Lezen

Ik beken: ik heb een man

Ik moet iets bekennen. Ik heb een man. Zo. Het is eruit. Niet dat de politie mij zocht of dat er een persconferentie nodig was, maar toch. Ik heb een man. Een collega van mij keek mij deze week aan alsof ik net verteld had dat ik thuis een lama houd. "Maar Katrien," zei hij, "gij hebt geen man?" Hij klonk oprecht verbaasd. "Ge zijt mooi. Ge zijt slim. Ge zijt grappig. Ik versta dat niet." En toen hoorde ik mezelf antwoorden: "Maar ik héb een man." Het was vreemd. Alsof ik het voor de eerste keer luidop zei. Alsof ik mezelf betrapte. Ik heb een man. Niet: ik date iemand. Niet: er is iemand. Niet: ik ben iemand aan het leren kennen. Niet: het is ingewikkeld. Gewoon: ik heb een man. Dat klinkt volwassen. Dat klinkt alsof ik een gezamenlijke rekening heb, een vaste loodgieter en een mening over isolatiepremies. Dat klinkt als iemand die haar leven op orde heeft. Terwijl ik vorige week nog twintig minuten gezocht heb naar mijn bril terwijl die op mijn hoofd stond. Toch heb ik blijkbaar een man. Of een lief. Of een vriend. Of een partner. Al vind ik dat laatste een verschrikkelijk woord. Partner. Dat klinkt alsof wij samen een boekhoudkantoor hebben. Of een verzekeringsmakelaar zijn. "Mijn partner en ik." Dat zijn mensen die op zondag Nordic Walking doen. Wij discussiëren nog over wie het licht in de gang heeft laten branden. Lief vind ik dan weer iets voor mensen van zestien. Vriend wordt ingewikkeld zodra ge elkaar zonder kleren hebt gezien. En meneertje klinkt alsof ik hem op de rommelmarkt gekocht heb. Dus ik weet het eigenlijk niet. Ik weet alleen dat hij er is. En dat hij geweldig is. Zorgzaam. Grappig. Slim. Lief. Mooi. Een lot uit de tweedekansloterij. Een occasieke. Een onwaarschijnlijke herkansing van het leven. Zo eentje waarvan ge denkt: allee jong, was dat nog beschikbaar? Over hem heb ik geen klagen. Integendeel. Hij is een maatje waarmee ik oud wil worden. Echt oud. Met een rollator. Compressiekousen. Een pillendoos met vakjes voor elke dag van de week. En een verpleegster van het Wit-Gele Kruis die ons allebei tegelijk komt zeggen dat we meer water moeten drinken. Dat soort oud. En toch merk ik dat ik het moeilijk vind om te zeggen: dat is hem nu. Dat is mijn man. Niet omdat ik twijfel aan hem. Maar omdat ik blijkbaar nog altijd een beetje twijfel aan het geluk. Aan het blijven. Aan het idee dat iets goeds ook gewoon goed mag zijn. Ik voel mij soms als iemand die op bezoek is en voor alle zekerheid haar jas aanhoudt. "Want ik blijf niet lang." Terwijl ik ondertussen al lang binnen ben. Ik weet waar de koekjes staan. Ik weet hoe de koffiemachine werkt. Ik weet welke films hij al tien keer gezien heeft en toch opnieuw wil bekijken. Ik weet hoe hij kijkt als hij moe is. Ik weet hoe hij lacht. Ik weet hoe hij zwijgt. Maar ergens staat die jas nog altijd klaar. Misschien is dat wat er gebeurt als ge al eens serieus zeer hebt gehad. Ge leert dat liefde niet vanzelfsprekend is. Dat mensen vertrekken. Dat verhalen eindigen. Dat ge soms heel uw hart inzet en toch verliest. En dan wordt ge voorzichtig. Niet aan de buitenkant. Daar ziet niemand iets van. Maar vanbinnen begint ge nooduitgangen te tellen. Zoals iemand in het Sportpaleis die eerst kijkt waar hij buiten kan voor hij van het concert geniet. Niet omdat hij weg wil. Maar omdat hij gerust wil zijn dat het kan. En misschien is dat uiteindelijk wat ik nog aan het leren ben. Niet hoe ge iemand graag ziet. Dat kan ik al. Maar hoe ge uw jas uitdoet. Hoe ge ophoudt met denken aan vertrekken. Hoe ge durft geloven dat ge niet zomaar op bezoek zijt in iemands leven. Ik beken: ik heb een man. En stilaan denk ik dat het tijd is om mijn jas uit te doen. 

Katrien Daniels
74 5

Mijn cultureel dictafoontje

Zo nu en dan, wanneer ik vroeg op ben, beluister ik oude opnames. Ik doe het omdat ik wéét dat ik verrast zal worden. De eerste dateert van 11/7/2016. Er staat als titel Viviane. Ik hoor mezelf (in mijn rol als begeleidster van bejaarden) Viviane uitdagen een gedicht voor te dragen. Ze verrast me! Haar tachtigjarige stem brengt iets in het Duits, met heel veel trots. Het korte gedicht klinkt zo mooi, ik kan het helaas niet vertalen maar dat is deel van de magie. Viviane spreekt de woorden uit met plezier. Ik heb er eveneens plezier in, tien jaar later. Een week later staat de titel Amichai. Mijn eigen stem: in een tovertuin!  Een nuchtere man in een tovertuin zat, de helft in het licht, de helft vergat. Ik lees het voor uit een bundel van de dichter uit Israël. Op het eind hoor ik Viviane zeggen 'ja, dat is ook mooi'. Dan gaan we naar 14/8 van hetzelfde jaar. Jazz, is de titel. Klanken op de piano en ik wacht. Geen idee waar ik was, wie aan de toetsen zit. Dan haar stem en ik weet meteen: Melanie. Die heerlijke Melanie waar ik tegenwoordig niets meer over hoor. Applaus, het publiek beloont haar nu al, het nummer moet nog op dreef komen. De eerste dag van december, de titel Dada. Deze opname daagt mij uit, ik weet niet waar ik was, ik hoor mensen zingen over Liesbeth, over erecties, over ongeremd, groeten uit, erectie. Op het einde wordt er gelachen. Dadaïsme? Op 7/1/2017 staat 'nieuwe opname' en ik hoor mezelf spreken. Dit zwembad is groot voor haar, water dat diep de angst veroorzaakt, ze vlucht in achteruit, ze zakt bij de rand van haar kunnen, ze neemt tijd uit haar pols...ach, wat een miskleun. Toen kon ik écht geen gedichten schrijven, wat deed ik in hemelsnaam? Was ik blind voor eigen mislukkingen? Diezelfde dag een tweede opname. Gedicht voor Astrid. Een tekst voor mijn overleden zus. Ik luister, zie me  wandelen met rozen naar het nummerveld. In hemden, in rokken, de gespen in broeken...is het niet vreemd te leven zonder zoeken? Ik stel vast dat ik schreef over mijn zus en dat ze daarmee niet dichterbij kwam. Ook nu niet. Het raakt me dat ik zo afstandelijk blijf in de tekst, misschien was ik bang om bij haar dood te komen. De vlammen in kaarsen, het vuur eruit, is het niet vreemd te leven zonder zoeken? Nu ik vroeg wakker ben, op 10/6/2026 besef ik dat ik nog niets anders heb gedaan, ik heb steeds geleefd om te zoeken. Vond ik haar, vond ik Astrid? Vond ik mijn andere zus? Vond ik mijn broer? Heb ik hen ooit ontmoet?  25/1/2017, de titel Summa. Enkele klanken die lijken op mensen die in een café op koffie wachten. Ik wis de ice coffee met hazelnoot. Lamento. Hier nu, langs het lange diepe water...het is zijn stem! Hij troost me. Elke keer troost hij me, en de vrouwenstem. Altijd maar je vogelkreet. 7u55: ik ga naar buiten en loop tot bij de wisteria, een meesje onder de blauweregen. Cultuur in eigen tuin, natuur met eigen ogen op te nemen.

Ingrid Strobbe
4 0

U hebt Europeïsme

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
3 0

De naakte waarheid

Schrijven is een beetje als naakt lopen met je hersenen. Niet alleen lijkt het telkens weer alsof je nog nooit iets geschreven hebt, alsof het je eerste keer is, maar je laat ook nog eens iedereen zomaar lezen wat je denkt. Niets is zo puur en zo bloot als je diepste gedachten. Een nieuwe tekst is telkens weer een belevenis. Een geboorte. Naakt. Toen ik jong was wipte ik nog vaak. De grens over, bedoel ik dan vooral. Vanuit Lommel was je immers in geen tijd in Luyksgestel, Bergeyk, Valkenswaard en Eindhoven. Eigenlijk zat ik overal zo'n beetje. Op een keer, toen ik zo'n jaar of tien was, ging ik samen met mijn ouders en mijn nicht naar ergens en nergens. We stopten spontaan in het plaatsje Eersel, bij een strand waar we nog nooit eerder geweest waren: het E3 strand. Soms moet je gewoon doen en niet denken, dat leek het credo. To go where no man has gone before, al is dat misschien een beetje overdreven. Ach, een probeersel in Eersel, laat ik het zo noemen. Het zand was er parelwit en er vertoefden opvallend veel jonge mensen op het strand. Gezellig druk, maar ook weer niet té. Ik ben nooit een zwemmer geweest, noch een bouwer van zandkastelen. Voetballen ja, dat was mijn ding, maar dat vond mijn nicht dan weer niet al te lang leuk, dus keek ik na een tijdje zomaar wat rond. Vooral naar de meisjes in bikini natuurlijk, zo eerlijk moet ik wel zijn.  'Ik heb trek in een ijsje, mammie! Echt hele grote trek!' Een klein blond jochie met blond haar en heel wat sproetjes. Hij lag samen met z'n mama een paar meter verderop al een tijdje luidruchtig te wezen. 'Haal dan maar een ijsje, jongen. Hier is geld.' Ik keek meteen naar mijn eigen mammie en voor we het wisten deden we een copy-paste, alleen kreeg ik een groter budget mee, alsook mijn nicht, met de opdracht om dat mannetje te volgen en voor iedereen een ijsje te kopen.  Er was haast mee gemoeid, want die kleine wist blijkbaar verdomd goed waar het koude spul te krijgen was. Zelf hadden we geen idee. Hij rende een heel eind naar een soort van uitgang. Een uitgang met een pijnlijke overgang, want het ging abrupt van mul zand naar van die puntige kiezelsteentjes. Het kleine ettertje had zelf preventief slippers aangetrokken. Wij natuurlijk niet, in onze halsoverkoppigheid en zeven haasten tegelijkertijd. Een paar tientallen meters die wel kilometers leken, trippelden we naast een soort hekwerk. We waren zo gefocust op dat steeds sneller lopende rotjoch en op onze pijnlijke poten, dat we de mooie ouderwetse ijskar pas opmerkten toen we er bijna tegenaan hinkepinkten. En toen, toen we niet meer aan de achterkant stonden, toen zagen we het pas! Een hele rij roze oude mensen. Ze ... ze hadden niks aan! Geen T-shirt, geen bikini, geen short, geen zwembroek, zelfs geen string, nee, helemaal niks! Daar stonden ze. Netjes op een rij hun beurt af te wachten. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Geen hond scheen het iets te kunnen schelen dat ze poedelnaakt waren. Buiten ons. Wat zagen we ineens veel blubberbuiken en oude uitgezakte mensenkonten in allerlei vormen en schakeringen, van marmerwit naar lichtbruin, donkerbruin tot zwart, met tussendoor ook veel pijnlijk uitziend rood. Wat staarden we naar de talrijke tieten in alle mogelijke formaten. Onze monden vielen open en onze neuzen gingen spontaan de hoogte in bij het aanschouwen van zoveel (vooral grijs) schaamhaar en verrimpelde geslachtsdelen.  Ik schrijf het helemaal niet graag, maar vooral die genitaliën zorgden bij mij voor de slappe lach. Ik hield het niet meer. Zeker toen ik de grote ogen van mijn nicht en haar opengevallen mond in het vizier kreeg.  Wij waren zo ongeveer de enigen die gêne voelden, ondanks het feit dat we 'gekleed' waren. Wat een situatie! We stonden gewoon te midden van een meute blote bejaarden. Geen woord spraken we. Mijn nicht deed haar uiterste best om niet te lachen en zelf deed ik niet anders dan hoesten, proesten, onderdrukken, piepen, mijn hand voor mijn mond houden, de tranen uit mijn ogen wrijven en voortdurend naar de grond kijken. Naar de puntige steentjes die ik blijkbaar niet meer leek te voelen.  Toen het eindelijk onze beurt was en we zo ingetogen mogelijk besteld hadden, duwde de ijsjesverkoper, die gelukkig wel helemaal aangekleed was, de ijsjes in onze handen, waar ze bijna onmiddellijk begonnen te smelten.  We likten en slikten elk dan maar twee ijsjes en net toen ik me wat kalmer voelde worden en mijn buikpijn langzamerhand verdween, zag ik net voor het betreden van het strand een bord met een pijl die naar rechts wees: 'NAAKTSTRAND'. In de verte zag ik ook weer een hele zwerm senioren komen aanlopen. Snel! Weg! Wat een bevrijding achteraf, dat warme zand en die zedige jonge mensen! Waar ik daarstraks in mijn wildste prepuberale fantasieën nog stiekem droomde dat al die mooie meisjes hun bikini zouden uitgooien om naakt te zonnen, hoefde het voor mij nu even niet meer. Ik was helemaal verzadigd.  Om een of andere reden zou ik de eerstvolgende weken ook niet meer te porren zijn voor hotdogs, tv-worstjes, thee (vanwege de zakjes), pudding (zowel vanille, mokka als chocolade), meloenen of suikerspinnen.  En jij? Je was live aanwezig bij de geboorte van een tekst. Bij de hergeboorte van een herinnering. 

Danny Vandenberk
0 0

Bericht verwijderd

Er zijn zinnen die ge kunt lezen zonder ze gelezen te hebben. Bericht verwijderd. Dat staat daar dan. Grijs. Onschuldig. Alsof er niets gebeurd is. Maar er is natuurlijk van alles gebeurd. Iemand heeft iets geschreven. Iemand heeft getwijfeld. Iemand heeft op verzenden geduwd en daar onmiddellijk spijt van gekregen. Of erger nog: iemand heeft drie minuten lang zitten typen. Dat ballonnetje verscheen, verdween, verscheen opnieuw en verdween weer. Ge kent dat. En dan uiteindelijk: Bericht verwijderd. Dat is gelijk een cadeau krijgen waar iemand vlak voor uw neus het papier terug rond plakt. Ik word daar ambetant van. Niet woest. Geen stoelen-gooiend kwaad. Gewoon dat klein venijnig gevoel van: zeg het dan. Of zeg het niet. Maar laat mij niet achter met een leeg vakje en een hoofd vol scenario's. Want een verwijderd bericht is nooit leeg.  Een verwijderd bericht is een misdaad zonder lijk. Een klein grafzerkje in een WhatsApp-gesprek. Hier rust een zin. Geboren om 22.14 uur. Overleden om 22.15 uur. Oorzaak onbekend. En nu zou het schoon zijn mocht ik kunnen zeggen dat ik dat zelf nooit doe. Maar dat is niet waar. Ik verwijder ook berichten. Ik heb daar zelfs regels voor. Strenge regels. Ik verwijder enkel stommiteiten. Een bericht voor de verkeerde correspondent. Een bericht dat een halve minuut te vroeg vertrokken is. Een autocorrectie die van mijn tekst een psychiatrisch verslag maakt. Een "sleutel niet mee". Lap. Toch wel mee. Dat soort dingen. Praktische ongelukken. Geen emotionele staatsgrepen. Allez ja. Dat maak ik mezelf toch wijs. Want blijkbaar vinden andere mensen mijn verwijderde berichten ook verdacht. Dan krijg ik opmerkingen. "Wat had ge geschreven?" "Waarom hebt ge dat verwijderd?" Alsof een bericht verwijderen erger is dan iets compleet scheef schrijven en dat vervolgens voor eeuwig online laten staan als digitaal bewijsmateriaal. Verwijderde berichten is  eigenlijk ongeveer een  moderne versie van belleketrek. Vroeger belde ge aan. Dingdong. En dan liep ge weg. De mens binnen hoorde de bel, legde zijn krant neer, zette zijn koffie op tafel, deed de deur open en... Niemand. Alleen wat verwarring op de stoep. Een verwijderd WhatsApp-bericht doet exact hetzelfde. Dingdong. Uw gsm licht op. Ge kijkt. Ge voelt een lichte opwinding. Een lichte ongerustheid. Misschien zelfs een klein beetje hoop. En dan... Bericht verwijderd. Niemand aan de deur. Mijn fantasie schiet dan onmiddellijk aan het werk. Een verwijderd bericht is in mijn hoofd nooit een boodschappenlijstje. Nooit: "Kunt ge melk meebrengen?" Nee. In mijn hoofd heeft iemand net zijn liefde verklaard. Of afscheid genomen. Of bekend dat hij al jaren een dubbelleven leidt als accordeonist op een cruiseschip tussen Helsinki en Stockholm. Er is minstens één geheim kind. Een onverwachte erfenis. Een kasteel in de Ardèche. Een verloren broer die na veertig jaar plots terug opduikt. Mijn fantasie geeft een verwijderd bericht altijd een budget van enkele miljoenen euro's. Terwijl de werkelijkheid waarschijnlijk luidde: "Vergeet de vuilzak buiten te zetten." Dat is het frustrerende aan verwijderde berichten. Ge krijgt nooit de ontknoping. Ge blijft achter in uw eigen scenario. Misschien zegt dat meer over mij dan over WhatsApp. Dat kan. Maar ik denk dat we allemaal een beetje hetzelfde doen. We willen graag gezien worden, alleen liefst niet té graag. We willen eerlijk zijn, alleen liefst niet té eerlijk. We willen ons hart tonen, maar liefst met een nooduitgang vlak naast de deur. Daarom bestaan verwijderde berichten. Omdat moed soms maar twintig seconden duurt. Misschien is dat wat mij zo stoort aan dat grijze vakje. Niet dat ik niet weet wat er stond, maar dat ik nooit zal weten wat iemand heel even wél durfde te zeggen. Een verwijderd bericht lijkt een einde. Maar meestal begint daar pas het verhaal.

Katrien Daniels
79 3

'Het dolle dagboek': een nieuw fragment

In 2025 verscheen mijn dolkimische debuutroman 'Het dolle dagboek'. Als smaakmaker hierbij een fragmentje... Nadien werkte ik enkele weken als corrector voor een katholiek college bij Leuven, en dat was een minder fraaie periode. Mijn werk bestond erin om alle examens van middelbare schoolstudenten voor het vak godsdienst te verbeteren. Ik huiver nog steeds als ik eraan denk wat ik daarbij soms te lezen kreeg. Als sommige zaken niet zo hilarisch waren geweest, dan was ik op dag één al in tranen uitgebarsten. Zo veranderde een studente de naam van debekende twintigste-eeuwse theoloog Hans Kung zonder pardon in Hans Kong (en ze deed dat niet éénmaal maar zevenmaal zeventigmaal, om het op zijn Bijbels te zeggen).Op de vraag “wat is de natuur van Jezus Christus?” kreeg ik dan weer de meest onthutsende antwoorden te verwerken: “Hij is mannelijk. Dat zie je toch?”, of, ietwat naïever, “Hijtrok graag de bergen in, en ook aan grote meren was Hij vaak te vinden, dat staat in de Bijbel”. Nu besef ik wel dat de doorsnee mens vandaag de dag niet meer weet dat Christusvolgens de leer van de Kerk een goddelijke en een menselijke natuur heeft, maar van een student mag je op het examen godsdienst toch wel wat meer verwachten, vind ik. Niet dus.Een leerkracht die op een examenformulier vroeg naar de exacte benaming van een gevormde en aangestelde misdienaar, kreeg van een leerling ooit het antwoord 'alcoholist' in plaats van 'acoliet’. Alsof een goede misdienaar per definitie naar de fles dreigt te grijpen (verder dan de kelk komen de meesten gelukkig niet).

Wim Corbeel
3 0