“Vroeger kraaiden de hanen, nu gapen ze alleen nog” zei de dove en hij keek mistroostig de tuin in. Hij leek geen acht te slaan op de regen die hem in het aangezicht kletste en zijn schouders zakten diep weg onder het gewicht van de neerstortende droefheid. Zijn schoenen waren vuil en nat, zijn doorweekte stoffen jas woog zwaar. In het midden van zijn voorhoofd kroop een druppel naar beneden, rolde dan snel over de rug van de neus tot op de tip, waar het een ogenblik stil leek te houden. Dan viel de druppel op de grond en ging hij onherroepelijk verloren in de vloedstorm waaraan hij zich, al was het maar voor even, onttrokken leek te hebben.
De dove voelde nauwelijks de handen van zijn oudste zoon op de schouders
“kom vader, straks vat je nog kou”
“waar de boom valt blijft hij liggen” stamelde de dove
“ja” zei de zoon en hij leidde zijn vader het huis in.
“moeder heeft soep gemaakt” zei de zoon met luide stem, hij wees nadrukkelijk naar de dampende ketel op het vuur. “wil je een kommetje?”
De vader wuivde de soep weg. Hij zat ineengedoken en staarde voor zich uit.. Zijn ogen glaasden en verraadden een mank bewustzijn. Zijn ziel zat gevangen in een diepe slaap.
Plots veranderde zijn blik. Zijn ogen vuurden. Hij richtte zich op en keek naar zijn zoon. Zijn wenkbrauwen trokken woest omlaag. Op zijn gelaat looide de dove een bittere afkeurende uitdruk. Hij stond op, hief zijn vinger en riep: “een rotte appel in de mand maakt al het gave fruit ten schand”.
De helderheid verdween vrijwel meteen uit de ogen en het gelaat ontspande zich opnieuw naar een vormeloze, uitdrukkingsloze spiegel van een man met een lege, rustige, geest. Verdwaasd keek hij naar zijn zoon.
De zoon stapte op de vader toe en hielp hem liefdevol op dezelfde stoel. “een kommetje soep, vader?” vroeg hij met luide stem, en opnieuw wees hij naar de dampende ketel op het vuur.
“Ja” knikte de dove.