De bomen denken dat ik een vis ben
De bomen denken dat ik een vis ben.
Ze fluisteren het naar elkaar
via kabels van wortels,
alsof het een verkeersbericht is
voor een stad die ondersteboven hangt.
Ik wandel voorbij,
maar mijn schoenen zwemmen.
Een lantarenpaal oefent
de bewegingen van een kwal.
In een etalage verkoopt de lucht
reserveonderdelen voor wolken.
De bomen denken dat ik een vis ben.
Daarom knikken ze beleefd
wanneer ik door hun schaduw vaar.
Hun bladeren draaien rond
als kleine groene satellieten
die vergeten zijn
welke planeet ze moesten volgen.
Op het plein staat een man
met een gezicht van dinsdag.
Hij draagt een radio in zijn borstkas.
Uit zijn ribben klinkt een stem:
same as it ever was, same as it ever was,
maar ondertussen verandert alles:
de stoep wordt rivier,
de rivier wordt gedachte,
de gedachte krijgt tanden
en begint zachtjes te zingen.
Een hond leest de gebruiksaanwijzing
van de maan.
Een fiets groeit takken.
Iemand hangt herinneringen te drogen
aan een waslijn tussen twee minuten.
De bomen denken dat ik een vis ben.
Misschien hebben ze gelijk.
Want elke nacht zwem ik
door kamers vol licht,
langs meubels die doen alsof ze bergen zijn,
langs spiegels die hun eigen spiegelbeeld vergeten.
En ergens,
achter het decor van de ochtend,
staat een bos geduldig te wachten
tot ik eindelijk kieuwen krijg
en de stilte binnenzwem
als een bericht
dat nooit voor mensen bedoeld was.
Tekst : Manfred - 9 juni 2026
