Lezen

Tuimelientje - Hoofdstuk 14 (slot)

De lente Die laatste zin van de papa van Lientje was de perfecte slotzin voor het nachtelijk bezoek aan het museum. In de auto op de terugweg naar het ziekenhuis waren Lientje, Rik en Benny heel stil op de achterbank. Het wonderbaarlijke, of toch alleszins speciaal, was dat het gesneeuwd had tijdens hun bezoek aan het museum. Zo kreeg de nacht nog een andere kleur. Alsof de weergoden dit speciaal voor Benny hadden gedaan. De sneeuw lag al behoorlijk dik op het wegdek. Het kraakte terwijl ze over het verse sneeuwtapijt reden. Zoals alleen sneeuw kan kraken. Op de een of andere manier voelde het aan alsof er iets nieuw begon. De winter natuurlijk, maar ook de belofte op iets nieuw. Omdat ze zo traag moesten rijden, duurde het lang vooraleer ze terug in het hospitaal waren. Maar dat vonden ze niet erg. Ze genoten van de stilte. Ze genoten van elkaars aanwezigheid. De volgende dagen hadden ze in het ziekenhuis nog vaak over hun nachtelijk bezoek aan het museum. Maar niet over nieuwe namen. Ze hadden alle drie een tweede naam en dat vonden ze prima. Alsof hun verblijf in het ziekenhuis toch ook iets goed had opgeleverd. Ongeveer een maand later mocht Benny beetje bij beetje terug in het daglicht komen. Elke dag een half uurtje, maar nog steeds met die zonnebril op zijn neus. Daarna mocht hij naar huis. De benen van Rik bleven broos. Ze zouden altijd gevoelig blijven om te kraken. Met zijn nieuwe naam dacht hij er wel twee keer over na, als hij zin had om te voetballen. Lientje moest van hun drieën het langst in het ziekenhuis blijven. In de lente mocht ze eindelijk voor lange tijd het ziekenhuis verlaten. En natuurlijk heeft ze in het hospitaal meer meegemaakt dan enkel het avontuur met de nieuwe namen en het bezoek aan het museum. Ze moest ook allerlei vieze spullen innemen om het bolletje in haar hoofd klein te krijgen. En daar was ze telkens ontzettend ziek van. Soms mocht ze een paar dagen naar huis. Maar dan moest ze weer terug. Maar jullie begrijpen wellicht dat het avontuur met Rik en Benny leuker was om te vertellen.   Het belangrijkste was dat het uiteindelijk beter ging met de drie nieuwe vrienden. De turnmeester, jullie kennen hem nog van in het begin van het verhaal, had voor Lientje nog een leuke verrassing toen ze terug naar school ging. Hij had op woensdagnamiddag een tuimelwedstrijd georganiseerd. Op het pleintje achter de school lag een berg, of meer een heuvel. “Deze tuimelwedstrijd organiseren we ter ere van Tuimelientje”, vertelde hij. “Om te vieren dat Lientje terug in de klas is. Wie het eerst beneden is, krijgt een leuke verrassing. En er is voor iedereen een ijsje.” Het was een perfecte namiddag. Lientje tuimelde wel vier keer van de berg. Met een helm op haar hoofd natuurlijk. En weet je wie er stond te kijken? Rik en Benny. Kapitein Kraak en Zorro de Snorro. De kapitein was uit het gips, maar stond nog op krukken. En hij had met zijn stift een perfect snorretje getekend onder de neus van Benny. “Kijk, daar tuimelt Lientje”, hoorde Lientje Rik roepen. Benny keek helemaal naar de verkeerde kant. Hij gaf Rik een por met zijn elleboog. “Dat kan ik toch niet zien, kapitein van mijn voeten.” Lientje tuimelde al lachend van de berg af.  Een nieuwe lente tegemoet.   einde

Rudi Lavreysen
0 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 13

Het zotte geweld Benny had de tijd van zijn leven in het museum. De papa van Lientje had enkele werken uitgezocht die Benny mocht aanraken. Natuurlijk kon dat niet met alle schilderwerken. Maar waar hij niet met zijn vingers over het schilderij, of over een beeld mocht wrijven, vertelde haar papa wat de anderen zagen. Hij was de ogen van Benny in het museum. In één van de zalen stond een beeld met de naam “Het zotte geweld”. De papa van Lientje legde uit dat de kunstenaar altijd zijn vrouw uitbeeldde op beeldhouwwerken en schilderijen. De mevrouw van het beeld was naakt en ze danste op één been. Of ze deed alleszins heel gek. Ze zag er wel gelukkig uit. Lientje begreep meteen waar de naam ‘Het zotte geweld’ vandaan kwam. Ze bleek Nel te heten en de kunstenaar was Rik Wouters. “Straffe gast, die Rik”, knipoogde Rik. “Hier word je toch vrolijk van hè jongens”, zei de papa van Lientje. Benny mocht het beeld aanraken. “Ik denk dat onze Nel hier geen kleren aanheeft. Nu snap waarom je daar vrolijk van wordt”, lachte hij. De papa van Lientje vertelde er in zijn enthousiasme ook bij dat de kunstenaar jong gestorven was. En dat hij  blind was aan één oog. Zuster Monique gaf hem een por toen hij dat vertelde. Maar het bleek Benny niet te storen. In dezelfde zaal zagen ze een zelfportret van de kunstenaar, waarop hij een ooglapje droeg. “Zelfportret met een ooglapje”, zei de papa van Lientje. “Zo heet het werk. We zien dat de kunstenaar angstig is. En omdat hij maar door één oog zag, had hij geen dieptezicht meer. Maar je ziet, ook dan kan je prachtige kunstwerken maken.” Dit werk mocht Benny niet aanraken, maar de manier waarop haar papa het vertelde, was prima voor Benny. Zijn humeur werd er trouwens nog beter op, toen de papa van Lientje in een andere zaal, waar een werk van Van Gogh tegen de muur hing, vertelde dat er heel wat beroemde kunstenaar zijn, of waren, met een oogziekte.  “Als je naar een kunstwerk kijkt, zie je altijd door de ogen van de kunstenaar”, vertelde hij. Precies de woorden van Benny. Lientje knipoogde naar hem, niet beseffend dat hij dat niet zag. “Het feit dat sommige kunstenaars een oogziekte hadden, maakt hun werk nog interessanter. Zo krijgen we een wereld te zien, die wij niet zien”, zei de papa van Lientje. “Van Gogh zag op het einde van zijn leven allesbehalve perfect. Toch maakte hij toen zijn mooiste werken. De verf waarmee kunstenaars werken, is niet goed voor de ogen. Zeker niet het lood dat in verf aanwezig is. En altijd dat kijken, of staren, doet ook geen goed voor de ogen.” Zo werd het een schitterende nacht in het museum. En toch bijna zoals de film ‘Een nacht in het museum’. De kunstwerken leken allemaal tot leven te komen. Niet in het minst voor Benny. In één van de laatste zalen stond een schilderwerk van de Spaanse kunstenaar Salvator Dali. “Een surrealist”, stak de papa van Lientje meteen van wal. “De werken zijn meestal abstract. Dat betekent dat ze niet de werkelijkheid tonen. Maar een soort van droom.” Benny luisterde geboeid naar de uitleg. Lientje meende te zeggen dat Benny ook wellicht de wereld zag als een surrealist. God weet hoe zie ik eruit, dacht ze, door de ogen of in de verbeelding van Benny.  “Dali was een maf figuur”, ging haar papa verder. “Hij stond ook bekend omdat hij een enorm gekke snor had. Het was een dun snorretje dat helemaal de hoogte in ging.” “Nu ga je misschien lachen”, zei Benny. “Maar ik heb nog nooit aan een snor gevoeld. Ik weet wel wat het is, zo een borstel onder je neus, maar gevoeld heb ik het nooit. Papa heeft geen snor. En mama gelukkig ook niet”, lachte hij. “Zeg zuster, jij hebt toevallig niet een potlood bij”, vroeg Rik aan zuster Monique. “Euh, ja, eigenlijk wel, en een stift. Zeg maar wat je wil hebben. Waarvoor heb je het nodig?” “Heel simpel”, zei Rik. “We zorgen er toch gewoon voor dat onze Benny hier vandaag met een snor naar buiten gaat.” Waarna hij meteen met de stift naar Benny stapte. “Stil blijven staan vriend. Dan weet je meteen wat een snor is.” Van zodra Rik de snor begon te tekenen, begon Benny luid te lachten. “Stop”, riep hij. “Dat kriebelt ongelofelijk.” Door het lachen kon Rik maar een klein snorretje tekenen. Maar wel een fraaie snor, dat moet gezegd. “Zo lijk je wel een beetje op Zorro”, zei Lientje. “Met die donkere bril en dat snorretje. Nu nog een platte hoed en een cape en je bent het helemaal.” “Zeg, wacht eens even”, zei Rik. “Wacht eens even allemaal”, waarna hij zijn notaboekje uit zijn achterzak haalde. “Ik denk dat ik het heb.” “Wat heb je”, vroeg zuster Monique. “De naam voor Benny natuurlijk”, zei Rik. “Ik ben al een tijdje aan het zoeken naar een juiste en grappige naam voor hem. Ik heb er duizend opgeschreven en opnieuw geschrapt in mijn boekje. Het was nooit echt goed. Niet zo grappig als Kapitein Kraak.” Benny keek reuze benieuwd naar Rik. “Ahum”, bouwde Rik de spanning nog wat op. “Wat denk je van Zorro de Snorro?” Benny schaterde het uit. “Goed gevonden kapitein”, lachte hij. “Die nemen we. Voortaan ben ik Zorro de Snorro. Maar dan moet ik wel een snorretje beginnen te kweken. Want altijd met die stift op mijn lippen, dat hou ik niet vol.” “Trouwens, weet je wat grappig is”, zei de papa van Lientje. Ze voelde meteen dat er opnieuw een weetje in de lucht hing. “Weet je waar de naam Zorro vandaan komt?” Hij wachtte niet eens het antwoord af. “Zorro betekent vos in het Spaans.” Allevier keken ze hem aan met een blik van ‘Ja, en?’ “Jullie weten toch dat een vos speciale ogen heeft”, ging hij verder. “Als je ‘s nachts met de autolichten naar een vos schijnt, dan worden zijn ogen helemaal oranje. Als een reflector. Dat komt omdat hij aan de binnenzijde van zijn oog een reflecterende laag heeft zitten. Hij is altijd ‘s nachts op pad, de vos. Vraag het maar aan de kippen, die weten er alles van. Dankzij die speciale ogen kan hij in het donker zien. Net zoals Benny vannacht een beetje in het donker heeft gezien.” Naar hoofdstuk 14

Rudi Lavreysen
0 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 12

Op weg naar het museum “Je wil zeker graag met Rik en Benny naar het museum?”, vroeg de papa van Lientje een dag later. “En wellicht ‘s nachts, omdat Benny nog een tijd geen daglicht verdraagt.” Lientje keek hem een paar seconden aan vooraleer ze antwoorde. Hij leek wel een waarzegger met een glazen bol. Ze was totaal verrast, want ze wist nog niet van de radertjes die aan het werk waren gegaan. Hij vertelde wat hij gehoord had van Benny’s papa. De rest had hij zelf ingevuld. “Dat gaat niet eenvoudig zijn Lien.” Alleen bij een moeilijk gesprek sprak hij zijn dochter niet aan met Lientje. “Ik vind het niet het beste idee. Dat van die nieuwe namen leek me veel beter. Je kan ook gewoon wachten tot Benny zijn donkere kamer mag verlaten. Dat is al over enkele maanden, heeft dokter Luc me verteld." “Dat is wel echt nog lang papa. Benny zit al een tijdje op die kamer. Hij wil ook wel eens andere lucht opsnuiven. Maar begrijp ik dat goed? Heb je het er al met dokter Luc over gehad?” “Ja, maar nog niet over jullie nachtelijke plannen”, zei hij. “Hij heeft me wel een en ander over van Benny verteld. Plus hoe Benny als jonge gast, van vaak binnen te moeten blijven, bijna een depressie had. Daarom vond de dokter het goed dat jullie met hem gingen praten.” “Voilà”, rondde Lientje het gesprek af. “Reden te meer dat we eropuit trekken. Als je het met zijn ouders kan regelen, of dat iemand van hen meegaat, moet het toch lukken. Benny weet trouwens heel wat van kunst. Hij leest er veel over, of hij luistert ernaar. Gesproken boeken, weet je wel?” Dat Benny geïnteresseerd was in kunst, wist haar papa nog niet. Hij dacht dat het maar een avontuurlijk plannetje van zij dochter was. Zoals de film "Nacht in het museum", waarbij de beelden tot leven kwamen. Maar daar ging het helemaal niet over. Voor Lientje toch niet. Zeker niet voor Benny. “Oké Lientje, ik ga kijken wat ik kan doen. Maar nog niet te veel hoop hebben. Ik moet het eerst met de directeur van het museum bespreken. En dan met de ouders van Benny. Maar allereerst met dokter Luc. Als hij zijn zegen niet geeft, vergeet het dan maar."  Dat laatste bleek nog de gemakkelijkste stap te zijn. Althans, dokter Luc gaf nogal snel zijn goedkeuring. Vooral omdat het de laatste tijd beter ging met Benny. Dit kon hem misschien helemaal uit die depressie houden. Als het voor de ouders van Benny tenminste in orde was. Ook zou er nog iemand van het ziekenhuis meegaan. Hijzelf of iemand anders.  Zo was het plannetje van Lientje en Rik om de kinderen of jonge mensen in het ziekenhuis een andere naam te geven, uitgedraaid op totaal iets anders. Zuster Monique zou namens het ziekenhuis meegaan. En zowel de ouders van RIk als van Benny vonden het oké. De overtuigingskracht van haar papa had wonderen gedaan. Op een winternacht trokken ze naar het museum. Ze waren alledrie al een tijdje niet meer buiten geweest en ze rilden van de kou in de auto. De papa van Lientje reed met de auto en zuster Monique zat naast hem. De drie avonturiers zaten met zijn drieën op de achterbank. Zuster Monique had extra dekentjes meegebracht, zodat ze het zeker niet ijskou zouden hebben. Rood met zwart geruit dekentjes. Het zag er zowaar gezellig uit. Bovendien waren ze ingepakt als eskimo’s. Met dikke winterjassen, sjaals en mutsen. Maar ze bleven het koud hebben. “Zeg Benny, ik weet niet of je het weet, maar de zon schijnt niet hè. Het is midden in de nacht”, zei Rik. Het was inderdaad een gek zicht. Benny met die zonnebril. Het was net alsof hij ging skiën, met die winterkleren aan. Zuster Monique keek over haar schouder naar Rik, maar Benny zelf schaterde het uit. “Dit is één van je betere grappen Kapitein Kraak”, zei Benny. “Je leert het nog, hahaha.” Kortom, de sfeer zat er goed in. Die werd nog beter in het museum. Het licht mochten ze niet aanknippen. Daarom had de rest van het gezelschap een nachtkijkersbril op hun neus staan.  “Als dit een film was, gelooft niemand er wat van”, zei de papa van Lientje. Naar hoofdstuk 13

Rudi Lavreysen
0 0

PATJE

Toen Patje vertrok op de Zündapp, die nog van Moe was geweest, regende het nog niet en zag het er naar uit dat het dat ook helemaal niet zou gaan doen. Moe had maar één long gehad en fietsen was dus nooit aan de orde geweest. Ze was al een aantal jaren dood. Haar brommer was het meest opgevoerd. Die haalde makkelijk 67 kilometer per uur.Met wind in de rug 73. Het was volkomen helder, de zon scheen lichtjes, geen wolkje aan de lucht. Bij het binnenrijden van Sint-Lenaarts barstte er een gigantisch onweer los.Daar had hij niet op gerekend. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘Wat een kutweer. Als ik dat had geweten.’ Hij ging, zoals zo vaak op donderdag en normaal gesproken alleen als het niet regende, twee kiekenbillen kopen en misschien een blokske kaas. “Als er nog een wolkbreuk komt, gaat het nog lekken in de veranda ook want het dak van de achterbouw is niet in orde.” dacht hij. ‘Godverdoemme,’ ging hij te keer, ‘ik was beter niet vertrokken.’ De eerste kiekenbil zou hij ’s middags, met een boterham, opeten. De tweede ’s avonds, koud met wat mayonaise erbij. Het zat niet mee de afgelopen dagen. Alles liep fout. Gisterenavond had de videorecorder het begeven. Hij had op alle knopjes geduwd en er een klap opgegeven. Niks hielp. De pornofilm uit 1982 zat geblokkeerd. Vooruit. Achteruit. De video eruit halen. Niks hielp. Nu ja, dat toestel was al een paar jaar oud en versleten. Vervelend. Gisterenmorgen had hij verder willen werken aan de Junkers Ju 87B- STUKKA op schaal één tweeënzeventig, maar er een ontbrak een stuk in de modelbouwdoos. Hoe kan dat nu in godsnaam. Heel de kamer had hij afgezocht. Nog enigszins hoopvol. “Ik ga niet bidden voor de heilige Antonius,” zei hij tegen zichzelf. In de herfst en de winter is modelbouw zijn favoriete tijdverdrijf. ’s Zomers gaat hij vissen aan de vaart. Bidden doet hij nooit. Hij gaat wel graag naar air-shows en kan aan het geluid van de motoren exact zeggen welk type vliegtuig het betreft. Zowel bij oudere toestellen uit WOII als hedendaagse. Zijn favoriet die al wel eens grote indruk heeft gemaakt op een air-show was de Hawker Harrier. ‘Die heeft zelfs geen vliegveld nodig. Een wei bij een boer volstaat,’ zei hij ‘En achteruit vliegen, hé, achteruit, hé,’ ging hij enthousiast verder. ‘En lawaai dat dat maakt! Ongelofelijk!’ Afgelopen dinsdag wou hij een deel van zijn collectie singletjes van zolder halen, maar hij was komen vast te zitten in het gat naar de zolder.Het had hem twee uur gekost zich los te wringen. Hij heeft dan ook een buik als twee zakken cement.               Twee maanden later, putteke winter. Uiteindelijk had Patje zijn videorecorder-inclusief de Duitse pornofilm- in de grijze container geflikkerd. Hij was wel zo slim geweest er een gewone vuilzak bovenop te gooien om te verdoezelen dat er elektrisch materiaal in zat dat je afzonderlijk zou moeten aanbieden op het containerpark. Masturberen deed hij minder vaak. En als hij dan zin had, deed hij het op fantasie en onvergetelijke, dierbare herinneringen aan enkele pornoblaadjes. Hij zag de plaatjes levendig voor zich. Zijn libido was door de koude buitentemperatuur aanzienlijk verschrompeld. Soms heeft Patje zelfs last van indolentie. Hij had in het café bij Chantal een koper gevonden voor zijn verzameling. Er lag sneeuw. Alles zag wit. Wit is altijd mooi. Na zeven pintjes, thuis aan de keukentafel dicht bij de gaskachel, dacht Patje erg vrolijk: ‘Ik ga toch met de bromfiets!’ Het was bijtend koud en er woei een snijdende noordenwind. Hij zette de blauwwitte bananendoos vol met porno video’s op de achterste slijklap en bond ze vast met een caoutchouc snelbinder. Het was een opvallende collectie. ‘Daar komen misschien vodden van, ‘ dacht hij. Het brommerke pruttelde even en startte dan met hevig gebrom en gekwetter. Patje vertrok. In het dorpscentrum, ter hoogte van de Voorzorg, glinsterde een akelige ijsplek. Hij ging spectaculair met zijn kloten tegen de grond en greep naar zijn heup. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij. Door de val scheurde de doos en schoven zijn video’s dwars over de weg tot juist voor café ‘den Boemel’. Chantal, de bazin, en boer Mertens, haar enige klant, schoten wakker en dachten alle twee: ‘Wat is dat allemaal?’ Het vroor en het kraakte. ‘Kom jij mij zo je collectie overhandigen,’ zei boer Mertens lachend ‘Da’s sympathiek.’ ‘Doe niet onnozel,’ antwoordde Patje die zich echt had bezeerd. Aan het Flandriake was niks aan. Chantal, boer Mertens en Patje verzamelde de VHS banden en staken ze terug in de gehavende doos. ‘Wat moet gij drinken?’ vroeg de cafébazin. ‘Doe mij maar een trappist van Westmalle,’ antwoordde Patje. ‘Dan kan ik een beetje bekomen.’ Hoe hij die avond thuis was geraakt, herinnerde hij zich niet meer. Zijn bromfiets stond nog voor het café. Het vroor nog steeds. Die nacht had Patje een fabuleuze droom. Hij had een ernstig gesprek – dat gebeurde niet zo vaak- met zijn engelbewaarder. Nog merkwaardiger was dat hij het zich compleet kon herinneren.   Engelbewaarder: ‘Waarom drink jij toch zo veel?’ Patje: ‘Geen idee. Het is plezant zo.’ Engelbewaarder: ‘Dat loopt nog eens fout af. Ik heb mijn handen wel vol.’ Patje: ‘Tja, het zij zo.’ Engelbewaarder: ‘Wil je niet oud worden?’ Patje: ‘Neen, niet per sé of kost wat kost.’ Engelbewaarder: ‘Denk je niet dat je soms wat overdrijft?’ Patje: ‘Ik weet niet beter. Ik vind het wel leuk zo.’ Engelbewaarder: ‘Vaak heb ik je kunnen helpen.’ Patje: ‘Weet ik. Merci.’ Engelbewaarder: ‘Ik had beter moeten weten.’ Patje: ‘Maakt niet uit   Patje werkte in een beschutte werkplaats als slordig boekbinder. Hij ging “zuiver op karakter” naar de fabriek. Hij werkte half-time want de advizerend geneesheer van het ziekenfonds zorgde redelijk goed voor hem. Naar zijn pensioen keek hij al uit. Vader Baelus was een zware drinker die zich zelfs in zijn eigen huis niet meer kon oriënteren. Het gevolg van hersenschade door te veel alcohol en te weinig eten. Hij confabuleerde vaak. Onlangs beweerde hij Jezus te zijn tegengekomen in de Lidl in het dorp. Vader had altijd in den bouw gewerkt. Moe was redelijk jong gestorven.Patje woonde in een rustige, doodlopende straat net buiten de bebouwde kom. Sjarel, de buurman, was onverwacht overleden. Zijn collectie LP’s en wat tuinmateriaal waren voor Patje, wist de notaris. Schoon.Vierenzeventig is eigenlijk niet zo heel oud. Een hartaderbreuk ’s nachts in zijn slaap. Ook dat is schoon. De rest van de erfenis ging naar de belastingen en een ander goed doel. Sjarel, was net als Patje, nooit getrouwd en had geen kinderen. Ze konden het altijd goed met elkaar vinden.Twee weken na de vredige begrafenis stond Sjarels huis al te koop.               Maandag drie februari stond Patje in de living aan de raam zijn Sanseveria’s water te geven, dat was negen weken geleden, toen hij een politiecombi traag zag voorbijrijden en stoppen voor het huis van Sjarel. Eigenaardig genoeg stapten er geen twee geüniformeerde politieagenten uit maar een bloedmooie, jonge vrouw en één lange politieagent. Was die vrouw ook politieagente? En wat kwamen ze hier doen?                                                                                                                             

Hubert Grimmelt
0 0

ZMMMH

            Toen ik aankwam in het afgelegen bos aan de andere kant van de wereld, regende het pijpenstelen. Toch kon je de maan en de sterren zien. Het kasteel van mijn tante bleek een roze, versleten caravan. Er stond een blauwe strandstoel voor. Daar ging ik inzitten om te bekomen. Er schreed een pretentieuze struisvogel voorbij. Ik nam het boek ‘De Naakte Waarheid’ van Jozefien dat ik meegenomen had in mijn bagage, ter hand en begon zonder taboes wat te lezen. Het vrouwenlichaam interesseert me wel. Er huppelde een tweede struisvogel voorbij. Deze laatste leek wel muzikaal getalenteerd. Hij waggelde niet zomaar voorbij zoals men dat in Australië doet. Neen, ter hoogte van mij en de strandstoel draaide hij een perfecte pirouette gevolgd door een grande-écart. “Is een homofiele, mentaal gestoorde struisvogel gevaarlijk?” vroeg ik me af.               Eergisteren was ik bij meester Luguber. Hij houdt kantoor in de Schipperskapelstraat 48 bus 2. Meester Luguber is een vervelende man en een invalide. In zijn kantoor hingen er belachelijk slechte reproducties van Mark Rothko. Hij begroette me amper. Een kort knikje en met de rechter arm, de enige arm die hij heeft, wees hij me erop dat ik mocht gaan zitten. Ik had geen flauw benul wat ik hier deed en wachtte mindful tot het gesprek zou beginnen. “Uw tante laat u haar fortuin na,” zei hij droogjes. “Welke tante?” vroeg ik met verstomming geslagen. “De ongetrouwde zus van uw moeder. Je moet contact nemen met notaris LiftSCWingliNGe in KRajaKovskiKRFTSTdstok,” antwoordde hij.               In het kantoor van meneer de notaris vloog een merkwaardig beestje, een insect. Het is moeilijk te omschrijven, maar ik doe een poging. Het hield het midden tussen een gigantische libel en een Amerikaanse bumblebee – neen, niet het Transformer hoofdpersonage uit die saaie film – maar een mottige bij. Het had een dik opgeblazen, donker geel lijfje, vier flinterdunne vleugels, drie korte pootjes en een tamelijk lang snuitje. De oogjes zaten links en rechts van dit snuitje. Het bijzondere insect zoemde: ‘Zoemmh, Zoemh, Zoemh, Zmmmh, Zoemmh, Zmmh…’ Meneer de notaris overhandigde me een envelop en een steen. Ik vroeg hem of het zoemende insect een naam had. De man antwoordde luid: ‘ZOEM’ en iets dat klonk als ‘Leve de fanfare!’ Hij stelde nog voor -als ik het goed heb begrepen- om kalfslapjes met schorseneren en stoemp te blijven eten, maar dat aanbod sloeg ik af.               In de envelop zat een cheque van 173 miljoen. Wat ik met de steen moest aanvangen wist ik niet , dus die flikkerde ik weg. “Mijn tante heeft goed geboerd”, dacht ik. Ik stonk uit mijn bek. Er wiebelde weer een struisvogel voorbij. Dit exemplaar had een trombone bij zich. Hij ging op zijn gat zitten en met zijn twee poten gaf hij een Jazz nummerke ten beste. Tof. Op de achtergrond reed meneer de notaris, luid een aangepaste versie van The Mad Gardener’s Song van Lewis Caroll zingend -het leek wel IJslands en Hebreeuws door elkaar- zijn tractor te pletter tegen een boom. Het kon hem niet veel schelen. Hij bleef rustig doorzingen. Als ik het vertaal -ja,ja, ik kan dat- klonk het ongeveer zo:   Ik dacht dat ik twee flessen wijn zag Die met elkaar stonden te praten. Ik keek opnieuw en vond dat het Een triestig kerkhof was. “Het lijkt hier wel een camping,” dacht ik. “Met al die dwaze Hollanders.”   Ik dacht dat ik Franz Kafka zag Die wat zat te schrijven. Ik keek opnieuw en vond dat het Een chocolade koekje was. “Als ik dit opeet,” zei ik “Wordt dat mijn laatste beet.”   Ik dacht dwaze gedichten te zien Die je zelf kan verzinnen. Ik keek opnieuw en vond dat het een giraffe was. “Met zo’n lange nek,” zei ik “Zie je alles over het hoofd.”               Toch even een dienstmededeling : Wel, beste lezer dit alles is geen sciencefiction of fantasy. Het zijn gewoon mooie voorbeelden van de avonturen van Hubert Grimmelt. Hij wist nog steeds niet wat te doen met de miljoenen. Misschien had hij, gezien de omstandigheden, de steen ook beter bijgehouden. Hubert zei tot slot: “Ik ga de uitdaging aan.”                        

Hubert Grimmelt
5 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 11

Kom maar binnen Op een gegeven moment, na zeker twintig keer voorbij zijn kamer te zijn gepasseerd, stond Lientje toch op het punt om op de deur van Benny’s kamer te kloppen. Net toen kwam zuster Monique de hoek om gestapt. “Wat ga je doen Lientje?”, vroeg ze vriendelijk. Lientje keek er een beetje van op. Ze was inderdaad vriendelijk. Misschien had ze die eerste keer op hun kamer gewoon een slechte dag. Dat kan. Lientje had zelf ook al eens een slechte dag. “Benny heeft nog een paar keer naar jullie gevraagd. Hij heeft toch wel genoten van jullie bezoekje. Hij praat over niets anders dan over een bezoek aan het museum. Maar ik heb geen idee wanneer hij dat gaat doen, want hij moet nog een tijdje in het ziekenhuis blijven. Was je trouwens van plan om binnen te gaan bij Benny?” “Euh, nee, ik euh..was eigenlijk, euh...” Er kwam geen eind aan haar gestamel. “Klop maar gerust aan hoor. Hij geeft je wel zo een speciale bril. Ik kwam er gisteren bijna mee binnen op de volgende kamer”, lachte ze terwijl ze verder ging. “Dag Lientje”, riep ze nog.  Ze twijfelde. Zou ze kloppen of niet? Net terwijl ze haar wijsvinger in de klopstand plaatse, klopte er plots iemand op de andere kant van de deur. Ze schrok zich rot. “Is daar iemand?” Het was duidelijk de stem van Benny. “Euh, ja, het is Tui.. euh Lientje.” “Wacht Lientje, ik verdwijn terug achter het gordijn. Dan kan jij binnenkomen.” Ze wachtte drie tellen, nog zolang het duurde om ‘Tui-me-lientje’ uit te spreken en ze klopte voor alle zekerheid opnieuw op de deur. “Oké, kom maar binnen Lientje.” Ze rolde met haar rolstoel opnieuw de donkere kamer binnen. Eerst in de wachtruimte. Ze trok de deur achter haar dicht en daarna ging het gordijn open. “Wacht, ik geef je meteen de bril, zodat je ziet wat je zegt”, lachte Benny. Lientje was benieuwd hoe Benny er in kleur zou uitzien. In de kamer van Benny was alsof je naar een oude zwart wit film op tv keek. Of een documentaire over de tweede wereldoorlog. Toen ze klein was dacht ze dat de wereld vroeger niet uit kleuren bestond. Alsof die pas later uitgevonden waren. Papa moest ermee lachen, toen ze het vertelde. “Fantasie heb je genoeg”, zei hij. “Je moet later maar een boek schrijven.”  Even dacht ze eraan om het ook aan Benny te vertellen. Maar misschien moest ze daar nog even mee wachten. “Je bent zo stil, waar denk je aan?”, vroeg hij. “Euh, over kleuren eigenlijk”, zei Lientje. “Oké, dat begrijp ik als je in deze kamer bent”, zei Benny. “Het ziet er wellicht een beetje uit alsof je in een zwart-wit film bent zeker? Al weet ik zelf niet goed wat ik me daarbij moet voorstellen. Maar dat vertellen veel mensen toch, als ze hier binnenkomen en ze die bril opzetten. Ik heb al eens naar een zwart-wit film geluisterd. Misschien weet ik dan wat ze bedoelen, dacht ik bij mezelf.” Het was best een goede grap. Ze moesten er allebei mee lachen. “Weet je”, zei Lientje, "toen ik klein was dacht ik dat de wereld vroeger niet uit kleuren bestond, omdat papa dikwijls naar oude zwart-wit films keek op tv.” Er verscheen een glimlach op het gezicht van Benny. “Dat is op zich wel goed gevonden”, zei hij. “Dat moet je onthouden. Misschien kan je het nog ooit gebruiken voor een boek.” Ze zei maar niet dat haar papa hetzelfde had geantwoord. “Maar zeg Lientje”, zei Benny. “Ik heb eigenlijk zitten denken. Misschien is die nieuwe naam toch wel leuk. Hebben jullie er nog over nagedacht?” “Euh, eigenlijk niet nee. We dachten dat je niet zo gelukkig was met het idee.” “Nee, dat is het niet”, zei hij. “Ik was totaal verrast. Zoiets komen ze je ook niet elke dag vertellen.” “Dat besefte ik achteraf ook”, antwoordde Lientje. “We hebben ons wellicht laten meeslepen door ons enthousiasme. Papa had me allerlei zaken over voornamen verteld. Over Romeinen, Chinezen en wat weet ik allemaal. Daar heb ik me wellicht door laten meeslepen. En onze Kapitein Kraak weet helemaal niet van ophouden.” “Op zich wel schitterend. Een maf idee, maar daarom niet minder geslaagd. En het bezoek aan het museum. Denk je dat het gaat lukken? Ik zie het al helemaal voor me.” Daarna wachtte hij even. Toen snapte Lientje het pas en lachte ze voorzichtig. “Zeg Lientje, je mag gerust lachen als ik zo’n mop vertel. Op de duur zie je ze trouwens wel aankomen”, grijnsde hij. "Is er trouwens nog nieuws over het bezoek aan het museum?" “Euh, eerlijk gezegd niet”, zei Lientje. “Of ik bedoel, ik weet het nog niet. Ik moet het er nog met papa over hebben. Maar papa zal wel een oplossing vinden denk ik.” Lientje besefte toen nog niet hoezeer dat klopte. Want op de achtergrond, buiten het ziekenhuis, of toch buiten hun kamers, gingen er allerlei radertjes aan het werk. Zoals een fietsketting. Je geeft een duw op de trappers en je fietst vooruit. Maar eigenlijk doen de schakels van de ketting al het werk. Benny had tegen zuster Monique iets gezegd over een bezoek aan een museum. Zuster Monique zei er iets van tegen de papa van Benny, al wist ze niet helemaal wat de bedoeling was. En zijn papa was op papa van Lientje gebotst in de cafetaria van het ziekenhuis. Blijkbaar kenden ze elkaar. Ze hadden nog ooit samen in hetzelfde jaar op school gezeten. De papa van Lientje had direct begrepen waar zijn dochter met het idee naartoe wilde. Kort van het bezoek van Lientje aan de kamer van Benny vroeg hij ernaar. Trouwens, Lientje is nog een uurtje op de kamer van Benny gebleven. Het was best gezellig. Ze voelde zich allesbehalve zoals een wesp bij een barbecue. Meer een welgekomen gast. Benny had haar nog een glas limonade uitgeschonken. Zonder te morsen, waar ze zelf zelden in slaagde. En ze hebben honderduit gebabbeld over school, muziek en kunst. Benny bleek er heel wat van te kennen. “Het is de ultieme droom”, zei hij. "Eerst de wereld door mijn eigen ogen zien. En dan de wereld zien zoals anderen die waarnemen. Dat is toch kunst, niet?” Lientje kon het alleen maar bevestigen. Al had ze er zelf nooit zo over nagedacht. Nu begreep ze waarom hij zo graag naar het museum wilde. Hij wilde zich al voorbereiden, op die ultieme droom van hem. De kunstwerken zien was nog niet mogelijk, maar door ze te voelen, kwam hij toch al een beetje in de richting. Naar hoofdstuk 12

Rudi Lavreysen
0 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 10

Een wesp op de barbecue Na het verlaten van Benny’s kamer hadden ze het er niet meer over. Rik was duidelijk ontgoocheld dat hun plannetje mislukt was. Lientje begreep Benny wel. Je kiest nooit je eigen naam. Ze had het geluk dat haar ouders er over nagedacht hadden. En ze was best tevreden was met haar naam. De afgelopen dagen had ze zich in haar bed geamuseerd met het opzoeken van de meest bizarre namen. Zoals ‘Alles’. Stel je voor dat je met een meisjesnaam als ‘Alles’ door het leven moest. Ze hoorde het de meester in de klas al zeggen. ‘Dag Alles, alles goed?” Net als een jongen die de naam ‘Adonis’ meekreeg van zijn ouders. Je kon maar best mooi zijn. Ondanks zijn ontgoocheling, zag Lientje dat Rik het plan niet volledig liet rusten. Ze had het vermoeden dat hij snel aan dokter Luc zou vragen of we iemand anders mochten bezoeken. Aan de deur van hun kamer had hij een bordje onder de foto’s gehangen. Met daarbij hun nieuwe namen: ‘Tuimelientje’ en ‘Kapitein Kraak’. Lientje zat er een beetje mee in, met wat ze Benny beloofd had. Naar het museum gaan zodat hij een schilderij zou kunnen voelen. Zodat hij het kon zien met zijn handen. Het was misschien niet het slimste idee. Zo eenvoudig was het niet. Je kan niet zomaar de deur van het ziekenhuis achter je dicht trekken in het midden van de nacht en even snel een museum bezoeken. Daarbij moest haar papa het ook nog geregeld krijgen. Dat hij ‘s nachts - want overdag verdraagden de ogen van Benny geen licht - een bende kinderen rondleidde in het museum. Daarom wilde ze het nieuwe plan ook even laten rusten. Niets forceren. Dat is nooit een goed idee in het ziekenhuis. Terwijl Rik in zijn bed lag en allerlei zaken in zijn notaboekje schreef, trok Lientje er af en toe op uit in het ziekenhuis. Wat Rik in zijn boekje schreef en daarna weer doorstreepte, vertelde hij niet. “Niets belangrijk”, zei hij als Lientje ernaar vroeg.  Sommige kamers, waarbij die van Lientje en Rik, hadden gewone muren. Maar bij de kleine kinderen kon je naar binnen kijken. Er hingen wel gordijnen, om die ‘s avonds dicht te trekken, maar overdag keek je gewoon naar binnen. Het leken wel aquariums.  Op die trektochtjes door het ziekenhuis kwam ze ook telkens langs de kamer van Benny. Op de een of andere manier werd ze door zijn kamer aangetrokken. Zoals de wespen naar het eten van de barbecue in de zomermaanden. Je kon nog zo hard zwaaien of meppen naar die wespen, ze kwamen telkens terug. Niet dat er iemand naar haar mepte, maar ergens had ze het gevoel dat Benny haar zou vragen om de kamer te verlaten. Omdat ze een ongewenste gast was. Zoals de wespen op de barbecue. Naar hoofdstuk 11

Rudi Lavreysen
0 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 9

Een nieuw plan Het bleef even stil in de kamer van Benny. Dit voorstel had hij niet verwacht. Hoe zou hij ook. Wie denkt er nu dat er twee jonge mensen in een rolstoel de donkere kamer ingerold komen om je een nieuwe naam te geven.  “Hoezo een nieuwe naam? Is er iets mis met mijn naam?”, zei hij. “Natuurlijk niet”, zei Rik, “maar we dachten dat het je misschien zou opvrolijken. Toen Lientje het ziekenhuis in kwam en ze nog altijd tegen de grond tuimelde, zei haar papa plots ‘Tuimelientje’ tegen haar. Geef toch, toch een geweldige naam. Diezelfde papa van Tuimelientje bezorgde mij ook een nieuwe naam. Ik ben niet langer Rik maar wel Kapitein Kraak.” Benny keek in hun richting. Hij zag hen natuurlijk niet, maar toch voelde het voor Rik en Lientje alsof hij hen aankeek. Tegelijk fronste hij met zijn wenkbrauwen, alsof hij met twee pannenkoeken in de kamer zat die in een psychiatrisch ziekenhuis thuis hoorden. Lientje kon het wel begrijpen. Het is niet omdat zij het een leuk idee vonden, dat andere mensen er zaten op te wachten. Een beetje kinderachtig misschien ook. Een stomme ingeving, vond Lientje plots.  Haar papa had Lientje ergens doen inzien dat haar echte naam iets bijzonders betekende. Met het verhaal over de lotus. En die nieuwe naam, Tuimelientje, klonk misschien sprookjesachtig. Meer was het niet. Wat ben je met een nieuwe naam als je blind bent. Dan heb je andere kopzorgen. “Tja, wat moet ik hierop zeggen? Jullie willen natuurlijk weten of ik dat zie zitten? Zien, snap je? Enfin. Ik ben een beetje verrast. Dit had ik niet verwacht. Euh, laat me dit zeggen. Het stond niet bovenaan mijn lijstje. Mijn ouders hebben me de naam Benny gegeven. Oké. Dat is het. Niet het slechtste, niet het beste. Maar als ik iets zou veranderen, zou het natuurlijk eerst mijn ogen zijn. Dat ik jullie kan zien. Dat ik naar televisie of naar een film kan kijken in plaats van er naar te luisteren. Dat ik een schilderij kan zien. Of er eentje kan maken. Hoe zal ik het zeggen? Zien is ook gezien worden. Weet je wel?” Lientje wist niet meteen wat hij ermee bedoelde, maar gelukkig verklaarde Benny zelf zijn woorden. “Misschien is dat wel de betekenis van mijn naam. ‘Benny. Of Ik ben er nie’. Ik voel me soms onzichtbaar. Mensen zien niet wie ik ben. Ik ben vooral dat blind zijn. Mensen zien dat ik blind ben als ik over straat loop. Met die stok en die zonnebril in het midden van de winter. Ocharme den Benny. Maar ik ben meer dan dat blind zijn.” Dokter Luc had gezegd dat ze voorzichtig moesten zijn. Dit was misschien wat hij daarmee bedoelde. Lientje besloot het over een andere boeg te gooien. Want ze had ook de echte betekenis van zijn naam opgezocht. Benny betekende zoveel als ‘zoon van het geluk’. Misschien moesten ze dat vertellen, want dan zou een andere naam niet slecht uitkomen. Maar plots viel haar een ander idee te binnen. “Zeg Benny. Je zei daarnet toch dat je graag eens een schilderij zou zien. Misschien kan ik dat wel voor je regelen.” “Hoezo dat kan je regelen?”, zei Benny nogal bars. “Ga je me naast een nieuwe naam ook nieuwe ogen geven? Heb je die ergens op je kamer liggen? Moet je gewoon een schuif opentrekken?” Lientje voelde dat de toon van hun gesprek alsmaar grimmiger werd. Het zou niet lang meer duren of hij zou de brillen afnemen en hen naar buiten schoppen. “Nee, serieus Benny”, antwoordde Lientje. “Mijn papa werkt in een museum. Hij kan geweldig vertellen over die schilderijen. Als kind mocht ik ooit voelen aan bepaalde schilderwerken. Hoe dik de verf erop lag of zo. Daar vertelde hij dan van alles bij. Wat ik nu allemaal vergeten ben”, lachte ze. “Maar op zich wel interessant. Wat denk je? Je ziet het schilderij natuurlijk niet, sorry voor de uitdrukking, maar zoals papa erover vertelt, voelt het misschien wel zo. Zal ik het hem eens vragen?” In plaats van Benny gaf Rik een antwoord. “Zeg Tuimelientje. Nu wil ik de pret niet drukken, maar hoe denk je dat te kunnen regelen? Benny mag met zijn ogen niet in het daglicht komen. Jij bent ook nog niet topfit. Ik vrees dat dokter Luc ons niet meteen een briefje gaat geven. Verlaat het ziekenhuis zonder te betalen.” Tja, daar zou Rik wel een punt kunnen hebben, dacht Lientje. Het ziekenhuis verlaten was zo goed als onmogelijk. Maar ook al had hij een punt zo scherp als een pas geslepen potlood, toch wilde Lientje het nieuwe plan doen slagen. Naar hoofdstuk 10

Rudi Lavreysen
1 1

Tuimelientje - Hoofdstuk 8

Pikdonker Terwijl Rik op de deur klopte, vond Lientje het best spannend. Wat op zich vrij onnozel was, want meer dan een bezoekje was het niet. Maar ergens had ze het gevoel dat het niet zou verlopen zoals Kapitein Haak en zij in gedachten hadden. “Binnen”, zei een stem aan de andere kant van de deur. Wat ze binnen zag, of beter wat ze niet zag, had Lientje totaal niet verwacht. Het was er pikdonker. Ze zag geen hand voor haar ogen. Zoals een donkere grot die je binnenkomt en waar je vuur moet maken om iets te zien. Ze kwamen nog niet meteen in de kamer. Eerst moesten ze langs een soort gordijn passeren. En Lientje was amper binnen of ze botste met haar rolstoel al tegen kapitein Kraak. Er was nergens een streepje licht te zien. “Wacht, ik leid jullie de weg”, zei de stem. Wellicht die van Benny. Lientje voelde dat iemand haar rolstoel verder duwde. Een korte draai en ze stond stil. Ook in de kamer was het helemaal stil. Niemand zei een woord. Het was Rik die het ijs brak. “Euh, jongens, het is hier donker.” Tja, Rik, dat hebben we allemaal gezien, dacht Lientje. Hij zei het alsof hij in de koelkast gekropen was en niet wist dat het lampje uitging als de deur dicht ging.   “Maar goed dat we je foto gezien hebben Benny, anders zouden we niet weten hoe je eruit ziet”, lachte Rik. “Jongens, ik heb het nog nooit zo donker gezien. Of gevoeld. Of hoe zeggen ze dat? Ik zie werkelijk niets. Maar dan ook niets hè.” "Ik ook niet", zei Benny. "Maar wacht. Ik ga jullie helpen." Ze hoorden hem een lade opentrekken en vervolgens zocht hij op de tast naar Lientje en Rik. Hij duwde iets in hun handen. "Zet die maar even op. Dat gaat helpen." Het waren brillen. Best een zware bril, vond Lientje.  "Wel voorzichtig, want ze zijn nog verschrikkelijk duur", zei Benny. "Onze pa heeft ze gekregen via een kennis die een hoge pief bij het leger kent. Het zijn brillen met een  ingebouwd nachtzicht. Zoals een nachtcamera. Waarmee ze 's nachts dieren filmen. Of camera's die ze aan een huis plaatsen, om het te beveiligen." Het was inderdaad net alsof ze van die nachtbeelden zagen. Zoals op tv. De kamer was nog donker, maar niet meer zwart. Meer grijs. Waar Rik zat, lichtte het op, zag Lientje. Ze zwaaide naar hem, maar hij had zijn bril nog niet op. Aan de andere kant zat Benny. Hij had geen bril op zoals die van hen. Meer een zonnebril. Hij zwaaide ook niet terug.  “Whaha hahaha”, klonk het scherp naast Lientje. Ze zag Benny schrikken. Ocharme, hij dacht wellicht dat er een meeuw in zijn kamer zat. “Wat gebeurt er?”, vroeg hij angstig. Hij zwaaide zelfs met zijn armen. Om die meeuw weg te jagen. Nu moest Lientje toch ook lachen. “Geen paniek Benny. Het is Rik maar. Hij heeft een lach uit het dierenrijk. Alle meeuwen zijn naar het schijnt stikjaloers. Als hij lacht klinkt hij als een lachmeeuw. En als hij gaapt is het net een zilvermeeuw.” “Dit is vet. Echt vet man”, zei Rik dolenthousiast. “Hè, waarom draag je zelf een andere bril? Is dat een zonnecamerabril?”  “Ik zie zowiezo niets”, zei Benny. “Met of zonder camerabril. Stekeblind is de diagnose.” “Maar waarom dan de zonnebril?”, vroeg Lientje. “Mijn ogen verdragen momenteel geen licht”, antwoordde hij. “Daarom is het in de kamer aardedonker. Ik ben pas geopereerd.” “Laat ik jullie maar meteen het hele verhaal vertellen”, ging hij verder. “Ik ben geboren met een oogziekte. Een ziekte met een verschrikkelijk moeilijke naam. Als baby zag ik een beetje, daarna minder en op de duur niets meer. Toen ik naar de kleuterklas moest, zag ik dat niet zitten. Hahaha. Snap je? Ik zag het niet zitten", herhaalde hij al lachend. "Oké, ook goed", ging hij verder. "Daarna zijn er heel wat operaties geweest. Dit moet zowat de vierduizendste zijn. De hoop is dat ik nu opnieuw het verschil tussen licht en donker kan zien. Maar ik moet eerst nog bekomen in deze donkere kamer, vooraleer mijn ogen licht kunnen verdragen. Hier ontwikkelden ze vroeger foto's denk ik." "Maar vertel eens, waar heb ik dit hoog bezoek aan te danken? Zuster Monique heeft me iets verteld, maar niet veel." "Oei, de boze zuster", zei Lientje.  "Hoezo boos?", antwoordde Benny meteen. "Hier is ze altijd vriendelijk."  "Ja, maar ze kijkt altijd zo boos", was haar antwoord. "Dat zie ik dus niet hè", zei Benny. Ze kon zich wel voor het hoofd staan. Hoe stom kan je zijn. "Voor alle duidelijkheid, ik zie geen boze gezichten", ging Benny verder. Hij stoorde zich niet aan haar opmerking. "Ik krijg misschien een andere zuster Monique te zien. Of te horen. Ze heeft een aardige stem. Zo voelt het toch aan." Lientje besloot het maar snel een ander onderwerp op tafel te gooien. Rik had hetzelfde idee. “We komen je een nieuwe naam geven Benny”, zei hij. “Dat is ons plan. Als je dat oké vindt natuurlijk.”

Rudi Lavreysen
4 1

Tuimelientje - Hoofdstuk 7

De kamer van Benny Hoe hij het alleen voor elkaar had gespeeld wist Lientje niet, maar Kapitein Kraak zat ‘s morgens kraaknet in zijn rolstoel. Nu zag ze pas dat Rik niet van de grootste was. Klein maar dapper, precies zoals zijn naam. Met zijn twee benen in het gips recht vooruit. Zo kan hij wel makkelijk de deuren openduwen, dacht ze.  Als ze het zou zeggen, zou hij het nog doen ook. Het leek wel alsof hij aan de start van een autowedstrijd stond. Nog een helm en een leren pak en het plaatje zou compleet zijn. Zijn handen zaten stevig rond zijn wielen. "Zeg, meneer de formule 1 piloot. Hou maar even een pitstop. Ik ben nog niet klaar. Geduld is precies geen sterke eigenschap van jou."  “Dat klopt”, grijnsde hij. “Dat is een kenmerk van alle formule 1 piloten. We worden daar op geselecteerd.” Lientje liet de grapjes nog even aan de startlijn vertrekkensklaar staan, terwijl ze zich opfriste en een boterham naar binnen speelde. Ze moest toch wat kracht in haar benen hebben, om bij Benny op bezoek te gaan. Alhoewel, benen. Omdat ze nog zo draaierig was als een hoelahoep, liet ik ze zich maar voor alle zekerheid toch in een rolstoel liet zakken. Klaar om samen te racen.  In die paar dagen dat Lientje ondertussen in het ziekenhuis lag, moest ze soms aan het woonzorgcentrum denken, waar haar oma verbleef. Het rook er hetzelfde en in het kinderziekenhuis werden de foto’s van de patiënten naast de deur gehangen, net als in een bejaardentehuis, zodat bezoekers meteen weten van wie de kamer is. Je moet dan niet kamer 135 ofzo moeten onthouden.  Maar weet je wat Lientje stom vond? Ze namen die foto toen ze amper een dag in een ziekenhuis was. Helemaal topfit was ze niet. Waarom kom je immers naar het ziekenhuis? Op de foto zag ze eruit alsof ik net uit het griezeligste spookhuis van de kermis kwam. Lijkbleek en klaar om in tranen uit te barsten. Misschien moest ze vragen of er een nieuwe foto genomen kon worden? Rik daarentegen zag eruit alsof hij klaar stond om in de botsauto’s op de kermis te gaan. Een grote smile en hij knipoogde zelfs op de foto.  “Hey, schoonheid, klaar om te vertrekken in onze formule 1 wagens?” Verhip, dacht Lientje, nu begon die foto zelfs te praten. Ze zaten toch niet in een Harry Potter boek? “Hallo, hier is het te doen Tuimelientje. Ik vind het fijn dat je zo naar mijn foto kijkt, maar in het echt zie ik er nog beter uit.” Toen ik ze zich omdraaide, begon hij luid te lachen. Daar was de lachmeeuw opnieuw. Onmogelijk om na te bootsen. “Omdat jij absoluut zolang in je bed moest blijven liggen, ben ik voormiddag al even langs de kamer van Benny gereden.” Hij zei het alsof hij snel naar de winkel was geweest met de auto. “Ik weet de weg. Al wie mij volgen wil, zal wreed hard moeten lopen”, begon hij plots te zingen. Lientje vond het een kunst om goedgeluimd in het ziekenhuis rond te lopen. Of in hun geval: rond te rijden. Kapitein Kraak was er een meester in. Hij moet toch ook ooit pijn hebben, aan die broze botten van hem, dacht Lientje vaak. Zoals zij ooit barstte van de hoofdpijn. Ze waren snel bij de kamer van Benny. Zeker met het tempo van de kapitein. Benny droeg op de foto aan de deur een donkere zonnebril en hij keek totaal niet naar de fotograaf. Er viel geen lach te bespeuren op zijn gezicht. “Kom prinses, in het echt is Benny ongetwijfeld veel interessanter.” Normaal gezien had zuster Monique het Benny verteld, dat ze langs zouden komen. Maar omdat ze nog steeds hun beste vriendin niet was, hadden ze geen idee op welke manier ze de boodschap doorgegeven had.  Naar hoofdstuk 8

Rudi Lavreysen
0 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 6

Nomen est omen. Of zoiets. Nog dezelfde dag, terwijl Rik bezoek had van zijn ouders, waren de mama en papa van Lientje ook op bezoek. Ze vertelde hen over het plan met de nieuwe namen. Dat ze eerst geen toelating kregen maar daarna wel. “Ik vind het geen slecht idee”, zei haar papa. “Maar je moet wel voorzichtig zijn. Namen lijken onschuldig, maar ze zijn het niet altijd. Stel je dat je iemand een naam geeft op basis van zijn of haar uiterlijk, en iedereen begint die naam te gebruiken, dan is dat heel pijnlijk voor die persoon. Dat mag je nooit doen.” Lientje vertelde maar niet dat ze dit al gedaan hadden bij zuster Monique. En dat dokter Luc er niet mee kon lachen. “Bovendien hebben echte namen hebben een betekenis. Het is zelfs zo dat je naam iets over je toekomst zegt.” Hoezo? Je toekomst? Haar papa praatte nog maar eens in raadsels. "Je naam is toch gewoon door je ouders gekozen. Toch, mama?"  "Gewoon gekozen zou ik niet meteen zeggen. Toen ik zwanger was van jou en we op zoek gingen naar een naam, kwam papa met 'Lien' op de proppen. Weet je waar die naam vandaan komt?” “Ik veronderstel dat het gewoon een naam is die jullie graag hoorden. Misschien van de een of andere beroemde Lien.” “We hoorden het graag, maar het is een naam met een betekenis”, antwoordde haar mama. “Lien is afgeleid van Lotus. Van de lotusbloem. Een redelijk mysterieuze bloem en voor sommige mensen zelfs een heilige bloem. Ze groeit in moerasachtige grond, maar de blaadjes zijn nooit vuil. In Europa komt de bloem bijna niet voor. Ons klimaat is er niet voor geschikt. Het is een bloem die zich dus zelf kan reinigen. Maar hoe ze dat doet, is nog altijd een mysterie. De bloem sluit zich bij zonsondergang en als de zon opkomt, gaat de bloem terug open. Zoals een mens.” "Daarom is het voor de boeddhisten en hindoeïsten een heilige bloem", ging haar papa verder. "Ze nemen als mens een voorbeeld aan de bloem. De lotusbloem is een wonder van de natuur. Wij wilden je een naam geven die eruit afgeleid is, omdat je ook een wonder van de natuur bent. Zoals elke mens. En nu denken we, met die stomme ziekte, dat je ook jezelf kan reinigen. Voor een stukje toch. Al klinkt dat misschien gek.” Lientje wist eigenlijk niet wie die mensen waren, de boeddhisten en de hindoeïsten, maar ze vond de uitleg wel mooi. Vertederend mooi. Haar papa had altijd van die verhalen, over andere volkeren enzo. Of over schilderijen met een betekenis. Hij bracht ze mee van zijn werk uit het museum. Maar of ze haar zelf kon reinigen, was nog maar de vraag. Ze had toch graag dat de dokter een handje zou toesteken. “De Romeinen hadden er zelfs een spreekwoord voor”, ging haar papa gewoon verder. Lap, dacht Lientje. Hij haalt er opnieuw wat onbekend volk bij. Als hij eenmaal op gang kwam, was hij niet meer te stoppen. “Nomen est omen, zeiden de Romeinen. Dat is Latijn en het betekent dat je naam je lotsbestemming is. Daarom zei ik daarnet dat je naam iets over je toekomst zegt. Persoonlijk denk ik dat er een grond van waarheid in zit. Wist je trouwens dat de naam van je nieuwe vriend ook een speciale betekenis heeft? En dan bedoel ik Rik, zijn echte naam. Niet Kapitein Kraak. Rik is afgeleid van dapper. Daarom past Kapitein Kraak trouwens prima bij hem”, lachte haar papa. “In China is het dan weer helemaal anders”, ging hij verder. Nu was er geen stoppen meer aan. Als je hem niet tegenhield ging hij heel de wereld af. “Daar geven hun ouders een voornaam die met de geschiedenis van het land te maken heeft. Heel wat jongens hebben de naam ‘Jianguo’. Dat betekent ‘stichter van de natie’. Tijdens de Olympische Spelen in China werden er veel kinderen geboren met de naam ‘Aoyun’. Dat staat voor ‘olympisch’. Het nadeel is wel dat er heel veel mensen met dezelfde naam rondlopen. Toch gek allemaal hè, wat mensen in de wereld met namen aanvangen.” “Papa, stop even, het is allemaal Chinees wat je daar vertelt”, onderbrak Lientje. Daar moesten haar mama en papa hartelijk mee lachen. Van al hetgeen dat haar papa vertelde, had Lientje vooral onthouden dat je best niet lichtzinnig te werk gaat met het geven van een nieuwe naam.  Je draagt die naam tenslotte je hele leven mee. Daarom vond ze het plan om de kinderen van het ziekenhuis een nieuwe of tweede naam te geven, plots een moeilijk plan. Maar dokter Luc vond het goed, dus waarom niet? Naar hoofdstuk 7

Rudi Lavreysen
11 1

Krakende dagen

We glijden door de dagen, bergaf, of misschien wel bergop. We lijken wezen van ons eigen leven, achtergebleven kinderen uit een gestorven relatie. We zijn nog samen, dat wel, we leven nog in hetzelfde huis en zorgen voor onze twee jongens. Ik doe de strijk, dat was afgesproken, zij de was. Vroeger vonden we elkaar nog in de wasmand, maar dat was vroeger. Toen vonden we elkaar nog in de plooien van de dagen, in de kleine stiltes tussen twee momenten, maar nu niet meer. Nu zorgt ze ervoor dat we elkaar niet vinden. En misschien doe ik hetzelfde.            Het begon zoals het altijd begint, sluipend. Als een plant die enkel lijkt te groeien wanneer je niet kijkt, die spruit op momenten van onoplettendheid. Zo ook bij ons. We konden er de vinger niet opleggen, nog steeds niet, maar we voelden het beide, dat er iets groeide, tussen ons in, wild, als woekerend wildgroei. Beide gezet in gedragingen die ons weerhielden om de verharding te verzachten. Het begon zoals het altijd begint, zonder grote gebeurtenis; in het gebeuren.             En zo gebeurde het. Laat op de avond, in de keuken, met twee glazen rode wijn die met grote teugen leeggedronken werden.            “Praat met me,” vroeg ze. “Zeg me waar je bent.”            “Wat?” Ik schonk mijn glas bij, tot net aan de rand, zodat de fles op was en zij een nieuwe zou halen.            “Zeg me waar je bent.”            “In de keuken.”            “Niet nu. Praat.”            “Ik weet het niet,” mompelde ik.            “Je weet het altijd.”            “Ja. Maar nu weet ik het niet. Weet jij het?”            “Neen. Maar jij hebt altijd je grote woorden. Spreek dan.”            “Ik ben het spreken verleerd.”            “Zo.”            “Ik kan niet antwoorden.”            “Je hebt altijd een antwoord. Waar ben je? Spreek.”            “Ik ben ergens waar jij niet bent. Waar jij niet geraakt.”            “Daar komt het.”            “Waar komt wat?”            “Je verbergen.”            “Je vraagt me te spreken.”            “Maar spreek dan eerlijk.”            “Ik spreek zo eerlijk als ik kan.”                        “Dat is niet genoeg.”            “Neen. Het is nooit genoeg.”            “Wat?”            “Niets.”            Met een grote slok dronk ze haar glas leeg. Ze stond op, liep rond de tafel naar de kelderdeur achter me en duwde de klink naar beneden. Daar stokte haar handeling. En daar, achter mijn rug, wist ik dat ze overrijpe gedachten dacht, die voelbaar in de keuken gleden.            “Hoe zijn we hier beland?”            Ik trok mijn schouders op. “Door weg te drijven.”            “Ja,” antwoordde ze en trok de deur open. “Naar waar zijn we gedreven?” Ze daalde af. En daar bleef ik achter. In de keuken, met mezelf in de reflectie van een te vol glas rode wijn.            Ik deed een poging om momenten te onderscheiden die zouden verklaren dat ik ergens was beland, dat wij, samen, ergens onbestemd waren aangekomen, maar ik kwam niet verder dan grote gebeurtenissen. De menselijke geest leek ontoereikend om in zijn geschiedenis te bladeren en meer te zien dan ezelsoren, terwijl dat wat tussenin gebeurde, de onzichtbare alinea’s, uit de analen van de herinnering slopen.            Het was het moment dat zij besloot om van job te veranderen. Of misschien was het ons tweede kind. Of was het de ruzie over het drinken. Misschien toen ik terug ging studeren. Of toen we verhuisden naar de rand. Of misschien toen we een hond namen.            Het zit in de rituelen, dacht ik, in de afgestompte regelmaat van stoot en tegenstoot, van klank en weerklank, in de eeuwige herhaling van het aangeleerde.            Zij was ongelukkig, dat kon ik zien. Ik was ongelukkig, dat zag ik ook. We waren samen ongelukkig en dat zagen we. Niettemin bleef het geheel draaien, moest het blijven draaien. Niet voor ons, en toch ook wel voor ons, maar vooral voor de kinderen, die het verdienden op te groeien in een gezond gezin. Dat zeiden we, niet tegen elkaar, maar tegen onszelf.            Ik hoorde haar de trap op kraken.            “We kunnen niet meer terug,” zei ze terwijl ze naar de besteklade liep. “Dat voel ik.”            Ze ging voor de tafel staan, zette de fles neer en probeerde de kurkentrekker op de kurk te plaatsen. Ze had het al vaak gedaan, misschien te vaak, maar het lukte haar niet.            “Geef me de fles.”            “Had je gewoon gesproken.”            “Dat hadden we beide beter.”            “Ja.”            Ik ontkurkte de fles en goot haar glas bij. Ze nam een slok, geen grote slok, neen, een kleine slok, een lange, kleine slok. En terwijl ze een lange, kleine slok nam, keek ze naar links. Dat deed ze altijd, naar links kijken. Als ze naar rechts keek, ging haar rechterwenkbrauw omhoog. Dat gebeurde niet als ze naar links keek, dan gebeurde er niets. Dan keek ze gewoon, naar links. En als ze naar links keek, werd ik kwaad. Dat was zo, als een afspraak die we lang geleden hadden gemaakt. Zij keek naar links en ik werd kwaad. Dan wist ik dat er iets zou komen waarvan we later spijt zouden hebben. Ze zou iets zeggen dat doordacht leek, maar dat, welbeschouwd, nergens meer op sloeg dan op mijn hart, en dat van haar.             “Ik weet niet of ik ooit van je heb gehouden.”             Daar was het.             “Waarom zeg je dat?”            “Omdat het zo is. Ik had beter moeten weten.”            “Wat had je beter moeten weten?”            “Dat we hier zouden belanden.”            “Waar zijn we dan beland?”            “Je weet wel. Hier.”            “Neen, ik weet het niet. Hier, hier is voor mij nog steeds samen. Wij twee, samen.”            “Lieg niet.”            “Ik lieg niet.”            “Je bedriegt jezelf. We leven al maanden, nee, jaren, naast elkaar. Wat weten we nog van elkaar? Waar vinden we elkaar nog? Waarom neem je me niet meer vast wanneer we slapen? Waarom geef je me geen kus wanneer ik thuis kom? Waarom poetsen we onze tanden niet meer samen? Waarom?”            “Omdat je niets meer zegt. Omdat je onmiddellijk naar je bureau gaat. Omdat je altijd met je gsm bezig bent. Omdat je je wegdraait wanneer ik me naar je toe draai. Omdat je de deur op slot doet wanneer je in de badkamer bent. Omdat je …”            “Je doet hetzelfde.”            “Ik probeer.”            “Alsof ik dat niet doe.”            “Wanneer?”            “Altijd.”            “Zwijg toch.”            “Ik zwijg altijd.”            “Praat dan.”            “Wat denk je dat ik doe?”            “Dit is niet praten. Dit is zwijgen met woorden.”            “Hier komt het.”            “Hier komt wat?”            “Niets.”            “Je hebt wel van me gehouden. Je houdt nog steeds van me, zoals ik nog steeds van jou houd.”            “Neen. Ik houd niet meer van je. Al lang niet meer. Dat weet ik. Dat voel ik. Je doet me niets meer. De kinderen, ja, de kinderen, die zorgen dat ik nog iets voor je voel. Je bent de vader van mijn kinderen, daarom heb je betekenis. Maar van je houden? Neen. Dat weet ik al lang.”            “Toch wel. Je houd wel nog van mij, zoals ik nog steeds van jou houd. Ik houd nog van je.”            “Dan ben je alleen. Zielig.”            “Wat zeg je toch allemaal?”            “Ik zeg waar het op staat. Het heeft lang genoeg geduurd.”            “Goed. Dan stopt het hier, dan glijden we vanaf hier ongeleid naar nergens, alleen.”            “Stop toch. Stop toch het lelijke te verbergen achter woorden die nergens op slaan. Stop toch gewoon. Leugenaar.”            “Zwijg.”            “Ik zal zwijgen, in de badkamer, met de deur op slot.”            “Je doet belachelijk.”            “Dat doen we allebei.”            “Stop dan.”            “Goed. Ik zal stoppen.”            En ze stopte.            Ze dronk van haar glas en keek naar rechts, haar giftige rechts. De rechts waarmee ze keek wanneer ze klaar was, alsof ze recht in een groots besluit keek, daar ergens rechts. Ik volgde haar blik, naar rechts, mijn links, maar zag geen grootse dingen, enkel volle wasmanden met ongestreken was.             En zo gebeurde het. We glijden door de dagen, bergaf, of misschien wel bergop. Van die dagen die je bij elke stap hoort kraken, waarvan je hoopt dat ze niet zullen breken. Je staat in zo’n dagen stil, geruisloos stil, zo stil dat je niet zeker weet of je nog in de dagen staat. Maar toch zie je hoe je geruisloze stilte de dagen breekt. Alsof je bestaan, je geruisloze bestaan, voldoende is om de dagen te breken.            Die avond, in de keuken, met twee glazen rode wijn die met grote teugen leeggedronken werden, mondde het leven uit in een gebeurtenis, als de slotsom die het begin en het einde met elkaar verbond.            Nu leven we verder, in het nawoord van onze geschiedenis, voorbij het kantelpunt, waar niemand later over spreekt, omdat het leven daar gewoon terug gebeurt.

Kevin De Pelsmaker
2 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 5

Goedgekeurd En gelijk had hij. Dokter Luc uitte eerst hetzelfde bezwaar als zuster Cruella. Haar echte naam was trouwens Monique, zo vertelde de dokter. Rik had in zijn enthousiasme verteld dat ‘zuster Cruella’ het plan had afgewezen. Echt lachen kon hij daar niet mee. Maar hij luisterde wel geduldig naar het idee van Rik. “Hm, een nieuwe naam voor de zieke kinderen, zodat ze zich beter voelen. Op zich geen slecht idee Rik. Niemand wil hier echt zijn. Met een nieuwe naam of een sprookjesnaam kunnen ze hun gedachten wat verzetten. Wat ik er goed aan vind is dat jullie met de andere kinderen babbelen. Vraag de andere kinderen bijvoorbeeld wie en wat ze leuk vinden. Waarom ze hier zijn. Praten helpt altijd.” “Maar je mag in geen geval een naam gebruiken die op de een of andere manier beledigend is. Wat ik daarnet hoorde van zuster Monique, kan echt niet door de beugel.” “En als de kinderen het liever niet hebben, die bijnaam of nieuwe naam, moet je niet aandringen. Ik stel voor dat jullie bij Benny beginnen. Hij zou dit wel eens kunnen gebruiken. Waarom dat zo is? Dat merk je zelf, als je bij hem bent. Maar wel voorzichtig op zijn kamer. Het is een iets andere kamer dan de andere kamers”, sprak hij mysterieus. “Trouwens, niet meer dan één kamerbezoek per dag, want er is ook nog zoiets als school.” Tijdens hun verblijf in het ziekenhuis moesten ze niet naar hun eigen school, maar drie keer per week kwam er een juf of meester op bezoek. Er was een klein klaslokaal ingericht, waar de kinderen die zich goed voelden, aan het werk konden. “Wanneer bezoeken we Benny?”, vroeg Rik, toen dokter Luc de deur uit was. Hij had duidelijk zin om er meteen aan te beginnen. Zeker nu het een ‘speciale’ kamer was volgens dokter Luc.  “Wat denk je van morgen, beste Kapitein Kraak? Dan probeer ik vandaag nog wat te lezen en te rusten. Goed voor jou?”, zei Lientje. Het was een beetje met tegenzin. Maar hij stemde toe. De dag erna zouden ze Benny bezoeken. Die ze totaal niet kenden. Net zomin als ze wisten waarom hij in het ziekenhuis lag. Naar hoofdstuk 6  

Rudi Lavreysen
3 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 4

Het idee van Kapitein Kraak Zijn idee kwam er op neer dat ze alle kinderen in het ziekenhuis een nieuwe naam zouden geven. Zodat ze er net als Lientje en Rik een goed gevoel aan over zouden houden. Het gevoel van een prinses te zijn, of een sterke kapitein, die je niet kan kraken. Hij had het plan die nacht bedacht.  Maar waar hij niet aan gedacht had, was dat ze ook het aan hun ouders of aan de dokter moesten vragen. Sommige kinderen zaten misschien niet te wachten op een nieuwe naam.  Terwij Lientje er nog over nadacht, zag ze de deur van hun kamer open gaan. Een stel verpleegstersbenen stapte hun kamer binnen. Maar het waren niet die van zuster Ann. Deze hadden ze nog niet gezien. Het hoofd dat erbij hoorde ook niet. Een hoofd dat duidelijk niet op de lachstand stond. Ze zei niets, maar keek alleen maar op het klembord dat ze bij zich had. Lientje vond dat ze een beetje op Cruella uit 101 Dalmatiërs leek, maar dan in een verpleegster uniform.  Nee, hier moest Rik zijn plan maar niet aan voorleggen. “Zeg zuster, wij hebben een geweldig plan”, zei Rik. Lientje sloeg haar linkerhand voor haar ogen en schudde met haar hoofd. Nee, Rik, waarom zeg je dat nu. Ze geloofde haar oren niet. “Wat denkt u ervan als we alle kinderen in het ziekenhuis een nieuwe naam geven? Wij zijn alvast begonnen. Ik ben bijvoorbeeld Kapitein Kraak en dat is Tuimelientje.”  De nieuwe verpleegster keek naar Lientje. Ze zag de verpleegster bijna denken: “Ocharme, dat meisje heeft ze net als de jongen niet allemaal op een rijtje. Daarom natuurlijk dat ze samen op een kamer liggen.” “Er krijgt hier niemand een nieuwe naam en jullie gaan nergens naartoe. Jullie zeggen wat jullie willen tegen elkaar, maar de andere kinderen laat je gerust. En jullie zouden beter zelf ook wat rusten. Zeker…” Hierbij moest ze op het papier van het klembord kijken. “Zeker Lien niet. Zij gaat nergens naartoe. En zelf ben je ook niet meteen de meeste mobiele persoon in het ziekenhuis. Jij moet ook het bed houden…” Weeral keek ze op het klembord. “Rik. Dadelijk komt dokter Luc om jullie even te onderzoeken. Hebben jullie voor de rest nog iets nodig?” “Is zuster Ann er vandaag niet?”, durfde Lientje te vragen. “Nee en morgen ook niet. Net als overmorgen. Zuster Ann ligt er een tijdje uit. Duidelijk? Oké, blijven liggen nu. TV kijken mag, lezen ook. Lien mag zeker geen videospelletjes spelen. Dat is niet goed voor haar hoofd. En nu rusten.” Videospelletjes? Lientje speel helemaal niet graag videospelletjes. Stond dat ook op haar papier? Ze deed Lientje nu nog meer aan Cruella uit 101 Dalmatiërs denken. Ken je die scène uit de film, waarbij één van de honden in de schouw van de open haard kruipt als Cruella arriveert? Lientje zou de volgende keer ook onder haar bed willen duiken, als ze de nieuwe verpleegster hoorde aankomen. “Zeg slimme. Moest je nu echt tegen zuster Cruella je plannetje vertellen? Dat zag je nu toch ook, dat het geen gemakkelijke tante is.”  “Zuster Cruella. Hahaha haha haha haha”, lachtte Rik. Met van die korte lachjes. Nu klonk hij opnieuw zoals een meeuw. Maar dan een lachmeeuw. Mocht je je afvragen waarom Lientje zo vertrouwd was met het geluid van meeuwen, het antwoord is eenvoudig. Ze had vorig schooljaar een spreekbeurt gegeven over meeuwen. En ze had vooraf allerlei geluidjes verzameld een meegebracht naar de klas. Want geen enkele meeuw klinkt hetzelfde. Een lachmeeuw maakt een ander geluid dan een zilvermeeuw, die we op het strand zien. Of Of een prairiemeeuw klinkt weer anders. Er zijn ontzettend veel soorten meeuwen. Ze had de leerlingen van de klas het geluid van enkele meeuwen laten nabootsen. Het was toen wel rumoerig in de klas, maar ze had goede punten gekregen van de juf. Voor interactiviteit. ‘Omdat je de andere leerlingen bij je spreekbeurt betrekt’, had de juf uitgelegd. Rik deed het perfect na. Zonder dat hij het wellicht zelf besefte. “Zeg, jij bent ook goed in het verzinnen van namen", zei Rik. "Och, maak je maar geen zorgen. We vragen het wel aan dokter Luc. Komt allemaal dik in orde.” Naar hoofdstuk 5  

Rudi Lavreysen
0 0

Lengtes vijf

Ja, ik weet het, gast. Ze is groter dan mij en wat dan nog? En ook zonder haar hakken aan, zal ze nog altijd wel minstens vijf centimeter groter zijn. Ik ben klein. Altijd al geweest. Kleinste van de klas. Kleinste van de voetbalploeg. Een meter zestig. Dwergje, zei ons mama altijd. Liefkozend natuurlijk. Ik was haar klein braaf dwergje. En ik was schattig. Dwergje had altijd aantrek van de meisjes in de beenhouwerij. ‘Wil hij misschien een vleesje? Of een snoepje?’ En later aantrek van de prinsesjes. Zeker wanneer ze ontdekten dat ik onder mijn boxershort tot de verbeelding sprekende lengtes kon laten bewonderen. Ik denk dat ze het tegen elkaar verder vertelden. Het ging wel heel vlot, moet ik zeggen. Zo vlot dat ik er voor mijzelf met plezier een spel van maakte. Dat spel heette Dwergje en de zeven prinsesjes. Ik daagde mezelf uit om achter elkaar zeven schone meisjes in mijn bed te krijgen waarvan de voornaam begon met de eerste zeven letters uit het alfabet. Ik heb er ook veel gehad waarvan ik de voornaam niet eens wist. Dat zijn dan de vriendinnen van een nacht. Maar Debbie was mijn eerste lief. Haar zal ik nooit vergeten. Ik heb maar twee keer met haar gevrijd in een tent aan de zee. Het was er koud en het was snel gedaan tussen haar en mij. En dan was er nog Chantal, mijn Frans lief voor een half jaar. Ik leerde haar kennen in een discotheek in Gent maar veel herinner ik me er niet meer van. We zaten ook heel veel aan de wiet in die tijd. En dan trouwde ik ineens met Britt. Ja, Britt, ze is een deel van mezelf en een deel van het meubilair geworden. En daarom ga ik ook wel eens graag naar het schipperskwartier voor een uurtje plezier met Axelle uit Bulgarije of Chokowakije. Ik weet eigenlijk niet echt juist van waar dat ze komt, gast. Maar die geblondeerde del brengt mij elke keer wel in de zevende hemel, moet ik zeggen. En ik heb er serieus mijn twijfels over of die Axelle in het echt wel Axelle heet. Die grietjes van de Verversrui hebben toch allemaal een artiestennaam, niet? En stelt nu dat die eigenlijk in het echt Tatiana of Vanessa heet dan moet ik die voor mijn spelletje ineens laten vallen. Ik zou het haar nog eens vriendelijk moeten vragen hoe haar echte naam is als ik er nog eens kom.

Peter Mmm Verreth
4 0