Katrien Frederix

Gebruikersnaam Katrien Frederix

Teksten

Ramses

Misschien was u er ook die avond. En hebben onze blikken elkaar nog gekruist of hebben we zelfs met elkaar staan praten daar in die broeierige zaal. Of niet. In ieder geval, als u er was, is het u misschien ook opgevallen. Hoe variaties van parfum, zweet, vet en alcohol zich op een subtiele manier met elkaar vermengden. Heel subtiel zelfs, want naargelang de plek waar je stond, geurde het toch steeds anders. Nu eens overheerste het ene geurtje, dan weer het andere, zodat regelmatig van plaats verwisselen geen overbodige luxe was.   Al kon je neus even op adem komen na een verhuizing, voor je oren bleef het een kwelling, waar je ook stond. Overal klonk ijl gekwetter, dat de slecht gekozen achtergrondmuziek helemaal overstemde en slechts even onderbroken werd door het gerinkel van een gebroken glas of het losbarsten van een gefakete lach. En dan zwijg ik nog over wat er te zien was:  kasten vol apenpakjes en cocktaildresses -  was u ook zo chic uitgedost? -  die onwennig rond bouwvallige tafeltjes wiebelden. Bouwvallig ja, want niemand waagde het er ook maar één seconde op te leunen uit angst voor mogelijk instortingsgevaar. Meer aan de zijkant van de zaal zochten kamerplanten en  muurbloempjes elkaar op.   Zoom in. Tafeltje links in het midden. Cocktaildress rechts. Daarin stak ik. Niet dat ik er graag in stak. Ik liep haast verloren in die rotjurk. Ik stak erin omdat ik erin moest steken, want ik was er omdat ik er moest zijn, op die receptie. Al voelde het niet aan alsof ik er was. Ik was er eerder niet dan wel, op mentaal vlak dan. Ik deed nochtans erg mijn best, pikte vlijtig hier en daar flarden van gesprekken op en nam zelfs deel aan enkele, maar veel stelde het niet voor. Omdat ik van nature niet zo’n verteller ben, mondde zo’n gesprek steevast uit in een monoloog van de andere kant, waarbij ik in mijn rol als luisteraar gedwongen werd het gepoch over blitzcarrières, ideale gezinnetjes en superintelligente kinderen te aanhoren. Ik liet ze maar vertellen, maar luisterde na een tijdje allang niet meer. Kaatste enkel op vaste tijdstippen nog een knikje terug - al was het maar om duidelijk te maken dat ik nog niet versteend was - en gelukkig was er ook nog de wijn, waarmee ik al het beluisterde rustig kon doorspoelen en waaruit ik ook telkens de kracht putte om nieuwe gesprekspartners op te zoeken.   Uitgerekend midden in weer zo’n gesprek kwam hij binnen. Ik stond net naar de deuropening te staren, druk nadenkend over een mogelijke ontsnapping, en daar was hij. Hij hoefde geen moeite te doen om er te zijn. Hij was er meteen, kwam ook niet binnengeslenterd zoals de meeste gasten. Hij kwam binnengewaaid. Letterlijk. Als een koele bries op een te hete julidag. Zijn halflange, ravenzwarte haren wapperend in de wind die hijzelf met zijn snelle, trefzekere tred maakte. Zijn slungelige armen bengelden in hetzelfde ritme mee zodat zijn zwarte, ietwat te grote kostuumjas bij elke stap open- en dichtschoof als een op hol geslagen theatergordijn. In tegenstelling tot zijn donker pak en dito haar was zijn huid erg bleek, op sommige plaatsen zelfs doorschijnend, in zijn hals bijvoorbeeld, waar je achter zijn melkwitte huid de loop van zijn paarsblauwe slagader kon volgen. Net niet doorschijnend waren zijn ijsblauwe ogen, die als verrekijkers door de zaal tuurden, maar niets leken te zien.   Dat hoefde ook niet. Hij werd gezien, zoog in een mum van tijd alle aandacht naar zich toe. Vooral die van de cocktaildresses. Zij verstijfden, hielden hun adem in zodat het ijle gekwetter plots helemaal stilviel. Ik wist toen nog niet wie hij was, maar dat zou niet lang duren, want na die korte stilte werd zijn naam van cocktaildress tot cocktaildress gesist: “Ramses, Ramses, Ramses ...” . Op den duur leken ze zijn naam wel te scanderen. Zo luid klonk het gesis. Apenpakjes wendden zich af, staken vingers in hun oren, liepen naar de bar terwijl wij onze kans waagden in Ramses’ gratie te komen. Als mieren om een suikerklontje troepten we rond hem samen. Maar Ramses was geen suikerklontje. Ramses was een rots. Rotsige Ramses, tegen wie wij met onze cocktailschepen te pletter voeren om even later zinkend af te druipen.   Ook ik droop af. Het had totaal geen zin daar te blijven staan. Hij hief zijn hoofd niet eens op. Zijn glazige ogen hield hij stevig op de grond gericht - spiegelde de narcissus zich in de glanzende vloer? -  terwijl wij daar hunkerend naar een spatje aandacht stonden. Geen spatje kon eraf. Wèl spatjes in de ogen, spatjes over de wangen bij de cocktaildresses, die één voor één naar buiten kropen, een aantal van hen zelfs plat op hun buik, omdat ze voorovergevallen waren op de gladde vloer. De apenpakjes, die alles van op een afstand aanschouwd hadden, schaterden zich te pletter bij het zien van zoveel huilend, kruipend en schuivend vrouwvolk, maar kregen even later berouw en liepen zich ten slotte de benen van het lijf om hun eega uit haar tranenmeer op te vissen en te troosten.   Ik kroop alleen naar mijn auto en reed naar huis. Bij gebrek aan een fysieke trooster, zette ik de radio aan. Shaffy zong me hoopvol zijn “We zullen doorgaan” toe. Eerst neuriede ik wat slapjes mee, maar al bij het volgende stoplicht draaide ik de volumeknop wat hoger en begon luidkeels mee te brullen. Ja, Ramses, doorgaan zullen we – of liever – ik zal doorgaan, met of zonder kleerscheuren – mijn jurk zag er door het kruipen over de parking nogal gehavend uit.  En jij, Ramses? Stik jij maar lekker verder in je ego. I will survive, al is dat weer een ander liedje.                                       

Katrien Frederix
29 0