Het huis staat alleen, op een open plaats in het bos, ver weg van de drukte van de stad. De routebeschrijving had even goed als volgt kunnen gaan: rijdt u tot het einde van de wereld en slaat u vervolgens linksaf. Voor alle veiligheid volgde ik toch maar de gps van de huurwagen. “Satelliet weggevallen.” zei de mechanische vrouwenstem een vijftal minuten voor aankomst. Ik besloot het erop te wagen en verder te rijden op mijn richtingsgevoel, dat overigens niet zo goed ontwikkeld is. Tot mijn eigen verbazing zag ik even later, aan mijn linkerzijde, een chalet opduiken tussen de bomen. Bestemming bereikt, dacht ik in dezelfde monotone stem als die van de gps-dame.
Vanuit de wagen aanschouw ik de middelgrote blokhout en een vaag gevoel van herkenning besluipt me. Een beetje zoals een déjà-vu. De vrouw die hier woonde, Celeste, bleek een tante van mij te zijn van wie ik het bestaan niet eens afwist. In haar testament had ze laten optekenen dat ze alles aan mij, haar enige familie, naliet. De notaris en ik kwamen overeen dat ik hierheen zou komen om alle papierwerk in orde te brengen. De gedachte dat zij haar laatste jaren hier in alle eenzaamheid had doorgebracht om vervolgens te sterven aan een hersenbloeding, deed me verdriet.
Na een minuut of vijf raap ik mijn moed bij elkaar en wandel ik naar de voordeur. Het gerinkel van de bel klinkt bijna agressief in deze omgeving. Alsof het lawaai van de beschaving een barst slaat in de rust van de natuur. Wanneer er na een minuutje niemand opendoet, klop ik aan. Bang om de sereniteit rondom me opnieuw te verstoren door aan te bellen. Er komt wederom geen reactie. Ik loop rond het huis en tuur langs de ramen naar binnen om te zien of er iemand is. Ik zie geen beweging en besluit terug naar de wagen te gaan. In de mooi verzorgde tuin, staat een grote steen. Hij doet me wat denken aan een miniatuur versie van de menhirs in Carnac. Wat raar, denk ik. Wie zet nu zoiets in zijn tuin? Als bij ingeving wandel ik naar de steen en in de schaduw ervan zie ik een sleutel liggen in het gras. Bingo, gaat het in mijn hoofd en met een gevoel van overwinning wandel ik naar de voordeur en draai de sleutel tweemaal om in het slot. De deur gaat piepend open.
De woonkamer is ouderwets ingericht, maar straalt tegelijkertijd een zekere gezelligheid uit. Een stoffen tweepersoonsbank, een houten salontafel bezaaid met tijdschriften, een haardvuur en her en der staande lampen zorgen voor dat gekende huiselijke gevoel dat enkel oma’s weten te creëren. Op een of andere manier voelt het hier een beetje als thuiskomen.
Mijn oog valt op een grote, witte enveloppe die op de schoorsteenmantel staat. Mijn achternaam in sierlijk handschrift. Geen aanspreektitel, dat is raar, denk ik maar ik geef er verder niet veel aandacht aan. Een begeleidend schrijven van de notaris:
“Hopelijk heeft u de weg naar hier goed gevonden.
Uw tante zou wensen dat u het zich naar uw zin maakt. De ijskast is gevuld en u zal zien dat in alle levensnoodzakelijkheden werd voorzien.
Ik tref u graag morgenvroeg om 10u05.
Indien u problemen zou ondervinden, kan u mij steeds contacteren op het nummer dat u vindt op bijgevoegd visitekaartje.
Tot morgen.
Vriendelijke groeten,
Notaris Chalice.”
Ik word dus geacht de nacht hier door te brengen. Plots lijkt de huiselijke kamer dreigender dan voordien en is het alsof de rust van het bos me insluit. Ik voel me bevangen in deze plaats en een deel van mij wil uitbreken, wil schreeuwend naar buiten barsten en ver weg lopen. Naar de rust van het lawaai van de stad, naar de eenzaamheid van de massa, naar de onzichtbaarheid in het gezien worden. Ik ben niet graag alleen met mijn hoofd.
Maar je bent niet alleen, denk ik onbewust. Niet in dit huis. Niet hier. Mijn oog valt op de kop van het opgezette dier dat aan de schoorsteen hangt en mij lijkt aan te staren. Een ree, met stierenhoorns en kleine – te kleine – oren, zoals die van een kat maar dan anders. Gitzwarte kraalogen die me volgen. Die tot in mijn ziel kijken en me zien voor wie ik ben. Het beest is grotesk in zijn surrealiteit. Het zou een creatie van Jeroen Bosch kunnen zijn. Monsterlijk mooi. Onecht en toch pijnlijk aanwezig. Als een lelijke metafoor voor de mensheid in haar zijn. De haren van dit fabeldier zijn zacht op een harde en stugge manier. Ik wil het verder strelen, maar ik wil er tegelijkertijd liever van wegrennen. Een dualiteit die me vertrouwd aanvoelt. Ik wil het dier een naam geven. “Bromius”, zeg ik luidop. “Dat is jouw naam vanaf nu. Ik doop je tot Bromius en noem je mijn vriend voor de nacht.” Aangenaam Bromius, mijn naam is Herbert.
De volgende ochtend word ik wakker onder een van de wollen dekens in de te kleine tweezit. Mijn nek is stram door de krampachtige houding waarin ik gelegen heb en mijn hersenen lijken uit hun pan te willen barsten. De lege fles whisky die op de kleine salontafel staat, vertelt me genoeg over de oorzaak van die hoofdpijn en verklaart tevens waarom ik me na mijn ontmoeting met Bromius niets meer herinner. Het licht moet halverwege zijn uitgegaan.
Een blik op mijn horloge zegt me dat de notaris hier elk moment kan zijn. In een ijl tempo, maar met behoedzame bewegingen, ruim ik de sporen van gisterenavond op. Ik wil niet dat de notaris een verkeerd beeld van me zou krijgen. Bromius lijkt me te volgen met zijn ogen en me te zeggen: “Jij en ik hadden het fijn gisteren. Was het niet leuk om de teugels los te laten, om jezelf te omarmen en te verdrinken in je bestaan?” Ik wend mijn ogen af van deze valse Godheid. Gegeneerd voor de dingen die we samen gedaan hebben. Beschaamd voor wie ik ben.
De notaris komt binnen zonder bellen en ik schrik wanneer hij me aanspreekt.
“Juffrouw Stevens, Julie, het spijt me. Ik wilde u niet doen schrikken.”
“Ik denk dat u zich vergist, meneer Chalice. Mijn naam is Herbert Stevens. Ik ben de neef van mevrouw Celeste.”
“Het spijt me mevrouw, maar ik versta u niet.”
“Ik zei dat ik denk dat u zich vergist. Ik ben Herbert. Herbert Stevens. Ik weet niet wie Julie is.” Ditmaal diftongeer ik uitdrukkelijk opdat de man me zou verstaan.
“Uw tante waarschuwde me hier al voor, dat dit kon gebeuren.”
De notaris blijft een poosje stil en ik kijk hem vragend aan. De ogen van Bromius branden nog steeds in mijn rug alsof hij me iets zeggen wil.
“U heeft een episode neem ik aan.
“Ik vrees dat ik u niet helemaal begrijp, meneer Chalice.”
“Oh meisje, het spijt me, maar ik versta niets van wat u zegt. Uw tante vertelde me dat u soms in tongen praat en dat enkel de Goden u dan verstaan.”
Onbewust werp ik een blik op Bromius. Wetende of hopende dat hij me zou verstaan.
“Bromius”, zegt de notaris en ik kijk hem aan. Hoe weet hij dat ik mijn vriend die naam heb gegeven?
“Eén van uw meest meesterlijke creaties en tevens uw tantes favoriete. Even lelijk als hij mooi is zei ze altijd.”
Zoals ik, denk ik. Dat zei ze ook. Tegen mij. Dat mijn ziekte even lelijk is als ze mooi is. “Een gave vermomd als een vloek.”, suste ze dan. Ik herinner me haar. Ik, mijn naam is Julie, denk ik.
“Meneer Chalice?”, mijn stem klinkt anders nu. Hoger.
Hij kijkt op, glimlacht en zegt: “Zullen we dan maar snel de papieren ondertekenen?”