Lezen

Nietszeggend

Sjors en Femke: dat is het enige dat ik herinner, hun namen. En dat vind ik een hele prestatie van mezelf. Ook al lopen deze nieuwe buren na het voorstellen, op dit moment ons grindpad af, op weg naar de overburen.    Het lijkt mij niet een leuk stel, maar ook geen niet-leuk stel. Een gewoon stel, zou je dan zeggen, maar nee, dat is het ook niet.    Al tijdens het monotoon, langdradige praten van Sjors probeerde ik uit te vogelen wat voor types ze waren. Femke keek schuin naar beneden langs mij, alsof in het verlengde van mijn rechterelleboog een stip op de keukendeur was getekend die ze niet uit het oog mocht verliezen. Verlegen mensen kijken ook vaak naar beneden en naast je, maar die gluren héél af en toe naar je kin en als de sfeer goed is, schampt hun blik je neus. Ze keek niet verlegen, je zou kunnen beargumenteren dat ze niet keek, of preciezer geformuleerd: ze keek niet bewust, ze had haar ogen open uit gewoonte, maar zonder verder doel.    Ze waren niet saai, want saai is een kwalificatie van een vervelend alledaags karakter waar je van gaat gapen of waarvan je juist onrustig wordt omdat je zoekt naar een ontsnapping. De term karakter was het probleem, ze toonden noppes-en-nullemans karakter.   Leeg dan? Dat ook niet, mensen die met lege ogen naar je kijken, tonen in die blik en bijbehorende houding vaak de geschiedenis waardoor die leegte is ontstaan. Het leven is hard voor ze geweest waarbij een verlies van een geliefde of kind of het verraad van de wereld een diepe krater in hun gevoel heeft geslagen. Leegte is zonder twijfel een duidelijke kwalificatie van karakter, je zou kunnen argumenteren dat dit een sterk karakter weergeeft, omdat de schrijnende geschiedenis er doorheen gloeit.    Sjors en Femke waren karakterloos. Waarbij ik aan moet geven dat dit niet bedoeld is als een negatief keurmerk, niet op de manier zoals vaak een gewetenloze crimineel wordt beschreven die ouderen oplicht en voor de rechter zonder berouw grinnikend vertelt over Oma Flus die met aandacht haar spaarvarken kapot tikte.    Zij waren zonder iets, een licht grijze vlek op een lichtgrijze achtergrond. Begrijp mij goed, dat is iets anders dan een zwarte vlek op een zwarte achtergrond of een witte op een witte. Zwart en wit zijn krachtige kleuren, al vindt de purist dat zwart geen kleur is en wit alle kleuren, je weet wat ik bedoel. Zwart en wit spreken met een flink volume in de ruimte, ze hebben het vermogen ruimte in hun bezit te nemen om deze niet meer te afstaan. Zwart en wit zijn in staat een ruimte te definiëren.    Sjors en Femke niet, die namen nauwelijks het drie-bakstenen-diepe richeltje in bezit dat wij ons stoepje noemen, ze zullen vast een schaduw hebben gehad, maar zelfs die was onzichtbaar.    Nietszeggend, dat is de beste omschrijving die ik kan geven. Het dekt niet de hele lading, want enige lading zit er bij hun niet in, maar dit woord komt goed genoeg in de buurt. Ze waren nietszeggend.   Hun gezichtstrekken vervaagden binnen een seconde nadat ze omdraaiden, ze zijn het grindpad af en ik ben de kleur van hun kleren vergeten. Al hadden ze in hun poedeleniksie voor mij gestaan, ik zou het niet meer weten.   Ik vind het al een hele prestatie dat ik de namen Sjors en Femke heb onthouden.   Sjors en Femke. Om eerlijk te zijn klinken die namen niet eens beroerd. Die kan ik tot morgen onthouden.   'Ze lijken mij wel ok,' zegt Janet en ze sluit de deur, 'maar zeker weten doe ik het niet.' Ze kijkt mij peinzend aan alsof ze heel diep nadenkt en schudt haar hoofd waarbij het lijkt of haar iets ontschoten is en niet meer terug schiet.  Ze haalt haar schouders op en vraagt: 'Wat vind jij van Sjoerd en Veerle?'

MCH
8 1

Verhalen die verbinden

‘Heb je het verhaaltje van de verjaardag van de wezel al gelezen?’ vraagt mijn wederhelft met onverhoopte ogen. ‘Nee’ antwoord ik droog. ‘Dat ben ik!’ kirt ze, waarna ze me geen keuze laat het straks voor te lezen aan de kinderen. Dat beloof ik. Het verhaaltje gaat over een wezel die jarig is en een feestje geeft voor alle dieren in het bos. Wanneer het moment bijna is aangebroken, twijfelt hij of de taart wel lekker genoeg is, zijn huis wel groot genoeg en of het wel gezellig zal zijn. Hij besluit de aankomende dieren toe te roepen dat het toch niet doorgaat. Terwijl de laatste dieren al weer op de terugweg hun schouders ophalen, herroept de wezel zijn boodschap. ‘Het gaat toch door!’ Uiteraard ben ik geen onbekende met de dierenepiek van Toon Tellegen, meester in de filosofische bespiegelingen over kleinmenselijkheid. Al sinds ik bewerkingen zag van Benjamin Verdonck op de planken ben ik superfan. De fabeltjes zijn enorm geestig, griezelig herkenbaar en vaak taalfilosofisch van aard. Het gaat bijvoorbeeld over hoe de verjaardag van de eendagsvlieg ook ineens zijn afscheid van het leven is. Over de vraag of argwaan dan wel een soort soep is. Over hoe de kikker trots is dat hij een smet heeft geworpen op het blazoen van de zwaan. Mezelf heb ik nog niet echt gevonden, hoewel het verhaal over de mossel die een feest geeft voor één persoon aardig in de buurt komt. Hij wil eigenlijk helemaal geen feest geven: dan moet je dingen organiseren, lachen en dansen. Maar hij wil het wel begrijpen en er deel van uitmaken. Bovendien houdt hij van gezelligheid, al weet hij niet echt goed wat het is. Sinds een jaar of twee heb ik ook gesloten Toon Tellegen in te zetten in mijn lessen NT2. Wanneer we aanbelanden bij het vaste thema ‘Vroeger’, waarin ik de OVT (de imperfectum) aanleer voor de eerste keer, vind ik het nodig om dit – naast de grammaticaoefeningen – meteen wat in te slijpen. En er is geen betere toepassing dan korte verhaaltjes waarin iedereen wel iemand herkent, bij voorkeur zichzelf. Vandaar volgt het thema ‘Verhalen’, dat ik in gang schop met een kleine intro: een verhaal van Misschien wisten zij alles. Nu, vergis je niet, het is niet omdat het over de eekhoorn en de mier gaat of een olifant die in bomen klimt dat het kinderlijk eenvoudig is. De woordenton waaruit Tellegen zijn woorden grabbelt lijkt bodemloos. Om het enigszins toegankelijk te maken voor een NT2-klas heb ik dus hier en daar wat vrij vertaald van het Nederlands naar het NT2-s. De moeilijkste woorden leg ik dan uit. In het begin vond ik het prettig om het allerlaatste verhaaltje van het boek te vertellen, dat is meteen ook het langste. Het gaat over de eekhoorn en de mier die tijdens een wandeling naar de verte op een muur botsen, die eindeloos lijkt. Ze besluiten dat ze er alleen overheen kunnen, maar wanneer de mier over de muur kijkt, ziet hij niets. ‘Ook geen grond?’ vraagt de eekhoorn? ‘Nee, niets.’ ‘Dus alleen maar lucht?’ ‘Nee, geen lucht, niets!’ En zo gaat het maar door. Tot de cruciale vraag volgt: ‘Kan je je niet naar beneden laten zakken aan de andere kant?’ ‘Er is geen andere kant, er is maar één kant, en nu moet je niets meer vragen.’ De eekhoorn maakt dan een soort Hegeliaanse redenering: als daar niets is, is hier dus alles. Dan concludeert hij dat hij tevreden is met alles aan deze kant. ‘Meer hoeft er ook niet te zijn.’ Wanneer ik het verhaaltje heb gelezen speur ik meteen de gezichten van mijn cursisten af. Dit verhaal maakt altijd iets los, zij het positief dan wel negatief. In mijn ervaring is ongeveer een vierde van de klas enthousiast genoeg om meteen meer te lezen van Tellegen. Een ander kwart is vooral verward en zoekt naar een reden waarom hun leerkracht dit net heeft voorgelezen, behalve de enkele OVT’s. Het derde groepje vindt dit ongelooflijk saai want er gebeurt niets. En de laatste paar cursisten vinden het mooi zonder te weten waarom. Slechts een zeer beperkt aantal cursisten haalt de boodschap eruit. Ik begeleid ze naar deze moraal van het verhaal en zo komen we op het gezegde ‘het gras is altijd groener aan de overkant’, wat we dan vertalen in alle talen uit de klas. Wat ik fantastisch en opvallend vind aan het vertellen van deze verhalen is de eenwording van de groep. Plots is er geen verschil meer tussen de landbouwer uit Afghanistan, de biologe uit Peru, de fysicus uit Syrië, de doctoraatsstudent uit Rusland en de boekhouder uit Turkije. De verhalen overstijgen zowel de taal als het opleidingsniveau als de cultuur. Het verbindt ons als mensen, en dat is meteen de kracht van verhalen in het algemeen.

Lennart Vanstaen
9 1
Tip

alles, behalve

Ik voel mij onwennig in de kledij die ik gisteren heb gekocht.  Niet omdat ik niets had om aan te doen. Hetgeen ik had, een lang aansluitend zwart kleed met blote schouders, ging me té goed af. Ik had het online gekocht toen ik vijftien was en was te laat om het te retourneren. Vijf jaar later wurmde ik me er met lage verwachtingen opnieuw in en complimenteerde het plots mijn vormen. Ik heb niet veel vormen, dus het was quite the surprise. Hierna keek de spiegel me er ongemakkelijk in en kocht ik iets nieuw.  Ik sta derde in de rij.  De mensen die mij eerst benaderden werden vriendelijk verzocht op hun stappen terug te keren. Ofwel om de goede vrede te bewaren, de traditie in stand te houden of de volgorde in grootte van verdriet te waarborgen – alsof die bestaat. Ik ben erachter gekomen dat ik redelijk wat verborgen familie heb. Ik ben er ook meteen achter gekomen waarom dat best hebben blijft i.p.v. kennen. Iedereen deed alsof ze wisten wat aan te vangen met het voorwerp dat ze in hun handen geduwd kregen. Ze deden duidelijk gewoon hun voorganger na met het kruis dat ze maakten. Het was zodanig lang stil dat ik maar niet gevraagd heb of ze het thuis misschien eerst snel gegoogeld hadden. Aan de handen te zien die ik schudde - bezaaid met bloed-verdunde aders - wist ik het antwoord daarop eigenlijk al.  Ik ben verward.  De zon scheen en ik had het koud. Er liepen overschilderde elektriciteitsdraden langs het kaderment van de gegraveerde eiken deur. Ik vroeg me af waarvoor die dienden. Er waren geen lampen in de kamer. De pastoor zwierde het excentrieke broertje van een doordrenkte wc-borstel uit op de assepot. Het bleek een wijwaterkwast en ongepast om hierbij je lach in te houden. Niet omdat je niet hoort te lachen, maar omdat je niet de intentie hoort te hebben om te lachen. Ik weet dit. Ik weet ook dat je niet hoort bij te houden wie er weent en dat je niet bewust hoeft te zijn van hoe jij daar zelf niet toe behoort.  Ik denk aan alle automobilisten die niet claxonneren.  Naar het kerkhof toe liepen we de straat op, in volle verkeer, achter de lijkwagen. Ik had geen zonnecrème op mijn gezicht gesmeerd. Na drie opeenvolgende dagen was ik mijn nieuwe gewoonte om rimpels tegen te gaan, uitgerekend vandaag, vergeten. Ik liep vooraan, de wagen ging trager dan stapvoets. Ik ergerde mij aan de andere automobilisten. Ik hoorde ze niet claxonneren. Ik hoorde ze zich inhouden. Ik dacht aan wat voor een vreemde ervaring het is om in klaarlichte dag op straat te slenteren. Ik wist niet hoe ver het kerkhof was en hoe lang mijn samengeperste tenen het nog gingen uithouden. Ik dacht aan hoe snel kanker zich zou ontwikkelen na al die uitlaatgassen ingeademd te hebben en aan wat voor een goede chauffeur je niet moet zijn om zo traag te rijden en te stoppen en te rijden en te stoppen en te rijden, zonder stil te vallen. Ik dacht aan de motor in de auto en hoe spijtig het is dat die nooit eens goed kan optrekken. De bloemstukken op het dak van de wagen merkte ik pas op toen ze die eraf haalden om bij de asweide te leggen. Ik dacht aan hoe ik aan alles dacht, behalve. 

Amarant Plas
70 3

Nonkel Gust

‘Goeiemorgen!’ riep ik hijgend, nadat ik langs de achterdeur via het smalle, witte gangetje de keuken kwam binnengewandeld. Twee enthousiaste goedemorgens kaatsten bijna ogenblikkelijk terug in mijn richting. Tante Maria droeg glimlachend een dienblad met brood, boter, thee, suiker en kopjes. Nonkel Gust keek niet op. Hij was in volle concentratie en balanceerde met flink wat borden en schoteltjes vol beleg. Zoals elke schooldag had ik de pakweg honderd meter van bij ons thuis naar hun woning al spurtend afgelegd. Met mijn boekentas op de rug. In het gangetje snoof ik altijd snel even rond. Elk huis dat je zelf niet bewoont heeft zijn eigen typische geur. Niet dat die altijd even aangenaam is. Je hebt er die naar natte hond ruiken, of naar verslenste bloemen. Hier rook ik pepermuntjes, zoethout en vooral ochtendlijke gezelligheid. Uiteraard had ik zelf al ontbeten. Mijn moeder zou in die tijd nog liever drie weken met gloeiende ijzerwaren gefolterd worden door een middeleeuwse, sadistische stadsbeul dan mij met een lege maag op pad te sturen. Ik ging snel op mijn plekje zitten: aan de linkerkant van de zetel in de eetkamer, die door een grote boekenkast werd afgescheiden van de zithoek met de televisie. Hier had ik perfect zicht op de kaken en slapen van nonkel Gust. In profiel. Wat kon hij prachtig eten. Ik genoot van elke hap. De manier waarop hij zijn boterham in de perfecte vorm sneed en elke beet minutieus voorbereidde door met zijn mespunt vooraf exact de juiste hoeveelheid leverpaté aan te brengen op het te behappen brood en hoe hij dit zo nu en dan doorspoelde met een forse slok thee. Een mens ken je aan de manier van eten. Nonkel Gust at met veel smaak, aan een vrij stevig tempo. Met een gedistingeerde vlotheid, een elegante souplesse en bevlogenheid die tegelijkertijd een soort van … tja, ‘veldverleden’ verraadde. Een man die gestudeerd had en gerespecteerd onderwijzer was geworden, maar die verdorie heel goed wist wat hard werken was en die niets voor niets had gekregen in het leven. Eten deed je zeker niet te weinig, zodat je er een tijdje tegen kon, zeker ‘s morgens. Niet te traag, want er staat nog heel wat te gebeuren. Zijn kaken gingen fors op en neer en zijn slapen deukten telkens simultaan in. Fascinerend. Thuis propte ik soms mijn mond vol boterham, waarna ik naar de spiegel in de badkamer rende om van opzij te checken of mijn kaken en slapen op dezelfde manier bewogen. Nee dus. Bij mij was het nauwelijks zichtbaar. Ik weet nog hoe jammer ik dat vond. Nonkel Gust was onderwijzer in het vijfde leerjaar van de Boudewijnschool, waar ik aanvankelijk als kleuter actief was en waar ik nadien mijn hele lagere schoolcarrière doorbracht. Nog steeds was hij een werker en nietsdoen leek een kleine zonde. Toch maakte hij tijd voor de dingen die hij belangrijk vond. Het leek soms alsof hij het leven opzettelijk even vertraagde, om iets grondig uit te leggen en om het goed te laten doordringen bij zijn toehoorders. Ach, misschien was het wel tekenend voor die tijd. Het tijdperk van de handgeschreven brieven met veel aandacht voor orde en netheid, maar eveneens voor warmte en hartelijkheid. Helemaal anders dan de in zeven haasten getypte en aan elkaar geplakte ijskoude mailtjes die je vandaag in je mailbox vindt. Schrijf een familielid, vriend of vriendin maar eens een handgeschreven brief. Zomaar. Onverwacht. Hij of zij zal vereerd zijn en zich uniek voelen en jij zal met een zelfvoldaan gevoel jaren teruggeslingerd worden naar de tijd van de traagheid. Zoals ik nu, mijmerend. Traag is mooi. Tragisch mooi. Jammer genoeg hebben we met z’n allen de traagheid, en daarmee ook ons geduld, een beetje verleerd. Vele jaren was nonkel Gust mijn vaste metgezel. Eerst als fietsende chauffeur, later, toen ik zelf kon fietsen en vooral door zijn toedoen de gevaren van het verkeer leerde inschatten, als begeleider of fietscompagnon. Ik herinner me nog hoe ik evolueerde van achterzitjeszitter naar stangetjesvasthouder op de bagagedrager, hoe ik de voetsteuntjes van zijn stalen ros uitklapte, opstapte en ‘ja!’ riep, waarna nonkel Gust begon te trappen, zijn evenwicht zocht en een van zijn standaardzinnen op melodieuze wijze uitsprak. ‘Wij varen weer!’ Altijd weer een geruststelling. Onderweg zat ik als passagier lekker veilig achter zijn rug. Bij het op- en afrijden van een trottoir of een oneffenheid op straat hoorde ik af en toe een boertje, nooit een scheetje. Misschien had hij toch net ietsje te snel gegeten en niet lang genoeg gekauwd, dacht ik dan. Wat kwamen we veel fietsende en stappende mensen tegen en wat werd er dikwijls ‘goeiendag’ gezegd tijdens dat ritje van pakweg drie kilometer. Bijna onophoudelijk. Het leek wel alsof hij de hele wereld kende. ‘Je hoeft niet per se iemand goed te kennen om hem of haar een fijne dag toe te wensen,’ grinnikte hij toen ik het hem heel serieus vroeg. Of hij de hele wereld kende. ‘Begin de dag met een lach en wees blij dat je leven mag!’ zong hij op de tonen van een liedje dat ik nog nooit eerder had gehoord. Op momenten dat hij levenslessen uitdeelde schakelde hij over van dialect naar algemeen Nederlands. Die taalomschakeling was het signaal dat het informatieve nu even belangrijker was dan de humor. Al voelde het nooit zo aan. Eens we op school arriveerden, namen we spontaan afstand van elkaar. Ieder zijn eigen wereldje. Ik als kleine Danny en nonkel Gust als meester Vandenberk. Na het geklingel van de schoolbel, die de middagpauze inluidde, vonden we elkaar opnieuw bij de fietsenstalling, zonder woorden. Even later en voor ik er erg in had, voeren we weer. Uit schrik voor de stadsbeul of uit pure moederliefde (het tweede, ik plaag haar graag) stouwde ons ma me tijdens de middagpauze vol met eten, waarna ik me opnieuw bij nonkel Gust meldde. Het middagmaal had hij dan zelf ook al achter de kiezen. Het gebeurde dat ik hem middagtukkend aantrof en dat ik verondersteld werd om hem op tijd te wekken voor de namiddagrit, zeker als tante Maria niet thuis was. Op andere momenten zat hij gewoon wat naar de radio te luisteren of te lezen. Meestal legde hij dan zijn boek, krant of tijdschrift opzij om vrijblijvend te keuvelen of om wat dieper in te gaan op de dingen des levens. Geen gepreek, integendeel, meestal luisterde hij naar wat ik te vertellen had, hoe onzinnig of onsamenhangend mijn vertelsels achteraf bekeken ook waren. Ooit verkondigde ik dat Engelse muziekteksten sowieso altijd mooier klonken dan Nederlandstalige. Dat zangers maar beter heel hun repertoire in het Engels zouden inzingen vanwege de welluidendheid. Nederlands klonk mijns inziens te hoekig, te geforceerd. Het Engels daarentegen was veel vloeiender, spontaner en nonchalanter. Ik duldde geen tegenspraak. Die gaf hij ook niet. Hij luisterde naar mijn argumenten en ik meende te ontwaren dat hij het niet altijd met me eens was. Wel nam hij de moeite om het vanuit mijn kinderlijke standpunt te bekijken. Wat zeg ik? Het was niet eens moeite. Het was geduld. Het geduld van de geboren onderwijzer, van de wijze man die zijn kennis niet uit boeken haalde en die wist dat ik ooit zou beseffen dat wat ik zei niet helemaal klopte. Ooit is inmiddels decennia geleden. Al vele jaren denk ik er helemaal anders over. Geen taal is mooier dan die van jezelf. Nuances in de eigen taal kunnen zo subtiel zijn, dat ze niet te vertalen of over te nemen zijn. Ik heb altijd moeite met het lezen van naar het Nederlands vertaalde teksten van anderstalige auteurs. Voor een stuk gaat de literatuur en de eigenheid verloren en vraag ik me af in hoeverre ik de vertaler lees in plaats van de schrijver zelf. Literatuur zit ‘m net in de woorden en de woordkeuze. Daarin ligt ook mijn schrijfgenot, veel meer dan in het verzinnen van een verhaal, concepten en ideeën. Een schilderij is het resultaat van kleurlijnen, schrijven doe je met woorden en echte muziek wordt gemaakt van noten. Net die muziek maakte een belangrijk deel uit in het leven van nonkel Gust. Een gevoelig thema. Hij was dirigent van het kerkkoor en zong bijzonder graag. Zijn leven leek een grote melodie van positiviteit, optimisme, levenslust en vrolijkheid. In de winter misschien van goedgemutstheid. In die tijd genoot hij waarschijnlijk van de uitmuntende teksten van Boudewijn de Groot, Ramses Shaffy, Ann Christy, Louis Neefs en nog vele andere grote Nederlandstalige tekst- en liedjesschrijvers, terwijl dat betweterige snotbengelneefje in al zijn onwetendheid doodleuk kwam verkondigen dat het allemaal nergens op leek. Afvoeren en verengelsen die handel! Ik schaam me dood. Doorgaans sloot hij mijn monologen af met twee korte, opeenvolgende klopjes op zijn of mijn beide knieën, ten teken dat we moesten afvaren. Die ene keer zong hij op de fiets achteraf een liedje met extra veel aandacht voor de Engelstalige tekst: ‘Hey! Ba Ba Rie Bop’ van Lionel Hampton. De naam van de uitvoerder heb ik daarnet moeten opzoeken. Het deuntje zit nog steeds in mijn oren, te meer omdat hij het heel vaak neuriede en vooral omdat hij, overal waar hij opdook, steevast ‘Hey! Ba Ba Rie Ba!’ riep, zong of zei, als amusant en olijk alternatief voor ‘Hier ben ik!’ Die oprechte vrolijkheid was en is zijn handelsmerk. Zo aanstekelijk dat je spontaan de neiging krijgt om hem te gaan imiteren. Tijdens familie-uitstapjes per bus (we hadden een grote familie) zat hij helemaal vooraan, als reisleider. Regelmatig nam hij het woord en de micro om het dagschema te overlopen, om een mopje te vertellen, om achtergrondinformatie te verstrekken bij bezienswaardigheden die we passeerden, om een liedje te zingen of om een gastspreker of -zanger aan te kondigen of gewoon … om de sfeer erin te houden. Net voor het afstappen ontpopte hij zich tot professionele afscheidsnemer. Op die manier werd het een plezierreis met de allures van een totaalspektakel. Toevallig hoor ik nu ‘Un canto a Galicia’ van Julio Iglesias op de achtergrond, een nummer uit mijn geboortejaar. Het is niet in het Engels of in het Nederlands gezongen, maar in het Galicisch, een Spaanse provincietaal. Ik vind het prachtig, ook al begrijp ik er nauwelijks wat van. Misschien is het leven wel als een liedje van Julio Iglesias. Mooi, maar moeilijk te vatten. Je hebt de keuze: ofwel zing je het zo goed mogelijk na, ofwel maak je er geheel je eigen versie van. Een versie die je wél begrijpt. Wie imiteert zingt weifelend, wie het zich eigen maakt uit volle borst. Zoals ik nu. ‘Breng mij eens een biertje, hey!’ zing ik hier luidkeels in mijn schrijfkamertje, op de tonen van de Spaanse muziek. Er wordt niet geluisterd en al zeker niet gereageerd. Mensen als nonkel Gust maken een blijvende, unieke indruk. Als kind dacht ik weleens: als ik groot ben wil ik worden zoals hij. Lachen, genieten, aandacht hebben voor je medemens, altijd je best doen en indien nodig keihard werken om te bereiken wat je wilt bereiken. Ik vul het in op mijn manier.

Danny Vandenberk
10 0

Bestemming nul

Buiten liggen ze op een hoopje. De mirakels en de wonderen. Samengeharkt. Als hooi van rare grassen en ze komen overgewaaid. Pluisjes kunnen vliegen. Eerst nog op de pelouse van een gazonzot en daarna met wat wind tot hier geraakt. Pluimen, dons van kuikens. Zomaar denk ik, iemand heeft er een dozijn gered uit dat miljoen. Het is een kot van veel beton en ziek plastiek. Daarin gingen ze even leven. Daar konden ze dansen. Drie stappen. Met de rechterpoot rondom de linker en ze keken met hun lege ogen naar de lampen voor gebroed. Ik weet het niet meer. Niet goed noch amper. Gelukkig zijn ze weggeraakt, die paar kiekentjes weg uit dat paviljoen, vol van gekakel, kippenkak en wondergroei. We moeten hier weg. Wij met zijn allen. Het pluimvee, mens en ieder dier dat zich nog redden kan. Genoeg. Dat hebben wij ervan, van al die knoeierij en dat gezooi met al wat leeft. Ja. We gaan op reis. We willen voort. De ark is langer dan weleer omdat er zo veel beesten zijn, bedreigd, misvormd, geklooid wordt gretig met het zijn. Het zwijn is dikker, rozer, malser dan voorheen. Alleen de koekoek weet van niets, hem laat het koud. Hij is zijn kindjes kwijt. Hij zingt maar vrolijk over koetjes, koekjes, weet-ik-veel en het is helemaal echt tijd. We moeten gaan. Ik heb hem net gebeld. Ricky is zijn naam. Hij is mijn vriend die altijd doolt, die ooit nog in een bolster leefde, maar voorgoed de aftocht koos, het weg-van-hier, het laat-het-zijn. Alleen, het is nu zo en iedereen, zo lijkt het toch, is nu de richting kwijt. De ark, hij slalomt tussen alle wrakken, want de zee ligt vol met grut, met hun plastiek. De rotzooi drijft waar het niet zinken kan. Ricky zegt dat alleman vertrekken kan. Met TUI. Mee met Tante Tutti Frutti welgevormd, ze is gehouwen, mals gesneden uit het Heuvelland. Ze wil haar boezem laten bruinen voor de bleke jongens die aan warme tepels willen zuigen. Gij zot! Daar wil ik niet heen. Ik voel me eenzaam tussen borsten die mijn tong niet kunnen lezen en ik heb gekozen, voor een tocht, geblinddoekt omdat deze wereld veel te lelijk is. Ik zal me laten leiden door de wind. Bij geuren van de eenzaamheid. Een bloem die mij niet kent. Die stilte van een droog kadaver. Overal waar rust verschuilt zit in het struikgewas. Daar kan ik even halt houden. Niet lang. Ik heb immers beloofd. Het is aan Ricky, aan de kronkels in zijn hoofd, dat ik heb toegezegd, alles mee te brengen. Zachte pluimen voor een harde nacht. Koekoeksbout met saus van stoute dromen en verzwegen wensen. Kaartjes ook, van Tante Tutti Frutti, naakte foto's van een schijntoneel, een tijdschrift over wielen, die traagheid en alles doodrijden wat zich in deze wereld waagt. Het is dat handjevol, die boel, die menschheid met zijn mal gedoe en Ricky denkt. Ik weet het. Laat het maar! Hij blijft het liefst ver weg. Hij is. Hij wil. Alleen op reis, van niets naar nul.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
4 0

Een concert in het buurthuis

Drie uur dood. Dat zou mooi zijn. Met de ogen open op de stoel zitten en niets, maar dan ook he-le-maal niets meekrijgen van je omgeving. Helaas ben ik niet dood en ook niet doof, één letter verschil en een goede tweede optie. Het kan niet altijd meezitten. Tot mijn spijt zit ik mee op de tweede rij in een kale kantine en kijk naar een roodneuzige alpinopetdrager met een luit in zijn handen. Ik check mijn horloge: het journaal begint, mijn vaste punt op de avond. Waarom zit ik niet gewoon thuis met een Orangina en het restje bami uit de magnetron?   “Een multi-mediale avond met muziek, poëzie en lekker eten,” zei Justine met zoveel warmte in haar ogen dat ik niet goed luisterde. Als ik eerlijk ben, kon ik het van mijlenver zien aankomen. Dit kon niet goed gaan, maar wat moet je? Ik kan moeilijk vlak voor onze eerste vakantie samen zeggen dat ik haar hobby's vaag geneuzel vind en haar vriendenkring een plakkende poel van macramé truien. Ga maar lekker alleen je zaterdagavond verpesten! Ik wacht rond elf uur voor de deur van buurthuis “Ons verbonden”, dan leer ik je zuipen in Café Sport aan de overkant van het plein. Nee, dat werkt niet, gewoon over je heen laten komen en wachten totdat je weg mag. Hoe kom je er op om een vals zingende troubadour op een podium te zetten die “regionale middeleeuwse liederen” vertolkt. En let op! Mijnheer de kunstzinnige kweelpeer construeerde de liederen met een groep amateur geschiedkundigen uit “filologisch relevante uitspraken van buurtbewoners”. Dus geen gewone buurtbewoners! Nee, nee, zo eenvoudig gaat dat niet: ze interviewden de afgelopen drie jaar “markante” senioren die “geworteld zijn in regionale historie" van Vrieswijk.    Ze moeten die troubadour aan zijn kloten ophangen, wellicht haalt hij die hoge noten dan wel en zijn geschiedsvriendjes naast hem. Vier van de geïnterviewde oudjes zijn als eregast, recht voor mij, op de eerste rij gedumpt. Drie ervan schuifelen onrustig op hun stoel en kijken elkaar in paniek aan, de vierde schakelde na de eerste noten zijn gehoorapparaten uit en met dromerige ogen glimlacht hij naar het niets. Ik ben gelukkig niet de enige met gezonde afkeer voor de nutteloosheid in deze tent.    Ik kijk met angst en beven naar die mystieke dichteres die in de coulissen staat te mediteren, zij maakt vanaf negen uur de marteling compleet. Haar jurk alleen al, gemaakt van gesponnen brandnetel “Om oeroud aards contact te maken”. En iedereen aandachtig knikken, het lukt baardmans in zijn blauwe vessie met gouden knopen rechts vooraan zelfs om tranen uit zijn ogen te persen.    Gelukkig heb ik zelf een zak pinda's meegenomen, het buffet is geïnspireerd op duurzaamheid, met voldoende calorieën zonder onze dierbare planeet over te belasten. Ook een manier om smerig en karig te omschrijven. En die biologische alcoholvrije wijn lijkt geperst uit gefermenteerde autobanden.    Wel komisch dat de gozer die continu met zijn mobiel ronddraait het geluid aan heeft staan, elk berichtje dat hij plaatst, pingt door de vage avond heen als een laserstraaltje door de mist. Ben benieuwd wie zijn Insta volgt.   Rustig ademen, concentreren op de vlieg die afwisselend achtjes draait boven de celliste en de klavecimbelspeler die met gestrekte armen nét de toetsen raakt, zo vadsig is zijn pens. En vooral aan iets leuks denken. Bijvoorbeeld aan Justine haar ogen, spetterende lach en stevige borsten, drieënzestig jaar en nog steeds pront vooruit met keiharde tepels, kom daar maar eens om. En haar sarcastische humor, nooit gedacht dat iemand vileiner uit de hoek kan komen dan ik. Sommige mensen spreken met consumptie, zij spreekt met vitriool. Ze is elke seconde van deze ellende waard, je moet toch iets naast je in de camper hebben zo na je pensioen.

MCH
19 2

Niet al oud wat blinkt

Over enkele weken word ik een halve eeuw. Volgens een artikel dat ik gisteren las in een of ander blinkend flutmagazine (een ‘glossy’ heet dat tegenwoordig), zijn daar drie grote voordelen aan verbonden: je begint meer te genieten van het leven na je vijftigste (omdat je meer tijd hebt en over een groter budget beschikt), je maakt makkelijker keuzes (omdat je je minder aantrekt van de mening van anderen) en je weet beter wat je wilt, wie je bent en waar je voor staat. Dat laatste klopt helemaal. Ik sta voor de Carrefour. Een kruispunt, maar dan op z’n Frans. Zo belangrijk voelt het voor mij helemaal niet. Noch het winkelen, noch het verjaren. Veel meer heb ik van dat artikel uit het blinkboekje niet onthouden. Vier spelfouten ontdekt, dat wel, terwijl ik niet eens geconcentreerd las. Typisch. De verpakking lijkt vaak belangrijker dan de inhoud, het is niet al goud wat blinkt en schijn bedriegt. Dat heb ik al geleerd tijdens de voorbije negenenveertig jaren die ik hier rondstap. Of beter gezegd rondmank momenteel. Ik draag sinds eergisteren nieuwe steunzolen en dat is altijd wat wennen. Wat wenen doe ik bijna aan de kassa, als ik te horen krijg hoeveel ik moet neertellen voor een zak sandwiches, een paar sneetjes belegen kaas en een kartonnetje Westmalle Tripel. Ach, niet erg. Binnenkort zal ik sowieso over een groter budget beschikken en automatisch meer van het leven gaan genieten. Wat een levenswijsheid. Stel niet uit tot je vijftigste wat je vandaag nog kan doen, denk ik terwijl ik een eerste slok Westmalle Tripel neem. Op de verpakking van de sandwiches lees ik: 8 + 2 gratis. Juist ja, eerst de prijs verhogen en daarna de nietsvermoedende, onschuldige consument nog wat overdrijfzand in de ogen strooien met zogezegde extraatjes. Niet met mij! Ik tel ze na en ik tel er elf. ‘Ik tel er elf! En er zitten twee doffe tussen. Vervallen rommel! Zo is het makkelijk weggeven!’ roep ik naar mijn vrouw. Ze kijkt even en zegt daarna verbazend kalm: ‘Dat zijn er gewoon twee die ze vergaten in te smeren met geklutst ei. Ze glimmen niet, maar ze zijn zeker niet vervallen. Dat van die elf zal wel aan de Westmalle Tripel liggen.’ Het waren er inderdaad maar tien en de twee glansloze, die ik meteen zelf opat omdat ze een air van kosteloosheid over zich hadden, smaakten vooral om die reden opperbest. Dat makkelijker keuzes maken heb ik onder de knie. Over die Westmalle Tripel moest ik daarstraks ook niet lang nadenken. Mijn vrouw heb ik zestien jaar geleden eveneens voortreffelijk gekozen, dus het is niet nieuw. Af en toe zou ze me misschien wat meer kunnen steunen tijdens momenten van dyscalculie en onevenwichtig gedrag. Op mijn steunzolen hoef ik ook al niet te rekenen.  

Danny Vandenberk
11 0

Het dorp waarin wij leven

In een cafeetje in het midden van het dorp waarin wij leven, zitten wij. Je vraagt me op te staan. Je kijkt me aan terwijl ik zonder woorden vraag naar het waarom. Ik doe wat je me opdraagt en je vraagt of je al mijn zorgen weg mag nemen. Al mijn leemten, al mijn pijn. Dat mag je niet, zeg ik, het moet er zijn. Nog wat wijn? Ik knik de barman ja, mijn glas stroomt vol. Even snel terug leeg zoals een plas op straat, opgezogen door een uit het niets oprukkende, drukkende hitte. Ik kus je welterusten, loop de deur door en verdwijn in de smoor van de opkomende ochtend. Eén, twee, drie, nee. Zo snel kun je me niet bereiken, dat is goed. Er is geen VTM, er is geen gsm, laat staan smartphones. Je stuurt brieven. Ons geduld wordt op de proef gesteld, maar er is ruimte. Geduld wordt geduldig geduld. Verveling hoeft niet te worden opgevuld door een eindeloze stroom aan woorden. De buis is grijs, er is niets op - wat een geluk. Mocht er eindeloos veel op zijn, het was nooit meer stil. Hoe zouden we kunnen denken? Stil is het. Ik aai de hond vanuit mijn hurkje. Tot plots de telefoon roept vanop het krukje naast de buis. Ik veer op, neer, op. Hallo? Ah, toch iemand thuis! Wat een plezier je stem te horen. We praten, we verhalen, laten de tijd in zinnen verdwalen, dwalen af en komen terug. Tot straks, tot straks, tot vlug. Vier uur, de hoorn ligt terug neer. De omgeving maant me aan te nietsen. Ik staar voor me uit en ga op wandel in mijn diepten. Aan de ingang van de zaal roep ik jouw naam door het kabaal heen. Je baant je een weg door al het volk en begroet me hallo, hey. Alles goed met mij, met jou? In de hoek staat een jongen met een toestel in zijn hand. Zijn rolletje bevrijdt hem enkel momenten van betekenis vast te leggen. We dansen en we springen, we zingen mee met de muziek. We maken ons geen zorgen, morgen weet niemand wat wij deden, wie wij waren hier en nu. We verlaten het bonzen van de bassen, we laten ons verrassen door wat nog komen gaat. De nacht behoort ons toe. De diepste gesprekken spreken in het diepste diep van nachten en we luisteren. Een gesprek van jou en mij is enkel van mij en jou. Er vallen stiltes en dat mag, laten we luisteren. We zitten naast elkaar, we luisteren. De koude trekt aan onze armen, tijd om te verwarmen. We kennen zoveel plaatsten, we gaan terug naar wat we kennen. In een cafeetje in het midden van het dorp waarin wij leven, zitten wij.

Dolomar
5 0

Love and hope - Are felt, not seen

“Some say we find it in the darkest of nights With no candle or light  To brighten up our life Some say it’s in the normal of the day, the wonder Other say it’s in the fear for the thunder We’ll still survive All I know is that I just don’t know What made especially the ‘ow’ in ‘wow’ Some days it’s there Other day it’s gone, and it feels like forever Like it’s forever lost Like I’m a ghost Gone with the smallest wave of wind Like one of a kind  Up in the sky Feet steady on the ground And my head, as always, dreamy in the clouds I suggest my other half, my twin flame, burned out And that’s really a big doubt Surprise me with what you know And with the smallest kind of effort I will laugh But it’s not a real laugh, or honest ‘Dude, like most flowers bloom in august?’ I do not care for you, or you, or you I’ll only be my honest, stupidest, evilest and truest self with him But how many times I’ll burn myself I even speak in rhymes to the books on my shelf I do not learn To the ends of the earth I’ll take him And sing the deadliest most beautifulest hymn  I destroy myself and sadly him too And the sky colours pink blue As both a blessing and message, sharp as knives to those we will become in our next lives All I have learnt is that I’m the sensitive one I laugh, I cry, I live, I overthink, I overrun I had always a connection with the spiritual kind of shit And therefore I’m full of pit I’m the conscious one And that’s so hard, and wrong While he’s drowning in a lake of darkness, unconscious Knockouted on that head, gracious  Some say it’s in the silliness of uncontrolled laughter Other says it’s in the power of only a few hours Or wonder for one another All I know is that hope and love are in our own damned hearts In every hated and loved soul parts And therefor I love him, ‘because he makes me feel How to crash and how to heal Every damn thing, hate, hope, everything in between Because love and hope are the things that are felt not seen And that makes our brains a mess,  And if our hearts win this battle, god bless For those which are forever lost in this perpetual struggle of power In a good environment of love and hope blooms even the darkest flower All I know is that I still feel the difference between love and hate And till the end I will spread and create The light, not the dark, that I am and that I feel And that’s the only way to fully heal.”   Geschreven op 18 juni 2020 "A raw mess"  

Zonsondergangdromen
3 0