezig waren in en rond het meer maar werd belichaamd door de manigri Eïsé. Net als elke nimf was Eïsé onlosmakelijk verbonden met haar omgeving. Niemand twijfelde aan het bestaan van de manigri maar slechts enkelingen hadden haar ooit met eigen ogen en zij werden amper geloofd als ze het navertelden. Roderick kon amper geloven dat hij een van deze bevoorrechte getuigen was geworden. Temeer omdat de grootse gebeurtenis gepaard ging met een van de gruwelijkste, meest onvoorstelbare dingen die hem konden overkomen: de zelfmoord van zijn broer. Een scherp “Nee!” stierf in zijn keel, versmacht door verbijstering en, zelfs op dat moment, spijt omdat hij een wonder aanschouwde en er niet van kon genieten.    Roderick voelde de ene rilling na de andere over zijn rug en door zijn lichaam gaan terwijl hij in het zand geknield zat, starend in het water zonder iets te zien. Hij sloeg zijn armen om zich heen, wetende dat het een vergeefse poging was. De verdovende kou werden niet veroorzaakt door de wind of de regen maar werd uitgeademd door de ontluikende bloem in zijn hoofd. Alleen aan hun moeder en grootmoeder hadden hij en Rupert ooit verteld dat ze oorsprongsmagie bezaten. Hun moeder had bedenkelijk naar haar eigen moeder gekeken die op haar beurt haar armen over elkaar had geslagen en haar hoofd geschud had. Ze geloofde er niets van. “Zie je nu wat ik al die jaren bedoeld heb, schat”, had ze gezegd, “Ik heb het altijd gezegd. Vroeg of laat zou het gebeuren. Dan zou hij gek worden. Dat komt ervan als je die jongens te veel toegeeft. Ik heb nooit geloofd in die onzin over oorsprongsmagie.” “Nee, mam, het wordt tijd dat grootmoeder mij gelooft”, had Roderick gezegd voor Rupert zijn verhaal kon verdedigen. Roderick wist dat iedereen Rupert verweet wat hij ‘die onzin’ in ‘zijn arme broer’ zijn hoofd had gestoken. Roderick herinnerde zich die bewuste avond nog levendig. “Elke magische stroming heeft ergens haar oorsprong”, had Rupert hem uitgelegd terwijl ze samen wachtten op hun moeder die een verhaaltje zou voorlezen. Rupert had deze verhalen al gehoord en later zelf gelezen toen hij klein was, meer dan tien jaar voor Roderick geboren werd. Roderick had zijn broer die bewuste avond gevraagd of hij het niet vervelend vond om er telkens bij te komen zitten als moeder hem voorlas. Rupert had geglimlacht en hard door Roderick zijn warrige, dikke haar gewreven tot hij Rupert zijn hand wegsloeg. Terwijl hij een verwoede poging deed om zijn haar plat te strijken had Rupert gezegd: “Zolang jij het wil, zal ik het blijven doen, kleine broer.” Roderick had hem aangekeken en gevraagd: “Echt?” Rupert had opnieuw geglimlacht. “Echt waar.” “Waarom?” “Omdat ik je grote broer ben.” Op dat moment was hun moeder de kamer binnengekomen. Ze had niets gehoord van het gesprek maar later, terwijl ze Roderick toedekte en Rupert met een kus naar zijn eigen kamer stuurde, had Roderick gevraagd of Rupert hem later meer wou vertellen over oorsprongsmagie. Hun moeder had Rupert zwaar berispt. Rupert was zonder nog een woord te zeggen in bed gekropen. Na dat voorval was Rupert lange tijd heel zwijgzaam geweest. Hij maakte op Roderick de indruk van een slaafse gevangene die zwijgend zijn straf onderging. De vrolijke, onbezorgde gelatenheid en warme affectie waarmee hij Roderick doorgaans omringde, maakten plaats voor stijve gereserveerdheid. Roderick had zich in die tijd vaak alleen gevoeld. Hij miste zijn broer zijn gezelschap en verveelde zich dood. Datzelfde gevoel van onbereikbaarheid en eenzaamheid voelde hij terwijl hij wezenloos in het water staarde. Net als tijdens die eenzame weken was Rupert zo dichtbij en toch zo ver weg. Roderick had zich destijds zo trots en bijzonder gevoeld toen hij een inval kreeg en in een flits begrepen had wat oorsprongsmagie werkelijk was. Rupert zijn reactie toen hij hem gevraagd had waarom hij altijd maar bleef meeluisteren naar de oude verhalen was geweest: “Zolang jij het wil, zal ik het blijven doen, kleine broer. Echt waar. Omdat ik je grote broer ben.” Maar Rupert was altijd al zo veel meer voor hem geweest dan een broer. Rupert was een vriend met wie hij kon lachen en dollen. Hij was als een liefhebbende vader, die hem troostte als hij viel en zich bezeerde. Hij was een rots in de branding waarop hij altijd kon steunen. Hij was zijn gids en beschermer die hem bij de hand nam als hij bang of onzeker werd. Hij was op zichzelf wat veel anderen om hem heen samen waren, of zouden moeten zijn. Roderick zag Rupert graag als geen ander. Wat hij voor Rupert voelde, was uniek. Zo uniek dat er iets uit ontstond dat weinig andere menselijke relaties opwekten: magische krachten. Zo zuiver en ongezien was hun affectie dat ze zich vereeuwigde in een gedaante die buiten het bereik lag van de gewone mens. Dat was hoe Roderick het in een opwelling verwoord had tegenover zijn moeder en zijn grootmoeder. Ruperts op het eerste gezicht zo onbeduidende antwoord “Omdat ik je grote broer ben” had nog onbeduidender geleken toen de volledige betekenis ervan tot hem doordrong, de bron van oorsprongsmagie, groots in zijn eenvoud: liefde.    Maar liefde is fragiel en de grens met haat, boosheid, verontwaardiging en ontgoocheling door een daad van een geliefde, wordt vaak flinterdun. De zware taak om aan zijn familie mee te delen dat zijn broer dood was, werd Roderick uit handen genomen. Toen hij uiteindelijk doornat en verkleumd thuiskwam, werd de deur opengegooid door zijn moeder die erbarmelijk huilend haar armen om hem heen sloeg. De stem van zijn grootmoeder zweefde van ergens in huis de hal in: “Ik wist het. Ik wíst het! Ik heb het altijd gezegd.” Ze kwam met veel geruis van haar pompeuze rokken uit de bibliotheek de hal in. Toen ze haar kleinzoon zag, half verstikt in de omhelzing van zijn moeder, bleef ze abrupt staan. Roderick begreep onmiddellijk dat men op een of andere manier al op de hoogte was van het drama. Toen zijn grootmoeder hem begon uit te horen of hij op de hoogte was geweest van het feit dat zijn broer de ‘wandaad van de eeuw’ wilde begaan. “Een schande zou dat zijn”, stelde ze nadat Roderick haar verzekerd had dat hij van niets wist voor hij zijn broer voor zijn ogen had zien sterven.” Zijn moeder slaakte een kreet bij dit laatste en drukte hem opnieuw tegen zich aan. Na een hele tijd vroeg ze: “Heeft hij geleden?” Roderick schudde prompt zijn hoofd. Zijn moeder knikte, alsof daarmee de hele zaak afgehandeld was en vergeten kon worden. Roderick merkte dan pas de brief op in de hand van zijn grootmoeder die haast in de plooien van haar jurk verdween. Haar andere hand had ze stevig in haar zij geplant. Ze maakte een misprijzend geluid toen ze Roderick de brief gaf.    Moeder, grootmoeder, Roderick  Ik vertrek nu voorgoed uit dit huis en weldra uit dit leven. Niet dat een van jullie ook maar iets geeft om wat ik doe of waar ik ben. Gelukkig maar, wat ik zou Bij God niet weten waar ik naartoe kan gaan en waar ik zal zijn op het ogenblik dat ieder van jullie dit leest, als jullie al die moeite doen. Waarom dan een brief schrijven, vragen jullie je misschien af. Wel, om eerlijk te zijn, dat vraag ik mij ook af. Van wie moet ik afscheid nemen? Maar ik ben nu eenmaal begonnen met dit briefje te schrijven en dus zal ik het afmaken. Terwijl ik dit schrijf, valt mij een goede reden te binnen. Aangezien ik jullie nooit meer onder ogen zal hoeven komen, kan ik eindelijk mijn hart luchten en in alle scherpe onverbiddelijke dodelijke eerlijkheid zeggen dat ik jullie haat. Ik heb jullie nooit gemogen. E waarom zou ik? Wat heb ik ooit gehad aan een weerloze moeder die altijd te laf is geweest om voor haar kinderen op te komen en te zwak om hen te beschermen? Hoe zou ik kunnen houden van een koude, afstandelijke en tirannieke grootmoeder die diezelfde kinderen alleen gebruikt voor haar gewin als ware het dode voorwerpen in plaats van levende wezens met behoeften en een eigen wil. Het kleine beetje liefde en warmte dat mij geschonken werd moest ik al snel delen met een broer die ik het best kan omschrijven als de slak die na de race met de haas over de eindstreep komt als iedereen na het lange wachten al lang uit verveling in slaap gevallen is. Roderick, in mijn ogen ben je niet zomaar een blok aan mijn been maar een ware last. Niet overrijp, maar rot…    Roderick kon niet verder lezen. De beledigingen aan het adres van zijn moeder en grootmoeder waren pijnlijk. Het leek onmogelijk dat Rupert zoiets zou schrijven. Maar het waren de beledigingen aan zijn eigen adres die als een vuur de brandende kou uit zijn hoofd verdreven. Hij voelde hoe zijn moeder achter hem kwam staan, draaide zich om en barstte in de warmte van haar armen in huilen uit. Vaag was hij er zich van bewust van hoe zijn grootmoeder met een misprijzend geluid opnieuw in de bibliotheek verdween.    Terwijl er voor de familie een wrokkige rouwperiode begon, voltrok er zich boven het wensmeer een bijzonder fenomeen. De woede en de iets langzamer groeiende haat die in Roderick broeiden, verzwolgen de affectie die hij voor zijn broer gevoeld had en daarmee ook de bron van de oorsprongsmagie. De glinsteringen op het wateroppervlak die door Roderick zo vluchtig waren opgemerkt, werden steeds talrijker tot ze versmolten tot witgele vlekken die grote delen van het meer bedekten. Deze glinsteringen waren in werkelijkheid oneindig veel druppels, over het hele meer verspreid, die ooit Rupert zijn lichaam geweest waren. Deze druppels lichtten op en stegen naar de oppervlakte waar ze bleven drijven. Terwijl Roderick met pijn in het hart en verblind door tranen door het bos zijn weg naar huis terugvond, bereikten zijn toen nog vernietigende stille pijn en verdriet een hoogtepunt. Zijn liefde voor Rupert explodeerde en de oorsprongsmagie werd sterker en intenser dan ooit tevoren. Ze werd zo krachtig dat ze Rodericks instinctieve wens om zijn broer terug te krijgen vervulde. De witgele massa die als olie op het water dreef, verdampte tot witgele nevelslierten. Dit alles ging echter rechtsreeks in tegen de kracht van het meer die Rupert zijn doodwens inwilligde en zijn lichaam tot zich had genomen. Maar door het onzichtbare getouwtrek tussen beide magische stromingen die de tegenovergestelde wensen van de broers trachtten te vervullen, kon Rupert zijn ziel geen rust vinden tot Roderick uiteindelijk thuiskwam en de vreselijke afscheidsbrief las. Vanaf dat moment begonnen twijfel en groeiend besef dat het allemaal echt gebeurde aan Roderick zijn gevoelens voor zijn broer te knagen tot ze deze uiteindelijk aan stukken scheurden. De oorsprongsmagie werd snel zwakker en verloor de voortdurende strijd tegen Eïsé. De nevels losten op in het niets. De vele druppels die ongeduldig wachtend aan het wateroppervlak hingen, zonken naar de bodem terwijl het licht vanbinnen doofde. De doodswens van Rupert ging eindelijk in vervulling.    De tijd gleed onverstoorbaar voort en een van de oudste gezegdes in de geschiedenis van de mensheid ging in vervulling: tijd heelt alle wonden. De ontzetting, de verbijstering, de pijn, de woede en de haat in Roderick verzachtten. De nietige restjes werden toegedekt door vergetelheid als de restanten van een vuur waar aarde overheen wordt gegooid. Onder de weldadige invloed van zijn latere verloofde Magdalena slaagde Roderick erin om alles een plaats te geven en verder te gaan. De gelukzalige dagen en nachten in haar gezelschap waren helend en passioneel maar onvolledig. Roderick kon noch zijn spiegelbeeld noch Magdalena recht in de ogen kijken en zeggen dat zij voor hem alles betekende zoals elke oprecht verliefde man zou zeggen. Magdalena was in vele opzichten een droomvrouw en elke man dong om haar hand. Het zou oneerlijk zijn om haar voor zichzelf op te eisen terwijl ze zoveel kansen kreeg om waarlijk gelukkig te worden, zo hield Roderick zichzelf voor. Magdalena toonde veel begrip. Toen ze samen op het bed zaten in de logeerkamer die hun vaste slaapplaats zou worden na hun huwelijk en Roderick aarzelde voor hij haar handen in de zijne nam, keek ze hem aan en gaf hem een bemoedigend knikje. Dat knikje ging gepaard met een droevige glimlach. Roderick besefte later dat ze had geweten wat hij wilde zeggen. Magdalena koesterde geen wrok. Ze verdedigde zijn beslissing zelfs tegenover zijn moeder en grootmoeder. Een goede daad die ze betaalde met een ferme preek die de oude vrouw sinds hun ontmoeting voor Roderick klaar had gehad voor het geval er ooit iets zou mislopen. Toen ze die avond op het bordes afscheid namen, drukte Magdalena Roderick op het hart dat hij haar moest schrijven. Ze zou er voor hem zijn als hij hulp nodig had. Op dat moment voelde hij zoveel dankbaarheid en verbazing over haar edelmoedigheid dat hij haar kuste. Als ze niet subtiel een stap achteruit had gezet, had hij haar daar en dan ten huwelijk gevraagd. Maar in plaats van door een knie te zakken nam hij haar gehandschoende hand en drukte er een ferme kus op. Tot Roderick zijn grote opluchting waren Magdalena haar beloftes geen ijdele woorden. Ze schreven elkaar trouw een of twee keer per week en ontwikkelden een warme vriendschap die af en toe aangehaald werd op de kaartavonden die Magdalena haar vader vaak organiseerde. De uitnodigingen om deel te nemen aan deze avonden kwamen steeds regelmatiger en Roderick begon te vrezen dat de man een poging wilde doen om hem en Magdalena opnieuw samen te brengen. Toen hij hierop alludeerde in een brief aan Magdalena zei deze dat dat ten stelligste uitgesloten was. Hij vertrouwde haar op haar woord en stemde ermee in op de eerstvolgende uitnodiging in te gaan. Tijdens deze avond maakte Roderick de eerste van veel nieuwe vrienden, onder hen ook een bloedmooie vriendin van Magdalena en haar niet onknappe echtgenoot, tussen wie het al een tijd niet meer goed ging. Tijdens een dronken nacht belandde Roderick met het koppel in bed nadat ze hem hadden uitgedaagd om een oordeel te vellen over wie van hen de beste minnaar was. De belevenis had Roderick inzicht verschaft in zijn eigen gevoelswereld. Hij had gemeenschap gehad met een vrouw én een man in een roes van alcohol die alle remmingen had weggenomen. Beide partners waren de belichaming van schoonheid voor hun geslacht. En toch had het gevoel dat er iets ontbrak hem weer beslopen. Nog voor hij zijn verloving met Magdalena verbroken had, had Roderick zich afgevraagd of hij doodeenvoudig een partner van zijn eigen geslacht zocht. Deze wilde nacht met Magdalena haar vriendin en diens echtgenoot bewees dat als dat zo was, het in elk geval niet het enige was. Meerdere keren had hij op het punt gestaan het onderwerp aan te snijden in zijn brieven aan Magdalena maar elke keer stuwde hij zijn gedachtegang in een andere richting, weg van de steeds sterker oprukkende overtuiging dat wat hij miste, datgene was dat ontbrak op een ondefinieerbare plek in zijn geest en hart waar er sinds een aantal weken een leegte gaapte. Die leegte was er al heel lang maar het was pas sinds tijd dat Roderick zich er zo intens bewust van was. Rupert had deze plek opgevuld. Geen enkele vrouw of man kon hem die eindeloze unieke affectie doen voelen die hij voor zijn broer had gehad of de hevige agonie die ervoor in de plaats van gekomen.    Op het moment dat deze wetenschap tot Roderick doordrong, stond Magdalena aan het wensmeer. In de doodse stilte hoorde ze heel duidelijk de ongearticuleerde klanken als zuchtjes wind waarmee de geest van Rupert antwoord gaf op Magdalena haar prangende vraag: Waarom? Nu ik dood ben, is Roderick de enige mannelijke erfgenaam. De enige aan wie vaders fortuin ter beschikking gesteld mag worden, zodra hij dertig jaar wordt. Nadat ik het fortuin zou ontvangen hebben, zouden moeder en grootmoeder Roderick geloosd hebben om na verdeling een groter deel van de erfenis voor zichzelf te kunnen houden. Ik wist dat de oorsprongsmagie die Roderick en ik delen mijn doodswens tegen zou gaan. Om haar te vernietigen trachtte ik Roderick zijn affectie voor mij te breken. Zulks deed ik met oneindig veel spijt. Ik hou van Roderick. Niet meer en niet minder. De wetenschap dat hij veilig is, is een balsem voor de pijn van zijn haat. Het geluk dat ik hem toegewenst heb, heeft hem voor het eerst toegelachen toen hij jou ontmoette, Magdalena. De nevels werden dikker. Ruperts gestalte nam snel een duidelijke afgelijnde en meer solide vorm aan. Magdalena begon gelaatstrekken te onderscheiden waaruit onmiskenbaar verdriet sprak. Toen ze Roderick zijn aanwezigheid achter zich voelde, stak ze zwijgend haar hand uit. Roderick pakte hem vast en kneep er zachtjes in terwijl de kilte in zijn hoofd zijn hart verwarmde en hem deed rillen. Toen Magdalena vroeg of hij oké was, antwoordde hij: “Het is terug.” Magdalena haar ogen straalden met oprechte blijdschap. Een uitdrukking van oneindig geluk verscheen in Roderick zijn ogen terwijl een schijnbaar herrezen Rupert met open armen naar het koppel toeliep.  

Flixie
5 0

Zonderlingen (een van mijn favorieten!!!)

Voor Thoma en JoenivurseGeschreven door iemand die het goed met u meent Als u dit leest, heb ik gelijk gehad Mijn advocaat heeft u gevraagd wat de relatie was tussen Joenivurse en Thoma en u heeft deze vraag juist beantwoord. Anders had hij u deze brief niet gegeven.Joenivurse, mijn grootmoeder, u leeft nu in weelde als vrouwe Juliana, de toekomstige echtgenote van de keizer van het nieuwe rijk, met Thoma aan uw zijde als heer Edwin, uw meest vertrouwde adviseur.U weet dat u beiden gereïncarneerd bent. U herinnert zich beiden de naam die u droeg in een vorig leven. Net als ik zal u uw dood in gedachten herbeleven en u zal zich steeds meer herinneren van dat vorig leven.Ik laat dit document voor u beiden achter opdat het leven van Heer Edwin niet verduisterd wordt door het schuldgevoel dat Thoma kapot heeft gemaakt. Het zal u misschien zwaar vallen te geloven wat ik hieronder zal neerschrijven, maar ik zweer u dat het de zuivere waarheid is. Om de precieze draagwijdte van mijn verhaal te benadrukken is het van groot belang dat ik u vertel wíe ik ben en vooral wát ik ben. Ik ben De Zonderling.Ik heb geen broers. Ik heb geen zussen.Ik heb geen tweelingbroer.Ik heb geen tweelingzus.Ik maak geen deel uit van een tweeling. Of een drieling. Of een vierling, waarom niet?Ik heb geen ‘-lingen’.In ben een zonder-ling.Ik ben geboren op 4 januari 20500, precies tienduizend jaar na de Grote Explosie die de Aarde uit elkaar deed spatten. Ik behoor tot de zogenoemde Humanen, een klein volk dat zich ontwikkelde op Eneristas, de vierhonderd vijftiende ‘Aardsplinter’ die men ontdekte waar uit resten ozon een nieuwe atmosfeer ontstaan is en dus opnieuw menselijk leven mogelijk is. Net als alle ‘overlevenden’ zijn wij Humanen mensen die onderhevig zijn aan mutaties omdat we ons aanpassen aan de gewijzigde leefomstandigheden. Humaanse vrouwen ontwikkelen vanaf hun twaalfde levensjaar om de vijf jaar drie tot zes ‘wiegvliezen’ uit elk waarvan na bevruchting twee of meer baby’s geboren kunnen worden.Joenivurse was mijn grootmoeder. Ze was de eerste vrouw in tienduizend jaar die slechts een kind baarde. Haar dochter Loriana, mijn moeder, volgde haar voorbeeld en mijn geboorte werd als een nog unieker gebeuren beschouwd want in tegenstelling tot mijn grootmoeder op het einde, was mijn moeder sterk, gezond en fysiek perfect in staat om meerdere kinderen te baren.   Joenivurse was een verantwoordelijke, intelligente en mooie vrouw. Ze werkte als oppas voor haar vriendin en diens rijke echtgenoot. Een tweeling kon niet meer verschillend zijn dan hun kinderen. Henric was knap, intelligent, vlot in de omgang en zodoende heel populair. Thoma was een moeilijk kind en kon niet mee op school. Hij was in zichzelf gekeerd en zou een mentale en sociale achterstand hebben. Henric liet zijn broer vaak links liggen en dat drukte zwaar op de sociaal zwakke Thoma. Alleen bij Joenivurse vond hij warmte en begrip. Maar toen hij ouder werd en zijn gevoelens voor haar langzaam veranderden in vriendschap en tenslotte verliefdheid, nam Joenivurse steeds meer afstand van Thoma.Enkele weken later ontmoette ze hem toevallig toen hij door haar straat rende, steeds over zijn schouders kijkend alsof hij achtervolgd werd. Volgens getuigen had hij “uitzinnig van vreugde geleken toen een jonge vrouw naar buiten kwam en hem omhelsde.” Joenivurse had geprobeerd om hem te kalmeren en Thoma zou haar handen in de zijne genomen hebben, haar voorhoofd gekust hebben en toen weggerend zijn. Thoma heeft later in een helder moment aan dokter Dojon verteld wat hij van plan was geweest. Hij zou helemaal alleen een trektocht maken van Aardsplinter 415 tot Aardsplinter 450, op zoek naar de grot waar lang geleden een meesterdief zijn legendarische buit verstopt zou hebben. Noch de dief, noch de buit werden ooit teruggevonden. Thoma wist een bericht voor Henric van diens vriend te onderscheppen waarin deze laatste probeerde om Henric over te halen om toch met hem mee te gaan op een dergelijke tocht. Thoma zag hierin een kans om zijn broer af te troeven en eindelijk uit diens schaduw te treden: hij zou zelf de tocht maken en de fabelachtige grot zien te vinden. Joenivurse, die zich nog steeds verantwoordelijk voelde voor Thoma, ook al was hij inmiddels achttien jaar en volwassen, rende achter hem aan, de straat door, het plein over, het dorp uit en de velden over. Omdat Thoma niet van zijn plannen wilde afzien, vond Joenivurse dat ze geen andere keuze had dan met hem mee te reizen.Ze trokken die hele dag, zonder voedsel en water en met niets anders dan de kleren die ze droegen en Thoma’s onstuitbare opwinding die hem voortdreef. Joenivurse wist Thoma genoeg in te tomen om de nacht door te brengen in een verlaten schuur waar ze beschutting vonden tegen de gure wind. De volgende dag, rond het middaguur, kwamen ze door een afgelegen dorp. Joenivurse had het zo koud in haar zijden jurk en sandaaltjes dat ze weigerde nog verder te gaan. Thoma leek te beseffen hoe slecht ze ervoor stonden zonder eten, drinken, reserve kledij en geld. Joenivurse vertelde hem streng dat ze zo snel mogelijk terug naar huis moesten gaan. Vervolgens droeg ze hem op om in een nabijgelegen hotel op haar te wachten. Ze zou proberen om haar halssnoer te verkopen opdat ze geld zouden hebben om deze nacht in het hotel te kunnen doorbrengen. Toen Joenivurse een uur later de bar van het hotel binnenliep, zakte ze bijna door de grond van schaamte. Thoma stond ladderzat op een tafel schunnige praat te verkopen waar zij tot haar ontsteltenis op dat moment het onderwerp van was. In het midden van een wel heel goor refreintje, kruiste Thoma zijn blik die van haar en hij hief een groot glas gin-tonic in de lucht in een toost. De beweging bracht hem uit zijn evenwicht en hij viel met een luide klap van de tafel. Hij probeerde de val te breken door op een van de stoelen rond de tafel te stappen maar daarbij moest hij met zijn hele gewicht een ogenblik op een been steunen en zowel zijn evenwicht als zijn been begaven het onder de drank en de zwaartekracht.Verschillende gasten snelden toe om hun gevallen makker te hulp te snellen hoewel sommigen van hen zelf nog amper op hun benen konden staan. Joenivurse bleef een ogenblik staan in de deuropening. Twee mannen hielpen Thoma overeind, die naar naam zong en naar haar zwaaide. De ene man vroeg of ze Thoma kende en de ander naar welke kamer ze hem moesten brengen. Joenivurse voelde aan haar zak waar ze het geld dat ze voor haar ketting had gekregen in zat. Het zou amper genoeg geweest zijn om een kleine kamer te betalen, laat staan om zo’n drankgelag te bekostigen. Ze bloosde terwijl ze antwoordde dat ze niet van plan waren geweest om te blijven en dus geen kamer hadden. De man met blauwe, aantrekkelijke ogen en zwart haar, dokter Dojon, knikte naar zijn gezel, Indra Baïo. Ze droegen samen de dronken Thoma de trap op en naar een kamer en Dojon hield de deur van de kamer ernaast open voor Joenivurse. De kamers waren nog niet lang vrij en moesten nog schoongemaakt worden. Toen Dojon door de gang naar zijn eigen kamer liep, hoorde hij Joenivurse hevig hoesten.Hij zou het zichzelf nog lang kwalijk nemen dat hij niet door had gehad dat een paar gele haren die onder zijn voeten lagen daar de oorzaak waren van waren. De volgende ochtend wekte Joenivurse Thoma en liet hem een groot glas water met opgeloste aspirine drinken. Omdat ze zichzelf ook niet lekker voelde, had ze niet zo’n haast om te vertrekken als de avond ervoor en terwijl ze wachtte tot Thoma’s kater voorbij was, viel ze terug in slaap. Om kwart na tien zaten Joenivurse en Thoma aan een laat ontbijt dat inbegrepen was in de prijs die mr. Baïo de vorige avond had betaald voor hun kamers.Dojon zat aan een andere tafel de krant te lezen bij een kop straffe koffie.Het ongewone paar intrigeerde hem al sinds het ogenblik dat Joenivurse de vorige avond de bar van het hotel was binnengekomen. Het was lang geleden dat een hotelgast zo dronken was geworden als Thoma. Dojon had hoopvol vastgesteld dat hij en Joenivurse geen geliefden konden zijn omdat Thoma veel jonger en nogal onvolwassen had geleken en Joenivurse er zeker niet uitzag als een prostituee. Dojon vertelde later dat hij zich er uiteraard ook over verbaasd had dat het duo zonder enige bagage reisde. Joenivurse, gehuld in een dikke, witte badjas van het hotel, las Thoma uitgebreid de les over het feit dat hij zomaar van huis weggegaan was en hoe onverstandig het was geweest dat onvoorbereid te doen. Ze eiste dat hij haar vertelde waar hij zo dringend dacht naartoe te moeten gaan. Dojon zag hoe Joenivurse haar ogen rolde bij Thoma’s antwoord. Joenivurse was zich er waarschijnlijk nooit bewust van geweest hoe zeer haar ongenoegen doorklonk in haar woorden, maar Thoma werd er diep door geraakt. Het huilen stond hem nader dan het lachen toen Joenivurse haar preek beëindigde en ze in stilte aten tot Joenivurse moest niezen.Thoma kromp een beetje in elkaar alsof hij een afstraffing verwachtte.  Even later stond hij op en liep langs de tafel van de dokter de eetzaal uit. Dojon wierp een blik op Joenivurse die haar neus snoot in een servetje, zuchtte en achter Thoma aan naar de inkomhal van het hotel liep. Dojon hoorde haar Thoma’s naam roepen en Thoma’s geschreeuwde antwoord: “Je bent wél boos omdat het mijn schuld is dat je zoveel moet hoesten.”Joenivurse riep Thoma opnieuw maar de jongen was al naar buiten gelopen. De dokter zette de achtervolging in maar Thoma was snel en het was pas drie straten verder dat de oudere man de jongen inhaalde. Thoma was koppig en Dojon beloofde hem dat hij die middag als dessert de grootste ijscoupe zou krijgen die er op de kaart stond als hij meteen mee zou komen naar het hotel, daar meteen naar zijn kamer zou gaan, een bad zou nemen en zou wachten tot Joenivurse hem zou komen opzoeken.Nadat de dokter hem bezworen had dat Joenivurse niet boos was op hem en Joenivurse dat bevestigd had, gehoorzaamde Thoma.Joenivurse had de dokter uitgebreid bedankt omdat hij Thoma had teruggebracht en voor de kamers. Daarna zou ze hem toevertrouwd hebben dat ze inderdaad boos was op Thoma omdat zíj nu verkouden was door twee nachten geleden in een schuur te hebben moeten slapen. Daarop moest ze hevig niezen en Dojon had haar zijn zakdoek aangeboden en haar aangeraden zelf ook een heet bad te nemen. Joenivurse sloeg het middageten over en sliep tot 16 uur. Mr. Baïo leek het leuk te vinden om Thoma gezelschap te houden en nam hem in de namiddag zelfs mee naar de kleine bowling hall, net buiten het dorp. Dokter Dojon vergezelde hen voor een poos op zijn ronde. Om 17 uur ontmoetten ze elkaar weer in de hal van het hotel. Thoma vroeg hoe het met Joenivurse ging maar dokter Dojon raadde hem af haar op te zoeken opdat ze zou kunnen rusten. Zijn grootste zorg was echter dat Joenivurse misschien griep aan het krijgen was en hij wilde vermijden dat Thoma besmet zou raken. Thoma interpreteerde zijn woorden echter verkeerd en beging daarmee de eerste, fatale vergissing die hij zich later nog herinnerde en op een betrouwbare manier wist te vertellen aan dokter Dojon die het vervolgens in zijn eigen verklaringen liet optekenen. Thoma was er nu van overtuigd dat Joenivurse en Dojon allebei tegen hem gelogen hadden en dat Joenivurse héél boos op hem moest zijn als ze hem nu zelfs niet meer wilde zien. Uit balorigheid liep hij de straat op, zich niets aantrekkend van het drukke verkeer. Ik had lopen rondscharrelen in een steegje tussen vuilnisbakken op zoek naar iets eetbaars toen Thoma me vond. Ik was een zeldzame, jonge, volwassen ligolion, een soort leeuw met een donkere paarsrode vacht en op elke flank een donkergrijze bliksemschicht van de oren tot de staart en grote, gele ogen met blauwe irissen en driehoekige pupillen. Thoma vond me schattig. Dat effect hebben dieren nu eenmaal op kinderen. Thoma, die vaak dacht en handelde als een kind, was meteen door mij vertederd. Ik liet me gewillig aaien en krabben en volgde hem gewillig toen hij me meetroonde. Het hele hotel stond natuurlijk in rep en roer en terwijl men naarstig naar hem zocht, sloop Thoma langs een achterdeurtje naast de keukens naar binnen. Ik sloop gedwee achter hem aan, aangetrokken door de heerlijke geuren die uit de keuken kwamen. Maar Thoma wenkte me dringend om hem te volgen en ook al verstond ik geen mensentaal, zijn angst om ontdekt te worden wist hij op een of andere manier wel op mij over te brengen. Thoma stapte snel en ik moest haast rennen om hem nog bij te houden toen hij de trappen opliep en zelf haast rende tot hij bijna op het einde van een smalle gang bleef staan.Ik veronderstel dat hij op dat moment op het idee kwam om mij als cadeau te geven aan Joenivurse om het goed te maken.Intussen lag Joenivurse in haar kamer angstig te wachten. Ze had willen meegaan toen dokter Dojon en Mr Baïo, die een passioneel piloot was, vertrokken om met een kleine shuttle de streek te overvliegen, maar de dokter had haar dat afgeraden. Hij had ’s morgens de familie van Thoma op de hoogte gebracht van de situatie en Thoma’s vader had rond de middag contact opgenomen. Hij zou meteen vertrekken om haar en Thoma te komen ophalen. Thoma stond een hele tijd besluiteloos voor de deur van Joenivurse haar kamer. Ik was naast hem op de vloer gaan zitten en kwispelde zelfs een beetje met mijn staart. Ik reikte tot net aan zijn middel. Het was bijna hallucinant dat ik, een pas volgroeide wilde kat, zo mak een jongen als Thoma gehoorzaamde.Misschien was het voorbestemd?Thoma werd rusteloos terwijl we door de deur heen hoorden hoe Joenivurse lange tijd afwisselend niesde en haar neus snoot. Thoma’s onrust sloeg op mij over en ik kwam overeind. Ik kwispelde niet meer en gromde zachtjes. Thoma fluisterde zenuwachtig dat ik stil moest zijn. Daarna ging alles zo snel dat het voor Thoma waarschijnlijk niet te bevatten was. Hij opende de deur tot halverwege en gaf mij een duwtje opdat ik naar binnen zou lopen. Ik deed wat hij vroeg maar amper had ik twee stappen gezet of de hel brak los. Ik had de sterke reuk van een ligolionesse, een vrouwelijke ligolion, opgevangen. Wij mannetjes verdragen geen soortgenoten om ons heen buiten de paartijd vanaf het moment dat we beginnen vrijen en voor de vrouwtjes moeten vechten.  De geur is te zwak voor mensen om te ruiken en dat verklaart waarom Joenivurse noch dokter Dojon konden weten wat er echt aan de hand was voor het te laat was. Ik neem aan dat de vorige gast die in de kamer logeerde een jager of een toerist op doorreis was die op safari was geweest in de nabijgelegen jungle. Aan zijn kleren hadden waarschijnlijk haren gekleefd die later in de kamer zijn achtergebleven en die de voor mij onuitstaanbare geur afgaven. Ik werd eensklaps waanzinnig. Doldriest sprong ik door de kamer, tegen de muren, van de tafel en de kast tegen het plafond en tenslotte op het bed. Joenivurse is nooit meer wakker geworden voor ik haar met een paar halen van mijn poot openreet en haar organen over het bed en de vloer verspreidde. Als door het Lot gezonden, kwam dokter Dojon niet veel later binnen. Met een ontzagwekkende tegenwoordigheid van geest haalde hij kalm een aansteker uit zijn zak, knipte die aan en wierp die naar mij. Mijn pels vatte vuur en ik begon jankend en brullend van pijn opnieuw als een dolle door de kamer te rennen. De dokter nam het lampje van het nachtkastje en beukte daarmee in op mijn kop tot ik dood was. Daarna nam hij het enige wiegvlies dat niet helemaal aan stukken gereten was op, legde het in de wastafel en liet er koud water over stromen tot medische specialisten het zorgvuldig opborgen. Mijn grootmoeder had grote genegenheid gevoeld voor de dokter en dat zorgde ervoor dat zijn aanraking genoeg was om het vlies te bevruchten en mijn moeder te verwekken.Onder collega’s opperde mijn grootvader later de mogelijkheid dat Joenivurse nooit meer ontwaakt was omdat ze al overleden was aan ademhalingsproblemen door een allergie aan ligolionessenhaar.Mijn grootvader had gele haren opgemerkt op Joenivurse haar kleed nadat hij Thoma teruggebracht had naar het hotel. Te laat had hij beseft dat er een verband kon bestaan met haar ‘verkoudheid’ aangezien ze de vorige avond nog niet verkouden was geweest. Thoma was zwaar in shock. Hij lag opgekruld te beven op de grond naast zijn bed toen mijn grootvader hem vond. De zoektocht werd onmiddellijk afgeblazen en Thoma werd naar het ziekenhuis gebracht waar zijn vader hem spoedig opzocht. Het hele gezin had groot verdriet om de dood van Joenivurse en ze gaven haar een prachtige begrafenis. Mijn grootvader heeft de dienst ook bijgewoond. In een van zijn verklaringen aan de pers heeft hij het volgende laten optekenen; “Ik legde een hand op de schouder van de toen al gevaarlijk depressieve Thoma en zei tegen hem: “Niemand is boos op jou, Thoma. Joenivurse was allergisch. Dat kan niemand kwalijk genomen worden. Maar kijk eens,” Ik toonde hem een fotootje van het bevruchte wiegvlies dat experimenteel werd ingeplant bij een vrouw die bereid was het vlies te dragen tot de geboorte. Thoma’s ogen werd groot. “Wil je mij helpen Joenivurse haar dochter op te voeden?””Dat heeft Thoma gedaan en hij is als een trotse en gelukkige oude man gestorven.                                                                                                                                                                                                                                                                          De Zonderling                                                                                                                                                                                                                                                                     4 januari 20533                                                                                                                                                                                                                                                                   Aardsplinter 415                                                                                                                                                                                                                                                                               Eneristas                                                                                                                                                                                                                                                                     Hunna Aquatas  

Flixie
4 0

Von Gleichmacht vs. Van Maenen (een van mijn favorieten!!!)

Kraft von Gleichmacht deed zijn bijnaam eer aan. Hij bezat zowel fysieke kracht als politieke en diplomatieke macht, waar iedereen in het land hem om benijdde. Maar zijn huwelijk en positie waren allesbehalve benijdenswaardig. Muloc Van Maenen had zijn zwager vaak het huwelijk met zijn zus beklaagd. De von Gleichmacht-familie was overtuigd van een natuurlijke overmacht en dominantie door de man in de maatschappij. Gregor von Gleichmacht, de patriarch van de von Gleichmacht-clan, was dan ook uiterst verbolgen over de vrouw waarmee zijn zoon zich in een diplomatiek huwelijk zou verbinden die de titel van chevalière ambieerde. Na een uiterst heftige discussie waarbij Gregor von Gleichmacht zijn toekomstige schoondochter beledigde, daagde de vader van de onschuldig ogende maagd de patriarch uit voor een lansgevecht. De oude von Gleichmacht stemde hiermee gretig in maar dan stapte Charlisse naar voor en verklaarde dat zij mans genoeg was om haar eigen eer te verdedigen. De belediging die het duel te berde had gebracht was aan háár gericht geweest, bewust en doelgericht, om háár te vernederen, dus zíj zou terugvechten. Het idee dat hij persoonlijk tegen een vrouw zou duelleren, maakte von Gleimacht ziek. Hij kon zich op dat moment echter niet meer eervol terugtrekken en dus trad Kraft in zijn plaats in het strijdperk, een stuk verwaarloosd grasland, aan de rand van het von Gleichmacht-landgoed.Tijdens het gevecht slaagde Charlisse erin Kraft van zijn paard te slaan maar hij stond onmiddellijk op en wist haar op zijn beurt vrij snel uit het zadel te krijgen. Ze wierp zich boven op hem. Op dat moment viel er een gouden kettinkje uit de blouse die ze onder haar borstplaat droeg. De fractie van een seconde waarin Charlisse hierdoor schrok, was voor Kraft genoeg om haar van zich af te duwen, overeind te springen en haar met een tik van zijn lans tegen de borstplaat achteruit te doen wankelen. Charlisse viel languit in het gras en Kraft zette de tip van zijn lans op haar keel en verklaarde het gevecht beëindigd en het dispuut beslecht. Kraft vond immers dat de beledigingen van zijn vader aan het adres van Charlisse onterecht en onjuist waren. Bovendien had hij zonet gezien wat de ware reden was van zijn vaders onhebbelijkheid: de ketting die Charlisse droeg, bevatte het wapenschild van de Hotot-familie. Agnes Hotot had een dierbare vriend van zijn vader ooit zwaar vernederd door deze te verslaan in een gevecht dat ze in de plaats van haar zieke vader had gestreden. Charlisse verklaarde dat haar moeder het sieraad bezeten had en dat het haar, Charlisse, na haar moeders dood was toegekomen. Wie het aan haar moeder geschonken had, wist ze niet. Voor Kraft was de zaak hiermee afgedaan maar zijn vader kon hem niet vergeven dat hij ‘hem zijn uitgelezen kans op wraak had afgenomen’ en bovendien ‘de gluiperige hoer had laten lopen’. Krafts argument dat hij haar dan wel niet gedood maar toch verslagen had, leek zijn vaders woede ietwat in te tomen en enkele maanden later werd tot ieders verbazing het betwiste huwelijk een feit. Het gezonde verstand leek te zegevieren maar na de wittebroodsweken van het koppel werd het leven voor beiden een hel. Von Gleichmacht had enkel zijn toestemming gegeven voor het huwelijk opdat hij alsnog zijn gramschap kon halen met subtiele pesterijen die vooral Charlisse troffen. Maar Charlisse liet zich niet uit het lood slaan en dwong von Gleichmacht ertoe harder op te treden.  Toen Muloc op een mooie zomerdag terugkwam van een diplomatieke missie kwam Charlisse hem niet lachend tegemoet om hem te begroeten met haar vrolijke lach en de nieuwste roddels. Ze lag in bed, hevig toegetakeld. Haar linkerkaak en rechteroogkas waren zwart. Toen ze hem hoorde binnenkomen draaide ze haar hoofd naar hem toe en keek hem met een glinsterend oog aan. Ze probeerde iets te zeggen maar ze kon haar mond niet openen zonder dat haar gezicht vertrok van pijn. Het personeel deed wat het kon om het hun meesteres zou aangenaam mogelijk te maken maar ze waren allemaal uiterst geschokt. Von Gleichmacht, in wiens huis het koppel verbleef, vertelde Muloc die avond met slecht geveinsde ontzetting dat hij tussenbeide gekomen was in een heftige discussie tussen Charlisse en Kraft, die ‘duidelijk dronken’ was. Muloc geloofde er niets van. Hij wist dat Kraft dronk bij gelegenheid. Dan werd hij emotioneel, woedend of melancholisch, en reageerde al eens overdreven, maar hij werd nooit gewelddadig. Zeker niet tegenover Charlisse die hij misschien niet beminde als een minnares maar wel respecteerde Von Gleichmacht had een paar keer met gespeelde droefheid zijn hoofd geschud bij deze argumenten. Als Heer deze huizes kon niemand Kraft iets maken, zei hij. Charlisse was Kraft zijn bezit, hij kon ongestraft met haar doen wat hij wou, hoe verfoeilijk het moreel ook was. Muloc twijfelde er geen moment aan dat Charlisse op zijn bevel mishandeld werd opdat hij de wandaad op zijn zoon kon afschuiven. En het was niet het enige dat Charlisse te verduren kreeg. Net als Muloc wist ze dat Kraft evenzeer het slachtoffer was van de wraakoefeningen van zijn vader en het deed haar pijn dat de publieke opinie Kraft zo hatelijk de rug toekeerde onder bezieling van niemand minder dan haar eigen vader, die openlijk zijn medeleven uitsprak met Gregor von Gleichmacht die hij ‘zijn vroegere vijand en ‘de weinig benijdenswaardige vader van de ontaarde zoon’ noemde. Dit maakte Charlisse zo kwaad dat ze haar vader op onweerachtige avond ter verantwoording riep en na een verhitte discussie uitdaagde tot een duel. Muloc slaagde erin de gemoederen ietwat te bedaren en droeg zijn zuster op te doen wat ze als trouwe echtgenote hoorde te doen: er zijn voor haar echtgenoot en hem steunen. Charlisse volgde dit verstandige advies op maar liet zich niet beteugelen. Twee nachten later kwamen zij en haar vader samen in de tuinen van het domein van de Van Maenen-familie om de regels omtrent het duel vast te leggen.Het was met een bang hart dat Charlisse ’s avonds het kasteel verliet. Niet alleen zou haar plausibel verklaarde afwezigheid achterdocht kunnen wekken, ze was bang dat von Gleichmacht er misbruik van zou maken. Maar elke poging tot discretie was verloren moeite. Op de avond dat Charlisse en haar vader hun woordenwisseling hadden, werden hun luide gepraat en geroep gehoord door een verwarde en Kraft die in een slaapdronken roes door het kasteel dwaalde. Kraft was veel minder opgewassen tegen de geestelijke terreur van zijn vader dan zijn echtgenote. De beschuldigende blikken en het gepraat troffen hem tot in het diepst van zijn ziel. Hij wist niet beter dan te geloven wat zijn vader en moeder hem vertelden als Charlisse met een blauw oog, een gehechte wonde of haar arm om haar buik aan tafel schoof: dat hij, Kraft, dronken of woedend, zijn vrouw mishandeld had. Maar elke keer als hij ‘een van zijn dronken dreigementen uitvoerde’, lag Kraft in werkelijkheid in bed, ver en vooral ‘veilig uit de buurt’ van Charlisse en haar zogenaamde kwelgeesten die ongestoord hun gang konden gaan in zijn naam. Bedwelmd door verdovende medicijnen of lichte vergiften, bevond Kraft zich op een plaats tussen droom en werkelijkheid terwijl Charlisse een zoveelste subtiele of uitgesproken kwelling onderging. Von Gleichmacht lachte in zijn vuistje en genoot van de onmacht en de ellende waarin zijn zoon door zijn geweten gekweld rondspartelde. Deze ellende werd nog groter toen Kraft verslaafd geraakte aan de vele brouwsels die zijn vader hem zogezegd op aanraden van de chirurgijn en allerlei kwakzalvers liet drinken om zijn zenuwen te kalmeren. Soms nam hij een overdosis tot hij begon te hallucineren en toe als een zombie door het kasteel dwaalde. Het was tijdens een van deze weinig benijdenswaardige ‘wandelingen’ dat Kraft opschrok door het zware geluid van een deur die dichtwaaide en verward het luide gepraat van zijn vrouw en haar familie opving over het duel. Twee dagen later zag een van de dienstmeisjes hem wankelend tussen de kantelen staan en gilde zo hard dat hij er wakker van werd en bijna te pletter stortte. Zowel de verslaving als de gehele ontwenning waar zijn moeder hem toe dwong, putten Kraft uit. Zijn haast legendarische kracht vloeide gestadig uit hem weg en in zijn ellende kwam hij er niet toe zijn vrouw te confronteren met wat hij gehoord had. Charlisse op haar beurt werd zo in beslag genomen door Krafts tanende gezondheid en von Gleichmacht, dat ze nog amper dacht aan het duel dat haar vader omwille van andere verplichtingen twee weken had uitgesteld.Op de avond van de eerste dag die haar echtgenoot van ‘s morgens tot ’s avonds in bed doorbracht, ging Charlisse naar hem toe om hem persoonlijk zijn avondeten te brengen. Kraft lag op bed toen hij haar zijn naam hoorde zeggen. Haar stem klonk zo zacht en strelend dat het hem pijn deed. Ze zou zich tegen hem moeten verzetten, vechten voor haar rechten als mens. Hij kon maar niet begrijpen dat Charlisse hem trouw bleef, ondanks alles wat hij haar had aangedaan. Hem verlaten en vrij zijn. Hij kneep zijn ogen dicht in een belachelijke poging om haar stem buiten te sluiten en zag haar voor zich: haar handen vroom gevouwen, haar lange zwarte haar verleidelijk om haar hals en schouders, wachtend tot hij haar toestemming zou geven om de slaapkamer binnen te gaan of zelf het woonvertrek binnen zou komen. Als hij dat deed zou ze wachten tot hij aan aansprak met de vraag wat er scheelde of het bevel om weg te gaan. Hij hoorde haar stem opnieuw. De schaamte verscheurde hem toen de zachte, onderdanige stem zijn titel uitsprak, alsof zij slechts een simpele dienstmeid was. Zijn hart bonsde in zijn keel en hij hief zijn hand op toen ze naar hem toe kwam. Hij kon de gedachte niet verdragen dat ze tegen hem zou spreken of glimlachen. Een kleine, oprechte, ietwat schuchtere glimlach. Hoe kwam het toch dat ze nog kon glimlachen? Hoe kon ze alleen al maar zijn aanblik nog verdragen? Hij hoorde zijn vrouw haar stem opnieuw die riep: “Heer?” Er klopte iemand op de deur van zijn slaapkamer en een andere stem, een mannelijke stem, zei: “Heer von Gleichmacht?” Het was Hermann, een van de bedienden.Voor hij zichzelf kon tegenhouden, vroeg Kraft: “Wat is er Herman?”“De jonkvrouw wil u spreken.” Tot zijn grote ergernis en wanhoop voelde Kraft zijn gezicht branden van schaamte en groeiende paniek. “Stuur haar weg. Ik… Ik ben ziek, ik kan nu niemand ontvangen.” Doordat angst zijn keel dichtsnoerde, klonk zijn stem toepasselijk hees maar hij wist dat het argument ‘ik ben ziek’ een averechts effect zou hebben. Hij rilde en zijn benen werden slap terwijl de deurklink omlaag gedrukt werd. Hij was dankbaar dat hij nog steeds op zijn bed lag. Het idee dat hij zou flauwvallen terwijl Charlisse voor hem stond, misschien vergezeld door personeel, was ondragelijk. Hij hoorde Charlisse Herman opdragen een chirurgijn te halen en nadat de bediende vertrokken was, opende ze de deur van zijn slaapkamer. Angst en schaamte verlamden niet langer alleen zijn ledematen en zijn stembanden maar ook zijn wilskracht. Hij kon zichzelf er niet toe brengen om te protesteren tegen de ‘indringing’. Terwijl hij dit besefte, rilde hij, van de kou in plaats van echt verontwaardiging of ongeduld. Had hij koorts?“Mijn echtgenoot.” Charlisse liep naar het bed toe, waarbij haar rokken om haar heen ruisten. “U ziet er bleek uit. Sta me toe.”Kraft kon nauwelijks verdragen hoe onderdanig en oprecht bezorgd ze was. Hoe kon het toch zijn dat ze hem wilde áánraken? Hij beeldde zich in hoe haar vingers veranderden in de scherpe klauwen van een adelaar toen ze haar hand eerst op zijn wang en toen op zijn voorhoofd legde en zijn hersens uit zijn schedel zouden scheuren. In een nachtmerrie die hij enkele dagen geleden had gehad, had hij haar willen aanraken en haar willen strelen, haar zachte en gave huid willen voelen onder zijn veel te ruwe handpalm. Hij had geaarzeld, zijn hand teruggetrokken en weer uitgestoken, recht in de wijd opengesperde bek van een cobra. Ook al werd hij verteerd door angst, hij trok zijn hand niet terug en wachtte bewegingloos tot de giftanden zijn pols doorboorden en zijn hand werd afgerukt. Hij slaakte onwillekeurig een kreet toen de chirurgijn zonder te kloppen binnenkwam, blijkbaar aangespoord tot haast door de ongeruste bediende en het lawaai zijn denkbeeld een ogenblik zo levendig maakte dat hij meende het gesis van de cobra te horen.  De volgende twee weken bracht Kraft grotendeels slapend door. Als hij wakker was, bracht hij een paar uur buiten door. Dan maakte hij korte wandelingen door de tuin met Charlisse of zat samen met haar aan de grote vijver waar ze elkaar verhalen vertelden over hun jeugd. Allebei genoten ze enorm van deze rustige en vaak vrolijke momenten samen. Terwijl ze luisterde naar Kraft zijn diepe stem of naar hem keek als hij iets vertelde, dacht ze niet aan het op handen zijnde duel met haar vader. Door Muloc zijn aanhoudende pogingen om het duel tegen te houden, was ze gaan twijfelen. Er stond veel op het spel. Haar huwelijk zou ze hoe dan ook opgeven. Voor Kraft, niet voor zichzelf of om hun vaders te behagen. Als ze verloor, zou Kraft de volledige schande en verantwoordelijkheid dragen voor de echtbreuk en de terreur die ertoe geleid had. Als ze won, was ze vrij om de waarheid aan de wereld kenbaar te maken en Kraft in zijn eer te herstellen.  De avond voor het duel zocht Charlisse Kraft op in zijn vertrekken. Die middag was hij na hun wandeling bijna vrijwel onmiddellijk in slaap gevallen. Ze bleef een ogenblik staan maar hoorde geen zacht gesnurk uit het slaapvertrek komen. Zonder kloppen of toestemming opende ze de deur. In de lege onopgemaakte bedstee lag een helm.Charlisse stormde naar de wapenkamer. Haar eigen wapenuitrusting hing er nog, perfect onderhouden ook al had ze het na hem sinds het duel met Kraft, voor hun huwelijk, niet meer gebruikt. Kraft zijn kuras en arm- en beenkappen waren weg.Het was al lang na zonsopgang toen Charlisse haar paard aanspoorde en het open veld op reed waar het duel had moeten plaatsvinden. Haar vader zat op zijn knieën naast het lichaam van Kraft. Hij droeg alleen een borstplaat en schouderkappen. Zijn helm was uit zijn bevende handen gegleden en lag in de plooi van Kraft zijn elleboog op de grond. Clarisse ging achter haar vader staan en legde haar handen op zijn schouders terwijl de tranen over haar wangen gleden. Van Maenen stond op, legde zijn handen op de hare. “Hij ademt nog. Neem maar afscheid.” Dat gezegd hebbende liep naar de smalle weg langs het veld waar Charlisse haar paard ingetogen wachtte. Die avond las Charlisse de brief die Kraft voor haar had achtergelaten.  Liefste Charlisse, mijn prachtige echtgenote! Ik moet je iets bekennen: ik heb je belogen. Het is namelijk zo dat ik helemaal niet zo ziek ben als ik laat uitschijnen. Het is waar dat ik zoals jij enorm lijd onder de terreur van mijn vader, maar er is meer nodig om mij eronder te krijgen, zoals je waarschijnlijk wel weet. Wat ik kan verdragen noch begrijpen is dat jij niet zelf wegvlucht, ver weg van mijn vader en mij. Sterker nog, nu je dit leest, sta je waarschijnlijk op het punt om te duelleren met je eigen vader, enkel om mijn eer te redden! Ja, ik weet wat je van plan bent. Maar ik kan niet leven met die onrechtvaardigheid.Ik was getuige van de ruzie tussen jou en je vader en hoorde hoe jij de man uitdaagde tot een duel. Ik heb Hermann de opdracht gegeven een verdovend middel in je wijn te doen. Ik wil zeker zijn dat je pas bij het op het open veld aankomt lang nadat ik mijn missie heb volbracht of gevlucht ben indien ik faal. Door mijzelf te vergiftigen met arseen heb ik ervoor gezorgd dat mijn dood je vader maar een enkele lansstoot zal kosten. Ik vertrouw erop dat jouw herwonnen vrijheid en de boetedoening van mijn vader die zijn enige erfgenaam kwijtraakt de ontering van jouw vader als onwillige helper bij mijn zelfmoord ietwat verlicht.  Volgens Hermann weiger je ons huwelijk op te geven omdat je van mij houdt. Ik durf niet geloven dat dat waar is. Die brave Hermann heeft een onmogelijk romantische kijk op het leven. Maar als het zo mag zijn dat je iets om mij geeft zoals ik zeker om jou geef, dan hoop ik dat jij mij, als enige, ooit deze schandelijke daad vergeeft en de laffe manier waarop ik haar bewerkstellig. Vaarwel, mijn knappe en lieve chevalière. je laffe maar toegenegen echtgenootGregor von Gleichmacht.   

Flixie
0 0

Een buikgevoel

Inspecteur Mahieu herbekeek aandachtig de camerabeelden van het ogenblik dat Karel Loogveldt de koffer opende. Dankzij een anonieme tip hadden Daniël Mahieu en zijn team Loogveldt kunnen arresteren. In ruil voor bescherming had de tipgever verteld dat Loogveldt zijn zinnen gezet had op een rode koffer waarin een collectie juwelen werd bewaard. Diezelfde koffer werd drie dagen later uit de kluis geroofd. De commissaris en de procureur waren beiden in de wolken geweest met de arrestatie van Loogveldt en Mahieu had het niet over zijn hart kunnen verkrijgen hen in te lichten over de twijfel die bij hem ontstaan was over de schuld van Loogveldt.Hanna Leman kwam de kleine verhoorkamer binnen met een bekertje koffie. De geur deed Mahieu watertanden. “Loogveldt is schuldig, Daniël. Ik weet niet wat je hoopt te vinden maar met deze beelden ga je de commissaris en de procureur er niet van kunnen overtuigen dat Loogveldt onschuldig is.”“Ik weet het. Deze beelden zijn te vaag en te korrelig.” Mahieu keek haar over zijn schouder aan. “Maar mijn buikgevoel zegt me dat er iets niet klopt. Geef me nog tien minuten om de beelden een laatste keer te bekijken.”Leman knikte. Ze wist beter dan tegen haar collega zijn onstuitbare buikgevoel in te gaan. “Tien minuten. Bekijk die beelden, drink een grote beker koffie en zet de hele zaak daarna alsjeblieft van je af.”“Ja, baas.”“Onnozelaar.”Toen Mahieu zich twintig minuten later van het koffiezetapparaat en zijn iPhone losrukte, kwam Leman naar hem toe. “Wat is er?” vroeg hij, terwijl hij schuldbewust op zijn horloge keek. “Loogveldt heeft misschien een alibi.”“Een alibi?” Loogveldt had verklaard dat hij de avond van de bankroof de hele tijd alleen voor zijn televisie had gezeten. “Blijkbaar heeft zelfs een schurk als Karel Loogveldt zo zijn behoeften. Op het moment van de feiten was hij en ik citeer: “in het gezelschap van een goede vriend”” Ze snoof. “Daar hoef ik geen tekening bij te maken.”“Nee”, antwoordde Mahieu automatisch. “Maar waarom komt hij hier nu pas mee op de proppen?”Leman haalde haar schouders op en gaf Mahieu een gele Post-it Note. “Michel Van Voorde”, las hij hardop. “Is die bekend bij ons?” Leman schudde haar hoofd. “Ik heb hem opgezocht in alle databases. Hij heeft geen strafblad. Hij bevestigt dat Karel de hele avond bij hem was.”“Shit.”“Precies.”“Dit ondersteunt wel mijn vermoeden dat er iets niet klopt.”Leman rolde met haar ogen. “Zo simpel is het niet, Daniël. Het is niet omdat Loogveldt die nacht niet in de kluis geweest is dat hij onschuldig is. De inbreker kan zijn handlanger zijn. Dit betekent hoogstens dat de zaak nog niet afgerond is.”“Precies. En om ze te kunnen afronden hebben we de toestemming nodig van de commissaris. Die zal niet gelukkig zijn met het nieuws.”   Twee uur later parkeerde Mahieu zijn zwarte Citroën voor het huis van Michel Van Voorde. in een buitenwijk van de stad. De bel hing ietwat los. “Waarom zijn we hier ook alweer?” vroeg Leman terwijl ze omhoog keek naar de armzalige voorgevel. “Het alibi dat die Van Voorde Loogveldt verschaft heeft, deugt niet.”“Je gelooft niet dat Loogveldt homoseksueel is?” vroeg Leman glimlachend.“Ik vind het vreemd dat hij hier niet vroeger mee op de proppen gekomen is.”“Misschien wilde hij Van Voorde zijn reputatie beschermen.”“Hm. Misschien.” Mahieu betwijfelde of een gluiperd als Loogveldt zich iets aantrok van de gevoelens van andere mensen, ook al verschaften ze hem alibi’s.Leman merkte op: “Stel dat Michel en Loogveldt een relatie hebben. Dan heeft Loogveldt Van Voorde misschien weten te verleiden om hem te helpen met zijn misdaad en heeft die daar nu spijt van. Misschien is hij bang geworden en wil hij zijn handen aftrekken van heel die zaak zonder Loogveldt in de steek te laten. Door Loogveldt een alibi te geven, hoopt hij zowel Loogveldt als zichzelf van alle blaam te zuiveren.”“Dat zou kunnen”, antwoordde Mahieu nadat hij een tweede keer op de bel had gedrukt. “Maar waarom kwam hij dan niet meteen zelf naar ons toe met zijn verhaal?”Leman haalde haar schouders op. “Hij is blijkbaar niet thuis.” Ze keek door de groezelige gehaakte gordijnen door het venster. “Daniël! Loogveldt zit binnen. En Van Voorde ligt bewusteloos op de grond!”Mahieu wierp zich tegen de voordeur maar die was steviger dan de staat van de voorgevel deed vermoeden.“Daniël! Loogveldt gaat ervandoor!” Mahieu schoot het slot kapot en trapte de voordeur in. Met getrokken revolver doorkruiste Mahieu met een paar stappen de kleine woonkamer. Hij greep Loogveldt bij het rugpand van zijn T-shirt voor deze door de achterdeur kon ontkomen. Met een harde por in zijn rug dwong Mahieu de dief terug naar binnen waar hij hem in de zetel neerduwde. “Hoe is het met hem?” vroeg hij aan Leman die naast de bewoner van het huis neerhurkte. Van Voorde was bij bewustzijn maar zijn gezicht was rood aangelopen en hij had moeite met ademen.“Hij heeft een lichte hartaanval gehad, denk ik. Ik bel een ambulance.”Mahieu keek neer op Loogveldt die met grote ogen naar Van voorde keek. “We hadden ruzie. En plots greep hij naar zijn borst en zakte in elkaar.” Mahieu zijn blik viel op het uurwerk om Loogveldt zijn pols en vloekte. Zonder Leman haar vragende blik te beantwoorden knielde hij neer en stroopte Van Voorde zijn linkermouw op. Om zijn pols droeg hij een gouden horloge. Van Voorde trok luid kreunend zijn arm tegen zijn borst en probeerde zich op zijn zij te draaien. “Daniël, wat doe je?” vroeg Leman. Mahieu negeerde haar. Hij richtte zich tot Loogveldt. “Michel heeft jou ingehuurd.”Loogveldt keek naar de vloer tussen zijn voeten. “Daniël, waar heb je het over?” vroeg Leman maar Loogveldt knikte. “Die vreselijke schatter moet ontdekt hebben dat Michel de juwelen wilde laten stelen om geen successierechten te moeten betalen.”“En later belde hij naar de politie met een anonieme tip waarna jij werd gearresteerd. Maar jij hebt de diefstal niet gepleegd.”Leman en Loogveldt keken hem allebei scherp aan. “Ik geef toe dat het lang geduurd heeft voor ik het doorhad. De camera’s in de kluis zijn zo goed als waardeloos. Maar er is op de beelden van die nacht heel kort te zien hoe de dief die de kluis binnendringt een horloge draagt om de linkerpols. Jij draagt het jouwe om je rechterpols.”Loogveldt keek naar zijn uurwerk en dan naar Van Voorde. ”Maar waarom?” vroeg hij na een korte stilte. “Michel had gezegd dat hij het hele plan wilde vergeten.” Hij keek opnieuw naar zijn kompaan en herhaalde: “Waarom?”Van Voorde probeerde iets te zeggen. Na een paar ogenblikken zei Leman in zijn plaats: “Michel wist dat de schatter van jullie plan op de hoogte was. Door zelf de misdaad te plegen hoopte hij jou te beschermen.”“Maar intussen had jij besloten om jezelf een beter alibi te verschaffen door te zeggen dat je die bewuste nacht bij Michel was. Daarom ben je kwaad op Michel en sloeg je daarnet op de vlucht voor ons.”Loogveldt keek van Mahieu naar Van Voorde. De stilte die volgde werd verbroken door het geluid van naderende sirenes.  Later keken Mahieu en Leman de ambulance na, leunend op de motorkap van de Citroën. “Hoe laat is het nu?” vroeg Leman.Mahieu keek op zijn horloge toen zijn maag luid begon te knorren.“Etenstijd!” Ze lachten allebei en Mahieu zei: “Mijn buikgevoel laat me echt nooit in de steek!”   

Flixie
0 0

Een beetje eten

Ik ben een jonge liowin. Dat is de naam die de mensen mij geven. Een soort leeuw met een donkere paarsrode vacht en op elke flank een donkergrijze bliksemschicht die van mijn oren van mijn oren tot mijn staart loopt en grote, gele ogen met blauwe irissen en driehoekige pupillen. Ik reisde rond met een ontdekkingsreiziger die mij jarenlang opgesloten hield in een krappe kooi. Zijn naam was Tuur. Nadat hij mij gevangen had, probeerde hij me te verkopen maar dat lukte niet meteen. Om toch wat geld te verdienen liet hij mij vaak optreden. De ene keer moest ik door een hoepel springen, over een touw springen of op een bal lopen, dan weer moest ik een balletje opvangen en terugrollen of de bal op mijn snuit laten balanceren.Gelukkig zijn wij liowinnen veel slimmer dan de meeste andere dieren. Daardoor wist ik mij min of meer te handhaven in gevangenschap. Als Tuur bijvoorbeeld in een dronken bui vergif door mijn eten mengde, herkende ik de geur en de smaak, kieperde het schaaltje om en begroef de inhoud. Op een dag kwam Tuur dronken thuis na een avondje poker. Hij was zo woedend dat hij niet alleen mij maar ook zijn vrouw en zijn dochtertje Joenivurse sloeg. Ik kroop die nacht half kreupel uit de kooi waarvan alle houten spijlen een voor een gebroken of kapotgeslagen waren en sloeg op de vlucht. Lange tijd zwierf ik doelloos rond tot Joenivurse me plots vastpakte. Zij en haar moeder waren eveneens op de vlucht geslagen en reisden van dorp naar dorp. Dankzij de gastvrijheid van veel mensen en hard werken bouwden ze een nieuw leven op voor zichzelf en voor mij. Joenivurse groeide op tot een verantwoordelijke, intelligente en mooie vrouw. Het reizen moe aanvaardde ze op een mooie dag zonder aarzelen een baan als oppas voor twee rijkeluiskindertjes: Henric en Thoma. Henric was knap, intelligent, vlot in de omgang en zodoende heel populair. Thoma daarentegen was stil en in zichzelf gekeerd. Joenivurse merkte hoe hij openbloeide als ze alleen was met hem in de tuin; dan praatte en lachte hij honderduit. Als ze hem ondervroeg of het huiswerk nakeek dat de strenge juf Gisèle hem had opgedragen, was dat altijd uitmuntend. Hij droeg gedichten en spreekbeurten voor als een eersteklas redenaar. Maar zodra zijn broer ergens verscheen, klapte hij dicht. Dan zweeg hij of begon te hakkelen. Henric was nooit gemeen tegen zijn broer of lachte hem nooit uit als hij begon te stamelen. Meestal ging hij zwijgend zitten en glimlachte of knikte naar Thoma. Hij had al vroeg geleerd dat hij beter niet kon kijken of luisteren naar zijn broer als hij voordroeg of praatte met Joenivurse. Het dreef al vroeg een wig tussen de twee broers. Er was nooit sprake van haat of ernstige spanningen maar zoals tussen broers gebruikelijk was, werd er al eens ruziegemaakt en groeide er een gezonde rivaliteit. Henric hield van zijn broer maar begreep dat die zich ongemakkelijk voelde in zijn nabijheid en nam steeds meer fysiek afstand van hem en Joenivurse, die meestal bij hem was. Toen Henric het meisje ontmoette waar hij later mee zou trouwen, bracht hij amper nog tijd door thuis. Bovendien nam Joenivurse steeds meer afstand naarmate de jongens ouder werden en Thoma zijn gevoelens voor haar veranderden. Net als mijn eigen gevoelens. Joenivurse werd een vreemde voor me. Ze woonde nu in het grote huis en haar moeder voelde zich niet op haar gemak met mij alleen. Net als Thoma voelde ik me buitengesloten en ik trok eropuit. Thoma voelde zich door Henric en Joenivurse zodanig gekwetst dat hij zich opsloot in zijn kamer. Vaak zat hij ’s avonds en ’s nachts naar buiten te kijken. In het licht zag ik dan alleen zijn donkere gestalte, zwart als een schaduw. In datzelfde licht dat langs hem heen naar buiten scheen, zag hij mij waarschijnlijk heel duidelijk.Hij probeerde me te lokken door broodkruimels en andere restjes door het raam van zijn slaapkamer in de tuin te gooien. Ik vocht tegen de verleiding maar het was een gure winter en honger en kou maakten me roekeloos. Bovendien kende de jongen Joenivurse. Dan moest hij ook goed en aardig zijn, zoals zij. Die eerste avond bestond mijn maaltijd uit stukjes vlees en fruit. Beducht op het gevaar, schrokte ik alles naar binnen en wilde weglopen toen ik mij gewaar werd dat Thoma uit zijn raam hing en naar mij keek. Ik werd doodsbang en durfde niet meer bewegen. Zijn bruine ogen waren roodomrand. Later begreep ik dat hij gehuild had maar terwijl we zo naar elkaar keken, verscheen er een warme glimlach op zijn gezicht. Ik stak mijn snuit omhoog en hij stak zijn hand uit. Sindsdien waren we vrienden. Thoma liet telkens grotere porties voedsel voor me achter en ik kwam met steeds minder angst uit het kapelletje langs de weg waar ik mijn toevlucht had gezocht. Drie jaar later, niet lang voor Thoma’s eenentwintigste verjaardag en Henric zijn huwelijk met Eliza, liep het mis. Ik werd betrapt.Het gebeurde niet zelden dat Thoma ook ’s middags wat eten voor me achterliet en ik had die avond bijzonder veel honger. In het gras lag een flinke plak cake. Terwijl ik de cake opsmikkelde, hoorde ik geschreeuw in Thoma’s kamer. Ik wilde wegrennen maar halverwege de tuin bleef ik staan. Misschien zat Thoma in de problemen. Ik wist niet zo heel veel van mensen maar genoeg om te weten dat geschreeuw niet veel goeds betekende. En het was in Thoma zijn kamer. Dus Thoma was erbij en had er iets mee te maken. Ik liep zo snel ik kon terug naar het huis en drukte me tegen de muur. Niemand in de kamer zou me kunnen zien. Maar er was iemand die me wel zag. Plotseling stond de keukenmeid naast me en schreeuwde: “Een monster! Help!”Het geschreeuw in Thoma’s kamer hield meteen op. Iemand boog zich door het raam en riep: “Wat heeft dat te betekenen, Hilda?” De keukenmeid wees naar mij maar de spreker, waarschijnlijk Henric, zag mij niet. Ik hoorde Thoma roepen: “Nee! Henric, wacht, dat is alleen maar…”Henric luisterde blijkbaar niet want weldra zag ik verschillende lichtstralen door de tuin en over de straat vlakbij glijden. Ik hoorde gefluister en een hoog piepstemmetje dat steeds herhaalde: “Oh, Henric, een monster, een monster!”Thoma’s stem daarentegen klonk luid en helder: “Als je hem iets durft aandoen…!” Hij werd onderbroken door Eliza die angstig piepte: “Je doet dit om mij te pesten! Je hebt daar iets verstopt om me bang te maken.” Henric snauwde tegen allebei: “Stil!” Mijn oren pikten een zacht gefluister op van Thoma: “Hou je stil, mijn vriend. Met een beetje geluk kan ik Henric afleiden en dan moet je snel naar de kapel rennen.”Ik hield me muisstil maar het mocht niet baten. Eliza zag me en begon hysterisch te gillen. Er viel een straal licht over me en meteen klonken er twee schoten. Ik versnelde en sprong met een meterslange sprong de kapel in. Ik hoorde Thoma die schreeuwde: “Nee!” en “Rotwijf!”, Henric die riep: “Nee, Thoma, niet doen!”, een derde schot en toen niets meer.De omgeving werd eensklaps doodstil.Het moet rond middernacht geweest zijn toen Thoma naar me toe kwam. Ik werd wakker door zijn hand die steeds weer over mijn vacht streek. Ik rook het kruit aan zijn handen. Ik hoorde zijn gesnik en zijn gejaagde ademhaling. Ik deed mijn ogen open maar voor Thoma iets kon zeggen, viel er een schaduw over hem heen. Het was Joenivurse. Thoma draaide zich met een ruk om en hij stopte met ademen. Zonder een woord te zeggen, gebaarde Joenivurse dat Thoma haar moest volgen. Ik stapte bij hem vandaan tot tegen de stenen muur van de kapel. Joenivurse stak haar hand naar me uit maar ik begreep niet wat ze wilde. Wilde ze dat ik mee zou gaan met Thoma? Maar waarheen? Misschien bracht ze hem wel regelrecht naar het huis, naar Henric en Eliza, die op mij had geschoten.Thoma dacht blijkbaar hetzelfde. Hij stapte langs Joenivurse heen naar binnen, pakte mij op, liep weer naar buiten en rende weg.“Thoma? Thoma, kom terug!”Joenivurse haar geroep ging verloren in een zware stormwind die mij en Thoma in het gezicht sloeg. Thoma sloeg geen acht op haar. Hij bleef rennen, zijn gezicht af en toe begraven in mijn vacht, net zoals mijn snuit. Thoma was niet in goede conditie. Na lange tijd kwam hij wankelend en hijgend tot stilstand en zette mij op de grond. De vooroverbuigende beweging die hij daarbij maakte, deed hem zijn evenwicht verliezen en vallen. We waren allebei doornat en verkleumd toen Joenivurse ons de volgende morgen voor dag en dauw vond. Mijn vacht had me beschermd tegen het barre weer maar Thoma was er slecht aan toe. Hij lag bewusteloos op zijn zij in het gras en de modder. Joenivurse spreidde haar mantel over hem uit. Ze tilde een hoek ervan veelbetekenend omhoog en gebaarde naar mij dat ik naast hem moest komen liggen. Aarzelend gehoorzaamde ik. Joenivurse glimlachte en aaide over mijn kop voor ze een paar broodjes uit de tas haalde die over haar schouder hing en die voor mij neerlegde. Ik snuffelde er even aan en proefde. Te laat begreep ik dat ze iets in de broodjes had gedaan. Ik werd afgeleid van de scherpe smaak door een prikkelende geur. Joenivurse haar hand en de broodjes roken sterk naar een andere liowin, een vrouwelijke soortgenoot. Buiten de paartijd leven wij zoals vele diersoorten solitair en verdragen we geen soortgenoten van het andere geslacht om ons heen. Dat was mijn redding. Ik werd eensklaps waanzinnig. Mijn razernij was zo groot dat het vergif in de broodjes geen enkele uitwerking op mij had. Doldriest sprong ik overeind en viel Joenivurse aan. Met een paar halen van mijn poot reet ik haar borstkas open en rukte een voor een haar ingewanden eruit. Als laatste verscheurde ik smakkend haar hart.In extase en met mijn snuit vol bloed boog ik me even later over Thoma heen. Hij was uitgeput, hongerig en onderkoeld. Het beetje vergif dat ik had binnengekregen begon zijn werk te doen nu de adrenaline snel uit mijn lijf wegvloeide. Ik werd snel zwakker en wist me maar net te verstoppen toen Henric Thoma vond. Hij rende naar Thoma en knielde met een plof naast hem neer. “Thoma? Thoma?” Henric sloeg zijn broer enkele keren in het gezicht, tot de andere man zijn hand vastpakte en zei: “Dat heeft geen zin, Henric. We moeten hem zo snel mogelijk naar huis brengen waar een dokter hem kan onderzoeken.” Het hele gezin had groot verdriet om de dood van Joenivurse en ze gaven haar een prachtige begrafenis. Thoma liet nu drie keer per dag eten voor mij achter onder zijn raam én in het kapelletje. “Waarom zoveel?” vroeg ik mij af “Uit vriendschap? Of was Thoma boos omdat ik Joenivurse gedood had en wilde hij mij lokken om me te doden? Hij wist immers niet dat Joenivurse geprobeerd had om mij te vergiftigen. Zelf leerde ik pas veel later waarom ze dat had gedaan. Tijdens een van mijn omzwervingen belandde ik in het nu verlaten dorpje van Tuur. In zijn schamele huisje trof ik zijn lichaam aan op de keukenvloer, verscheurd door wolven. Ik herkende hun geur. Joenivurse had haar vader de laatste jaren een paar keer opgezocht. Toen ze alleen maar wat botten en bloedsporen aantrof, dacht ze ongetwijfeld dat ik wraak had genomen. “Ook al was ik niet de enige liowin met wie ze omging,” dacht ik verbitterd. Ik herinnerde me de geur aan haar handen toen ze me de broodjes had gegeven.Achterdochtig negeerde ik al het eten dat Thoma voor me achterliet en trok diep het bos in, ver weg van het kapelletje, het huis en Thoma.  

Flixie
0 0

Dubbele wraak

Leon Mahieux en zijn moeder Caroline zaten alleen in de kale witte wachtkamer in het ziekenhuis. Op het einde van de gang lagen zijn vader en zijn broer elk aan een beademingstoestel. Caroline zat bleek en roerloos op haar stoel met haar handtas op haar knieën. Haar handen met lange gemanicuurde nagels knepen de hengsels bijna fijn. Toen de politie belde om te zeggen dat Nicolas en Peter Mahieux uit de Leie waren gehaald, samen met een knalgele Lamborghini, was Caroline in woede ontstoken. Ze had het altijd geweten, had ze gesneerd, Ze had Nicolas gewaarschuwd dat hij niet met zo’n moordmachine moest gaan rijden. Over haar ex repte ze met geen woord. Caroline was bijna hysterisch geworden toen Peter Nicolas de sleutels overhandigde op diens trouwfeest. Al haar bezwaren werden als pluizen van tafel geveegd en vader en zoon waren nog diezelfde avond vertrokken naar Peter Mahieux zijn nieuwe villa waar het gele racemonster in de garage stond te wachten. Leon was jaloers geweest en had niet kunnen nalaten te vragen of hij ook zo’n cadeau mocht verwachten als hij ooit trouwde. Zijn vader had gelachen en terwijl hij zijn ene arm om Nicolas’ schouders sloeg en de andere om die van Leon had hij gevraagd: ‘Waarom zou mijn ene fantastische zoon minder krijgen dan de andere?’ Nicolas had zijn vaders arm van zijn schouders gehaald en gemaakt geprotesteerd. ‘Dat is niet eerlijk, pa. Kijk eens wat ik jou in de plaats heb gegeven: Het mooiste meisje op aarde als schoondochter.’ Nicolas wees naar Leon. ‘Dat kan hij onmogelijk evenaren.’ Hun vader was in een luide bulderlach uitgebarsten toen Leon prompt de uitdaging aanvaardde en zwoer op zijn leven dat hij een nóg mooiere vrouw zou trouwen. Meer nog: hij zou het doen voor zijn dertigste. Nicolas was er een maand geleden dertig geworden. Leon keek naar de saaie schilderijtjes aan de muur. Bloemen. Vogels. Eendenkuikens. Een ouderwets verliefd koppeltje, kinderen nog, in hun zondagse kleren.Hij leunde voorover, liet zijn ellebogen op zijn knieën rusten en liet zijn hoofd hangen. Een roodharige verpleegster liep langs de open wachtruimte. Ze had een ernstige uitdrukking op haar gezicht. Leon voelde de spanning in zijn borst opvlammen. Zijn hart begon in zijn keel te kloppen. Het was zo ver. Nog heel even, dan zou zijn moeder haar handtas openen en het mes eruit halen.Leon dacht terug aan de avond waarop zijn ouders hun zoveelste woordenwisseling hadden gehad. Het was een paar dagen voor het huwelijk geweest. Toen zijn moeder claimde dat hun vader ‘zich al jaren tussen haar en de kinderen in wrong’ had Leon er nog een schepje bovenop gedaan. Van aan de salontafel waar hij achter zijn PC zat, had hij geroepen dat zijn moeder zich aanstelde. Hij en Nicolas waren immers volwassen mensen en zouden zelf wel beslissen voor wie ze wel of geen affectie wensten te hebben. Een beetje geld zou heus het verschil niet maken. Achterlijkheid daarentegen… Achterlijkheid. Dat woord had het hem gedaan. Zijn moeder was de keuken uitgelopen en had zich de rest van de dag opgesloten in haar kamer. De volgende morgen was ze bijzonder vrolijk geweest. Gemaakt vrolijk. Té vrolijk. Maar daar kwam snel verandering in. Nadat de politie, of het ziekenhuis − Leon wist niet precies wie − gebeld had, had zijn moeder na haar oorspronkelijke uitbarsting uiterst kalm de telefoon neergelegd. Op beheerste toon had ze Leon verteld wat er gebeurd was en hem gezegd dat hij zich moest klaarmaken. Leon had prompt gereageerd en nog voor zijn moeder haar jas aanhad, had hij de zijne aan, had hij haar handtas van de keukentafel gegrist en de autosleutels eruit gevist. Achter het stuur dacht Leon weer aan dat moment op het trouwfeest dat zijn vader Nicolas de sleutels van de Lamborghini gegeven had, in een speciaal doosje met een strikje om. In haar verontwaardiging en wanhoop had Caroline haar ex-echtgenoot bedreigd. ‘Als er íéts gebeurde met Nicolas,’ had ze dreigend gezegd, ‘om het even wat, dan zou ze hem weten te vinden.’ De rechtbank zou geen spaander van hem heel laten, daar zou zij, Caroline Mahieux, persoonlijk voor zorgen. En hij, Peter de Grote, zou ervoor boeten. Ze had er geen idee van hoe profetisch die woorden waren. Halverwege de gang naar intensieve zorg ging een deur open. Dokter Vanderbiest, een oudere man met grijs haar en een vriendelijk gezicht, stapte de gang op. Op de revers van zijn witte jas ging een rood lampje branden. Hij wierp een blik in de wachtruimte. Leon ving zijn blik en hij knikte vriendelijk voor hij een roodharige verpleegster volgde naar het einde van de gang. Leon knikte terug en draaide vervolgens zijn hoofd een stukje opzij zodat hij zijn moeder kan waarnemen vanuit zijn ooghoeken. Ze kwam in beweging. Wat deed ze? Opende ze haar handtas? Waarschijnlijk. Hij draaide zijn hoofd opzij. Zijn moeder zat niet langer stijf rechtop. Haar hoofd was voorovergebogen, een arm gebogen met de elleboog in de lucht en de hand in de handtas, alsof ze iets zocht. Perfect. Leon draaide zich om, registreerde kort dat zijn moeder niet opkeek, hief zijn rechterarm op en balde zijn hand tot een vuist die de kaak van zijn moeder raakte. Caroline zakte scheef tot ze met haar hoofd op de stoel naast haar lag. Een dikke, blonde verpleegster die net langs de wachtruimte gelopen was, bleef staan en schreeuwde: ‘Hé, wat moet dat?!’ Leon herkende de vrouw. Haar naam was Lisa. Ze had met hem en zijn moeder gesproken toen ze in het ziekenhuis aangekomen waren en had hen gerustgesteld. Of beter: ze had geprobeerd hen gerust te stellen. Met zijn moeder was haar dat niet gelukt. Leon was nooit bang of geschokt geweest. Lisa greep hem ruw vast bij zijn schouders en trok hem hardhandig achteruit. Ze had ook lange nagels, die in zijn blote armen sneden. Hij probeerde haar handen van zich af te schudden, klauwde en prutste om de nagels los te maken, hopend dat er een of meer zouden breken. Hij trachtte haar vingers open te wringen, tevergeefs. Hij tilde zijn rechterknie een stukje op en trapte hard naar achteren in de hoop iets te raken. Hij miste. Lisa bleek heel behendig te zijn met haar heupen en in plaats van op een heel intieme plek kwam zijn voet tegen haar heup terecht waar hij slechts een minimum aan schade kon aanrichten plus wat modderige vegen op haar kraaknette witte verpleegstersuniform. Hij trapte met zijn andere voet naar achteren en raakte deze keer haar buik en meteen daarna haar scheenbeen. Lisa vloekte en liet hem los. Ze duwde hem met zoveel kracht van zich af dat hij strompelde en bijna op zijn knieën viel. Twee mannen die net uit de lift stapten, namen het tafereel in zich op. Het was niet moeilijk om te raden wat er aan de hand was maar het was pas toen Lisa riep ‘Doe toch iets!’ dat ze toesnelden. Een van hen, de jongste, droeg een verplegersuniform. De ander, een vijftiger, droeg een bruine broek, een groene trui en een zwaar vilten jas die openhing. Ze grepen Leon elk bij een arm. Op dat moment kwam de roodharige verpleegster aangelopen, gevolgd door de dokter die riep: ‘Wat gebeurt er hier?’Lisa schreeuwde een antwoord dat doorspekt was met enkele kleurrijke scheldwoorden aan Leon zijn adres. Vervolgens zei ze iets kalmer tegen niemand in het bijzonder: ‘Hou hem in bedwang en bel de politie.’ Dan ontfermde ze zich over de onfortuinlijke moeder die in shock leek te zijn.Caroline was half overeind gekomen. Ze kreunde: ‘Nee. Geen politie.’ Lisa ondersteunde haar terwijl ze helemaal overeind ging zitten en haar rug rechtte. ‘Rustig, mevrouw. Het komt goed.’ Maar Caroline liet zich niet paaien. Ze schudde haar hoofd en nam de hand van de verpleegster die deze laatste op haar schouder had gelegd. ‘Alstublieft. Geen politie. Leon is… onwel. Het nieuws van zijn vader en zijn broer heeft hem te sterk aangegrepen. Er zijn de voorbije dagen heel wat spanningen geweest. Hij moet rusten. In een bed, niet in een cel. Laat de politie hierbuiten. Alstublieft?’Lisa knikte, al was ze het duidelijk niet eens met de gestelde diagnose van emotionele overreactie als excuus voor het lichamelijke geweld. ‘Oké. Als u het zeker weet.’ Ze keek naar Caroline haar gezicht en voelde voorzichtig aan de pijnlijke kaak en slaap. Caroline hield haar adem in onder de pijnlijke aanraking. ‘Ja, dat moet verzorgd worden.’ zei de verpleegster een beetje triomfantelijk, ‘Als u even meekomt…’Caroline schudde opnieuw haar hoofd terwijl ze naar Leon bleef kijken. Lisa zuchtte. Ze begreep dat het onverzettelijk moederinstinct was dat de andere vrouw noopte bij haar zoon te blijven. Ze knikte. ‘We kunnen het ook hier doen, als u wilt. Ik ga even het een en ander halen. Het zal niet lang duren.’Caroline knikte. ‘Dank u.’Voor ze de wachtruimte uitliep, zei Lisa tegen de verpleger en de man in de zwarte jas: ‘Hou hem in de gaten.’ De mannen knikten. De verpleger hield Leon vast aan zijn linkerschouder en -arm. De man in de jas had zijn armen op zijn rug gedraaid als een volleerd agent, een reusachtige hand als een bankschroef om de polsen geklemd.Carolien riep verontwaardigd: ‘Laat hem los! Zie je dan niet hoe hij eraan toe is?’De verpleger keek opzij naar Leon die zwaar en moeizaam ademde en even wankelde. Zijn blik was gericht op de handtas van zijn moeder. Het ding was van haar schoot gevallen en de inhoud lag door de hele wachtruimte over de vloer verspreid. Twee sleutelbossen, gsm, portemonnee, parfum, pijnstillers, een nagelvijl, een zonnebril, tampons, zelfs een briefopener. En een klein maar uiterst scherp mes.Leon wees er met een trillende vinger naar terwijl hij fluisterend uitbracht: ‘Ze heeft een mes. Ze heeft een mes…Ze gaat papa doden.’ Zijn ogen waren wijd, zijn blik verwilderd, bang. Zijn hand bleef trillen terwijl hij zijn arm liet zakken die als een dood gewicht langs zijn lichaam viel. Vanuit de hoeken van zijn schijnaar doffe ogen keek hij scherp naar Lisa. Op het dikke gezicht van de verpleegster lag een uitdrukking van lichte afschuw. Ze leek te twijfelen over wie ze zich moest ontfermen: de moeder met een mes, een blauwe kaak en misschien enkele gebroken tanden of de zoon, die haar uit zelfverdediging aangevallen en verwond had? De roodharige verpleegster kwam naar hem toe. ‘Meneer?’ Leon antwoordde niet. Hij bleef naar het mes kijken, alsof hij erdoor gehypnotiseerd werd, zijn ogen wijd en zijn ademhaling aangepast. ‘Meneer?’De tengere roodharige vrouw ging nu vlak voor hem staan en keek omhoog om hem in het gezicht te kunnen kijken. Ze had prachtige, grote bruine ogen. ‘Meneer, hoort u mij?’ Ze had ook een vriendelijke stem. Kalm. Geduldig. Leon antwoordde opnieuw niet onmiddellijk en liet zijn gedachten afdwalen. Wat zou er met hem gebeuren als zijn moeder van gedachte veranderde en Lisa de politie belde. Niet dat zijn moeder dat zou doen. Ze had er duidelijk het hart niet voor om haar arme, verwarde zoon aan te geven bij de politie. Zeker niet zolang hij misschien in shock was. Zouden ze hem opsluiten in een ongebruikte patiëntenkamer of in een of ander berghok tot de politie arriveerde? Voor Lisa was hij niet bang. Zelfs de dokter of twee verplegers kon hij wel aan. Maar tegen meerdere getrainde agenten zou hij het niet halen. En dan? Als ze hem meenamen naar het politiebureau, zouden ze hem daar waarschijnlijk eerst ‘een nachtje laten sudderen’ in een kleine cel in de kelders onder het politiebureau. In zijn gedachten zag Leon de muren van zo’n cel. Het enige dat de leegte verbrak, zou een klein venstertje zijn met tralies ervoor, zoals in een middeleeuwse gevangenis. Toen de verpleegster voor de zoveelste keer vragend zijn naam genoemd had, knipperde hij een paar keer bewust met zijn oogleden. Zijn moeder zei luid: ‘Zien jullie dan niet dat hij niet goed is?! Laat hem los.’De greep om zijn linkerarm verslapte. Lisa probeerde Caroline te kalmeren maar ze was vastbesloten. ‘Laat hem op z’n minst gaan zitten. Hij zal heus niets doen. Kijk hoe hij erbij staat. Hij staat op instorten.’Iedereen moest toegeven dat Caroline gelijk had. Leon zag er inderdaad uit alsof hij er niet helemaal bij was. Hij had zijn schouders laten hangen en zijn rug ietwat gekromd om een meer bange, hulpeloze houding aan te nemen. Zijn blik, star en afwezig, had zich nog niet afgewend van het mes.Dokter Vanderbiest stapte naar voor en ging naast de roodharige verpleegster staan. ‘Mevrouw heeft gelijk. De man is licht in shock. Gina, probeer hem te laten neerzitten tot de shock over is. Hou hem warm. Geef hem iets te drinken, praat met hem, maar zorg dat hij niet opnieuw of nog meer in paniek raakt. Luk, raap mevrouw haar spullen op en breng ze naar mijn bureau.’  ‘Ja, dokter,’ reageerden de verpleger en de verpleegster tegelijkertijd. Luk raapte de handtas op en begon de inhoud er weer in te steken. Gina ging‘Komt u ook mee mevrouw. Maak u geen zorgen, uw zoon is in goede handen bij Gina. Als u wil, laat ik de deur openstaan dan kunt u hem zien.’Caroline liet zich overhalen en volgde de dokter en de verpleger naar het kantoor. Lisa volgde hen.Leon en Gina wierpen een blik op de open deur. Leon paste er wel voor op dat hij zijn hoofd stilhield en alleen zijn ogen bewoog. Toen hij terug naar Gina keek, zag hij hoe ze met gespeelde irritatie haar hoofd schudde voor ze vlak voor hem ging staan, eveneens in het zicht van zijn moeder die hen in de gaten hield.‘Meneer?’Hij stond zichzelf toe met zijn ogen te knipperen maar pas nadat ze zijn naam herhaald had, rechtte hij zijn rug en tilde zijn hoofd een stukje op. Gina glimlachte. In haar ogen blonk amusement. ‘Zullen we even gaan zitten?’ Leon knikte sloom en liet zich langzaam neervallen op de stoel waarop zijn moeder tevoren had gezeten. Daarbij liet hij opnieuw zijn schouders wat hangen en kromde zijn rug. De verpleger, Luk, had de handtas zoals gevraagd naar de dokter gebracht en bracht nu een deken dat Gina om Leon zijn schouders legde.Terwijl Leon zogezegd bijkwam van zijn beproeving, deed Carolien hetzelfde in het kantoor van de dokter. ‘Ik snap het niet,’ zei ze voor de zoveelste keer. ‘Ik weet echt niet hoe dat mes in mijn handtas terechtgekomen is, ik zweer het! Tenzij…’ Om een of andere reden keek ze vooral Lisa aan terwijl ze sprak. Plots ogen verwijdden zich en haar mond viel open in een geluidloze ‘O’.‘Mevrouw?’ vroeg Lisa en dan: ‘Caroline?’ ze ging naast Caroline op het bureau van de dokter zitten. ‘Noem me hier niet zo,’ fluisterde Caroline.Lisa probeerde Caroline haar hand te pakken maar Caroline weerde haar af. ‘Wat is er?’‘Wat als Leon het erin gestopt heeft?’‘Wat?’‘Het mes,’ zei Carolien ongeduldig, ‘In mijn handtas.’ ‘Wat?’ Lisa werd nu echt bezorgd. ‘Je bent in de war, Caroline.’ Ze legde een hand op Caroline de hare die op het bureau lag maar de andere vrouw weerde haar opnieuw af en liep naar het raam.‘Caroline…’ Carolien draaide zich zo abrupt om dat ze bijna haar evenwicht verloor. Lisa greep haar arm vast om haar te ondersteunen maar Caroline sloeg haar hand weg en stapte bij haar vandaan. Lisa deed zelf ook een paar stappen achteruit, boos en gekwetst.’‘Wat bezielt jou?’Caroline keek haar aan, eerst verrast alsof ze het een ongepaste vraag vond, dan verbijsterd en tenslotte kwaad.‘Wat er mij bezielt? Mijn zoon, verdomme, dat bezielt mij.’ Ze liep naar het bureau van dokter Vanderbiest en terug naar het raam. Mijn zoon valt mij aan en is van plan een of andere misdaad te begaan waar hij mij van wil beschuldigen. Wat dénk je dat er me bezielt?’‘Dat wéét ik,’ riep Lisa, ‘maar is dat mijn fout? Ik wil je helpen en al wat jij doet is mij kwetsen.’De woorden kwam hard aan bij Caroline. ‘Sorry, Lisa,’ zei ze, ‘Je hebt gelijk. Het is niet jouw schuld. Het is alleen dat ik… Wat als dit de reden is?’ Ze gebaarde met haar hand tussen hen in van de een naar de ander. Lisa haar ogen verwijdden zich een ogenblik. Dan schudde ze haar hoofd. ‘Nee. Hoe zou hij het kunnen weten? We zijn altijd uiterst voorzichtig geweest, ook nadat jij en Peter uit elkaar gegaan zijn. Leon en Nicolas kunnen van niets weten.’‘Maar hoe kunnen we dat zeker zijn?’Lisa schudde haar hoofd. ‘De twee zijn volwassen, Caroline. Ze hebben hun eigen leven en Peter heeft dat van hem. Wat kan het hun schelen dat jij met iemand bent? Of het nu een man of een vrouw is. Je haalt je onnodig muizenissen in je hoofd. Ga zitten, ik breng een glas water.’‘Heb je niets straffers?’‘We zijn in een ziekenhuis. Niet meer dan sterke koffie.’Caroline maakte een wuivend doe-maar-gebaar met haar hand. Toen Lisa haar even later de koffie bracht, nipte ze ervan, gezeten in de ergonomisch ontworpen stoel van de dokter achter het bureau. Plots sprong ze op en liep naar de deur.‘Caroline,’ riep Lisa haar achterna, ‘wat ga je doen?’‘Oh, Lisa, snap je het niet? Daarom heeft Leon mij geslagen. Van de afleiding heeft hij gebruikt gemaakt om het mes in mijn tas te steken en mij daarna te beschuldigen van een misdaad die hij zelf gaat plegen! Misschien.’‘Wát?’ vroeg Lisa.‘Waarom zou Leon dat doen? Carolien, je ziet spoken. Je hebt rust nodig.’‘Nee, Lisa. Ik weet heel goed wat ik zeg. Ik ga nu naar Leon. Ik wil weten wat deze hele komedie te betekenen heeft.’ Caroline liep naar de deur maar de man met de zwarte jas ging in de deuropening staan. ‘Niet zo haastig, Caroline,’ zei hij met een diep, rommelend stemgeluid. Hij sloeg een arm om haar middel, en drukte haar tegen zich aan. In een flits meende Caroline dat ze hem herkende maar voor ze dat feit kenbaar kon maken en stak hij een mes in haar nek.‘Hé! Wat moet dat?’ schreeuwde Lisa. De dikke blonde vrouw sprong op de moordenaar af maar de roodharige verpleegster die ongemerkt de kamer binnenkwam, schoot langs de man in de jas heen naar binnen en liet haar struikelen. Voor Lisa er erg in had, zat de tengere vrouw boven op haar en stak het mes in haar nek. Dokter Vanderbiest keek zwijgend toe terwijl de grote man en de kleine vrouw hun slachtoffers naar de intensieve zorg sleepten waar Peter en Nicolas Mahieux hen hielpen om de lijken in de twee bedden te leggen die zij tijdelijk ingepalmd hadden.‘Waar is Leon?’ vroeg Nicolas. Zijn oom Karel grijnsde terwijl hij zijn jas dichtknoopte. ‘Die is vast even gaan rondtoeren in die Lamborghini van jou,’ Hij keek naar zijn broer, ‘Die jongen heeft duidelijk jouw acteerpassie en pronkzucht geërfd, Peter. Wat een schouwspel! Ik zou echt geloofd hebben dat de spanning en angst hem te veel werden. En dan zijn moeder beschuldigen van moord terwijl we haar zelf zouden vermoorden. Ha!’ Peter gaf hem een harde por in zijn ribben. Hij slaakte een kreet en wreef met een verongelijkt gezicht over de pijnlijke plek. ‘Waar was dat goed voor?’Luk grinnikte. ‘Wat is er zo grappig?’ ‘Niets,’ zei Luk maar hij moest lachen toen zijn vader hem verongelijkt aankeek. Nicolas werd hierdoor aangestoken en al snel begonnen ze beiden ingehouden te schateren. Karel wendde zich verontwaardigd af en keek recht het gezicht van zijn broer die met zijn ogen rolde. ‘Je gedraagt je als een klein kind dat zijn zin niet krijgt. Hou je een beetje rustig, er kan altijd onverwacht iemand op de afdeling binnenkomen als er een noodgeval is en men Vanderbiest nodig heeft. Niet iedereen moet weten hoe fantastisch ons plan geslaagd is. Al ben ik natuurlijk ook trots op Leon.’Karel hervond zijn goede humeur. ‘Ja, de jongen was werkelijk fantastisch. Het was een goed idee om Caroline het wapen te laten binnensmokkelen en zich vervolgens te wentelen in een slachtofferrol in zogezegde zelfverdediging.’Nicolas tilde hooghartig zijn kin in de lucht. ‘Poeh! Ouderwetse waaghalzerij. Die idioot heeft gewoon constant aandacht nodig.’ Karel lachte. ‘Iedereen zijn rol in het stuk. Wees gerust, Nicolas, De appel valt bij jou ook niet ver van de boom.’ ‘Bij jou en Luk ook niet,’ zei Gina, ‘Jullie zijn allemaal hetzelfde. Een pot nat, zoals dat heet. Stoere komedianten in harde bolsters. Maar vanbinnen grote softies!’ Ze sloeg hem zacht op zijn kalende kruin. Karel sloeg zijn arm om haar middel en trok haar tegen zich aan. ‘Mijn liefste Gina, als dat niet zo was, dan had Luk jou nooit aanvaard als stiefmoeder,’ hij kneep zacht in haar achterste. Ze gaf een zacht gilletje dat Karel smoorde door met een innige kus op haar mond en verschillende in har nek. ‘Kunnen jullie dat niet voor later bewaren,’ bromde Peter geïrriteerd. ‘Waarom toch altijd zo jaloers, broer? Wees gerust, met jouw fortuin vind jij je er wel ook zo’n goedje. Een betrouwbaar mokkeltje. En knap. En slim. Hoewel, ook weer niet té knap en té slim of we staan hier volgende week weer. Slimme vrouwen trappen nu eenmaal niet in de valstrikken die wij jagers opzetten. Ze trappen alleen in de val van een andere vrouw omdat ze die vallen nog niet herkennen. Al vraag ik mij af wat ze zag in dat dikke, geblondeerde mens.’Peter rolde met zijn ogen. Hij wilde het niet weten. In elk geval had hij bewezen dat hij zich door z’n blond geverfde koe niet aan de kant liet zetten.  ‘Eerst maken dat we hier weg zijn. Nicolas?’‘Geloven jullie dat Vanderbiest zal zwijgen?’ vroeg Nicolas die de woede in zijn vader zag opkomen. Karel en Peter keken elkaar aan. Het was Peter die zei:‘Met de miljoenen die hij binnenkort op zijn geheime rekeningen zal kunnen zetten, heeft hij alle reden om zijn mond te houden.’‘Als hij hem opendoet, steek ik er dit schatje in,’ zei Karel. Hij hield het kleine mes waarmee hij zijn schoonzus vermoord had omhoog. De kling hing nog vol bloed. ‘Stop dat weg, idioot.’Karel lachte. ‘Alweer jaloers, broer? Maak je geen zorgen. Binnenkort is het jouw verjaardag, toch?’Peter rolde opnieuw met zijn ogen en zuchtte overdreven terwijl hij de anderen volgde naar de ondergrondse parking, onder leiding van Luk en Gina die nog steeds hun uniformen droegen.In zijn kantoor ging dokter Vanderbiest achter zijn computer zitten. Hij verwijderde elk spoor van Peter en Nicolas Mahieux uit het gehele computer- en beveiligingssysteem en verving deze door die van Caroline Mahieux en zijn vrouw Lisa Vanderbiest.  

Flixie
0 0

De geest van de kattenridder

  … Als de lange, koude nacht tot een einde kwam, werd het verlaten rijtuig gevonden door een boer en enkele van zijn zonen. In het rijtuig vonden ze de baby, onderkoeld maar levend. Het kind werd warm gehouden door een grote zwarte kat die zich er beschermend omheen had gekruld, als ware het haar eigen jong. Van de ouders is nooit iets vernomen en vermoed wordt dat zij hun kind achtergelaten hebben omdat het bezeten was van de Duivel. Het enige spoor dat zou kunnen leiden naar de familie van het kind was het lichaam van een geharnaste ridder die vermoedelijk deel uitmaakte van een escorte. De familie wiens embleem op het harnas van de dode stond, ontkende echter het bestaan van een pasgeboren nazaat en schaarde zich achter de stelling dat de dode in kwestie het harnas gestolen moest hebben. Het verhaal van de duivelsbaby verspreidde zich snel door het land en de bewuste route werd jarenlang gemeden. Alleen enkelingen op doorreis kwamen nog over de en passeerden dan lang het rijtuig. Als zij over hun reis vertelden, werd hen meteen gevraagd of zij niet weggevlucht waren door de stank van het lijk. Dan vroegen zij: “Lijk? Welk lijk?”Een van hen antwoordde na het drinken van een grote kroes bier om op te warmen: “Een lijk? Was het maar een lijk. Wat ik gezien heb, is veel erger. Een geest! Verschrikt vroeg men wat hij bedoelde. “Ik heb zijn gezicht niet kunnen zien maar wat kan het anders geweest zijn dan de geest van die ongelukkige die destijds nabij die ongelukkige plek gestorven is?” Het is een warme nacht. De maan staat helder aan de hemel als boer Ferguut zijn erf op loopt. De kippen en ganzen liggen al lang te slapen. Twee knechten volgen de boer tot bij het brandhout dat ze die middag gesprokkeld hadden. De grootste van de twee draagt een zak over zijn schouder, de ander een houten knuppel en een zware hamer. Ze praten opgewonden. De knecht met de zak onderbreekt zichzelf af en toe met een geluid van pijn en laat de zak op zijn rug dan even omhoog wippen. Noch de boer noch de knechten zijn zich ervan bewust dat drie paar ogen hen in de gaten houden. Boer Ferguut heeft zijn kroost en zijn vrouw naar bed gestuurd maar Andrew en Ben zijn veel te nieuwsgierig wat hun vader zou doen nadat hun moeder er enorm ophef over had gemaakt tijdens het avondeten. Elizabeth, de jongste spruit, wil niet onderdoen voor haar broers en volgt hen als ze stilletjes hun bed uit stappen en naar buiten sluipen, erop beducht om hun moeder niet wakker te maken. De ene knecht gooit de zak neer naast de vuurplaats terwijl de ander zijn voet op de zak zette. Er klinkt een luid gemauw uit op . Lizzie zegt luidop: “Er zitten katten in die zak!”Een van haar broers, Andrew, knijpt haar in haar arm.“Au!”“Stil! Ze mogen ons niet horen.Lizzie wrijft verongelijkt over haar arm maar zegt niets meer.“Waarom doet papa dit ’s nachts?” vraagt de andere jongen, Ben, fluisterend. “Wat maakt het uit?” vraagt zijn broer.“Het zou warmer zijn als het geen nacht was.”Andrew rolt met zijn ogen. “Wat gaan ze doen?” vraagt Lizzie. “Ze gaan die katten doden”, antwoordt Ben prompt. Hij rilt even. “Ik wist niet dat vader zoveel van die duivelse mormels in de schuur hield.”“Hoeveel zouden het er zijn?” vraagt Andrew, iets te gretig.Ben haalt zijn schouders op. “Als ze volwassen zijn, niet meer dan vier of vijf.”Andrew knikt. Lizzie deelt de koelbloedigheid van haar broers niet. Ze wordt bang. “Moeten we dit nu wel doen? Wat als HIJ komt opdagen?”“Och kom, Liz, je gelooft toch niet echt dat de geest van de kattenridder zal komen om ons allemaal het vel af te stropen?” vraagt Ben.“Nee, alleen papa en de knechten”, zegt AndrewZijn zus begint hem te slaan. “Idioot! Zeg dat niet. Je maakt me bang!”“Jij bent altijd bang.”“Hij zal alleen naar papa en de knechten komen”, zegt Ben, “zij zijn immers degene die de katten zullen martelen en dood doen. En niemand weet dat wij hier zijn.”“Stil!” fluistert Andrew dringend. De langste knecht die de houtblokken gebogen had gestaan, was overeind gekomen. Had hij hen gehoord?“Alsof een vader en moeder echt een baby zouden achterlaten die dan na een hele nacht in de kou nog altijd leeft” zegt Ben die weigert zich door zijn broer het zwijgen te laten opleggen. “Ja,” zegt Lizzie, “de Duivel zou zo’n baby met huid en haar verslonden hebben.”“Doe niet zo dom. Zo’n kat is veel te klein om een baby op te eten.”“Oh, ja? Waarom zijn ze dan zo gevaarlijk?”“Stil nou!” sist Andrew, “Als vader ons betrapt, hangt hij ONS in een zak boven dat vuur.”“Jakkes, Andrew!” zegt Lizzie. Ze vergeet om te fluisteren. “Hoe kun je dat nu zeggen van papa?”“Stil!” snauwt Andrew opnieuw “Hou nu eens eindelijk je grote mond.” Lizzie wil iets terug snauwen maar op dat moment verstijven ze alle drie. Ze hadden het gesnuif van een paard en het gekraak van takjes gehoord. “Hij is er!” zegt Lizzie, in paniek maar ook triomfantelijk.In het licht van de maan zien de drie kinderen inderdaad de gestalte van een ruiter op een paard. Ze houden hun adem in terwijl het paard vlak langs de struiken loopt waar ze zich verstopt hebben. Boer Ferguut en de knechten hebben de ruiter ook opgemerkt. De lange knecht sloeg net met de grote hamer tegen de zak toen de boer en de andere knecht naar de bezoeker staarden. Uit de zak komt een luid gesis en gemiauw. Het vuur is nu aangemaakt en werpt groteske schaduwen over de aarde. De ridder zijn stem klinkt zwaar maar niet onvriendelijk. “Goede avond, heren.”De knechten kijken elkaar een beetje bedremmeld aan. Boer Ferguut antwoordt: “Goede avond, heer ridder. Zoekt u onderdak voor de nacht?”“Nee. Ik heb niet de intentie om van uw gastvrijheid gebruik te maken. Doch u kunt mij wellicht wel helpen.”“Maar natuurlijk.”“Ik ben op zoek naar een kat.”Boer Ferguut is meteen terughoudend. “Een kat, zegt u?”“Ja, ik ben haar verloren deze middag. U hebt haar niet toevallig op of rondom uw hoeve opgemerkt?”Hierop liegt de boer gezwind. Uiteraard heeft hij de kat wel gezien. Enkele uren voor zonsondergang had hij haar over het erf zien lopen, in de richting van de kippen en de ganzen. De blazende ganzen verjoegen haar en hadden zodoende de aandacht van boer Ferguut getrokken die de kat met een welgemikte steen tegen haar kop voldoende had versuft om haar op te pakken en op te sluiten bij de andere katten in de schuur die hij had ‘opgespaard’ om zijn knechten een avondje plezier te kunnen gunnen.“U was van plan zich te vermaken met zowel het verbranden van katten als een heel… eigen vorm van katknuppelen?” De stem van de ridder klinkt nog steeds vriendelijk maar krijgt een scherp, waarschuwend kantje. Boer Ferguut merkt dit op. “Niet zomaar vermaken’, antwoordt hij, “We beschermen onszelf. En als we ons daarbij wat kunnen vermaken, waarom zouden we het dan laten?”“Inderdaad”, zegt de ridder, nog steeds met een schijn van welwillendheid. “U kent ongetwijfeld mijn geschiedenis?”Boer Ferguut antwoordt niet meteen. “Nee? Dat verbaast me. Mijn verhaal is tegenwoordig even bekend als de Bijbel”Boer Ferguut vond zijn stem terug. “Ja, toch wel, ik bedoel, natuurlijk weet ik wie u bent. Maar dat kan niet. Bent u dan echt? Bent u echt de geest van de kattenridder?” Boer Ferguut zijn stem trilt een ogenblik. De ridder lacht. “Een geest ben ik niet, mijn beste. De kattenridder, of duivelsridder, is wat men van mij maakt.” Boer Ferguut weet opnieuw even niet hoe hij moet reageren. De ridder zucht licht. “Men gelooft dat de baby die men in dat rijtuig vond de door de Duivel bezeten reïncarnatie was van de geharnaste ridder die enkele kilometers verder de Dood vond. Het leek onmogelijk dat een onschuldige baby een hele nacht in de kou had kunnen overleven. Maar zie! Ik leef nog steeds, en in uiterst goede gezondheid. De mensen durven niet geloven dat ik nog leef en denken dat ik de toen overleden ridder ben of zijn geest, die komt spoken.” De ridder maakt een snuivend geluid van minachting dat door zijn paard benadrukt wordt. “De man werd net als ik voor dood achtergelaten nadat het konvooi waar hij net als mijn ouders en ik deel van uitmaakte werd overvallen door struikrovers. Maar de goede man was niet dood. De zware kou die nacht deed hem uit een diepe bewusteloosheid ontwaken. Iets – mijn gehuil of de kat – moet zijn aandacht getrokken hebben en ondanks zijn eigen slechte toestand slaagde hij erin mij naar een weeshuis in de dichtstbijzijnde stad te brengen. Later kreeg ik te horen dat hij mij een aantal keer bezocht heeft maar uiteindelijk alsnog bezweek aan de gevolgen van ontbering en slecht geheelde wonden. Dezelfde verpleegster verzekerde mij ook dat ik de tocht van het bos naar de stad waarschijnlijk niet overleefd zou hebben als de kat mij die vorige nacht niet had warm gehouden.” Plots wordt de ridder heel ernstig. “Een kat heeft toen mijn leven gered. Ik zal nooit toestaan dat een kat een haar gekrenkt wordt.”Het zwaard komt een beetje naar boven uit de schede. Boer Ferguut merkt dit en hervindt gedeeltelijk zijn zelfvertrouwen. “Daar ben ik mij allemaal van bewust, ja. Maar het verandert niets aan het feit dat een kát een duivels beest is.”“Het feit dat ik de beproeving overleefd heb die mijn ouders mij als baby hebben laten doorstaan, is het werk van God, niet dat van de Duivel.”“Hoe weet u dat zo zeker?”“Om dezelfde reden dat u gelooft dat ik net als de kat die mij redde een verpersoonlijking van de Duivel in hoogsteigen persoon ben: ik gelóóf het.”“Beweert u dat ik een ongelovige ben?”“Nee. Integendeel. Ik zeg niet dat u te weinig gelooft. U gelooft teveel. Bijgeloof is een slechte raadgever.”Boer Ferguut kijkt de jongere en sterkere man intens aan voor hij zegt: “Ja. Ik kan zien dat u oprecht gelooft wat u mij zegt. Ik bewonder uw moed maar betreur uw roekeloosheid.”De ridder maakt een kleine buiging in erkenning van het halve compliment. “Ik zou bijna geloven dat het ook waar moet zijn wat u zegt aangezien u die katten uw moed waardig acht.”De boer lijkt zelf een beetje terug te schrikken van de plotse plechtstatigheid van zijn woorden. “Iedereen is vrij om voor zichzelf uit te maken of men iets of iemand zichzelf waardig acht”, antwoordt de ridder, “Dat is het verschil tussen God en de Duivel, tussen geloof en bijgeloof: de vrije wil om te kiezen wat men gelooft en hoever men hierin gaat. De Duivel legt zijn eigen wil op, God begeleidt ons in het pad dat we zelf kiezen, of we hem nu volgen of niet. Zij die afdwalen zullen altijd opnieuw welkom zijn in de omhelzing van de Heer. Zij die voorheen of herhaaldelijk gedwaald hebben werden vergeven, alsof zij nooit weggegaan waren. Zij die zullen afdwalen, zullen altijd in Zijn licht blijven wandelen, dat hen eraan herinnert terug te komen. Maar wat we ook doen, we doen het zelf, uit overtuiging dat het Juist is en geluk en rechtvaardigheid met zich meebrengt.” De ridder sloeg zijn cape naar achter in een plechtig gebaar en trok zijn zwaard. De boer deinst achteruit. De edelman glimlacht. “Het is mijn mening dat het juist is om deze onschuldige dieren te laten leven. Als u denkt dat het juist is deze dieren te martelen en te doden, ga dan vooral uw gang. Maar weet dat ík het in dat geval mijn plicht acht om in te grijpen.”De boer twijfelt maar maakt dan een ongeduldig gebaar naar zijn knechten die de ridder beiden een vuile blik toewierpen, beroofd van hun vermaak. De langste van de twee snijdt het touw door waarmee hij de zak eerder had opgehangen aan een driepoot in de plaats van de kookketel. De zak valt met een plof in het vuur eronder. Onmiddellijk stijgt er een hels gekrijs op uit de zak. In een razendsnelle beweging stijgt de ridder van zijn paard en staat plots naast de kleinste knecht. De wreedaard kan het niet laten een klap op de zak te geven met een van de houtblokken bedoeld om het vuur later op te porren. De ridder duwt de wreedaard aan de kant zodat deze op de grond valt, grijpt het uiteinde van het koord dat door een gelukkig toeval net naast het vuur beland was en sleept de zak uit de vlammen. Net als de bijgelovige boer en zijn twee knechten iss hij een ogenblik ongevoelig voor het aanhoudend overstemd gepiep en alles overheersend gekrijs dat uit de zak blijft komen. Als hij de zak buiten het bereik van de vlammen heeft gebracht, doet hij een stap achteruit en gebaart met zijn zwaard naar boer Ferguut die er een beetje beteuterd bij staat. “Openmaken.”“Wat?” De boer weet op dat moment net zo goed als de ridder dat de eerste de beste die de zak aanraakt kennis zal maken met een aantal bijt- en krabgrage tanden en nagels. De ridder is echter onverbiddelijk en laat de arme boer geen keuze. Ferguut loopt schoorvoetend naar de zak toe, blijft staan, doet nog een paar stappen, kijkt om, ziet het zwaard van de ridder blinken in het maanlicht. Hij doet nog een stap, bukt zich en raakt de rand van de zak aan. Het gekrijs en gepiep dat verstomd was, herbegint en vijf katten barsten tegelijk naar buiten als knisperende vonken in een vuur als er een nieuw houtblok op gegooid wordt. De boer deinst achteruit maar kan niet voorkomen dat een van de katten tegen hem opspringt. Hij valt languit op de grond en de kat loopt over zijn borst en zijn gezicht heen, zonder zijn belagers of de andere katten nog een blik waardig te keuren. Een dikke, grijze kat volgt al snel. Twee magere roodharige katten en een witte lopen weg in de tegenovergestelde richting, naar de struik waar de drie kinderen nog steeds zitten. Lizzie is doodsbang en zit als versteend met haar handen tegen haar mond gedrukt, haar tanden in het vlees van haar vingerkootjes. Ben en Andrew zijn verbijsterd maar ook onder de indruk van het autoritaire optreden van de ridder. Andrew lacht zelfs als de lange knecht de ridder van achteren besluipt met een nog ongebruikt houtblok boven zijn hoofd geheven dat hij bijna op zijn eigen hoofd laat vallen als de twee rode katten tussen zijn voeten door rennen en hij zijn evenwicht verliest. Een elegante zwarte kat stapt parmantig uit de zak met haar kop en staart omhoog alsof ze wil zeggen: “Wel? Wie weet nog wat?” De ridder fluit kort. De kat kijkt op, herkent de ridder, loopt trippelend naar hem toe, laat zich door hem over haar kop aaien, gaat tussen zijn voeten zitten en begint haar pootje te likken dat ze vervolgens over haar kop strijkt. De boer kijkt vol verbazing naar de kat die zo onbezorgd lijkt, alsof ze niet zojuist aan een zekere dood ontsnapt was. Schijnbaar zonder zich om de kat tussen zijn voeten te bekommeren draait de ridder zich om en stapt naar zijn paard dat staat te grazen. Het dier heft zijn kop op en laat het dan weer zakken alsof het een onderdanige buiging maakte voor zijn berijder.“Mijn beste, ik wens u allen nog een goede nacht.” De ridder stijgt op en terwijl hij zijn paard keert, zegt hij nog klaar en duidelijk: “Onthoud het.”“Onthoud wat?” vraagt Lizzie nadat het paard opnieuw vlak langs hen heen gelopen is. “Dat je geesten niet mag tergen?” vraagt Ben plagerig. “Nee,” zegt Andrew afwezig. “dat niet alles is wat het lijkt.”“Wat bedoel je daar nu mee?” vraagt Ben. “Snap je dat niet? Het is toch duidelijk! Niet elke kat is een Duivel. Sommigen zijn goed en veilig, volkomen onschuldig.”“Ja, best, maar dat weten wij zelfs. Ik ben er zeker van dat die ridder iets helemaal anders bedoelt.”“Dat geloof ik ook”, zegt Lizzie zachtjes. “Precies.”, zegt Andrew. Hij houdt eventjes zijn adem in alsof hem iets te binnen schiet. “Wat?” vraagt Ben ongeduldig. “Wat doet het ertoe? Laten we maken dat we binnen zijn voor vader de deur op slot doet.”Daar zijn ze het alle drie mee eens. Terwijl de knechten het vuur uitmaken, kijkt boer Ferguut toe. Niet alleen uit gewoonte maar ook omdat hij voelt dat hij de rest van de nacht geen oog meer dicht zal doen. De kinderen slagen erin door het donker naar de zijkant van de hoeve te lopen en zich platgedrukt tegen de muur door de openstaande zijdeur naar de slaapkamer te reppen voordat de knechten in de schuur gaan slapen en hun vader de deuren vergrendelt.Voor hij in slaap valt, fluistert Ben tegen Lizzie: “Nu weet ik wat Andrew daarstraks buiten bedoelde toen jij zei: “Ik geloof het ook.” Dat is wat de riddergeest zei…”“De riddergeest?” herhaalde Lizzie sceptisch. Dat was geen geest.”“Om het even! Daar gaat het niet om”, fluistert Ben, “Het gaat erom wat je gelóóft. En IK geloof dat het een geest is.”  

Flixie
0 0

De busjuf

De busjuf heet Sara. Juf Sara rijdt met de schoolbus. Elke morgen en elke middag om vier uur staat ze trouw klaar om de kinderen te begeleiden van de schoolpoort tot aan de bus en van de bus tot aan de schoolpoort. ‘Juf Sara is lief,’ zeggen alle kinderen altijd als er hen naar gevraagd wordt.  Ze staat bovenaan de lijst van favoriete juffen en meesters.   De ouders die ’s morgens hun kinderen naar school brengen en hen na schooltijd weer komen ophalen, slaan vaak nog een gezellig praatje met de vlotte, mollige juf. De andere leraren en de directeur vinden juf Sara een aangename collega en een goede aanwinst voor hun school. Als ze niet met de schoolbus rijdt, steekt ze regelmatig een handje toe op het secretariaat, in de schoolkeuken of in de refter. Iedereen mag juf Sara graag en niemand stelt zich vragen over de integriteit van de vriendelijke, behulpzame en intelligente vrouw van middelbare leeftijd.   Het is een zonnige maar frisse ochtend als Mirthe met tranen in haar ogen op de bus stapt. Ze wrijft regelmatig met haar handen over haar ogen en Juf Sara merkt al snel dat ze probeert om haar tranen weg te vegen. Mirthe gaat op haar vaste plaats zitten op de op een na laatste bank aan de rechterkant. Ze merkt dat het gesprek van de twee meisjes uit het vijfde leerjaar, die zoals elke dag achteraan in de bus zitten te kletsen, verstomt.  Een van de vijfdejaars − Jolien − staat op van de achterbank die met twee jassen, twee boekentassen en twee zwemzakken helemaal gevuld lijkt te zijn. Haar vriendin Katrijn staat ook op en gaat achter Jolien staan op het moment dat die aan Mirthe vraagt: ‘Alles oké?’ Juf Sara glimlacht bij zichzelf als ze het tafereel door de achteruitkijkspiegel gadeslaat.   Veertig minuten later komen ze aan op school. Juf Sara parkeert de schoolbus netjes voor de schoolpoort in het daarvoor voorziene parkeervak en Jolien, Katrijn en de andere leerlingen stappen uit. Mirthe stapt ook uit maar blijft abrupt staan als ze door de openstaande schoolpoort twee meisjes opmerkt die over de speelplaats lopen. Een van hen wijst in de richting van de poort en Mirthe. Het andere meisje kijkt op en draait beide resoluut haar rug toe. Juf Sara fronst haar wenkbrauwen. "Mirthe." Mirthe draait zich om alsof ze niet verwacht had daar iemand te zien. Dan beseft ze dat ze in de weg staat en stapt snel opzij zodat juf Sara kan uitstappen. "Het is niets voor Mirthe om zo afwezig te zijn," denkt juf Sara als ze de bus afsluit en achter Mirthe aan de speelplaats op loopt.  De twee meisjes die Mirthe hadden opgemerkt en haar toen de rug hadden toegekeerd, lopen nu naar haar toe.  Juf Sara vermoedt dat de meisjes ruzie hadden gemaakt en het nu zouden gaan bijleggen maar in plaats daarvan begint het meisje dat Mirthe haar rug toegekeerd had tegen haar te schreeuwen.  Juf Sara vangt enkele flarden op van de eenzijdige conversatie voordat Mirthe zich omdraait en wegloopt. "Mirthe?" De twee meisjes schrikken als ze juf Sara zien en wandelen weg terwijl ze doen alsof ze in een doodnormale conversatie gewikkeld zijn waarin absoluut niet tegen iemand geschreeuwd zou worden.   Mirthe loopt meteen naar het toilet. Ze gaat een van de hokjes binnen, smijt haar jas en schooltas op de grond, sluit de deur en laat zich met haar rug ertegenaan geleund op de vloer zakken. De prop in haar keel wordt te groot om nog langer de tranen te kunnen terugdringen. Ze slaat haar armen om haar knieën en begint te huilen. "Mirthe?" Mirthe kijkt op en is zo geschrokken dat ze haar hoofd tegen de deur slaat.  Hoe dom! Nu weet juf Sara zeker dat ze hier is. En ook nog precies waar.  Ze houdt zich stil in de hoop dat juf Sara zal denken dat niet zij maar iemand anders het geluid had gemaakt. "Mirthe, gaat het met je?’ Mirthe antwoordt niet. Ze houdt zich doodstil. "Mirthe? Ik heb gezien wat er gebeurd is. Mirthe, kom alsjeblieft even bij mij. Ik wil alleen maar zeker zijn dat alles in orde is met je." Mirthe haalt opgelucht adem als de knerpende voetstappen op de met zand bestrooide vloer even later overstemd worden door het gepiep van de deur die geopend en weer gesloten wordt.  Mirthe wacht nog een hele poos voor ze het slot van de cabine opendraait en naar de rij wastafels in het midden van de ruimte loopt. In een van de spiegels ziet ze dat haar wangen rood zijn en dat haar ogen glinsteren van de tranen. Ze knippert heftig met haar ogen en wast haar gezicht met ijskoud water uit de kraan. Als ze wat gekalmeerd is, haalt ze haar jas en haar schooltas uit het wc-hokje en loopt naar buiten. Juf Sara is nergens te zien.   Juf Sara staat onder het afdak terwijl ze toezicht houdt op het toenemend aantal leerlingen op de speelplaats en wacht tot Mirthe naar buiten zal komen. De glazen deur van de toiletruimte is zo vuil door het opstuivende zand en stof dat ze er niet doorheen kan kijken en de ramen zijn te hoog. Een paar keer meent ze beweging te zien achter de gesloten deur. De eerste keer gebeurt er niets. De tweede keer komen er twee meisjes naar buiten. Een moment denkt ze dat het Jolien en Katrijn zijn, die in de bus met Mirthe gesproken hadden, maar het zijn twee zesdejaars.   Juf Sara kent veel leerlingen en zeker diegenen die ze twee keer per dag meeneemt op de schoolbus. Mirthe is geen stoer of verlegen type dat zich schaamt voor haar tranen. Ze is een gevoelig meisje en had nog maar pas een zware klap gekregen: twee weken geleden was haar opa overleden. Haar ouders hadden naar de school gebeld toen de man op sterven lag in het ziekenhuis.  Juf Els had verteld dat Mirthe in tranen was uitgebarsten in de klas.   Terwijl ze wacht, zet juf Sara haar eigen gedachten op en rijtje. Mirthe had een heel hechte band gehad met haar opa. Het hele lerarenkorps weet dat zijn dood het meisje bijzonder hard geraakt heeft.  "Strikt genomen zijn het natuurlijk mijn zaken niet", denkt ze , "Ik kan Mirthe niet dwingen om mij te vertellen wat haar dwarszit. Maar het is de plicht van elke juf en meester om het welzijn van de leerlingen te bewaken. Ik heb het recht en de plicht om Mirthe te helpen maar dat kan ik niet doen als ik niet weet wat er aan de hand is. Jolien en Katrijn hebben met Mirthe gesproken. Misschien weten zij meer."   Op dat moment komt Mirthe naar buiten. "Mirthe." "Ze kijkt om zich heen, alsof ze op haar hoede is", denkt juf Sara terwijl ze glimlachend naar Mirthe toe loopt. Ze ziet het ongenoegen op Mirthe haar gezicht.   Mirthe probeert de glimlach van juf Sara te beantwoorden maar haar mondhoeken weigeren dienst. "Ben je een beetje bekomen?" Mirthe knikt, maar kan zichzelf er niet toe brengen om te antwoorden. "Heb je verdriet om je opa?"   De vraag komt als een volslagen verrassing voor Mirthe. Ondanks haar voornemen om de bezorgdheid van de juf af te weren kijkt Mirthe juf Sara aan. Juf Sara heeft een zachte, lieve stem die Mirthe nog meer overtuigt van haar goede bedoelingen. Ze weet niet wat ze moet doen. Ergens wil ze niets liever dan juf Sara in vertrouwen nemen en haar alles vertellen.  "Als er een juf is op school die ik kan vertrouwen, is het juf Sara wel", denkt ze, "Iedereen vertrouwt juf Sara."  Maar ze durft juf Sara niet vertellen wat er gebeurd was. "Wat zal ze wel niet denken als ik haar vertel dat het alleen maar om een domme ruzie gaat? Juf Sara denkt dat er iets ergs gebeurd is met mij. Sofie is heel gemeen geweest tegen mij, maar ik heb haar ook pijn gedaan. Misschien wordt juf Sara wel boos op mij als ik dat toegeef."   Mirthe schrikt van het schelle belgeluid dat het begin van de schooldag aankondigt. Ze staat op en graait haar boekentas onhandig van de bank. Ze wil zo snel mogelijk naar de klas, weg van juf Sara en haar onterechte bezorgdheid.   Juf Sara ziet de verbazing op Mirthe haar gezicht en begrijpt dat ze het mis heeft. "Mirthe heeft geen verdriet om haar opa deze morgen.", denkt ze, "Maar waarom dan wel?" Voor Mirthe kan weglopen, zegt ze: ‘Vertel mij wat er scheelt, Mirthe. Dan kan ik je helpen." Mirthe kijkt haar aan maar wendt bijna onmiddellijk haar blik weer af. "Vertrouw me, Mirthe. Kan je dat voor me doen?" Mirthe kijkt haar weer aan met grote ogen van verbazing aan. Ze knikt zwakjes terwijl ze haar blik opnieuw afwendt. "Oké." Juf Sara knikt en glimlacht. De groeiende nervositeit van het meisje ontgaat haar niet en ze vraagt zich af wat de oorzaak ervan is. "Maar het is nu te laat. Mirthe moet naar de klas,’ denkt ze met enige irritatie als ze tegen Mirthe zegt: ‘Het is nu te laat maar als je erover wil praten en je bent er klaar voor, kom je maar naar me toe." Mirthe knikt maar antwoordt niet.   In de klas is Mirthe de rest van de dag heel afwezig.  Juf Sara had gezegd: "Vertrouw me" en daarna: "Kan je dat voor me doen?" Mirthe weet niet of ze dat kan. Ze had overwogen om het te doen en om de juf over haar ruzie met Sofie te vertellen maar toen had juf Sara gezegd: "Kan je dat voor me doen?" Mirthe had juf Sara altijd vertrouwd. "Ze is een juffrouw, zoals alle andere juffrouwen op school. Ze is ouder, verstandig en weet heel veel", vertelt ze zichzelf, ‘Juf Sara is altijd vriendelijk en ze helpt iedereen." Mirthe is zo in die gedachte verzonken dat ze niet hoort dat meester Joris haar een vraag stelt. "Mirthe!" Ze kijkt geschrokken op als hij haar naam roept. "Eindelijk, zeg! Waar zit jij met je gedachten?" vraagt meester Joris. Hij klinkt ongeduldig. "Dat zijn mijn zaken,’ flapt Mirthe er uit.  Meester Joris wordt boos. "Hoor eens, meid. Het is al erg genoeg dat je zit te slapen in de klas. Ik duld geen brutale mond." Mirthe antwoordt niet. Ze probeert zich stoer voor te doen, alsof het haar niet kan schelen dat ze straks met een nota in haar agenda en een portie strafwerk naar huis zal gaan. Meester Joris schrijft de nota met rode inkt.  Rood als bloed. Zo rood als het bloed dat uit haar arm gestroomd was nadat iemand een pen in haar arm had gestoken.  Het was net zo’n pen geweest als die waarmee meester Joris nu schrijft.  Een zwarte pen van het merk Waterman. Mirthe begrijpt niet waar dat allemaal vandaan komt.  "Er heeft nooit iemand met een pen in mijn arm gestoken", denkt ze terwijl ze over de speelplaats naar de poort loopt waar juf Sara al staat te wachten naast de bus.  "Als ik nog met juf Sara wil spreken, moet ik het nu doen", denkt ze, "Maar is het wel de moeite? Ik heb vanmorgen op de bus gehuild omdat ik voor ik thuis vertrok ruzie heb gemaakt met Sofie. Dat is niets bijzonders. Het overkomt iedereen. Alleen is het bij mij en Sofie de eerste keer. Sofie is ook getuige geweest van het incident in de klas daarnet en dat heeft pijn gedaan. Maar die pijn heb ik waarschijnlijk verdiend. Juf Sara haar bezorgdheid niet." Ze was al bijna aan de schoolpoort en bij juf Sara als deze gedachten eindelijk vervagen en een heel andere gedachte ervoor in de plaats komt: "Vanwaar komt die vreemde gedachte dat iemand ooit een pen in mijn arm gestoken heeft?"   De herinnering komt nu razendsnel terug.  Het was de babysit geweest. Haar naam was Veerle. Veerle dacht gemakkelijk wat geld te verdienen met een avondje babysitten. Mirthe had zich die bewuste avond misdragen.  Veerle was bezig geweest met studeren en bellen met haar vriendinnen en toen ze het gedrag van Mirthe beu was, had ze uitgehaald met de hand waarin ze haar pen vasthield en had het ding in Mirthe haar arm gestoken. Mirthe was zo geschrokken dat ze geen stap meer had durven verzetten. Toen Veerle na een hele tijd rechtstond, was ze bevend over haar hele lichaam achteruit geschuifeld tot ze met haar rug tegen de muur had gestaan.  De angst had haar verlamd. Ze wilde weglopen toen Veerle even later op haar toe kwam maar ze kon zich niet verroeren. Ze zag de pen op de tafel liggen maar toch was ze bang dat Veerle haar opnieuw pijn zou doen ermee. Langzaam, met tranen in haar wijd opengesperde ogen, was Veerle voor Mirthe neergehurkt. Ze had Mirthe bij haar bovenarmen gepakt en gezegd: "Het spijt me, Mirthe. Dat had ik niet mogen doen. Het was niet mijn bedoeling om je pijn te doen. Alsjeblieft, geloof me!" Mirthe had niet kunnen antwoorden. Toen ze begon te huilen, had Veerle gezegd: "Vertrouw me, Mirthe. Kan je dat voor me doen?"   Het had zo vreemd geklonken toen juf Sara die morgen precies hetzelfde zei: "Vertrouw me, Mirthe. Kan je dat voor me doen?" Mirthe is er plots zeker van dat dat iets betekent. Ze denkt terug aan hoe ze zichzelf ertoe had aangezet om juf Sara te vertrouwen. Waarom moest ze zichzelf daar van overtuigen? Iedereen vertrouwde de busjuf, zelfs de directeur. Maar zij niet, besef Mirthe. Op dat moment had ze juf Sara niet vertrouwd. "En nu pas weet ik waarom", denkt ze terwijl ze blijft staan en naar juf Sara kijkt. "Juf Sara is iets molliger dan Veerle en ze heeft kort zwart haar in plaats van lange blonde krullen, maar haar stem is hetzelfde. Juf Sara is Veerle."   Veerle, die haar ouders zo blindelings vertrouwd hadden.  Toen Mirthe hen maanden na die bewuste dag doorheen de gesloten deur van haar slaapkamer had verteld wat er gebeurd was, hadden ze haar maar half geloofd. Ze maakten al twee dagen ruzie over het feit dat Veerle opnieuw zou komen babysitten.  Toen ze besefte dat ze de discussie zou verliezen, had Mirthe zich opgesloten in haar kamer. Wanhopig omdat haar ouders niet wilden luisteren, had ze uiteindelijk besloten weg te lopen. De volgende avond, op het moment dat Veerle aanbelde, was ze door het raam van haar kamer gekropen en over het dak van de garage en de daaraan grenzende schuur het huis uit gevlucht. Aangezien ze al twee dagen niet veel gegeten had, was ze verzwakt en snel moe geweest. Het stormweer dat die avond losbrak, viel haar genadeloos op de hals. Men had haar vrij snel teruggevonden maar ze had nog dagenlang ziek in bed gelegen.   Nee, Mirthe zal Veerle niet vertrouwen.  Ze zal haar het plezier niet gunnen om bij haar uit te huilen, ook al noemde ze zichzelf nu Sara. Veerle roept: "Mirthe, kom je? Iedereen zit al in de bus." Mirthe schrikt hevig. Ze heeft het gevoel dat Veerle haar gedachten kent en weet dat zij, Mirthe, haar geheim kent.  Ze merkt dat sommige leerlingen en ouders naar haar kijken. Ze wil weg van al die blikken.  “In de bus zou ik veilig zijn”, denkt ze, “Hoewel, zal ik veilig zijn in de bus als Veerle ermee rijdt?” Een stemmetje in haar hoofd antwoordt: "Waarom zou je niet veilig zijn? Juf Sara rijdt al twee jaar met de schoolbus en er is nog nooit een ongeluk gebeurd. Er wordt gezegd dat ze zelfs nog nooit een boete heeft gehad als ze met haar eigen auto rijdt." Een ander stemmetje antwoordt: "Maar wie zegt dat dat wel waar is? Dit is niet alleen juf Sara. Dit is Veerle, weet je nog wel? Die stoute, gemene Veerle! Wat je ook doet, stap niet in de bus." "Maar het was een ongeluk!", schreeuwt Mirthe in gedachten tegen het tweede stemmetje. "Ze wilde mij geen pijn doen. Ik deed vervelend, net als tegen Sofie. En het is al zo lang geleden."   "Mirthe." Veerle haar zachte stem klinkt nu hard en zelfs een beetje ongeduldig. "Dat is nieuw", denkt Mirthe, "Toch voor juf Sara." Een van de stemmetjes in haar hoofd antwoordt gretig: "Zie je nu wel? Je wíl haar zelfs niet meer vertrouwen. En je hebt gelijk. Een babysit hoort de kinderen waar ze op past geen pijn te doen, hoe vervelend ze ook zijn. Straffen kan ook op andere manieren. Die vrouw is gevaarlijk, Mirthe." Ik mag die stem niet vertrouwen. "Mirthe!"  Veerle haar stem klinkt nu bijna boos. Juf Sara is nooit boos. "Zie je nu wel?" fluistert het stemmetje gretig "Dat is Veerle. Blijf bij haar uit de buurt!" Mirthe wordt bang. Ze wil naar huis maar ze kan niet in de bus stappen.   Veerle staat bij de deur van de bus. En ze is boos.  Ze wil mij misschien weer pijn doen.   Juf Sara alias Veerle gebaart met haar hand naar Mirthe dat ze zich moet haasten. In haar hand houdt ze de balpen vast waarmee ze net op de kaart van een voorbijganger de kortste weg naar het museum voor Schone Kunsten had uitgetekend. Mirthe blijft abrupt staan als ze de balpen in de gaten krijgt. Ze waant zich opnieuw in de salon.  Veerle zat aan de tafel en zij stond met gekruiste armen te dreigen dat ze aan haar ouders zou vertellen dat ze ‘nooit helemaal niets’ mocht doen van Veerle. Mirthe herinnert zich nog hoe ze daarna door de kamer was beginnen dansen en een of ander liedje was beginnen zingen waarvan ze de tekst ietwat aangepast had tot een scheldtirade. Het volgende moment was Veerle overeind gesprongen, had Mirthe vastgepakt en de pen in haar arm gestoken.   Verblind door haar groeiende angst deinst Mirthe achteruit en botst bijna tegen een man en een vrouw op die zich net een weg proberen te banen door de massa die zich zoals elke dag verzamelde voor de schoolpoort. De man legt zijn handen op Mirthe haar schouders en ze schrikt van de aanraking.   Juf Sara/Veerle merkt hoe geschrokken Mirthe reageert als ze zich omdraait om de man aan te kijken. Deze laatste trekt haastig zijn handen terug alsof hij ze net had verbrand. Juf Sara roept opnieuw Mirthes naam. Het meisje kijkt achter zich en de juf ziet de zuivere angst op haar gezicht. Ze heeft zich eindelijk om de groep leerlingen heen kunnen werken maar voor ze iets tegen Mirthe kan zeggen, draait het meisje zich om en rent weg. Ze roept haar achterna: "Mirthe, wat scheelt er? Mirthe!" "Ik zal je nooit vertrouwen, Veerle!", roept Mirthe, zonder om te kijken.   Juf Sara blijft een ogenblik staan in stomme verbazing. Ze hoort zichzelf fluisterend zeggen: "Ze herinnert het zich."  Veerle voelt een siddering door haar hele lijf gaan. Ze had ontzettend veel geluk gehad dat Mirthe haar ouders nooit een klacht hadden ingediend. Ze betwijfelde zelfs lange tijd of het meisje hen ooit verteld had wat er was gebeurd voor ze enkele maanden later opnieuw gevraagd werd om te babysitten en Mirthe was weggelopen van huis. "En Mirthe moet de herinnering verdrongen hebben. Daardoor herkent ze me nu pas, na bijna drie jaar."   Mirthe kijkt over haar schouder ondanks het stemmetje in haar hoofd dat haar ertoe aanzet zich te haasten. Ze slalomt om een groepje leerlingen heen dat ze uit haar ooghoek had zien staan maar loopt hard tegen een man op die op datzelfde moment langs dezelfde kant om de groep heen wil lopen. Ze wankelt opnieuw achteruit, botst met haar rechterschouder tegen een bestelwagen, hervindt haar evenwicht en loopt een beetje verdwaasd door de botsing verder opzij, de straat op.   Veerle wringt zich langs de groep heen die zich nu verplaatst heeft om de mensen die langs beide kanten almaar willen passeren daar de mogelijkheid toe te geven zonder dat ze elke keer opzij moeten gaan. Mirthe staat achter hen. Veerle hoort hoe iemand die vlak naast haar staat, roept: "Hé, pas op." en iemand anders die schreeuwt: "Mirthe, kijk uit!"   Op het ogenblik dat Veerle haar hoofd omdraait in de richting waarin Mirthe weggelopen was, wordt Mirthe gegrepen door een auto die aan de overkant van de straat komt aangereden.  De wagen wijkt uit om aan de andere kant van de straat te gaan rijden, om een bestelwagen heen die geparkeerd staat aan zijn kant van de weg. Als hij Mirthe plots van achter de bus ziet opduiken, trapt de chauffeur hard op de rem maar raakt Mirthe nog met de zijkant zijn bumper waardoor ze opnieuw haar evenwicht verliest en valt.  Verdwaasd komt Mirthe tussen de twee voorwielen op het hete asfalt terecht. De auto gaat aan het slippen en bij zijn slingerende beweging rijdt hij met zijn linker achterwiel over Mirthe heen en komt dwars over de weg tot stilstand.      

Flixie
0 0

Bloeddate

Ingrid liep arm in arm met de vijventwintig jaar jongere Kurt door de smoezelige steegjes van de stad. Twee dagen geleden was ze met haar schoondochter Magali uit eten gegaan. Ze hadden net aan hun derde fles wijn willen beginnen toen Kurt naar hun tafel gekomen was. “Kan het zijn dat ik u ken?” had hij aan Ingrid gevraagd. Ingrid had geantwoord dat hij zich vergiste en Magali was met hem beginnen flirten. Toen Magali vertelde dat ze die morgen een beetje gebloed had, hoewel ze al maanden zwanger was, was Kurt zijn charmante glimlach een ogenblik weggesmolten. Ingrid had meteen de begeerte in zijn ogen herkend. De blik van een zielsverwant. Kurt wilde bloed zien. Die morgen had haar zoon haar gebeld. Magali was vermist. Ingrid had Kurt gebeld. Die had Magali van het restaurant naar huis begeleid in een taxi. Kurt wist van niets. Ingrid had hem bedankt en wilde ophangen toen Kurt vroeg of ze die avond iets te doen had. Ze hadden afgesproken bij hetzelfde restaurant en waren de stad ingetrokken. In een nauw en donker steegje opende Ingrid haar handtas en haalde er de glasscherf uit van de fles die ze de vorige avond in het restaurant ‘per ongeluk’ had laten vallen. Kurt zijn adem versnelde en zijn ogen verwijdden zich toen ze de scherf in haar handpalm stak, een paar keer heen en weer draaide en vervolgens met drie snelle halen een ‘K’ in haar handpalm kerfde. Kurt nam de glasscherf van haar over en sneed met drie kortere halen een ‘I’ in zijn eigen hand. Ingrid griste de glasscherf weer uit zijn hand, deed de bovenste knoopjes van haar bloes open en maakte een snede van haar nek tot tussen haar borsten. Kurt boog zich voorover en begon ongegeneerd het bloed dat tussen haar borsten door drupte op de likken. Toen pakte hij haar de glasscherf weer af en omklemde met zijn hand haar pols. Hij streek de scherf met de onschadelijke gladde zijkant over haar pols en sneed toen met een abrupt gebaar, als iemand die een plotse inval krijgt, een ring van bloed om haar ringvinger. Ingrid voelde haar hand meetrillen met de zijne. De krankzinnige schittering in zijn ogen verdween nu hij zijn dorst naar bloed aan het lessen was. Kurt bracht haar hand naar zijn mond, likte het bloed eraf en drukte er een kusje op. Ingrid voelde de hand op haar schouder een fractie van een seconde voor ze naar achteren werd getrokken en met een onbeschaamde duw op haar borsten tegen de container werd geduwd. Kurt werd op dezelfde manier tegen de schutting gedreven. “Wat heeft dit te betekenen?”Een grote in het zwart geklede man richtte een pistool op haar. “Mond dicht.” Een tweede man hield de punt van een mes tegen Kurt zijn keel gedrukt. De man met het pistool richtte zich tot Kurt, echter zonder het pistool te verplaatsen. “De buit. Of we maken je moeder af.” Kurt en Ingrid schoten tegelijkertijd in de lach en Kurt vroeg: “Zal ik je het adres geven van het rusthuis?”De kleerkast was duidelijk even uit zijn evenwicht gebracht door deze reactie. De man met het mes deed een stap achteruit en Kurt vroeg onaangedaan: “Wat ben je deze keer van plan, Bruno? Ga je mijn date weer in elkaar slaan om me bang te maken?”Ingrid voelde haar bloed in haar aderen bevriezen. Had deze bruut Magali iets aangedaan?Bruno stootte een vettige lach uit. “Je zou me dankbaar moeten zijn! Dankzij mij kon je je ongestoord tegoed doen aan dat lekker ding. Ook al had ze ‘alleen maar’ een bloedneus.”Ingrid walgde plots van zichzelf omdat ze net zo opgewonden raakte door bloed als Kurt.“De politie houdt mij en dit pand in de gaten. Wil je jouw bende laten klissen, alleen omdat je mij niet kunt uitstaan?” “Bek dicht. Het spul. Nu.”Kurt haalde zijn schouders op. “Je kent de weg.” Bruno liep naar een deur in de blinde muur tegenover de plek waar Ingrid tegen de container geleund stond een liep een trap af. Even later kwam hij terug met een handtas en vloekte. “Een kilo. Vijfhonderd gram voor jou, vijfhonderd voor mij. Mijn mannen hebben me er vierhonderd bezorgd voor de politie binnenviel. Waar is de rest, klootzak?”Hij kieperde de tas leeg. Sleutels, kleingeld, lippenstift, een pakje zakdoeken, een iPhone en een groot aantal plastieken ringen vielen op de grond. Kurt raapte een van de ringen op. “De laatste dagen voor jouw kroegen gesloten werden, is geen enkele griet de deur uitgegaan zonder ring. Je mannen die hen begeleidden, hadden ze maar te pakken.”Bruno lachte luid. “Jij doortrapte klootzak.” Hij raapte ook een ring op. “Ik moet bekennen dat ik me de broek heb laten afdoen.”Er klonk een schot. Kurt viel met een doffe klap voorover op de kasseien. Bruno griste haastig de ringen van de grond en rende toen achter zijn vluchtende kompaan aan. Ingrid staarde verbijsterd naar de schutter. Magali zag eruit als een spook in een bebloed ziekenhuishemd en bleek, met opengesperde ogen en geheven pistool. Ingrid kon maar net verstaan hoe ze zei: “Ingrid?! Jij en die smeerlap?” voor ze zich huilend op haar knieën liet vallen. Het was niet moeilijk voor de politie die de ambulance escorteerde om vast te stellen wat er gebeurd was. Ingrid verklaarde stellig dat Magali het wapen had opgeraapt nadat Bruno het had laten vallen en in een vlaag van verstandsverbijstering gehandeld had. Toen ze later die avond naast haar zoon op bed zat, was ze beschaamd en woedend, er vast van overtuigd dat ze nooit meer het aanzicht van bloed zou kunnen verdragen. 

Flixie
0 0

Amateur-Bondgirl

Amateur Bond-girl Flora zat aan haar bureau met een leeg stuk papier voor zich. Ze dacht aan haar volgende stap in het spelletje waarmee zij en Mr. Palmers, haar leerkracht wiskunde, stiekem begonnen waren. Haar zus Charlotte liep achter haar heen en weer. Charlotte was de enige aan wie Flora iets verteld had over haar ‘relatie’ met Ben. Relaties tussen docenten en leerlingen werden door de school strikt verboden en hun stiekeme geflirt kon Ben zijn baan en reputatie kosten en zij zou kunnen fluiten naar haar diploma. Charlotte was meteen dolenthousiast geweest toen Flora haar het blad had getoond waarop Ben zijn eerste raadseltjes had opgeschreven en gecharmeerd door het beeld van de grootse mysterieuze man die het hart van haar oh zo bedeesde grote zus wist te veroveren. "Wat ga je hem nu vragen?" vroeg Charlotte ongeduldig. Ze sloeg haar armen over elkaar en grijnsde. “Hij zal teleurgesteld zijn als hij niets van je hoort.”"Ik weet het niet, Lottie”, zuchtte Flora. Ze sloeg gefrustreerd met haar hand op het blad van het bureau. "Heb je mijn voorstel al geprobeerd?"Flora rolde haar stoel weg van het bureau en draaide het lege cursusblad op het bureau de rug toe. Charlotte had een goed raadsel bedacht. Briljant! Maar ze mocht doodvallen vooralleer ze het ooit aan Ben zou geven. Hij zou haar voorgoed de rug toekeren zodra hij het gelezen had en dat kon fatale gevolgen hebben voor haar examen wiskunde.“Je hebt het niet gedaan, hé?” vroeg Charlotte misprijzend. Ze liet haar armen zakken en ging op het bed zitten. “Weet je zelf iets beters, dan? Ik zal heus niet verklappen dat jij het niet zelf bedacht hebt. Nou ja, misschien wel tijdens de eerste Kerstmis dat hij bij ons blijft eten of zo, maar heus niet eerder.”Flora gooide haar balpen naar haar zus die lachte en zich net op tijd achter Flora’s hoofdkussen wist te verbergen. “Ik heb er trouwens nog een heel toepasselijke.” Ze wapperde met een stuk papier. Flora trok het uit haar handen. “Moet jij je eigen huiswerk niet gaan maken?”Charlotte rolde met haar ogen. “Oké, oké, ik heb het begrepen. Ik ga wel weg. Bedenk maar fijn iets anders.”Flora liet zich tegen de rugleuning van haar stoel vallen. Met een zucht pakte ze een andere balpen uit haar pennenzak en schreef, nog steeds onderuitgezakt in de ruime bureaustoel, iets op. Charlotte las mee over haar schouder. “Oh, Flora!” Ze sloeg haar armen van achteren om de stoel en Flora’s nek heen en kuste haar op haar wang. “Je zal zien dat hij het nooit raadt. Je hebt deze ronde zo goed als zeker gewonnen.”“Misschien”, zei Flora. Als wiskundeleraar had Ben best een abstracte geest. “Maar aan welke prijs?” Ze zei het met gespeelde wanhoop. “Och, niets bijzonders. Een date met Ben zijn uiterst knappe broertje?” zei Charlotte terwijl ze deed alsof ze heel diep nadacht. Flora kneep in haar arm.“Ai!” “Zoek jij je zelf maar een lief.” Charlotte wreef theatraal over haar arm. “Het geluk wordt niet iedereen in de schoot geworpen, hoor.” Nadat Charlotte even later de deur achter zich had dichtgetrokken, liet Flora zich opnieuw achterover vallen in haar stoel. In fanfictie leken dit soort dingen altijd heel simpel en opwindend maar in het echte leven was dat niet zo. Ze mocht Ben Palmers graag, en hij haar, maar misschien stopte het daar voor hem. Misschien was hij alleen maar geïnteresseerd in seks en verder niets.Ze stopte het blad met het raadsel tussen het dubbele blad waarop ze de vraagstukken had uitgewerkt en stopte het geheel in haar map en in haar rugzak. *** Ben Palmers had alle taken gecorrigeerd die hij de vorige dag had ontvangen. Daar zat geen taak van Flora bij. Maar hij ontving wel een nieuw raadsel: de sterkste die achter me woont, maar voor hem. Het zat tussen de taak van Elke Verein, die altijd naast Flora zat. Het raadsel beviel hem wel. Het bevatte duidelijk verschillende delen: ‘de sterkste’, ‘me’ en ‘hem’.Als ‘hem’ naar hemzelf verwees en ‘me’ naar Flora, of Elke, dan was ‘de sterkste’ iets of iemand die ze allebei kenden of waar ze alletwee mee te maken hadden. Een antwoord drong zich onmiddellijk aan hem op en hij bloosde: liefde.Het was logisch maar nee, het leek hem te melig. Te simpel. Niets voor de stoere Elke. Hij vouwde het blad op en stak het in de zak van zijn jasje. Hij zou het er later met Elke over hebben. *** Op het einde van de les dromden de meisjes zoals steeds druk pratend naar buiten. Ze hadden het over de groepsvorming bij een project voor geschiedenis. Een groepje bleef opvallend lang voor de deur staan. Ben deed alsof hij het niet merkte. Een van de meisjes was druk gesticulerend aan het praten. Een ander meisje verhief haar stem: "Nee, Clarissa. Je kunt niet met ons meedoen. Wij zijn al met drie."“En ik kan zeker weer samenwerken met een paar van die ik-vind-niemand-anders nerds? Waarom doet niemand van jullie dat eens?”Een ander meisje zei: "Kom op, Sam, ze heeft gelijk.”"Nee, het lukt niet. Met Sylvia in onze groep zijn we compleet. Ik, jij en zij. Zoals we altijd doen."“Maar Sylvia zal misschien toch de hele week nog ziek zijn en die opdracht later moeten inhalen.”Geïrriteerd door het getreuzel van Sam en haar vriendinnen, kreeg Ben een inval. Sam had gezegd: “Ik, jij en zij.”Ik, jij en zij.Achter mij, maar voor hem.Ik, jij, hij of zij, wij, jij, zij.Achter me. Voor ... haar. Of hem.Jij. *** Ben voelde zijn hart sneller kloppen. Het zweet brak hem uit. Het antwoord was ‘jij’. Hij, Ben Palmers. Hij slaagde er al maanden in om uit de klauwen van de politie te blijven en nu wees zijn eigen leerling hem op zo’n ongebruikelijke manier aan als de meest gezochte crimineel van het land.Zijn hoofd zat plots vol watten. Wat gebeurde er? Waar was hij in de fout gegaan?Het vorige raadsel dat hij Flora had opgegeven was Zij die zich omkeert, eerst viervoudig en zwart en daarna verschoond.Hij had een onvergeeflijke fout gemaakt toen hij dat raadsel, dat hij dronken en euforisch had uitgedacht, ook daadwerkelijk aan Flora had gegeven. En zij had er natuurlijk met haar vriendin over gesproken. Dat deden die onnozele bakvissen nu eenmaal. En Elke moest familie zijn van een van zijn slachtoffers. Hij had nooit verwacht dat Flora het raadsel zou oplossen dat zoveel dieper ging dan de gebruikelijke een of twee-lagige raadseltjes waarmee ze hem tot nu toe uitgedaagd had. ‘Viervoudig ondersteund’. Vier poten. Een dier‘zwart’. NachtNacht-dier. Een nachtmerrie.‘Verschoond’. De nachtmerrie wordt een droom.Nadat ze het zou opgegeven hebben, zou hij haar gezegd hebben dat het antwoord ‘droom’ was. Maar ze had begrepen dat de mooi geworden droom die zich omkeert, een moord wordt.Hij had Flora onderschat. Of had Elke haar geholpen? Was zij het op die manier te weten gekomen? Moord.Elke had het woord in minuscule letters opgeschreven boven haar eigen raadsel. Hoeveel wisten ze? Zaten de politie of de directeur hier achter? Flora mocht dan een bang muisje zijn waar hij mee kon spelen, Elke was eerder een amateur Bond-girl. Maar desalniettemin een amateur. Een gefrustreerde puber die wanhopig op zoek was naar wat spanning om haar eentonige leventje op te leuken. Hij was een professional, ook al voelde hij zich wat onwennig in de rol van verliefde schoolmeester die spelletjes speelde met zijn minderjarige vriendinnetje. *** Beata wachtte tot de laatste leerlingen eindelijk de straat opzwermden en zij die in de opvang bleven opnieuw in de klas verdwenen. Ze had handig gebruik weten te maken van Flora en haar stiekeme verhouding met Palmers om hem nerveus te maken. Ze wist van de verhouding via haar dochter Elke, die bevriend was met Flora. Toen Flora ziek werd, kreeg Elke het idee om de moordenaar van haar zus eens een lesje te leren, hem te laten weten dat hij zich niet kon verstoppen. Maar dat was voor Beata niet genoeg. Hij moest sterven. Net als Klara. Toen de kust veilig was, trok Beata haar revolver en stapte met haar hakken klinkend op de stenen over de speelplaats naar een kleiner koertje waar de containers stonden. Ben stond haar al op te wachten, eveneens met getrokken revolver. Twee schoten gingen af, gedempt door schokdempers. Beata sprong naar de ene kant, Ben naar de andere. Een kogel sloeg in een container, de andere ketste af op de vloer en trof Beata in haar been. Een tweede kogel trof haar in haar hoofd en ze viel als een lappenpop op de grond. Ben boog zich over haar heen en fluisterde tegen het dode lichaam: “Je mag dan net als je dochter op een stoere Bond-girl lijken, je blijft een hopeloze amateur.”

Flixie
0 0

De hersenvreter

Karel Loogveldt was opgewonden toen hij bij de studio aankwam. Het dringende telefoontje van Michel Van Voorde had hem uit een belangrijke online vergadering weggeroepen en de onwelkome onderbreking was voor enkele collega’s die hem liever kwijt dan rijk waren de ideale gelegenheid geweest om zijn positie nog verder te verzwakken.  Het was doodstil terwijl hij door de nauwe gangen van het gebouw zijn weg zocht naar studio 2. Hij hield zich in om de deur niet wagenwijd open te gooien en luid te vragen welk drama er aan de gang was. In plaats daarvan deed hij de deur heel zacht open op een kier die juist breed genoeg was om zijn hoofd erdoor te steken. De studio was verlaten. Geen spots. Geen publiek. Geen knappe presentator. Geen gasten.  Het enige licht kwam uit de hoek waar de fantasieprinter stond. De schuifdeur van de buisvormige cabine stond open.  Loogveldt begreep meteen wat er gebeurd moest zijn en het idee raakte hem als een mokerslag. Hij had nooit veel geloof gehecht aan de stelling dat gedachten als tastbare dingen beschouwd dienden te worden. Laat staan dat je die dingen uit het menselijk brein kon ‘printen’ zoals een computerbestand. Loogveldt was geen IT-specialist maar volgens hem bestond er nog steeds een groot verschil tussen een computer en bits enerzijds en het menselijk brein en gedachten anderzijds.  Een spoor van natte of slijmerige pootafdrukken liep van de cabine over het platform voor een groot projectiedoek langs en over een van de trappen door de tribune tot aan de deur waar Loogveldt stond. Loogveldt boog zich voorover om de afdrukken te bekijken. Ze waren duidelijk te groot om gemaakt te zijn door menselijke voeten. Bovendien telde hij bij alle afdrukken maar vier tenen. Dat betekende dat degene die dit spoor had achtergelaten geen schoenen droeg. De gast, een enigmatoloog, zou al moeite genoeg hebben om het publiek te overtuigen zonder uitspattingen zoals mensen die blootvoets door de tv-studio liepen.  Toen zijn ogen aan het donker gewend waren, kon hij in het gangpad voor hem een gedaante onderscheiden. Hij twijfelde een ogenblik voor hij tussen de – beestachtige? – voetafdrukken door naar het lichaam toeliep. Het was een cameraman. Enkele meters verder lag een camera naast een omgevallen statief. Loogveldt haalde opgelucht adem toen hij een hartslag voelde in de man zijn hals. Op het platform net buiten de kring van licht dat uit de cabine van de printer kwam, lag een tweede lichaam. De oudere assistente van Michel. Ook bewusteloos.  Ondanks zijn groeiende nervositeit nam Loogveldt even de tijd om na te denken. Wat was er aan de hand? Waarom had Michel hem naar hier gelokt? Met trillende handen tastte hij in zijn zak naar zijn iPhone en belde Michel. Toen Michel opnam klonk zijn stem hees, bijna verstikt. Loogveldt viel meteen uit: “Wat heeft dit te betekenen, verdomme?” < Van Voorde leek zijn telefoontje verwacht te hebben maar zijn stem klonk bezwaard en ongeduldig toen hij zonder plichtplegingen antwoordde: “Luister, Karel. Ik doe dit niet graag, maar het is de enige manier om mijn hachje te redden. En aangezien jij nog bij mij in het krijt staat, ben jij de ideale, en in feite de enige, persoon aan wie ik dit kan vragen…” Loogveldt ontstak meteen in woede. Vragen?! Hij werd domweg overvallen met de vraag om… Zijn hart stond een ogenblik stil voor hij snauwde: “Waar is Jasper?!” Er klonk een klik aan de andere kant van de lijn. Van Voorde had opgehangen.  De klootzak! Loogveldt zuchtte diep. Jasper zat vandaag alleen thuis. Als hij zijn vrouw moest vertellen dat hun zoon ontvoerd was, zou het zoals altijd zijn schuld zijn. Heel even had Loogveldt de impuls om de hele zooi te vergeten en er uit te trekken. Maar dat was nog geen optie. Wat zouden de media van hem maken als hij niet alleen zijn vrouw maar ook zijn zoon in de steek liet?  Michel Van Voorde opende de deur van de tax free shop waar Karel Loogveldt als enige erfgenaam van zijn vader eigenaar van was. Het meeste werk liet hij echter over aan de uitbater en zijn boekhouder. Michel betwijfelde of Jasper die traditie zou voortzetten. De jongen had geen interesse in een leven als zelfstandige of zakenman. Zijn hart lag bij sport en kunst. Dat had Michel meteen begrepen toen hij daarstraks in de auto aangenaam met Jasper gepraat had. Hij had een rijke fantasie. Zijn ogen waren beginnen fonkelen bij het idee om op zoek te gaan naar de hersenvreter. Het had Michel dan ook geen moeite gekost om hem mee te lokken naar de winkel en op te sluiten in het magazijn waar de hersenvreter lag te slapen. Loogveldt haastte zich naar de luchthaven. Al van buiten hoorde hij het irritant schelle geluid van een alarm. Binnen werd hij tegengehouden door agenten. “Sorry, meneer, u mag niet door.” “Ik weet wat er aan de hand is. Laat me door. Mijn zoon is…” Hij probeerde langs de breedgeschouderde wetsdiender heen te komen maar de man gaf hem een duwtje tegen zijn schouder. “Orders zijn orders, meneer. We kunnen u niet doorlaten.” “Maar luister dan toch, ik…” Op dat moment klonk er een zware bonk die snel gevolgd werd door een tweede en glasgerinkel. Een tweede alarm ging af. Loogveldt duwde de agent ruw opzij en begon te rennen naar zijn winkel. Voor de deur stonden minstens zes agenten. Twee van hen hielden een stormram vast waarmee ze zonet de deur ingebeukt hadden.  “Meneer!” schreeuwde de breedgeschouderde agent. “Luister, ik ben de eigenaar van deze winkel. Ik neem aan dat u mij al hebt proberen te bereiken?” Hij haalde zijn iPhone uit zijn zak die geen krimp meer gaf. “Platte batterij.” De agent knikte. “We hebben inderdaad geprobeerd u te bellen. Mijn excuses, meneer…?” “Loogveldt.” “Weet u wat er gebeurd is?” vroeg de tweede agent, eveneens een getrainde kerel, terugkoppelend naar wat Loogveldt gezegd had voor ze onderbroken werden. “Michel Van Voorde heeft de hersenvreter tot leven gewekt met zijn fantasieprinter.” “De hersenvreter? Van die stripreeks?” “Precies. Zoals u misschien weet, houdt hij zich op dit moment bezig met een praatprogramma over paranormale wetenschappen. Enigmatology Proven True De agent maakte een wegwuivend gebaar. “Ik vrees dat u overspannen bent en dringend rust moet nemen.” “U gelooft me niet? Doorzoek de winkel. U zult er mijn zoon Jasper vinden. Michel heeft mij kortgeleden gebeld. Hij wil dat ik een getuigenis afleg over een zekere gebeurtenis waarvan bepaalde elementen volgens hem overduidelijk paranormaal waren. Nu is het zo dat ik sinds enkele maanden mijn handen afgetrokken heb van hem en zijn clubje enigmatologen. Om mij te straffen, en eveneens om mij onder druk te zetten een laatste getuigenis af te leggen in de volgende aflevering van Enimatology, heeft hij mijn zoon ontvoerd om hem hier samen op te sluiten, samen met de hersenvreter.” “En u gelooft hem?” “Ik geloof dat mijn zoon hier is, opgesloten.” “Als dat zo is, dan zullen we hem snel vinden.” Op dat moment hoorden ze een schreeuw: “Papa!” Een jongen van een jaar of twaalf stormde op Loogveldt en de twee agenten af, gevolgd door twee agenten van het groepje dat de winkel doorzocht had, op zoek naar de oorzaak van het alarm. De jongen sloeg zijn armen om Loogveldt heen en begon te huilen. Loogveldt maakte zich snel los uit de armen die hem omknelden zonder de jongen al te bruusk te behandelen. De jongen keek naar hem op, zijn ogen groot en haast gekwetst, alsof hij niet begreep waarom hij niet meer affectie kreeg van zijn vader nadat hij ontvoerd was en opgesloten had gezeten Er kwam opnieuw een schreeuw uit de winkel “Hé!”, gevolgd door een tweede: “Hier!” De breedgeschouderde agent liep de winkel in, gevolgd door een zijn collega’s. Een agent hield Loogveldt tegen toen die hen wou volgen. Niettemin volgde hij de agenten die naar de vernielde deur liepen. Vanwaar hij stond in de deuropening, kon hij perfect zien en horen wat er zich binnen afspeelde. In een vergeten hoekje van de winkel lag een jongetje. Een van de agenten voelde of het kind nog een hartslag had. “Niets.” Hij keek naar het gezicht. “Vind jij ook niet dat hij veel lijkt op die andere jongen?” vroeg hij aan zijn collega. “Welke andere jongen?” “Wel, de zoon van de eigenaar. “Hij knikte in de richting van de deur en Loogveldt. “Nu je ’t zegt. Ja, hij lijkt er wel sterk op. Stel je voor…”  “Wat?” “Nou…”, zei de agent nu onzeker, “Neemt de hersenvreter niet de vorm aan van zijn slachtoffers? “Ach, man!” barstte de ander uit. “Je gelooft toch niet in die onzin die Loogveldt en Van Voorde vertellen? Het is gewoon een bizar toeval. Ik bel de wetsdokter.” Hij draaide zich om en botste tegen Loogveldt op. “Mag ik even?” Zonder op antwoord te wachten, knielde hij bij het lichaam neer.  “Ik regel het wel”, zei de andere agent zacht. Toen ze alleen waren, keek Loogveldt de overgebleven agent aan. “Knap gespeeld.” Van Voorde zette zijn politiepet af. “Ik wilde met eigen ogen zien wat er gebeurd was. Als de hersenvreter zo snel had toegeslagen, en daar ziet het wel naar uit, moest ik jou tegenhouden voor je de situatie tegen mij kon gebruiken.”  Hij haalde een plastic zakje uit zijn binnenzak waarin een geheugenkaart zat en een USB-stick uit zijn zak en hield die omhoog. “Laten we schoon schip maken tussen ons beiden. In ruil voor jouw getuigenis in  plus de beelden die hierop staan-”, hij hield de USB-stick en de geheugenkaart omhoog, “en jouw toestemming om deze te gebruiken, zwijg ik over Victor. Je kan je getuigenis zo aanpassen dat niets nog rechtsreeks naar jou of hem wijst. Victor zijn gezicht zal uiteraard onherkenbaar gemaakt worden. Niemand kan jou beschuldigen en jij hoeft niet bang te zijn dat je vrouw je uit verdriet door haar vader laat ruïneren. Je kunt de eer aan jezelf houden als je haar verlaat, opnieuw beginnen en eindelijk je eigen baas zijn. Nadat je getuigd hebt in mijn programma. Zo niet, dan zou ik bepaalde feiten uit het verleden wel eens helemaal anders kunnen uitleggen.” Loogveldt voelde de woede opnieuw in zich opborrelen maar beheerste zich. Hij nam de geheugenkaart aan. “Ik wil eerst zeker weten wat hierop staat. En daarop.” Hij gebaarde met de kaart naar de USB-stick. Van Voorde haalde zijn schouders op. Zoals je wilt. Vanavond. Dan breng ik het draaiboek vast mee.” Loogveldt stak de stick naar hem uit als een mes. “Een aflevering.” “Een aflevering. Die ene getuigenis. Dan ben je van me af.” Loogveldt liet het zakje met de geheugenkaart in zijn de zak van zijn jas glijden. “Reken niet op champagne.” Van Voorde grijnsde. “Ik ben al lang tevreden met een eenvoudig appelsapje.”   Beste kijkers, welkom bij alweer een nieuwe aflevering van Proven True. Elke religie en elke stelling heeft haar voor-en tegenstanders. Dat geldt ook voor de enigmatologie. Vandaag hebben we als gast een oude vriend van mij, Karel Loogveldt. Karel geloofde lange tijd dat er meer is tussen hemel en aarde, zoals wij dat allemaal doen. Tot hij zijn jongste zoontje Victor verloor. Victor was pas zes jaar toen hij… </em>Loogveldt zette het volume wat zachter. Hij wilde niet herinnerd worden aan die periode waarin zijn vrouw voor het eerst echt onredelijk en onhandelbaar was geworden. De dood van Victor had hem doen inzien dat ze als koppel niet zo sterk waren als ze hadden gedacht. Het kwam zelfs zover dat hij voor zichzelf besloten had dat hij zijn familie zou verlaten. Hij moest het alleen uiterst voorzichtig aanpakken vanwege hun tweede zoon, Jasper. Bovendien was zijn schoonvader nog hoofdaandeelhouder van het bedrijf waar hij werkte en kon heel wat invloed uitoefenen op bepaalde van zijn superieuren.  … Na zijn zoontje Victor van zes is vorige week ook zijn oudste zoon Jasper, pas twaalf jaar, gestorven. De oorzaak van Jasper zijn dood blijft tot nu toe zowel voor de wetenschap als zijn moeder onbekend. Maar wij weten wel beter. Hier zijn bovennatuurlijke krachten aan het werk. Loogveldt schudde het hoofd en ging liggen met zijn laptop balancerend op zijn buik. Het had hem een déjà-vu gevoel gegeven om de beelden van toen te bekijken terwijl zijn eigen stem op de achtergrond het verhaal opdreunde hoe hij Victor aangetroffen had in de winkel op die fatale dag. <em>“Ik vond het een paar weken geleden. Het monster. Orgold. Uit een of andere animatieserie, neem ik aan. Ik weet niet precies hoe het heet. Het vreet edelmetaal. Zoals u gemerkt hebt, verkopen we heel wat juwelen in de winkel. Ik gaf het af en toe een ring of ketting uit de winkel te eten. Lang kon ik dat natuurlijk niet volhouden zonder dat de uitbater en anderen ontdekten dat er van alles verdween. Bovendien was er bijlange niet genoeg om de honger van het monster te stillen. Mijn eerste intentie was alles te verzwijgen, maar waarom zou ik niet proberen om er eveneens munt uit te slaan? Toen de uitbater mij aansprak over de verdwijning van een peperduur halssnoer, wees ik hem meteen op verschillende andere verdwenen spullen en opperde zelf het idee om de politie te bellen én na het bezoek van de politie de beveiligingsapparatuur te controleren. We gaven verschillende voorwerpen op als gestolen en zouden een flinke som opstrijken van de verzekering. Victor hielp mij soms in de winkel. Er was een ontevreden klant die erop stond dat ze een oerlelijke armband die ze een paar weken geleden voor haar vertrek naar Tenerife had gekocht mocht omruilen. Jasper zocht mij op in het magazijn waar ik zogenaamd bezig was met de inventaris. Ik zou nooit verwacht hebben dat dat kereltje al zo pienter was. Hij begreep onmiddellijk dat wat ik deed niet pluis was toen hij mij zag met de rugzak. In paniek vertelde ik hem de waarheid maar hij geloofde me niet. Zonder een woord draaide hij zich om en liep weg. Hij moet iemand op de hoogte gebracht hebben. Wie weet ik niet, ik vermoed de uitbater. Ik kon die verrader al sinds een paar dagen niet meer bereiken. Ik vermoedde meteen dat hij op onderzoek gekomen was en het monster trof. Victor zal uit nieuwsgierigheid hetzelfde gedaan hebben en hetzelfde lot ondergaan hebben. De koele, onaangedane manier waarop hij dit laatste gezegd had, had de interviewer zijn wenkbrauwen doen fronsen. De man deed een verdienstelijke poging om zijn ongenoegen te verbergen maar Loogveldt merkte het toch op. Het kon hem niet deren. Integendeel. Het toonde alleen aan dat hij werkelijk een Oscar verdiende. Bestempeld als ‘zwakzinnig’ en ‘gechoqueerd’, geloofde niemand zijn verhaal. Van Voorde had de juiste relaties om ervoor te zorgen dat het nooit tot een veroordeling kwam mits Loogveldt instemde met een psychologisch onderzoek, wat hij dan ook deed.  Maar Loogveldt had meer gedaan dan dat. Enkele weken nadat dit onderzoek plaatsgevonden had, had hij ieder contact verbroken met Michel of ‘zijn club van paranormale wetenschappers’. Hij was ervan overtuigd dat Van Voorde op wraak zinde en dat hij het hele gedoe met Jasper had opgezet om hem, Loogveldt, in een slecht daglicht te stellen bij zijn vrouw en haar vader. Loogveldt stak loom een sigaret op en ademde de rook diep in tot zijn longen protesteerden. Dat teken van kwetsbaarheid deed hem bijna goed. Hij was dan toch geen almachtige God. Terwijl hij dit dacht, zwol zijn borst niettemin van trots en, moest hij erkennen, pure arrogantie. Van Voorde had immers niet alleen zijn wraakplannen moeten staken omdat hij zijn getuigenis zo broodnodig meende te hebben. Terwijl de hersenvreter om Loogveldt zijn middel had gehangen in de gedaante van de arme, ontvoerde Jasper, had het monster zijn uiterste best gedaan om zijn schedel te doorboren om zijn hersenen te kunnen ‘scannen’ en zijn intellectueel vermogen op te zuigen. Maar Loogveldt was niets gewaar geworden. Hij was niet flauwgevallen. Hij was niet duizelig of misselijk geworden. Hij kreeg geen hoofdpijn. Hij was immuun gebleken voor de aanval van de hersenvreter. Nadat Loogveldt een officiële verklaring had afgelegd en hij eindelijk naar huis kon, had Van Voorde hem bij zijn auto aangeklampt. Hij had zich voorgenomen om er zijn levenswerk van te maken om het geheim van Loogveldt zijn immuniteit te ontdekken. En zodoende had Loogveldt hém heel diep in zijn zak.  Loogveldt wilde het niet toegeven maar het intrigeerde hem ook waarom de hersenvreter hem niets had kunnen doen. Daarom had hij erin toegestemd om de hersenvreter voorlopig onder zijn hoede te nemen. Hij keek naar het hoopje uiterst doorzichtige vacht dat op zijn borst was komen liggen en hem het zicht op zijn laptop belemmerde. <br> “Hé, daar. Heb je honger?” De hersenvreter leek het woord ‘honger’ in mensentaal perfect te verstaan en knikte zowaar met zijn kop, of wat Loogveldt aannam dat de kop was. Het beest was zodanig doorzichtig dat zijn lichtblauwe kleur en lichaamsvorm nog amper waarneembaar was. Het was een wonder dat de camera’s het wezen hadden kunnen filmen.  “Oh, oké, dan. Dan sta ik wel even op.”  De hersenvreter sprong met een sierlijke sprong op de grond waarbij hij een paar ogenblikken in de lucht bleef hangen. Loogveldt fronste zijn wenkbrauwen. Het was een warme avond. Zijn hotelkamer op het gelijkvloers had een mooi terras dat naadloos overging in het plantsoen voor het hotel. De hersenvreter leek het er best naar zijn zin te hebben. Uit veiligheidsoverwegingen durfde Loogveldt hem alleen ’s avonds en ’s nachts buiten te laten. Het monstertje jankte ongeduldig. Loogveldt stak vermanend een vinger op, maar glimlachte toen. “Kom maar niet te snel terug thuis, lastpak.” De hersenvreter verwaardigde zich niet hierop te reageren. Met enkele zweefsprongen was hij uit het zicht verdwenen achter een rij geparkeerde wagens. Loogveldt liep terug naar binnen, schakelde de tv en het licht uit en ging slapen zonder de porte-fenêtre te sluiten.    De volgende morgen zat hij aan een vroeg ontbijt toen de porte-fenêtre piepte. Loogveldt keek op van de krantenkoppen op zijn iPad terwijl de hersenvreter zijn bolle gestalte naar binnen wurmde. Op het balkon van de kamer naast de zijne hoorde hij stemmen: “Echt waar schat! Ik heb het toch zelf gehoord, zeker.” “Je was zat. Je bent nog steeds zat.” “Ik heb maar twee glaasjes gedronken. Teveel om erna nog te rijden, ik geef het toe, maar te weinig voor delirium. Ik weet wat ik gehoord heb.” “Kan best zijn, maar al die de anderen waren zeker en vast wel dronken.” “Lees dit maar even.” Een krachtige vrouwenstem las luidop voor: “In een rustige woonwijk werden vannacht twee studenten getuige van een bizar fenomeen. Door een onbekende oorzaak verloor een van hen plots het bewustzijn… Dronkenschap en hartproblemen werden alvast medisch uitgesloten. De tweede student bracht zijn vriend naar de spoed. Daar vertelde hij aan de dienstdoende artsen dat hij zelf ‘iets gewaar werd dat hem een ogenblik duizelig had gemaakt’, maar niets meer.”<br> De vrouw snoof even. Dan las ze verder op aandringen van haar gezel: “Dit voorval bleek voor hem een ‘gelukkige’ toevalstreffer. Terwijl hij en zijn vriend wachtten terwijl de administratie omtrent hun bezoek voltooid werd, werd hij plots onwel. Na luttele seconden gleed hij van zijn stoel op de grond. Met moeite slaagde men erin hem kortstondig te wekken. Haastig genomen scans en foto’s toonden ‘onrustwekkende elementen’. Hierover zijn voorlopig geen verdere details bekend…” Loogveldt luisterde niet verder. Dat was het dus. Die student was immuun gebleken voor de aanval van de hersenvreter omdat hij medisch iets mankeerde in zijn hoofd. Hij luisterde opnieuw maar zijn buren waren intussen al aan het discussiëren over of ze die avond al dan niet naar het casino zouden gaan. Hij keek naar de hersenvreter die voldaan op het bed lag en zich op zijn rug rolde. Loogveldt kon er niet aan weerstaan zijn hand over zijn buik te halen die duidelijk boller stond dan toen hij de vorige avond was vertrokken.  “Je hebt je zo te zien alsnog overdadig tegoed kunnen doen. De hersenvreter antwoordde door te knikken. Vijf minuten later krulde hij zich op en viel in slaap.    

Flixie
0 0

Eigen verantwoordelijkheid

  Thomas Agerman leunde achterover in zijn stoel met gekruiste armen en zijn benen over elkaar geslagen. Iedereen in de kamer keek hem aan.Zijn dochter Paula, was ontzet. Frances, zijn echtgenote, was verbijsterd. Fred Van Aste was achterdochtig, net als zijn vader, maar ook opgewonden. Fred zijn moeder en de bemiddelaar staarden Thomas verbaasd aan. “Thomas…”“Nee, Frances. Ze krijgt geen cent.”Paula zat als een standbeeld kaarsrecht op haar stoel, haar handen gevouwen in haar schoot. Nerveus. Hulpeloos. De aanblik katapulteerde Thomas drie jaar terug in de tijd, toen een heel andere Paula hem wist over te halen ‘zich niet meer met haar te bemoeien’.“En maak het niet te laat!” Paula zuchtte geërgerd. “Nee, mam!” Op weg naar de voordeur stak ze haar hoofd om de keukendeur. “Oh, en pap? Je hoeft me niet op te halen, oké?! Je maakt me daarmee al genoeg belachelijk aan school.” Misschien besefte ze hoe onbeschoft dat had geklonken want ze had eraan toegevoegd: “Anders lachen ze me weer uit.”Thomas had niet kunnen antwoorden. Hij moest teveel moeite doen om zijn woede in toom te houden. Uiteindelijk had hij beheerst geantwoord: “Zoals je wilt.”Sindsdien was hij nooit meer doodmoe in zijn wagen gesprongen om haar door wind en regen rond te rijden. Hij liet haar rondhangen aan de schoolpoort en op fuiven zolang ze wilde. Na een paar teleurstellingen had Paula begrepen dat haar ‘vrijheid’ een prijskaartje had.Tot heel recent.Paula vierde haar op handen zijnde 18e verjaardag met een groep vrienden, waaronder ook Fred en zijn vriend Lieven. De jongens lokten Paula en Nina weg van de anderen. Dronken besefte Paula pas na een paar knepen in haar billen en borsten wat er gebeurde. Fred beweerde later dat ze het wilde omdat ze hem pas na enkele ogenblikken van zich afduwde en vluchtte, met Nina op sleeptouw. Onderweg belde Paula voor het eerst in meer dan drie jaar haar vader. De oproep werd niet weggedrukt, maar ook niet beantwoord. Enkele dagen later kwam ze Fred tegen op de universiteit waar ze allebei economie studeerden. Fred begon haar te jennen, zei ‘hoe zij zeker nooit meer zo’n kans zou krijgen op een gewillige man’, tot Paula haar zelfbeheersing verloor. Volgens het rapport van de dokter die Fred later onderzocht, had ze hem “een blauw oog, en een gebroken neus geslagen”.“En meerdere keren geschopt, in mijn kruis”, had Fred er nadrukkelijk aan toegevoegd toen de bemiddelaar het doktersattest oplas. “Maar het slachtoffer was bereid tot een minnelijke schikking”, luidde het in de oproepingsbrief die Paula had ontvangen. Het slachtoffer. De hypocriet, zij was het slachtoffer! Maar dat kon ze niet bewijzen.  Wat had het ook voor zin , als zelfs haar eigen vader geen moer gaf om háár kant van het verhaal? Het leek er zelfs sterk op dat hij zich verheugde. Alsof hij had zitten wachten op deze gelegenheid om haar te kunnen zeggen: “Zie nu maar eens hoe je jezelf redt, zonder mijn hulp.”Dat kon ze niet. Maar haar moeder zou toch zeker wel voor haar in de bres springen? Ook al had haar vader haar verboden geld van de rekening te halen?“Mijnheer Agerman?” verbrak de bemiddelaar de stilte.“Ik heb beloofd dat ik mijn , nu meerderjarige, dochter niet meer zou behandelen als een kleuter. Paula kan gaan werken om de gevraagde som, waar we overigens niet moeilijk over doen, bijeen te schrapen. De rest laat ik aan u over.”Zonder nog een woord te zeggen stond hij op en verliet het kantoor.           

Flixie
0 0