Lezen

De knuffels van meneer Wan

1. Als je je ooit hebt afgevraagd hoe het is om in een winkel te wonen, dan zou je het aan de knuffels van meneer Wan moeten vragen. Of aan meneer Teddy, de winkelkat. Die blijft ook elke nacht slapen, samen met de knuffels. Misschien heb je er wel ooit van gehoord. Tenminste, als je van knuffels houdt. Het is de grootste knuffelwinkel ter wereld en hij ligt in de grote stad. Dat is tweemaal ‘groot’, maar wat knuffeldieren zo groot maakt, is dat ze grootse dingen kunnen doen. 2. Misschien moeten we eerst meneer Wan voorstellen. Na het einde van de oorlog in een ver land, waar nog een echte jungle was, ging hij in de grote stad van een ander land wonen.  Daar wonen veel mensen en die had meneer Wan nodig na de oorlog. Wellicht is hij daarom een knuffelwinkel begonnen. 3. De winkelbel is nog een echte bel.  Meneer Wan staat in het werkplaats waar hij de knuffels maakt, maar de winkelbel hoor je van ver. Charlotte komt met haar oma de winkel binnen. Voor Charlotte is het de eerste keer dat ze er komt, voor oma niet. Met elk van haar kinderen en kleinkinderen is ze met de trein naar de grote stad gereisd om een bezoekje te brengen aan de winkel van meneer Wan. Daar mogen ze een knuffel uitkiezen.  Dit heeft Charlotte nog nooit gezien. Zoveel knuffels. 4. “Dag Marlene”, zegt meneer Wan. “Ben je terug?” “Ja. Maar niet voor het laatst. Tenminste, dat denk ik toch niet”, lacht ze.  “Dit is Charlotte”, gaat oma verder. “Mijn vierde kleindochter. De volgende wordt een jongen.” “Dat zei je vorige keer ook”, lacht meneer Wan. “Maar ik veronderstel dat Charlotte een knuffel mag uitkiezen?” Charlotte knikt met haar hoofd. “Ja”, fluistert ze, maar het is bijna niet te verstaan. Zo stilletjes zegt ze het. 5. “Dan zal ik je even een paar mooie exemplaren laten zien. Is het goed dat ik knuffels van dieren toon? Soms zijn ze veel slimmer dan mensen.” Charlotte denkt dat meneer Wan iets over de oorlog gaat vertellen. Oma heeft haar al verteld dat meneer Wan de winkel is begonnen toen hij uit de oorlog kwam. Gelukkig was hij niet gewond, want dat gebeurt ooit in een oorlog, als je aangevallen wordt. Als die dieren meneer Wan in de oorlog hebben geholpen, zullen ze Charlotte ook zeker beschermen. Oma heeft nog verteld dat meneer Wan een van de slimste mensen is die ze ooit heeft gezien. 6.  “Dit is bijvoorbeeld een kameleon”, zegt meneer Wan. “Weet je dat die van kleur kunnen veranderen? Wij deden dat ook. Dan verfden we bijvoorbeeld onze gezichten groen, zodat de vijand ons niet zag in het bos.” “Het leuke is dat je dat ook thuis kan doen bij het spelen. Maar dat moet je wel eerst aan je oma of aan je mama vragen. En best geen gewone verf gebruiken, waarmee je de muren verft”, lacht hij. 7.  “En dit is een wilde hond. Wij huilden in het bos ooit zoals een wilde hond. Om de vijand af te schrikken. Zullen we het samen even proberen?” “Whou whouuuu”, roepen ze samen. Ook oma doet mee.  “En een gewone hond?”, vraagt Charlotte, terwijl ze een knuffelhond vastneemt. “Kan die ook iets bijzonder?” “Gewone honden zoals wij die kennen zitten niet in het oerwoud. Maar een hond is wel heel trouw. En dat heb je in de oorlog ook nodig. Vrienden op wie je kan vertrouwen. Een goede vriend is daar misschien wel het allerbelangrijkste.” 9.  “Van een slang weet je ongetwijfeld wat die kan”, zegt meneer Wan. “Die kan heel goed sluipen. Dat moet je in een oorlog ook goed kunnen. ‘Goed laag blijven’, zei de commandant altijd. Probeer zelf maar even te sluipen zoals een slang.” Oma doet niet mee, maar Charlotte sluipt door de winkel als een echte slang. “Ja, jij kan dat ook”, zegt meneer Wan tegen Teddy de winkelkat, die ook door de winkel sluipt. 10. Samen bekijken ze nog heel wat knuffeldieren. Telkens heeft meneer Wan een bijzonder verhaal over het dier.  “Weet je al wie je gaat kiezen?”, vraag oma.  Meneer Wan ziet dat Charlotte twijfelt. “Neem je tijd maar”, zegt meneer Wan. “Want een echte knuffel is zoals een vriend. Die blijft je altijd trouw. Enkel jij ziet wat er bijzonder aan is. Mijn beste vriend heb ik ook leren kennen in de oorlog”, zegt meneer Wan. “We hebben samen veel meegemaakt. Dat zorgt voor een speciale band.” “Maar het is nog beter als je geen oorlog meemaakt, want veel goeds is daar nog nooit uit voortgekomen. Al dat vechten, bah. Je kan beter knuffelen”, lacht hij. 11.  Charlotte kijkt naar alle knuffels in de winkel. Plots ziet ze een tijger. Die lijkt wel te bewegen. “Die tijger daar”, zegt ze.  “Ah ja”, zegt meneer Wan. “Onze tijger. Normaal valt die niet op, want daarvoor dienen zijn strepen. Hij kan zich goed verbergen. Het is wel heel bijzonder dat jij hem ziet.” Teddy de winkelkat komt ook even kijken. Hij denkt dat het over hem gaat. Want katten zijn familie van tijgers. Meneer Wan neemt Teddy in zijn armen. “Een tijger is best een gevaarlijk dier. Maar weet je wat er zo bijzonder aan is? Als hij niet aangevallen wordt, doet een tijger niets. Op dat gebied lijkt hij op een mens.” 13. Terug in de trein denkt Charlotte nog een hele tijd aan de verhalen die meneer Wan vertelde. Over de oorlog, de dieren en zijn beste vriend. Plots bedenkt Charlotte dat ze te vergeten te vragen is wat de naam van zijn beste vriend is en hoe het met hem gaat. Sommige vragen komen altijd te laat. En dan, zomaar uit het niets, schiet haar nog iets te binnen. Zoals er iemand op de deur klopt, maar je weet niet meteen wie voor de deur staat. Maar even later wel. Charlotte beseft dat ze met oma nog iets moet doen, en een paar seconden later weet ze ook wat. 14. “Oma, we moeten nog een naam bedenken voor tijger.” “Goed idee Charlotte”, zegt oma. Charlotte kijkt uit het raam naar het voorbijvliegende landschap en ze denkt na. “Zou meneer Wan het erg vinden als we tijger naar hem vernoemen?”, zegt ze na een twintigtal minuten. “Nee”, lacht oma, “dat vind hij zeker niet erg.” Zo ging tijger voortaan door het leven als meneer Wan. Hij is trouwens niet de eerste knuffel met die naam, dat kan je wel denken.  Misschien heb je er wel ooit van gehoord.  (einde)

Rudi Lavreysen
0 0

GSM

Het was coronatijd. 'Blijf in je kot'-tijd. Dus dat deed ik. Maar op regendagen maakte ik er net zo lief 'blijf in je bed'-tijd van.    Filmpje streamen via gsm op tv? Geen probleem. Foto's uit de galerij casten? Piece of cake. Maar na de zoveelste film of serie begon het plafond op me af te komen. De verveling sloeg onbarmhartig toe. Wat doe je in hemelsnaam in zo'n tijden? Ik lag in bed, met die verveling als enige bedgenote. En aangezien zij niet tot mijn officiële bubbel behoorde, gold de onverbiddelijke regel: blijf aan jouw kant!   "Hou je van Scrabble?" kwam plots in een bericht. Tja, eigenlijk wel. "Download dan Wordfeud. Kies een nickname."   Zo gezegd, zo gedaan. Het zoeken naar "user Ellen1234" had wat meer voeten in de aarde maar uiteindelijk vond ik haar. Toch knaagde de twijfel: hoe wist ik zeker dat zij het was?  "Stuur mij een foto op WhatsApp," typte ik. Hopla. Daar was ze. Geen twijfel mogelijk. Ik herkende haar meteen aan die ene, charmant ontbrekende tand. Let's play.   Ik verloor kansloos. Zij was level 4, ik pas level 1. Nog een spel? Maar deze keer wilde ik de inzet verhogen. "We spelen voor een prijs," stelde ik voor. "Je laat me een borst zien als ik win." De stilte die volgde was hoorbaar. "Oh, sorry," reageerde ze even later. "Mijn broer belt mij, tot straks."   Hopla. Daar lag ik dan weer. Een halve dag. De hele dag. De hele avond. De lange, stille nacht.    Maar ik zat niet stil. Ik oefende stiekem tegen de computer, met twee gsm's tegelijk om het systeem te kraken. De volgende ochtend hield ik het niet meer van de spanning.    "Nog een spelletje? Ik lig nog in bed,"" stuurde ik.    Pas na een klein half uurtje klonk er een verlossende ting.    "Ben net wakker. Had wat ingenomen, kon de slaap niet vatten. Goed, één spelletje voor mijn ontbijt."   Ik zette alles op alles. Mijn stiekeme oefensessies wierpen hun vruchten af: ik won. Mijn vingers vlogen over het scherm. "Waar blijft mijn prijs?" Het bleef ijzig stil .   Ik gaf het op, stond op en maakte mijn eigen ontbijt. Ik ruimde wat en praatte over het terras heen met de buurvrouw om de tijd te doden. En toen, plots: ting.    Mijn prijs verscheen op het scherm. Ademloos keek ik ernaar. "Even kijken, dan deleten, hè?" had ze erbij gezet. Ik keek maar ik delete niet.  Nee, dat deed ik niet.   De adrenaline gierde door mijn lijf. "Nog een spelletje?" vroeg ik meteen. "Vandaag niet," antwoordde ze en de speelse sfeer sloeg in één klap om. "Ik moet naar het ziekenhuis. Mammografie. En daarna bij mijn broer in Hamme." De realiteit sneed plotseling rauw door onze digitale bubble.  "Morgen?" vroeg ik voorzichtig "Ja." typte ze. Dan win jij wist ik.   De volgende ochtend bleef het lang stil. De Wordfeud-app gaf geen teken. Ik scrolde door mijn letters, legde een paar proefwoorden neer op het digitale bord, maar drukte niet op 'speel'.    Het voelde ongepast om haar op te jagen. De onbezorgde spanning van de dagen ervoor was even bevroren Rond de middag trilde de telefoon eindelijk. Geen Wordfeud-melding, maar een bericht.    "Terug thuis. Alles oké. Geen kalkspatjes of rare knobbels te zien."   Ik voelde de spanning uit mijn eigen schouders wegvloeien. Pas nu merkte ik hoe krampachtig ik die telefoon had vastgehouden. Ik typte meteen terug.   "Gelukkig maar. Ongelooflijk blij voor jou."   Een paar minuten later verscheen de vertrouwde melding op mijn scherm: Ellen1234 heeft een woord gelegd. Ze had 'VRIJ' neergelegd. Een driedubbele woordwaarde. Ze stond meteen weer mijlenver voor.   Onderaan het scherm, in de chatfunctie, verscheen een nieuw berichtje: "Zie je wel, vandaag win ik. Dus wat staat er in die virtuele prijzenkast van jou?"   Ik keek naar mijn letters, en toen naar haar chatbericht. De speelse, ondeugende sfeer van de dagen ervoor was weer helemaal terug, maar er zat nu een gouden randje aan.    

Hugoleo
9 0

Artemis & Orion

Het laatste daglicht verdween uit haar haren. Een frisse bries streelde haar wakker. Door haar halfopen ogen zag ze de maan boven de heuvel uitkomen. Het zilveren licht verspreidde zich over de vallei en bereikte haar nest van zacht, sappig mos, zorgvuldig gevlochten takken en uitgekozen veertjes. Ze ontwaakte in de schaduw van haar dichte woud. Nog even duwde ze zich dieper in het mos. Haar blik bleef bij de maan hangen. Haar maan. Vanavond was ze niet vol. Ze was gekrompen tot een stralende sikkel. Artemis glimlachte zacht. Net genoeg licht viel over de donkere hemel om ook het verborgen deel van de maan zichtbaar te maken. Het stuk waar niemand op lette. Het stuk dat zij zelf het liefst verhuld hield. Ze stond op en baadde in het asgrauwe licht. Ze liet het over haar huid stromen, over haar zachte borsten, langs haar vermoeide armen, naar de warmte onder haar navel. Ze leidde het naar binnen, alsof ze de maan zelf in zich wilde bewaren. Daarna keek ze naar de donkere zijde, die ze koesterde als een zeldzame zwarte parel. Artemis voelde hoe het natte mos aan haar voeten zoog. Ze maakte haar blik los van de hemel en zocht haar boog. Haar vingers gleden over de pees. Ze trilden niet. Maar diep in haar borst rolden wilde golven af en aan. Haar geest daverde, terwijl haar lichaam er roerloos onder bleef. In het schijnsel van de maan tekende het pad naar de open plek zich af. Orion. Haar jager. Hij wachtte. Vanavond nam ze slechts één pijl mee. Al weken kon ze zich niet meer aan haar jacht overgeven. Elke pijl die ze afvuurde, vond haar prooi, maar drong nooit echt door. Nochtans was haar grip rond de boog sterk, en haar blik trefzeker. Ze verwondde slechts. En elke wonde die zij maakte, leek zich ook in haar eigen ziel af te tekenen. Ze speurde opnieuw de hemel af, op zoek naar het donkere deel van de maan. Hij was degene die het in haar had aangeraakt. Hij had iets in haar gezien wat zijzelf zorgvuldig verborgen hield. Hij raakte aan haar mysterie, en sinds hij dat had gedaan, voelde haar ongenaakbaarheid niet langer als kracht. Waar zijn blik haar raakte, leek haar huid te gloeien. Het zilver in haar werd vloeibaar en zakte langzaam naar een brandpunt diep onder haar navel. Meer dan eens had ze haar boog in het mos willen werpen en haar vingers daarheen willen brengen. Maar ze had een eed afgelegd. Ze omklemde de boog steviger. Hij stond al op haar te wachten. Zijn eigen boog lag naast hem in het gras. De pijl lag ernaast, onaangeroerd. Ze stapte op hem af. Hij nam haar vast en kuste haar. In één beweging brak iets open wat eeuwenlang gesloten was gebleven. Een honger die ze niet kende, of misschien veel te goed kende, trok door haar heen. Haar handen sloten zich om zijn hals. Ze hield zich aan hem vast alsof ze daarmee haar voeten op de aarde kon houden. Ze wilde niet langer een hemellichaam zijn. Het maanlicht leek om hen heen te pulseren. Haar onaantastbaarheid gleed van haar af. Hij maakte haar boog los. Ze verzette zich niet, ze stak hem haar laatste pijl toe. De pijl die hem had moeten raken. Ze wandelde enkele passen terug, draaide zich om en keek hem strak aan. Geen van beiden bewoog. Toen trok hij de pees van haar boog strak. Ze voelde hem niet binnendringen. Alleen de slag, diep in haar kolkende kern. De pijl drong niet door, zelfs al had hij haar vol geraakt. Ze wankelde niet. En toen begreep ze het: zij was hem geworden, en hij haar. Orion kwam naar haar toe. Hij nam haar vast en legde zijn hand op haar onderbuik, precies daar waar de warmte al die tijd had gewacht. ‘Orion,’ fluisterde ze, bijna zonder stem, ‘heb ik je dan eindelijk gevonden?’ Hij bracht zijn gezicht naar het hare en kuste haar opnieuw. Dit keer ontloken haar lippen in warmte. Haar adem stokte. Hij trok zich terug en in zijn ogen zag ze iets veranderen. De wonde die hij haar had toegebracht, had ook hem bereikt. Iets wat hij zo lang had verborgen gehouden, kwam naar boven en liet zich niet meer terugduwen. Ze maakte zich van hem los en voor het eerst zagen ze elkaar naakt. Er nestelde zich een broze warmte in hun lichamen. Ze keek naar de pijl die tussen hen in lag en liet haar blik omhoog glijden naar de maan, naar het donkere deel dat zich niet langer verborg. Voor het eerst wist ze niet meer wie van hen beiden de jager was.   

Jolien Van de Velde
250 0

Septembermensen

Stel u voor: Freddie Mercury, Agatha Christie, Sophia Loren, Leonard Cohen, Roald Dahl, Karl Lagerfeld, Tolstoj en ik zitten samen aan tafel. Freddie zorgt voor ambiance. Agatha onthoudt wie er van welk glas gedronken heeft. Sophia hoeft alleen maar te zitten. Leonard filosofeert over schoonheid. Karl zet zijn zonnebril op en Tolstoj is nog bezig aan zijn antwoord op de vraag hoe het gaat. Ik zit naast Roald Dahl. Dat heb ik zo geregeld. Het is mijn column en hij is mijn idool. Ik hoor u al mompelen: waarom dat zootje bij elkaar? Dat is duidelijk: het zijn septembermensen. Allemaal. Wat zijn septembermensen en wat drijft hen? Tijd voor een grondig, geheel onafhankelijk onderzoek. Onder leiding van mezelf. Ik ben er zeker van dat gij er ook minstens één kent: Ge ging maar een halfuur blijven. Twee uur later zit ge er nog, weet die mens iets wat ge eigenlijk niet ging vertellen en ligt er thuis iets in de diepvries dat al lang in de oven had gemoeten. Uw jas hebt ge ondertussen uitgedaan. Zo iemand. Volgens mij hebben die mensen iets meegekregen van hun maand. September is de maand waarin zomer en herfst elkaar de hand geven en dan nog even blijven staan praten. Ze hebben geen haast. De ene heeft nog van alles te vertellen, de andere moet zijn jas nog niet uitdoen. Er wordt nog gezwommen, maar het bos wordt alweer herontdekt. Aan de achterdeur staan slippers naast bergschoenen. Ge vertrekt met blote benen en een pull over uw arm, die ge overdag overal laat liggen en ’s avonds dankbaar over uw hoofd trekt.  Het licht wordt zachter. Het strijkt langs gevels, blijft hangen in kruinen en valt schuin over een tafel waaraan ge eigenlijk allang had moeten opruimen. Zelfs de kruimels liggen daar schoon. De zon moet niet meer bewijzen dat ze de hele wereld kan platleggen. Ze verwarmt uw knieën, uw gezicht, dat stukje nek boven uw kraag.  En dan die geur. Die rijpe, zwoele geur van september, alsof de wereld zelf op zijn zondags is. Gewassen, maar nog warm van het slapen. Ergens hangt was buiten, ergens staat een raam open waaruit de geur van gestoofde appels komt. Onder de bomen ligt fruit in het gras. Sommige appels zijn opengebarsten, wespen zitten met hun hele lijf in het zoet. Ge ruikt aarde, vochtige bladeren, warm gras en iets dat bijna te rijp is. Een geur waar ge trager van gaat lopen, zonder goed te weten waarom. De natuur is hoogzwanger. Alles hangt, zwelt en weegt. Takken buigen onder hun appels, pompoenen liggen breeduit in de moestuin alsof ze daar betaald worden per ingenomen vierkante meter. Ge kunt nauwelijks ergens op bezoek gaan of er moet iets mee naar huis. Courgettes, peren, een zak appels. "Neemt nog wat. Echt, wij krijgen dat niet op." In keukens staat confituur te pruttelen en op aanrechten wachten potten waarvan de etiketten niet helemaal zijn losgekomen. Daar gaat straks de zomer in. Ondertussen geeft september orde. Na twee maanden waarin ‘we zien wel’ een volwaardige dagindeling was, kopen we een schrift. Een agenda. Een balpen die schoon schrijft. We gaan weer koken, op tijd slapen en mails beantwoorden voordat de afzender vraagt of we zijn vorige mail goed ontvangen hebben. Buiten barst alles uit zijn voegen, binnen steken wij papieren in mapjes. Dat vind ik schoon aan september: dat ge nog gulzig aan het leven kunt zitten en tegelijk denkt dat ge het dit jaar misschien eens georganiseerd krijgt. Misschien zit het daarin, bij die septembermensen. Dat ze weten hoe fijn het is als er nog iets bij kan. Nog een uur buiten. Nog iemand aan tafel. Nog een verhaal terwijl de koffie eigenlijk al op is. Ze schuiven wel wat op. Er is genoeg. Dat ik zelf op zestien september geboren ben, maakt mij uiteraard bijzonder geschikt om dat allemaal vast te stellen. Ik zeg ook nergens dat ik al die kwaliteiten voortdurend ter beschikking heb. Er zijn openingsuren. Bovendien heb ik mijn onderzoek uitgebreid naar mensen van wie ik wél weet of ze na het feest de stoelen helpen stapelen. Mijn lievelingschiroleiders: in elke generatie is er zeker één. September. Van die mensen aan wie ge een bende kinderen toevertrouwt en denkt: dat komt goed. Er gaat misschien een schoen verloren, maar iedereen zal mee zijn. Mijn favoriete vriendin? September. Mijn lievelingsverkoopster van jeansbroeken? Ook september. Onderschat dat laatste niet. Iemand aan wie ge uw achterwerk onder tl-licht toevertrouwt, staat behoorlijk hoog in de hiërarchie van de liefde. Mijn schrijfjuf? Ja hoor. Zij ook.  Dat ik uitsluitend mensen heb geselecteerd die ik graag zie, lijkt me geen bezwaar. Ge moet ergens beginnen. In Touché hoorde ik Guido Belcanto zeggen: ‘De twee belangrijkste dagen in je leven zijn de dag dat je geboren wordt en de dag dat je te weten komt waarom.’ Misschien weten andere mensen dat tweede soms eerder dan gijzelf. Die Chiroleider is allang vergeten wat hij voor dat ene kind gedaan heeft. Dat kind weet het nog. Mijn vriendin neemt haar telefoon op. Voor haar is dat gewoon haar telefoon opnemen. Voor mij kan het precies zijn wat die dag nog nodig had. Ik zie die septembermensen zo graag. Ge komt thuis en iets zit wat losser. Ge hebt uzelf horen lachen. Op het aanrecht zet ge een pot confituur die ge bij het vertrekken in uw handen geduwd kreeg. Er zijn ongetwijfeld ook fantastische mensen uit andere maanden. Die mogen mij altijd overtuigen. Ik wil daar gerust eens een halfuurtje voor langskomen.

Katrien Daniels
39 5

Slecht in overgangen

Hij zegt dat ik slecht ben in overgangen. Overgangen? Ja, blijkbaar kan ik dat niet. Ik had dat nog nooit zo gezien. Er had mij ook nog nooit iemand dat gezegd. Ik wist zelfs niet dat het iets was waarin ge slecht kon zijn. Hoofdrekenen: ja. Achteruit inparkeren: absoluut. Een hoeslaken opvouwen: dat ook. Maar ... Overgangen, dat wist ik niet.  Ik ben slecht in de overgang van wakker worden naar opstaan. Van ontbijten naar kleren aandoen. Van aangekleed zijn naar vertrekken. Vooral die laatste blijkt een dingetje. Ik kan volledig klaarstaan, schoenen aan, handtas gepakt, jas binnen handbereik, en dan zie ik de vaatwasmachine. Nu kunt ge natuurlijk vertrekken en die vaatwasmachine daar gewoon laten staan. Kan. Maar ge kunt hem ook uitladen. Of ik bedenk dat ik vandaag eigenlijk beter voor de dag zou komen met dat nieuwe geurtje waarop ik mezelf zaterdag getrakteerd heb. Waar staat dat eigenlijk? Boven. En als ik toch boven ben, kan ik evengoed andere oorbellen aandoen. Die met dat groen passen eigenlijk beter. Onderweg zie ik dat mijn bed nog openligt. Dat is nu ook geen zicht. En als ik dan toch bezig ben, kan dat kussen ook eens goed liggen. “We moeten vertrekken.” Ja. Dat weet ik. Ik ben bezig. Traagheid, noemt hij het. Ik vind dat een zwaar woord. Ik word wakker maar vind dat nog geen reden om meteen op te staan. Eerst moet ik even bekomen van het feit dat er alweer een dag begonnen is zonder dat iemand mij daarin heeft gekend. Na het ontbijt hetzelfde. Koffie op, bord leeg. In principe is het volgende agendapunt: aankleden. In principe. Er staat ook nog een stoel. En koffie. En niemand is ooit gestorven omdat hij om 8.17 uur nog geen broek aanhad. Denk ik. “We moeten vertrekken.” Voor hem is dat een mededeling. Voor mij de start van een proces. Het vreemde is dat niemand mij traag vindt. Integendeel. De meeste mensen kennen mij als een Duracellkonijn met een lichte afwijking. Ik werk snel, praat snel, denk snel. Ik kan op één dag werken, schrijven, koken, boodschappen doen, een film bekijken, drie mensen bellen, een crisis oplossen die er een uur eerder nog niet was en tussendoor beslissen dat de living anders moet. En uitvoeren. Dat laatste is belangrijk. Maar ergens tussen al die bedrijven door zit een vrouw in een badjas die nog niet van plan is haar sokken aan te doen. Ik mag haar wel. En sinds hij het gezegd heeft, zie ik ineens dat het niet alleen over sokken gaat. Verdomme. Ik ben altijd al slecht geweest in overgangen. Ik vond het bijvoorbeeld behoorlijk ingewikkeld om ineens een werkende mens te zijn. Het ene moment zijt ge iemand die op woensdagavond pinten drinkt en donderdagvoormiddag twee Dafalgans als ontbijt beschouwt, het volgende hebt ge een agenda, een loonbrief en iemand die vraagt of ge dat verslag tegen vrijdag kunt bezorgen. "Tegen vrijdag? Oké, dan". Moeder worden was nog zoiets. Het ene moment zijt ge zelf nog een beetje aan het puberen, het volgende geven ze u een kind mee naar huis. Gewoon mee. Hier. Van u. En vanaf dan zijt gij dus de verantwoordelijke. Ik vond dat een bijzonder gewaagde beslissing. Plots krijgt ge een kind mee naar huis. Succes ermee. Ik heb lang gedacht dat er op een dag een soort definitieve volwassenheid zou intreden. Dat ik wakker zou worden en spontaan zou weten wanneer een brandverzekering betaald moet worden, hoeveel groenten een mens nodig heeft en waarom ge in godsnaam de meterstand van uw water moet doorgeven. Die dag is nooit gekomen. Er kwamen wel kinderen, werk, rekeningen, huizen, verantwoordelijkheden en mensen die mij dingen kwamen vragen alsof ik daar verstand van had. Dus deed ik mee. Vrij overtuigend zelfs. Dat is misschien volwassen worden: lang genoeg doen alsof tot niemand nog vragen stelt. Met mensen heb ik het ook. Daar ben ik misschien nog slechter in overgangen. Ik kan niet zo goed uit een verhaal stappen terwijl het in mijn hoofd nog bezig is. Als iets voorbij is, is het voor mij niet noodzakelijk voorbij. Onpraktisch. Mijn hoofd kent geen aftiteling. Dat blijft nog wat napraten, scènes opnieuw spelen, zinnen herschrijven. Denken aan wat grappig was, wat schoon was, wat anders had gekund, wat ik nog had moeten zeggen. Vooral dat laatste. Drie dagen later heb ik soms een fantastisch antwoord. Daar hebt ge dus niks aan. Ik blijf nog even in het verhaal terwijl de andere personages hun jas al aan hebben. Sommige mensen kunnen een deur dichtdoen. Ik blijf nog even in de gang staan. Niet omdat ik terug naar binnen wil, gewoon omdat ik nog niet helemaal buiten ben. Sinds hij mijn overgangen ontdekt heeft, is hij eigenlijk medeplichtig. Had hij er niks van gezegd, dan was ik gewoon blijven denken dat ik ’s morgens graag koffie drink en soms dringend mijn vaatwasmachine moet uitladen op het moment dat we al vijf minuten weg hadden moeten zijn. Maar nee. Hij moest er een naam aan geven. Overgangen. En nu ik weet dat ik ze heb, koester ik ze. Nog één koffie. Nog twee minuten in bed. Nog even in de auto blijven zitten als ik ergens aankom. Een liedje uitluisteren, ook al staat de motor al af. Een gesprek nog eens door mijn hoofd laten gaan. Nog even blijven waar ik eigenlijk al weg ben. Kleine gestolen stukjes tijd waarin het ene nog niet helemaal voorbij hoeft te zijn en het volgende nog niet begonnen. Mijn tussenverdieping. Ik woon daar blijkbaar. Er staat een stoel. En koffie. De dag is alweer begonnen, misschien moet ik daar maar eens werk van maken. Maar niet nu. Ik moet nog even. Wacht.

Katrien Daniels
69 0

smeergeld

de zomer werd dit jaar wegens succes een maand verlengd, iedereen was  blij en voelde zich in het zonnetje gezet, ook was er op het nieuws dat de  regen werd afgelast, er waren te weinig aanmeldingen voor een serieuze  plensbui en een beetje gemiezer was voor de fabrikant niet interessant  genoeg, de wind verging het niet veel beter, er kwam protest van zeilers en  molenaars, maar die waren in de minderheid en een regering moet nu  eenmaal doen wat het volk wil en het volk is iets waar er de meesten van  zijn, het volk wil een abonnement op de zon, onbeperkt geldig en gratis, er  waren natuurlijk genoeg mensen die hun bedenkingen hadden, voor wie  de zonnehitte niet te verdragen was, of die zich afvroegen hoe het nu  verder moest met de voedselvoorziening, maar dat bleek geen argument te  zijn, omdat het in 1976 ook zo heet was en alles goedkomt als er nu maar  eens geregeerd wordt, het lijkt of het extreme weer nauwsluitend past bij  extreem gedachtengoed, maar dat mag je niet zeggen want wellicht breng  je de democratie daarmee in gevaar en die is al zo gevaarlijk dicht bij zijn  eindstation, evenals onze menselijkheid, onze bossen en rivieren, en de  hele karavaan van nutte en onnutte dieren, van kruiden en onkruiden, van  alles wat ons dag na dag in leven houdt, ik heb nog nooit een bij of vogel  op het Malieveld zien staan, wat zou er gebeuren als wij het  demonstratierecht zouden overdragen aan het dierenrijk, de planten en  rivieren, de zeeën en bergen, aan wind en regen, en zou er dan geluisterd  worden door iemand die de macht heeft iets te doen, die inziet dat  weerloos en waardeloos geen synoniemen zijn, dat de zachte krachten aan  het verliezen zijn, dat de aarde onze liefde nodig heeft, niet ons  groengewassen smeergeld?   foto: pixabay eukalyptus currency

Hedianne
12 2