De horde was verdwenen
jouw lichaam een gat in de dag
op een onbeslapen bed
ik liep niet om het rauwe vlees heen
Ik raapte je ledematen bij elkaar
joeg de kraai de kamer uit
terwijl ik je op schoot nam
een oud kind met wartaal in de mond
De lakens en stootkussens waren zoek
met de zoom van mijn hemd stelpte ik
jouw woorden die uit hun oevers traden
naakt en glanzend rood
De afgrond glimlachte scherpe randen
trok ons dichterbij als zusterbloed
toegewijd peuterde ik de kogel
uit elke rafelige lettergreep
