Lezen

Kwestie van Smaak

Sneakers in schreeuwerige kleuren, oversized roze H&M-truien, Birkenstocks onder loopshorts ... De minder grote Hans Verhaegen-fans durven al 'ns beweren dat ik geen smaak heb. Nochtans leerde mijn leraar Latijn me ooit: de gustibus et coloribus non disputandum est. Dat is een eloquente manier om te zeggen dat de ander z'n bakkes moet houden over je fluoroze Nike Air Max'en. En ondertussen heb ik toch maar mooi laten vallen dat ik, ondanks mijn voorliefde om proza te schrijven over pipi, kaka en mezelf 7 keer per dag nostalgisch afjassen op oude Hilary Duff-films, wel degelijk behoorlijk geschoold ben. Maar ik moet ze gelijk geven, de haters. Sinds begin maart kan ook ik niet meer ontkennen dat ik een slechte smaak heb. Het begon zoals bij velen met het uitvallen van m'n smaak- en reukzin door wat waarschijnlijk COVID was. Niet meteen een ramp als je weet dat andere slachtoffers van Het Virus in afgezonderde ziekenhuisafdelingen afscheid moeten nemen van hun familieleden via een Medion-tablet. Hartverscheurend, zo vlak voor je deze planeet een laatste toedels toehoest, moeten beseffen dat je niet eens een iPad waard bent. Met zo'n gruwelijke taferelen in gedachten ga je niet snel zeuren omdat je bosvruchtensmoothie, je boterhammen met Samsonworst – don't judge, de gustibus... – je steak béarnaise met frietjes en de vagina van de DHL-bezorgster allemaal naar hetzelfde smaken, namelijk niks. Die leraar Latijn van me was overigens een blok massieve pudding van 1,5 kubieke meter die míj uitlachte omdat ik klein was voor m'n leeftijd. Ach, ook humor is een kwestie van smaak. En smaak had de man wel. Aan zijn adem te ruiken vooral whiskysmaak, in een flaconnetje dat zich graag liet openen tijdens springuren in verlaten leraarslokalen. Wat snel opzoekwerk verraadt dat de gefermenteerde pudding het nooit verder geschopt heeft dan leerkracht Latijn, terwijl ik ondertussen maar mooi de meest gelezen column van alle Hans Verhaegens in de Benelux schrijf. Met hubris kom je nergens. Dat laatste is wat mijn leraar Grieks me leerde – behoorlijk geschoold, remember – en is een eloquente manier om te zeggen dat de ander niet dikkenekkerig of neerbuigend moet doen, zeker niet als de persoon in kwestie uit 1,5 kubieke meter pudding bestaat, überhaupt geen nek lijkt te hebben en amper groter is dan een leerling die op z'n groeispurt wacht. Hoe onvergeeflijk ruk de tablets in de ziekenhuizen ook mogen zijn, als je zo een paar weken zonder geur of smaak zit, begin je op den duur toch te jammeren. Hoopvol was ik dan ook, toen ik merkte dat er hier en daar wat beterschap de kop opstak. Een verre herinnering aan bosvruchtensmaak, een licht aroma van Samsonworst … Nu, maanden later, draaien m'n twee beschadigde zintuigen bijna terug op volle toeren, afgezien van één vette, vieze voetnoot, want sinds kort ruiken en smaken bepaalde voedingsmiddelen, kruiden en planten naar een mengeling van rotte eieren, verroest metaal en bierscheet. Zo smaakt kip naar rotte eieren – of eieren naar rotte kip, afhankelijk van je standpunt in het de-kip-of-het-ei-debat. Prei en ajuin ruiken naar een Chirofuif die een nacht lang in iemands darmen lag te gisten. Gebarbecued vlees doet denken aan gezouten GFT-bak. En mijn zelfgemaakte spaghettisaus smaakt alsof je Sean D'Hondt aan het rimmen bent, al beken ik dat dat laatste altijd al zo was en niets met m'n smaakprobleem te maken heeft. Hoewel de coronacijfers de laatste weken weer goed aan het stijgen zijn, kan ik me toch niet van de indruk ontdoen dat de meeste mensen er nog maar weinig om geven. Uit de goedbevolkte terrastafeltjes leid ik alleszins af dat ik op vlak van wiskunde niet behoorlijk geschoold ben of dat veel mensen blijkbaar de ouders en schoonouders niet in hun bubbel van vijf hebben steken. Ziekenhuisopnames en crappy Aldi-tablets schrikken niemand meer af. Daarom stel ik voor dat Maggie, eloquent als ze is, onze bevolking vertelt dat als ze zo blijven verder doen hun eten binnenkort naar, tja, kak smaakt. Het kan maar helpen. En zo heb ik wederom mijn steentje bijgedragen aan het bedwingen van die drommelse coronacrisis. Als het niet stoort, rond ik dan hier graag af, want ik had beloofd om m'n pennenvriendin Eveline nog een filmpje te sturen met de vraag of ze m'n spaghettisaus eens komt proeven.

Hans Verhaegen
3 0

Koning Kikker

De koning stapte zonder hulp van zijn lijfwachten de vergulde sierkoets uit. De stromende regen had van de boulevard een bruine rivier gemaakt. Duizenden kikkers sprongen op en neer uit de kolkende modder. De zichtbaar heldhaftige vorst sloeg helpende handen om zich heen weg en gebaarde geen paraplu of regenjas nodig te hebben. De afstand tussen de sierkoets, die ondertussen al een meter of tien was weggedragen door de modderstroom, en het podium bedroeg zo’n slordige honderd meter. Met zijn onderlichaam volledig verdwenen in de modderstroom, baande hij zich met de grootste moeite naar de overkant. Honderden kikkers sprongen rond hem heen; in zijn nek, over zijn schouders en tegen zijn kruis, maar de koning wou niet weten van opgeven. Half kruipend worstelde hij zich op het podium waar de pers gestationeerd stond in groepjes van twee. Een blonde stagiaire, die overigens totaal niet gekleed was op dit soort evenementen, duwde trillend en rood van opwinding een microfoon onder de vorst zijn lippen. „Sire! Hoe gaat het met u? Waarom stond u er op de oversteek alleen te maken?“ Het antwoord werd genadeloos overstemt door een donderslag van jewelste. Een leger aan lijfwachten stormde het podium op en hesen hun koning als een verslagen soldaat op een volledig uitklapbare troon uit 19e eeuws houtsnijwerk en zitkussentjes in fluweel. De blonde stagiaire, die er niet alleen belabberd bij liep maar ook nog eens geen Frans kon, stelde wederom dezelfde vraag. „Omdat ik koning ben,“ zei de koning. Het publiek begreep er geen snars van en doorheen het geklater van de regen kon je een speld horen vallen. Uit het borstzakje van zijn pak nam hij met de grootste voorzichtigheid een verschrompeld kikkerlichaampje tevoorschijn. Hij nam het diertje bij de voorpootjes en hield het met uitgestrekte armen voor zich uit. „Ziet u dit?“ riep hij met een gebroken stem. „Dit is mijn lichaam dat voor u -,“ Quinten zapte zuchtend aan sneltempo verder. „Wat de fuck was dat eigenlijk?“ Hij grabbelde een zacht kikkertje uit de snoepzak. Katrien lag languit op de zetel en antwoordde ongeïnteresseerd vanachter haar smartphone. „Geen idee, die kikkers waren best wel schattig.“

Raphaël Aziza
6 1

Content burnout

Op 14 september lanceert de Belgische streaming service Streamz. Op 15 september komt de online dienst van de hartverwarmende kinderentertainmentracist Walt Disney in België beschikbaar. En op 16 september moet ik naar de tandarts, maar dat is hier misschien naast de kwestie. Feit is dat er weer heel wat nieuwe content staat te wachten om door onze bingewatch-hongerige oogjes verorberd te worden. En ook dat ik met mijn muil vol weggebeitelde tandplak ga liggen bloeden in een stoel, maar wederom, naast de kwestie. Voor we van die verse content kunnen smullen, moeten we eerst het zachte prijsje van 11,95 euro per maand (Streamz) en 69,99 euro per jaar (Disney+) betalen natuurlijk. Geen geld, ware het niet dat we ondertussen maandelijks al heel wat 'geen geld' uitgeven aan soortgelijke services. De tijd dat we uitsluitend een kleine 10 euro per maand voor Netflix betaalden, ligt al even achter ons. Wie vandaag niet oppast, telt makkelijk 40 euro per maand neer, bovenop dat kabelabonnement, internetabonnement, de huur van de digicorder en nog wat onduidelijke kosten die ervoor moeten zorgen dat John Porter van Telenet 's middags z'n boterhammen met truffelsla kan blijven opsmikkelen. En aangezien je betaalt voor al dat entertainment, kan je het 's avonds maar beter een paar uur laten renderen. Een tijd terug betrapte ik mezelf erop dromerig uit het raam te staren in plaats van m'n tijd waardevol te besteden met mijn ogen op een scherm. Als straf heb ik dan maar het eerste seizoen van The Crown gebinged tot in de vroege uren. Niet dat het me interesseerde, maar het was me nu eenmaal al te veel aangeraden door anderen. Laten we even ons oog werpen op Streamz. Eerst en vooral wil ik het creatieve team dat deze naam heeft bedacht een welgemeende congratz overbrengen. Eenvoud siert. So what dat niemand iets durfde te zeggen wanneer die manager, high van z'n eigen marketingscheten, luidop dacht: 'en als we die s nu eens in een z veranderen?' So what dat de kidz van 10 jaar terug al een acute oogrolaanval kregen van dat z-gebruik? Al hadden ze de dienst Yeet Yeet Streambruh genoemd, dan nog moet het komen van de content. En die content spreekt boekdelen. Zo is er de serie Black-Out, waarin Geert Van Rampelberg verdwaasd wakker wordt in een industriële afvalcontainer en hij zich moet zien te herinneren waarom hij in godsnaam verkleed is als zwarte piet. Oh ja, er is nergens stroom en de batterij van zijn gsm is plat. Ik mag er niet aan denken! Nu heb ik van horen zeggen dat Van Rampelberg al wel eens vaker tussen lege flessen wakker wordt met een blackout, dus ik ben zeer benieuwd hoe deze schat aan levenservaring zijn acteerprestaties naar een nog hoger niveau zal tillen. Verder is er De Bende van Jan De Lichte, waarin Matteo Simoni de baas van een transportbedrijf speelt die als eerste in Vlaanderen een transgender achter het stuur van een vrachtwagen zet. Een geweldig idee als je 't mij vraagt, want het wordt eens tijd dat het camioneursmilieu mee evolueert met de maatschappij en wat minderheden tewerkstelt in plaats van die meerderheidsgroep van witte hetero mannen met een rijbewijs C die zich elke nacht naast de E40 de ziel uit hun lijf laten zuigen door hun mannelijke concullega's. Disney+ belooft dan weer om bij de lancering drie nieuwe films voor de kijkers te serveren. De eerste, Zwarte piet gaat naar de RVA, belicht de kant van een zwarte, alleenstaande man die drie kinderen moet onderhouden en uit noodzaak overal zwarte piet gaat spelen, maar plots geen werk meer krijgt door de komst van de roetpieten. Een moreel vraagstuk, dat zowel de conservatieve Vlaming als de woke-community heel wat stof tot nadenken zal geven. Disney vertelt er trots bij dat we Johnny Depp, die de rol van de alleenstaande vader vertolkt, zullen zien zoals we hem nog nooit zagen. De tweede film, die eveneens bewijst dat Disney de moeilijkere hedendaagse topics niet uit de weg gaat, is een vervolg op De Kleine Zeemeermin II en toont hoe de aan lager wal geraakte Ariël tegenwoordig orderpicker is in een magazijn van Amazon om haar crackverslaving te financieren. Een derde film vertelt het verhaal van een Syrisch vluchtelingetje dat aanspoelt op het strand, z'n familie niet meer terugvindt, maar geadopteerd wordt door een wit gezin en verder nooit nog achterom kijkt omdat het eigenlijk toch allemaal wat ver van z'n bed is. Van een geslaagde Westerse integratie gesproken! Ikzelf zit echter al een paar maanden met een heuse content burnout. Wekelijks moet ik een dozijn podcasts zien te beluisteren, mijn YouTube-idolen en hun vlogs volgen, minstens een Humo en een ander boek lezen, de nieuwste albums beluisteren op Apple Music en dan nog het maximum zien te halen uit Netflix en Apple TV+. Series kijken staat tegenwoordig bij in het rijtje van verplichte huistaken zoals stofzuigen, onkruid wieden en het gras afrijden. Ga ik dan geen abonnement op Streamz of Disney+ nemen? Natuurlijk wel. Waarover moet ik anders praten met m'n tandarts woensdag? De FOMO in mij zou trouwens niet willen dat ik niet meer coolz ben. Sksksk! Tot volgende week, boomers.

Hans Verhaegen
7 0

De ter dood veroordeelde

Ik ben waanzinnig geworden. Voor ik een dodelijke injectie krijg, beschrijf ik de laatste dagen van mijn miserabel maar fantastisch leven.  De slapeloze tijd maakt me gek. Ik heb binnen deze vier muren gehuild als een zieke hond, geroepen en getierd. Mijn stem is weg en dat beangstigt me. Ik wil een vrolijk liedje kunnen zingen zoals je dat zou doen in een nachtelijke café, maar dat lukt me niet. Mijn mond produceert veel te veel zoet speeksel. Ik spuw het regelmatig uit op deze vieze vloer, maar het blijft komen. Op mijn stinkende matras liggen lukt niet. Stilzitten lukt niet. Nadenken lukt niet. Hoe ga ik van dit levend leven naar mijn dood? Ben ik angstig? Eerder waanzinnig.  Mijn bestaan is door de bliksem getroffen. Ik zou willen kunnen nadenken. Helaas ben ik er doodgewoon niet meer toe instaat. Soms probeer ik mijn ogen te sluiten, want zelfs in deze donkere, kleine cel is het licht te fel. Is het dag of nacht? Ik verlang naar rust, maar die is er niet. De cipier is een invalide.  cipier: ‘Goed geslapen?’ t.d.v.: ‘Uitstekend!’ cipier: ‘Het is een zonnige dag vandaag. Morgen gaat het regenen.’ t.d.v.: ‘Uitstekend!’ Helder denken is erg lang geleden. Ik heb getracht Spinoza te lezen. Alle ideeën van ruimte en rede zijn weg. Ik moet weer spugen. Heb ik spijt? Geen idee.  Waarom hangt er geen spiegel tegen deze grijze muur? Dan kan ik een poging doen mezelf en dit leven te bekijken. Misschien wordt alles dan weer overzichtelijk. Of zou ik de nutteloosheid van mijn leed waarnemen? Mijn zwakke ogen tranen. Ik zou steeds in die spiegel blijven kijken. Oefenen. De cel en de dood zie ik in die spiegel niet. Ik zie de waanzin. t.d.v.: ‘Ik moet oefenen.’ spiegelbeeld: ‘Wat moet je oefenen?’ t.d.v.: ‘Doodgaan.’ spiegelbeeld: ‘Sterven kan je niet oefenen.’ t.d.v.: ‘Jawel. Zeker.’ spiegelbeeld: ‘Misschien.’ t.d.v.: ‘Zeker.’ Ik probeer regelmatig te ademen, maar dat is moeilijk. Het piepende lawaai van mijn dwaze ademhaling klinkt als een versleten, slecht geoliede machine. Ik wil muziek; een pianoconcerto in C van Mozart. Ik ben gek. Het is intens. Gaan mijn schedel en borstkas nog barsten? Ik ben niet moe. Ik kan er niet meer tegen. Ik ben het isolement en de vensterloosheid van mijn bestaan beu. Morgen ben ik dood. Er zullen geen geliefden achterblijven.

Hubert Grimmelt
6 0

Te koop

Ik passeer het huis met het bordje ‘Te koop’ voor de deur en wandel door naar het einde van de straat. Pas als ik rechtsomkeer maak, durf ik het aan om het gazon vol kniehoge paardenbloemen voor het huis over te steken, het klinkerpad aan de rechterkant te volgen en aan de achterdeur te voelen. Die is los. Ik ga naar binnen en hoewel ik weet dat er niemand is, sluip ik de trap op naar de eerste verdieping. De woonkamer is hier, dat is ongewoon, maar het biedt wel een prachtig uitzicht. Eerst neem ik een kijkje in de kamers. Overal staat alles nog op zijn plaats en zijn de kasten vol, maar de planten beginnen al te verdorren. Ik kies een wit hemd met rode strepen. Het past net. Terwijl ik de mouwen oprol, wandel ik de badkamer binnen. Het blauwe flesje parfum ruikt het lekkerst. Ik leg mijn haar goed voor de grote spiegel en ga terug naar de woonkamer. Met een borrel uit de goedgevulde drankenkast ga ik languit op de vaalbruine sofa liggen. Terwijl mijn vingers de barstjes in het leer volgen, kijk ik uit op straat.De deurbel maakt een dreunend geluid. Ik ga rechtop zitten en staar drie seconden voor me uit. Dan stuif ik naar beneden en open ik de voordeur zodat ik net mijn hoofd naar buiten kan steken. Twee vrouwen kijken me aan met een brede glimlach. ‘Hallo, zegt de vrouw met het rode haar. ‘We reden voorbij en zagen dat u uw huis verkoopt. Wij zijn best geïnteresseerd.’ Even blijf ik staan zonder iets te zeggen. ‘Als we niet storen, natuurlijk,’ voegt ze eraan toe.  ‘Nee hoor, kom maar binnen’ antwoord ik en zwaai de deur open. Kamer na kamer gids ik hen door het huis.  ‘Zo gezellig!’ merkt de roodharige vrouw op in het midden van de hobbykamer. ‘Weet u zeker dat u het wil verkopen?’ Ik blijf staan en kijk haar even zwijgend in de ogen. De glimlach op haar lippen verdwijnt. 'Ik... We zouden het begrijpen als u toch nog besluit hier te blijven wonen.’ De blonde vrouw plaatst een porseleinen beeldje weer op de vensterbank en beaamt met een knikje. ‘Ik ga er toch nog eens over nadenken,’ zeg ik. Vijf minuten later lig ik opnieuw op de sofa en zie ik door het raam nog net de auto van het koppel in de schemering verdwijnen.

Felix Sandon
6 0

Vanmorgen heb ik mijn lichaam verleid

Daar stond dan wel dat bord met eten, volgeladen met gezonde en licht verteerbare dingen als zachte geitenkaas, een rijstwafel, een stapeltje komkommerschijfjes, hoummous, plakjes harde geit, een gekookt ei, kopje kruidenthee; maar mijn hele wezen maakte bezwaar tegen de komende invasie. Mijn borstkas was open, gevuld met het zonlicht dat me door de antieke ramen van de eetzaal van het chateau overspoelde, mijn buik bolde en platte zich van adem, mijn hart was vol van vreugdedansjes. Maar mijn maag vernauwde zich tot een hazelnoot, stevig en glad, en weerstond mijn ratio die hem vertelde een eerste hap te nemen. Een aarzelende glimlach verspreidde zich langs mijn mondhoeken en zette mijn handen aan tot arbeid. De rijstwafel kreeg een smeuïge laag roomboter, daarop de plakjes harde geit, een paar komkommerschijfjes, een laagje hoummous, een tomaatje, losgerulde zachte geit en een regen van zwart pepermaalsel uit de molen.   De rijstwafel belandde weer op het bord, de zonnestralen doorschenen de harde geit. Maar mijn hazelnoot bleef in verzet. Dus maar verder arbeiden. Met het ontbijtmes spleet ik het hard gekookte ei en zie! ineens huilden mijn speekselklieren!  De glimlach verbreedde zich, voelde de doorbraak naderen, en liet de zwarte peper snel malen boven het geel. Omdat een eierlepel in geen meter te zien was, wipte het mes het ei tevoorschijn. Zonder verder overleg kreeg de hazelnoot bezoek en liet zich gewillig nemen. Zoals een vrouw die ontvangt, opende de holte zich en liet het zoutzuur borrelen. Losse rulle geit volgde, waarna mijn lichaam zich gewonnen gaf en zich liet meesleuren in de lawine van happen, smakken, slikken en glijden.  Omdat de theezak duurzaam genoten wilde worden, haalde ik een tweede glas kokend water uit de koker. Nu mijn bord leeg was kon het theeglas erop staan. De hitte van het gele vocht smolt de restjes geit en boter, dat een krans van vettigheid vormde rond de voet. Mijn ellebogen steunden op tafel, mijn linkerhand hoog, mijn rechterpols geloken. Ik tilde het glas met rechts, dunkte de zak met links. En ineens doorzag ik de innige verbinding tussen water en zak. In plaats van rechtsom bewoog mijn lichaam zich schokkend linksom. De zak hing stil in de lucht terwijl het glas rees en daalde, rees en daalde, rees en daalde, steeds de natte zak ontvangend en meer essentie eraan onttrekkend. Het water kleurde geleidelijk geler en geler, en een intense geur bereikte mijn neusgaten.

Marc Graetz
30 4

Verliefdheid: een studie (1)

Deze ochtend nog hobbelde ik te fiets achter een koppel aan. Althans, dat dacht ik te vermoeden want zij kon het niet laten om al fietsend zijn arm te strelen — te strelen maar dan met een indringend verlangende zelfzekerheid zoals alleen geliefden dat met elkaar kunnen. (In feit was het een triniteit: twee ouders en hun kind.) Zij was één met haar fiets als een buideldier. Het veilige compartiment vooraan tussen stuur en wiel was de verderzetting van haar moederschoot buiten de veiligheid van moeders prenatale warmte. Dat alles leidde ik af uit één klein minuutje achtervolgingswaanzin. (Ik was de achtervolger.) Nu kwamen wij met z'n vieren bij een splitsing. Het bivium zette zich langs rechts verder op de begane grond  — daar gingen zij en het naartoe. Wij, man de man en ik, gingen de brug op, richting één of twee verdiepen hoger. Terwijl de volgende minuut zich inzette en zich in de labyrinthen van het nietsontziende tijdsverloop der dingen wurmde en worstelde en wrikte, werden wij vieren wij tweeën, maar dan tweemaal. Zijn nekspieren spanden zich op onder het oog van mijn vochtige, wroetende adem (het ging steil), maar niet omdat hij omhoog vocht. Zijn aandacht, ja die vocht en dwaalde een keer twee keer af naar de rechterbenedenhoek van zijn aandachtspanne. (Ik hield de wacht, was even zijn engelenbewaarder tijdens deze desolate ochtendluwte.) Maar toen demareerde hij plosteling schoksgewijs, toen de vergeet-me-welplantenmuur zijn liefde belemmerde — diezelfde liefde had haast, zij was ongeduldiger dan ik om de dag te beginnen én te beëindigen als het even kon. Ik wist wat er komen zou en jawel, net voor de holte van de paraboolbrug weer een bolte zou gaan worden, wanneer wij beiden op de ultimiteit (zie ook lemma 'intimiteit') van onze inspanning waren (voor mij viel het mee want hij beschermde me tegen de wind), keek hij een laatste keer om (niet naar mij welteverstaan). Zijn geestestweeling boog verder af, de begane grond op, een andere wereld in. En wisten zij veel dat wij nu geliefden waren geworden met z'n vieren.

Midas
1 0

De twee reizigers

Twee reizigers stonden aan de ingang van een grot. Over de grot wisten ze eigenlijk niet zoveel. Elke omwonende had er een andere mening op na en een kaart bestond al helemaal niet. Desondanks had één van de reiziger, reiziger O., had het avontuur al jaren proberen voorbereiden. De reiziger had zakken en zakken aan verhalen verzameld die nu in een blauwe rugzak loeihard op reizigers magere schouders wogen. De verzameling was zo groot geworden dat de reiziger al snel had besloten dat het geen nut had de rugzak nog af te doen. Als de reiziger iets uit de rugzak nodig had, hief die de arm om de schouder om zo van bovenaf het laatste toegevoegd document eruit te grissen.  Toen de reiziger daar voor de donkere ingang van de grot stond, voelde O. het snijden van de armbanden allang niet meer. De andere reiziger L. had ook een rugzak mee, een gele met twee compartimenten in. In het ene compartiment zaten waterflesjes en in het andere zaten boterhammen met pindakaas, exact 22 van elks. Samen trokken ze zo de grot in. De onbekende, donkere grot glibberde, plakte, gleed en sneed overal. Telkens als ze voor een opsplitsing van de weg stonden, krulde de arm van O. in de rugzak om zich aan de hand van een verhaal een weg te laten leiden. Ze kropen doorheen de grot, zoals de stilte onder hun huiden. Gedwee volgde reiziger O. de verhalen en woordeloos volgde reiziger L. reiziger O. Na een aantal vermeende dagen kwamen de reizigers plots op een grote open plek terecht. Het was er vlak en er lag een vorm van zand op de bodem, die knisperde onder hun schoenen. De open plek leek een samenkomst te zijn van allerlei tunnels en kanalen. Van boven, onder en zijdelings kwamen een reeks aan kleine en grotere gangen toe die ergens anders weer vertrokken. Verstard bleef de geleerde reiziger staan. Met verschrokken ogen begon de reiziger in de rugzak te graaien, terwijl de andere reiziger de verschillende gangen begon te inspecteren. Verwoed roerde de geleerde reiziger rond in de loeizware rugzak, maar de reiziger vond niks. Geen enkel verhaal kon de reiziger vertellen welke kant op te gaan. De reizigers probeerden elke gang, maar hoog, laag, boven of onder, alles liep dood. Reiziger L. probeerde de wanhopige, maar ook hongerige O. te kalmeren door te liegen over het rantsoen. Om te compenseren voor het leugen, at en dronk L. steeds minder om het weinige eten en drinken toch nog in de hand te houden. Maar de leugens kalmeerde O. niet. Gefrustreerd ging reiziger O. op zoek naar meer. De nutteloze verhalen begonnen meer te wegen, terwijl de reizigers steeds zwakker en hopelozer werden. Op een dag werd O. met een gebons in het hoofd wakker. Toen de reiziger naast zich keek, lag L. er verkrompen te beven. De reiziger trok de rugzak van L. open om te vinden dat er niks in zat, buiten wat kruimels en wat lege waterflesjes. De volgende vijf dagen zou O. de reiziger L. zo goed als die kon L. omhelzen om het beven te pogen ophouden, maar elke ochtend lag L. er steeds meer verkrompen en doorzichtig bij. En toen, op een ochtend, drie dagen nadat de laatste kruimels waren verteerd, draaide O. zich om en vond naast zich een leegte. Er was niemand meer. Verschrokken ging O. op zoek. Als een razende zocht de reiziger de doodlopende paden af. Na uren en uren van vruchteloos gezoek, stond de reiziger verdwaasd stil en viel door de knieën. Daar, in de bedrukkende donker, scheurde de reiziger de rugzak van de rug en ging op de grond liggen. Met de vingers roodgeklemd omheen een leeg waterflesje begon O. aan een lange slaap. Af en toe werd de reiziger wakker van de honger of de dorst, maar zodra O. de gitzwarte donkerte en de zinderende stilte gewaarwerd viel de reiziger terug in een koortserige slaap. De honger en de dorst konden O. steeds minder motiveren om te ontwaken. Na een onbeleefde tijd kwam O. voor een laatste keer bovendrijven uit de slaap en trok een half oog open. De reiziger was niet meer alleen. Hoeveel het er waren, wist de reiziger niet zeker maar dat maakte niet uit. De reiziger dacht aan de vele verhalen terwijl die het zachte zand onder het lichaam voelde en gleed weg. De reiziger gleed van de klamme rotsen langs het fluwelen gras naar de katoenen wolken. Bedoezeld door de geur van lavendel danste O. zich een weg doorheen het gewol. - Met zware oogleden en gevuld hoofd werd een vrouw wakker. “Jee”, dacht ze, “een mens kan toch raar dromen in een heet bad”, terwijl ze naar haar verrimpelde vingers keek.

Isobel
0 0