Lezen

“Je bent nog jong!”

Ieder jaar mag ik tussen Kerst en Nieuw een kaarsje extra uitblazen. Vaak is het een vrij bescheiden dag, met een handjevol geliefden rondom me. We delen een drankje, een hapje, en lachen met de jaren die gepasseerd zijn en de jaren die nog gaan komen. Rond deze tijd neem ik ook graag een moment om te reflecteren. Eén van de zaken die ik al langer bezin, is de stijgende frequentie waarin ik te horen krijg dat ik ‘nog zo jong ben’, en ‘dat ik nog zoveel tijd heb om de zaken uit te dokteren in mijn leven’. Het lijkt haast dat hoe ouder ik word, hoe meer mensen mij op het hart drukken dat ik jong ben. Nochtans behoor ik als een eenendertigjarige man – volgens meerdere gehanteerde definities – niet meer tot de jeugd van tegenwoordig. Op mijn zesentwintigste verloor ik al meerdere jongerenvoordelen (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass), en dertig worden was de laatste nagel in de kist van mijn jeugd. Dus waarom hoor ik de afgelopen jaren steeds meer en meer dat ik ‘nog zo jong ben’?  Begrijp me niet verkeerd, de opmerking komt nooit vanuit het niets. Het is vaak een sussend antwoord op de voortdurende vraag van tijd. Ik durf mezelf omschrijven als een ‘laatbloeier’, en maak me dan ook zorgen over de gespendeerde en resterende tijd. Ga ik nu nog kinderdromen najagen wanneer ik me eigenlijk moet focussen te settelen? Verrassend genoeg krijg ik meer en meer een milde ‘ja, ga ervoor’. ‘Waarom ook niet?’. ‘Je bent nog jong’. Minder kritiek, minder sneren, minder twijfels. Voornamelijk aanmoediging, en de tedere herinnering om mijn tijd te nemen. En hoewel ik dankbaar ben om omringd te worden met geduld en zachtheid, vraag ik me ook af waarom ik dit meer en meer krijg nadat ik zesentwintig jaar werd. Ik kijk terug naar mijn tienertijd, waar ik me ouder – niet per sé volwassener! – voelde dan dat ik nu ben. Hoewel ik daar ook regelmatig aangemoedigd werd om dromen te volgen, voelde de tijd en ruimte véél spannender en benauwder aan om te beslissen wat je nu echt wilt doen. Waar je thuishoort. Wie je wereld is. Sommige jongeren worden op hun twaalfde al opgeleid voor een stiel waar ze dan de rest van hun leven inzitten. Op hun zestiende krijgen ze te horen dat het dan te laat is om te wisselen. Ze zijn gezet voor het leven. Het lijkt alsof we elkaar iets sneller ademruimte willen gunnen, iets meer genade willen tonen, wanneer we ouder zijn. We zien de sluimerende onzekerheden in elkaar, en wensen dit te zalven: ‘Je bent nog zo jong’. En hoewel ik heel dankbaar ben voor de mildheid die ik nu meer en meer krijg, de ademruimte om te exploreren en experimenteren, zou ik ook graag de mildheid van jong-zijn willen geven aan onze huidige jeugd. Degenen die wel jonger dan dertig zijn, en die nog wel gebruik konden maken van de jongerentreinpas – mocht deze überhaupt nog bestaan (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass, tout cours).  De manier waarop nu over jongeren gesproken wordt door sommige ‘volwassen’ mensen druipt van pure minachting. Er lijkt steeds minder ademruimte te zijn voor jongeren die zich zorgen maken over hun toekomstkansen en welzijn. En dan spreken we niet eens over de kinderen en jongeren die niet de kans krijgen om volwassen te worden, om te horen dat ‘ze nog zo jong zijn’. De wereld dreigt boven hun hoofden, hun families en gemeenschappen worden uiteen gereten, en de hemel kan ieder moment boven hen instorten. Het zijn niet kinderen en jongeren die verantwoordelijk zijn voor de acties en beslissingen waar zij het ultieme slachtoffer van zijn. En toch krijgen zij continu te horen dat ze moeten zwijgen, geen verweer of verzet mogen geven, en dankbaar moeten zijn dat ze nog niet alles verloren zijn – als dit zelfs maar de realiteit is voor hen. Apathie en hopeloosheid aanwakkeren lijkt het doel van onze ‘volwassenen’ voor de jeugd van tegenwoordig. Al een geluk dat de jeugd dat niet zomaar slikt! ‘Je bent nog zo jong’, zeggen we tegen elkaar. Het is een zalvend mantra voor het innerlijk kind. Ik ben dankbaar voor de mildheid die me steeds meer en meer gegund wordt. Ik gun het ademend kind en jongere even hartelijk het jong-zijn dat wij elkaar zo graag toewensen.

Eden Oscar
0 0

Het was nacht en de kleur Barbie.

De kleur was Barbie-roze. De wijde zee begreep er niets van, en toch kon zij dit meisjesschip dragen. Ik voelde me klein, liep met grote ogen over het pluchen dek. De kajuiten waren opgetrokken uit hetzelfde aaibare materiaal.  Gelieve de eetzaal op tijd te bereiken!, zei een nadrukkelijke stem. Toen gebeurde het. Toen kwam het besef dat ik hem kwijt was. Paniek in mijn botten deed mijn lichaam bewegen en accelereren als een snelle wagen. Tot het volle besef kwam ik pas onderweg; ik was ook onze hut vergeten, het nummer dat ik had moeten onthouden. De gangen leken allen op elkaar. Ik liep ze in en weer uit, ze brachten me in de war, nergens vond ik hem. De gedupeerde vrouw had de cruise geboekt bij Tui in januari 2026. Ze wil met haar verhaal lotgenoten bereiken. De reisorganisatie is niet bereikbaar voor commentaar maar zal het voorval onderzoeken. De gepensioneerde reizigster rouwt om haar verlies nabij de Noorse kust. Plots bevond ik me op een speedboot. Ik schoof van links naar rechts op een spekglad dek. Adrenaline zoefde door me heen, van kop tot teen zocht ik houvast tot het mij te machtig werd, ik riep om hulp met mijn armen rond een glanzende paal, mijn voeten hangend in het niets boven het opspattende water. Help me! Help dan toch! Sssttt, hoor jij dat ook? De kapitein luisterde beter. Iemand, help me dan toch! Aan wal moest ik lang bekomen, het drong daar tot me door. Ik had echt niets meer, geen gsm om mijn leven op te nemen.   (metamorfose in stijl= stijlbreuk)

Ingrid Strobbe
5 1

Mezelf

Wanneer ik alleen op kantoor ben, werk ik niet. Dan doe ik niets, zoals elk verstandig mens zou doen. Als ik productief wil zijn, moet er bijna altijd iemand in dezelfde ruimte zijn—een stilzwijgende getuige, een adem die bewijst dat ik besta. Alleen, in die stille kamers, geef ik mezelf over aan wat men nutteloos noemt: naar buiten staren, gedachten laten meanderen, dromen, hopen. Voor mij is dit geen luiheid, maar de logische aard van dingen. Pas wanneer iemand kijkt, begin ik te bewegen. Hun ogen dwingen mijn handen. Zodra ze zich afwenden, verstil ik opnieuw, als in een omgekeerde versie van het spel 1, 2, 3 piano. Hun blik is het sein; zonder dat signaal sta ik stil, als een klok die niet meer tikt. Vrij voel ik me zelden in het gezelschap van anderen. Hun nabijheid is een muur, hun ogen een last. Ik word me hyperbewust van hoe zij kijken, hoe zij denken, hoe zij oordelen. Mijn meningen zijn geen rotsen maar rimpelingen in water, altijd verschuivend met hun gemoedstoestand. Als zij lachen, vind ik ernst; als zij huilen, zoek ik lichtheid. Ik word een spiegel waarin zij zichzelf zien, maar nooit mij. Mijn vrijheid ligt verstopt in momenten van eenzaamheid, als de wereld slaapt en ik dans in stilte. Dan ben ik lichtvoetig, onbekommerd, een kind dat zingt zonder publiek.   ’s Morgens vroeg, wanneer de huizen zwijgen en de lucht nog koud is, eet ik mijn portie vrijheid als ontbijt. Soms verzaak ik mijn plichten, ontvlucht de kaders van het alledaagse en wandel alleen het bos in. Daar, onder het baldakijn van bladeren, deel ik mijn gedachten enkel met bomen en vogels. Zij oordelen niet, zij vellen geen vonnis over mijn bestaan. Voor hen ben ik niet meer dan een voorbijgaande schim, en juist daarom voel ik mij vrij.   In het bos dans ik, maar mijn dans is vermomd als traag wandelen. Mijn lied klinkt stil, opgeslokt door de ruis van de bladeren. Ik probeer de omgeving op te snuiven, haar vast te houden, haar in mij op te slaan—wetend dat het vergeefs is, dat ik slechts een flard kan meenemen. En toch doe ik het, steeds opnieuw, alsof dat kleine stukje genoeg kan zijn om alles te dragen.    

Piet V.
6 0

Kamer in Oostende

‘Ik ben hier mijn hart verloren,’ zeg je. Ik knik bevestigend. Als jij dat niet had gezegd, dan had ik het gedaan enkele seconden later. ‘Spreek je dan over twee jaar geleden, De Letterie?’ Ja, dat deed je. Het is hier, in Oostende, waar we elkaar leerden kennen, samen met een tiental andere beginnende en gevorderde schrijvers tijdens een tiendaagse schrijfbootcamp van De Letterie. ‘Dat was echt een magische tijd,’ voeg je er nog aan toe. ‘Vooral ook een magische plek,’ zeg ik. We wandelen langs de kust en je wil graag even helemaal tot aan de zee gaan. Je vertelt zoals altijd honderduit, over van alles en nog wat, en het is allemaal boeiend en soms bijna niet te geloven. ‘Hoe is het met je boek?’ vraag ik tijdens een zeldzame stilte. Je lacht. ‘Heb je een uurtje of twee?’ Nu is het mijn beurt om te lachen, want opnieuw zou ik hetzelfde kunnen antwoorden. Toch doe je het relaas van de voorbije twee jaar, met je blik letterlijk en figuurlijk op oneindig. ‘Ik heb een knop omgedraaid, helemaal opnieuw begonnen.’ We naderen het golvende water, dat zich mengt met je woorden. ‘Onlangs ben ik blootvoets van dat oude huis daar,’ — je wijst naar een prachtige villa uit 1885, Villa Maritza, een van de laatst overgebleven belle-époquewoningen aan de kust — ‘helemaal tot in de zee gewandeld. Zo ben ik een halfuur blijven staan. Het was pikdonker.’ ‘Was dat niet koud?’ ‘Bèrekoud’. We hebben het over eenzaamheid, politiek, de definitie van mannelijkheid, sektes, sociaal engagement, vriendschap, schrijven, boeken en Oostende. En ook over zeehonden — en vooral hun verrassende afwezigheid, waardoor we dan maar genoegen nemen met een loslopende hond-aan-zee. ‘Eigenlijk ben ik wel eenzaam,’ zeg je plots. Je zegt het alsof je het al lang geleden hebt geaccepteerd. Hoewel dat voor mij niet als een totale verrassing in de oren klinkt, is het toch gek om dat te horen van iemand die extreem sociaal en extravert is. Je komt werkelijk overal en iedereen lijkt jou te kennen. ‘Alles hangt aan elkaar,’ zeg je. En ik denk: daar zorg je zelf mee voor. We lopen tot aan de grote bronzen zeeschelp op de strekdam en keren terug om ergens te gaan lunchen. Ik had Oode voorgesteld, het leek me wel gezellig. ‘Vind je het goed om eerst even langs De Witte Zee te gaan?’ Natuurlijk vind ik dat goed, al moet ik mezelf altijd forceren er niet buiten te lopen met een stapel boeken terwijl ik er nog genoeg heb om te lezen. Je moet voor een leesclub Moet dwalen van Charlotte Mutsaers lezen. Een vreemde titel, en ik bedenk dat die voor mij perfect bij Oostende past. Oostende noopt als het ware tot dwalen. We lopen binnen bij De Witte Zee. En ook hier is het steeds van moeten dwalen: dwalen door de eerste pagina’s van verschillende romans. In mijn handen groeit organisch een stapel boeken: Stefan Zweig, eentje van Koen Peeters dat ik moet lezen van mijn vrouw (zie titel van deze blog), het heruitgegeven debuut van Lara Taveirne en Aline, het nieuwe boek van Heleen Debruyne. ‘Heb je deze al gelezen?’ Je streelt over de rug van Alkibiades. ‘Zoiets is niet aan mij besteed,’ geef ik toe. Niet door de inhoud, wel door de omvang. Ik kan zeker lijvige boeken lezen, maar niet vol namen en data, dan raakt mijn brein oververhit. Je blijkt hetzelfde te hebben, want je hebt het audioboek beluisterd. ‘Elke dag heb ik geluisterd, weet je hoelang dat heeft geduurd? Een maand!’ Over elk boek dat ik vastneem, kan je iets vertellen en ik ben onder de indruk van je kennis en overgave. In die mate zelfs dat ik wat overprikkeld ben en alle boeken die ik vasthield weer in de kast zet. Samen met Moet dwalen leg je nog een klein boekje op de toonbank, getiteld Technologie is politiek van Paola Verhaert, iemand die je natuurlijk al hebt ontmoet. ‘Het lag hier op jou te wachten,’ lacht Eva. Het is het laatste exemplaar en ietsje beschadigd, je krijgt het mee voor vijf euro. Gulzig strooi je met woorden en verhalen op de weg naar onze lunchplek, en ik hang aan je lippen. Je hebt dan ook zoveel te vertellen, de talloze knotsgekke situaties waarin je verzeild raakt spreken tot de verbeelding. Je hebt het over iets uit de psychologie. ‘Ik vergelijk die theorie altijd met Star Wars: er zijn mensen die hun energie gebruiken om anderen te manipuleren en vooral aan zichzelf denken (the dark side) en dan is er ook de andere kant, de kant van het licht. Zij gebruiken hun energie om anderen te helpen, om hen te laten uitstijgen boven zichzelf. Ik weet dat jij dat laatste doet, maar het mooie is dat je ook boven jezelf uitstijgt. Twee vliegen in één klap. We nemen afscheid, zodat jij nog naar een optreden in Kortrijk kan treinen. Dat je nog energie over hebt, verbaast me niets, maar mijn lepeltjes zijn op. Ik kijk ernaar uit om me terug te trekken in mijn tijdelijke kamer in Oostende bij de geweldige Maaike en Emmanuel, waar ik de volgende dag geheel onverwacht nog aan de ontbijttafel beland met niemand minder dan Heleen Debruyne, in het gezelschap van haar zoon Hermes en vriend Frank D’Hanis, die net als ik lesgeeft en wiens kritische teksten ik al lang bewonder. Het wordt een interessante en gezellige ochtend. Had ik dat boek maar gekocht, zeker omdat Aline op de longlist staat van de Libris Literatuurprijs. Ach ja, ik zal spoedig terugkeren naar Oostende, met het boek dan. Die middag wil ik nog een stukje verder schrijven aan een kortverhaal, maar alle indrukken van het voorbije weekend wringen zich eerst uit mijn pen. Ik neem ze mee naar Antwerpen, samen met een dosis zeelucht en inspiratie. Oostende, tot gauw. Hier een foto van een verdwaalde zeehond.  

Lennart Vanstaen
6 2

Haakjesdagen

Of het nu ochtend, middag, avond of nacht is, met hangende pootjes, van een koude kermis of een gezellig feest ... Ik hou van thuiskomen. Ik doe het nooit langs de voordeur. Die is immers voor officiële bezoekers, desnoods voor pizza- en pakjesbezorgers. Thuiskomen doe ik langs de zijdeur. Huppelend de trapjes op, sleutel in het sleutelgat, drie draaitjes en hupsakee.  In het donker doe ik alles op de tast. Achter mij de deur weer sluiten en pas daarna gaat het licht aan. Wie thuiskomt in het donker en vermoedt dat alle andere gezinsleden er al zijn, sluit de deur en hangt de sleutel aan het haakje aan de muur. Dat is een huisregel. Niet dat officieuze bezoekers 's avonds niet meer welkom zijn, maar regels zijn regels. Ze zijn de sleutel tot succes. Daar valt niet over te discussiëren. Het zijn gewoontes die uitgegroeid zijn tot wetten, eens ze hun nut bewezen hebben.  Gewoonten zijn nog losjes, zoals het woord zelf. Daarom heeft het woord ook twee meervoudsvormen. Gewoontes en gewoonten. Ze zijn gewoon, je wordt ze gewoon. Een gewoonte impliceert vrijheid. Kies maar. Wat je ook doet, het is nooit fout. Mensen die je kennen zullen bij afwijkingen hooguit de wenkbrauwen even fronsen en denken: dat is niet van zijn gewoonte. Op zich nog geen reden tot paniek. Huisregels daarentegen zijn wetten. Hard en onwrikbaar. Die overtreed je niet. Die leef je na. 'Hou je haaks,' zeg ik telkens tegen de sleutel, nadat ik hem gezwind aan het haakje heb gehangen. Hij lijkt er altijd mee te schuddebuiken, wiebelend van links naar rechts. Pas als hij uitgedanst is, loop ik door. Als het licht is, gaat het er veel losser aan toe. In de zomer staat de zijdeur bij wijze van spreken altijd open. Ze is de actiefste deur van heel het huis. Ze is binnen en buiten. De sociale deur, die in principe altijd en voor iedereen openstaat. De deur waarlangs je welkom bent. Het toegangspoortje tot ons knusse huis, onze veilige thuis en tegelijkertijd de grote poort naar de buitenwereld.  En toch ... Toch zijn er van die dagen ... Kerstdag is al een paar keer zo'n dag geweest. Soms gebeurt het maar één keer op een jaar en meestal besef je pas 's avonds dat het zo was, met een glimlach. Een dag waarop de sleutel niet van het haakje komt. Een haakjesdag, een dag waarop niemand van het gezin nood had aan de buitenwereld. Alleen aan elkaar. Een gezinsonderonsje. Ongeveer het tegenovergestelde van een gezinsuitstap. Een dag waarop je beseft dat je gezin je alles is. Een dag die voorbereid is en tegelijkertijd verrassend verloopt. Een genietdag die letterlijk en figuurlijk alles in huis heeft om gezellig te zijn, ook al omdat je de dagen ervoor alles in huis hebt gehaald qua mondvoorraad.  Waar ik nu ineens aan moet denken ... Als je een vogeltje als huisdier hebt, opgesloten in een kooitje, weet je nooit of het vogeltje echt van je houdt. Open je het deurtje, en blijft het toch altijd bij je in de buurt, dan weet je 't zeker.  Een haakjesdag is een dag waarop we opgesloten zitten, zonder het te beseffen. Cocoonend, zoals dat heet, zo met elkaar verweven dat we ons ontpoppen als vrolijk fladderende vlinders. Smullend van elkaars gezelschap en eventueel af en toe van een hapje uit de oven. Huismusserij en toch vrij. Niet dat we dan constant aan het haardvuur zeemzoete liedjes zitten te zingen uit The Sound of Music, samen wafels bakken of ganzenbord spelen. Zo romantisch is het nu ook weer niet. En dat afgeslotene van de buitenwereld neem je best ook met een flinke korrel zout, want via het internet haal je heel de wereld naar binnen, ook als het buiten naar is. Maar we amuseren ons, ongedwongen. En niemand haakt af. Zelfs de sleutel geniet in stilte mee.  Tussen haakjes, ze zijn zeldzaam, haakjesdagen. Echt veel te zeldzaam.             

Danny Vandenberk
0 0

De reunie

De foto waar J. nu al enkele minuten onafgebroken naar staart, is genomen in de herfst van 2015, ondertussen tien lange jaren geleden.   De foto beslaat twee pagina’s. Aan de rechterzijde staat een boom met kersenbloesems, Sakura in het Japans, het symbool van een nieuw begin en de vergankelijkheid van het leven. Het symbool dat de laatste tien jaar omvat. De kersenbloesems zijn klaar om het werk en hun leven neer te leggen. Hun tijd is gekomen. Aan de andere zijde, links op de foto, zit een koppel innig verstrengeld op een bank. Ze kijken uit op het grootste en mooiste meer van China, gelegen in Hangzhou, vlakbij Shanghai. Het meer is, zoals gewoonlijk deze tijd van het jaar, verzwolgen in de mist. Op de achtergrond zijn nog net de zwartgeblakerde rotsen, verduurd door erosie, te zien aan de overzijde van het meer.  Mijmerend en vol melancholie denkt hij terug aan deze tijd en aan zijn beste vriend, die deze foto nam. Enkele minuten voor J. zijn toenmalige vriendin E. ten huwelijk zou vragen, moest deze foto dienen als een aandenken, een herinnering van de start van de rest van hun leven samen, als drie musketiers. Een eindpunt en een nieuw begin, een overgangsritueel naar de rest van hun leven. Ze zijn altijd samen geweest en zouden altijd samen blijven. Het leven is makkelijker te dragen met drie.  J. ontwaakt uit zijn dagdroom door zijn ringtone en merkt de eerste zonnestralen op die zijn kamer binnendringen. Tijd om in actie te schieten. Hij zucht. Het wordt nog een lange dag.       - E. geniet van haar ochtendkoffie terwijl ze in de verte staart. Terugdenken aan dat mooie jaar in China, nu reeds tien jaar geleden. Ze zit in haar knusse hoek, zoals ze dit noemt; enkele kussens in haar binnenshuis balkon van haar appartement op de tweede verdieping in hartje Brussel. Ze staart naar de hemel, verdronken in gedachten. Het begin van de dag zo lang mogelijk proberen uit te stellen.  Vandaag is het zeven jaar geleden dat M., de beste vriend van J. en haar, overleed. Het is ook exact tien jaar geleden dat J. haar ten huwelijk vroeg. Toeval bestaat niet. Eens het ongeluk binnensluipt, kom je er nooit meer vanaf. De kat sluipt nonchalant voorbij, op zoek naar een aaibeurt. De hond ligt te snoezen aan haar voeten.  Ik wist dat vandaag een moeilijke dag ging zijn, denkt ze bij zichzelf. Tien jaar geleden. Ach, wat vliegt de tijd.   Ze kijkt op haar horloge, nipt nog eens van haar koffie, zet haar tas neer, geeft de hond nog een aai over haar bol (de kat heeft haar poging opgegeven en lijkt niet meer geïnteresseerd). Gelukkig heb ik jou nog, zegt ze zacht. Ze kijkt nog eens op haar horloge en staat dan recht. Tijd om zich klaar te maken. Tijd om de dag te beginnen. De herdenkingsdienst is binnen een uur. Binnen een uur staat J. hier. - Tien minuten voor negen staat J. een sigaret te roken net om de hoek van de straat waar het appartement van E. is gelegen. Hij kijkt op zijn telefoon. Zijn vriendin wenst hem veel sterkte en stuurt een liefdevolle emoji mee. Hij glimlacht en stuurt terug dat hij van haar houdt. Hij steekt zijn telefoon terug in zijn broekzak, sluit even zijn ogen en probeert te genieten van de eerste zonnestralen in een verder grauw, grijze en winderige herfstdag.  Waarom had hij in godsnaam ja gezegd? Soms moet men het verleden toch laten rusten. Nog even alle moed verzamelen. Hij trekt nog eens van zijn sigaret, blaast de rook uit, gooit de sigaret op het asfalt en duwt hem uit met de teen van zijn schoen. Hij steekt een kauwgom in zijn mond.  Ach, nu plots elkaar weer terug zien, denk hij bij zichzelf. Na al die jaren. Had ze toen maar ja gezegd.  Hij kucht en zucht nog eens. Laat deze dag maar snel voorbij zijn.       - E. staat voor de spiegel . De jaren zijn te lezen op haar gezicht, maar zullen snel verborgen worden onder een laag zorgvuldig aangebrachte make-up. Een traan rolt over haar wang. Wat bezielde me toen toch?   Had ik maar ja gezegd.   De bel gaat. Verdorie, zegt ze tegen zichzelf, waarom moet hij altijd zo vroeg zijn? Altijd zo punctueel. Ze checkt nog eens haar mascara, doet wat parfum op en wandelt naar de deur. Met de klink al in haar hand blijft ze enkele tellen roerloos staan. Even op adem komen. Of toch proberen. 3.2.1. Ze opent de deur.  ‘Hey! Welkom!’  Ze zet haar beste glimlach op, hoewel haar hart weer in duizend stukken breekt bij de eerste aanblik. ‘Hey E., lang geleden.’  Hij heeft onmiddellijk spijt.  Hij twijfelt tussen een kus of een knuffel, schuifelt even heen en weer en besluit dan maar voor een handdruk. Het kan niet meer intiem zijn.   E. schudt zijn hand en zegt:  ‘Kom binnen, kom binnen.’ Ze opent de deur volledig, zet een stap opzij en strekt haar hand uit om J. naar binnen te begeleiden.  ‘Goed hier geraakt?’  

Wout
4 0

De kans

Het raam staat op een kier. Buiten schuren trams over de sporen, met bellen en kabaal. Auto’s stoppen en trekken weer op voor de verkeerslichten. De airco draait overuren en galmt in mijn oren. Een vrouw schreeuwt tegen een man. Het is de heetste dag van het jaar. Binnen praat een vrouw tegen haar psychiater. ‘K bedoel, het is zeg maar den eerste keer dat ik echt het gevoel heb dat ik voor iets leef, een doel heb ofzo, snapt ge? Hiervoor was m’n leven echt naar de kleurpotloden.U zegt? Elke dinsdagmiddag om 14u heeft ze een sessie bij me. Altijd net na mijn lunchpauze - een broodje tonijn pikant. Al weken komt ze langs en toch staan we nog nergens. Dit is de eerste keer dat ze echt zichzelf openstelt.  Awel ja, kleurpotloden. Ze lacht om mijn verbaasde blik. Ons ma dierf nogal weleens vloeken in huis, da was eigenlijk echt een gemeen mens, maar wilde da nooit doen voor onze neus, dus zei ze opt laatste moment altijd just iets anders. Ik vond da wel grappig, dus ben ik het ook gaan doen.Aha, kleurpotloden dus. Maar, wat is er nu dan anders?  Awel ja, het kindeke in mijne buik eh.  * Er staat een stoel langs elke kant van de tafel. Het is mijn eerste gesprek met mijn advocaat nadat ik de brief in de bus kreeg dat ik was opgeroepen als getuige in deze zaak. Twee koppen koffie en een thermos staan aan de zijkant van de eiken tafel. Zijn gsm ligt klaar om het hele gesprek op te nemen, standaardprocedure. Dit kan weleens een lange dag worden. Ik weet zelfs niet of ik het me allemaal nog herinner. Ik heb moeite om me te concentreren, mijn hoofd bonkt nog na van de muziek van gister, te hard gegaan in de Carré. Goed Jef. We weten allebei waarom je hier zit. Het enige dat ik van je vraag is om eerlijk te zijn tegen mij. Enkel dan kan ik je juist vertegenwoordigen. Niets achterhouden. Je weet dat ik zwijgplicht heb. Meester Pauwels is een oude familievriend, opgegroeid met mijn vader. Hij bereidt me voor, zodat ik de waarheid en niets dan de waarheid zeg. Ach, misschien een klein beetje verbloemd, maar dat deert allemaal niet. Dit komt allemaal in orde. Begin maar bij het begin, Jef. Ik had net mijn eigen prestigieuze praktijk geopend op de hoek van de Kerklaan en de Lippensdreef. Na een jarenlange stage bij mijn mentor - tevens mijn dooppeter Karel Verschueren, je kent hem wel - was het tijd om mijn vleugels uit te slaan. In alle eerlijkheid was zij mijn eerste cliënte. Haar naam was Vanessa.  Ze zat in de bruine leren fauteuil van Chesterfield die ik speciaal gekocht had om mijn werkruimte te bekleden - comfortabel doch elitair en een beetje waardigheid uitstralen. Mensen kwamen uiteindelijk toch naar hier om hun zwartgalligheid uit te spuwen op het nieuw gelegde parket, dan maar beter in een uitstekende zetel. Als ik dan toch moest luisteren naar de mensen hun miserie, dan maar beter met wat comfort. Sorry, maar waarom ben je eigenlijk psychiater geworden? Je praat erover alsof het je allemaal niet interesseert. Goh, het betaalt goed. En het enige dat ik moet doen is luisteren en pillen voorschrijven. Het was de makkelijke oplossing, in de voetstappen van onze pa treden. Ik voel mijn handen tintelen, de hoofdpijn gaat niet over. Ik hunker naar mijn bed. Pauwels blijft me stoïcijns aanstaren. Oké, ga maar verder. Ik had de muren geel laten schilderen. Ergens had ik gelezen dat de kleur van de zon liefde en verdraagzaamheid uitstraalt. Aan de muur hing een schilderij van een niet nader genoemde kust waar ik opgroeide. Ik zie zijn wenkbrauw omhoog gaan. Hij duwt zijn bril rechter op zijn neus. Oké, vertel me nu maar over jullie sessie.Ik zucht en ga verder. Ze droeg een zwarte jurk boven een wit T-shirt. In haar rechteroor hingen enkele opzichtige piercings, haar haar viel constant in haar gezicht, alsof ze het wilde verbergen. Ze had een ring in haar neus. Dat haar was trouwens zwart geverfd. Dat viel me direct op, haar natuurlijke kleur begon er alweer door te schijnen. Ik vond dat ze er beter zou uitzien met blond haar, maar bon. Ze droeg ook zwarte nagellak en van die geile bordeaux laarzen tot haar knieën.   Ze was niet ongewoon dik of dun, lang of kort. Een doodgewoon meisje uit de straat, al had ze wel een spin getatoeëerd op haar rechterarm.. Vast een gevolg van een turbulente puberteit en afzetting tegen de ouders, klassiek. In ieder geval, geen mens zou naar haar omkijken, dat was al snel duidelijk. Wat ik maar wil zeggen, Pauwels, geen mens keek naar haar om. Ze voelde zich alleen op deze wereld.   * Je bent zwanger? Mijn gedachten dwalen al af naar de afspraak van vanavond. Wat zal ik aantrekken? Misschien die ene polo die ik kocht in Londen, lekker strak, mijn spieren accentueren. Nee, ik kan beter met mijn hoofd hier nog even blijven. Nog even geld verdienen voor ik kan ontspannen.  Ja, ik zen zwanger. En ik wil het houwen ook.Al doen ik het alleen. Dees kind wordt het beste wat ik ooit heb meegemaakt in mijn leven. Ik zen zo enthousiast hierover, snapt ge? Wat is er schoonder dan een kind? Dees schatje gaat alles oplossen. Ze wrijft met haar hand over haar buik terwijl ze het vertelt en glimlacht alsof ze gelukkig is. Ik maak een notitie in mijn schrift en kruis mijn rechterbeen over mijn linker, adem uit door mijn neus.  Proficiat. Ze verwacht dat ik dit zeg, zelfs als ik het niet meen. En is de vader even gelukkig?  Ja merci merci. Goh ja, mijne vriend nie echt eigenlijk. Als ik eerlijk moet zen, de meeste mensen reageren nie zo positief. Maar dat kan me allemaal nie schelen, ik hou het en daarmee basta. Ik kan dees en ik wil dees.  * Een paar weken later sla ik de krant open en nip van mijn tas koffie, een latte macchiato uit mijn peperduur koffiemachine. De date van gisteren zit nog vers in mijn hoofd, de persoon in kwestie nog rustend in mijn bed. Ik glimlach. Op pagina drie van de krant staat een krantenkop die mijn aandacht trekt. Ik heb haar al weken niet meer gezien, maar weet meteen dat het om haar gaat. En ik begrijp meteen waarom ze niet kwam opdagen op onze laatste sessie.  Niet iedereen heeft het talent om te leven, terwijl iedereen het talent heeft om te sterven, denk ik bij mezelf. Ik sip nog eens van mijn koffie, verslik me niet, sta recht en keer terug naar het bed waar zij nog ligt te snoezen. Het zal een heerlijke zondag worden. De krant ligt nog opengeslagen op pagina 3. De krantenkop luidt:  Vrouw (26) springt van brug met pasgeboren kind in haar armen.       —  

Wout
0 0

Het besluit

Gebaseerd op feiten Toen Iris tien jaar geleden de telefoon kreeg dat haar vader was gestorven, wist ze nog niet dat haar leven schijnbaar voorgoed tot stilstand zou komen. Ze zei tegen haar huisgenoten dat ze onverwachts terug naar huis moest, stopte het hoogstnoodzakelijke in een tas en ging op weg. Ze zou nooit meer terugkeren. Ze liet dit leven achter om voor haar moeder te zorgen. Ze besloot om bij haar moeder in te gaan wonen en vond een job als nachtzuster op de dienst oncologie in het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Op die manier, zo redeneerde ze, had ze overdag ruimte genoeg voor haar moeder. Tijd voor buitenwerkse activiteiten was er amper; tussen zorgen voor haar ouder wordende moeder en de emotioneel zwaar beladen job in het ziekenhuis was er enkel tijd voor slaap - en zelfs dat kwam ze te kort. Nu is ze 38 jaar, ongehuwd en zonder enig noemenswaardig sociaal leven wanneer ze Thomas elke nacht aan het ziektebed van zijn vrouw ziet zitten.  * Verdriet is eenzaam. Iedereen ervaart het op zijn eigen manier, terwijl geluk samen wordt beleefd. Het is verdriet dat bepaalt wie je echt bent, wie je maakt tot wie je bent.  Blijven is opgeven; mijn dromen, mijn idealen, mijn wil irrelevant.  Hier heb ik niet voor getekend, dit wil ik niet. Een mens moet zichzelf op de eerste plaats zetten om te overleven. Ten koste van alles.  De zachte tik op de deur ontwaakt me uit mijn gedachtenstroom. Ik kijk op en zie ze treuzelend voor de deur staan. Ze houdt lege ampullen vast, straks zullen ze gevuld zijn met bloed. ‘Hey Iris.’ ‘Hey, sorry, het is tijd voor een nieuwe bloedafname. Heb ik je wakker gemaakt?’ ‘Nee hoor, slapen hoort al even niet meer tot de mogelijkheden.’ Ik probeer een glimlach te forceren om mijn lippen. Het mislukt.  * Een blik kan je hart breken.  Het is al laat in de avond die donderdag  wanneer het telefoontje komt. Enkele uren voordien waren ze nog maar op consultatie geweest, om te kijken wat er mis was. Slecht nieuws komt altijd laat op de avond. Steeds een regenachtige dag, in de koude en de kilte. De zon heeft geen rol in zo'n verhaal, ook hier niet. De vooruitziendheid van het lot.   Hij ziet het onmiddellijk in haar ogen: dit is geen goed nieuws.   De dokter belt namelijk terug. Ooit, nog niet zo lang geleden, was zij een spring-in-het-veld. Een prachtige vrouw, vol met passie en vuur. Dat vuur lijkt nu te zijn gedoofd.Een verklaring is er nog niet, maar die zou er snel zijn. Haar ogen staan dof, haar gelaat grauwgrijs, de vermoeidheid spreekt uit alle gelederen van haar lijf. De dokter zegt dat ze de volgende dag naar het UZ Leuven moeten, er is iets ernstigs mis.  Gasthuisberg dus. De fabriek zoals zij het nu noemen.  Zo groots, vol met machines en werkers om de mens weer gezond te maken. Het wordt hun nieuwe thuis voor het komende jaar. De plek waar ze meer tijd spenderen dan in het huis waar ze al hun hebben en houden hadden ingestoken. En ook geluk. Wat waren ze gelukkig geweest. Dat geluk leek te smelten voor hun ogen: aan het ziekenhuisbed van de vrouw waarvan hij ooit dacht zijn hele leven mee te delen. In goede en kwade dagen. De kwaadheid krijgt een naam. Het monster huist in haar. Het verdriet is kanker.   Kanker stinkt. Het rot het lichaam van binnen uit. De chemo verbrandt alles tot in het diepste van de ziel. Zoals de mens op een bepaald moment doorhad dat brandlandbouw later de grond opnieuw kan cultiveren, zo brandt chemo alles weg in het lijf, zodat de mens later weer gecultiveerd wordt, zonder het beest in haar.   Hij beseft dat hij van haar moet houden, zelfs als ze daar ligt, amper overlevend, maar hij kan het niet. Niet meer. Dit is niet meer de persoon waarvan hij ooit gehouden had. Wie is er om hem te helpen? Hij zoekt naar troost in de donkerte. Weet met zichzelf geen blijf. Soms loopt het leven zo. Het is niet eerlijk. Niemand kiest voor kanker, niemand kiest voor lijden. Iedereen wil  kiezen voor geluk, voor liefde. Daar wil hij naar rennen. Die gedachte sust hem. Hij valt in slaap en droomt over lang vervlogen tijden.  * Hij was bloednerveus voor hun eerste date. Hij rookte vijf sigaretten na elkaar, mondspray en parfum telkens bij de hand zodat ze het niet merken zou. Hij was - zoals gewoonlijk - veel te vroeg. Een uur van tevoren stond hij al ijsberend  aan de ingang van het museum. Beter te vroeg dan te laat, dacht hij bij zichzelf. Het was haar idee om de nieuwe tentoonstelling in Bozar te bezoeken. Hij had hier nog nooit een voet binnen gezet, maar durfde geen nee te zeggen; alles voor een goede eerste indruk. Ze kwam aanlopen in al haar kleurenpracht. Een wollen sjaal van paars en rood, een gele lange winterjas en blauwe sneakers met oranje veters. Haar haren waren in een messy bun, haar stem krachtig en zinderend. ‘Hey, Thomas? Hoihoi, sorry dat ik wat te laat ben, ik moest nog naar de markt mijn nieuwe kindjes ophalen en dan Sarah thuis water geven, de tijd uit het oog verloren!’De blik in Thomas zijn ogen zou Line nog jaren later doen huilen van het lachen als ze eraan terugdacht.‘Sorry, ik kan soms chaotisch zijn, uhm, ik noem mijn planten mijn kindjes. Ik kan namelijk zelf geen kinderen krijgen en dan is dit the next best thing. Oei, sorry, ik kan ook een flapuit zijn, misschien geen eerste date-materiaal. Bon dat weet je dan, hoi, ik ben Ella! Hoe gaat het met jou, sta je hier al lang?’Thomas stond perplex, verwonderd, bewonderend naar haar te kijken. Lines wervelende zijn had hem helemaal omgewaaid. Hij was reeds verloren. Wanneer hij dit verhaal later aan zijn vrienden vertelt, zal hij soms beweren dat hij op dat moment verliefd op haar wordt. Op andere dagen, andere momenten, in andere verhalen, zal dat moment later vallen. * Het leven van een nachtzuster kan saai zijn. Eenzaam. De meeste mensen blijven namelijk niet ‘s nachts bij de zieke. Het leven gaat verder, de wereld daarbuiten draait door. Werk, de kinderen, de hond die nog moet worden uitgelaten, de planten moeten nog water krijgen. Thomas niet.Elke avond blijft hij bij het bed van Line. Elke nacht ziet Iris hem staan bij het koffieapparaat. Het bakje troost tegen het onmenselijke verdriet. Iets om de nacht door te komen. Ze ziet de wallen onder zijn ogen elke nacht een beetje groeien, de ogen roder, de baard langer, het haar vettiger en het gelaat grijzer. Toch merkt ze  steeds een krul in zijn lippen als hij haar ziet.   ‘Hoe gaat het met je moeder?’ Hij drukt de knop in van het espressomachine, neemt routineus al twee tassen uit de kast. ‘Ach, ze wordt vergeetachtig, begint achter mijn vader te vragen.’ De regen klettert tegen de ruit. Ritme van de eenzaamheid. De wind waait hard. Op de achtergrond draait de radio de nieuwste van Bazart, Denk maar niet aan Morgen. ‘Sorry om te horen.’ Hij neemt twee suikers en een melk uit de lade en geeft ze aan haar. ‘Wanneer is de laatste keer dat je nog eens iets voor jezelf hebt gedaan? Uit geweest, voor het plezier?’Een grijns verschijnt om haar lippen, twee rimpels op haar voorhoofd. Ze ontwijkt niet subtiel de vraag. ‘Heb je de match gezien gisteren?’ Haar ogen staren door het raam. De grijze blokken kijken terug. Hierbinnen is het al volop tristesse, denkt ze bij zichzelf, waarom maken we het buiten dan niet wat gezelliger? ‘Neen, niet gezien.’ Haast achteloos ademt hij diep in. ‘Line had een onderzoek. Hier je koffie, ik moet terug.’ Hij zegt het alsof hij zich betrapt voelt. Wat sta ik hier bij een andere vrouw te kletsen? Ik moet bij Line zijn. Altijd bij Line zijn. * Soms staat egoïsme duurzaamheid in de weg. Hij denkt dat verdriet alleen wordt gedragen, vecht lang tegen het idee dat wat hij doet - bij zijn vrouw blijven - het juiste is. Tot hij Iris tegenkomt, die elke nacht de kamer binnenwandelt om het infuus te laten bijstellen en bloed te nemen uit de katheter die uit Lines borstkas steekt. Dit in de hoop dat deze medicatie eindelijk haar weer de persoon zou maken waar hij smoorverliefd op is geworden, die novemberavond na een nacht doorzakken. Zijn gedachten dwalen weer af. Na het museum, een overzichtstentoonstelling van een Catalaans kunstenaar ten tijde van Franco, besluiten ze nog iets te gaan drinken, in de vaste kroeg van Line net om de hoek. Snel zou het ook zijn stamkroeg worden. Line babbelt maar door alsof ze elkaar al jaren kennen. Thomas blijft vol bewondering naar haar kijken. Het is al laat in de avond wanneer ze uiteindelijk de tram naar huis nemen. Ze moeten dezelfde richting uit. Thomas herinnert zich later, na het incident op de tram, dat hij Line vanaf dat moment nooit meer wilde laten gaan. Twee jongeren staan amok te maken in het midden van het gangpad. Iedereen kijkt de andere kant uit, uit vrees dat zij de volgende zijn die de scheldtirades te horen krijgen. Maar zij is niet bang. Zij staat recht en gaat op ze af, geeft ze een klap voor hun kop. De blik in hun ogen zal hij nooit vergeten. Het gevoel van oeverloze trots blijft hem altijd bij.De kracht waarmee ze de wereld een betere plaats wil maken. Daar is hij verliefd op geworden. Op dat moment wist hij dat ze een prachtige vrouw was die niet met zich liet sollen. Op dat moment wist hij dat de rest van zijn leven met haar wilde samenblijven. Alsof het altijd had moeten zijn. En lang zal het ook zijn, maar niet altijd.

Wout
0 0

87 Ben je bang om complimenten te krijgen?

Ik ben niet bang om ze te krijgen. Ik ben wel voorzichtig om ze te accepteren, of ze te aanvaarden als een objectieve realiteit. Een compliment is een zoveelste interpretatie van wie ik ben als persoon – en een incompleet beeld ook nog eens. Mensen zijn al vaker fout geweest over wie ik ben als persoon. Ik wil liever niet mezelf vastklampen aan een vertekend, afgelijnd beeld van wie ik ben. Negatief of positief.   Is dat niet wat hard, of kort door de bocht?   Vast wel. Maar het komt uit een plaats van goeie wil. Bovenal, boven alles, ben ik nieuwsgierig. Leergierig. Wil ik groeien en bloeien. Uit ervaring weet ik dat afbrekende opmerkingen, of slecht gegeven feedback, weinig tot niet motiveren. Toch wil ik geen waanbeelden van mezelf ontwikkelen. Ik geloofde te lang dat ik de zaken niet waard was, wat het ene ongezonde extreme is. Ik vrees dat ik opnieuw uit balans zou vallen, maar in de andere richting.   Dragen complimenten dan niet bij aan een gezonde balans?    Toch wel. Ik merk dat het werkt bij mijn vrienden, mijn familie, mijn vrijwilligers en collega’s. Ik benoem hun sterktes, spreek hen moed toe, troost hen en denk concreet en praktisch met hen na over hoe bepaalde zaken anders aan te pakken in de toekomst. Stralen dat ze dan doen! Het zijn die momenten dat ik ervaar hoeveel vitaliteit en kracht een woord kan bevatten. Ik wens hen die kracht en vitaliteit van harte toe.   Wens je het jezelf dan niet toe?   Natuurlijk wel!   Waarom aanvaardt je dan dergelijke opmerkingen niet voor jezelf?   Een dubbele standaard? Misschien geloof ik nog niet dat ik het heb verdient. Een inherente, aangekoekte overtuiging dat complimenten leiden tot stagnatie. Er is dit idee dat complimenten naar mijn kop zouden stijgen en ik geen groeiopportuniteiten kan zien voor mezelf. Of comfortabel blijf met mijn huidig level van vaardigheid. Ik wil graag blijven groeien, en ik heb schrik dat te veel licht me verblindt.   En wat als het licht het pad voor je verlicht?   Dat zou mooi zijn. Een bloem heeft zon en water nodig. En ik wil verdrinken noch verdrogen.

Eden Oscar
3 0