Lezen

Eddy de slimme kip

1. Eddy was de domste kip aller tijden. Boer Balthazar zei het vaak tegen Eddy. En als je vaak hetzelfde hoort, denk je soms dat het waar is. Niemand hoort graag dat hij dom is.  Maar het klopt niet, want kippen zijn slimme dieren. Wist je dat?  Uitspraken zoals ‘kieken zonder kop’ of ‘dom kieken’ slaan nergens op. We kunnen je alvast één reden geven waarom Eddy zeker geen domkop was. Eddy begreep heel wat woorden in mensentaal. Wat? Wist je niet dat kippen woorden kunnen begrijpen? Echt wel. Ze kunnen zelfs spreken. 2. Als je al een woord aan het gekakel of het getok van kippen zou moeten geven, dan is het ‘kips’. Pas op, dat is geen ‘haans’, want dat is de taal van de hanen. En het is helemaal anders dan het ‘konijns’. Daar moet je al goede oren voor hebben, want ze spreken heel stilletjes. Daarom zijn ze uitgerust met een goed stel oorflappen. Net zoals de hazen. Maar die taal is weer anders.  Het komt eenvoudigweg hier op neer: in het dierenrijk heeft elk dier een andere taal. Net zoals de mensen heel wat verschillende talen hebben.  3. Telkens als boer Balthazar van zijn werk in de hoofdstad thuiskwam, want hij was geen voltijdse boer, trok hij meteen zijn werkpak uit om andere kleren aan te doen.  En telkens voerde hij hetzelfde gesprek met zijn spiegel. “Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is…”  Nee nee, wees gerust, boer Baltazar ging niet dat beroemde zinnetje uit het sprookje over Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen zeggen. Al scheelde het niet veel. Kijk maar wat hij had aangetrokken. Het was geen werkbroek, maar een koerskostuum. Een rennerspak.  4. “Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is de beste wielrenner van het land?”, zei hij telkens voor de spiegel. Vroeger wilde hij altijd wielrenner worden, maar na een val in een plaatselijke kermiskoers durfde hij met zijn fiets niet meer te racen op de straat. Net voor de aankomst van de wedstrijd staken een tiental kippen en een haan de straat over en Balthazar kon ze niet ontwijken. Hij tuimelde op de grond en hield er heel wat breuken aan over. De kippen en de haan waren ongedeerd. Ook al nam hij het de kippen niet persoonlijk kwalijk – hij kende ze tenslotte niet en de boer had het poortje laten openstaan – toch bleven die overstekende kippen altijd ergens in zijn achterhoofd zitten. Het is dan ook bijzonder dat hij later zelf kippen ging houden. Maar hier dacht hij niet veel over na.  5. Waar hij wel over nadacht, toen hij de kippen kocht, was de namen van de kippen. Want die moesten allemaal de naam van een wielrenner hebben. Balthazar was nog altijd, ondanks die val, zot van de koers. De eigenschappen van de wielrenners naar wie hij ze had genoemd, zag je terug bij de kippen. Zo was Fons een heel bescheiden kip. Roger was een echt haantje de voorste. Wilfried was de snelste van alle kippen en durfde al eens een grap uithalen met de andere kippen. Fransesco was wereldkampioen eieren leggen en Joop liep altijd achter een andere kip aan. Meestal deed ze dat bij Eddy, die werd er soms wat zenuwachtig van. 6. Maar die originele namen was dan ook het enige goede dat hij had gedaan voor zijn kippen. Als hij in zijn wielertenue naar het kippenhok liep, hoorden de kippen hem al van ver afkomen met die koersschoenen. Tok, tok, tok, tok, tok. De kippen kenden het geluid als geen ander. Vooral omdat na het getok van zijn koersschoenen het trappen met diezelfde schoenen volgde. Hij trapte naar elke kip die voor zijn voeten liep. En de kippen wisten dat de blokjes onder de schoenen serieus pijn deden. Hij had nog nooit een kip geraakt, hoe hard hij ook zijn best deed. En dat maakte hem nog kwader. “Ik ben de baas”, riep hij dan. “Jullie moeten eieren leggen. Veel eieren.” “Jij bent de domste kip ter wereld”, zei boer Balthazar telkens tegen Eddy.  Maar Eddy wist beter. Hij was heus niet dom. De andere kippen bewonderden haar zelfs. Bovendien keek ze boer Balthazar altijd op een bijzondere manier aan. En Balthazar voelde dat.  7. Balthazar wist ook niet wat slimme mensen hadden ontdekt, want in de krant las hij alleen de uitslagen van de wielerwedstrijd. Zo had hij niet gelezen over de ontdekking dat kippen 24 verschillende toks of klanken hebben. Met die klanken maken ze zich verstaanbaar voor elkaar. Een haan is zelfs nog slimmer. Als hij een oogje heeft op een bepaalde kip, klinkt zijn kukeleku helemaal anders. Scherper ook. 8. Zo ging het elke dag. Als boer Balthazar niet aan het werk was in de hoofdstad, fietste hij in de keuken op de rollen en ging een paar keer per dag naar de kippen. En telkens riep hij naar de kippen. Van ‘domme kippen’ tot ‘jullie moeten veel eieren leggen’.  Maar op een dag gebeurde er iets dat afweek van het gebeuren van elke dag. Het was een zomerse zaterdagavond en Boer Balthazar keek in de keuken naar het tv-toestel op het aanrecht, terwijl hij op de rollen fietste. In het programma werd een boerin aan een boer gekoppeld. De boer moest een boerin kiezen uit een aantal kandidaten. Het was de laatste aflevering van het seizoen. Op het einde van de aflevering vertelde de presentator dat ze volgend seizoen de rollen zouden omdraaien. Een boerin ging dan op zoek naar een boer. En die boerin was Veroniek. “Hallo, ik ben Veroniek”, zei ze. “Ik ben op zoek naar een sportieve boer, die goed met dieren kan opschieten. Zelf heb ik heel wat kippen en ander pluimvee. Ben jij sportief? Zie je graag kippen? Misschien ben jij dan wel de boer waar ik naar op zoek ben.” 9. Balthazar was meteen verliefd. Hij was zo van slag dat hij plotsklaps stopte met fietsen. Maar op de rollen mag je niet zomaar stoppen. Elke wielrenner weet dat, want dan verlies je je evenwicht. Ook Balthazar wist dat, maar daar stond hij niet bij stil. Of juist wel. Toen hij stilstond tuimelde hij op de keukenvloer, net zo hard als tijdens de kermiskoers toen hij de kippen probeerde te ontwijken. Drie huizen verder hadden ze de ‘boenk’ gehoord. Gelukkig had hij nu niets gebroken. “Veroniek, ik hou van je”, zei Balthazar terwijl hij op de grond lag, maar op de tv was het programma al afgelopen en de weervrouw kwam in beeld.  10. De kippen hadden door de open keukendeur gehoord wat er zich in de keuken afspeelde en kwamen niet meer bij van het lachen.   “Ja kipjes”, zei hij. “Binnenkort woon ik hier niet meer alleen, maar samen met Veroniekske.”  Hierna begint hij plots te zingen. “Veroniekske, Veroniekske, jij bent echt mijn lievelingskiekske.” Hij zong het wel twintig keer na elkaar. De kippen maakten ondertussen zo een lawaai van het lachen dat de buren over de schutting keken om te zien wat er aan de hand was. Maar Balthazar begon meteen met het schrijven van een brief naar Veroniek. Dat hadden ze op het einde van het programma gezegd, als oproep aan mogelijke kandidaten. 11. Elke dag wachtte Balthazar de postbode op. Hij vertrok speciaal later naar zijn werk. “Is er een brief voor mij postbode?”, riep hij telkens naar de postbode, terwijl die nog een paar huizen verder stond. Maar het waren telkens betalingen. Balthazer keek uit naar het antwoord van Veroniek. Een keer was hij zelfs de postbode achterna gefietst, omdat Balthazar net te laat buiten was. De postbode had zelfs schrik van Baltahazar, omdat die maar bleef roepen. “Een brief, een brief, van mijn lief.” Balthazar kon de postbode niet inhalen, want die was ook een amateurwielrenner. Tot die ene dag, eind augustus. De postbode overhandigde Balthazar een brief. Hij had de hoop bijna opgegeven. Aan de envelop kon hij meteen zien dat de brief van Veroniek was. Ook omdat haar naam op de achterzijde stond. 12. Na de brief ging alles in een sneltreinvaart voor boer Balthazar. Hij had nog heel wat werk vooraleer de tv-ploeg bij hem kwam filmen.  Hij begon aan een grote schoonmaakbeurt, zowel het huis als het kippenhok. Hij kocht een nieuw kostuum en stond daarmee elke dag een paar keer voor de spiegel. En tenslotte oefende hij een recept om Veroniek aan te bieden als ze naar hem thuis kwam.   Bij de tv-kok had hij een interessant gerecht gezien. Een quiche met spinazie, prei en paprika. Het zag er geweldig lekker uit. Op tv dan toch. En terwijl hij poetste of aan koken was, zong hij het hetzelfde liedje: “Veroniekske, Veroniekske, jij bent echt mijn lievelingskiekske.” 13. De dag van de opnames begon perfect. Veroniek kwam samen met de regisseur en de camermensen aangereden en het was meteen een vrolijke boel. Veroniek was nog mooier dan Balthazar had gedacht. Ze had een bloemetjesjurk aan en daaronder droeg ze witte sneakers. Ze had bijna een punkkapsel. Helemaal anders dan op tv, toen ze nog lange blonde haren had. Maar dit was nog mooier. Zoiets mooi had Balthazar nog nooit gezien. “Ik geef jullie eerst een rondleiding”, zei Balthazar. “Dit zijn mijn kippen. Die daar is Eddy. En daarachter Joop. En dat is Wilfried, die is altijd het snelst als ik eten breng. De schavuit.” “Wat een bijzondere namen”, zei Veroniek. “Ja, het zijn allemaal namen van wielrenners”, zei Balthazar. “Wielrenners van vroeger. Omdat ik zelf nog heb gekoerst vond ik dat wel leuk. Op de een of andere manier passen hun namen bij de kippen.” 14. Net toen Balthazar en Veroniek zich aan tafel hadden gezet, en ze amper een eerste hap van de quiche hadden genomen, begonnen de kippen plots te kakelen. Allemaal tegelijk, zeer luid en in dezelfde toon. Ook Veroniek had het gehoord. “Zeg Balthazar, dit is voortreffelijke quiche”, zei ze. ”Dat heb je in je brief niet geschreven, dat je ook lekker kan koken.” “En wat kakelen je kippen toch mooi”, zei ze. “Precies allemaal in dezelfde maat. Zoiets mooi heb ik nog nooit gehoord. Het lijkt wel een liedje. Heb jij ze dat geleerd? Ik val van de ene verbazing in de andere.” Maar de kippen kakelden niet zomaar. Ze hadden iets voorbereid.  15. Balthazar herkende het meteen. Ze kakelden op de toon van het liedje dat hij de laatste tijd altijd zong. “Veroniekske, Veroniekske, jij ben mijn lievelingskiekske.” Hij kookte meteen van woede. Zijn hoofd was als een ballon die ontplofte. Alleen vlogen er gelukkig geen stukjes neus of oren in het rond. “Verdomde kippen, ik doe ze in de soep”, grommelde hij. Omdat hij nog op een stukje quiche aan het knauwen was, verstond Veroniek niet wat hij zei. Maar er vlogen wel stukjes prei en paprika uit zijn mond. “Pardon, excuseer me even”, zei Balthazar met een rood aangelopen hoofd. Dat verstond ze wel. 16. Hij bulderde als een woeste stier naar buiten en rende recht naar het kippenhok. Hij liep zelfs met zijn hoofd naar beneden, net zoals een stier dat doet als hij aanvalt. “Waar zitten jullie? Dekselse kippen”, riep hij. Hij zag geen enkele kip. Maar toch hoorde hij ze nog kakelen op de toon van het liedje. Eigenlijk had hij totaal geen reden om zo naar buiten te stormen, want Veroniek vond het prachtig. Zingende kippen. Wie had dat ooit gehoord? Balthazar moest wel een echte bijzondere boer zijn, dat hij hen dat had geleerd.  Haar hart klopte alsmaar sneller voor Balthazar. Maar daar dacht Balthazar niet over na. Want hij meende dat de kippen hem een hak probeerden te zetten.  Daar had hij gelijk in. En daar had Eddy ook op gerekend. Ze had een plannetje beraamd waarbij het etentje met Veroniek vast en zeker zou mislukken. Als wraak voor al die keren dat hij ‘domme kippen’ had geroepen en naar hen had getrapt met zijn koersschoenen. 17. Eddy stond samen met de andere kippen en de haan achter het kippenhok opgesteld. Net zoals de kippen in de kermiskoers, waar Balthazar jaren geleden over was gevallen met zijn koersfiets, kwamen ze plots tevoorschijn. Heel stilletjes, zonder te zingen. Ze vlogen vooruit. Zoals echte renners in de sprint van een koers. Eddy op kop, daar achter Joop, Wilfried en alle anderen. Ze liepen zo snel dat Balthazar ze niet had gezien. Ze kwamen uit het niets tevoorschijn en Balthazar nam een tuimel zoals je nog nooit een turner heb zien doen. Hij maakte wel drie salto’s. Maar zijn landing was niet zoals een turner. Hij zou er geen punten voor krijgen. Hij landde niet op zijn voeten, maar plat op zijn buik, volop in de kippenstront. De kippen hadden dat allemaal mooi bij elkaar gelegd. Dat was ook een heel werk geweest. “Eendracht maakt macht”, zei Eddy. “En een heleboel stront”, voegde Wilfried er nog aan toen, die altijd in was voor een grapje.  18. Zijn gezicht, het mooie pak, zijn schoenen, alles hing vol kippenstront. De kippen keken er even naar en verdwenen, terwijl ze opnieuw ‘Veroniekske, Veroniekske’ kakelden, terug in het kippenhoek. Je kan je wel voorstellen hoe Baltazar de keuken in kwam.  De geur was niet te harden.  Veroniek sloeg meteen haar handen voor haar haar mond en meteen snel naar haar neus. Wat een stank. De kippen waren buiten ondertussen opnieuw aan het zingen. Ze kakelden zo luid dat de buren opnieuw kwamen kijken. “Wat is er toch bij Balthazar aan de hand?”, zei de buurvrouw. “Het lijkt wel of de kippen zingen en er staat een tv-ploeg voor de deur.” 19. Balthazar had zich ondertussen wat gewassen en zette zich terug bij Veroniek aan tafel. De quiche was ondertussen koud geworden.  “Zal ik deze even voor jou opwarmen?”, vroeg Veronique. “Nee, laat maar”, antwoordde Balthazar. “Mijn honger is over.” “Maar dan moet je me wel even vertellen wat er daarnet is gebeurd”, zei Veronique. “Waarom werd je zo kwaad op de kippen, terwijl die toch fantastisch mooi kakelen. Het lijkt wel een liedje.” 20. En Balthazar begon te vertellen. Over zijn jongensdromen, dat hij altijd wielrenner had willen worden. Dat hij het niet onaardig deel bij de wedstrijden voor de jeugd, dat hij echt gebeten was door de wielersport, maar ook dat hij tijdens een kermiswedstrijd heel erg was gevallen, over de kippen die de straat overstaken en dat hij daarna niet meer op de weg durfde te fietsen.  Dat hij dan maar ambtenaar in de hoofdstad was geworden, maar dat hij nog altijd een passie voor wielrennen had. En dat hij thuis veel fietste op de rollen en naar de wedstrijden op televisie keek. En dat hij de kippen namen van wielrenners had gegeven. “Maar dat had ik je al verteld”, zei hij. 21. En daarna brak Balthazar. Niet in twee, zodat er twee Balthazars waren, maar hij brak van spijt en verdriet. Hij barste in tranen uit. Hij legde zijn hoofd op tafel en hij begon te snikken. De camera bleef ondertussen maar draaien, want ze wisten dat ze nu wel een heel bijzondere aflevering aan het opnemen waren. Maar dat was zonder Veroniek gerekend. Ze vroeg aan de regisseur om naar buiten te gaan. “Dit moeten jullie niet opnemen”, zei ze. De regisseur protesteerde nog. “Maar wacht eens even Veroniek”, zei hij. “Wij maken hier het programma, en ik vind dat we dit ook moeten opnemen. Dit staat zelfs in het contract.” “Contract of niet, zonder mij heb je helemaal geen programma”, zei Veroniek fel. “Het stopt hier. Ik roep wel als jullie terug binnen mogen.” 22. Daar zaten Veroniek en Balthazar. Hij had ondertussen zijn tranen afgeveegd en Veroniek had haar hand om zijn arm gelegd. “Ik vrees dat jouw val van vroeger in de kermiskoers toch iets meer teweeg heeft gebracht dan je zelf denkt”, zei ze. “Onbewust was je al die jaren heel erg kwaad op de kippen. Ook al denk je zelf misschien van niet. Omdat je de kippen van die kermiskoers niet meer ziet, verplaats je je woede op je eigen kippen. Misschien is het zelfs beter dat je geen kippen houdt. Want die beestjes kunnen er niets aan doen”, zei ze. “Misschien heb je wel gelijk”, zei Balthazar. “Misschien …” “Misschien moet jij eens een keer bij mij op bezoek komen”, zei ze. “En laat ons die hele tv-uitzending maar vergeten.” “Misschien is dat wel het beste”, zuchtte Balthazar. “Misschien moeten we dat doen.” 23. En zo gebeurde het. Veroniek stuurde de tv-ploeg naar huis. Er waren immers altijd reserveboeren die ze konden opbellen. Wat er allemaal was gebeurd, kon niet uitgezonden worden. De tv-zender wilde het juist wel uitzenden, want zoiets lokte veel kijkers. Maar voor Veroniek was het welletjes geweest. Balthazar was duidelijk nog gekwetst van het voorval met de kippen in de kermiskoers. Niet gekwetst aan zijn knieën of schouders, maar wel in zijn hoofd en aan zijn hart.  Diep vanbinnen was hij dat nooit vergeten en nam hij het de kippen kwalijk dat ze zijn koersambities hadden gedwarsboomd.  24. “Veroniekske, Veroniekske, jij bent mijn lievelingskiekske”, zong Veroniek in haar tuin. De kippen kakelden vrolijk mee op de melodie. Het waren trouwens heel wat kippen die het liedje kakelden. Wel een stuk of dertig. Ook Eddy, Joop, Roger, Wilfried en alle andere kippen van boer Balthazar scharrelden er rond. Ze waren niet langer bij Balthzar, want op een dag had hij ze meegenomen naar Veroniek. Na de mislukte tv-opnames waren ze elkaar blijven zien en een tijdje later werden ze de beste vrienden. Veroniek had aan het programma geen ‘vaste boer’ overgehouden.  Wel een goede vriendschap met Balthazar, waarmee ze alsmaar beter kon opschieten. Ze keek er telkens naar uit als hij had laten weten dat hij naar de boerderij van Veroniek kwam. Als Balthazar bij Veroniek met zijn rennersfiets achterom kwam gefietst, begonnen zijn kippen spontaan het liedje te kakelen. Ze waren hem niet vergeten. Veroniek wist dan dat Balthazar was gearriveerd en ze zong vrolijk mee. Balthazar had haar immers na een tijdje wel verteld over het liedje en Veroniek vond dat geweldig grappig. Als Balthazar de kippen het liedje hoorde zingen, moest hij zelf ook lachen. Het hele voorval met de kippen tijdens de opnames van het programma was hij zo goed al vergeten. Ook aan de val over de kippen tijdens de kermiskoers dacht hij nog maar zelden. Eddy, Wilfried en de andere kippen renden meteen naar het hek van het kippenren als ze hem zagen. Alsof ze hem wilden begroeten.  “Dag Eddy”, zei Balthazar dan. “Hoe gaat het met jou?” Einde

Rudi Lavreysen
0 1

Naastenliefde

Ze had van kleins af aan verpleegster willen worden.‘Daar ben je te gevoelig voor’, had haar moeder op een donkere maandagochtend gezegd.‘Je bent beter af in de handelsschool’.Terwijl ze een zucht probeerde te onderdrukken, nam Diana haar schooltas op van de vloer.Haar krullende haren gleden zachtjes heen en weer over haar gezicht.Heimelijk teleurgesteld trok ze haar afgezakte sokken weer wat hoger.‘Alsof meedogenloosheid een nodige kwaliteit is in een verpleegster..’, dacht ze in zichzelf. Al herinnerde ze zich snel de boodschap uit de toespraak van de pastoor.Iedereen kan hulp bieden. Je moet er enkel de goede wil voor hebben. Met een gezonde vaart reed ze haar dorp door, richting Brugge, richting Sint-Jozef.De straten die ze passeerde ontluikte haar nieuwsgierigheid.Wat als ze vandaag niet naar school ging?Stel dat ze nu gewoon een andere straat insloeg?Welke onbekende wegen lagen er nog op haar te wachten?De koude wind waaide door haar haren.Later zou ze zelf kunnen kiezen wat ze deed.Met een strenge blik op de weg gericht en een borstbol in haar mond, trapte ze door. Van een jong meisje evolueerde ze in een sterke jonge vrouw.Als prille volwassene kreeg ze een heel rouwproces op haar bord.Haar broer stierf aan tweeëntwintig jaar, haar mama aan achtenveertig.Niets was nog hetzelfde.De discussies met haar moeder speelde zich nu slechts af in haar hoofd.De eerdere geschillen herhaalden zich als een nostalgisch melodietje uit een muziekdoos, maar er kwamen geen nieuwe bij.Elk argument bleef onuitgesproken. De stilte was wreed.Langzaam probeerde ze zaken een plek te geven. Ook zichzelf.Zij had een andere plek nodig. Diana vertrok thuis om op zichzelf te gaan wonen.Ze trapte door het leven en ondanks de tegenslagen onderweg, sloeg ze haar armen open voor om het even wie het nodig had. Van Familiehulp naar de afdeling Orthopedie in de Loofstraat, waar ze de volle dertig jaar werkte en nadien ook de OKRA-vereniging. Ze wou mensen helpen, mensen genezen, mensen terug sterk in hun schoenen zetten. Geleid door haar innerlijke drijfveer stond ze dag in, dag uit klaar om mensen gelukkiger te maken. O Diana van ‘t platteland, in je grootste droomwerp je gelukzalig je oogjes naar ‘t vredespatroon.Uw hand grijpt een handje, stevig en vol moedondersteunt gij het mensdom dat danst aan uw voet.Onze gids zijt gij, uw metgezellen zijn wijach leer onz’ waardering, voor ‘t kleinste blij. Dianas leven is een combinatie van doorzettingsvermogen, een positieve ingesteldheid, een aanstekelijke lach, dankbaarheid en heel veel moed.Als je Diana vraagt of het lot echt bestaat, antwoordt ze,“De wind zie je niet, maar die bestaat toch ook.” Moeder van de herder en het lam;hoed de kudde, leid ons bij de hand.     Silke Van RompaeyMet dank aan de auteur van ‘O moeder van bijstand’ en Diana Schotte voor het vertellen van haar verhaal.20/02/2025

Silkevr
0 0

Bekentenis van een overlijdensberichtlezer

Ik wil iets bekennen: ik lees graag de overlijdensberichten in de krant.Niet vluchtig. Echt lezen. Met aandacht. En ik vraag me soms af of ik de enige ben. Ik hoop van niet. Want het zou toch wat gênant zijn als ik de enige trouwe lezer van die rubriek ben. Dus bij deze een kleine outing. Mocht uw oog daar ook altijd eerst naartoe glijden: ge zijt niet alleen. Waarom ik dat doe, weet ik eigenlijk niet goed. Misschien uit dezelfde reflex waarmee we de rest van de krant lezen: om te weten wat er gebeurt in de wereld. Alleen gaat het hier niet over files of ministers die weer iets verkeerd gezegd hebben, maar over levens die afgerond zijn. Ik herinner me dat ik ooit het overlijdensbericht zag van mijn professor psychologie uit het eerste jaar van de sociale hogeschool. Een bijzondere mens. Hij kon een aula van honderd studenten stil krijgen met iets dat begon als droge theorie maar eindigde als een blik op het leven zelf. Over Freud bijvoorbeeld. Over het ES dat alles wil. Het ICH dat probeert te schipperen. En het ÜBER-ICH dat streng in een hoek zit te fluisteren dat we ons toch wat beter moeten gedragen. Of over Maslow en zijn piramide. Eerst eten en veiligheid, daarna liefde en erkenning, en helemaal bovenaan: zelfontplooiing. Het idee dat een mens zijn leven eigenlijk te herleiden is tot een piramide. Toen ik zijn overlijdensbericht zag, bleef ik even hangen. Hij werd ergens in de tachtig. Dat stelde me vreemd genoeg gerust. Mooie mens, mooi leven. Zijn piramide was top. Een andere keer zag ik het bericht van een kotgenoot van vroeger. We waren geen dikke vriendinnen geworden. We hadden gewoon een paar jaar dezelfde gang gedeeld. Dezelfde keuken. Dezelfde geur van pasta, toast en een pan die altijd nét te lang op het vuur en de week daarna bij de afwas stond. En toch was het vreemd. Het idee dat iemand die letterlijk een tijd mijn pad kruiste er plots niet meer was. Alsof er ergens in de wereld een deur dichtvalt waar ge ooit gedachteloos door gelopen zijt. Dat doet een mens nadenken. Over wat geweest is. Over wat nog moet komen. En dat we het leven misschien toch wat steviger moeten vastpakken. Misschien is dat ook waarom ik die rubriek lees. Een soort generale repetitie. Niet voor mijn eigen overlijden, maar voor die momenten waarop het leven plots beslist dat er iemand vertrekt. Want dan moet er ineens veel beslist worden. Veel te snel. Dan moeten er versjes gevonden worden, foto’s gekozen, woorden gezocht voor iets waar eigenlijk geen woorden voor bestaan. En als ge dan al een tijdje die rubriek leest, komt ge toch niet helemaal onbeslagen in zo’n verhaal terecht. Ge weet een beetje hoe mensen afscheid nemen. Wat er kan. Wat er soms staat. En wat ook niet. Ik lees die berichten ook om te kijken hoe families in elkaar zitten. Wie er genoemd wordt. Wie vooraan staat en wie ergens op het einde. Hoe mensen hun geliefde omschrijven. “Zijn geweldig lief.” Dat is toch iets anders dan “echtgenoot van”. Soms kunt ge een heel leven voelen in een paar woorden. Ik kijk ook altijd naar de jaartallen. Dan maak ik onbewust een soort schaal van ernst. Hoe ouder de overledene, hoe meer ge dat kunt lezen met iets als volbrachtheid. Een lange tocht die afgerond is. Ge denkt bijna: goed gedaan, mens. Hoe dichter de geboortedatum bij de mijne komt, hoe ongemakkelijker het wordt. En iedereen die jonger is dan ik vind ik gewoon oneerlijk. En nog iets waar ik altijd op let: de namen van de kinderen. Dat is eigenlijk een klein sociologisch onderzoek op zich. Als er Lou of Georges staat, weet ge meteen dat dat nog kleine mannen zijn die ergens met een loopfiets rondrijden. Terwijl een Ewoud of een Michiel gegarandeerd al boven de twintig is en waarschijnlijk ergens probeert uit te rekenen hoe ge een appartement betaalt. Ik kijk ook altijd naar de foto’s. Dat is misschien nog het meest ontroerende onderdeel. Sommige mensen kiezen een jonge foto. Een zomerjurk. Een brede lach. Alsof ze willen zeggen: zo wil ze herinnerd worden. Anderen kiezen een recente foto. Met rimpels, een bril, een gezicht waar het leven duidelijk overheen is gegaan. Dat vind ik misschien nog het moedigst. Alsof iemand zegt: dit was ze, helemaal. En dan zijn er nog de kleine symbolen. Het kruisje. De duif. Een korenaar. Soms een hartje. De dood heeft al lang zijn eigen emoji’. Daarna komen vaak de zinnen. Die klassieke zinnen die generaties lang lijken mee te reizen van afscheid naar afscheid. “Hij heeft een steen verlegd in een rivier op aarde.” “Wat je in je hart draagt, raak je nooit meer kwijt.” “De hemel is een engel rijker, wij zijn er een kwijt.” Zinnen die misschien al duizend keer zijn gebruikt, maar die toch elke keer opnieuw proberen te zeggen wat eigenlijk niet te zeggen valt. Ik lees ook hoe er afscheid genomen wordt. “In intieme kring, volgens de wens van de overledene.” Dan denk ik soms: is dat wel echt zo? Of hadden de nabestaanden gewoon geen zin in een zaal vol mensen die allemaal beginnen met “weet ge nog dat hij toen…” Of er staat dat het leven gevierd zal worden. Dan stel ik me een zaal voor met foto’s, muziek, wijn die iets te snel wordt bijgeschonken en verhalen die steeds een beetje mooier worden naarmate de avond vordert. En ergens tussen al die gedachten heb ik ooit beslist dat ik een bruine envelop in een lade ga leggen. Met een paar richtlijnen. Misschien een liedje. Misschien een paar zinnen. Eén spreuk weet ik al: “Wat de liefde draagt, is nooit een last.” Tegelijk besef ik dat dat ook een tikkeltje arrogant is. Doe ik dat echt om hen te helpen? Of ben ik ook na mijn dood nog altijd een eigenwijze moeial die zich met alles wil bemoeien? Misschien willen mijn kinderen het net kort en eenvoudig houden. Terwijl ik daar dan lig met een draaiboek van tien pagina’s. Met muziek uit La La Land en The Greatest Showman. Met zonnebloemen overal: ja, dat is zo 'ik'. Met een powerpoint die blijft doorgaan tot zelfs de nonkel op de derde stilletjes vraagt of hij nu al om een prentje mag gaan naar voor. Misschien zelfs met grote schermen buiten, voor het geval er zoveel volk komt dat niet iedereen binnen kan. En dan hoor ik ze al denken: mama, ge hebt het weer wat te groot gezien. Misschien heb ik daar eigenlijk geen recht op. Misschien mag ik alleen hopen dat er op een dag ergens staat: We nemen afscheid van Katrien Daniels. En dat ze zich nog herinneren dat ik alles met passie deed. Dat ik mijn familie graag zag. Mijn vrienden ook. En tegen dan hopelijk ook mijn zes kleinkinderen. En dat er misschien ook ergens staat: ze had haar kuren, maar het was wel een goeie. Maar het liefst van al hoop ik dat er nog één zinnetje staat: 'Het zotte lief van…' En dat hij dan denkt: wat een geluk dat die madam ooit op mijn pad kwam. 

Katrien Daniels
22 1

Gekooid

Gevangen in mijn eigen gedachten, slenter ik door het lege labyrint van mijn leven. Eenzaam dool ik door doodse gangen en lege kamers die stilte echoën. De hoge muren die ik zelf heb gebouwd, vormen het fundament van mijn zijn.Door het sleutelgat van een voor mij nieuwe en onbekende deur sprankelt een streepje hoop, als de zon die haar stralen door het kleine gaatje perst. Mijn hand rust behoedzaam op de deurknop en laat mijn vingers flirten met het idee van een nieuwe opportuniteit. Een nieuwe kans om mezelf te laten zien, om gezien te worden voor wie ik echt ben. De mogelijkheid biedt zich aan als een zachte bries die me door de kier tegemoet komt. Twijfel loopt langs mijn ruggengraat omhoog en ik hou mijn voet achter de deur zodat de wind ze onmogelijk volledig kan openzwaaien. Nieuwsgierig laat ik mijn blik door de kamer, die in schril contrast staat met de grijze en sombere gangen waar ik in heb rondgedoold, glijden. Ze is gevuld met kleur, gelach, plezier, vriendschap met een gouden randje. Alles waar ik al die tijd zo hevig naar heb verlangd, het gevoel ergens bij te horen. Gehuld in overschaduwd zelfvertrouwen stap ik het uitnodigende onbekende in. De onwetende spotlight keert zich in mijn richting en ik heb maar één doel, één kans om de echte ik te laten zien. Overmand door een angst die zich als donderslag bij heldere hemel aandient, verstijf ik. De schijnwerper dooft zachtjes uit. Ik moet nu mijn kans grijpen vooraleer de aandacht verslapt en haal het vrolijkste masker uit mijn koffer tevoorschijn. Gejoel en luid applaus worden mijn richting uitgestuurd. Goedlachs maak ik een diepe buiging, terwijl stille tranen mijn ogen vullen. Enigszins opgelucht schuif ik mee aan de feesttafel. De eerste indruk ik gemaakt. Starende blikken prikken als kleine kopspeldjes in mijn huid, mogelijke oordelen branden op vreemde lippen. Onzekerheid werpt de hoogste kaart en vult mijn mond met een onophoudelijke woordenvloed gevolgd door een misselijkmakende, valse bulderlach. Een schaamrode paraplu opent zich, woede raast door mijn hoofd als de bui aan ongeloof zich over mij heen stort. Wat heb ik in godsnaam allemaal uitgekraamd? De woorden waarmee ik zopas de kamer heb gevuld hebben geen betekenis, geen waarde. Ze vormen niet meer dan gebakken, zoete lucht. Met een in steen gehouwen glimlach neem ik weemoedig afscheid. Een vertrek dat gepaard gaat met de aankondiging van mijn terugkomst, die met weinig enthousiasme wordt onthaald. Teleurgesteld in het zelfvertrouwen dat me in de steek heeft gelaten, werp ik nog een laatste blik op de warme sfeer die als een roze wolk in de kamer drijft en verdwijn geruisloos in de somberheid van mijn labyrint. Een doolhof waarin de weg naar zelfzekerheid en moed steeds moeilijker te vinden is.Zelfbewustzijn grijpt me bij de keel en slaat mijn hoofd hard tegen de pas gesloten deur. Het schreeuwt en brult, een woede die diep vanbinnen brandt. Opnieuw een kans verpest. Het geroezemoes aan de andere kant van de deur is oorverdovend. Een klaagzang van zelfmedelijden weerklinkt in de gehoorgang. Ik draag het gewicht van een leven vol twijfels en onzekerheden op mijn schouders en voel hoe ik er langzaamaan onder bezwijk. Mijn zelfvertrouwen barst en valt kapot. Buiten adem veeg ik de scherven samen. Met een uiterste precisie tracht ik alle stukjes weer op hun plaats te lijmen, maar mijn trillende handen maken er een zware opdracht van.  Een voorzichtige hand vlijt zich op mijn schouder en geeft er een bemoedigend kneepje in. De warme steun waar hij me mee omringt laat me zweven, alsof mijn lichaam zich vult met helium. We hebben elkaars vertrouwen gewonnen en met een bang hartje laat ik hem toe om mijn strakke jurkje van valse perfectie open te ritsen. Plots kan ik weer ademhalen, mijn longen vullen zich met frisse lucht nadat ze bevrijd zijn uit een veel te spannend korset. Met een met rozenwater doordrenkt wattenschijfje wrijft hij behoedzaam de restanten van de hardnekkige make-up van mijn gezicht en legt zo mijn natuurlijke schoonheid bloot. Liefdevol neemt hij mijn gezicht in zijn handen en drukt zijn lippen op de mijne.  Plots dringt het tot me door. Ik heb geen masker nodig, geen perfectie, want alles is er al. Alles is er altijd al geweest. Een overvloed die zich heeft schuilgehouden in het diepste van mijn zijn. Al die tijd ben ik op zoek geweest naar iets wat altijd al aanwezig was. Ik ben compleet, ik ben heel, ik had gewoon iemand nodig die het zag. Iemand die het geduld in zich droeg om steen per steen mijn muren af te breken en me kon laten zien welke herinneringen mijn hart vullen. Ik ben wie ik wil zijn, ik ben genoeg. Eindelijk word ik gezien. Dat besef bevrijdt me. Als een vogeltje dat veel te lang in zijn gouden kooitje opgesloten zat, sla ik eindelijk mijn vleugels uit en vlieg over de muren van mijn labyrint heen. Ver weg van de overdreven zelfbescherming van gouden tralies en muffe gangen vol angst.

Joni Motmans
5 0

Ford Scorpio

  Kijkt toe. Dit is geen ordinaire volkswagen. Het is een ware Touareg. Speciaal model met wankelmotor voor in twijfeltijden Zeer uniek. Deze machine is speciaal gebouwd voor op die parking naast mijn huis. Het gazon is gekleurd in prachtig British racing green. Bewondert dit. De velgen zijn verzilverd en de pook is van een lekker goud voor extra veel genot. Ik ben een connaisseur in die materie voor de echte man. Is het een kameel met paardenkracht, my lord? Scheurt hij 'wredig' door de bochten, plet hij elke schorpioen? Mijn god, wat glimmen toch die banden, wat zijn ze cool en beestig zwart. Pas maar op, gij kleine man. Ik heb veel zeggenschap, een generaal of tien voor elke vinger van de macht. Kom maar mee. Straks wordt uw ziel gekraakt onder de wielen van mijn Touareg. Er zijn hier knoppen voor de juiste straf en in de koffer ligt het masker voor de beul. Oejoejoei! Ik hoor. U bent wel degelijk een stoer geval, geen kwal die op uw ruitersstoeltje kwijlen zal.  Ik moet nu voort. Mijn voeten zijn doorboord met oude nagels en mijn hemelgeest zoekt frisse lucht. Toch is er hoop, voor U en mij, want de woestijn zal dorstig zijn. Hij slurpt zeer binnenkort de wereld op. Echt. De verlossing is nabij. Heb nog een dag of twee geduld. Dan zijn de oorlogen voorbij. Dan raast die storm niet meer, stopt die razernij. Dan zien die ogen van het zand, voorgoed weer zuiver licht en is ook onze duivel blij, met eindelijk wat rust.       uit de reeks 'Reizen met Ricky'    

Bernd Vanderbilt
0 0

Consultatieadres: Niemendal 9, 1307 Twijfelgem

  Dokter Schilferziel, met die spinnenwebben in je operatiekamer. Dokter Schilferziel, met je schilmachine, wreed geduld, schone collectie van weke schimmels. Dokter Schilferziel, ik heb nu al die afspraken gemaakt. Met het lijden uit een oude tijd, met een oorlogsgeest die mij wil tonen hoe het domme collectief kan culmineren in die waanzin rondom mij. Ik moet ook nog, zo heeft u aanbevolen, spreken tot sterren in de lucht. Ik wil het echt aanhoren waarom zij die vlucht ooit namen, weg van onze opschudding. Het zijn allicht die paddestoelen rond de eilen in het Niemendal. Zij kropen uit de onderwereld langs tentakels zwart als droevig roet. Het stopt intussen niet. Zure regen is een flauw begrip voor het arsenicum dat stoffen kleurt voor lijken die zo moeilijk die zo lastig stierven. Intussen heb ik al geoefend, dokter Schilferziel. Intussen heb ik geprobeerd, die loutering te proeven. Doch, ik kon, ik mocht niet dichter naderen. Mijn badkuip werd een geiser, kokend heet. De zon werd wreed toen ik aan die stralen trok. Hegesias hij bleef maar prevelen, alle doelen te versnijden. Een solipsistische kabouter las mij voor uit sprookjes waarin ik alles rondom mij op een te slimme dag verzonnen had. Later, dokter Schilferziel, dan kom ik nog eens langs. De wortelen die groeien in mijn achtertuin ze hebben, denk ik, psoriasis. De zonnebloemen zijn dit jaar zó neerslachtig dat zij alle schijn van bovenaf beschouwen als verkleurde lust. Ikzelf, dokter Schilferziel, ik voel het. Ik brokkel langzaam af gelijk de bergen doe op donderdag. Ik red me wel. Het moet. Mijn hart is dwaas. Mijn geest plant nog ballonvaarten. Over heuvelruggen. Die beweren. Dat het dak van deze wereld. Alles tegenhoudt.       uit de reeks 'Duim voor Dimitri'  

Bernd Vanderbilt
0 0