Lezen

U hebt Europeïsme

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
3 0

Op reis

“Ben je maar alleen vandaag?” “Hij is op reis.” “Zonder jou?” “Ja, blijkbaar.” “Het klinkt alsof jullie ruzie gemaakt hebben. Toch niet te erg.” “We hebben geen ruzie gemaakt.” “Toch niet te erg, hoop ik, want jullie zijn de kortste weg naar kleinkinderen.” “Pappie!? Stop daarmee.” “Het mag ook met iemand anders, zigeunertje, maar je moeder zou …” “Mammie is dood.” “Hoef je mij niet te vertellen. Dat merk ik nog elke dag.” Ik keek naar Mammies foto op de schouw. Er stond een halve kaars naast. Pappie stak elke avond een kaars aan. De schouwmantel moest dringend afgestoft. Kendy, de poetsvrouw, was te klein om daar goed aan te kunnen en ze ging niet op een trapje staan. Dat deed ze niet. “Heb je nog steeds Kendy als poetsvrouw?” “Dat is zo’n lieve, Petra’tje. Die ga ik toch niet vervangen. Ze kan zo goed luisteren.” “Ze spreekt ééntalig Spaans, Pappie, en ze poetst niet goed.” Ook op de vensterbanken lag stof en in de hoeken op de vloer. Kendy kwam dan misschien uit Venezuela, maar ze poetste met de Franse slag. Je kon exact zien tot waar de ramen gepoetst waren. Het bovenste deel daar kon ze niet aan. “Ben je nog bij je Mammie geweest?” “Nee.” “Vergeet ze niet, Petra. Ze zag jou zo graag. Ik heb pas nog nieuwe bloemen op haar steen gelegd. Ze zijn mooi. Gilberreke van de bloemist heeft ze speciaal voor haar gemaakt. “Je betaalt te veel voor die bloemen, Pappie. Ze profiteren van jou.” “De bloemist mag er toch ook iets aan verdienen. Ga gewoon een paar keer bij je Mammie langs, daar wordt ze gelukkig van.” Ik zuchtte en vroeg of hij nog koffie wilde, terwijl ik naar de keuken stapte, waar de koffiekan nog in de machine stond. Hij had hem veel te straf gezet. Dat hij nog geen last had gekregen van zijn maag, was een wonder, zoals hij steeds van die loeisterke koffie dronk. De hele dag door. Ik goot de kan leeg in de thermos. Dat was nog steeds dezelfde thermos als toen ik klein was. “Doe maar met.” “Pappie! Het is half elf ’s morgens.” “Eéntje per dag, meisje. Eéntje.” Ik nam de aarden kruik ‘witte’ uit de barkast en goot een klein scheutje in zijn mok. “Nog.” Ik kletste er nog een klein beetje bij. “Doe het fatsoenlijk of ik doe het zelf.” “Hier, doe het dan maar zelf.” En hij goot er een flinke scheut bij. Ikzelf verdunde mijn koffie met ongeveer even veel melk en een half klontje suiker. Pappie zette de fles terug in de barkast. Hij hoestte en schraapte zijn keel na zijn eerste slok. Hoe lang leefde hij al op deze manier? Al meer dan tien jaar. Sinds Mammie overleden was aan die stomme kanker. “Ben je gelukkig, meisje, je ziet er zo bedrukt uit? Als je met die ruzie in zit. Dat maakt niet uit. Je mammie en ik hadden ook ooit ruzie, maar we legden het altijd bij voor we gingen slapen. Nooit bij elkaar in bed kruipen voor de ruzie opgelost is. Dat nooit.” “Dat is het niet.” “Ik ben ook eens een keertje drie weken naar Amerika geweest, voor opleiding van het werk, en toen heb ik je Mammie gemist, heel erg. Dus Hij zal je ook wel missen.” “Denk je?” “Ja. Zeker weten. En wij hadden nog geen telefoons. Drie weken was echt drie weken. Tegenwoordig.” “Hij heeft zijn telefoon niet mee.”  “Echt. Nu ja. Typisch Hem. Al die computers en smartphones dat was niks voor Hem. Dat zei Hij toch altijd. Je hebt er natuurlijk ook ‘ne speciale’ uitgekozen.” “Hoe bedoel je?” “Hij kan hier aankomen en koffie drinken en zonder iets te zeggen na een half uur weer vertrekken.” “Komt Hij hier zonder mij?” “Ja, hoor, minstens een keer per week. En Hij heeft van die dagen dat hij dus absoluut niks zegt. Of ja, toch zo goed als niks.” “Dat wist ik niet. Nu ja, maakt ook niet uit. Wel attent van Hem.” “Attent, ja, spraakzaam, nee. Daarmee, het verbaasde me dat Hij er niet bij was. Ben je al weg? Je moet toch pas om twee uur op het werk zijn. Je kan hier een boterhammetje mee eten, meisje, je weet dat ik niet graag alleen eet en ik eet al zo veel alleen. Zullen we een kaartje leggen?”

Hans Van Ham
8 0

Age of Scorpio

Ik ben een lichaam van taal, gebonden in een huid van vezels. Sommige handen lezen me langzaam, zoekend naar verborgen lust tussen mijn zinnen vol zin. Andere laten hun vingers snel en oppervlakkig over me heen glijden, als was ik een goedkoop lustobject. Die handen en vingers… Hoe verfijnd of behendig kunnen ze wel zijn, in elke aanraking lees ik tot welke sensuele handelingen ze in staat zijn. Ik bespeur hun aarzelende beroering, een schuchtere eerste kus, vezel tot vezel. Of een zelfverzekerde grip die mijn uitnodigende krommingen omklemt. Ik lig paarlustig in hun handen, samen ademen we sneller, het bloed suizend en kolkend aangespoord door mijn tintelende verbeeldingskracht. Ze plooien me naar hun zin, strelen mijn rug waardoor ik zwicht voor hun wens. Sommigen zoeken mij op vol oprechte nieuwsgierigheid, anderen voor platte opwinding. Telkens opnieuw probeer ik me naar hun lust te kronkelen. Velen willen onmiddellijk in me duiken, op zoek naar de climax nog voor het verhaal goed en wel begint. Ze vergeten dat ik een spanningsboog ben, die ze langzaam moeten oprekken met langgerekte oh’s en ah’s, trillend op het ritme van onze fantasie.  Kom dichter. Kijk naar mij, naar mijn kaft, waarop het beeld uit de erotische tempel van Khajuraho staat. Laat je ogen glijden over haar borsten, haar buik, haar dij. Stop daar. Zie je hem zitten op haar linkerdij, de schorpioen? Hij draagt de zinderende begeerte naar haar afwezige minnaar in zijn brandende angel, en lijkt het topje zelfs niet lichtjes te trillen? Haar rechterhand van steen ligt bijna op haar venusheuvel. Wat hou ik toch van dat woord. Venus. Heuvel. Zachte klanken, perfect gemaakt om over likkende tongen te rollen. Zo staat de hemelse tempelnimf nu al ongeveer duizend jaar bevroren in een pose van nooit ingeloste lust.  Al enkele weken lig ik op haar nachtkastje. Niet als leermeester, maar als novice. Toen ik haar voor het eerst ontmoette, zag ik onmiddellijk het glanzende vuur in haar ogen. Zij was de eerste die haar blik op de schorpioen van het tempelbeeld liet rusten, en daarna op de vinger die al duizend jaar wil wegglijden in zandsteen, als was het nat zand dat zich zonder al te veel moeite open laat strelen en waarbij glinsterend vocht naar boven parelt. Ze nam me mee naar huis, en leidde me haar slaapkamer binnen. In het avondlicht ontkleedde zij zich voor mij. En daar zat hij dan: haar schorpioen, een kleine tatoeage op haar linkerdij. Het tempelbeeld rees op uit haar duizendjarige slaap. Zij stond voor me, in vlees en bloed.  Sinds ik bij haar ben volgen we elke avond hetzelfde ritueel. Ze neemt me mee in haar bed en ik kijk toe hoe ze haar minnaar ontvangt, hoe zij deinen tussen de lakens, hoe zij haar hoofd naar achter legt en haar zacht gekreun de kamer vult. Zij berijdt hem, en daarmee bevrijdt zij zichzelf. Zij bepaalt het ritme en het rijm, en zo vergeet ik alle regels die mijn schrijver me ooit had opgelegd. Ze likt mijn letters warm en vloeibaar tot ik opnieuw druipende inkt ben. Haar vingers, nat van haar opwinding, vermengen zich met mijn inkt en zo beginnen we een nieuw verhaal te schrijven. We ontbranden samen in een nieuw lichaam, versmelten in wederzijdse overgave, in een zinderende sensualiteit die zich niet laat sluiten door een kaft.  Langzaam maar zeker wist ze mijn geheugen. De olifant? De waterval? De geopende boog? Ooit waren deze standjes mijn trots. Nu roepen ze slechts verre herinneringen op. Ik wist het beter, tot zij zonder genade mijn mannelijke kijk aan diggelen sloeg. Ze vermorzelde mijn grootspraak en het verwaande idee dat ik zou weten wat een vrouw begeert. Met haar treed ik een nieuw tijdperk in. Ik, de enige Kama Sutra letter voor letter herschreven door een vrouw. Ik laat mij gewillig met haar woorden vullen. Net zoals zij koester ik die zachte maar niet aflatende drang om elke vrouw te raken tot ze ontwaakt, helder en ongeremd, eindelijk thuis in zichzelf. De regen tikt zacht op mijn kaft terwijl ze me in haar handen houdt. Haar warmte begint af te nemen maar ik houd me stevig vast aan het gloeiende ritme van haar adem die nog in mijn zinnen verweven zit. De straat geurt naar nat papier, naar afscheid. Daar is de bibliotheek, geduldig wachtend. Ze wandelt binnen en zet me in het boekenrek. Voor een seconde aarzelen haar vingers, alsof ze nog iets wil zeggen, en dan is ze weg. Ik blijf achter, licht vochtig en zwaar van gemis, in mijn gloednieuw letterlijf.

Jolien Van de Velde
49 1

By Proxy

“De nacht is rustig verlopen.” De verpleegster wijst naar de deur met nummer 308.  “Is de dokter al langs geweest?" Ze haalt haar schouders op. Ik zucht diep en duw zachtjes de deur open. Behalve het zachte geklop van de ventilator aan het plafond, is het er akelig stil. Er hangt een weeë geur van desinfectans met een subtiele toets van lichaamszweet.   De grauwe, grijze muren geven de kamer een mistroostige aanblik. Een leeg vierkant tafeltje en oude bruine relaxstoel lijken meer een stilleven dan uitnodigend voor bezoek. De vergeelde gordijnen hullen de kamer in duisternis. Enkele zonnestralen priemen zich een weg door enkele gaatjes in de doffe stof. Ze doorklieven de zware ziekenhuislucht, op zoek naar het lichaam. Roerloos ligt het daar. Enkel een oppervlakkige ademhaling en de dansende lijn van de hartslag op de monitor zijn de enige tekenen van leven. Een infuuszak druppelt langzaam naar de linkerarm. 3 weken lang…  ‘Onduidelijke oorzaak.’ ‘We doen ons uiterste best voor je dochter.’ Maar de uitleg wordt korter. Ontwijkende antwoorden. Ze begrijpen het niet. Ik knip mijn handtas open en haal er een lege injectiespuit uit. Geruisloos trek ik de stamper terug en koppel het aan op de bijspuitpoort. Zonder twijfelen duw ik de lucht door. Enkele centimeters luchtbellen verspreiden zich in de infuusleiding en migreren langzaam naar het lichaam toe. Geruisloos sluip ik naar het piepkleine badkamertje en sluit de deur. Ik werp achteloos de spuit in het toilet en ga plassen. Plots hoor ik het ritmisch gepiep van de monitor haperen. Een pauze. En dan één lange pieptoon. Ik hoor een peloton aan verpleging de kamer binnenstormen.  Dan sta ik gehaast op en trek het toilet door.

Sfieke
9 0

Pluk nog wat bloemetjes

Wat kan ik nog doen? Ik moet iets doen. Ik moet moedig zijn en ga gewoon het bos in. Ik zie wel wat er op mijn pad komt. Gisteren werd ik door die kippenboeren weggejaagd. We hebben ver gelopen en nu zijn we moe. Ik moet dringend voor eten zorgen. En wel genoeg voor mijn 5 welpen. Ze slapen nu rustig onder de grote boom. De eerste grote boom na de mensenwijk. Ze zijn een beetje op. Het gejoel en de schoten in de lucht hebben hen angst aangejaagd. Ik zie Minnie nog wat na bibberen. Ze is ook zo klein en zo mager. Ik geef haar likjes op haar vachtje. Mijn melk is zo goed als op. Ik moet op pad.  Ginds zie ik een rustig paadje. Ik leg me achter een struik en wacht. Wat hoor ik? Een zingend stemmetje? Een mens? Ik tril even en gluur voorzichtig door de struiken. Ze heeft een mandje bij en ziet er nog jong uit, weinig vlees. Maar beter dat dan niets. Ik verzamel al mijn moed en sluwheid zoals een wolvenmoeder met welpen in nood doet. Waar zit trouwens de wolvenvader? Zucht. Ik zal het weer alleen moeten oplossen.  'Dag lief meisje, waar ga jij heen'? Zo alleen?' Ik onderdruk elk wolvengehuil dat in me opkomt en lach zo lief mogelijk.  'Dag wolf, ik mag eigenlijk niet met je praten want je bent een kippendief,' zegt het meisje eerlijk.  'Ach, ach, ik ben een brave wolf. Wat heb je een mooi rood kapje op, wat leuk.' Ik leid haar af, stem haar vrolijk. Wat ziet ze er dom uit. Dit wordt nog leuk.  'Ja, ik ben Roodkapje en ik ga naar grootmoeder koekjes brengen. Ginder staat haar huisje in het bos.'  'Weet je, pluk nog maar wat bloemetjes voor haar, dat zal ze fijn vinden,' grinnik ik.  'Oja, dankjewel lieve wolf, wat een goed idee. Tot later!' wuift Roodkapje.   'Ja, Ja, tot later!' grijns ik vrolijk terug.  Haha, er is ook een grootmoeder! Ik wil 2 mensenhappen. Dan hebben mijn welpen meer moedermelk straks. En de malse meisjesbouten sleep ik wel naar het nest mee. Ik haast me naar het huisje. Grootmoeder slaapt. Die eet ik straks wel op. Ik sluit haar op in de kast. Ik trek een nachtkleed van haar aan, zet een slaapmuts op en leg me in bed. Zo denkt Roodkapje zeker dat ik haar grootmoeder ben. Ik grom en grijns.   'Klop klop klop'. Daar zal Roodkapje zijn.  'Kom maar binnen.'  Mijn stem kraakt. Ze zal het er toch mee moeten doen.   'Dag grootmoeder, wat hebt U grote ogen.' Het kind staart me aan met die naïeve mensenblik.  'Dan kan ik je beter zien, mijn kind.' Ze is wel mager maar ze ziet er oh zo mals en sappig uit.   'En grootmoeder, wat hebt u grote oren,' kijkt Roodkapje verbaasd.  'Dan kan ik je beter horen,' grijns ik. Hoe lang zou ik dit spelletje nog rekken? Mijn maag gromt.  'En wat hebt u grote tanden!'  ‘Dan kan ik je beter OPETEN!'   Met een diepe grom spring ik op Roodkapje af. Ze gilt het hele bos bijeen. Wat een kabaal maakt dat wicht.   Maar wie is dat nu weer? Een jager?   'Halt, stop of ik schiet. Maak dat je wegkomt!'  Ik hoor een schot en spring het huisje uit door het raam.   Snel verdwijn ik het bos in. Die mensen en hun geweren, ze gunnen me niets.  Stilletjes loop ik terug naar mijn welpennest. Ik hoor mijn 5 kleintjes zachtjes janken.  Gelukkig heb ik het mandje mee kunnen grissen op mijn vlucht. Haha, dat hebben ze niet gezien daar in hun stom huisje. Mijn welpjes smikkelen en smakkelen. Mijn kleine triomf. Ik dek mijn welpjes zachtjes onder met grootmoeders nachtkleed. Ze sluiten hun oogjes.   'Awoooooooooo Awooooooooo.'   Deze wolvenmoeder staat er morgen terug. Ik wed dat ze mijn wolvengehuil tot in het huisje horen.     Tekening: Atia Chaudhry

Lumes
18 3

Barcode

In het café hangt de geur van oud bier en een citroenachtig schoonmaakmiddel, waardoor de muren nog geler lijken dan ze daadwerkelijk zijn. Mijn vrouw is weg met haar vriendinnen vandaag. Een uitgelezen kans om een dag aan de bar door te brengen. Ondanks dat ik het thuis heerlijk vind, nog steeds na al die jaren, blijf ik behoefte hebben aan de gezelligheid die daarbuiten op een mens ligt te wachten. De supporters zijn in steeds luider wordende gesprekken en kreten over de wedstrijd verzonken. Twee clubs die ik zelf nog nooit heb zien spelen, zijn hier schijnbaar mateloos populair. Terwijl alle plekken worden bezet door druk met elkaar sprekende groepen, zit aan een kleiner tafeltje iemand eenzaam achter een computerscherm. Ik zie vanaf de zijkant hoe hij druk in zijn telefoon zoekt. Zijn grijze pak is eigenlijk net te groot voor zijn postuur. De beltoon piep zijn weg uit de telefoon. Niemand lijkt erdoor afgeleid te raken, maar bij mij komt het duidelijker binnen. De man opent een gesprek: “Ik zou u willen vragen of u volgende week kunt langskomen,” begint de man, met een vlakke, zakelijke toon. “We hebben bij MegaMarketResearch wat informatie over uw bedrijf nodig voor ons onderzoek. Ja, kunt u op dinsdag? Hartstikke mooi. Bedankt en tot dan!” Hij legt de telefoon heel even op de tafel voor hem neer, om hem na exact drie seconden weer in de hand te nemen. Met lichte nieuwsgierigheid observeer ik hoe de man een nieuw nummer lijkt in te toetsen. Terwijl hij opnieuw een verhaaltje afsteekt, zit ik plotseling vol verbazing op de kruk. De woorden die hij spreekt zijn bijna identiek. Alleen de “dinsdag” is veranderd in een “woensdag”. Een snelle blik opzij. Ik pak het ongebruikte bierviltje dat naast mij op de toog ligt. Er zit een kring van eerder op de dag op het karton, die een achtergelaten spoor van een van de zovele bargasten kort had vastgelegd. In mijn binnenzak bevindt zich nog een blauwe pen die op het witte vierkantje kan schrijven. Het eerste turfje. Vluchtig lijkt de mysterieuze beller iets in zijn computer in te vullen. Hetzelfde patroon herhaalt zich wederom: “Wij zouden het waarderen als u volgende week op bezoek kunt komen. We hebben als MMR graag wat informatie over uw bedrijf voor ons onderzoek. Ja, wilt u op donderdag? Hartstikke goed. Hartelijk dank en tot ziens!” Streepje twee. Nieuwe ronde. “MMR heeft graag wat informatie over uw bedrijf voor onderzoek.” De ruimte begint te veranderen. Het stemgeluid wordt monotoner. De woorden die hij spreekt, lijken steeds meer iedere andere gedachte te verdringen. “U bent op vrijdag beschikbaar?” Een tevreden geluid na de bevestiging. Zonder enig meetwerk voel ik de temperatuur stijgen. Weer hetzelfde script. “MMR….” Ik merk dat mijn hoofd strak blijft staan, met grote ogen. In mijn nek ervaar ik een lichte tinteling. De wereld voelt minder solide dan ik haar ken. De witte kleur rondom het reclamelogo verdwijnt steeds verder onder de druppels inkt. Steeds meer verticale streepjes. Vijf, zes, zeven. Waar gaat deze man nog meer naartoe bellen? De signalen komen niet meer goed bij me binnen. De herrie van de voetballiefhebbers verdwijnt langzaam maar zeker, tot er slechts een onderwatergeborrel overblijft. Ik ruik de citroen scherper dan eerst. Een haast chemische lucht doet mijn gezicht vertrekken. Ik ervaar niets meer buiten mijzelf, de beller en die angstaanjagende stem. Mijn vingers zijn blauw van alle inkt. Meer piepjes. Hij begint opnieuw. Met het voorbijkomen van de klanken van zijn steeds vreemder klinkende stemgeluid zet ik een nieuwe streep. Alles is vol. Geen pennenstreek past meer op het voorwerp. Maar de man blijft, terwijl ik de duizelingen voel, praten. Ik hoor niet eens meer wat hij zegt. Mijn hoofd probeert over mijn schouder te kijken. Niets lukt meer. Ik lijk van het zitvlak af te vallen. Het mobieltje in mijn binnenzak trilt. De vibratie doet me ontwaken uit mijn bubbel, terwijl ik een gevoel krijg alsof ik een zware kater te pakken heb. Ik had de ringtone onder het lawaai waarschijnlijk niet eens kunnen horen. Een onbekend nummer belt mij. Zodra ik opneem, is eerste dat ik hoor: “Goedemiddag. U spreekt met Tom Verhaegen van MMR. Ik zou u willen uitnodigen….” Zijn hoofd draait mijn richting uit. Voor het eerst hebben we direct contact. De zweetdruppels moeten duidelijk zichtbaar van mijn voorhoofd naar beneden zijn gerold. De verbazing en paniek lijken iets te zijn waar hij hongerig naar is, zonder dat hij er direct op reageert. Ik kijk in zijn wazige gezicht en indringende ogen. Het ziet er getekend uit. Maar terwijl ik hem aanstaar, lijken al zijn trekken vloeibaar te worden. Alle rimpels die zijn gezicht rijk is, verdwijnen als rimpelingen op het water. Alleen een massa met een vreemde vleeskleur is nog zichtbaar. Mijn gehoorgang vult zich met een overweldigend gesuis. Ik stik bijna in de doordringende lucht die om mij heen hang.  De lampen in de kroeg lijken door te branden. Nadat al het gele licht is uitgevallen, maakt het plaats voor de witte gloed van tl-buizen aan het plafond. Mijn blik richt zich op mijn hand, waarmee ik nog steeds driftig streepjes probeer te zetten op het kleine viltje. Het viltje is er helemaal niet. Het papier onder mijn pen is een getypte tekst, die door mijn gekras inmiddels onleesbaar is geworden.  Er klinkt nog steeds een stem in mijn oor, maar het geluid verandert van richting. De stem van Tom Verhaegen wordt vervangen door een lagere stem, die recht van voren in plaats van via de zijkant binnenkomt. De beller van MMR is veranderd in een man met een strak uniform. Een gestalte zonder telefoon, die naar voren leunt over de tafel waaraan wij beiden zitten. Zonder kraak spreekt hij me toe: “Meneer Verhaegen? Stop eens met het onderkliederen van de formulieren. Alles is al bekend. Uw bedrijf heeft illegale pillen doorgesluisd naar allerlei slachtoffers. Ieder detail van uw praktijken is door ons ontrafeld. Dit is geen café. Dat weet u na drie uur verhoor best." Ik bekijk het blad peinzend. Met al het blauw heb ik de tekst van mijn eigen bekentenis weg proberen te vegen. Elke poging is echter kansloos. Ik zit hier, omdat ze het al weten. Mijn vrouw weet het ook al. Het gezellige stadje waar ze met Marian en Petra heen zou gaan, bestaat helemaal niet. Ze is vertrokken naar haar zus. Toen de politie voor de deur stond, vluchtte ze, zoals ik dat nu tevergeefs ook geprobeerd heb. De dag aan de bar is slechts de laatste vluchtroute die mijn geest heeft verzonnen om de ondergang van mijn medische praktijk te vermijden. De zware deur valt in het slot. Ik zit alleen, precies zoals toen ik het idee van mijn kliniek bedacht. 

Deejay
14 1

Big boy

De laatste weken droom ik dat ik iets kwijt ben. Ik dwaal door het huis van mijn jeugd, de monumentale trap op naar de eerste verdieping waar in een nis een eind boven mijn kruin een opgezette haas staat. Schutkleurig, kreupel.Hij staart me aan. Hier is niets te vinden, jongen, zegt hij.Hij neemt de rest van zijn dood nog maar één houding aan: stijf van de houtwol, staand op zijn achterpoten, zijn voorpoten als sabels de lucht in. Nu klop ik aan. Daar is mijn moeder, zij is het. Haar ben ik dus niet kwijt. Als ik mijn arm strek kan ik bij haar kamerjas met de zilveren stiksels, bij haar vochtige hals, maar er is terughoudendheid geboden.Ik heb hartkloppingen, zegt ze.Ik ook, zeg ik, omdat ik het niet begrijp.Ga met Elvis spelen, sommeert ze me. Elvis heeft geen vacht, wel organen die je doorheen zijn huid ziet pompen. Telkens als ik ernaar kijk, verwacht ik dat ze gaan ophouden want Elvis is ziekelijk, zoals zoveel te ver doorgekweekte naaktkatten. Zijn huid is geïnfecteerd, zijn ogen etteren doorlopend. Ik loop in halve cirkels om hem heen.In de vooravond zit mijn moeder in de sofa met een okerkleurig glas en een trillende Elvis op haar schoot. Ze begrijpt hem zo goed, zegt ze, altijd tegen mij.  Vooraan in de gang is een smalle, hoge deur, met daarachter warme poedergeur en borduursels.Ik kleed me uit en schuif het bed in, wacht. Als ik me uitstrek komen mijn koude voeten tot halverwege de matras. Ik wil hier slapen, als een koekoeksjong. Tegen mijn rug voel ik Gita’s warme buik, haar arm reikt over me heen, haar hand landt op mijn sleutelbeen.Does it still hurt, vraagt ze.Yes, zeg ik met mijn verminkte s. Er zit een gat waar mijn voorste melktanden vanochtend nog zaten. In mijn eigen bed ben ik alleen dat waaiende gat in mijn mond, maar hier is het windstil.Ze geeft me zachte klopjes.Good night, fluistert ze.Good night, fluister ik, met hetzelfde Letse accent.  Overdag zet Gita mijn boterhammen met een klap op tafel, zeurt ze over huiswerk en modder aan mijn schoenen. Ze heeft een contract na te leven, verplichtingen die mijn moeder haar oplegt en waar mijn vader haar voor betaalt.Na bedtijd geldt het contract niet. In de ogenblikken vlak voor de slaap me naar beneden trekt, is Gita ongebonden. Wanneer ze niet kookt, schoonmaakt of me voorleest, verzorgt ze Elvis. Dagelijks wordt hij in lauw water met olie gewassen, zodat zijn huid het nog even trekt. Vanaf een afstand kijk ik toe. Elvis is bang voor het water, maar wanneer Gita hem toezingt, precies op de rand van de stilte, stopt het beven.  Kaķīt’s mans, kaķīt’s mans,melns ar baltām ķepiņām. Hij is kneedbaar en voller in haar handen. Ik ben acht. Nieuwe, grote tanden hebben het gat in mijn mond gevuld. Big boy, zegt Gita, en dat ik weer in mijn eigen bed kan slapen nu, maar dat gebeurt niet. Dan ben ik plots dertien en bereiken mijn koude voeten bijna de bedrand. Wanneer ze toevallig Gita’s onderbenen raken, zucht ze en dan doe ik het opnieuw. Big boy, big boy. Ze vraagt me te helpen bij het wassen van Elvis, maar ik weiger. Zijn dood is nakend, ik ruik het al aan hem. Ze wast hem op twee meter van waar ik huiswerk maak. Tussen mijn wimpers zie ik het licht iriseren op het badwater, op Elvis’ glibberige vel. Gita’s handen vinden geen grip, lijken te zweven. Haar vingers zijn behendig, ze weten alles. Elvis verroert zich niet. Ik zie zijn kattenogen met die typerende diepte die geen diepte is, alleen reflectie. En overal daardoorheen: pus. Op de ochtend van mijn veertiende verjaardag ligt hij opgekruld in zijn mand. We krijgen hem moeilijk uit die krul. Hij kan als we dat willen in de nis op de eerste verdieping gezet worden, naast de haas, maar dat willen we niet. Er wordt een gat in de tuin gegraven en wanneer alles achter de rug is, komt er een zerkje bovenop. Daarna begint alles gevaarlijk te hellen. Na bedtijd is er steeds minder toeval. Ik ben alleen nog wildgroei, overdaad. Gita zucht steeds vaker, draait zich dan om; haar rug is een kil, ademend schild. Ik vind geen houding, kan niet bedaren, alles is klam.You should sleep in your own bedroom from now on, zegt ze.Ik doe alsof ik het vergeet, houd me gedeisd, maar ik kan niet tegenhouden dat ik word wat ik primair ben: roofzuchtig. I should tell your mother, zegt ze.Ik denk aan Elvis’ laatste bad, zijn onhoorbare spinnen. Ik grijns naar haar en ze wendt haar blik af terwijl haar handen zich kort ballen – ze heeft ze zeker gezien, al mijn volwassen tanden. Tijdens een van die nachten geeft Gita mij een duw en beland ik plat op mijn buik naast het bed. Ik kom overeind, grijp haar vast en bijt in haar onderarm. De wond bloedt in twee boogjes, een opwaartse en een neerwaartse. Ze kijkt me verrast aan. Ze wikkelt er een verband rond en zegt niets meer, ook niet wanneer ik weer naast haar ga liggen. Precies even groot zijn we, maar ik ben breder.I should tell your mother, zegt ze opnieuw, maar het is niet ondenkbaar dat ze erbij grijnst. Ik moet de kamer uit, het onheil nadert. Wanneer ik opsta, begint het me te duizelen. Waar moet ik heen, waar is de dreiging het kleinst?Ik ga het huis uit, wandel naar de plek waar Elvis begraven ligt. Ik wil hem terug. Ik begin te graven, kluiten aarde hopen zich op tot een heuveltje naast het gat waarin een houten kistje bloot komt te liggen. Er liggen alleen botten in, maar ik herken Elvis meteen.Achterbakse kat, zeg ik, je bent niets veranderd.Zo ver mogelijk smijt ik hem weg; hij valt rammelend in het gras en activeert meteen een sprinkler. Binnen is het koud geworden. Opkomend zonlicht valt horizontaal door de ramen. Helemaal tot vooraan het huis loop ik, tot bij de garage. Ik kan de deur beter dichtlaten, weet ik.Op deze plek blijf ik staan, ik heb geen keuze. Daar is het dan eindelijk, precies zoals het altijd komt, bedrieglijk terloops: zwart gas dat onder de garagedeur vandaan komt, de gang vult. Ik leg mijn hand op de klink en duw die naar beneden, maar de deur zit op slot.Ik roep mijn moeder, die me eerst niet hoort en ten slotte heel traag en argwanend de trap afdaalt, waar ze halverwege blijft staan omdat ze niet begrijpt wat ze ziet.Wapperend met haar armen nadert ze me. Dan duwt ze me weg en werpt haar volle gewicht tegen de deur waarachter het gebeurt, maar haar volle gewicht stelt niets voor. Ze loopt naar buiten, probeert de garagepoort te openen, daarna de achterdeur – alles zit vast en uit alle kieren en gaten kringelt het gas omhoog, elegant in de frisse lentezon. Een prachtige dag is het, terwijl we manieren blijven zoeken om binnen te geraken in de garage. Mijn moeder roept een paar keer haar naam en ik denk: het is de eerste keer dat ik mijn moeder haar naam hoor roepen. Ik word er heel verdrietig van, maar het verdriet voelt meteen oud. In het midden van al die gebeurtenissen is er een stilstaand beeld van een slappe Gita die uit de wagen wordt getrokken wanneer de ruimte voldoende geventileerd is. Het is een volkomen kalm beeld, alleen Gita is zichtbaar, verder niemand. Ik zie haar gezicht niet, alleen een deel van haar losgeraakte haar, misschien. Ik roep het telkens op, dwangmatig, al kan ik niet geloven dat iemand toen toeliet dat een jongen van veertien, een kind nog, op dat moment stond toe te kijken vanuit de gang. Weer later legt mijn moeder een hand op mijn schouder en duwt ze me de trap op. Aan de nis met de haas staan we, wiens sabels nu op ooghoogte zijn.Even verwacht ik dat ze zal zeggen dat ze hartkloppingen heeft, dat ze met rust gelaten wil worden en dat ik alles alleen moet afhandelen. Maar dan legt ze haar hand weer op mijn schouder en articuleert nauwkeurig: ze heeft me verteld dat jullie ruzie hadden. Ik heb gezegd dat ze het allemaal verkeerd heeft geïnterpreteerd. Denk je ook niet?Ik reageer niet.Voor de politie zijn verkeerde interpretaties irrelevant, besluit ze. Ze wacht mijn reactie niet af en schrijdt naar beneden, trede voor trede die gigantische trap af, terwijl ze met een witte zakdoek de roetvegen van haar voorhoofd en hals dept.

Veerle Breemeersch
15 2

Starry starry night

Soms zie je ze. Maar soms ook niet. Al die hoge sterren aan de hemel. Af en toe met een planeet erbij. Of de maan. Wonderbaarlijk ver weg en zo helder. Maar dus soms zie je ze totaal niet. Soms zijn ze echt verstopt, achter wolken. Of bestaan ze dan misschien gewoon aan de andere kant dan waar ik naar kijk. Kijk ik dan soms naar een verkeerde kant? En soms is er te veel licht om ze te zien. Lichtpollutie noemen ze dat. Vervuiling. Vuile hemel. Weg met de heldere, glinsterende sterren. Enkel het pure donker, zonder één wolk, in een open ruimte, biedt het mooiste resultaat. Dwalend en dromend kan ik er uren van genieten. Tot aan de einder, geen vuiltje aan de lucht.   Zo dacht ik toch toen ik hem ontmoette. Geen vuiltje aan de lucht. Ik pikte hem op aan het station. Zo hadden we afgesproken. Die ene mooie lentedag in mei met de perfecte temperatuur. Terrasjesweer noemen ze dat in het weerbericht. Precies of dat de referentie is voor mooi weer, terrasjes doen. Alsof het iets actief zou impliceren door het werkwoord doen te gebruiken. Men zit gewoon, men doet niet. Maar die dag, die terrasjesdate in mei, was het zover. Op de middenberm stond hij op de uitkijk. Grijzend haar en een knalrode broek. In de heldere middagzon van mei. De lente mag er zijn. Hij stapte in en gaf me een zoen. Hij rook naar meer. We bestelden wijn en Duvel. Zijn stem deed de sterren trillen. De ruimte verdween en er was geen heelal meer. Er was enkel nog hij en ik en zijn hand en mijn hand. Al het andere verdween. Opgeslokt in een zwart gat. Niet meer relevant. Geen vuiltje aan de lucht op date één.  Maar zoals blinkende sterren het vergaan, was ook hij niet steeds zichtbaar. Keek ik naar de verkeerde kant? Was het weer vandaag niet gericht op handen en sterren en ogen zien? Was een maand later de Aarde gewenteld en was het elke nacht terug pikdonker? Of moest ik gaan betogen tegen lichtpollutie? Of ja, gewoon wachten, tot de zon terug in haar as zat en draaide met de wind mee. Want daar was hij weer. Aantrekkelijk zoals de zee naar de maan vloeit. Alsof hij altijd was blijven schitteren aan de hemel. Met een zoen en een knuffel en een verhaal over planeten en zwaartekracht en vallende sterren. Ik hing terug aan zijn lippen. Ik wou meer. Hij blonk weer. Parmantig straalde hij mijn hemel vol licht. Geen vuiltje aan de lucht.  Zijn huis lag wel wat rijden van mij vandaan. Maar geen lichtjaren. Zo ver nu ook weer niet. Zijn bed was enkel tijdelijk beschikbaar. Van valavond tot volle maan. Daarna sliep ik thuis. Zonder te weten wanneer de sterrenhemel terug zou openbreken. Enkel wat boodschappen, recht uit de kosmos, belandden in mijn gsm. Het was zo fijn geweest. De maan had weer eens geschenen.  Zo gingen en kwamen de maanden en dan de jaren en de sterrenhemel was bezaaid en dan weer leeg. Andere planeten draaiden verder rond terrasjes en verdwenen weer op Aardrijkskundige wijze. Je zou dat kunnen opzoeken. AI weet zeker en vast hoe dat werkt. Zou er een ster bestaan met dezelfde schijn- en verdwijnfrequentie als die van hem?  Zou in een pure wereld, zonder één zijweg, in een ruimte van slechts twee personen, het resultaat van hij en ik op zijn mooist kunnen zijn? Zonder één vuiltje aan de lucht? Kan ik ooit nog naar de sterrenhemel kijken zonder meer te wensen?   Ik kijk de hemel in. Gitzwart met flauwe blinkers. Komend en gaan als knipperlichten. Ik droom weg. Waar is hij heen? Zou een ander nu wel de juiste kant uitkijken en de blinkende sterrenhemel krijgen?    En dan gebeurt het. Een plotse flits en een lichtstraat. Is dit echt een vallende ster? Kan ik een wens doen? Zou ik hem terugwensen? Mijn hoofd tolt en de hemel draait rond mij. Er is geen tijd. Er is enkel nu. De flits schudt me wakker. Val nu maar, jij ene ster. Vanaf nu doe ik geen wens meer. Val nu maar en blink nooit weer. 

Lumes
5 1

Taart zonder moederdag

Ze sloft door de tuin naar de keuken. Haar ouders zitten al aan tafel. Op de tafel staat een grote Bresiliennetaart. Die had haar zoon gisteren gekozen. Ze had hem van school gehaald en gezegd dat hij zijn valies moest pakken om naar zee te vertrekken, maar hij wou eerst nog boodschappen doen. Ze zei dat hij spekjes met pasta en broccoli kon eten en dat ze morgen boodschappen konden doen. Hij had dat deze week al gegeten bij zijn vader, zei hij, we passeren toch een winkel, het duurt echt niet lang. Ze gaf toe omdat ze hem al maar zo weinig kon verwennen en stiekem wou ze ook wel een taartje. De weekends met haar zoon daar keek ze enorm naar uit. Het was het derde weekend samen. Drie weekends op 3 maanden. Dat was niets. Zij die altijd dag in dag uit met haar kinderen doorbracht. Geen uur in de opvang of de studie, geen uur bij een babysit, 11 jaar lang fulltime mama voor haar zoon en 14 jaar lang voor haar dochter. Tot de scheiding. Dan werd ze plots halftijdse mama en door het gedrag van hun vader minder dan halftijds en nu wellicht niets meer.  Ze keek naar het witte nootjestapijt op de stevige gele crème. Bresiliennetaart deed haar altijd aan haar vakantiejob denken bij Rosalie Babelutte in Heist. 's Morgens startte ze met zich in het zweet te lopen tussen de bakkerij op de kelderverdieping en de winkel op het gelijkvloers. Grote grijze bakken met allerlei broden, koffiekoeken, sandwiches en pistolets werden verhuisd. De broden werden in metalen rekken geplaatst in de buurt van de deur. De kleine broodjes werden mooi gestapeld in het houten rekje achter de toonbank. Daarna werden de taarten naar de winkel gebracht en in de vitrine gelegd en ging de winkel open. De eerste uren was het non-stop klanten bedienen. Met drie stonden ze in de winkel. Er waren twee kassa's. De oudste vond ze fantastisch. Daar moest ze de ronde knoppen met een zware vinger aanslaan om zeker een duidelijk cijfer op het kasticket te zien verschijnen. Tegen de middag waren haar vingers moe en was de inktafdruk lichter blauw dan het eerste uur van de werkdag. Als ze de totaaltoets had ingedrukt en de kassa met geweld en veel geluid open vloog, begon het hoofdrekenen om te weten hoeveel ze moest teruggeven. Ook dat ging soms minder vlot tegen de middag. Op de andere kassa verscheen het terug te geven bedrag digitaal op het schermpje, waardoor je de klanten soms op voorhand zag kijken bij wie ze zouden bestellen om toch maar niet op de oude kassa bediend te worden. Als het niet druk was mochten ze enkel de oude kassa gebruiken. Die kassa was voor het zwart geld, hadden de bakkersvrouwen haar gezegd. Hun echtgenoten werden oud en ze zouden het niet lang meer volhouden, dus dat zwart geld zou van pas komen. Na een paar uur goed doordraaien viel er altijd een rustuur. Dan kon één van hun drieën iets eten, wie het meest honger had of loden benen of het ergste had gezweet ging eerst rusten. In de namiddag werd er roomijs gemaakt door een andere jobstudent. Zij mocht terwijl hij de ijs bereidde kiezen of ze verder in de bakkerij stond of bij hem in de crèmerie of beneden bij de afwas. De afwas moest ze minstens één keer per week kiezen. Daar werd nog meer gezweet: grote bakplaten proper maken met een ijzersponsje en bijtende producten en de vaatwas vullen met bordjes en tasjes van de crèmerie en de bakkerij. Maar er werd wel gelachen aan de afwas, want de twee bakkersbroers en de bakkersstudent waren blij dat hun shift er bijna opzat en kwamen wat gek doen voor ze huiswaarts gingen. De bakkersvrouwen die dan in de winkel stonden kwamen af en toe haar afwas controleren en de mannen wegjagen met hun gekdoenerij. De bakkersvrouwen waren ook zussen, maar zo anders. De zwarte was op het eerste zicht veel zachter en aangenamer om mee te werken en bleef altijd hetzelfde naar klanten, een lachje en een zacht zenuwachtig geluidje dat de ene dag al uitgesprokener aanwezig was dan de andere, een soort kuchje waar ze soms om moest lachen. De blonde had iets stuurs en dat maakte haar destijds wat bang, maar na een week had ze door dat achter het stuurse een crème van een vrouw zat met het hart op de tong. Stond een klant haar niet aan dan hield ze zich niet in. De zwarte had dat misschien beter ook wat meer gedaan, dan was ze misschien van dat kuchje vanaf geraakt. Maar de zwarte vond klant koning, de blonde was een onbeschofte respectloze klant graag kwijt. Zo herinnerde ze zich een Duitser die ze in haar beste Duits letterlijk terug naar de loopgraven verwenst had. Even dacht ze dat ze met elkaar op de vuist zouden gaan, maar ze nam gewoon zijn kopje en zijn bord met een zwier voor zijn neus weg terwijl ze hem luid haar gedacht zei. Met haar vinger wees ze naar de deur en toen hij nog wat tegensputterde gaf ze nog een extra duw in de lucht om haar standpunt definitief duidelijk te maken en gooide de deur achter zijn hielen dicht. Zo boos was ze. De hele winkel stond verbaasd te kijken en de bestellingen werden doorheen de hele scène gehakkeld uitgesproken of simpelweg onderbroken.  In de namiddag kwam altijd een dipje. Toeristen zaten op het strand, de ochtend- en middagspits was voorbij. De jobstudent die met zijn grote roeispaan in de enorme ton draaiende roomijs schepte maakte de namiddag altijd tot een spel. Hij probeerde het ijsdraaien soms wat te rekken zodat het minuten tellen tot de avondspits wat minder lastig zou zijn, maar dat hadden de twee bakkersvrouwen al gauw door. In die dode minuten kwam de zwarte of de blonde ook altijd vragen “Wuk wult je vandoage, ne kreem, e tortje of e beuterkoeke?”. De bresilienne moest altijd eerst op. Aan het einde van het seizoen kon ze geen bresilienne meer zien. Maar nu had ze al anderhalf jaar een lief die verzot was op taartjes en bresilienne stond weer vaker op tafel. Niet zelfgemaakt.  De eerste taart die ze hem liet proeven anderhalf jaar geleden was rabarbercrumble. Ze durfde toen nog niet dicht naast hem zitten, maar dat duurde niet zo lang. Ze wil hem zo graag bellen en vragen om een stukje te komen mee-eten, maar hij heeft rust nodig, dus stuurt ze niets. Ze kijkt naar haar vader en zegt. K sta hier nu hé, met mijn bresiliennetaart en al mijn eten voor drie dagen. Hij zegt dat ze het gaat moeten loslaten en aan zichzelf moet denken. Hoe dan?, vraagt ze. Ik heb de voorbije 16 jaar voor mijn kinderen geleefd. Hoe kan ik ze nu volledig loslaten alsof ze niet meer bestaan? De tranen rollen weer over haar wangen. Ze zwijgt en eet. In haar hoofd speelt ze nog eens de voorbije dag af. Het was vrijdag. Ze was opgestaan met slaapscore 90, dat had ze nog nooit gehad. Ze at een boterham, dronk koffie en reed naar de kinesist. Ze was fier dat ze opnieuw perfect geparkeerd stond, weer een kleine overwinning. Ze had haar wijde coltrui aan omdat ze het koud en vochtig vond. De kinesist lachte en zei “wat een verschil met je zomeroutfit van vorige week”. Dan had ze door dat ze misschien wat overdreef, zo kou was het niet. Maar ze had dat wel vaker in het begin van de lente, nog even het gevoel van de winter willen, net zoals ze in de late herfst nog met blote billen liep om nog een beetje zomer te voelen. Over die blote billen van haar had hij in hun eerste smsjes nog opmerkingen gemaakt. Ze miste die smsjes. Ze had wel vaker schrijvende lieven gehad, maar hij was anders. Vertel eens hoe het geweest is met de wandelingen, vroeg de kinesist. Perfect, 12 kilometer zonder pijn en twee dagen na elkaar. Terwijl ze de woorden uitsprak dacht ze aan de westhoek en hoe ze gevoeld had dat de liefde stroomde. Ze keek zo uit naar het lange weekend die eraan kwam, maar nu door deze crisis voelde alles weer anders. Haar zenuwstelsel stond weer gespannen en ze was weer bang. En ze wist dat haar angst ook zijn angst kon terugbrengen.  Maar eergisteren heb ik opnieuw een serieuze emotionele crisis gehad waardoor mijn rug en nek weer vast zitten, ging ze verder. De kinesiste reageerde dat ze dan eerst naar die rug zou kijken. Ze deed haar werk en het deed deugd. Aan het einde kreeg ze te horen dat ze een heel goed lichaamsbesef en enorm soepele gewrichten had waardoor de manipulatie vlot ging, ze kon haar in alle richtingen draaien en keren. Ze dwaalde af bij die woorden en moest aan hem denken, haar lief, hoeveel zin ze had om nog eens door hem in hoeken en bochten gedraaid te worden. Maar dat ging nu niet. Ze kon niets forceren. Geduld. Zijn moeilijke periode zou overgaan, dat wist ze zeker, ze wist alleen niet wanneer. Ze stond op, betaalde, bedankte en ging naar de auto. Buiten was het intussen warmer. Ideaal voor de wandeling met haar jeugdvriend. Ze kon het niet laten hem een duwtje te geven in de richting van een gemakkelijkere toekomst. Hij zat al te lang vast en ze had hem al lang niet meer gemotiveerd omdat ze teveel met zichzelf bezig was. Hij gaf haar ook af en toe een duwtje, ze had er wel iets aan en hoopte dat hij ook iets aan haar duw had. Daar dienden vrienden voor. Halfweg stonden ze stil. Een klein reetje was rustig aan het grazen en keek even op toen ze dichterbij kwamen. Ze bleven wat staan. Zij trok een foto voor de kinderen en voor haar lief, die hielden ook van dieren in het wild. In de namiddag scrolde ze nog wat naar jobs en huizen en naar een leuke plek om het volgende weekend door te brengen. Hij had haar vandaag nog niet gebeld en ze had wel zin om hem te horen en haar pikante gedachten te delen. Maar net voor ze het daarover wou hebben stapte haar zoontje in de auto, dus zweeg ze, het was niet voor kinderoren bestemd. Het deed wat pijn in haar buik om haar lief en haar zoon even met elkaar te horen praten, net zoals het pijn deed om zijn zonen van op afstand in de auto te zien en er niet bij te mogen. Zo had hij het beslist. Na een half jaar fulltime samenzijn en dan nog meer dan een half jaar halftime samen zijn kreeg ze zijn zonen plots niet meer te zien en wou hij haar kinderen niet meer zien. Haar zoontje zag er enorm van af. Sinds ze niet meer samenwoonden had hij op school dagelijks problemen en was hij geschorst. “Jullie zoon is een lief, beleefd, leuk en eerlijk kind, maar hij gedraagt zich sinds half januari absoluut niet in de klas en hij heeft er precies geen besef van. We moeten hem helpen hadden ze gezegd, want we begrijpen dat hij de voorbije jaren heel wat te verwerken had, maar hij vliegt wel eerst een paar dagen van school.” Zij had dat eigenlijk een mooi cadeau gevonden. Dankzij de schorsing kon ze hem midden in de week drie dagen bij haar aan zee hebben. Wat hadden ze daarvan genoten! De babbel met haar lief aan de telefoon sloot ze af en de rest van de autorit praatte ze met haar zoon. Wat was er vandaag misgegaan in de klas? Ze had immers opnieuw een mail ontvangen van de juf wiskunde. Er hing stinkende parfum van de zesdes in de klas, had hij gezegd, en om het niet te ruiken had ik mijn neus in mijn fles water gestoken. En de jongens hadden mijn plezier gemist toen ik er niet was. Ze reageerde kalm, zoals altijd, maar maakte hem de gevolgen van zijn gedrag wel duidelijk. In de winkel waren ze enthousiast en kochten allerlei lekkers. Hij koos de bresiliennetaart en zei dat hij een stukje aan zijn vader ook ging geven. Zij zei dat het ok was, hoewel ze liever een stuk aan haar lief had kunnen geven omdat die veel blijer reageerde. Op de weg naar huis begon haar zoon over iets wat hij cadeau had gekregen, waarop zij reageerde dat ze daar ook wel de helft van betaalde. En ze probeerde nogmaals uit te leggen hoe een gescheiden koppel werkt. Maar zulke gesprekken maakten haar zoon altijd boos. Dus zei ze dat het al goed was en ze erover ging ophouden, maar dat ze niet wou dat hij zo boos reageerde en dat ze ook niet wou dat er dingen werden gezegd die niet klopten, maar dat hij daar niet aan kon doen, dat zij het wel zou oplossen. Ze kwamen boos thuis aan. Hij bleef wat in de auto zitten. Hij vroeg wat hij nu moest doen. Ze zei dat hij zijn valies moest nemen en vertrekken. Hoe kan ik weten of je mij nog mee wil vroeg hij. Natuurlijk antwoordde ze, maar ik wil niet dat je nog zo'n dingen zegt, het maakt mij telkens overstuur. Terwijl hij zijn valies nam, vroeg zij haar ex om de fietsen nog in te laden, zodat ze die kon binnen doen in de tweedehandswinkel zodat de kinderen nog een spaarcentje hadden en hij de rommel kwijt was. Hij stak er echter een fiets teveel in. Ze had het nochtans duidelijk gezegd en al meerdere keren herhaald dat ze die niet zou meenemen. Hij had toch zijn zin gedaan en alles in haar auto vastgebonden. Toen ze zich daar over irriteerde en hem wees op het feit dat hij sinds de scheiding totaal niet behulpzaam was geweest werd hij heel boos en liep weg. Hem weer zo zien raakte haar nog steeds. Haar vader had het ook weer gehoord, zijn geroep. Ze begreep het niet, ze begreep niet waarom hij zo hatelijk bleef doen na al die jaren dat ze zich voor iedereen had ingezet. Hij had nochtans een doos vol goede eigenschappen ook, maar om de één of andere reden ging die maar af en toe open. En daardoor was ze de liefde kwijt geraakt, zichzelf ook kwijt geraakt. Opgejaagd stapte ze in de auto en vertrok met haar zoon richting zee. Er was file door de werkzaamheden in de straat. Stapsvoets gingen ze vooruit. Haar zoon zei dat hij bij zijn vader gecheckt had of het klopte wat ze over het financiële had gezegd en hij had gezegd van niet. Toen werd ze boos. Ze zei dat het veel te complex was voor hem en ze gewoon wou dat hij het er niet meer over had, dat het niet ok was hoe het nu geregeld was en ze recht had om haar kinderen veel meer te zien. Haar zoon werd nog bozer en plots kreeg ze zijn hand tegen haar gekletst. Zij werd ook bozer en zei dat het echt niet ok was, dat ze begreep dat ze had moeten zwijgen, maar ze geen klets verdiende. En dan viel de zin die ze zo had gevreesd, dat hij niet meer mee wou naar zee. Ze wist dat hij wel zou kalmeren als ze toch zou rijden, maar ze was zelf echt boos en wou nu eindelijk eens aan haar ex een signaal geven dat dit niet meer kon. Ze voerde hem tot daar, maar in plaats van dat ze van hem steun kreeg werd zij voor gek aanzien die haar kinderen en zichzelf niet meer onder controle had. Ze schreeuwde nog dat ze zichzelf dan maar beter tegen een boom kon rijden als ze toch geen kinderen meer had en vertrok met piepende banden. Vijfhonderd meter verder ging ze aan de kant en begon te huilen. Vlakbij de wandeling die ze zo vaak had gedaan toen de kinderen klein waren en die ze het afgelopen jaar ook met haar lief had gemaakt. Verdomme, waarom stopte het niet? Ze had haar gezin in de steek gelaten, alles achtergelaten omdat het beter zou worden, maar het werd niet beter, integendeel. Hij deed haar nog evenveel pijn, met dat verschil dat ze nu helemaal niets van voordeel meer had aangezien ze zowel haar huis als haar kinderen kwijt was en dus ook haar rust. Hij belde, één keer, twee keer, ze nam niet op, haar dochter belde, ze nam op. Blijf daar staan had ze gezegd, de politie komt naar jou. De politie belde een paar seconden later om te weten waar ze stond en ze kwamen langs. Eindelijk kon ze haar verhaal doen. Eindelijk durfde ze zeggen dat haar ex niet ok meer was. Ze had hem altijd blijven verdedigen, achter elke kritiek had ze er iets positiefs of verzachtend aan toegevoegd. Maar nu durfde ze zeggen dat haar reactie het gevolg was van jarenlange kleine kwellingen. Elke keer als ze van hem weg wou toonde hij dat het ook anders kon, maar hij hield het niet vol en de kwellingen begonnen opnieuw. Ze had zich allerlei vragen over zichzelf gesteld, pogingen gedaan om haar gedrag aan te passen, externe hulp ingeroepen. Ze begreep niet waarom ze niet gewoon gelukkig kon zijn, verweet zichzelf dat ze alles had waar velen van droomden, maar ze voelde teveel en niet de juiste dingen. En uiteindelijk werd zij een versie van zichzelf die ze niet meer graag zag. Zo wou ze niet zijn, het moest stoppen, en ze vertrok met de zachtste man die ze ooit had ontmoet. Hij bestond.  Ze gaat terug naar de tuin. Ze had met de psycholoog gebeld. Die had gevraagd of ze niet bij haar lief kon om te vermijden dat ze moedertjesdag alleen zou doorbrengen. Ze wou wel, maar hij wou het niet. Ze was hun moeder niet. Ook al zorgde ze meer dan vijf maanden fulltime voor hen toen hun moeder dat niet kon. Ze luisterde naar hun verdriet, naar hun vragen en bezorgdheden over de relatie met hun vrienden, over hun grootvader, over hun verdwenen grootmoeder en de stiefgrootmoeder. Ze motiveerde hun wanneer ze aan zichzelf en aan hun kunnen of zijn twijfelden en remde hun af als ze in overdrive gingen, ze lachten en grapten samen, speelden spelletjes en ook zij kreeg af en toe een kietel, een kneep of een troostende knuffel of babbel. Ze verzorgde wondjes, smeerde zonnecrème, vouwde hun was op, naaide gaatjes in de shirts, bracht hun naar school, maakte vers eten en dessertjes, kocht kleine cadeautjes voor verjaardagen en feestdagen, vroeg naar hun eerste werkervaringen, kreeg uitgebreid verslag van hun feestjes, ze vertelden open over sex en drugs en vertrouwden haar kleine dingen toe die ze hun vader liever niet vertelden. Nee, ze was hun moeder niet, dat wist ze wel, maar ze hadden meer dan een jaar lang lief en leed gedeeld. Voor haar voelden ze wel als haar gezin. Ze had het hem vaak gezegd, dat als hij plotseling zou overlijden, ze wel nog voor hen zou willen zorgen. Hij had dat toen goed gevonden, die ochtend dat ze in bed nog wat zacht praten over de naderende dood van zijn vader en zijn angst om ook vroeg te sterven. Het deed hem iets en hij kneep in haar hand. Dus toen ze enkele maanden later plots met haar kinderen moest vertrekken en niet alleen haar lief, de kippen, de hond, de tuin, het nieuwe huis, maar ook haar nieuwe kinderen moest achterlaten deed het pijn, veel pijn. En hij kon het op dat moment al niet meer voelen. Het gras staat vol madeliefjes. Dit jaar had ze nog geen gras afgereden. Ook dat miste ze. Het waren haar vertrouwde activiteiten die voor rust en regelmaat zorgden. Nu zat ze al maanden hier, in het huis van haar ouders, waar ze wel veilig en geliefd was, maar niet kon opladen. Opladen kon ze in haar eigen huishouden, haar eigen moestuin, in het stoffeeratelier en bij elke activiteit die ze met hem doorbracht, haar lief, een man waar ze lang van had gedroomd, maar dan had afgeschreven als onbestaande. Maar toch, hij bestond, de man die paste. Haar marraine had altijd gezegd "jouw vent moeten ze nog bakken", maar hij was al gebakken.  In de verte hoort ze een ambulance. De politie had haar niet naar huis laten rijden, maar ze hoefde ook niet naar het ziekenhuis omdat ze haar wel helder vonden. Ze hadden het stuur overgenomen en haar bij een vriend afgezet. Daar vroeg ze zich af wat ze daar zat te doen. Ze wilde naar haar kinderen, werd bijna gek, maar hij hield haar tegen. Het was goed dat ze daar was. Hij was de meest stabiele en rustige persoon die ze hier in de buurt kende. Maar ze wou op dat moment eigenlijk bij haar lief zijn en slapen om het verdriet te verwerken. In de plaats daarvan kroop ze opnieuw in het bed bij haar ouders, met matrassen van 50 jaar oud die zo hard doorzakten dat ze dacht dat ze op een ochtend eens niet meer te zien ging zijn. Ze viel rap in slaap, droomde over een bewijsdocument van een moordzaak die in het museum werd verstopt en werd wakker om vier uur. Opnieuw die hoofdpijn en buikpijn en het gemis. Ze had gedoucht, iets gegeten en was in de zon gaan liggen in de hoop te verdwijnen. Ze kijkt nog eens naar de madeliefjes in het gras en twijfelt wat ze moet doen. Toch iets gaan drinken met een vriendin ook al heeft ze geen zin om te praten? Naar tv kijken en hopen dat haar gedachten niet verhinderen om de beelden en tekst van de tv te laten doordringen? Een ticket boeken naar de bergen en een paar weken echt verdwijnen en niets meer laten horen? Wat wil ze? Haar telefoon gaat. Hij is het...dat wil ze...ze wil hem. Ze wil naar huis. En als ze thuis is en de tijd rijp zullen haar kinderen ook wel komen. Maar nu is het tijd voor haar. Ze heeft genoeg gedaan, genoeg gevochten, ze mag rusten. Morgen is het moedertjesdag. Ze bedenkt hoe het had kunnen zijn. Vervloekt haar pijn die haar mond heeft opengebroken en haar zoontje heeft gekwetst. Ze had met hem moeten doorrijden. Hij is net als zij, maximaal tien minuten boos. Ze hadden naar muziek kunnen luisteren in de auto. En dan bij aankomst, het laatste straatje bergop en dan een WAAAW uit zijn mond en bubbels in haar buik bij het zien van het wijdse strand en de eindeloze zee bij avondzon. Ze keek gisteren nog zo hard uit naar moedertjesdag ook al was het maar met haar halve kroost. Een half jaar geleden voelde ze zich moeder van vier, gisteren was ze nog moeder van één, vandaag voelt ze zich geen moeder meer. Misschien moet ze toch doen wat een bevriende maatschappelijk assistent had aangeraden? Naar spoed gaan. Maar niet om te vragen om te bemiddelen met haar ex en de kinderen, maar om haar plat te spuiten naar dromenland. In dromenland is het vast wel moederdag, zit ze aan tafel met zes en blinken gelukstranen door de nacht. 

Fien SB
27 1

LTT9779b

Hoe ouder je wordt, hoe meer je beseft dat er niet ėėn wereld is waarin we leven. Dat is soms lastig want ik wil graag iets over mijn wereld kunnen vertellen, ook als die ander op een vreemde planeet met andere natuurwetten leeft. Je blijft maar zoeken want ja, er zijn mensen, maar na nader onderzoek kom je steeds tot diezelfde conclusie: we zijn hier allemaal samen, alleen. Tot je die ene persoon tegenkomt en zo goed als alles op haar planeet op dezelfde manier lijkt te werken: auto's rijden er langs dezelfde kant van de weg - in het begin was ik al blij als ik iemand tegenkwam waar er ook auto's bestonden en niet alles met vogelbekdier en kar moest gebeuren of door de lucht als je ergens naartoe wil gaan, want dat doe ik niet graag - en bij haar bestaan ook wekkerradio's en gedichten en geroosterd brood, zo lekker vind ik dat daar en hier. Alleen moet je bij haar de toaster op stand 3 zetten en hier op stand 2. Haar planeet lijkt zo op de mijne vandaag, kleine dingetjes zijn anders, maar ik denk wel dat ik daar ook zou kunnen leven. En we moeten genoeg naar mijn planeet terug kunnen, zo kan ik haar laten zien dat het hier ook mooi is, en soms lelijk al focus ik daar liever niet te veel op. Het belangrijkste is dat zij weet wat mooi is en dat dat ook lelijke dingen kunnen zijn. Ik ben zo benieuwd wat er op haar planeet nog te ontdekken valt. Straks spreken we weer af en het maakt me nu niet zoveel uit op welke planeet dat dan zal zijn, als ik ze maar kan zien om de mijne te delen.

Mr Jones
4 0

WAT? KOMT?

"De wereld is een dorp," zegt men wel eens. WAT?Als wereldIn dat dorp KOMT en er blijft.   *********************************************************************** +altaar+der+culturen/ FOTO GALLERY verf ed   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
0 0

Het verhaal van grote beer die plots niet meer kon lachen

De nieuwe dieren van het bos vertellen het verhaal nog altijd. Het is heel wat jaren geleden gebeurd. De dieren van toen hadden nog nooit zoiets meegemaakt. Het begon allemaal op een mooie zondag in oktober. Ze hadden eerst gepicknickt en daarna gevoetbald op de grote weide in het midden van het bos. Het was niet dat grote beer de wedstrijd had verloren. Nee, hij had als doelman zelfs enkele prachtige reddingen gemaakt. Na de wedstrijd werd hij door alle dieren op handen gedragen. Ook op die van de tegenstander. Maar de volgende dag gebeurde er iets raar. Beer kon plots niet meer lachen. Muis zag snel dat er iets scheelde met haar grote vriend. Ze was, zoals elke maandag, naar het huis van beer getrippeld, om samen op verkenning te gaan in het bos. Op zoek naar heel wat lekkers. Oktober was ideaal om paddenstoelen te plukken. Daar waren ze allebei zot op. "Ben je klaar grote beer? Ik kan de paddenstoelen al bijna ruiken", zei muis, waarna ze haar neusje in de lucht stak. Maar het enige wat beer zei was 'Hmmm'. "Wat hmmm?", zei muis. "Is dat het enige dat je kan zeggen?" "Hm hm", zei beer opnieuw. Muis besteedde er niet te veel aandacht aan. Ze dacht dat het wel zou beteren als ze de eerste paddenstoelen hadden ontdekt. Maar het beterde niet. Beer had wel twintig keer 'hm' gezegd, maar geen enkele keer gelachen. En beer lachte graag, dat wisten alle dieren. Omdat dieren niet goed kunnen zwijgen, wisten binnen de kortste keren alle dieren dat er iets scheelde met grote beer. Op dinsdag kwam meneer de hert langs. Hij wist hoe hij beer aan het lachen kon krijgen. "Zeg beer, weet je nog? Dat ik bij boer Vanspringel met mijn gewei in het hek vastzat? Ik kon nog maar net op tijd ontsnappen. Hij liep naar buiten met zijn geweer, maar struikelde over de mat en schoot de lamp stuk. Hahahahahaha." "Hm", zei grote beer, terwijl meneer de hert op de grond lag van het lachen. Op woensdag bracht konijn een bezoekje. "Beer kan niet meer lachen? Wacht maar", had hij vooraf gezegd. Grote beer had nog maar net een kopje thee uitgeschonken en konijn begon hem te kietelen. Niet alleen met zijn pootjes, maar ook met zijn grote oren. Beer keek konijn aan alsof hij niet snapte wat er gebeurde. Vroeger zou hij al na twee seconden plat hebben gelegen van het lachen.  Op donderdag stond het wilde zwijn aan het huis van beer. Hij had al een paar keer met zijn poten op de deur geklopt, maar er kwam geen reactie. Ook niet toen hij een paar keer luid had geknord. De volgende dag, op vrijdag dus, stond het wilde zwijn er opnieuw. Nu deed grote beer wel open, maar hij nodigde zwijn niet uit om binnen te komen. "Zeg beer", begon zwijn op de drempel van het huis. "Ik ken nog een leuke mop. Het is groen en het komt van een berg af. Wat zou dat ...". Zonder af te wachten wat zwijn nog ging zeggen, gooide beer de deur dicht. Zwijn zat er bijna met zijn neus tussen. De dieren wisten niet wat ze moesten doen om beer aan het lachen te krijgen. Het enige wat misschien zou helpen, was naar de dokter gaan. Maar bij dokter de vos konden ze pas op maandag terecht. In het weekend ontving hij geen patiënten. De dieren probeerden hem op zaterdag en zondag nog mee naar het grote veld te nemen, om een balletje te trappen, maar beer deed de deur niet open.  De dieren hadden beslist dat muis op maandag mee zou gaan naar de dokter. Als ze hem meekreeg natuurlijk. Dat lukte wonderwel. Beer slofte als een mak lammetje achter muis aan. Muis meende nog te vragen of hij zijn poten kon opheffen, maar dat deed hij toch maar niet.  Na een half uurtje kwam beer terug naar buiten. Muis lag onder een boom te wachten. Er was geen beterschap te zien aan beer. Hij slofte hij zo mogelijk nog erger dan op de heenweg.  De dieren wisten niet wat aanvangen. Het mocht zeker niet te lang blijven duren. Dat wisten ze wel.  Er ging een week voorbij, maar muis ging toch opnieuw met beer naar de dokter. Door het sloffen zorgde hij voor een enorme stofwolk op het bospad. Net zoals wanneer boer Vanspringel er met zijn tractor reed.  Terwijl beer bij dokter de vos naar binnen was, verzamelden ineens alle dieren van het bos, plus de dieren van het andere bos, bij de boom waar muis zat.  Voor de vogels in de bomen was het een prachtig beeld, al die dieren samen.  Maar er gebeurde nog iets wonderlijk. Dokter de vos nam beer plots mee naar het raam van zijn dokterspraktijk. Vanwaar ze stonden, konden de dieren het goed zien. Dokter de vos stond op een stoel en had zijn ene poot op de schouders van beer liggen. Met zijn andere poot wees hij naar buiten, waar alle dieren stonden. "En nu allemaal zwaaien en juichen", riep muis plots. Het gaf een enorme herrie en van al die zwaaiende dieren ontstond er een grote wind. De vogels vlogen in de lucht en ook zij begonnen te kwetteren. En daarna, alle dieren zagen het, verscheen er een glimlach op het gezicht van grote beer. Alle dieren begonnen luid te klappen.  Op de terugweg wandelde beer in het midden van de grote groep dieren, alsof ze hem extra wilden beschermen. Hij slofte niet meer. Ze gingen rechtstreeks naar de weide voor een wedstrijdje tegen de dieren van het andere bos. De dag erna ging muis terug naar dokter de vos. Niet omdat ze ziek was, maar ze was nieuwsgierig.  “Wat was er nu met beer aan de hand dokter?” "Het ligt aan oktober", zei dokter de vos. "Hoezo oktober? Daar kan je toch niet ziek van worden", zei muis.  "Toch wel", antwoordde dokter de vos. "Het is herfst. De bladeren beginnen van de bomen te vallen. Beer had verdriet omdat er weer een jaar voorbij is. Dieren kunnen om heel wat zaken verdriet hebben. Omdat ze een wedstrijd hebben verloren of omdat ze aan hun overleden oma denken."  Dat klopt, dacht muis, dat heb ik ook ooit. "Bij beer ligt het aan oktober. Daarom vroeg ik je om met alle dieren naar hier te komen. Je kan verdriet niet wegen, maar het is altijd te zwaar om alleen te dragen", zo eindigde de dokter. Daar moest muis even over nadenken. Maar hij vertelde het snel aan alle dieren. Want zoals je weet kunnen dieren niet goed zwijgen.  Daarom vertellen de nieuwe dieren van het bos dit verhaal nog altijd. (einde)        

Rudi Lavreysen
19 0

Gallerie degli Uffizi

"Wat zal ik eens doen in het museum?” zei Shania. “Ja, wat kan je zoal doen in een museum?” antwoordde ik. “Is hier ook een cafeetje?” “Shania, je kan ook naar kunst kijken.” “Dat is iets voor jou, Petra. Ik denk dat ik het hier nogal snel beu ga zijn. Jij kende al die namen van die standbeelden buiten in die galerij. Ik kende er gewoon geen enkele van en ze zeggen me ook niets. Dat gaat hier binnen in het museum net hetzelfde zijn. Hoe lang wil je hier binnen blijven?” “Toch wel een paar uur, vermoed ik. Er zijn een paar werken die ik zeker wil gezien hebben. Ik wil de kleuren zien die ik enkel via afbeeldingen in boeken of op een scherm ken.” “Ik ga meegaan, hoor, maar als ik het niet meer aankan, ga ik je laten doen. Is dat goed voor jou, liefje?” “Natuurlijk.” “Dat wil niet zeggen dat ik jou niet graag zie, maar ijsjes likken op een terras of winkeltjes in en uit lopen is meer iets voor mij.” Shania legde haar hoofd op mijn schouder en zuchtte diep. Ze haakte tegelijk in onder mijn arm en zo schuifelden we verder in de rij. “Hoe komt het eigenlijk dat je zo geïnteresseerd bent in kunst? Dat wist ik niet van jou.” “Hij was eigenlijk de kunstliefhebber.” “En jij wilt kijken of het jou ook iets doet.” “Ik voel me precies dichter bij Hem als ik naar kunst kijk. Hij sprak wel eens over een tentoonstelling of een museum, niet eens zo veel, maar het is pas nadat ik al die kunst in Zijn appartement vond dat ik besefte hoeveel het voor Hem betekende.” “Je wilt die kant van Hem leren kennen.” “Zoiets. Maar ik vind het zelf ook de moeite, hoor. Ik herinner me dat Hij me ooit voorstelde om samen naar hier te komen, maar dat is er niet van gekomen.” “En nu wil je toch, ook al is het zonder Hem.” “Ja, maar de kunst doet mij ook iets. Ik merk dat ik, los van Hem, zelf geraakt word. Weet je dat Hij ooit gezegd heeft dat je elk werk minstens een kwartier van je tijd zou moeten gunnen, pas dan zou je weten wat het werk werkelijk waard is voor jou.” “Ik ben blij dat ik met jou mee mag, echt waar, maar elk werk een kwartier?! Dan zijn we hier nog niet buiten, vrees ik.” Ik haalde de geprinte tickets uit mijn handtas. Nog één koppel en drie man voor ons en dan konden we naar binnen, waar zich opnieuw een rij vormde. “Moeten we daar ook nog aanschuiven, of wat?” “Dat is de metaaldetector, Shania. De kunstwerken hier zijn zo uniek en belangrijk dat je niks scherps mee naar binnen mag pakken.” “En ook geen flesjes water, precies, dan drink ik dat van mij nog snel op.” Tien minuten later stonden we binnen en werden we door een paar kleinere en kille ruimtes naar een trap geleid. De rondleiding begon op de tweede verdieping en voerde naar de overkant van de straat, daar zouden we een verdieping zakken en terug naar deze kant komen. Er stonden wegwijzers voor een ‘korte’ tour die enkel langs de belangrijkste werken ging van Boticelli, Leonardo da Vinci, Michelangelo, Raphael en Caravaggio en een langere route. We namen de ‘langere’ route. In de eerste kamer was er een houten kruis te zien uit de late twaalfde eeuw. “Voilà, je kan eraan beginnen. Doe maar, ik volg je wel zo lang als ik kan.” Het was onaangenaam druk en mijn voornemen om bij een aantal werken minstens een kwartier stil te staan, bleek niet mogelijk. Zeker niet bij de topstukken, daar stonden dikke drommen toeristen verveeld te luisteren naar wat een gids in hun oortjes vertelde. Ze probeerden een foto te trekken van het schilderij dat door een glas beschermd werd en daardoor een onnatuurlijk glans kreeg, of een selfie die ze dan onmiddellijk op hun socials postten. Voor de annunciatie van Leonardo da Vinci was er vreemd genoeg weinig belangstelling. Daar kon ik toch enige tijd vertoeven, maar dat was zowat het enige topstuk waar dat lukte.  Ik nam me voor om in de boekenwinkel beneden een mooi en groot kunstboek uit te kiezen waarin de belangrijkste werken werden afgebeeld. Er hing hier prachtige kunst, maar door al dat volk en door de ongelooflijke veelheid aan werken, geraakte ik overprikkeld. Een museum was precies niet de ideale omgeving om van kunst te genieten. Shania liep verloren achter me aan, nam een paar selfies en moest twee keer naar het toilet. Ze leek nog het meest geïnteresseerd in de Romeinse beelden overal in de gangen en nam er foto’s van. Pas jaren later liet ze me terloops die foto’s zien, die ze per ongeluk, zo zei ze, nooit gewist had. Ze waren prachtig. Ik liet ze op A4-formaat in zwart-wit afdrukken en hing ze in de woonkamer op. Maar ik loop vooruit op de feiten.  “Niemand kijkt naar die Romeinse beelden,” zei ze, “Ik geef ze tenminste ook wat aandacht. En die blote piemels zijn geinig.” Nadat we een koffie gedronken hadden in de cafétaria, met uitzicht op de koepel van de kathedraal en de toren van het Palazzo Vecchio, Shania nam een stuk chocoladetaart erbij, spraken we af in het hotel. Shania had genoeg gehad. Ik ook, maar ik gaf dat niet toe. “Jij bent dan wel sexy in een museum, maar ik heb meer winkeltjes nodig.” Ze beende met grote stappen weg en wiegde met haar heupen. Heel wat mannen keken haar na en ik ook. Even wilde ik dat ik op vrouwen viel en dat ik verliefd kon worden op haar. Ik slenterde terug naar een paar zalen die we al gezien hadden. Ik had tijd, bedacht ik me. Ik moest me voor niks haasten. Het was minder druk, in ieder geval minder groepen die overal de weg versperden.  

Hans Van Ham
0 0