Lezen

De nieuwe mosselen

Ik had nooit gedacht dat ik ooit een column over mosselen zou schrijven. En toch. Niet omdat ik plots een culinaire recensent geworden ben. Wel omdat mosselen mij iets geleerd hebben over mensen. Iedereen heeft namelijk een mosselritueel. "Waar gaan jullie de eerste eten?" Dat is een volkomen normale vraag. Bij tante Roza. In 'De Gulden Draak'. Op de dijk in Nieuwpoort. Altijd dezelfde zaak. Altijd hetzelfde tafeltje. Alsof de eerste mosselen alleen officieel geopend worden als ze op de juiste plaats gegeten zijn. En dan begint de analyse. Zijn ze groot genoeg? Goed gevuld? Welke soort? Eén kilo of twee? Nonkel Marc vindt dat een kilo vooral dient om de honger wat wakker te maken, die gaat resoluut voor de twee kilo....'om mee te beginnen ' Ik kijk daar met veel bewondering naar. Want tegelijk vraag ik mij af waarom we dat met niets anders doen. Niemand zegt in april: "Waar gaan we dit jaar de eerste steak-friet eten?" Of: "Het is zover. Tijd voor de eerste vol-au-vent van het seizoen." We hebben geen vaste stoverijdag, geen jaarlijkse opening van de vidéekroketten en ook de eerste spaghetti van het jaar passeert geruisloos. Alleen mosselen krijgen een openingsceremonie. En nog eigenaardiger wordt het na die eerste pot. "Ik heb er dit jaar al gegeten." "Meer dan drie keer hoeft dat voor mij niet."."Dan is de charme eraf." Dat vind ik een wonderlijke zin. Want niemand zegt dat over frieten. Of over koffie. Of over chocolade. Blijkbaar worden mosselen alleen lekker omdat ze schaars zijn. Alsof ge ze een beetje moet missen om ze graag te blijven zien. Ik weet niet of dat waar is. Ik weet alleen dat een mossel in kokosmelk met curry ook heerlijk is. Dat ge ze tegenwoordig bijna het hele jaar kunt eten. En dat ik nog nooit iemand heb horen zeggen: "Verdorie, die was te lekker. Volgend jaar misschien maar weer." Misschien zijn wij Vlamingen gewoon bang dat overvloed iets kapotmaakt. Dat geluk minder waard wordt als het te vaak passeert. Ik geloof stilaan het omgekeerde. Misschien is iets niet bijzonder omdat het zeldzaam is. Misschien is het bijzonder omdat ge er telkens opnieuw van kunt genieten alsof het de eerste keer is. En als ge mij zoekt... ik zit waarschijnlijk ergens aan een pot mosselen. Al voor de vierde keer. Zonder schuldgevoel.

Katrien Daniels
25 1

Het Julesboek

Lief herstelt van de griep. Gedachteloos begint ze aan de dringende klusjes. Terwijl ze een bord in de vaatwasser zet, dwaalt haar blik naar het raam. De zon valt precies zoals toen, die middag dat hij haar belde vanuit Nairobi. Jules. Ze glimlacht flauwtjes bij de herinnering aan zijn stem, warm, een tikje hees, altijd een beetje gehaast. Na zijn reis naar Kenia had hij gebeld: hij lag in het ziekenhuis met een longontsteking. Ze had hem toen gezegd dat hij beter voor zichzelf moest zorgen. Daarna hadden ze nog één keer kort contact. Sindsdien bleef het stil. Geen telefoontje. Geen teken van leven. Zoals altijd wanneer hij te lang niets van zich laat horen, voelt ze de neiging om zijn naam te googelen.  Een lichte onrust kruipt onder haar huid. Het is niet de eerste keer dat hij verdwijnt, maar dit voelt anders. Zonder erbij na te denken opent ze haar computer en tikt ze zijn naam in. De eerste links zijn vertrouwd: sociale media, zijn bedrijf. Dan valt haar oog op een link naar een begrafenisondernemer. Ze aarzelt. Klikt. Zijn gezicht verschijnt op het scherm, de glimlach die ze zo goed kent. Onder de foto twee datums: de eerste is zijn geboortedag en de tweede? Een duisternis opent zich in haar hoofd. NEE! Dat kan niet. Dat mag niet. De geluidloze kreet vult haar lichaam. Maar de rouwbrief laat geen ruimte voor twijfel: hij is dood. En de uitvaart heeft al plaatsgevonden. Haar mentor, haar geliefde: gestorven. ... Ze plant het al weken, maar het lukt haar slechts vandaag. Ze opent het schrift dat ze Het Julesboek noemt. Het ligt geduldig te wachten. Ze wil schrijven, in de hoop dat het helpt. Misschien doet het dat niet. Maar ze verlangt ernaar om terug te gaan naar wat er was. Naar hem. Naar alles. Ze is moe. Onzeglijk moe. En toch, ze moet het doen. Waarom? Dat weet ze niet. Of misschien wel: omdat ze bang is dat het anders verdwijnt. Bang om verder te gaan zonder hem. Tweeënveertig jaar lang was hij er altijd, aan de andere kant van de telefoon, in haar dagen, in haar toekomst. Nu alleen nog in haar geheugen. Ze begint Het Julesboek met haar dierbaarste herinnering. Ze aarzelt, maar weet: dit is het juiste vertrekpunt. Tijdens de zomer van het vorige jaar bleef haar telefoon lang stil. Ze had het er moeilijk mee. De gedachte dat er iets kon zijn gebeurd, benauwde haar dan. Toen ze hem vertelde dat ze dacht uit zijn gedachten te verdwijnen, antwoordde hij: ‘O, maar dat zal nooit gebeuren. Je bent een deel van mijn leven!’ Ze hoorde het in zijn stem: warm, breekbaar, oprecht. Ze schrijft het op, langzaam, want elke letter is heilig. Die ene zin is het mooiste wat hij haar ooit heeft gezegd, en tegelijk de laatste uiting van genegenheid die ze van hem zal krijgen. Ze leest de zin opnieuw, fluistert hem in de hoop hem zo weer terug te roepen. ... Plots lawaai op straat – een claxon, stemmen die elkaar luid toeroepen – doet haar opschrikken uit haar gedachten en haar blik valt op zijn foto met de hond. Ze vond die foto, niet op zijn Facebookaccount dat zijn vrouw beheerde, maar op de LinkedInpagina van zijn bedrijf. Ze vermoedt dat hij die zelf heeft geplaatst, een beeld dat hij koos en koesterde. Waarschijnlijk is hij gemaakt net voor hij zijn hond, die aan kanker leed, liet inslapen. De straatgeluiden vervagen als zijn blik haar raakt: somber, door verdriet getekend. Het is geen pose, geen officiële weergave voor de buitenwereld, maar een weergave van de man die zij werkelijk kende. Veel meer dan de gladde foto op het rouwbericht toont dit beeld de ware Jules: ernstig, zwaarmoedig, en onmiskenbaar zichzelf. Hij kijkt haar aan. Alleen haar, alsof hij bij haar steun en troost zoekt voor de pijn.  Ze houdt van die foto. Misschien omdat hij niets verborg, geen rol speelde, maar zichtbaar, één laatste keer, zijn hond die hem dierbaar was, koesterde. ... Sinds ze het schrift begon te vullen, sluipt er langzaam vrede in haar. En dan, onverwacht, droomt ze voor het eerst sinds zijn dood over hem. Ze zijn in een station. Ze staan dicht bij elkaar, hand in hand. Hij vertrekt. Ze wil hem nog een kus geven, maar hij weigert, zonder verklaring, alleen die afwijzing. Hij verdwijnt in de mensenmassa, maar hun handen blijven verstrengeld. Als ze wakker wordt, is ze niet triest. Maar nu ze eraan terugdenkt, rollen de tranen over haar wangen. Hun verstrengelde handen voor een band die zelfs zijn dood niet kan verbreken. De geweigerde kus voor alles wat onuitgesproken is gebleven, voor het ongrijpbare en het treurige in hun relatie. Er is zoveel ongezegd, onbegrepen en onbevestigd gebleven. Zoals dat moment van afwijzing bij een afscheid, juist zoals in haar droom. Ze wilde hem omarmen, maar hij duwde haar resoluut weg, zonder uitleg. En zij, uit trots of uit gewoonte, stelde geen vragen. Hij gaf zelden uitleg. Misschien dacht hij dat zwijgen volstond, dat zij hem ook wel begreep. ‘Je intuïtie is goed.’ Maar dat was niet genoeg, niet altijd. ... Ze slaat Het Julesboek open. Even blijft haar pen boven de bladzijde hangen. Dan schrijft ze, niet over zijn dood, maar over hoe hij ooit in een restaurant sprak met een ober die zichtbaar stotterde, zonder één keer ongeduldig te worden.  Eerst vreest ze dat de bron snel zal opdrogen, dat ze te weinig van hem weet om een heel schrift te vullen. Maar de herinneringen dienen zich ongevraagd aan. Een vleugje van een bepaalde geur, een liedje op de radio dat ze jaren niet heeft gehoord, of het ritme van een voorbijganger; het zijn kleine haakjes waar een heel beeld aan vasthangt. Ze noteert ze zorgvuldig, met een bijna religieuze precisie. Ze herinnert zich hoe hij de rechterkant van het bed opeiste, de eerste keer al, alsof die plek altijd al op hem had gewacht. Hij hield van blauw, de kleur van de diepzee en de avondlucht, al zag ze hem er zelden in. Zelfs de kleur van zijn auto was niet van hem; die keuze had hij aan zijn vrouw gelaten, een compromis dat hij nooit hardop toelichtte. Voor haar bleef blauw aan hem kleven, een echo van de blauwe oliejas en sjaal waar ze als tiener van droomde. Zijn auto was zijn tweede thuis, een rijdend eiland van privacy en vrijheid. Als hij haar onderweg belde, hoorde ze op de achtergrond vaak Radio Nostalgie. Op regenachtige dagen vormden de ritmische, droge tikken van de ruitenwissers de soundtrack van hun gesprek. Het was een geluid dat haar maag deed samentrekken; ze hoorde de snelheid van de wagen in de herhaling van de slag, de kwetsbaarheid van zijn bestaan op dat natte asfalt. Hij kon urenlang genieten van de absurde kronkels van Kamagurka, maar bleef onvermurwbaar nuchter als het op lichamen aankwam. ‘Zonde om te beschadigen,’ zei hij over tatoeages, terwijl hij met een afkeurende blik naar een voorbijganger keek. Ze ziet zijn gezicht weer voor zich: die eigenwijze trek om zijn mond, de nuchterheid die haar soms irriteerde, maar haar ook rust gaf. Officieel interesseerde voetbal hem niet, maar ze glimlachte toen ze hem eens betrapte. Terwijl ze tegenover hem zat, zag ze zijn ogen over haar hoofd naar de televisie glippen. Toen Zidane scoorde, bevroor hij; hij hield even op met kauwen, zijn aandacht volledig opgeëist door de herhaling van het doelpunt, totdat hij besefte dat ze naar hem keek. Met chocolade en kreeft kon ze hem verleiden, al vermoedde ze dat de kreeft vooral zijn hang naar status streelde. Eigenlijk hield hij meer van paling in ’t groen, biechtte hij ooit op. Luikse wafels vond hij een volwaardig ontbijt. De lege verpakkingen bleven meestal dagen op de achterbank liggen. ... Ze had gedacht dat het verdriet zacht zou uitdoven, als een lamp die langzaam minder licht geeft. Maar soms komt er iets anders onder vandaan. Geen verdriet. Geen verlangen. Wel woede. Het overvalt haar onverwacht. Terwijl ze boodschappen doet. Terwijl ze een glas afdroogt. Terwijl ze in bed ligt en naar het plafond staart. Dan voelt ze het plots in haar borst omhoogschieten: een harde, hete golf. Hoe heeft hij haar zo kunnen achterlaten? Niet door te sterven, daar kon hij niets aan doen, maar door niets achter te laten. Geen bericht. Geen naam van een vertrouwenspersoon. Geen brief. Geen enkel teken dat zei: als er iets gebeurt, laat haar weten dat ze belangrijk was. Alsof zij moest verdwijnen op hetzelfde moment als hij. Ze probeert mild te blijven. Ze weet hoe bang hij was voor confrontaties, voor ingewikkelde emoties, voor alles wat mensen dwingt kleur te bekennen. Maar soms denkt ze: nee. Nee, dit was niet alleen angst. Dit was ook lafheid. Hij liet haar achter in een niemandsland. Zijn vrouw kreeg bloemen, rituelen, steunbetuigingen, een overlijdensbericht. Zijn dochter kreeg herinneringen die openlijk gedeeld mochten worden. Zijn vrienden spraken over zijn verdiensten. Zelfs verre kennissen mochten zeggen dat ze hem misten. En zij? Zij moest doen alsof er niets was gebeurd. Alsof de man die haar jarenlang had opgebeld, vastgehouden, gekust, beluisterd, nooit werkelijk had bestaan. Dat onrecht brandt soms feller dan het gemis zelf. Ze begrijpt nu waarom geheime geliefden in romans zo vaak eindigen als schimmen. Niet omdat hun liefde minder echt was, maar omdat niemand hun verdriet wil erkennen. De wereld verdraagt het bestaan van zulke relaties zolang iedereen zwijgt. Maar zodra er gerouwd moet worden, vallen ze buiten het verhaal. Terwijl ze weet hoe vaak zulke liefdes voorkomen. Niet alleen vluchtige affaires of bedrog uit verveling, maar hechte verbondenheid. Mensen die elkaar vinden op een plek waar hun leven tekortschiet. Mensen die jarenlang een tweede waarheid meedragen naast hun officiële bestaan. Ze heeft het rondom zich gezien, vaker dan mensen durven toe te geven. Er wordt over gefluisterd, nooit openlijk gesproken. Alsof liefde alleen waardigheid verdient wanneer ze administratief correct is. Dat maakt haar kwaad. Alsof haar verdriet minder zuiver zou zijn omdat hij een trouwring droeg. Alsof zorg, tederheid, verlangen en intimiteit alleen tellen binnen de grenzen die anderen aanvaardbaar vinden. Ze loopt door de woonkamer terwijl de woede door haar heen jaagt. Haar adem zit hoog. Ze blijft staan bij zijn foto. ‘Je had me niet zo mogen achterlaten,’ zegt ze, hardop nu. De woorden blijven in de kamer hangen. Voor het eerst slikt ze hen niet terug in. En toch voelt haar boosheid niet eenvoudig. Want onder dat alles blijft liefde liggen. Dat maakt het juist zo moeilijk te dragen. Ze kan hem niet haten. Zelfs in haar woede beschermt ze hem. Ze gaat zitten en kijkt opnieuw naar zijn gezicht. Misschien, denkt ze, is dat het laatste wat ze nog moet leren: dat liefde niet verdwijnt wanneer woede verschijnt. Dat beide naast elkaar kunnen bestaan. Zoals verdriet en dankbaarheid. Zoals gemis en opluchting. Ze ademt diep in. Ja. Ze is boos op hem. Maar misschien nog het meest op een wereld waarin iemand intens bemind kan worden en toch officieel niemand blijkt te zijn. ... De wekelijkse markt golft van de mensen, badend in het zonlicht. De lucht ruikt naar vers fruit, warme wafels en het zoute spoor van kazen. Ze wandelt erdoor, geen haast in haar tred, geen lijstje in haar hand, enkel groenten en wat kaas; meer vraagt de dag niet van haar. Dan vangt haar oog terloops iets op: ‘Gratis koffie tot 11 uur.’ De woorden staan op een wit bord naast een foodtruck. Ze glimlacht. Waarom niet? De geur van gemalen bonen omarmt haar. Even later staat ze, met een dampende cappuccino in de hand, aan een partytafel. Ze neemt een slok. Het schuim blijft even aan haar bovenlip hangen. Ze lacht, een diep lachje van binnenuit. Een paar voorbijgangers vangen dat lachje op en geven haar er één terug. Slok na slok drinkt ze haar beker leeg. Met een zucht van genoegen dumpt ze hem en wandelt verder naar de kaaskraam.  De zon speelt over haar vingers. Wanneer ze later, met haar tas halfvol, haar straat inloopt, valt de stilte weer om haar heen. Ze merkt dat ze haar schouders minder hoog optrekt. Ze blijft even staan kijken naar een vrouw die haar hond uitlaat. Wanneer ze verder stapt, hoort ze in het ritme van haar voetstappen haar eigen hartslag, rustig en vastberaden. ... Ze wandelt langs het water tot ze bij een bankje komt. Ze gaat zitten en sluit de ogen. Eindelijk rust, vanbinnen en vanbuiten. Het voert haar terug naar die keer toen ze hier ook zat. In de verte zag ze een groepje mensen naderen. Jules! Ze herkende zijn korte, blonde haar en zijn manier van stappen. Gedachten schoten door haar hoofd. Moest ze omkeren, zich verstoppen, of gewoon blijven zitten en hem en zijn gezelschap negeren? Ze hoopte dat hij het was, en vreesde het tegelijk. Toen de groep haar passeerde, zag ze dat hij het niet was. De dubbelganger groette vriendelijk. Haar benen voelden slap aan. De teleurstelling stak feller dan de verademing. Nu ze opnieuw op dat bankje zit, voelt ze vooral opluchting. Om hem voorbij te laten gaan, zomaar alsof hij niets betekende, dat zou ondraaglijk zijn geweest. En hij? Ze beseft hoe beheerst hij zou hebben gegroet, hoe hij gewoon zou zijn doorgelopen. Dat inzicht snijdt vlijmscherp, maar ze vlucht niet langer voor de pijn. ... Ze sluit Het Julesboek af en laat haar hand nog even op de kaft rusten.  Ze schreef hoe haar begrip groeide, langzaam maar zeker, en begreep wie hij voor haar was. Wat haar geheugen haar misschien ooit zal ontnemen, heeft ze nu vastgelegd. Onwillekeurig vraagt ze zich af wat hij van haar herinneringsboek zou hebben gevonden. Ze weet wel dat hij het nooit zal lezen, maar de vraag blijft hangen. Zou hij zich herkennen? Of zou hij zijn wenkbrauwen fronsen en zeggen: ‘Wat haal jij je toch allemaal in je hoofd?’ Ze heeft geen antwoord. Het beeld dat zij van hem draagt, is genoeg. De bladzijden zijn gevuld met fragmenten: zinnen die ze hem hoorde zeggen, momenten die ze samen beleefden, gedachten die pas na zijn dood vorm kregen. Sommige passages zijn helder, andere rafelig. Maar ze zijn van haar. Ze haalt diep adem en houdt het boek dat ze alleen voor zichzelf bedoelde losjes in haar handen. Maar nu voelt ze iets verschuiven. Misschien mag het ook zichtbaar worden. Niet voor iedereen, maar voor wie het wil openen. Ze herleest de passage over hun eerste ruzie. Hoe hij haar aankeek met dat scheve lachje: ‘Onze eerste ruzie.’ Ze glimlacht terug, nu, alleen. Dan legt ze het boek rustig neer. ...

Hildegarde
32 1

De kunst van het loslaten

Eind juli 2002 werd hij geboren. Mijn eerstgeborene. Mijn eerste vruchtje. Mijn Betterfoodkindje. Mijn volmaakt zelfgemaakt gelukje. Meer dan vier kilo zwaar en vijfenvijftig centimeter lang. Hij was bij de geboorte precies al half vertrokken in het leven. Alsof hij onderweg gedacht had: kom, ik neem ineens een voorsprong. We gaven hem een naam die klonk als een grote, stevige beer. En dat werd hij ook. Groot. Een hoog knuffelgehalte. Geen kerel die ge zomaar omver blaast. Eerder eentje waarvan ge denkt: die trekt zijn plan wel. En dan begon het. Van wieg naar maxi-cosi. Van de kleine schuifaf in de veranda naar juf Frieda. Van een vuilgeravotte speelclubber die met grasvlekken, schrammen en modder thuiskwam, naar leider van een hele bende kinderen die nu naar hem opkijken zoals hij vroeger naar zijn leiders opkeek. En ergens tussen al die gewone dagen groeit een kind op. Dat is misschien nog het strafste van heel het verhaal. Ge ziet het niet gebeuren. Ge denkt dat ge nog alle tijd van de wereld hebt. Dat die kleine hand altijd in de uwe zal passen. Dat ge nog jaren boterhammen zult smeren, turnpantoffels zult zoeken en boterhamdozen uit schooltassen zult vissen. Tot ge op een dag beseft dat ge eigenlijk al een hele tijd naar een volwassen mens zit te kijken. Ik denk dat ik dat zelf pas voor het eerst doorhad bij de huisarts. Hij zal een jaar of veertien geweest zijn. Griep. De dokter vroeg of ik hem al een paracetamol had gegeven. "Ja," zei ik. "Een vijfhonderdje." Hij keek eens naar hem. Dan naar mij. En hij begon te lachen. "Katrien," zei hij. "Hij is ondertussen een kop groter dan gij. Ik denk dat hij gerust een duizendje aankan." Aja. Juist. Dat was dus ongemerkt gebeurd. Hij was groter geworden dan zijn moeder. En nu zijn we eind juli 2026. Net als vierentwintig jaar geleden voelt het een beetje alsof we in verwachting zijn. Niet van een baby deze keer, maar van een nieuw hoofdstuk. Plots gaat het thuis niet meer over tutjes en pampers, maar over IKEA-meubels. Over een bed en een matras. Over glazen, borden en bestek. Over handdoeken, een vuilnisbak en een droogrek. Ge staat ineens met een winkelkar vol dingen waarvan ge nooit gedacht had dat ge die ooit cadeau zou doen. Een vergiet. Een wc-borstel. Een afdruiprek. Een snijplank. Een emmer. Volgende maand trekt mijn eerstgeborene de deur achter zich dicht. Niet voorgoed, gelukkig. Maar wel om zijn eigen leven te beginnen. Ze zeggen dat opvoeden loslaten is. Ik weet eigenlijk niet of dat waar is. Ik denk dat opvoeden vooral hopen is dat ge genoeg hebt meegegeven. Niet alleen de grote dingen. Waarden en normen, liefde en respect. Maar ook de kleine dingen. Dat hij weet hoe een wasmachine werkt. Dat ge witte was niet bij rode steekt. Dat ge een pan niet met een mes uitkrabt. En voor de rest... Voor de rest trekt hij zijn plan wel. Dat deed hij eigenlijk altijd al. Ik ga mij daar ook wel in moeten oefenen.   Maar ik ga hem toch nog één keer bellen. Gewoon om te vragen of hij ook aan een pepermolen gedacht heeft.

Katrien Daniels
34 3

Lenn en zijn bord spaghetti

Ik ben op kamp. Mijn vijftiende kamp ondertussen.  Vijftien kampen, dat wil zeggen massa’s gehakt en ajuinen. Hoeveel kilo precies weet ik niet, maar vermoedelijk genoeg om een bescheiden frituur een jaar draaiende te houden. Het betekent elk jaar minstens één plakker door een iets te enthousiast mes en minstens twee brandwondjes door opspattend bakvet. Vijftien jaar ervaring heeft mij op culinair vlak veel geleerd, maar blijkbaar nog altijd niet dat heet vet echt heet is. Vijftien kampen zijn ook vijftien jaar anekdotes. Kamphuizen waarvan ge de kampbaas ondertussen kent. Kringwinkels in godvergeten dorpen waar ge binnenstapt voor iets wat ge écht nodig hebt en buitenkomt met een gordijn dat perfect dienst kan doen als tafellaken en een koffiemok met Wild Animal erop. Er zijn keukens geweest waarin ge met drie mensen tegelijk uw gat niet kon keren en toch voor een kleine volksverhuizing moest koken. Afwasbergen waarop een bekende bergbeklimmer spontaan zijn stijgijzers zou hebben aangetrokken. Regenweken, hittegolven, vergeten ingrediënten en maaltijden die door een kleine culinaire interventie plots een totaal andere naam kregen dan oorspronkelijk op het menu stond. En er waren chirojongen. Heel veel chirojongens. Sommige passeren een paar jaar door uw kampkeuken en verdwijnen daarna weer uit beeld. Andere blijven hangen. Lenn bijvoorbeeld. De grote Lenn, moet ik tegenwoordig zeggen. Hij was helemaal geen Chirojongen pur sang. Hij werd nen echten toen hij een jaar of tien was. Ik weet dat nog omdat ik hem op zijn eerste kamp zag passeren met een bord spaghetti. Dat is mijn eerste echte beeld van Lenn. Geen grootse entree. Geen tromgeroffel. Gewoon een manneke met een bord spaghetti. Later bleek hij ook nog probleemloos te geloven dat we op dag twee spruiten zouden eten. Uiteraard. Voor het slapengaan passeerde hij nog heel even stiekem op mijn schoot. Niet te lang. Ge waart tenslotte op kamp en er was een reputatie hoog te houdenm Daarna werd Lenn groter. Op een bepaald moment zat hij niet meer stiekem op mijn schoot, maar stond hij naast mij aan de afwas en keelden wij samen 'Als ze lacht'. De afwasborstel als microfoon, de kampkeuken als Sportpaleis en een publiek dat vooral niet weg kon omdat de borden nog vuil waren. Nog wat later kwamen de meisjes. En dus ook de gesprekken over de liefde. Ik leerde Lenn de geheimen ervan. Ik had daar blijkbaar verstand van. Zo leerde ik hem dat ge met schaarste ook liefde kunt oogsten. Dat hij zijn lief dus vooral niet té veel brieven moest schrijven. Doseren, Lenn. Een beetje mysterie. Ge moet een mens ook de kans geven u te missen. Ik verkondigde dat met het gezag van een vrouw die duidelijk alle geheimen van de menselijke liefde had ontsluierd en toevallig op dat moment kilo’s ajuinen stond te snijden in een kampkeuken. En nu is Lenn bijna leider. Volgend jaar. Samen met de andere lieverds van zijn groep. En dan kijk ik hier rond en loopt er ineens weer een kleine Lenn. Een andere Lenn. Op zijn eerste kamp. Hij komt zijn bord spaghetti halen en deelt mij plagend mee dat die van zijn eigen moeke lekkerder is. Uiteraard. Ik kijk naar hem en ineens zie ik ze allebei. De grote Lenn met zijn spaghetti van toen. De kleine Lenn met zijn spaghetti van nu. De ene staat op het punt leider te worden. De andere moet nog ontdekken wat kamp eigenlijk is. Hoe lang een week kan duren. Welke liedjes ge uit volle borst moet meebrullen. Welke verhalen ge later honderd keer opnieuw zult vertellen en waarom eten op kamp nooit zo lekker is als dat van uw eigen moeke. Ergens tussen die twee Lenns liggen al die jaren. De spruiten die er nooit kwamen. Een schoot voor het slapengaan. 'Als ze lacht' boven een berg vuile afwas. Liefdesbrieven die met mate verstuurd moesten worden. En heel veel spaghetti.

Katrien Daniels
93 1

Gepasseerde stations

Spijt, dat is een vreemd woord. Het spijt me. Ik heb er spijt van. Spijtig dat. Drie keer ongeveer hetzelfde en toch telkens een heel ander gewicht. Soms is spijt een station waar ge liever nooit waart uitgestapt. Een bruut woord dat eigenlijk niet gezegd moest worden. Een deur die ge iets te hard hebt dichtgeslagen. Iemand die ge pijn hebt gedaan terwijl ge die mens net graag zag. Een verdriet dat ge nooit helemaal hebt uitgepraat omdat ge dacht dat er later nog wel tijd voor zou zijn. En soms is spijt net het omgekeerde: een station waar ge níét zijt uitgestapt. Ge ziet het nog liggen als ge achteromkijkt. Dat jaar dat ge toch niet naar het buitenland ging. Die grote liefde die misschien een grote liefde had kunnen worden als ge op het juiste moment iets moediger, slimmer of gewoon minder koppig waart geweest. Dat ene grote verhaal waaraan ge nooit begonnen zijt. Ik heb van best veel dingen spijt. Ik heb  tijdens mijn dwaaltochten mensen gekwetst die ik graag zag. Niet omdat ik dat wilde, maar omdat een mens soms verdwaalt en onderweg nogal onhandig met zijn bagage tegen andere mensen hun benen botst. Daar heb ik spijt van. Dat zijn stations waar ik niet wilde zijn. Maar er zijn ook de gemiste stations. Bij mij heet er eentje: de toneelschool. Ik wilde ooit iets met theater doen. Nu klinkt dat meteen alsof ik op mijn zestiende voor de spiegel stond met een haarborstel als Oscar in mijn hand, ervan overtuigd dat de wereld eigenlijk maar één probleem had: dat ze mij nog niet ontdekt had. De grote actrice worden. Premières. Rode lopers. Interviews waarin ik ernstig zou vertellen dat ik “heel dicht bij mezelf moest blijven voor deze rol”. Een zonnebril dragen binnen. Op de cover van een tijdschrift staan met als titel: Katrien zoals je haar nog nooit zag. Mensen die fluisteren wanneer ik bij de bakker binnenkom en ik die daar dan heel naturel mee omga. Dat dus niet. Ik wilde dramadocent worden. Of dramatherapeut. Veel kleiner. Ik wilde in een lokaal staan met mensen voor wie spreken soms moeilijker was dan zwijgen. Met kinderen die zichzelf groter konden spelen dan ze zich voelden. Met volwassenen die via iemand anders misschien eindelijk iets over zichzelf konden zeggen. Ik wilde verhalen gebruiken om mensen ergens te krijgen waar gewone woorden niet altijd geraken. Dat leek mij schoon. Nog altijd eigenlijk. Ik heb het nooit gedaan. Misschien vind ik dat nog het meest spijtige: niet dat ik het niet geworden ben, maar dat ik zelfs de kans niet heb gekregen om erin te mislukken.bGe kunt dan tenminste zeggen: ik heb het geprobeerd. “Kan dat nu niet meer?” vroeg hij. Ik lachte. Nee. Ik ben bijna vijftig. Ik denk dat de grote doorbraak stilaan problematisch wordt. Niet onmogelijk natuurlijk. Straks word ik op mijn tweeënvijftigste alsnog ontdekt terwijl ik in de Colruyt sta te discussiëren over een rode prijs. Voor ge het weet speel ik de hoofdrol in een prestigieuze Netflixreeks, sta ik in Cannes op een rode loper en moet ik in De afspraak komen uitleggen hoe ik al die jaren “heel bewust uit de schijnwerpers ben gebleven”. Ge weet nooit. Maar dat was de droom dus niet. En misschien is dat precies wat er soms zo zeer doet aan gemiste stations. Dat ge het niet hebt geprobeerd. Spijt doet ons graag geloven dat treinen maar één keer passeren. Dat ge op uw achttiende had moeten weten wie ge op uw vijftigste wilde zijn. Ik weet niet wie dat spoorboekje heeft opgesteld, maar ik begin te vermoeden dat het niet klopt. Want ik schrijf. Altijd al gedaan eigenlijk. In schriftjes, op computers, in mijn hoofd, midden in de nacht, op servetten en waarschijnlijk ooit nog op de achterkant van een elektriciteitsfactuur. Ik verzin mensen. Ik geef ze woorden. Ik laat ze ruzie maken, verliefd worden, vertrekken en terugkomen.  Misschien moet ik daar eens iets mee doen. Niet omdat ik denk dat daar alsnog de grote doorbraak staat te wachten. Mijn zonnebril mag voorlopig gewoon in mijn handtas blijven. Maar omdat ik stilaan begrijp dat spijt misschien niet alleen gaat over wat achter u ligt. Soms wijst ze ook ergens naartoe. Misschien moet ge dan niet blijven staan kijken naar het station waar ge twintig jaar geleden voorbij zijt gereden. Misschien moet ge gewoon eens op het bord kijken en er voor gaan. Er vertrekken elke dag treinen.

Katrien Daniels
40 2

Een voetnoot

“Misschien ben je dan toch maar een voetnoot in mijn leven.” Of hij zei het omgekeerd. Dat hij misschien maar een voetnoot was in het mijne. Soit. Het doet er eigenlijk niet toe wie van ons precies de voetnoot was. Feit is dat het woord viel. Voetnoot. Ik vond dat geen aangenaam woord. Een voetnoot is iets kleins onderaan een bladzijde. In lettertype acht. Iets wat ge alleen leest als ge bijzonder geïnteresseerd zijt of een examen hebt. Een verduidelijking bij iets wat blijkbaar nét niet belangrijk genoeg was om in de eigenlijke tekst te staan. En ja. Dat kwam even binnen. Want uiteindelijk wilt ge dat toch graag iets als 'voor het leven'. Dat klinkt heerlijk groots. Als lang en gelukkig. Als samen oud worden, dezelfde verhalen honderd keer vertellen en op den duur allebei vergeten wie ze oorspronkelijk heeft meegemaakt. Uiteraard hoort daar ook de kleinelettertjesversie van de eeuwigheid bij. Onderhandelingen over de strijk. Over wie de vuilzakken buitenzet. Over natte handdoeken die blijkbaar volgens één van de twee perfect op de grond kunnen drogen. Over thermostaten, vaatwasmachines en de vraag waarom er naast een lege wc-rol altijd een nieuwe rol staat, maar nooit óp de houder. Niet alleen zonsondergangen, grote verklaringen en samen hand in hand richting horizon. Ook: “Als gij straks naar boven gaat, pakt ge dat dan mee?” Enfin... Als ge iemand graag ziet, wilt ge dus liefst niet ergens onderaan pagina 247 eindigen met een sterretje voor uw naam. Ge wilt een hoofdrol. Ge wilt hoofdstukken. Een verhaallijn. Karakterontwikkeling. Een beetje spanning mag. Een onverwachte plotwending hier en daar. Desnoods een cliffhanger. Maar ge wilt vooral dat de lezer denkt: die twee, daar komt nog iets van. Dus, nee...mijn lief is geen voetnoot. Ge kunt moeilijk een voetnoot zijn als ge ondertussen overal tussen de regels zit. In mijn dagen. In mijn plannen. In mijn keuken. In mijn hoofd. In kleine gewoontes die ongemerkt gewoontes van twee zijn geworden. In zinnen die beginnen met “wij zouden eens…” en waarvan niemand nog schrikt. Dat is geen voetnoot meer. Dat is een serieus aandeel in de publicatie. Misschien is hij een hoofdstuk..Een heel schoon hoofdstuk. Of misschien zijn we ondertussen aan een trilogie bezig. Dat vind ik eigenlijk nog mooier. Deel één waarin de heldin jarenlang denkt dat ze bijzonder goed weet hoe het leven werkt, terwijl werkelijk iedereen behalve zijzelf kan zien dat ze maar wat doet. Deel twee waarin zowat alles passeert wat een mens liever niet op de achterflap zet, maar waar recensenten achteraf waarschijnlijk iets pompeus over schrijven als een noodzakelijke zoektocht naar zichzelf. Terwijl het vooral veel drama was. En dan deel drie. Eindelijk. Geen grootse violen. Geen paard dat in galop over een strand komt aanzetten. Geen man die op één knie gaat zitten terwijl er toevallig 48 perfect witte duiven overvliegen. Gewoon twee mensen die elkaar gevonden hebben. Die lachen. Die soms botsen. Die af en toe iets stoms zeggen en gelukkig meestal slim genoeg zijn om daar later op terug te komen. Die stilaan hun eigen taal krijgen. Hun eigen gewoontes. Hun eigen verhaal. En als alles een beetje vanzelf blijft gaan zoals het nu gaat, misschien wordt dit dan wel het sluitstuk van een trilogie. Niet omdat we daar plechtig voor getekend hebben. Niet omdat iemand kan beloven hoe de laatste bladzijde eruitziet. Maar omdat het goed zit. Omdat mijn jas tegenwoordig gewoon aan de kapstok hangt. En omdat sommige verhalen helemaal geen spectaculair einde nodig hebben. Sommige mogen gewoon steeds dikker worden. Met ezelsoren, koffievlekken, een paar bladzijden die ge achteraf beter had kunnen schrappen en hier en daar een scène waarvan ge denkt: moest dat nu echt? Maar vooral met veel liefde. En voor één keer hoeft de schrijver niet voortdurend vooruit te bladeren om te kijken hoe het afloopt. Ze zit goed waar ze zit, midden in het verhaal.

Katrien Daniels
53 2

Vlaanderen het corruptste taalgebied in Europa.

  Het tekort aan sociale woningen in Vlaanderen is nijpend. Terwijl in Nederland 25% van de woningmarkt uit sociale huur bestaat, is dat in Vlaanderen slechts 4%. Hierdoor zijn lagere inkomensgroepen aangewezen op de private huurmarkt, corrupte kleinburgerij, waar de huurinkomsten historisch gezien nauwelijks worden belast. Hoewel de overheid probeert bij te sturen met huursubsidies, vloeit dit overheidsgeld rechtstreeks naar private verhuurders, corrupte kleinburgerij, zonder dat het structurele woningtekort wordt opgelost. Critici stellen dat de gewone burger hierdoor dubbel wordt gepakt: door een zwak sociaal vangnet en lage pensioenen enerzijds, en door een fiscaal systeem dat vermogen uit vastgoed ontziet anderzijds. Zo winnen de kleinburgerij twee maal eerst door geen belastingen te betalen op hun huurgelden en ze krijgen nog een extraatje van de belastingbetaler door de huursubsidie. De verliezers zijn de huurders die gek genoeg met 45% voor de Vlaams nationalisten stemmen.     Historisch gezien kent deze vermogensongelijkheid diepe wortels. Tijdens de monetaire sanering na de Tweede Wereldoorlog (de Operatie Gutt) sluisden vermogenden, waaronder collaborateurs, grote sommen zwart geld naar de kerk om inbeslagname te voorkomen. Dit hielp een specifieke elite hun maatschappelijke en intellectuele voorsprong in het naoorlogse Vlaanderen te consolideren, wat tot op de dag van vandaag doorwerkt in de politiek.Toen de Vlaams-nationalisten nog gemarginaliseerd onder de steen van de geschiedenis lagen, riepen ze op: "GEEN GELD VOOR HET SMERIGE BELGIË". Ondertussen sluisden ze hun eigen geld door naar belastingvrije rekeningen, om te dienen als oorlogskas voor hun grote droom: de onafhankelijkheid van Vlaanderen als een rijk Monaco aan de Noordzee. Ze werden daarbij geen strobreed in de weg gelegd door de klassieke partijen, die destijds niets in het snotje hadden.Tegelijkertijd heeft het politieke beleid uit de jaren 80 en 90, onder leiding van figuren zoals Louis Tobback, de focus van justitie verlegd. Door een strenge aanpak van kruimeldelicten, druggebruikers en minderheidsgroepen, arme, bruin en alternatievelingen, ontstond er een overbelasting van het gevangeniswezen, terwijl de controle op grootschalige fiscale fraude en witteboordencriminaliteit tekortschoot. Het grootkapitaal dankt Louis Tobback, vanuit hun buitenlandse, vooral in Zuid Afrika, villas. Terwijl Louis Tobback tientallen jaren jacht maakte op iedere jointroker, kregen hij en zijn stad Leuven miljarden van de alcoholfabriek. Zatlappen zijn blijkbaar tegen drugs. Een paar jaar geleden zei een oppositiepoliticus op het radionieuws van de middag dat er een vol vliegtuig met zakenmensen klaarstond om naar het eiland Man te vliegen. Dit eiland heeft weinig met toerisme, maar is vooral bekend om zijn vele banken. Het bericht werd 's avonds niet meer herhaald. Tegenwoordig wordt de luchthaven vanwaar ze vertrokken volop gesubsidieerd door Vlaams-nationalistische partijen. Het ging om een toestel van de VLM (Vlaamse Luchtvaart Maatschappij), waarvan de eigenaar een bekende Vlaams-nationalist en partijlid is.De zakenmensen werden en worden nooit gecontroleerd. Dat is een immens verschil met de razzia's die in het Brusselse Molenbeek worden georganiseerd, die zich vooral richten op armen, mensen met een migratieachtergrond en alternatievelingen. De gangster Bakelandt is een Vlaamse stripreeks van striptekenaar Hec Leemans. De albums werden uitgegeven door Standaard Uitgeverij.In de realiteit was Bakelandt een wrede misdadiger uit Lendelede. Ludovicus Baekelandt of Lodewijk Baekelandt (Lendelede, 17 januari 1774 – Brugge, 2 november 1803) wordt beschouwd als de leider van een roversbende die op het einde van de 18e eeuw in West-Vlaanderen actief was.Deze wrede gangster wordt door Vlaams-nationalisten voorgesteld als een voorbeeld voor de kinderen van Vlaamsgezindheid. Ondertussen heeft de corrupte kleinburgerij zo weinig belastbare inkomsten aangegeven dat zij bij het bereiken van de pensioenleeftijd recht hebben op een compensatiepremie. "Hiermee consumeren zij onterecht de pensioengelden die door arbeiders zijn opgebouwd."   OESO berispt België opnieuw voor lage pensioenbijdrage zelfstandigenDe OESO tikt ons land voor de tweede keer op de vingers voor het optrekken van de pensioenen voor zelfstandigen, zonder dat zij evenredig bijdragen voor de sociale zekerheid. ‘Als je een beter pensioen wil, moet je toch meer sociale bijdrage betalen?’ Het mooiste voorbeeld van de Vlaamse, corrupte manier van boekhouden was te zien bij het bedrijf Lernout & Hauspie. Daar wilde men de boekhouding die in Vlaanderen gebruikelijk is, op wereldschaal toepassen. Het heeft niet lang geduurd. België is zeer rijk. Dat komt niet zozeer door de politiek, want die smost er nu en dan behoorlijk mee. Het profitariaat is groot, en degenen die het minst profiteren zijn – zoals meestal – degenen die onderaan bungelen. België is vooral rijk dankzij zijn ligging. Toch krijgen arbeiders het laagste pensioen van West-Europa, terwijl de ambtenarij en de politiek de hoogste pensioenen ontvangen. Bovendien werkt 19% van de bevolking rechtstreeks of onrechtstreeks voor de overheid. (OESO rapport) Het tekort aan sociale woningen is zeer makkelijk op te lossen. Belast de huuromkomsten extra hoog; de melkkoe is nu wel genoeg misbruikt. Dit zal ervoor zorgen dat menig verhuurder zijn woning verkoopt. Als de overheid deze woningen vervolgens goedkoop opkoopt en er sociale woningen van maakt, is het probleem opgelost. De natte droom van de Vlaams-nationalisten is dat een tachtigjarige, als bijpassing voor zijn schamele pensioen, rekken moet bijvullen in de plaatselijke supermarkt. Flexijobs.  Zonder belastingen op de sociale zekerheid, zodat hij goedkoop de plaats van de vaste werknemers inneemt. Het resultaat is de ineenstorting van de sociale zekerheid en een nog lager pensioen. De winnaars zijn de corrupte kleinburgerij. Het is de bedoeling dat zij met hun vele winsten investeren in vernieuwende, toekomstgerichte ondernemingen. Maar door het debacle van Fortis in hun achterhoofd doen ze dat niet; in plaats daarvan gaan ze zich te buiten aan dure consumptieartikelen zoals boten, auto's, designkleding en meubels. Dit zijn vooral artikelen uit het buitenland, die ook vooral in het buitenland worden gekocht. In het binnenland zou dat immers te veel de ogen uitsteken. De armlastige en subsidie sluipende landbouwers, 1/3 van de Europese subsidies gaat naar landbouw, zijn tegenwoordig te vinden in Dubai. "Hun natte droom valt na zoveel jaren in duigen: een onafhankelijk Vlaanderen is failliet en een aansluiting bij Nederland is onmogelijk, want de Nederlanders zien met afschuw wat er in Vlaanderen gebeurt. Bartje is ondertussen Europa aan het redden en zit zeer ver weg. De Vlaams-nationalisten vergaten dat hun vorige voorliefde de Duitsers was. Het is ook een knoeiboel geworden."   **************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
41 0

Hedera helix

Licht is nodig om te groeien. Licht voedt. Dat is toch wat ze beweren. Hij heeft lak aan die regels, en kiest resoluut voor het donkerste punt dat zijn pad kruist. Hij is op zoek naar een hermetisch zwart hart dat hij kan bezitten, een solide duistere stam waar hij zichzelf rond kan slingeren. Waar de anderen blind zoeken naar het helderste licht, daar zoekt hij doelgericht naar de diepste schaduw.  De wilg voelt het meteen. Haar zachte schaduw ligt niet meer gezapig om haar heen, er beweegt iets in de lommer. Er sluipt honger rond haar wortels. Haar gebarsten schors, ruw en licht vochtig, maak zich op om iets helemaal nieuws te doen: ontvangen. In die vele jaren waarin ze onwrikbaar elke dag op zich liet inbeuken, ontwikkelde zich een zwaarte die zich tot in haar takken liet voelen. Met die donkerte roept ze hem, onbewust maar dwingend. Hij kust haar voeten. En nu kruipt hij verder naar haar schors. De stengel tast, vindt en ontluikt in een obscure aanraking. De cellen die haar schors niet raken gaan plots sneller groeien en strekken zich uit. Zo krult zijn stengel naar haar toe, klaar voor de eerste omhelzing. In de zachte bries van de late zomerwarmte vinden ze elkaar. Ze buigt haar schaduw nog meer naar hem toe, en hij drukt zich strak tegen haar aan. Honderden minuscule hechtworteltjes dringen haar bast binnen. Hij heeft geen brute kracht nodig, hij infiltreert geruisloos in haar kleinste kieren, en begint zo zijn klim. De zachte pijn van zijn fijne hechtwortels vuren haar sapstromen aan. Ze maakt zich vochtig voor hem. Hij laaft zijn groeiende dorst aan haar essentie en graaft zich nog dieper in haar. Hij woekert om en in haar. Ze voelt zijn greep versterken. Op de tast leest hij de littekens van haar bast, stuurt nieuwe vertakkingen aan die als gretige vingers elk wonde willen bezitten. Hij werpt strakke lussen, snoert haar lichaam in shibaritouwen. Hij legt dwingende knopen en trekt ze aan. Ze maakt zichzelf wijs dat ze eindelijk geborgen is in zijn sterke lianen. Samen wentelen ze zich tot een nieuw symbiotisch leven, verknocht aan elkaar. Hij maakt zichzelf wijs dat hij geen parasiet is, hiij raakte gewoon gehecht aan haar schaduw. En elke nieuwe knoop prent haar vezels in dat ze geen wilg meer is, maar het fundament van hem, Hedera helix. Haar bekoorlijke klimop.  Ze laat hem reiken naar haar kruin. In zijn eeuwige gulzige groen vallen haar beginnende herfsttinten niet op. Hij is haar constante bloei. Ze buigt dieper onder zijn knopenwerk, ze geeft zich over aan wat op zijn redding lijkt. De herfstwind speelt met hun bladeren. Haar goudtinten en zijn fris groen vormen een nieuw wezen. Mocht ze ooit ten onder gaan, dan valt ze niet als wilg, maar als het intieme monument van zijn bezit.     

Jolien Van de Velde
13 1

Homerus THE ODYSSEY en I.A.

"Er was een tijd waarin Homerus zijn meesterwerken kon schrijven dankzij de overvloed aan vrije tijd die slaven hem gaven. Vandaag zijn technische wonderen onze 'slaven', waardoor de mens die enorme hoeveelheid vrije tijd kan gebruiken om nieuwe meesterwerken te creëren." **************************** FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
6 0

De Katrienen

Ik ben van 1977. En blijkbaar was dat hét jaar waarin half Vlaanderen dacht: we noemen ons dochter Katrien. Gevolg? Al mijn vriendinnen heten Katrien. Dat is gemakkelijk. Ge kunt u eigenlijk nooit verspreken. Maar tegelijk is het ook ongelooflijk verwarrend. Ik heb het altijd over een Katrien. En dan volgt er een onderschrift. Katrien van Wijnberg. Katrien van de Chiro. Katrien van op kot. Katrien van Antwerpen. Katrien van de lagere school. Katrien van het werk. Katrien de buurvrouw. Het is precies alsof ik een abonnement heb. De Katrienen, ze weten dingen. Ze hebben me ooit op een bijzonder elegante manier uit mijn hoofd gepraat om mijn eerste zoon François te noemen. Achteraf bekeken: waarvoor eeuwige dank. Ze vinden het ook perfect normaal dat ge in een kledingwinkel niet wacht tot het paskotje leeg is. Dan trekt ge die broek toch gewoon in het midden van de winkel aan. Wat gaan ze doen? Ze lopen een winkel binnen, zien ergens een compleet over the top bloesje hangen en zeggen: "Katrien, uw naam staat daarop." En meestal hebben ze gelijk. Ze weten dat ge van porto heerlijke sangria kunt maken. En dat is écht waar! Ze weten dat ge een hele maand kunt verkondigen dat ge absoluut nog eens naar de Opaalkust wilt, om uiteindelijk met veel enthousiasme een hotel in Namen te boeken. Omdat dat op dat moment ook een uitstekend idee leek. Ze weten dat ge tijdens een uitstap ergens in de namiddag een pannenkoek moet eten. Niet omdat ge honger hebt, maar omdat het anders voor niemand nog gezellig wordt. Ik ga geen namen noemen.  Ze waren erbij toen ik dacht dat ik misschien zwanger was. Ze bladerden mee door de lijstjes met babynamen alsof zij uiteindelijk ook een stem hadden. Ze waren erbij toen we op kot de vrolijke poetsvrouw weer eens in een deuk lieten liggen. En toen ik trouwde, maakten ze achter mijn rug een geheime fotoreportage. Niet van de officiële foto's. Wel van de blikken, de slappe lach, de gênante momenten. De echte trouw, eigenlijk. Elke Katrien haalt een andere versie van mij naar boven. Bij de ene geloof ik plots in tarotkaarten. Niet omdat ik erin geloof, maar omdat zij de kaarten legt. Met een andere laat ik mij zonder morren meesleuren naar cafés, pleintjes en verborgen hoekjes waar het leven net iets lekkerder smaakt. En in de buurt van nog een andere blijk ik ineens sportiever te zijn dan ik mezelf ooit zou omschrijven. Ze kennen allemaal de volledige Katrien. Met mijn enthousiasme, mijn chaos, mijn gepieker, mijn drama's en mijn eeuwige "wat gaan ze doen?". Ze kennen de versie die ik vandaag ben, maar ook degene die ik dertig jaar geleden was. Ze herinneren zich verhalen die ik zelf vergeten ben en weten soms al wat ik ga zeggen nog voor ik mijn zin heb afgemaakt. Ik gun iedereen een paar Katrienen in het leven. En misschien moeten we afspreken dat de Jannen zich gewoon aan de Jannen houden. De Patricken aan de Patricken. De Liesjes aan de Liesjes. Dat maakt het leven een pak overzichtelijker. De Katrienen zijn mijn vuurtorens omdat ze, als het op mijn zee wat woeliger wordt, me moeiteloos weer naar de kust leiden. Niet met grote levenswijsheden. Wel met een koffie, een wandeling, een tarotkaart, een pannenkoek of gewoon de woorden: "Kom, we zijn weg." Een vuurtoren neemt de storm niet weg. Hij zorgt er alleen voor dat ge, hoe hoog de golven ook zijn, altijd weer weet waar de kust ligt. Ik heb geluk met de Katrienen aan mijn kustlijn. 

Katrien Daniels
107 2