Cirkels

Dorian
31 okt 2013 · 7 keer gelezen · 0 keer geliket

Ik zie gras dat groen schijnt, zon die wegglijdt, jasmijnbomen in bloei, licht dat naar het westen verschuift. Soms ook een duif die me negeert. Wanneer ik op het glas tik, vliegt ze weg. Andere vogels maken een omweg wanneer ze mijn tuintje naderen. Je zou je haast afvragen waarom ik aan dat verrekte raam ga staan als niemand mij een blik gunt. Ik heb mijn redenen. Zo controleer ik of de kippen nog leven. Sinds een jaar ben ik opgehouden met hen te voederen, maar ondanks hun uitgemergelde lijfjes strompelen ze hier nog steeds rond. Ik begrijp niet hoe ze het voor elkaar krijgen. Om voedsel te scharrelen, kunnen ze enkel in mijn tuintje van vier op vier terecht. Daarom verdenk ik de buurvrouw van medeplichtigheid, die van het tweede raam op het vijfde verdiep. Mijn tuin is haar uitzicht, mijn kippen kent ze al lang. Ze durfde er vroeger al eens een babbeltje tegen te slaan. Zonder mijn toestemming. Dat was schrikken. Die schrille stem die plots op je gras tuimelt. Mijn kippen antwoordden haar nooit. Ik wil niet beweren dat ze dat arrogant bedoelden. Ik denk dat ze daar gewoon geen zin in hadden, in die nasale klanken. Niet dat ik die mening met mijn kippen deelde. Ik liet hen betijen omdat ik hield van hun smeuïge eitjes. Tot ze op een late herfstdag in mijn vingers pikten omdat ik hen een vers gelegd ei probeerde te ontfutselen. Toen heb ik besloten hen uit te hongeren. Dat is nu een jaar geleden. Maar de krengen houden vol, bijna vederloos en tot bloedens toe. Ze geven niet op. De laatste weken fantaseer ik wel eens dat ik hen vanuit het raam bewerk met een pistool. Ik zou hen de laatste veren van hun billen schieten. En hen voor dood laten liggen. Het ontbindingsproces van een kip heb ik nog nooit van nabij gevolgd. Wel dat van een ander vogeltje, dat lang geleden tegen het raam was aangevlogen. Het lag dood op mijn terras. Ik heb het zien bevriezen en ontdooien. De veren en het vlees geleidelijk zien wegteren – die verdwenen zomaar zonder een spoor achter te laten. Het karkas is een tijdlang goed bewaard gebleven, maar dan…foetsie. Ik vermoed dat een of andere kater uit de buurt het meegesmokkeld heeft. Als speeltje. Het voelde vreemd aan, die lege plek op mijn terras. Ik was gehecht geraakt aan dat skelet. Ik miste het.

Mijn kippen zou ik niet missen. Die snuisteren hier al lang genoeg rond. Helaas bezit ik geen pistool. Dus moet  ik berusten in hun aanwezigheid. Naar buiten gaan om me een wapen aan te schaffen, is geen optie. Dat lukt me nooit. Vroeger heb ik nog een aantal pogingen ondernomen, maar de mislukkingen stapelden zich op, tot ik besloot een grens te trekken aan de dorpel van mijn deur. Die steek ik nooit meer over. De wereld eindigt daar. Mijn levenswandel beperkt zich tot mijn slaapkamer, mijn keuken, mijn badkamer en mijn woonkamer. Daarom tuur ik vaak door het raam, soms zelfs een hele dag lang, zonder mij te verroeren. Elk wolkje zie ik voorbij drijven. Èlk wolkje. Er zijn ook dagen dat ik verplicht ben naar het egale blauw te staren. Niets saaier dan een heldere hemel voor mij. Lichtjes beangstigend ook, die uitgestrekte open ruimte. Wanneer er een vliegtuig of een vogel dat immense vlak doorklieft, voel ik me opgelucht, valt de spanning weg. Op andere momenten kan daar-buiten me ook ontzettend vervelen. Het gekrioel van blaadjes en grassprieten, het getjilp van onzichtbare mezen, de radio van de buren – en die van de andere buren – , het onbeweeglijke beton. Dan sluit ik de gordijnen. Ik weet dat mijn vis het niet kan verdragen wanneer ik dat doe, maar hij kan mij gestolen worden. Intellectuele gesprekken heb ik met hem nog nooit gevoerd en iedere twee weken moet ik zijn bokaal uitwassen want hij schijt alles onder. Op de momenten dat ik hem niet probeer af te richten, zwemt hij in cirkels. Lang geleden heb ik wel eens aan de wc-bril gestaan –  het gekriebel van zijn staart in mijn hand – maar toen beeldde ik me in dat hij langs ettelijke riolen in de open zee zou belanden. Een klein goudvisje met uitpuilende ogen in die massieve blok water. Het idee alleen al deed me sidderen. Daarom staat hij nog steeds op mijn tafel en zwemt hij dagelijks zijn rondjes. Zoals ik.

Behalve op mijn vis ben ik tevens gesteld op mijn bananenplant en mijn orchidee, die altijd samen met mij door het raam turen. Het is hun vaste stek, links en rechts van mij. Ze leven op wanneer de zon door het raam naar binnen sluipt, kwijnen weg tijdens de wintervorst. In die duistere dagen bemest ik ze. Zoals ik mezelf bemest. Met koffie. Een extra kopje per dag. Dan staan we daar met z'n drieën, vrolijk in gesprek en met onze neus in dezelfde richting. Onze stelling is dat je daar-buiten pas ziet veranderen als je hem telkens vanuit dezelfde hoek onderzoekt. Dan merk je de allerkleinste details op, zaken die je anders over het hoofd ziet. Zoals een stukje gazon waar het gras een beetje sneller schiet. Een boom die bladeren huilt. Of een koppige bloemknop die weigert te bloeien. Die observaties geven me inzichten, van simpele ideeën tot complexe redeneringen. Ik hou ervan om gedachten en handelingen in wiskundige formules om te zetten. Ik ben een determinist, op alle vlakken. Strijden tegen biologische feiten, gevoelsmateries doorgronden of zich proberen aan te passen aan maatschappelijke conventies, is niet voor mij weggelegd. Geef mij maar het sublieme van de ratio. Pure ratio. Denken over het denken. Bijvoorbeeld: je begint bij een eenvoudige gedachte als ‘die boom lijkt elk moment te gaan omvallen’, waarna een hele reeks gedachten volgt, zoals ‘die gaat toch niet op mijn dak belanden?’, ‘dan moet ik een nieuw dak laten leggen’, ‘dan zal ik naar buiten moeten’, ‘dan zal ik doldraaien’, ‘dan bezwijm ik’, ‘dan kom ik in het ziekenhuis terecht’, ‘dan eindig ik terug in mijn huis zonder nieuw dak’. Zulke kettingen van gedachten probeer ik in wetmatigheden uit te drukken. Ik ben ervan overtuigd dat die bestaan. Alleen vergt dat tijd, veel tijd. Gelukkig heb ik voorraadkasten vol met tijd. Ik heb zelfs zoveel tijd, dat ik er gierig op word.
Soms wil ik geen seconde delen. Soms wil ik dat alles en iedereen verdwijnt uit mijn tijd. Dan begin ik in alle talen te foeteren op allerhande internetfora in een poging het world wide web te doen leeglopen, wat meestal eindigt met een e-mail van de moderator van desbetreffend forum om mij te melden dat ik van desbetreffend forum werd verwijderd. Daarom moet ik mijn tijd in energie omzetten. Daarom groeide ijsberen, een ontzettend tijdrovende handeling, in mijn huis uit tot een beslommering. Ik moet nog ijsberen, denk ik dan. Of, ik heb nog niet geijsbeerd vandaag. Die gedachte springt nog voor het middagmaal in mijn hoofd. Meestal nadat ik al enkele uren door het raam heb staan turen. Het ijsberen verloopt steeds langs hetzelfde uitgestippelde traject. Ik vermoed dat ik onbewust een wiskundig patroon volg, maar niemand heeft me dat kunnen bevestigen. Nochtans heb ik het in bovenaanzicht nagetekend en op verscheidene internetfora geplaatst: van het raam naar de eettafel, waar ik twee keer rond wandel, vervolgens naar de keuken, tweemaal rond de keukentafel en vandaar de gang door tot in de badkamer, waar ik mijn spiegelbeeld groet, vervolgens naar de slaapkamer, waar ik vier keer rond het bed loop en dan in één ruk terug naar het raam. Die ijsbeerroute herhaal ik tien keer. Ik heb geen reacties gekregen op de internetfora. Of toch wel, eentje. Dat ik eens bij een dokter moest langsgaan. Die begreep er duidelijk niets van. IJsberen smeert de tijd. Als ik nadien opnieuw aan het raam ga staan, bekijk ik daar-buiten met andere ogen. Minder somber. De kleuren van de planten en struiken bekoren me meer en het gelach van de kinderen op het plein vòòr de sociale huisvesting, dat zich niet in mijn gezichtsveld bevindt, irriteert me minder. Daarom ijsbeer ik. Vorig jaar wilde ik er zelfs een boek aan wijden, 'De Deugd van het IJsberen', maar daar moest ik voor gaan zitten. Dat ging dus niet door. Als ik ga zitten, bevangt mij het gevoel te wachten op de tijd van anderen. En die is te weids voor mij. Te uitgestrekt. Mijn tijd is beperkt in ruimte. Alles wat ik doe, speelt zich in dezelfde kamer af. Ik bevond mij daar gisteren, eergisteren, de week ervoor, drie jaar geleden. Elke herinnering is verbonden met hetzelfde decor. Elke seconde kleeft eraan vast. Voor mij tikt de tijd niet. Ze ligt uitgespreid over mijn huis.

Dan nog liever uren door het raam turen. Naar de kippen die geen eieren meer leggen. Te weinig eiwitten, denk ik. Eieren zijn intussen overbodig in mijn dieet. Met mijn 28 lentes tracht ik nu te overleven op macrobiotisch voedsel. Alles afwegen in porties. Uitrekenen. Mijn boodschappen worden aan huis geleverd. De betaling gaat maandelijks van mijn ouders hun rekening. Net als mijn huur trouwens. Toch zie ik hen nooit. Ze willen niet meer op bezoek komen en ik ga nooit bij hen langs. Ze bevinden zich achter de grens van mijn voordeur. En die steek ik nooit over. Zelfs voor hen niet. Zelfs niet als een van hen zou sterven. Dat ze hen maar in mijn tuin komen begraven. Vier op vier, dat is net groot genoeg voor twee lijken. Maak er maar een kerkhof van. Dat heeft nog iets statig, zo’n gotisch stenen kruisbeeld in het midden van het gazon. Misschien komt er dan eens een duif op zitten en wordt daar-buiten nog een beetje levendiger.

 

In de namiddag spendeer ik altijd enkele uren aan mijn pc. Daar-binnen kan ik zijn wie ik wil. Dan meet ik mij een persoonlijkheid aan die daar-buiten leeft. Natuurlijk heeft die maskerade ook zijn nadelen. Zo werd ik eens verliefd via het internet. Slapeloze nachten. Eetloze buien. Turen, turen, turen, alsof mijn hele leven ervan afhing. Nooit heb ik zo lang voor mijn raam gestaan als toen. Uren. Ik zag de zon opkomen, ondergaan, opkomen, ondergaan. Uitputtend. Hij had zich net als ik ingeschreven op het forum van de NASA. We raakten aan de praat door onze belangstelling voor zwarte gaten. Ik vertelde hem dat ik lang geleden zelf in een zwart gat was beland en me sindsdien op een plek bevond waar de massa eindeloos dicht op elkaar gepakt zit. Vier maal vier op vier maal vier. Hij antwoordde met een lachende emoticon. Hij hield van absurde humor, schreef hij eronder. Ik antwoordde hem dat ik van het platteland hield. Dat is geen echte leugen. Ik kijk graag naar prentjes van velden vol zonnebloemen, een uitgestrekt strand, de aderen gevuld met rimpelend zeewater, een plein met oudjes. Zo zijn we dan een tijdje doorgegaan. Op het einde van ons gesprek bleek ik een dertigjarige kunstenares te zijn, die zwarte gaten op landschappen schilderde, die dagelijks tien kilometer liep en pas gescheiden was van een maffioso. Kinderloos. Hij werkte op Wall Street, handelde in aandelen en had twee puberende dochters. We spraken af om de volgende dag verder te chatten. Ik grinnikte. Sloot af en ging voor het raam staan. De kippen nog springlevend. Tokkend. Verheugd om mijn gezicht. Toen voederde ik hen nog. De dag nadien logde ik opnieuw in op het forum. Zijn naam verscheen op het scherm. Eronder een lachende emoticon. Hij was blij dat ik het meende, schreef hij. Ik lachte terug. Vervolgens begon hij me vragen te stellen over de stad waarin ik woonde. Was dat een hel. Ik opende terstond een nieuw tabblad om zo snel mogelijk de juiste antwoorden te vinden. De stadskern is mij geheel onbekend, zelfs mijn straat ken ik amper. Maar ik wist mijn antwoorden zo te formuleren dat het leek alsof ik er dagelijks rond kuierde. “That’s a really nice place. I often go there in the spring to see the flowers blossoming.” Dat werkte echt bevrijdend. Een halfuur later geloofde ik die onzin zelf. Alsof ik haar was. De kunstenares. Geen schim die de waarheid moest verbergen. Daarna mocht ik hem vragen stellen. Ik kon niet echt iets bedenken, aangezien daar-buiten mij nooit als zodanig heeft geboeid. Dus vroeg ik of hij een foto bezat. Van zichzelf. Volgde het blozende emoticon en een resem verontschuldigingen. Dat hij geen Adonis was. Uiteindelijk stuurde hij toch een foto naar mijn mailbox. Ik moest die maar bekijken als we hadden afgesloten, schreef hij. Ik stemde in. En opende meteen mijn mailbox. Op dat moment gebeurde het. Zoals alles mij overvalt. Plots. Onaangekondigd. Een rilling door mijn ruggenmerg. Mijn maag in staat van beleg. Mooi was niet het woord, maar die uitdrukking. De zachtheid. Panda, roze zeep, stro, zonnebloemen, pompelmoes. Het meest nog leek hij op een spookdiertje. Die immens grote ogen, die schattige snoet. Aangrijpend. Ik slikte mijn ontzetting in en keerde terug naar het forum. Het blozende emoticon. En een vraagteken. Ik schreef dat ik een belangrijk telefoontje had. Hij toonde begrip. We zouden later nog contact opnemen. Zijn naam verdween van het scherm. Ik zuchtte. Ik was verliefd. Bevangen door de tragische twijfel om mijn kippen te slachten. De weken daarop hebben we elke dag met elkaar gechat. Hij van heel ver weg. Over de grens van mijn deur. Over de grens van Europa. Over een diepe zee heen. Dat hield ons niet tegen. De nakende ontmoeting wel. Ik had er nooit op aangespoord, maar hij vroeg het me vlakaf. Geen tijd om excuses te bedenken.

Hij: Shouldn’t we meet?

Hij: I’m sorry, I didn’t want to push you.

Ik: My chicken have pink feathers.

Was dat een leugen. Mijn kippen hebben helemaal geen roze veren. Ik voelde me gewoon verward. Betrok er dan maar die twee misbaksels bij. Hij stuurde me een vraagteken. Ik verdronk erin.

Ik: They’re very rare, my chicken. I bought them from a one-eyed man who was raised by wolves. He used to catch chicken with his mouth. He looked very dangerous. Cloudy. He couldn’t talk. He howled the whole time. Scary noises. He wanted to rape me after I had bought the chicken. I killed him.

De doodsteek. Ik heb nog een week voor mijn scherm gestaan.

Vroeger, voor ik in dit huis woonde, heb ik vele liefjes versleten. Ik kon dat niet helpen. Meestal bevielen mannen me niet meer na enkele maanden. Dan liever een vis, die rondjes zwemt. Hij klaagt niet. Hij is blij als ik hem te eten geef. Mijn allereerste lief was dol op hem, meer dan op mij. Dat heb je natuurlijk met autisten. Ons meest romantische moment beleefden we toen we vier uur lang door de bokaal naar elkaar hadden zitten staren. Hij aan de ene zijde. Ik aan de andere. Zijn verwrongen, troebele gezicht, gespikkeld door drijvende stront. Zijn ogen achter glas, een eufemisme. Het was schrikken toen ik zijn ware gelaat terugzag. Zonder water. Zonder goud. Symmetrisch en zonder plooien. We hebben het nog een maand volgehouden, maar ik denk dat hij vooral moeite had om mijn vis achter te laten.

Tegenwoordig houd ik me aan het less-is-more principe. Geen mannen. Geen mensen. Enkel hier-binnen en daar-buiten. Er is slechts één moment waarop die twee in elkaar verstrikt geraken, een soort Time-lapse, waarin de tijd van anderen die van mij doorboort. Een steeds terugkerend fenomeen dat ik met veel afgrijzen moet verduren. Zoals gisteren.

Ik hoorde het helemaal in de verte gebeuren, ergens aan mijn voordeur. Toch nam ik alles haarscherp op. De lichte bries die enkele seconden voordien door de hal woei, het oorverdovend ijzig klepperen van metaal. Het schuiven van scharnieren. Vervolgens een korte, doffe plof en het ruisend glijden over de betegelde vloer. Ik stond stokstijf. Catatonisch gefobieerd. Dan lijkt het alsof ik ronddool in mijn eigen verstijfde lichaam, tegen de binnenkant van mijn huid aanschuur. Ik moest me ogenblikkelijk herpakken. Zoals ik iedere keer moet doen. Diep in- en uitademen, het brein verluchten, de soepelheid hervinden. Enkele minuten later kreeg ik mezelf in beweging en sloop naar de indringer. In het midden van de hal zag ik hem liggen. Eenzaam maar opvallend. Ik raapte hem behoedzaam op en droeg hem naar de woonkamer. Daar haalde ik mijn bronskleurige briefopener tevoorschijn en scheurde hem in één ruk open. Het papier glansde als satijn, maar voelde korrelig aan, alsof minuscule stukjes hart van de gevelde boom erin verweven zaten. Op het papier stond bovenaan mijn naam, in blauwe inkt. Elegante letters, zoals ik vroeger had geleerd. De sierlijke krullen trokken zo hard mijn aandacht dat ik vergat te lezen. Ik ging zitten – voor het eerst sinds geruime tijd – en legde de brief volledig opengevouwen voor mij op tafel. Er was een lat gebruikt, een potlood om lijntjes te trekken. Het geheel oogde fraai. Niet spontaan, maar afgemeten.  Geen inktvlekje te bespeuren. De schrijver had er duidelijk veel zorg aan besteed. Ik wilde de brief graag lezen, maar iets hield me tegen. De hitte straalde tussen mijn ruggenwervels. Rillingen over mijn rug. Ik nam hem mee naar het raam en legde hem ertegen. Glaspapier. Onleesbare woorden. De inkt vloeide in het zonlicht samen met mijn tuin en de brief kreeg een andere gestalte. Hij danste over het raam, glijdend, als een schaatser op het ijs. Gedrenkt in licht. Ik zag de letters gewiegd worden. Terstond had ik geen zin meer om de brief te lezen en wilde ik mij in de krullen van die letters nestelen. Zelf gewiegd worden. Ik haalde het papier van het raam en wandelde ermee naar de keuken. Leunend tegen de tafel, las ik de woorden, onafgebroken, naast elkaar.

“Beste Shania,”

“Hierbij willen wij u uitnodigen”

Hup, ogenblikkelijk de vuilbak in. En doen alsof er niets gebeurd is.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

Dorian
31 okt 2013 · 7 keer gelezen · 0 keer geliket