Inleiding
Op 11 oktober 1926 vertrok de Pennland II van rederij de Red Star Line aan de Rijnkaai in Antwerpen. De reis ging via Southampton naar Halifax in Canada. De om en bij twee duizend passagiers waren emigranten uit België, Duitsland, Oostenrijk, maar vooral uit Oost-Europa, Rusland, Polen en Hongarije.
Onder de kleine honderd Vlamingen bevonden zich mijn grootouders die afkomstig waren van Kortrijk. In Canada vestigden ze zich in de township Sandwich nabij Windsor, een stad in het zuidwesten van de provincieOntario. In augustus 1931 kwamen ze voorgoed terug met mijn moeder, die toen negen maand oud was.
Dit boek is geïnspireerd op wat mijn familie vertelde en op de getuigenissen van emigranten die ik vond in de talrijke bronnen die ik raadpleegde. Het verhaal is fictief. Mocht iemand zich herkennen in een van de personages, dan berust dit op toeval.
Bertha laat de knopendoos in haar jaszak glijden. Ze kent de deukjes in het deksel. Blindelings vinden haar vingers de gezichten van het verkleurde koningspaar. Haar duim streelt langs de versleten gouden krullen. De kromme pootjes onderaan haken in de voering van haar jas.
Plots voelt Bertha een kneepje in haar arm en ze ontwaakt uit haar dagdroom. Ze staat werkelijk aan de reling van een gigantisch schip. Naast haar neuriet Flor een vrolijk deuntje. Enthousiast als een kind wijst hij naar de matrozen die de loopbrug ophalen. Ze kijkt op naar zijn knap gezicht, zijn sterke hoekige kin, zijn metaalblauwe ogen. Haar man. Tien dagen geleden zijn ze getrouwd. Flor strijkt langs de rand van zijn nieuwe hoed en geeft haar een knipoog. Hij stuurt zijn fraaiste glimlach naar de wal en brengt een groet uit die veel weg heeft van een militair saluut.
‘Bertje,’ lacht hij, ‘eindelijk.’
‘Ja,’ zucht Bertha.
‘Schat, je moet blij zijn vandaag. We zetten de eerste stap in ons groot avontuur. Er wacht ons een fantastische toekomst aan de overkant van de oceaan.’
‘Als jij het zegt.’
‘Ik ben er zeker van. Je weet toch wat nonkel Gust geschreven heeft. Hij woont daar nu vijf jaar en hij rijdt al met een automobiel.’
Bertha knikt dapper, maar heimelijk twijfelt ze aan de eerlijkheid van nonkel Gust. Misschien is hij een praatjesmaker, net als Flor’s stiefmoeder? Bertha wil Flor graag geloven en ze forceert een glimlach. Ze legt een arm om zijn middel, maar tegelijk omklemt ze met haar rechterhand de blikken knopendoos in haar zak. Mama’s afscheidsgeschenk.
Moeder Stiene staat op de kade. Een nietig vrouwtje in de deinende mensenzee. Tussen de achterblijvers die glimlachen of huilen, knijpt zij haar mond stijf dicht in een rechte streep. Wellicht kan ze niet beslissen wat het beste is, denkt Bertha. Nooit eerder vertrok een van haar kinderen. Vader Kamiel is er niet. Hij kon geen dag verletten in de fabriek. Een typische uitleg, vindt Bertha. Wat hij niet goedkeurt, negeert hij. Zo is hij altijd geweest. Van haar broers en zussen nam ze gisteren afscheid. Er vloeiden tranen en er werden beloftes gedaan. Ze zouden schrijven. Lange brieven over alle lief en leed.
De zakdoeken op de Antwerpse Rijnkaai wapperen. Ze klapwieken als witte duiven die nooit leerden vliegen. ‘Ga dan, ‘lijken ze te zeggen, ‘vertrek nu maar. De lucht is vrij en de zee is kalm.’
Familie en vrienden roepen voor de laatste keer de namen van hun geliefden en wuiven, wuiven. Bertha ziet dat de zakdoek van mama Stiene stil hangt in de lucht. Als een vlagje dat halfstok hangt, halfweg tussen vreugde en droefheid.
Een doordringende stoomfluitkondigt de afvaart aan. Tot driemaal toe, hees en angstaanjagend luid. Bertha houdt haar handen voor haar oren. Er komt beweging in het schip. Zijn kolossale romp trilt en een gegrom stijgt op uit zijn ingewanden. De Pennland schudt zich vrij met een lichte deining. De passagiers houden even hun adem in. Het schip komt los van de kade. Er klinkt een uitgelaten gejoel. Ze vertrekken. Naar Canada.
Het is 11 oktober 1926.
***
Bertha ziet Antwerpen vervagen. De kade wordt een grijze vlek met één witte stip, daar waar ze de zakdoek van mama vermoedt. Ze blijft ernaar staren, durft haar ogen niet te sluiten omdat ze bang is het beeld voorgoed te verliezen.
De Pennland wordt de haven uit geloodst door twee sleepboten. Langzaam vorderen ze in de richting van de zee. Het water is niet blauw, zoals Bertha altijd dacht, maar eerder bruin. Als een vieze soep waar schuim op drijft. Ze huivert en denkt aan de drenkelingen van de Titanic, het luxeschip dat zonk omdat het tegen een ijsberg aanbotste. Bertha was een jaar of tien toen dit gebeurde. Ze herinnert zich nog de artikels in de krant. Het moet verschrikkelijk geweest zijn, al die dode mensen in het water. Flor verzekerde haar dat dit nooit kan gebeuren met hun schip, omdat het gebouwd is volgens de modernste technieken.
De enorme schoorstenen van het schip stoten zwarte rook uit. Roetdeeltjes dwarrelen neer over de reizigers. Bertha duikt in elkaar wanneer een vlucht meeuwen over het dek scheert. Een zwerm late trekvogels vat de reis aan naar het zuiden. Op dat vlak zijn beesten slimmer dan mensen, denkt ze. Ze wisselen van land naargelang de seizoenen, maar altijd met het vooruitzicht te zullen terugkeren. Een voorrecht en een lot tegelijk. Ze vraagt zich af of zij Antwerpen ooit zal terugzien.
De geluiden van de stad zijn verstomd. Bertha hoort enkel het klotsen van de golven en de meeuwen die krijsend rondcirkelen. Ook mama Stiene’s stem is dun geworden. Haar laatste woorden blijven als een zwakke echo in Bertha’s hoofd hangen: ‘God zegene en beware u.’
Ze buigt zich over de reling om een laatste glimp op te vangen van de stad. Antwerpen schuift traag weg achter de eerste bocht in de stroom. De Schelde, leerde ze op school, is de deur van Vlaanderen naar de wereld. Wat er aan de overkant van de oceaan ligt, weet Bertha niet.
Ze was dertien jaar, toen vader Kamiel op een middag voor de schoolpoort stond.
‘Kom mee, Bertha.’
‘Waar gaan we naartoe?’
‘Naar de fabriek.’
‘Wat? Waarom?’
‘Het wordt tijd dat je geld verdient. Je bent de oudste.’
‘Maar papa, deze namiddag vertelt Soeur Remi over de Noordzee en…’
‘Genoeg, Bertha.'
Hij keek haar nors aan, met de blik die geen tegenspraak duldt. Op haar klompen klepperde ze gedwee verder en had moeite om hem bij te houden. Dit gebeurde enkele maanden voor de leerplicht tot veertien jaar werd ingevoerd. Bertha keerde niet meer terug naar de klas en leerde de weefgetouwen bedienen. Ze dacht niet meer aan stromen en zeeën.
Een brutale fluitstoot is het signaal dat de Pennland het havengebied verlaat. Bertha’s vingers hebben zich krampachtig om de metalen reling geklemd. Met enige moeite wringt ze zich los. Ze draait zich om en zoekt Flor. Hij staat midden op het dek, druk gesticulerend in gesprek met een officier. Hij wenkt haar. Bertha doet een stap voorwaarts, maar staakt onmiddellijk het voornemen naar hem toe te gaan. Ontzet stelt ze vast dat de plankenvloer beweegt. Niet hevig, maar toch voldoende om haar duizelig te maken. Lieve God, denkt ze, hoe zal het zijn als we in volle zee varen? Angstig keert ze terug naar haar plekje bij de reling.
Het schip vaart nu midden op de stroom. Bertha ziet hoe de Schelde steeds breder wordt. Daarmee vergroot ook de deining. Bertha plant haar voeten stevig neer. Zo’n dertig centimeter uit elkaar, zodat ze in evenwicht blijft. Verder schijnt niemand zich de beweging van het schip aan te trekken. Er komt een rust over de passagiers. De meesten zoeken hun kajuit op, sommigen gaan op de grond zitten en nemen wat eten uit hun knapzak. Anderen, de bangeriken vermoedt Bertha, blijven net als zij bij de reling staan.
Bertha haalt de knopendoos uit haar jaszak. Ze opent het deksel en schudt de knopen zachtjes dooreen. Ze glijden tinkelend over elkaar. Dat ben ik, denkt Bertha, het parelmoeren knoopje. Wit en glad gepolijst. Vandaag vertrek ik naar Canada. En dat is mama, de donkerblauwe knoop bekleed met zacht fluweel die in een hoekje gedrumd wordt. Straks neemt ze de trein terug naar huis. Zie ik je ooit terug, mama? Bertha wil niet toegeven aan de tranen die haar zicht vertroebelen en ze duwt haar neus in een zakdoek.
***
Bertha gaat zitten op het dek en drapeert haar jas over haar benen want het wordt frisser. Onder de jas draagt ze haar trouwjurk. Ze voelt zich onwennig in het zwarte satijn.
‘Kan ik niet beter een gewone rok en bloeze aantrekken?’ vroeg ze aan mama toen ze samen haar spullen inpakten.
‘Neen kind, je vertrekt naar de Nieuwe Wereld en dat doe je best in je mooiste kleren. Het is belangrijk een goede indruk te maken op de mensen ginder.’ Gisteren vond ze dat mama gelijk had, nu is ze daar niet meer zo zeker van.
De wind rukt aan Bertha’s krullen. Ze waaieren uit in een donkerbruin aureool. Veilig op de grond tegen de reling aangedrukt, durft ze nu wat rond te kijken. Hier en daar staan of zitten groepjes passagiers. Overal liggen tassen, valiezen en uitpuilende zakken. Ze ziet bonte hoofddoeken, met pluimen versierde hoeden en over de planken slepende rokken. Petten met lederen kleppen en astrakan mutsen, jassen van geitenvellen en klederdrachten die ze niet kan thuisbrengen.
Die ochtend zag ze in het station van Antwerpen in het zwart geklede mannen met lange pijpenkrullen. Joden, zei iemand en hij haalde daarbij smalend zijn neus op. Ze begreep het niet.
Naast hun perron had de trein uit Keulen een allegaartje van Oost-Europeanen aangevoerd. Polen, Russen en Hongaren met afgetrapte schoenen en smerige laarzen. Hun kleren waren met lappen versteld. In geknoopte lakens sjouwden ze hun bezittingen mee op hun rug. Bertha las de vermoeidheid en ontbering in hun donkere ogen. De kinderen klampten zich angstig vast aan hun moeders. Ze hoorde dat velen al weken onderweg waren.
De hele stoet van emigranten had zich in beweging gezet onder de stalen koepel van het station. Het helse rumoer werd nu en dan overstemd door een holle stem uit een luidspreker. Onderaan de marmeren trappen werden ze in de grote hal aangeklampt door geldwisselaars.
‘Niet op ingaan,’ zei Flor en hij spoorde haar en mama aan snel naar de uitgang te gaan. ‘Nonkel Gust heeft zich hier laten rollen toen hij naar Canada vertrok.’
De tocht ging verder door het centrum van Antwerpen in de richting van de kaaien. Onderweg sloten honderden landverhuizers zich bij de groep aan. De meesten hadden de nacht doorgebracht in een van de talrijke migrantenhotels. Aan de Rijnkaai zagen ze hun schip liggen. Als een reusachtig monster werd het gevoed met een constante stroom van goederen en levenswaren. Ze waren er stil van geworden.
Uit Bertha’s jas stijgt een zwakke geur op. Dit is trouwens het aroma dat om alle emigranten en hun bagage hangt. Het is afkomstig van het goedje waarmee hun kleren gedesinfecteerd werden.
In het gebouw van de Red Star Line aan de Rijnkaai, hadden ze in lange rijen hun beurt afgewacht. In de ontsmettingsruimte moesten ze hun bagage achterlaten. Enorme stoomketels stonden langs de muur opgesteld. Mannen en vrouwen werden vervolgens in aparte lijnen verder geleid. De moeders hielden de kleinste kinderen bij zich. De wasbeurt en controle was enkel voor de passagiers van de derde klasse, waartoe ook Flor en Bertha behoorden. Ze kwamen in een lange gang ondersteund door cementen palen, met aan de rechterkant een twintigtal granieten douchecabines. Toen zij aan de beurt was, kleedde Bertha zich uit en stak haar kleren in een zak met een nummer op. 1253. Haar paspoort legde ze op een apart plankje. Juwelen droeg ze niet en haar trouwring hield ze toch liever om.
Bertha zag hoe het personeel van de rederij de zakken met kleren ophaalde. Ze liet zich vertellen dat ze besproeid werden met ontsmettingsmiddelen, benzeen en azijn. Daarna werd alles in grote drukketels onder stoom gesteriliseerd. Glimlachend dacht Bertha aan de princessenbonen en augurkjes die moeder Stiene oplegde. Net als de andere emigranten zeepte Bertha zich grondig in met het stuk zeep dat ze kregen. Nog nooit eerder had ze een douche genomen. Voorzichtig stak ze haar rechterbeen vooruit en voelde het hete water. Ze hoorde meisjes giechelend plenzen en dat gaf haar moed. Ze liet de straal kletsend op haar schouderbladen neerkomen. De douche duurde wel een uur. Net zo langs als nodig was om de kleren te desinfecteren.
Bertha haalde opgelucht adem toen ze zag dat haar jurk geen noemenswaardige schade had opgelopen. Schoon en van alle mogelijk bacillen verlost, schoof ze aan bij de dokter op de eerste verdieping. Een verpleegster verplichtte de vrouwen zich tot hun middel uit te kleden. Bertha voelde zich daar ongemakkelijk bij. Sommige vrouwen werden heel zenuwachtig en begonnen zelfs te huilen. Een Canadese arts met een puntbaardje beluisterde Bertha’s longen en hart en klopte op haar ruggengraat. Hij scheen met een lichtje in haar ogen. Er volgde een goedkeurend knikje en hij drukte een stempel op haar medische kaart.
‘Nekst,’ verstond Bertha en ze realiseerde zich dat het de eerste keer was dat ze Engels hoorde.
Toen Bertha opgelucht het kabinet verliet zag ze hoe een krijsende vrouw en een kleine jongen onder zachte dwang naar buiten geleid werden.
‘Alstublief dokter!’ schreeuwde de vrouw hysterisch. ‘Ik kan mijn zoontje van tien hier toch niet alleen achterlaten.’
‘Uw zoon heeft een ooginfectie, mevrouw. Het spijt me,’ zei de dokter droogweg.
De moeder klemde de jongen tegen zich aan.
‘Kunt u geen uitzondering maken? Alstublief! Ik smeek u dokter.’
De dokter schudde zijn hoofd. ‘Instructies van Canada.’
Voor veel migranten betekende zo’n afkeuring het einde van hun droom. Onherroepelijk werden ze terug gestuurd. Eén stempel te weinig en een familie werd uiteengerukt. Bertha kreeg nog kippenvel als ze dacht aan het hartverscheurende tafereel.
Enkele kinderen spelen aan dek een hinkelspelletje. Ze zingen er een versje bij. Bertha begrijpt niets van hun taal, maar herkent er het liedje in dat zij en haar zussen ook zongen toen ze speelden op de binnenkoer van hun beluik.
***
