Lezen

Koe met kind.

Nu gaan we poseren. Ons werk zit erop, de glimlach kan beginnen hoewel grazen nooit helemaal stopt. Er staat een man met lens, hij neemt de tijd om van beesten beelden te maken. Koe met kind, het wordt een foto mét titel. Merk je het aan mijn blik? In mijn ogen een boodschap die je niet kan ontcijferen als je een mens bent. Zie je dat jong, ooit van mijn uiers profiterend? Na het zogen veranderde het gedrag van dat kalf! Ze beet mijn melkklieren tot ik versomberde, tot ik pijn kreeg. De boer heeft een boerin, zij bezitten ons, in huis zijn er thuishulpen, wij zijn de weihulpen. Wij worden vet gemest, houden het gras kort, rijden op tijd naar de slacht maar zonder achter het stuur te zitten. Iemand rijdt ons naar de beul. Ik sta al dagen op dezelfde plek, met dat jong om op te leiden. Het observeert en imiteert. Het laat al wat onbruikbaar is vallen; allemaal kak. Stinkende kak waarvan de geur opstijgt in de lucht die ons omringt. Wij zijn als varkens of vieze vuile wezens op twee benen, wandelend of fietsend of plankgas gevend in moordwagens. Nu willen we op de foto omdat het schoon is dat iemand momenten vast wil leggen. Later komen die momenten terug, ze worden bekeken, ze worden besproken, wij komen weer los te liggen. Precies zoals het leven dat pas vastligt na de dood. Wij waren het onderwerp, het beeldmateriaal, ergens in een onbekend huis en op een onbekende tafel duiken we weer op. Naast het bord een vork, prikken in ons vlees.        

Ingrid Strobbe
0 0

Voor vorst, voor vrijheid en voor recht

Ik ben geen voetballiefhebber. Nooit geweest. Sterker nog: het geluid van een voetbalwedstrijd op televisie behoort voor mij tot de top drie van de auditieve foltertechnieken. Een commentator die moeiteloos tweeëntwintig namen uit zijn mouw schudt alsof hij met al die mannen samen op internaat heeft gezeten. Die typische voetbalintonatie waarbij zelfs een inworp klinkt alsof de wereldvrede ervan afhangt. Op de achtergrond tienduizenden supporters die al negentig minuten dezelfde klinkers staan uit te rekken. Er zijn maar twee geluiden die ik nog erger vind: een Formule 1-race op televisie en een jengelend kind op een vlucht van drie uur na een veel te korte nacht. Voetbal is dus, laat ons zeggen, niet mijn habitat. Behalve tijdens een WK. Dan gebeurt er iets vreemds. Plots heb ik een mening over een gele kaart voor Brazilië. Maak ik me zorgen over de blessure van een middenvelder van wie ik vijf minuten eerder het bestaan niet kende. Ik zeg zinnen als: "Die had hij toch moeten laten staan." Alsof bondscoaches al jaren op mijn analyse zitten te wachten. Ik blijf op om "de Belgen" te zien, ook al moet ik de volgende ochtend gewoon werken. Ineens weet ik tegen wie we beter wel of beter niet uitkomen in de volgende ronde. Ik betrap mezelf erop dat ik "we" zeg, terwijl mijn grootste sportprestatie van de voorbije maand erin bestond de trap op te lopen zonder mijn boodschappentas neer te zetten. Een WK doet rare dingen met een mens. Zelfs met een cultuurmens. Misschien hou ik uiteindelijk zelfs niet het meest van het voetbal. Misschien hou ik van alles errond. Van pleinen die vollopen. Van cafés die ineens vreemden samenbrengen. Van buren die elkaar plots high fives geven terwijl ze de rest van het jaar niet verder komen dan een beleefd knikje. En vooral van de volksliederen. Het kippenvelmoment van de match.Geef mij maar die paar minuten voor de aftrap. De Spaanse hymne, die het zonder woorden moet doen en daardoor misschien net alles zegt. De Marokkaanse, waardig en ingetogen. En dan de absolute klassiekers: de Marseillaise, God Save the King en The Star-Spangled Banner. Liederen die zelfs zonder stadion al iets groots oproepen. En dan ons eigen volkslied. Voor Vorst, voor Vrijheid en voor Recht. Ik zing nooit verder dan die ene regel. Omdat ik de rest niet ken. Zoals de helft van het land, vermoed ik. Misschien is dat ook het mooie aan een WK. Dat ge een maand lang ergens bij hoort zonder dat ge de spelregels helemaal begrijpt. En dat zelfs mensen zoals ik, die elf maanden per jaar zweren dat voetbal hen koud laat, zich ineens luidop afvragen of de bondscoach niet beter wat vroeger had gewisseld.

Katrien Daniels
31 1

Boot in B.

Met mijn penseel een tafereel kliederen, dat kan ik zeker, en met de hulp van gekleurde woorden wil het misschien wel een schilderij worden. Eerst teken ik de lucht met helder blauwe verf, veeg met wit de wolken. Bomen zijn groen dus kies ik het groen dat bij het huidige seizoen past; het zomert in het natuurgebied waar ik mijn ezel heb gezet. Om de vegetatie geloofwaardig neer te zetten, kijk ik in opengelegde natuurbladen, en focus op de vormen van verschillende bladeren. Er zijn enorme gekrulde bladeren bij waar een baby in past, de kleinere zijn rond en puntvormig, de tinten frisgroen of rijper groen met een donkere zoom. Ik denk steeds aan de kijkers die mijn tentoongestelde werk zullen beoordelen. Ze zullen als stammen bij de opgehangen canvassen staan met in hun ogen het verlangen naar de boot. Iemand zal zich indentificeren met de knaap, een man in wording die dat ene meisje in bikini heeft aangemoedigd haar jurk uit te doen. Het water schilderen lukt me aardig, er is geen tumult dus geen storm, de bootinzittenden eisen evenwel precisiewerk, ik neem een fijn penseel voor het kastanjebruine haar van de jonge mannen. Blonde lokken worden opgestoken door een vrouwelijk figuur, ik laat haar op de rand plaatsnemen vooraleer ze zich in de plas laat glijden. Ik herinner me nog goed hoe ik als beginnend schilder luid vloekte in mijn atelier omdat het maar niet wilde lukken; verf mengen tot de huidskleur van een Europeaan was tijdrovend en frustreerde me dagen lang. Tot op een dag dat de melanine me enig succes leek te gunnen! De torso zowel als de ledematen van de staande jongeman doopte ik tot Nederlander. Met meerdere verfuithalen liet ik hem aan het roer staan. Waarom zou ik het tafereel niet in het Nationaal park tot leven wekken? Zes mensen in een motorboot, zo had ik het in mijn hoofd. Om het meisje in bikini te laten bewegen diende ik een pen ter hand te nemen, ik moest schrijven wat haar overkwam in het ondiepe water dat niet zo waadbaar bleek te zijn. Ze had nog gevraagd: kan je er met de voeten bij de bodem?

Ingrid Strobbe
4 0

Het heeft een naam!

Ik wist het niet, maar dat kleine steentje dat af en toe nog eens tegen mijn hart tikt, heeft blijkbaar een naam. Ik las het in de Flair. Ik geef toe: niet de eerste plek waar ik levenswijsheid verwacht. Tussen de zomerjurken, hydraterende serums en de vraag welk type barbecuegezel ik ben, stond ineens een woord waarvan ik dacht: verdorie... dat ken ik. Vriendschapsverdriet. En plots viel er van alles op zijn plaats. Ik dacht altijd dat dat gewoon hoorde bij ouder worden. Dat er onderweg mensen uit uw leven verdwijnen. Niet omdat ze sterven. Niet omdat ge hen niet meer graag ziet. Maar omdat ge elkaar ergens, tussen een misverstand en een stilte, gewoon bent kwijtgeraakt. Maar dat waren geen gewone mensen. Dat waren die twee handen op één buik. Mensen die wisten waar ge uw reservesleutel verstopte, hoe ge uw koffie dronk en waarom ge nooit een Viennetta kon laten liggen. Mensen die ge om drie uur 's nachts mocht bellen zonder eerst te beginnen met: "Sorry dat ik stoor." Mensen die zagen dat het niet goed ging nog voor ge zelf wist waarom. Met wie ge de chronische aandoening FOMO bestreed door gewoon overal samen naartoe te gaan. We zongen liedjes die veel te luid klonken. We deden zatte handenstanden tegen een muur. We verbeterden de wereld tussen twee pinten door alsof iemand daarop zat te wachten. We lachten tot onze buik pijn deed. Het leken toen gewone avonden. Maar het waren liefdesverklaringen. Niet de romantische soort. De andere. En dan wellicht één verkeerde zin. Ge zei net iets te eerlijk wat ge van zijn nieuwe job vond. Of hij maakte een opmerking over uw kinderen waarvan ge dacht: dat had ge echt niet moeten zeggen. Ge wordt boos. Ge zwijgt. Ge denkt: dit waait wel over. Hij belt wel. Of ik bel morgen wel. Ge kent elkaar al zo lang. Dit kan toch geen einde zijn? Maar dagen worden weken. Weken worden maanden. Maanden worden jaren. En op een bepaald moment is er geen ruzie meer. Alleen stilte. Laatst zag ik hem terug. Ik herkende hem meteen. Nog altijd dezelfde geruite hemdjes. Nog altijd een pet op zijn hoofd. Hij was wat uitgezet. Maar wie is dat niet op onze leeftijd? Zijn lach was nog exact dezelfde. Hij zag mij ook. En dat was het. Terwijl ik eigenlijk wilde vragen hoe het nu met die nieuwe job ging. Of die dakgoot eindelijk vervangen was geraakt. Dat zal ondertussen wel. Dat is intussen vijf jaar geleden. En leeft uw dikke, stinkende schildpad eigenlijk nog? En hoe het met de liefde ging, dat ook.  Ik wilde vertellen dat ik nog altijd dezelfde ben. Of toch bijna. Dat de scherpe kantjes wat afgesleten zijn. Dat de nachten minder wild zijn geworden. Dat mijn chronische aandoening FOMO nog af en toe de kop opsteekt. En dat ik soms nog aan ons denk. Aan hoe vanzelfsprekend wij waren. Hij verdween weer tussen de mensen. Ik bleef nog even staan. Ergens tussen de muziek, de pinten en de gesprekken liep een leven dat we ooit samen hadden. We schrijven romans over de liefde. We maken films over de liefde. We zingen over de liefde. We verklaren de liefde. We vieren de liefde met bloemen, ringen en trouwfeesten. Over vriendschap zijn we opvallend zuinig. Terwijl sommige vrienden langer blijven dan geliefden. Terwijl ze mee aan uw bed zitten na een operatie, uw verhuis helpen doen, uw kinderen zien opgroeien en zonder veel woorden weten wanneer het niet goed gaat. Vriendschap is een bijzondere manier van iemand graag zien. Misschien beseffen we dat pas wanneer er een stoel leeg blijft aan tafel waarvan niemand ooit had gedacht dat die leeg zou komen te staan. En, nog altijd, als ik in de diepvries een Viennetta zie liggen, denk ik aan hem. En blijkbaar bestaat daar dus een woord voor.

Katrien Daniels
135 4

Een relaxed ongeluk.

In Drimmelen lopen we door een smalle straat. Klopt dat? In het historisch Drimmelen lopen we door een smalle steeg. Nee, dat klopt niet helemaal. We zijn in Nederland om zijn nakende pensioen te vieren. In Drimmelen overnachten we in een nieuw hotel met zicht op de jachthaven. Dat klopt! Als je het ontslag dat hij gaf als zijn pensioen kan zien, klopt het volledig. We willen het vieren in het Nationaal park de Biesbosch waar we ooit een bootsafari deden, waar we erg van hadden genoten, waarom niet? Waarom niet volop genieten nu we nog jong zijn én fit? In de smalle steeg loop ik achter hem aan maar niet als een hond, als zijn vrouw wandel ik in schaduw maar niet in het donkere gedeelte van mijn persoonlijkheid, ik kuier ontspannen want niets ergert mij. Ik voel me licht en blij en zie wat ik moet zien: een zwarte kat! Ze rent de weg over, zo snel rent ze de weg over, ze lijkt te willen dat ik haar (of hem) maar even zie, lang genoeg om te vermoeden dat er geloof mee is gemoeid. Ik ben jouw bijgeloof. Ik ben zwart, en wil geen affectie! Dat lijkt de kat te willen zeggen. 'Iemand die bijgelovig is, zou dit oversteken interpreteren als een ongeluk', zeg ik. Hij reageert niet. Ongeveer een uur later bereiken we het museum dat in het groen verscholen ligt. Er ligt een pak mos op het dak. We smeren ons in, trekken de veters strak aan. Ergens op de met gras omzoomde weg is een onzichtbaar putje waar mijn voet in terecht komt. Ik raak uit evenwicht, en val terwijl ik vloek. Mijn hele linkerbeen is geschaafd, het bloed druppelt uit de wonde, een buil manifesteert zich.  Wanneer we na tien kilometers stappen bij de auto zijn, is de buil verdwenen en het bloed droog. Ik wrijf over de wonde, voel iets zacht in mijn hand. Ik kijk maar zie niets dat mij verrast. In het restaurant is het moeilijk kiezen, we kunnen toch niet elke keer een slaatje eten met deze hitte? Hij vraagt hoe het met mijn been gaat. Goed, zeg ik. Zijn hand gaat onder tafel, grijpt naar mijn gekwetste knie, streelt de pels die daar als een relaxed ongeluk groeide. Klopt dat?

Ingrid Strobbe
0 0

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2: De eerste ochtend   Ik moest om kwart voor vier ’s morgens aan het postkantoor staan. Dat is geen sinecure en het kwam er dan nog eens bij dat het putje winter was. Ik bekijk alles echter pragmatisch en maak me de bedenking dat zij het niet kunnen maken géén verwarming te hebben, wat wel het geval was in mijn kamer. Op mijn bed lag immers boven het laken nog een wollen deken en daarboven nog een donsdeken, en nog had ik het koud. Dat kwam niet alleen door het ontbreken van centrale verwarming, het gat in het raam speelde ook een rol. Ik stond op rond drie uur, want het kantoor was nog geen kwartier rijden, zelfs niet met lood in de schoenen. Pa had de kwalijke gewoonte het huis bij elkaar te brullen als iemand moest opstaan, maar alleen als het om werken ging. Was het voor iets academisch, dan moest je zelf maar uit je nest zien te geraken. Of liever niet, eigenlijk, want in dat huis wordt gespuwd op alles wat maar een beetje naar kennisvergaring rook. Toen ik naar beneden kwam, had hij al een verkreukeld blikje Jupiler naast zich staan, op de tafel. Er waren ook al drie sigarettenpeuken aan het smeulen in de asbak. Hij keek me aan en leek haast te lachen. Denk ik, want ik heb hem zelf nog maar weinig zien lachen in de negentien jaar dat ik hem ken. Hij haalde een schriftje met daaraan een pen aan bevestigd tevoorschijn. ‘Hier,’ zei hij met dezelfde grijns, ‘houdt dat maar goed bij. Ge moet geen leesboek meepakken naar ’t werk, maar ge gaat wél mogen schrijven. Ge doet dat toch zo graag?’ Ware het niet van de lauwe biergeur uit zijn mond, ik had het misprijzen zo in zijn woorden kunnen proeven. Hij gooide het boekje op tafel en smeerde verder zijn boterhammen. As van zijn sigaret viel op de smeerkaas waarmee hij het brood beboterde maar dat scheen hem niet te deren. Hij ging ook vlot van confituur naar boter naar chocopasta, zonder zijn mes schoon te maken. Voor mij zullen het dus boterhammen met niets worden. Ik prop ze samen met een potje yoghurt in de pastelgroene brooddoos die gedurende mijn secundaire schoolcarrière al zijn nut had bewezen en nog lang niet op pensioen mag gaan. Het ding blijft de stille getuige van de neergang zonder opkomst van zijn eigenaar. Maar kan je wel een eigenaar zijn van iets dat je geen frank heeft gekost? De portokosten van de opgestuurde spaarkaart naar de commerciële dienst van de lokale koekjesfabriek en de kosten om het ding toegestuurd te krijgen daargelaten? Ik mag het hopen, anders ben ik eigenaar van bitter weinig. Vele van mijn weinige boeken heb ik immers verdiend met schrijfwedstrijden hier en daar. Ik werd wel nooit eerste maar vaak viel er wel een boek voor de tweede van de stapel die de eerste mee naar huis nam. We gingen samen naar het werk – hij nam me vooral mee omdat hij zeker wou zijn dat ik niet plots het hazenpad zou kiezen. Allebei op de fiets. Hij op zijn dienstfiets van De Post zelf, ik op die die ik vier jaar geleden kreeg als nieuwjaarscadeau. Het ding was groen-wit-roze, want het waren toen nog de jaren negentig. Het was stikdonker en berekoud. Hier en daar was er een lichte hint van sneeuw, van die kleine poedertjes, niet groot genoeg om een vlok genoemd te worden. Toch waren we niet alleen op baan – vele traiteurs hadden hun familieleden opgetrommeld om de eerste “pla’s” bij de vroege vogels te kunnen afleveren. En of ik veel vogels gezien heb. Het Groeningemonument zat er zwart van. Veel tijd had ik niet om van de schoonheid te genieten, want toen ik me de bedenking maakte, was ik al de Veemarkt voorbij en reed ik omhoog langs de Sint-Janslaan. Dan rechts en we arriveerden aan het postkantoor. Toen ik klein was – afijn, jonger – kwam ik er soms wel eens om in het restaurant van het postkantoor te eten, als ik met ma op pad was. Toentertijd kon je in het restaurant van De Post heel goedkoop, heel lekker en heel veel eten, zolang je een band met de openbare dienst kon aantonen. Maar de plaats waar mijn leven zich voortaan vaak zou afspelen, de postmannenzaal, die had ik behalve eens vluchtig nog nooit gezien. Het eerste wat mij opviel waren de grote, zware deuren, precies deuren van een gevangenis, die de mannen moeten binnenhouden. Ik dacht aan de zinsnede van Dante toen ik er voor de eerste keer door wandelde, “laat alle hoop wegvaren, gij die hier binnenkomt”. De poorten tot de Hel. Het zag er ook zo uit. Geüniformeerde chaos, darren als in een bijen- of wespennest, de individualiteit gedood. Wolken rook van alle slag tabak kringelden in de lucht. Zeker de helft van de postmannen had een asbak op zijn werkpost staan – één er van was een hand met een tet in, waarop stond “ik hou van tetten en van sigaretten”. Dat was nu mijn milieu. Mijn vertrouwd milieu, zoals thuis, maar tot in het oneindige uitgerekt. Mijn ogen traanden, zij het van consternatie, zij het van de tabak, ik weet het niet. Pa distantieerde zich al gauw van mij en iemand leidde me bij mijn arm naar vooraan de postmannenzaal, als was ik een chimpansee die ontsnapt was uit de zoo en terug naar zijn kooi werd geleid, met de vinger in de mond en een banaan in de andere hand. Ik zou toegewezen worden aan een zekere Bruno, op een dienst 18. Elke dienst heeft zijn nummer en in die tijd – voor de Georoutes er flinke gaten in sloegen – liep dat van 1 tot 48 in Kortrijk.  In Heule en Bissegem, beiden in datzelfde gebouw gevestigd, respectievelijk van 49 tot 57 en van 58 dan tot 62. Zo waren de straten verdeeld onder de postmannen. Die van mij waren de buurt van het Ring Shopping Center. Veel mensen denken verkeerdelijk dat dat Kuurne is, maar niets is minder waar. Dat heb ik tot mijn scha en schande moeten ondervinden toen ik er stagiair was. Ooit nam ik de telefoon verkeerd op – het is te zeggen, ik begroette mijn gesprekspartner met “Ring Shopping Center Kuurne, goeiemorgen” terwijl dat Kortrijk had moeten zijn, wat me op een uitbrander kwam te staan. En zo keert alles terug want de eerste dag van de rest van mijn leven zou ik doorbrengen in de streek waar mijn vorig leven zich ontspon. Ik heb ook nog wat straten daarrond, het Ringerf zoals ze dat noemen en dan de Ieper- en Izegemsestraat. Bruno was een tiental jaar ouder dan ikzelf. Vol van zichzelf, letterlijk en figuurlijk. Een eerder papperig aandoende man die niet veel thuis te zeggen had en het dan maar op kantoor deed. Hij was één van de enigen die niet rookte in de rij waar ik zat en daar was ik ergens wel dankbaar voor. Hij stelde zich voor als Bruno Derycke en die zou mijn peter worden. Ware het niet dat hij het een goed jaar later zou aftrappen om kranten te gaan ronddragen. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Raf, de postbode van dienst 17 werd komisch “de Chinees” genoemd omdat hij er volgens de collega’s uit zag als een Chinees, t.t.z. hij had spleetoogjes. We hadden ook een Marokkaan, de postbode van dienst 20. Die zag er blijkbaar als een Marokkaan uit. Want zo origineel waren de collega’s wel. Zelf was ik voorlopig wel gespeend van een bijnaam, of het zou moeten te maken hebben met mijn familiebanden. De kleine van Reginald, Junior, Billy 2 enzovoort.

Miguel
0 0