Lezen

Kopzorgen

Nu de teddyberen allemaal terug tussen de mottenballen zitten en we de bruine vlaggen weer wit hebben gewassen alvorens ze op te bergen, kunnen we eindelijk weer met onszelf bezig zijn. En dan nog gunnen die zeurende zorgverlenertjes het ons niet en willen ze meer, met hun constante schreeuwen om aandacht en hun gebedel voor overheidsgeld. Het lef ook. Eerst kunnen ze ons coronaleed met geen enkel medicijn verzachten, moeten wíj heel onze maatschappij omgooien om hun werk behapbaar te houden en staan we er nóg elke avond voor te applaudiseren tot we er blaren van krijgen. Maar 15 minutes of fame smaakten naar meer. En nu we allemaal terug onze eigen problemen kunnen aanpakken, kunnen die mediageile verpleegstertjes het niet laten om nog een portie spotlight te eisen. Toch is er goed nieuws. Twee dagen geleden hoorde ik op het nieuws dat ze hun opslag krijgen. Hopelijk bespaart dat ons ervan dat ze wanhopig naar aandacht blijven hengelen, bijvoorbeeld door massaal deel te nemen aan Blokken, The Voice van Vlaanderen en De Mol. Zo'n verwijfd verplegertje dat op witte Crocs door de Mexicaanse woestijn huppelt zou het misschien goed doen qua entertainmentwaarde, maar we weten allemaal dat je nog sneller een potje schaken verliest van een alpaca dan dat een verpleger een puzzel van Gilles De Coster oplost. Je moet die alpaca's echt niet onderschatten. Maar genoeg over de zorgsector, terug naar ónze zorgen. Eén van de problemen waar we ons opnieuw elke dag het hoofd over moeten breken is wat we in vredesnaam weer gaan eten morgen. Daar was in volle lockdown geen sprake van. Toen aten we wat er nog in het winkelrek lag. De mentale rust dat dat met zich meebracht, was onbeschrijflijk. Oké, een pak rijst kostte je al snel meer dan een pallet door civetkatten uitgescheten koffiebonen, maar toch. Niemand durfde te klagen, want je wist dat wie voor jou boodschappen had gedaan, zijn of haar leven had geriskeerd voor dat laatste pak pasta in de Colruyt. Tenzij je natuurlijk in het ziekenhuis lag. Dan moest je het doen met wat de wandelende face shields je voorschotelden en had je alle reden tot klagen. De ziekenhuiskost was namelijk nog ranziger dan anders, want koken kunnen die verplegers sowieso al niet en naar het schijnt hadden ze het druk met andere zaken. Ja, zo maar één probleem hebben in het leven, onszelf gezellig zitten vervelen thuis, heerlijk lege straten, met in de verste verte geen grijspaars gecoiffeerde dinosaurussen en hun portemonnees vol ros geld om het begrip traagheid naar een hoger niveau te tillen door gepast te willen betalen, zorgverleners die zich nog geen goden waanden ... Ik durf bekennen dat ik soms met weemoed naar die lockdown terugkijk. Al geef ik toe dat zaken als jezelf van de wereld zuipen in een café vol steeds knapper wordende vrouwen ook z'n plek in onze maatschappij verdient. Dat deed ik gisteren nog eens en ik kan je zeggen dat ik geen greintje dankbaarheid voelde voor de ambulanciers die mijn maag aan het leegpompen waren, nu ik weet dat ze allemaal op slag miljonair zijn geworden. Laat ze maar werken voor hun fortuin, ik heb m'n eigen kopzorgen. Ik weet godverdomme nog niet eens wat ik morgen weer van eten moet maken.

Hans Verhaegen
7 0

Belofte maakt schuld

Mannen , allemaal hetzelfde. Veel beloven en alleen maar kwetsen. Ook hij was zo. Onze allereerste ontmoeting was niet meer dan een snelle blik in een overvolle bus. Een korte blik, gevolgd door zijn betoverende glimlach. Ik keek naar mezelf en vroeg me af hoe het kwam dat ik die dag zo in de smaak viel bij mannen. Talloze keren werd ik nagefloten in de drukste straat van de stad. Was het mijn zwart stijl haar? Mijn rood gelakte nagels? Misschien was het wel mijn kleding. Of neen, mijn kledingstijl was in de meeste gevallen niet zo populair. Alternatief noemden ze het soms. Niet alleen mensen op school, ook familie leverde regelmatig commentaar. Maar ik was wie ik was en net daarom maakte het niet uit hoe ik was. Hij was verkocht en ik kon zijn hemelsblauwe ogen niet meer uit mijn gedachten krijgen. Zijn eindhalte kwam eerder dan de mijne, maar lang moest ik niet meer in de bus zitten. Ik concludeerde dat hij ook van mijn dorp afkomstig was. Hij liep naar het middenstuk van de bus om uit te stappen, de plaats waar ik ook stond. Zijn slimme zet van toen veranderde alles. Op dat moment liet hij een kaartje in mijn tas vallen – de gluiperd. Achteraf zou blijken dat er naast wat kleine krabbels ook een nummer op stond. En ik was zo dom om hem diezelfde dag nog te bellen, vol overtuigd van wederzijdse interesse. Wat er volgde was een relatief aangenaam gesprek. Gepraat, gelach, eigenlijk een perfect eerste contact. Maar meteen voelde ik dat hij veel sneller wou gaan dan ik. Zijn overtuigingskracht en charmes leidden ertoe dat ik de volgende avond aan de kerk in het dorp stond. Hij daagde op (niet dat ik het anders verwacht had) en kwam meteen naar me toe zonder een moment van aarzeling. Ik denk dat we nog geen drie zinnen tegen elkaar hadden gezegd, toen hij plotseling veel dichter kwam. Ik zette wat stappen achteruit, maar ver kon ik niet gaan. Weldra stond ik tegen de muur van de kerk. Hij stopte niet. Integendeel, hij bleef dichter komen tot op het punt dat onze lichamen elkaar raakten. Ik voelde zijn ene hand naar mijn keel grijpen, terwijl de andere via mijn buik tussen mijn benen belandde. Paniek. Ik probeerde los te komen. Aanvankelijk lukte dat niet, maar toen hem een krachtige slag met mijn onderarm gaf, verzwakte zijn greep. Ik slaagde erin te ontkomen en zette het op een lopen. Wonder boven wonder volgde hij me niet, maar ik liep door. Mijn mascara liep uit – net op die ene keer dat ik me mooi opgemaakt had – en mijn ogen waren rood betraand. Zo trok ik mijn conclusies. Mannen zijn allemaal hetzelfde. Veel beloven en alleen maar kwetsen. Hij beloofde me de hemel, maar in plaats daarvan liet hij me zelf niet achter op aarde, maar bracht me rechtstreeks naar de hel.

WoordenWeb
2 0

Leopoldheisa

Zijn we nu nog altijd over de standbeelden van Leopold II bezig? Ik dacht dat dit niemendalletje na een week wel uit de nieuwsberichten zou verdwijnen om plaats te maken voor echt nieuws over standbeelden. Zoals Dries Van Langenhove, die gespot werd in het Citadelpark, waar hij achter het standbeeld van de vechtende tijgers door twee kolossale zwarte piemels, respectievelijk in z'n anus en z'n mond getijgerd werd. Ontspoorde scoutsleiders hebben ook recht op hun pikante fantasietjes, denk ik dan, ware het niet dat de veiligheidsraad deze week duidelijk gezegd heeft dat seks in de parken pas terug mag vanaf juli en alleen wanneer je de 1,5-meter-afstandsregel respecteert. (Vlaanderens favoriete fils-à-papa beriep zich zoals altijd op het fake news-argument en bleef volhouden dat die gedroogde plek in z’n mondhoek skyr was.) Soit, gezien mijn miljoenen lezers me blijven bombarderen met vragen over wat ik van die Leopoldgekte vind, zal ik hier mijn mening delen. Ik was op de hoogte van de verschillende verwezenlijkingen en “successen” van het Leopold-gezelschap, maar ik wist eerlijk gezegd niets van standbeelden en ik kan heel goed begrijpen dat dat mensen tegen de borst stoot. Ook voor mij is dat erover. Geen enkele stad gaat architecturale prijzen winnen door zo'n opgeblazen kikker als Patje Krimson in het brons op de Grote Markt te verankeren. En wat heeft Erik Goossens buiten z'n verdiensten als frontman, z'n rol in Familie en het presenteren van Kan Dit?! gedaan dat hij de eeuwige roem waardig is? Om maar te zwijgen van de drummer, waarbij zelfs niemand ooit de moeite heeft genomen om die knul z’n naam te vragen. En dan is er de hele geschiedenis met de uitbuiting, de slavernij, de handhakkwestie, de verkrachtingen ... We gaan er niet onnozel over doen. Ja, de heren hebben ons uitgebuit door ons kutsingle na kutsingle te doen kopen voor 200 frank in de platenzaak. Ja, het gruwelijke synthesizerwerk van Patrick Claesen rechtvaardigde ons om de man z’n handen af te hakken en het wringt nog altijd dat we dat niet hebben gedaan voor het kwaad was geschied. Ja, het nummer Volle Maan, hun cover van de hit Maid of Orleans, was een van de ergste verkrachtingen ooit, die we als volk keer op keer moesten ondergaan telkens wanneer het op de radio gedraaid werd. En ja, er moesten lijfstraffen staan op nummers maken met titels als Vergeet-mij-nietje. Niemand zal ontkennen dat er bloed heeft gevloeid, en dat uit menige oren. Maar om hen nu echt enkele miljoenen doden in de schoenen te schuiven… Zeg nu zelf, gaat dat niet een beetje te ver? Wat mij nog het hardst stoort is het erbarmelijke niveau van de Belgische nieuwssites. Tegenwoordig schrijft één krant een artikel en de rest kopieert. Wat is er gebeurd met kwaliteitsjournalistiek? Onderzoek doen en feiten checken? Alle media blijven maar berichten over Leopold II, terwijl ik er altijd zeker van geweest ben dat de groepsnaam Leopold 3 was. En dan schrikken ze ervan dat Dries Van Langenhove zo makkelijk wegkomt met z'n fake news-excuus. Was de muziek van Leopold een zwarte bladzijde in de geschiedenis van België? Absoluut. Was de reünie in 2010 een slag in het gezicht van iedereen die nog steeds vecht met de herinneringen aan hoe de groep ons in de vorige eeuw geterroriseerd heeft? Daar valt allemaal iets voor te zeggen, ja. Maar heel deze historie ligt ondertussen zo ver achter ons, dat het nutteloos is om hier nog energie aan te verspillen. Het was een andere tijd. Daarom vraag ik jullie om de standbeelden van Erik Goossens, Pat Krimson en de drummer waarvan niemand de naam weet gerust te laten. Het feit dat hun nummers op de streamingdiensten staan, maar we al jaren gezamenlijk doen alsof ze er niet zijn, lijkt me een voldoende zware straf voor dit koninklijke gezelschap en hun historische wandaden.

Hans Verhaegen
5 0

Den Dries

“’t Is van dat, ja lap, dat van dat is. Kermis, jong, op Den Dries, jong. Ge ziet ze, alleman is te gare. Allee het valt te bezien of ’t is te zeggen. Pintekens drinken tot k’n kan nie meer. K’n kan nie vele. Peis ik. k’n kan nie vele nie meer. Van ’t flubiet in mijnen kleine teen. De jonge meiskes draaien met hun rokken rond. En Rogerke, ’t smeerlapke, legt hem neer en kijkt er onder. Hij spreekt niet, zijn tong is afgebeten door ne kameraad in ’t schuttershof zeven winters geleden, maar hij sist en tjielpt gelijk een vogelke en met zijn arme armkes bewegingen maken. Bijna tegen de schede van ’t meiske bij wie ’t rokske tot onder d’oksels komt. Dan vraagt ze der ook om. ’t Is precies Sodom en Gomorra. Rick en Jean Luc, d’homos, lopen hier ook rond op hun sandalen. Rick mankt. Zijn knie is kapot. Zijn knie is gammel als een kameel met ene bult. Hij moet alle zeilen bijzetten om Jean Luc te kunnen volgen. Zijn stem klinkt zagerig, alle woordekes uit zijnen mond worden slap als meel. Ze hebben ruzie gehad. Ze hebben altijd ruzie. Iederen dag van de weke maar ’s zondags niet. Dan gaan ze pastis gaan drinken. Met den bus en komen ze thuis als de koekeloeren haan gekraaid heeft. Die ze dan plachten te roosteren met brood. En als ’t mislukt, en ’t is mislukt, boterhammen mee confiture van pruimen. En lap weeral ruzie. Zouden zij naar ’t schietkraam gaan vandaag op de kermisse? Subiet schiet den enen den anderen een oog uit. ’t Zijn al manke hier op Den Dries. Ge kunt gij hier anders niet blijven. Horzelvoet, tandeloos gebit, zonneallergie. Wreed is ‘t, zo zonder zon. Anton, kan niet met de zon. ’t Is daarom dat hij altijd zo wit ziet, precies een lijk. We zeggen ’t tegen mekaar: -’t Lijk, zeggen we. ’t Lijk loopt hier rond. -Ah ja, waar? Vraagt de gindsen. -Ah hier, ziet ge ’t nie? Zo wit. Een lijk. ’t Moet er wel een zijn, subiet komt er vocht uit zijn hol. Past op. Ge kunt daar vervaarlijk over vallen. Antontje toch, ge moet u proper houden. ’t Is niet omdat ge lijk een lijk zijt dat ge niemeer fier moogt zijn ze. En Anton stamelt dan totdattie verder wankelt, uit de zon. Odette heeft vlaaien gebakken. Mee appelsienen in. Slappe vlaai. Met lauwe Rodenbach moet ge da drinken. Zonder schuim. Uit de kelder. Odette strompelt den trap af. D’r zitten muizen in haar haar. Dat leeft daar al zo lang, want Odette komt haren hof nie meer af. In een tuinstoel mee bloemekes op, half doorgezakt, dienen stoel, maar Odette ook, z’heeft water in haar knoessels. Juist vaderlanderkes. Ge kunt er mee naar den oorlog, en als ’t mislukt geeft dan wa vlaai aan de vijand. Directe capitulatie. Haar dochter is ook al vijftig. Nog altijd vlechtjes op hare kop. Vette vlechtjes. Van ’t frietvet. Ze danst heelder dagen rond het huis. En bakt haar frieten. Z’eet nie elle. Of ’t waren lekstokken. Alle dagen van ’t jaar staat ze te lekken. Mee haar grote tong. Precies van een koe. Giet er wa madeira in en ge kunt et eten mee kroketten. En vals zingen doet z’ ook. Ze wil het aanleggen mee Rogerke. Maar hij kan ’t niet uitleggen, dat hij niet wil en dat zij moet stoppen want ge krijgt het zuur van hare kop. Ne goeie kinderkop, maar wel ’t zuur in uw maag als ge er dagelijks op moet kijken. Ze pakt zij zijn handje ne keer en steekt het tussen haar benen. En blijven lekken en Rogerke kwieten. Haar vader was Marcel maar hij is dood. Hij ligt bij de pieren te zwieren. Hij was in de gierput gesprongen van ’t verschieten toen dat hij zijn dochter zag. Maar hij kwam niemeer boven. We stonden wij daar allemaal op te kijken. We hebben dan een lotje getrokken wie d’r achter ging. ’t Was aan Rudy. Maar Rudy durfde nie. We hebben hem dan geduwd. Ah ja, anders moette nie meedoen. Lap Rudy ook nie meer gezien sindsdien. Nog ne keer geprobeerd, maar z’hadden mij in gedachten. Kzeg: kheb mijn tanden nog niet gepoetst. Da ga nie gaan. En ’t een ging nie. Poetst ze anders nu, zei d’r enen, de facteur Louis, hij was al zat. Kzeg tegen Louis: gaat gij ze dan gaan halen, ze liggen in een glas naast mijn bedde, ge kunt er nie nevens kijken.Hoe da niet, vraagt Louis. Ge herkent da wel een gebit. Wa tanden op een rij. Maar Louis was nie zinnens naar mijn huis te trekken. Na wat vijven en zessen zijn we dan maar gegaan, naar ne staminee. Louis zegt: kga mij iets sterks pakken. Hij dronk zijne whisky puur, maar hij zat mee nen hoest. En hij hoest zijne whisky op zijn broeke. Zo ne facteur mee geen broek aan, ’t is toch da nie. ‘k Zal ze afkuisen zegt Nadinda. Komt mee naar boven.   En wij blijven zitten en wat wachten. Ja ja. En ah zo. En al ineens. Ne slag en ne boenk. Wij naar boven. Ze lagen zij daar opéén. Juist voordat Omer, de man van Nadinda, Louis ne boks wou geven, zegt hij nog: mijn broek was toch al af. Da was daar wreed. Bijna drie lijken op nen dag. ’t Zou te veel van ’t goede geweest zijn. Gelukkig dat hij nog overlast had staan een eindje verderop. ’t Was koelen zonder blazen. Nu is ’t hier dus feeste. ’t Zijn al zwijnen dat hier rondloopt. Tot den dinsdag kijkt da naar niets. En dan nog twee maand mee uwen kop in de grond als ge den anderen passeert. Want der is weer van alles gebeurd da nieden deugd. Al een grote chance dak kik zo nie ben. Ik zittekik maar wa te kijken. In de lommerte. Als ’t er iemand komt zeg ik: neen jong ’t is zo goed of ‘k heb het gehad. En ‘k leg mij op de grond van de kelder als ’t mij te warme wordt. ’t Is dan wachten op moeder de vrouw totdat ze thuiskomt. -Vuilaard, smeerlap waar zitte zegt ze. -Hier in mijnen kelder. Alhier alhier dicht bij ’t bier. -Vuilaard, smeerlap wie gaat die bakken naar beneden slepen als ’t op is? ‘k Zeg dadda wel meevalt. Maar ze sleept geen bakken, zegt ze. Blijf kik dan maar terplekke. Totdat z’uitgeraasd is. -Vuilaard smeerlap, ze ziet me zo gaarne. ‘k Hoor het aan haar stem. ’t Is een en al liefde. Allange. Vroeger was ze schoner. ‘k Zeg het haar:-Stop mee paté t’eten. -Ik een eet gene paté. -Maar muilkorft mij ne keer nie. Patéekes me crème, da maakt u vet. Moorevet. -Ge zijt nen dronkaard. Kzeg van nie want ik blijve thuis. -Subiet ne paté op uw muile.En ’t spel is were hespe.En op elkaars muile. Wat moeten w’anders? En zo gaat den dag vooruit.”

Gabriel Rooms
10 0

Hatsjoem

Nu die andere genadeloze ziekte, hooikoorts, terug in het land is en ik mezelf dagelijks een whiplash in m'n elleboogholtes nies, durf ik al helemaal m'n kot niet meer uit te komen. In deze tijd krijg je minder vuile blikken wanneer je in niks dan een Bumbamasker en Birkenstocks door Planckendael wandelt, dan wanneer je in het openbaar aan je neusprikkels toegeeft. En ik kan het weten. Deze week ging ik naar de brievenbus en kon ik, ondanks de uitvoerige gelaatsgymnastiek, een krachtige hatsjaowhizazz toch niet onderdrukken. Ik had dan wel een mondmasker op, maar dat weerhield de buurman uit het appartementsblok verderop er niet van om onmiddellijk de politie te verwittigen. Ik wens je in de weinige jaren die je nog resten een hardnekkige pollenallergie toe, Maurice. Ja, bovenop je prostaatkanker, Maurice. Noem me harteloos. De vrienden in het blauw maakten meteen rechtsomkeer toen ze zagen dat ik blank was. Dus begaf ik me terug naar binnen en dat is waar ik nog altijd het meest van de tijd zit. Te niezen, schrijven, lezen, dwangmatig bomen te schudden in Animal Crossing en mezelf zes keer per dag af te beren als een halvezool. Vier keer voor de seks en twee erna. Af en toe kan ik echter niet anders dan de cocon te verlaten en dan besef je dat je daarbuiten, zoals Michael Van Peel het ooit zei, nog altijd door je medemens in het gezicht wordt geswaffeld alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Zo kon ik er niet onderuit dat m'n auto naar de keuring moest. Dus stuurde ik hem eerst langs de garage voor een keuringcheck en een groot onderhoud. 700 euro – m'n garagist had me op het hart gedrukt dat zo'n dubbel flapdrolventieltje écht de officiële naam is en het écht overal € 360 kost – en een weekend later rij ik naar de autokeuring, waar men mij vertelt dat mijn achterbanden aan het scheuren zijn en dat zoiets goed is om mezelf klapbandsgewijs naar de eeuwige jachtvelden te katapulteren. Nog een geluk dat ik een dag ervoor niet een paar uur tegen 120 km/u over de autosnelweg aan het vlammen was. Oh, vergat ik te vertellen dat ik dit weekend een paar uur met een vijfkoppige bubbel tegen 120 over de autosnelweg aan het vlammen was? Wie mij kent, weet natuurlijk van mijn grenzeloze assertiviteit en kan al raden wat er zich daar in die Hyundai-garage heeft afgespeeld. Geloof me, de man aan het onthaal is er nog niet goed van. Terwijl ik me voor de derde keer stond te verontschuldigen voor het extra werk dat ze ertussen moesten nemen met m'n banden, voelde ik een niesbui opkomen. En ik was zó stoutmoedig, dat ik de natuur gewoon volledig z'n gang heb laten gaan, zonder excuses of iets. De man durfde zelfs niet anders dan 'gezondheid' te zeggen. Lesje geleerd, denk ik dan. Cynisch als ik ben, kon ik het thuis toch niet laten om dat dubbele flapdrolventieltje nog eens even op te zoeken. En natuurlijk klopte m'n voorgevoel. Ook daar was ik serieus in m'n gelaat gepiemelklapt. Je kan dat onderdeel gewoon op Amazon bestellen voor € 40, verzendkosten inbegrepen! Ik heb getierd, gehuild, geschreeuwd, gemasturbeerd en geniesd. Want als er één ding is waar ik écht allergisch voor ben, dan zijn het leugenaars. En dan te denken dat ik dat allemaal had kunnen voorkomen door gewoon in m’n kot te blijven zitten.

Hans Verhaegen
10 0

Brief uit kamer 0

WZC De Rust, afdeling voor personen met dementie. Rozenstraat 1 8800 Roeselare   Mevr. Carine Vandenberghe, contactpersoon van Mvr. Odette Vanhaverbeke Dorpsstraat 7 8800 Roeselare   Roeselare, 14  juni 2020   Dochter, Pronk je graag met mijn BMW? Blijft er nog iets over van mijn weelderige bloementuin of heb je hem getransformeerd tot een privaat zwemcomplex? De mooie villa waar ik jarenlang met je vader heb gewoond, waar ik mijn leven lang voor gewerkt heb, heb je van me afgepakt. Mijn juwelen heb je ook gepikt.  Tegen mijn wil in dumpte je mij in deze gevangenis, in kamer 0. Bewakers lopen hier binnen en buiten, brengen eten en helpen mij met toiletbezoeken. Zielloos noem ik het, je oude moeder zo vernederen. Jouw hebzucht, daar wàlg ik van. Mijn erfenis, dat is waar je op uit bent.  Je liet me hier achter met een valies kleren en enkele persoonlijke spullen. “De rest komt morgen, ma”, maar die “morgen” kwam er nooit. Die bewuste dag in maart ging de deur op slot, net zoals jouw hart. Ik hoop dat je stikt in jouw  valse beloftes van “ik kom je dagelijks opzoeken” tot “ik zie je graag, moeder”. Leugenaar. Wekenlang laat je me nu al wegrotten in mijn witte cel met bloemetjesbehang. Ik mag mijn kooi niet uit! De cipiers willen me “beschermen” tegen een virus. Hoe durven ze een oude vrouw zo misleiden. Ze spelen hun rol goed, hoor! Ze dragen mondmaskers en witte schorten. Het was de hoofdcipier die me vertelde dat je binnenkort op bezoek zou komen. Terwijl wees hij wees naar een ingekaderde foto op de kast. Blijkbaar ben jij dat, mijn dochter. Wat mij betreft, hoef je me niet meer op te zoeken. Jouw naam ken ik toch niet meer en hoe je stem klinkt, is me helemaal vreemd. Die fotokader met een barst in het glas, ter hoogte van je gevoelloze hart, hoeft ook niet meer op de kast. Ik laat ‘m weghalen door de cipiers. Als ik kom te sterven, kijk ik liever naar de verwelkte bloemen op de vensterbank dan naar jouw gezicht. Odette.

_Iri_
1 0

Koude Koffie

Ik merk hoe ze stilaan ongeduldig wordt.'Waar zegt u? Hoe komt u daarbij? Neen, vorige week in de wasplaats, meneer.'Ze loopt heen en weer door de kamer, voor het raam waar zware overgordijnen de middagzon buiten houden. 'Ja, hij stond er verdorie naast. Die vent is gewoon naast hem neergevallen, zomaar, ineens. Morsdood was hij.’Ik hou mijn blik strak op het zwakke gloeilampje boven de ontbijttafel.Toch zie ik hoe ze me aankijkt met ogen die even naar een punt hoog in de kamer verdwalen. Ik zucht. Ze verlegt haar mobieltje naar het andere oor.‘Ja…’ aarzelt ze en ze knijpt in haar paardenstaart tot haar vingers wit zien.Ach, ze doet maar wat ze niet laten kan. De koffie is koud. ‘Ja, daarom juist… ja…, neen…, luister nou even, meneer de direc… neen meneer, onze zoon heeft gewoon in paniek het verkeerde gepakt!’Ze kijkt weer met opgeslagen ogen en briest verder op en af door de kamer.‘Neen, het lag daar vóór hem op de wastafel, naast het andere. Je weet toch ook wel hoe onze Bert is.’ En nu gaat ze de overbezorgde moeder gaan spelen, zie. Ik doe alsof ik het niet merk.‘Heel gevoelig, ja. En snel van zijn melk. Je zou voor minder hé? Die jongen lag daar met halfopen mond naast hem op de grond. Met een straaltje kwijl op zijn kin, zo zei hij het. Hij is daar erg van geschrokken.’Ze kijkt me met een veelzeggende grijns aan terwijl ze met haar vinger een paar keer heftig naar haar mobiel wijst. Ze wisselt weer van oor, luistert even en zegt gelaten:‘Hij heeft het in zijn zakdoek gedraaid en is naar zijn kamer gelopen. Ja, zo vertelde hij het me gisteren.’Ik glimlach flauw en concentreer me op het kopje koude koffie. ‘Neen. Nee, pas de volgende dag. Bij het middagmaal, ja. Nee, hij kon niet eten.’Ze zucht nu erg luidruchtig.‘Maar neen, het past gewoon niet. Absoluut zeker!'Ze houdt haar hand over haar mobiel en fluistert me toe: 'Hij probeert ertussenuit te komen, maar 't gaat niet pakken, zie!'Ik roer wat in het kopje. 'Ja, precies, dat bedoel ik nou net, het is tenslotte toch een zorgcentrum daar bij jullie, of niet soms? U kent ons Bertje toch ook? Nee, zó snugger is hij nu ook weer niet.’Mijn vrouw kijkt aandachtig naar haar voeten en haalt diep adem.‘Ja, dat snap ik wel.' zucht ze. 'Nee… en is die jongen ondertussen reeds begraven, zegt u?'Haar ongeloof groeit zienderogen.'Maar ons manneke is wel zijn gebit kwijt hé! Dat heeft me vorig jaar nog twaalfhonderd euro gekost!’Ze danst nu opgewonden van het ene been op het andere.‘Neen, natuurlijk niet. Neen, je kan hem niet terug boven spitten! Ja… Nee, dat snap ik, meneer de directeur. Oké, daar reken ik dan op. Ja…, ja, neen, prettige dag nog…ja… en alvast bedankt.' Ze klapt haar mobiel dicht, geeft me een knipoog en kijkt me triomfantelijk aan.Ik mompel: ‘Jij ook nog wat hete koffie, schat?’                  

Guy Lejeune
3 0

De spieren van de radioloog.

Mevrouw + familienaam: zo spreekt hij me aan. Ik zit al op de ontsmette bank wanneer hij binnenkomt. Onmiddellijk heeft hij de muis in zijn rechterhand, kijkt naar mijn rechterschouder, haalt het bh-bandje naar beneden terwijl hij naar het scherm blijft kijken en met de muis over mijn schouderblad rolt. Wat ziet u? Ik wil zo spoedig mogelijk weten waar hij naar kijkt. Zit het kwaad daar? Niet in mijn hart, gedachten of gedrag, maar daar, onder de vette muis? Schuilt het kwaad in de kom van mijn schouder, leeft het ondergdoken onder spieren, achter een muur van weefsel? Hij neemt mijn bovenarm vast alsof hij me gerust wil stellen, merkt luidop op dat ze...ja hij zegt het zonder woorden. Ik begrijp dat mijn bovenarmen rond zijn, breed zijn, mollig. Atrofie? Ik doe alsof ik vergeten ben wat dat woord betekent, dwing hem zijn gedachten uit te spreken. Nu is het duidelijk; hij denkt dat mijn armspieren aan het afsterven zijn! Waaaat? Sporten, mevrouw! Pak dit aan, ga sporten! Hemel bij god nog aan toe, denk ik. Het is voor dat gezwel op mijn schouder dat ik hier op uw vuil ontsmette bank zit! En waar is uw masker? Ik vraag u waar uw masker is, mijnheer de radioloog. Het gezwel is niet kwaadaardig. Dat nieuws is goed en lucht me op, ik vergeet onmiddellijk dat zijn insinuaties niet echt flatterend waren. Doe aan sport, vervolgt hij, in groep, een aantal dames, pilates, ja PILATES! Ik kijk hem aan, benadruk dat ik zwem en jog en fiets en veel wandel. U bent een verstandige vrouw, repliceert hij. Eet gezond. Ik eet gezond, beste mijnheer. Nog even en ik verander in een banaan, pif poef paf en de man gaat af. Bijna elke avond ligt Pascale op mijn bord nadat ze in de oven opwarmde. Er zit al maanden een heerlijke LEO in mijn handtas om zo nu en dan naar te kijken. Ik heb de paarse lekkernij niet uitgekleed noch op mijn tong laten smelten. Als extraatje zet hij de muis op mijn buikvet, glijdt daar rondjes op gel alsof het een ijspiste is. Hij nodigt me uit te kijken. Niet naar mijn buik, naar het scherm. Dat zijn spieren (twee cm) en dat is buikvet (vier cm) zegt hij. Hij stelt me gerust; het vet is uitwendig vet. Ik kan er niet ziek van worden. Voor een ijdeltuit als ik is dat geen grote geruststelling. Maar ik besef dat gezondheid het allergrootste goed is. Hij veegt mijn schouder schoon met een papieren doek dus loopt het onderzoek op z'n einde. Ik wil naar de kleedkamer maar hij houdt me staande met de woorden 'wacht eens even'. Staat u scheef? Ik zucht. Ik ook, bekent hij. Dat komt door mijn job, ik sta niet recht. Terwijl ik naar huis wandel vraag ik me af wat de man bezielde. Hoe is het gesteld met zijn spieren? Volgt hij PILATES of dwingt hij zijn vrouw naar de lessen? En natuurlijk ben ik heel erg blij dat het maar een vetbult is, wat niet wil zeggen dat ik net als een kameel dat vet kan verbranden om mezelf te voorzien van energie.

Ingrid Strobbe
27 2
Tip

Nachtwake

‘Dolf es duud.’‘He?’‘Dolf…es duud’‘Ja?’‘Ja.’‘Diene mens leefde niet geiren.’‘He?’‘Hij leefde niet geiren, diene mens.’‘Nieje?’‘Nieje.’‘Ja.’‘Ja ja.’ Fré’s vader kwam binnen, ging voor het raam staan en begon te roken.   Hij slofte naar de kelder. Rookte nogmaals en dronk. Wij stiekem ook. Door de Westmalle waren onze geesten even beneveld als de omliggende velden die door slierten duisternis de nacht in slingerden. Fré en ik hielden vanuit de living de wacht. In de stal stond een koe onrustig te trappelen. Het was augustus en er zouden kalfjes geboren worden. Wij speelden play-station en rookten sigaretten. We zakten steeds verder weg in de vergeelde statige zetel, de klok tikte zacht, seconde na seconde verdween in een onmetelijk diepe put. Wij hadden niet veel meer dan elkaar. We hielden er beiden van om gewoon te hangen. Soms keken we elkaar zoekend naar erkenning en veiligheid aan. We lagen dan wel dicht tegen elkaar in die zetel, maar nooit als onszelf. De nacht sluierde ons. Had maar iemand een ontwapenende zin kunnen zeggen.  Had het allemaal gekund, we hadden geschreeuwd, geblaft als honden die met bloeddoorlopen ogen rechttoe rechtaan op hun prooi stormden. We waren bang elkaars jager te zijn. Later die nacht zou het kalfje geboren worden. Met zijn zakmes sneed de buurman de navelstreng door en schilde daarna met datzelfde mes een appel. Er was jenever. De fles ging rond. Iedereen dronk. Er werd gelachen. Alles was goed.      

Gabriel Rooms
85 5

Ambras in de Action

Nu we allemaal terug wat meer buitenkomen wordt het pijnlijk duidelijk dat de gemiddelde Vlaming geen fluit begrijpt van wat hij nu eigenlijk nog mag, moet en vooral niet moet doen. Dat ligt mogelijk aan het feit dat de regels voor scholen alleen al op een gemiddelde dag vijf keer veranderen. Geen mens weet nog naar wie hij moet luisteren. Is het Weyts of Vlieghe? Van Ranst of De Block? En zij die het wel weten en het woord van Wilmès als wet aanvaarden, snappen dan weer geen jota van de woorden waarmee onze premier elke persconferentie opnieuw Nederlandse zinnen bij elkaar probeert te MacGyveren. Dat alles maakt dat Jan met de Pet en Josfin met de Voorschoot vandaag ofwel extreem laks ofwel overdreven rigide zijn in het naleven van de regeltjes. Het bewijs daarvan zag ik deze week nog met eigen ogen aan de kassa van de Action in Aarschot. Voor ik je kwijt ben: ja, ik weet wat je denkt. 'Een steekproef doen van de mentale capaciteit van de Vlaamse medemens? In de Action? Van Aarschot?!' Ik geef toe dat dat vergelijkbaar is met een chimpansee de bouwplannen van de Burj Khalifa geven en teleurgesteld zijn wanneer je een week later alleen een lachende aap in een betonmolen ziet schijten. Doch, geef de Aarschotse Actionbezoeker wat krediet. Toch zeker de jonge vrouw die proper gehandschoend en gemondmaskerd voor mij stond en volkomen onschuldig haar eigen business aan het minden was. Ondanks die voorzorgen vond de opgetutte regelnicht vóór haar dat de jongedame zelfs met een winkelkarlengte tussen hen in toch nog te dicht stond. Dat weet ik omdat ze bijna riep: 'Zo'n kar is geen anderhalve meter, hè! Je zou nu toch denken dat jullie het na zoveel weken wel snapten.' De niemand besmettende dertiger werd uit haar dagdroom gerukt en stond er sprakeloos bij, verwonderd over hoe ze deze vrouw in stilstand toch nog spreekwoordelijk tegen haar kar gereden had. De oplettende lezer heeft al even door dat dit verhaal niet helemaal klopt, omdat ik natuurlijk te rijk ben om in de Action te winkelen. Het was in werkelijkheid aan de kassa van de Carrefour, waar deze kortpittig geknipte dwarsligger duidelijk niet doorhad dat je door luid, geënerveerd te roepen veel meer speekseldruppeltjes en gevaar de wereld instuurt dan iemand die zwijgend met een mondmasker op een volledig winkelwagentje achter je staat te wachten. Mijn voorbuur opperde beleefder dan nodig dat ze geen recht van spreken had door zo op 50 cm van de kassierster te staan roepen zonder mondmasker op. Maar de karkankeraar bleef tekeergaan. Op den duur was ik zelf zo koleirig – er is niets dat me kwader maakt dan onrecht tegen jonge, aantrekkelijke vrouwen – dat ik riep: ‘Wat is dat hier, zeg? Stop eens met ruzie zoeken, speekselsproeiende coronafontein. Moest de dame voor mij niet zo knap, welriekend en nuchter zijn, zou ik denken dat ik hier in de Action stond!’ Of iemand me verstaan heeft is me nog altijd niet duidelijk, want ik winkel vandaag nog uitsluitend in een hazmatpak. Hoe dan ook hoepelde de afstandspolitie vloekend op, waarna de gemondmaskerde schone en ik al snel beslisten bubbels te vermengen om tot in de vroege uurtjes elkaars huidhonger meerdere malen te stillen. Bij deze dus een tip voor onze regering wanneer binnenkort de tweede golf van het virus onze planeet overspoelt: als je wil dat iedereen de regels naleeft, zonder overdrijvers enerzijds en onverschilligen anderzijds, gebruik dan eenduidige communicatie, straf politiekers af die solo rijden – ik kijk naar niemand, Ben – en probeer ervoor te zorgen dat we bij versoepelingen geen master in de wiskunde moeten hebben om te achterhalen hoeveel personen we in onze bubbel kunnen toevoegen als die ook nog meer dan 0 andere familieleden of vrienden willen zien.

Hans Verhaegen
20 2

Uit: De jongen die windjes verzamelde

Een van de voordelen van enig kind zijn, is dat je ouders meer tijd voor je hebben. Met mijn vader ga ik graag honkballen op het speelveldje bij de rivier.  Als hij thuis is, roept hij: ‘zullen we straks een potje honkballen?’ Hij hoeft bij thuiskomt geen scheidsrechter te spelen omdat ik achter mijn broer aanzit en mama stoor die het avondeten klaarmaakt. Mama hoeft nooit over te koken van woede. Die ene keer  dat de pan spaghetti overkookte toen ze gebeld werd door het ziekenhuis en als aan de grond genageld met de telefoon in haar hand bleef staan, was papa heel boos op de pan, maar niet op mij. Ik kon er niks aan doen. Het was de schuld van de telefoon. Bij ons thuis wordt er niet gerend. Gillen doet alleen de waterkoker. De pannen gaan wel eens tekeer. Maar dat is een goed teken. Want dan smaakt het eten heel lekker. ‘Mams, is het goed als ik even ga honkballen met papa?’ ‘Ja. We eten over een half uurtje.’ Ik pak mijn nieuwe handschoen die ik voor mijn zesde verjaardag van papa en mama heb gekregen. Het leer glanst en ruikt naar nieuw. Maar zoals je nieuwe schoenen eerst moet inlopen voordat ze echt lekker lopen, moet ik eerst heel veel ballen vangen met mijn handschoen voordat hij goed zit. Toen ik hem kreeg voelde het leer stug aan. Net karton. Ik was ontgoocheld. Maar papa verzekerde me dat het leer soepeler en soepeler zou worden. Net zoals de soep smeuïger wordt als mama erin roert. ‘Als je er heel veel mee vangt wordt de handschoen soepel! Wanneer ik mijn handschoen niet gebruik, ligt hij geveterd op de bank.   Dat heeft papa me ook geleerd. Hoe ik mijn handschoen soepel krijg, ook als ik hem niet gebruik. Door hem te veteren. ‘Je neemt een veter en strikt je handschoen dicht. Net zoals je een lint om een cadeau knoopt. Hoe strakker hoe beter. Daar wordt het leer soepel van. Kijk, op deze manier.’ En papa veterde de handschoen. Hij legde er een dubbel knoop in zodat de handschoen niet open zou springen.  Elke keer als ik mijn handschoen open strik, voelt het alsof ik jarig ben. Dat is ook een voordeel van alleen zijn. Bijna elke dag ben ik jarig. Papa heeft altijd tijd om honkbal met me te spelen. ‘Ik kom er aan. Ik veter mijn handschoen los,’ roep ik naar papa die bij de deur wacht. ‘Oei, wat zit de knoop er strak in. Ik krijg hem niet los. Had ik maar zo’n scherpe nagels als mama.    

Margaretha Juta
1 0