ze zeggen dat ik het meest op mijn pa gelijk.
alleen lach ik mijn tanden nog bloot.
op mijn kleine onbevangen rug draag ik
de jeugd nog met me mee. dat zegt genoeg.
hij niet. in hem kolkt steeds de angst voor het gevaar
dat hem naar boven drijft, naar adem laat happen.
onophoudelijk behoedt hij ons voor elke schaduw,
al is het slechts de vlieger van een spelend kind
op het strand.
ik doe mijn best hem te begrijpen,
maar meestal staar ik hem niet- begrijpend aan.
woorden hebben wij immers niet van doen in het onderzeese:
wij blazen bellen de wereld in en tasten naar elkaars staartvin
om troost te vinden voor al te blauwe dagen.