Lezen

hoarding disorder in fieri

in de reeks bijzondere verzamelingen vertelt raymond (90) in de krant over de 173 egeltjes in zijn twee vitrinekastjes én over dat ene egeltje in de tuin. zelf heb ik mijn verzameling speelkaarten, een slordige 150 boeken, onlangs verkocht aan een zestiger die vooral interesse in de jokers had, liefst van wat later carta mundi zou worden, dus vóór 1970. hij gaf me 40 euro en ik was ze kwijt. het kaderde allemaal in een grote opruimactie. er verdween vanalles uit huis met de bedoeling om ons bestaan 'lichter' te maken.  gisterenavond huilde de oudste omdat hij zijn aapje oe-oe miste, en zijn familie pieter konijn (zeven identitieke knuffeltjes uit zijn babytijd); hij was bang dat hij zijn andere knuffels op een keer ook zou moeten wegdoen. papa zorgt ervoor dat dat niet hoeft, troostte ik hem, maar ik dacht aan hoe hij over een jaar of vijf zes allicht zelf zijn pluchen verzameling zou wegdoen, misschien een paar houden omdat nostalgie nu eenmaal altijd om de hoek loert. dat kon hij zich nu niet voorstellen, maar dat had het leven voor hem nog in petto. hoe had ik ooit kunnen bevroeden dat ik tien grote bananendozen vol naar 'snuffel - antiquariaat en tweedehandsboeken' zou dragen. waarom moest het voor hem zo moeilijk zijn, vroeg mijn zoon, om dingen weg te doen. snoeppapiertjes dat ging nog, vervolgde hij, maar al de rest kon hij toch gerust bijhouden, dat moest toch niet weg. zijn moeder vloekte telkens als er in zijn broekzakken iets was achtergebleven, schroefjes, kastanjes, gras, stenen... dat de wasmachine terroriseerde. elke dag passeer ik langs de luikersteenweg een wit huis waar de spullen buiten gestapeld staan: fietsen, auto's, partijen dakpannen en bakstenen...  door de ramen zie ik hoe alles tot aan het plafond volgestouwd is; rechts onderaan het linkerraam een grote blauwe teddybeer. 

Hans Van Ham
4 0

Eikesvandekiekskes

Ik had ze genoemd naar de vriendinnen van mijn moeder. Lucy. Rita. Monique. Goede Lieve. Vier olijke dames in mijn tuin. Altijd druk. Altijd commentaar. Altijd honger. Ik vond dat geestig. Een klein eerbetoon. Tot die vier echte dames eens langskwamen. Koffie. Cake. Ge kent dat. Zo’n namiddag waarop de tijd een beetje stilvalt en iedereen tegelijk praat en toch hetzelfde verhaal vertelt. En ik — fier, onnozel — zeg: “Ja, en mijn kippen heten dus ook Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve.” Stilte. Lucy — de échte — kijkt mij aan. “Dat vind ik eigenlijk niet zo plezant,” zegt ze. Ik lach nog wat. Probeer te redden wat er te redden valt. “Maar allé Lucy, kippen zijn toch schoon beesten. Die geven terug. Dat is eigenlijk een compliment…” Maar ge voelt dat ge aan het zakken zijt. Sommige metaforen moet ge gewoon binnenhouden. Enfin. Ze liepen daar dus. Mijn vier. En ik had een systeem. Een geniaal systeem, vond ik zelf. Afvalverwerking èn eten. Ideaal! Maar kippen denken niet na over vraag en aanbod. Die hebben geen Excel. Geen grafiek. Geen besef van consumptie. Vier kippen is vier eieren per dag. Dat is achtentwintig per week. Dat is honderd twaalf per maand. Dat is… te veel ei voor een mens. Ge kunt uw best doen. Echt waar. Maar er zijn grenzen aan wat een lichaam aankan. Zelfs met pannenkoeken, cake en quarte quarts inbegrepen. En daar begint het. Daar is ze... De vraag: “Kundegij iets doen met eikes?” Want eieren blijven nooit liggen. Die moeten bewegen. Van mens naar mens. Van keuken naar keuken. Eieren. Dat is een project. En mijn ecologisch project draaide. Tot er op een dag… bezoek kwam. Laat ons zeggen dat de natuur ook haar eigen economie heeft. Zeven jaar later kan ik zeggen: de vriendinnen van mijn moeder zijn er nog altijd. Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve. Ze drinken nog koffie. Ze eten nog cake. Ze kijken nog altijd een beetje streng als ge iets zegt dat ge beter niet zegt. Mijn kippenvriendinnen zijn er niet meer. Maar de eieren wel. Ze komen nu van iemand anders. Iemand met hetzelfde probleem. Te veel kip. Te veel ei. En de vraag : “Zeg, kundegij iets doen met eikes?” En voor ge het weet zit ge daar terug. Aan tafel. Koffie. Cake. Dezelfde stemmen, dezelfde verhalen die al duizend keer verteld zijn en toch blijven plakken. En ergens in die cake — zacht, boterig, een beetje te veel van alles — zit een ei. Want eikes zijn meer dan ne merci uit de poep van een kip. Het is een beweging. Van mens naar mens. Van cake naar cake. Van moment naar moment. En misschien is dat het wel. Dat die kleine, banale eikesvandekiekskes er telkens opnieuw voor zorgen dat we blijven zitten. Nog een tas koffie. Nog een verhaal dat we eigenlijk al kennen maar toch nog eens willen horen.

Katrien Daniels
33 1

Chatbot Marie

Ik was geabonneerd op Keukenprinses. Na enkele jaargangen stopte de papieren bedeling en verscheen het magazine enkel nog online. De lezersvragen werden niet langer beantwoord door de redactrice, maar kwamen in een forum terecht, waar andere lezers konden reageren. Na een halfjaar was er niemand meer om het forum te monitoren en maakten venijnige opmerkingen en zelfs scheldtirades hun ingang. Hierdoor besloot men het forum te sluiten. Een firma gespecialiseerd in AI-software kwam met chatbot Marie op de proppen. Zij zou vragen beantwoorden gaande van ‘Hoe te zoute soep nog redden?’ tot ‘Help, mijn man lust geen quinoa!’ In een vierkant rechtsonder op mijn scherm verschijnt een blonde deerne met geruite schort. ‘Hallo chef! Ik ben Marie, uw online assistente, zeg maar sous-chef. Waarmee kan ik u van dienst zijn?’Ik vraag: ‘Hoe maak ik groentetaart?’Een lijst met een twintigtal taartsoorten verschijnt. ‘Ziehier een overzicht van onze recepten voor heerlijke taarten van alle slag! Klik op de link om door te gaan naar ingrediëntenlijst en bereidingswijze.’Ik overloop de lijst en antwoord: ‘Crumble is geen taart, maar een gebak.’Marie antwoordt: ‘Raadpleeg de tabel op tabblad 4 voor baktijd per recept en ovensoort.’Ik zie geen groentetaart. Ik typ: ‘Rodekool.’Marie vraagt: ‘Bedoel je rode bes?’‘Nee, rodekool.’‘Ik heb je niet goed begrepen, kun je je vraag anders formuleren?’‘Ui.’‘Bedoel je ei?’‘Look.’‘Bedoel je room?’Je bent een ezel, Marie.‘Ia ia ia,’ balk ik naar het scherm.Marie blijft stil.Ik typ: ‘Ia.’‘Bedoel je ei?’Ik typ: ‘Marie-Antoinette droeg haar mooi korset altijd heel koket.’‘Kun je dit anders formuleren?’‘Marie-Antoinette kreeg een omelet op haar mooi korset.’Lange stilte. Ik hoor in gedachten de AI-radertjes werken en in de database graven. Uiteindelijk zegt Marie: ‘Gebruik minder eieren als je zeker geen omeletsmaak wil.’Ik moet er toch om lachen.‘Marie, je bent een kei.’Het duurt weer even voor er antwoord komt, ik hoor de radertjes werken.‘Bedoel je ei?’

Marja Vandekeer
12 0

Haaropstand

In het koele licht van de kapperszaak vielen de donkere kringen om haar ogen hard op. De vermoeidheid had zich in en rond haar blik gevestigd en het leek erop dat deze daar nog even ging blijven. Haar net gewassen haar viel op haar schouders en de uiteinden zwiepten omhoog als gekrulde zwaluwstaartjes. De kapster had het naar achter gekamd, maar het haar gleed zonder aarzelen weer naar de het kapsel dat ze nu al jaren droeg: steil naar beneden, een deftige zijstreep aan de linkerkant, met enkele weerbarstige haartjes aan het begin van de scheidinglijn. Ze haatte die priegelige haartjes die zich op haar hoofd nestelden na haar zwangerschappen. Alsof vanaf dan alles klein en onbeduidend hoorde te zijn, inclusief zijzelf. ‘Vandaag kies ik eens iets anders’, hoorde ze zichzelf zeggen tegen de kapster. Ze viste haar smartphone vanonder de mantel, en toonde een foto van zichzelf, zo’n 7 jaar geleden. ‘Dit wil ik’, en met een knikje stemde de kapster in.  Ze was vergeten hoe ze hield van het krakende geluid van de schaar die zich in de haren vastbeet. Het regende stukjes zwaluwstaart en brokjes oude overtuiging. Stilaan werd het meer duidelijk waar ze naartoe wou. Een rechte frou. Scherp, aanwezig, speels en frivool dansend op haar voorhoofd. Een nieuwe grens aan haar wenkbrauwen. Er borrelde iets op in haar borst, iets wat al te lang onder haar huid had liggen fermenteren. Er nestelde zich een bittere smaak in haar mond. De zijstreep had haar jaren wijsgemaakt dat ze zich moest schikken. Aan de zijlijn blijven. Ze had te vaak geknikt, weggewuifd, opgekropt. Ze was de scheidsrechter binnen het gezin die telkens weer beslissingen moest nemen, en grenzen moest aangeven. Behalve bij zichzelf, daar bestonden geen grenzen. Ze was bezet gebied waar haar kinderen en haar man de plak zwaaiden. Maar de zijlijn was nu een rechte lijn geworden. Haar frou schreeuwde: ‘tot hier, maar niet verder’.  Ze zag het meteen aan zijn gezicht. Een bedenkelijke blik, gevolgd door een twijfelende glimlach. ‘Waarom heb je dat gedaan’, vroeg hij. Zijn ogen bleven hangen op haar voorhoofd. ‘Gewoon. Omdat ik het wou’, antwoordde ze. ‘Je weet dat ik een rechte frou niet mooi vindt. Het was toch goed zoals het was? En waarom vraag je zoiets niet eerst?’, zei hij. Hij probeerde het onschuldig te laten klinken, maar ze hoorde de afwijzing de boventoon voeren. ‘Ik wil gewoon terug mezelf zijn’, en met die woorden rechtte ze haar rug. Er kwam een golf van zuur opzetten. Wat al jaren had zitten gisten leek zich nu een weg uit haar lichaam te zoeken. Ze slikte om het zuur terug beneden te duwen maar de wrange smaak liet zich niet wegjagen. Niet nu, fluisterde het. Hij zuchtte. “Je hoeft niet meteen zo defensief te doen. Ik zeg gewoon mijn mening.”“Jouw mening, zoals altijd” zei ze, haar stem nu scherper. “En daarbij, wat kan jou die f*cking frou schelen? Het is toch gewoon maar wat haar?”Ze merkte hoe het stof in het zonlicht opdwarrelde, en dan langzaam naar beneden kwam. De stilte sijpelde de ruimte binnen. Ze was zich plots bewust van haar borst die op en neer ging. Ze zoog haar longen vol met lucht en stof. Hij wendde zijn blik af en wandelde de kamer uit. De stilte woog en haar hart raasde, maar ze bleef gewoon staan. Voor het eerst in lange tijd nam ze zichzelf opnieuw bij de hand en liep ze niet achter hem aan. De frou ruste genoegzaam op haar voorhoofd. Het verzet was ingezet. 

Jolien Van de Velde
87 0

Drie weken Blankenberge

Nadat hij voor de zoveelste keer de bons had gekregen – deze keer was hij te impulsief geweest volgens zijn ex-vriendin – besloot Milan met een dokter te gaan praten, want misschien lag het toch aan hem. Hoewel hij wist dat hij eerst een afspraak diende te maken, bij voorkeur gebruik makend van het daartoe voorziene, erg handige online consultatiesysteem, was hij meteen na zijn date richting zijn huisarts vertrokken. Het zou toch niet de eerste keer zijn dat er iemand tussenuit viel. Terwijl hij zijn tranen verbeet, peperde Milan zichzelf in dat dit géén impulsieve beslissing was maar een pure noodzaak, het kon niet langer wachten. ‘Dag dokter.’ ‘Gaat u zitten,’ sprak de dokter eentonig en hij nam een pen ter hand, zette zijn bril, die een opvallend montuur had zowel qua vorm als qua kleur, op zijn rechte neus en richtte zich op een vel papier dat geklemd zat tussen een klembord. Het verbaasde Milan dat een arts anno 2026 nog zo’n attribuut gebruikte, maar het vulde hem ook met respect. Bovendien gaf het hem het gevoel serieus te worden genomen. Iets waar hij al zo lang naar verlangde, iets wat hij in zijn relaties miste.‘Vertel het eens, waar hebt u last van?’ stak de dokter van wal, en hij zette de punt van zijn pen verwachtingsvol in de linkerbovenhoek van zijn A4’tje. ‘Wel, het is niet zo dat ik ergens pijn heb,’ begon Milan, ‘maar het is ook niet zo dat ik nergens geen pijn heb.’ De dokter liet een kuch ontsnappen die hij vakkundig opving in zijn behaarde vuist, en zonder zijn patiënt aan te kijken, ging hij verder.‘Maakt u zich ergens druk om?’ Daar moest Milan even diep over nadenken. Uiteindelijk zei hij iets in de stijl van ‘ik weet het niet’. ‘Hoe voelt u zich op dit moment?’ ‘Redelijk goed, maar…’ ‘U bent hier natuurlijk niet zomaar’, maakte de dokter zijn zin af. ‘Wat is het dat u doet van werk?’ ‘Ik werk voor een bedrijf.’ ‘Juist, ja.’ De dokter kribbelde enkele dingen op zijn papier en onderlijnde zo goed als alles wat hij net had neergeschreven. De laatste woorden werden zelfs dubbel onderlijnd. Helaas kon Milan niet lezen wat er stond. Hij werkte dan wel bij een bedrijf, erg bedrijvig was hij niet. Allerminst in handschriften lezen, laat staan die van dokters en ondersteboven.‘Hoeveel mensen werken er in uw bedrijf?’ ‘O, maar het is niet mijn bedrijf, ziet u. Ik ben maar een werknemer. Ik denk dat er om en bij de vijftig mensen werkzaam moeten zijn.’ ‘Wat is juist uw titel of functie?’ ‘Ik ben recent gepromoveerd tot floor manager.’ De dokter keek voor het eerst op van zijn klembord en keek Milan indringend aan. ‘Floor manager? Bent u van het onderhoudspersoneel?’ Hij toonde een goedbedoelde glimlach, maar noteerde verder, dus Milan besefte dat de dokter een grap maakte.‘Kan u mij eens een gewone werkdag beschrijven?’ Milan vertelde dat hij rond 7u ’s morgens opstond, het nieuws las, een douche nam, een ei bakte, een glas melk dronk en een gezonde smoothie maakte van selder, appel en kiwi voor in de auto. ‘Is er tot dan toe een moment waarop u zich niet goed voelt?’ ‘Nee. Of jawel, wanneer ik het nieuws lees, dat is soms heftig op een lege maag. En ja, in de auto soms ook.’ ‘Ja, we zijn niet gemaakt voor de ochtendspits.’ ‘Nee, dokter, nu ja, u hebt gelijk, maar dat bedoelde ik eigenlijk niet. Kijk, ik rijd met een Tesla, van het bedrijf – anders zou ik nooit een Tesla hebben gekozen – u begrijpt allicht dat de huidige omstandigheden rond dat merk me opzadelen met een schuldgevoel van zodra ik de wagen start.’ De dokter gaf blijk van antwoord met een monotoon geluid, waarvan Milan niet met zekerheid kon zeggen of de man het nu wel of niet begreep.‘En daarna? Wanneer u arriveert op uw werk…?’ gebaarde hij door met zijn pen enkele kleine cirkels in de lucht tussen hen beiden te tekenen. ‘Euh… Dan ga ik naar binnen door de glazen deur, neem ik de lift naar de achtste verdieping en ga achter mijn bureau zitten.’ ‘Ja?’ ‘Ja.’ ‘En wat doet u daar dan?’ ‘Dan doe ik mijn werk. Of wat wil u zeggen?’ ‘Kan u me zeggen wat dat is?’ zei de dokter, terwijl hij zichzelf een kop thee inschonk. Milan wilde iets antwoorden, maar vond plots geen woorden. Hij aarzelde en zei ten slotte dat het nogal complex was om zo even de inhoud van zijn job te omschrijven, vooral aan iemand zonder ervaring met dit soort werk. Maar wat hij zeker wist, is dat er veel mensen baat bij hadden. ‘Probeert u toch maar.’ Milan deed verwoede pogingen om exact te beschrijven wat hij daar een hele dag deed maar had niet het gevoel dat hij daarin slaagde. Hij viel over zijn eigen tong, verhaspelde woorden die hij niet kon vertalen, twijfelde over de betekenis van sommige woorden, sleurde er termen bij die hij eigenlijk zelf nooit helemaal heeft gevat. ‘Goed. En dan is het lunchtijd? Hoe verloopt dat?’ ‘Meestal ga ik naar beneden, naar de eetzaal, maar het gebeurt ook dat ik buiten iets ga eten. Soms praat ik met collega’s, soms scroll ik wat op mijn telefoon…’ ‘Waarover wordt er gesproken?’ ‘Gewoon, over de staat van de wereld, of over onze job.’ Opnieuw onderstreept hij iets.‘Bon. Ik ga u enkele korte vragen stellen en u moet even bondig antwoorden, zonder te veel na te denken. Zal dat lukken denkt u?’ Milan knikte. ‘Daar gaan we. Vraag één: voelt u zich soms heel klein, zo klein dat u nergens deel van uitmaakt?’ Milan knikte opnieuw. ‘Is uw leven nodeloos ingewikkeld? Zou u alles willen geven om het eenvoudiger te maken?’ Milan knikte hevig. ‘Ja, dit is helemaal mijn wens!’ ‘Vindt u het allemaal te groots? Vraagt u zich soms af waar het kleine geluk is gebleven?’ ‘Ja!’ ‘Hecht u veel belang aan de natuurlijke gang der zaken?’ Omdat Milan niet meteen met een antwoord kwam, keek zijn interviewer hem aan door zijn opvallend roze bril, waarvan het montuur onderaan een dikke rand had en bovenaan geen rand, waardoor het leek alsof de drager enorme wallen had. Het was ook daardoor dat Milan zich niet op de vraag kon concentreren, hij stelde zich vragen bij dit brilontwerp.‘Als u daarmee bedoelt dat ik de oude waarden respecteer, moet ik daar volmondig ja op antwoorden.’ ‘Hebt u op dit moment een relatie?’ ‘Nee, en dat is eigenlijk ook waarom ik hier ben.’ ‘Hoe is de relatie geëindigd? Wat was de reden?’ ‘Zij heeft er een punt achter gezet omdat ik een grens was overgegaan.’ ‘En geeft u haar gelijk?’ ‘Wel, ik wist zelfs niet dat daar een grens lag! Ze zei iets van dat ik te impulsief was.’ ‘Interessant.’ Opnieuw noteerde hij enkele dingen. ‘En hebt u spijt?’ ‘Ja, ook al vind ik niet echt dat ik schuld tref, kan ik een groot schuldgevoel niet van me afschudden. En dat gaat niet enkel over deze relatie, dokter. Ik heb het gevoel dat ik mijn verleden constant meedraag. Alsof ik er niet vanaf geraak. Begrijpt u? Aan de andere kant kan het me ook allemaal niet zoveel schelen.’ ‘U bedoelt dat u de andere de schuld geeft?’ ‘Nee, ik bedoel dat ik niets voel. Helemaal niets. En die combinatie, dat schuldgevoel en die totale leegte, dat vond ik niet gezond. Daarom dacht ik dat ik eens met een dokter moest spreken.’ ‘En helpt het?’ ‘Ja, het doet deugd om er eindelijk met iemand over te spreken. Kan ik misschien een wekelijkse sessie krijgen, althans voorlopig?’ ‘Dat zal niet nodig zijn,’ sprak de dokter gedecideerd, en hij trok een horizontale lijn onderaan het papier en legde het klembord voor zich op tafel. ‘U lijdt duidelijk een acute vorm van Europeïsme.’‘Europeïsme? Wat is dat?’‘Tja, dat weten we niet.’ ‘En nu? Wat moet ik ertegen doen?’ ‘Er valt weinig tegen te doen, vrees ik.’ ‘Kan ik dan helemaal niets doen?’ ‘Het hangt af van hoeveel u nu al doet’ zei de dokter met de stem der gewoonte.‘U kan, om maar iets te noemen, het nuttigen van een maaltijd bijvoorbeeld gaan bekijken als iets volstrekt functioneels, in plaats van iets dat genietbaar moet zijn. Maar het is bijzonder moeilijk om die switch te maken. Hoe zit het met uw alcoholinname?’ ‘Euh, ik drink graag een glaasje, maar geen excessieve hoeveelheden.’ ‘Mijn advies is dat u uw inname verhoogt tot dagelijks enkele glazen, ofwel volledig stopt met alcohol drinken.’ ‘Ik drink eigenlijk vooral als er andere mensen bij zijn.’ ‘Probeer eten los te koppelen van sociale interactie. Eet en drink zoveel mogelijk alleen. Koop grote merken, of ga naar de markt. Koopt u uw fruit en groenten volgens het seizoen?’ ‘Nee, maar ik weet dat het beter is voor het milieu.’ ‘Ja, maar niet voor uw mentaal welzijn! Stop ook met koffie drinken. Schakel over op thee, of alcohol natuurlijk. Schrap brood van het menu en eet uitsluitend rijst. Het is ook aangeraden om vroeg op te staan, tussen vijf en zes uur. Doe aan yoga of neem tijd voor een uitgebreid, liefst warm, ontbijt, met de belangrijke toevoeging dat u niet geniet van het eten, maar het als een natuurlijk proces beschouwt.’ ‘Oké, dank u dokter. En wat met het werk? Is het eigenlijk besmettelijk?’ ‘Besmettelijk?’ spuugde de dokter, waarbij Milan hoopte dat de dokter zelf niet met een besmettelijke ziekte rondliep.‘Het is een ware pandemie! Iedereen van uw leeftijdscategorie die hier binnenwandelt zonder duidelijke fysieke klachten schrijf ik hetzelfde voor.’Hij scheurde een briefje van een notitieblok, krabbelde er iets op en schoof het over de tafel in de richting van Milan. Zoals het een dokter betaamt, was het totaal onleesbaar. ‘Excuseer, dokter, maar wat staat er?’ ‘Drie weken Blankenberge, in Hotel Transit,’ sprak het heerschap, en Milan bemerkte een lichte trots in die woorden, alsof hij hiermee eer opstreek. Milan draaide het briefje om, al wist hij wel dat er niets op de achterkant stond. De dokter ging verder: ‘Boek een kamer in dit hotel, volpension, geen zicht op zee, dat is belangrijk. Maar als u dit briefje aan de receptie toont, weten ze genoeg.’ Ja maar, wat moet ik daar dan doen?’ ‘Zo weinig mogelijk. Lees geen boeken, bezoek geen musea en praat met zo weinig mogelijk mensen. Zeg enkel het strikt noodzakelijke. U hoeft niets te vinden of te kiezen, niets te voelen of te begrijpen. Als u toch enige gedachten of gevoelens zou ontwikkelen, meldt u zich meteen aan de balie.’ Milan keek de dokter vertwijfeld aan en keek dan nog eens naar het briefje in zijn hand.‘En dit zal me helpen?’ ‘Nee. Maar dat is niet het punt. De meeste patiënten knappen zichtbaar op. Niet omdat ze zich beter voelen, maar omdat ze ophouden met zich vragen te stellen of het beter kan. Wanneer u terug bent, evalueren we de situatie en kijken we na of u vatbaar bent voor betekenis.’ ‘En als dat zo is?’ ‘Kijk, zulke vragen zal u hopelijk niet meer stellen. Dan verlengen we de kuur.’De dokter nam zijn klembord weer op.‘De volgende!’

Lennart Vanstaen
0 2

Bedorven

Vanwege mijn aangeboren onhandigheid doe ik het niet zo graag, een kar kopen. Je weet wel, aan de ingang van de supermarkt staan wriemelen met een muntstuk, het in zo'n rondje passen, dat metalen dingetje dichtschuiven en daarna een winkelwagentje losrukken uit het winkelwagentjestreintje. Altijd loopt er bij mij wel iets fout, of toch bijna. Deze keer dacht ik geen kleingeld bij te hebben. Gelukkig vond ik in een bijna vergeten uithoekje van mijn portefeuille nog een muntstuk van twee euro.  Twee euro is best veel, dacht ik bij mezelf. Het zou de eerste keer niet zijn dat ik bij het terugbrengen van zo'n boodschappenvoertuig problemen heb om het muntje er weer uit te krijgen, of het ding gewoon terug in het treintje schuif en het geleende bedrag vergeet te recupereren. Wie zonder verstrooidheid is, werpe de eerste steen. Of keitje. Of korreltje zout. Gezouten chips, niet vergeten straks. Gaat ook niet gebeuren. Ik ben een kei in winkelen. Samen met vrouw en oudste dochter ben ik er even tussenuit voor wat funshopping, winkelen terwijl je in principe niets nodig hebt. Dat klinkt misschien heel luxueus en welvarend, maar mijn gezinsleden en ik zijn al snel tevreden. We doen het in de grootste supermarkt in de buurt. Een totaalbeleving, want je vindt er zo ongeveer alles, ook kleding, elektronica, huishoudelijke apparaten, boeken ...  Desalniettemin stappen we een uurtje later buiten met een aantal nietigheden zoals speciale frisdrankjes die je in andere supermarkten nauwelijks kan vinden, een paar flesjes bier die je in principe overal kan krijgen (soms is de lust groter dan het karakter en dan kan je daar maar beter aan toegeven, anders word je sikkeneurig en gefrustreerd), een aantal snacks en chipsvariëteiten, een paar heerlijke kazen, wat druifjes, cocktailsaus en 'verse garnalen', volgens het etiket.  Altijd beter dan bedorven garnalen, grapte ik nog, want een beetje bedorven zijn we zelf al. Ontaard, decadent, slecht, verrot en corrupt in het algemeen Nederlands, maar in dit specifieke geval is het Nederlands een beetje te gemeen. In mijn dialect staat 'bedorven' voor 'verwend', dat klinkt al heel wat milder. Op de parking worden we aangeklampt door een vrouw van een jaar of dertig. Beetje angstaanjagend, want ze kwam werkelijk uit het niets tevoorschijn. Alsof ze zich vooraf achter een auto had verscholen. Bovendien, en nu stel ik me niet eens kritisch op, zag ze er nogal onverzorgd uit. Armetierig en onderkomen. Misschien hád ze geeneens een onderkomen. Haar lange donkerbruine haren waren volgens mij gewassen met oud frituurvet en haar tanden leken een samenraapsel van bruingele willekeurige stukjes en brokjes die me deden denken aan de onderste overblijfseltjes van een bijna opgevreten puntzak gekaramelliseerde popcorn. Ze rook bijzonder onfris en oogde vrij mollig in haar helrode fleece vest. 'Dag meneer, mag ik iets vragen?' Een mens zou geneigd zijn om nee te zeggen. Een vraag stellen om te vragen of je iets mag vragen ... Doet me denken aan mijn vroegere vriend Kris die op 'n avond in een discotheek plots gretig in de tieten van een meisje kneep en meteen daarna doodserieus vroeg of hij haar borsten eens mocht aanraken. Het leverde hem een paar flinke muilperen op. Van het meisje zelf én van haar vriend. Of hoe plots meteen plotsklaps werd. 'Ja,' zei ik kalm. Ze zit aan de drugs, dacht ik bij mezelf. Of aan de drank. Of allebei. Alhoewel, meestal zijn dat soort types nogal mager, op het uitgemergelde af. Eigenlijk vond ik het vreselijk dat ik zo dacht, maar ik dacht het wel zo, eerlijk waar. 'Heeft u misschien een klein centje voor mij, zodat ik straks misschien naar de winkel kan gaan om iets te kopen voor mijn twee kinderen?' 'Goh,' won ik tijd, nadenkend en smoesverzinnend tegen honderd per uur, 'ik betaal tegenwoordig altijd met de kaart. Cash geld heb ik niet op zak.' Schaam je, Danny, schaam je diep. Volgens mij zag ik zwart.  Ze keek naar mijn vrouw en die herhaalde min of meer wat ik had gelogen. 'Dat snap ik, meneer en mevrouw, maar ik zou al heel blij zijn met het centje dat u daarstraks in uw winkelwagentje hebt gestopt om het te gebruiken.' 'Haha! Dat is waar ook! Er zit nog twee euro in. Die mag je zo hebben.'  Ze bedankte me en trok het winkelwagentje uit mijn handen. Ineens leek ze erg gehaast. We keken haar heel eventjes na terwijl we onze luxeproductjes in de auto legden en net toen ik de koffer dichtklapte, stond ze alweer achter me. 'Nogmaals dank, meneer. Er zouden veel meer mensen moeten zijn zoals u. Dank u wel. U hebt een warm hart.' Ik glimlachte wat ongemakkelijk, knikte en stapte in. Met moeite, want alles wrong. Vooral in m'n hoofd. Hadden we haar niet beter meegenomen naar de winkel, haar eens onbezorgd laten kiezen wat ze nodig had en alles betaald? Mijn warme hart voelde als een ijskoude steen. Hoe ben ik zo geworden? Ligt het aan de wereld of aan mezelf? Mijn bijna kinderlijke naïviteit heeft door de jaren heen plaats gemaakt voor achterdocht en wantrouwen. Is deze vrouw werkelijk een radeloze moeder met twee hongerige kindjes of is ze alleenstaande en loopt ze zo dadelijk vrolijk en verslaafd de winkel binnen voor een bij elkaar gebedelde fles wodka? Ik zal het nooit weten. Twee euro armer, een schuldgevoel rijker. Het ene voel ik al wat meer dan het andere.

Danny Vandenberk
5 1

Een Leven op de verkeerde rails

Soms, wanneer mijn gedachten zich in de schaduw van het bewustzijn verbergen, vraag ik me af of het de trein is die door het landschap schuift, of het landschap dat zich beweegt, geleid door de rails die zich ver onder de huid van de aarde verschuilen. Het is een vraag die zichzelf voortdurend herhaalt, zonder ooit een definitief antwoord te vinden. Het is niet zo dat ik onwetend ben, maar de kennis aan de oppervlakte is zo flinterdun dat ik me afvraag of het werkelijk de moeite waard is om te zoeken naar een antwoord dat er niet toe doet. Schuif ik door het leven? Of schuift het leven door mij? En waarheen schuiven de dingen? Vragen zijn mijn vervoersmiddel. Elke antwoord rijden ze voorbij. Zo ben ik geworden wat ik ben. Een lang verhaal zonder inhoud. Samen te vatten als: “Er was eens, en hij leefde ongelukkig en te lang.” De trein. Mijn eigen metronoom, de regelmaat van een leven dat zich in het ritme van de rails voortzet. Iedere ochtend weer, de vertrouwde rit van woonplaats naar werk, als een onvermijdelijk ritueel. Helaas bevindt deze metronoom zich in een andere dimensie van tijd, één die zich niet strikt aan het uurwerk houdt. Soms kom ik met een beetje geluk op de juiste bestemming aan, maar wanneer precies blijft altijd een verrassing. Gelukkig kruipt de trein altijd over dezelfde sporen, alsof dit de enige zekerheid is. Maar zelfs dat is betrekkelijk. En zo rijdt mijn leven voort. Een afgeleefde flat in Kortrijk. Een frustrerende job in Brussel. Mijn bestaan lijkt wel een… euh… trein. Waarin de bestemming niet altijd duidelijk is, maar de beweging nooit stopt. Hoe ik hier beland ben? Dat is een lang verhaal, en eerlijk gezegd, niet het soort verhaal dat de moeite waard is om te vertellen. De reflecties naar vroeger voelen als kleine wondjes die je vergeten bent, totdat je weer iets aanraakt en de pijn plotseling opkomt, scherp en ongemakkelijk. Het zijn de papiersneetjes van het leven – onmerkbaar, maar hardnekkig. Bespiegelingen vermijd ik. Wat laat een spiegel nu werkelijk zien? Alleen jezelf, en alles wat achter je ligt. Maar wat als je liever vooruit kijkt? Wat als er een spiegel was waarin je alles wat voor je ligt zou kunnen zien? Waar zou je dan staan? Een raam? Mijn ramen zijn stuk voor stuk verduisterd, reflecteren alleen de schemering van een leven dat niet altijd zichtbaar wil zijn. Trots, zelfvertrouwen, perspectief. Ik weet niet precies wat het is, maar het zijn geen vrienden van mij. Het leven leidt mij, en de mensen die zich rondom mij verzamelen – hoe miniem die groep ook is – sturen me verder, vaak tegen mijn wil. Ik volg, denk ik, niet omdat ik het wil, maar omdat ik het gevoel heb dat er geen andere keuze is. Een hond tegen wil en dank. Behalve dan dat ik zelf mijn poep zelf moet opruimen. Dwarrelen, ja, dat is wat ik doe. Al 26 jaar lang. Naar beneden, het grote smelten in. Het gevoel dat ik meer in de richting van iets verdwijn dan dat ik iets bereik. Gedachten zijn mijn schuilplaatsen. Daar is ruimte voor niemand anders, tenzij ik hen uitnodig. Alles kan er, maar niet alles mag. Het zijn geen eindeloze vlaktes die zich uitstrekken in de verte. Nee, mijn gedachten hebben grenzen. Variabele grenzen. Handig instelbare palen langs de weg die ik soms volg, maar die ook vaak in de weg staan. Ik breng veel tijd door in mijn gedachten, vaak zittend in een trein die wel rijdt, maar nooit weet waarheen. Mijn flat in Kortrijk, een bescheiden uitvalsbasis voor dit wankele bestaan, is niet veel meer dan een verzameling ruimte. Een piepkleine hal die rechtstreeks naar de woonkamer leidt, gevuld met meubels die niet meer van deze tijd zijn. Een bank die ooit comfortabel was, maar nu in een soort schrijnende leegte zit. De boekenkasten lijken zichzelf een rol toe te schrijven die ze niet kunnen vervullen, en de eettafel is het enige meubelstuk dat nog redelijk in harmonie is met de ruimte. De keuken, een open eiland zonder veel ziel, loopt door in de slaapkamer, die je alleen betreedt als het echt nodig is. En dan is er de badkamer, gescheiden van de woonkamer door een deur die net zo betekenisloos is als de kleur van de muren. Wat voor kleur? Een soort wit, maar je zou het niet kunnen zeggen. Het is kleurloos. Er is geen televisie, geen dressoir – ik heb nooit begrepen waarom mensen dressoirs nodig hebben. Twee grote ramen laten wat daglicht binnen, hoewel ik betwijfel of dit voldoende is om mijn bestaan echt te verlichten. Trots, dat ken ik niet. Maar ik houd mijn flat in een redelijke staat, opgeruimd. De bank is chaos, maar de rest is in enige mate in balans. Ik eet altijd aan de eettafel, nooit op de bank. Slapen doe ik in mijn bed, dat net genoeg ruimte biedt om tot rust te komen. De kleren die ik heb hangen netjes in de kast. Schoenen staan keurig in een rek. De enige uitzondering zijn de boeken. Die leg ik overal neer. Boeken zijn voor mij een soort gedachten die in papier gevangen zitten. Ze zijn alles, ze zijn evenwaardig aan mijn eigen reflecties. Ik leef er in. Mijn lichaam? Het krijgt de zorg die het nodig heeft, al is het niet veel. Ik wandel, ik loop. De lange afstanden, die is mijn ding. Niets valt te vergeleken met het gevoel dat ik krijg van een drie- of vier uur lange wandeling of looptocht. Terwijl mijn gedachten zich verliezen in de tijd, in de regen of zon, dat maakt niet uit. Beide kunnen naast elkaar bestaan. Denk ik. Er is zoveel waar ik van hou, maar het is niet altijd duidelijk waarom. Mijn begrip lijkt zo beperkt. Wat ik niet begrijp? Het dagelijkse ritueel van het woon-werkverkeer. Waarom blijf ik iedere dag opnieuw in die trein stappen? Wat bezielt me om deze absurditeit te herhalen? Dit, dit is mijn grootste raadsel. En dan, daar in Brussel, de stad die zichzelf met moeite bijeenhoudt, een oude man in een te strak wit hemd, altijd maar proberen te passen in het steeds kleinere jasje van de tijd. Brussel is een hutsepot zonder recept. Steeds maar hopen dat het ooit op smaak komt door er extra ingrediënten bij te gooien.

Piet V.
4 0