Kuba Kenos

Gebruikersnaam Kuba Kenos

Opleiding

Publicaties

Prijzen

Teksten

vrolijke vrienden

Met een luide knal wordt het boek dichtgeslagen Omgedraaid met een ruk, omgekeerd en opnieuw opengeslagen De dikke zwarte stift veegt het laatste punt weg en dendert dan over het laatste woord van de laatste zin, het voorlaatste woord, enz.  Tot het zijn taak verbazend snel heeft uitgevoerd, klinisch het hele leven van de man heeft vervaagd  Ook het leven van de vrouw naast hem wordt bestift tot er geen woord meer van bestaat, zelfs de geboorte niet. En Ook de zinnen van de veroorzaker krijgen dikke, gefrustreerde strepen over hen heen,  diep door het papier geduwd en ze vernietigen het verhaal op de volgende pagina. Ze zaaien verwarring  zoals enkel indringers dat kunnen. Nog voor zijn verhaal volledig verdwijnt, is het onherkenbaar, klaar voor de interpretatie van zij die het ooit vasthadden Alle boeken zonder woorden worden vervolgens op het eeuwige ondoofbare vuur gegooid, waarin een berg oude nasmeulende assen een alles versmeltende brij vormen die rood gloeit van haat, haar vingers aflikt en hongerig wacht op slachtoffers.  zoals een niet te controleren beest moet ze tevreden gesteld worden en ze weet dat, zelfvoldaan.  En rond het kampvuur wordt er met vingers gewezen en de schuldigen aangeduid; er worden programma's opgesteld en iedereen is solidair, verfoeit, nooit meer! Maar dat wat men krijgt is dat wat men geeft en een onderdrukte jonge broer reageert sluw op de kracht van de oudere, tot de moment waarop hij zelfzeker van onder de drukking kruipt, zich op de borst klopt en trots voor de eerste keer zijn eigen identiteit toont.  Laat ons 'vrolijke vrienden zingen' wordt er geroepen

Kuba Kenos
0 0

Gij!

GIJ!   Laaggevallen baviaan! Laat mij eruit en haalmij vantussen deze woorden vandaan! Want wat heb ik u misdaan dat gij mij op deze schrale pagina laat bestaan? Vast gevangen in een gedicht, eerder een gedrocht,als ge 't mij vraagt en onbegrijpelijk,dat een schrijver van uw kwaliteit zich aan zulk een spelstuk waagt. Waarom laat gij mij niet vrij gaan? Stop met schrijven, kom, leguw pen neer, zodat ‘k dit bleek blad de rug toekeer en gij niet meer denkt dat ge mijn bewegingen beheert. Want gij denkt dat ge u daar alles kunt laten welgevallen,daarboven in uw godenland en gij denkt dat ge uw personages moogt lastigvallen,met uw pen in uw hand. Maar 't is niet omdat ìk fictief ben, dat ge moet denken dat ik u niet ken, en dat, als ik het wil, u vinden zal en u leren zal, dat personages met respect behandeld dienen. Ik. Ik gemaakt van inkt, ik, ontsproten aan uw gedachten, gij die mij leven inblies, gij, wat gij ook van mij moogt verwachten. Want wat ge schrijft, ik doe er niet  aan mee. Ik weiger de participeren aan dit wanschepsel enik weiger deel te nemen aan een wereld van morfemen. "schrijverke" hier en "schrijverke" daar, 't is als ge 't echt zou kunnen, echt waar, dat 'k u zou bewonderen, maar dat ge hier drie woorden in de juiste volgorde kunt zetten, beschouw 'k alals een der zeven wonderen. Dus schrijver, meneer, kunt ge zo vriendelijk zijn, mij te laten gaan? Zoals het een heer betaamt en dan geeft ge aan, de behoefte van een beschaafd man te verstaan. Kom, haal mij van dit blad en vergeet mijn bestaan.Laat dat dichtertjespelenachterwege, ‘t is beter dat ge nu stopt, nu ge nog niet terdege hebt geflopt en hebt laten zien dat gij eigenlijk talentloos zijt, en dat gij beter ‘t rijmen mijdt. Maar gij zijt een volhouder, Ik heb u al door en ik zie het al: gij zijt niet zinnens mij te bevrijden, neen, gij wilt mij lang lang laten lijden, ik onschuldig ding, object, die gij tussen zinnen wringt, in witregels ademruimte geeft en daarna opnieuw onderdompelt in een met woorden gevulde zee zoals een kreeft lijdzaam de getijden beleeft.Maar hoelang wilt gij nog dat ik in deze dorre droogte van betekenisloze woorden verblijf? En hoelang wilt gij nog dat ik in deze oeverloze witlijnen drijf?   En gij wilt mij toch niet werkelijk als hoofdpersonage uitspelen van dit kaal en vaal verhaal?Ha! Dan wordt uw vertelling ditmaal wel zeer kort!    Kunt gij mij niet geven aan een schrijver die schrijven kan? Kunt gij mij niet opvoeren in een degelijk verhaal, of een degelijk gedicht, niet zoals dit, niets oppervlakkig en letterlijk licht? Maar gij gaat te ver, gij kunt mij niet dwingen in de woorden en zinnen die gij met zielig veel moeite probeert te verzinnen!    Haha!   Huh? Wie zijt gij? Gij durft het mij te storen in mijn betoog tegen de almachtige grote? Maar. Wat lacht gij zo? Waarom zijt gij zo blij en wat is eigenlijk de reden dat gij hier zijt bij mij?    De grote Schrijver lacht mij toe, want in deze witheid zie ik kleur en snuif ik geur. Ik houd echt van dit verhaal, wat prachtig en schitterend allemaal!   Man, gij zijt gek! Op dit papier zijt gij niet meer dan een vlek! Gevangen in woorden, is er nog iets ergers, is er nog iets gestoorder? Schrijver laat ons eruit! En stopt! Ge hebt nu al twee figuren in uw vormeloos veld van woorden gepropt!   Rustig man, rustig! Waarom zijt gij zo boos?  Zijt gij dan niet blij dat de Schrijver voor u koos om deel te nemen aan deze geschiedenis? Wat is uw verdriet en wat is uw gemis?    Meneer de Schrijver, nu vriendelijk en voor de laatste keer: Leg  die pen neer! Stop met schrijven, want ge kunt ‘t toch niet, en vrijheid moet ge mij nu wel gunnen want ge hebt al enkele regels tekst, wat genoeg moet zijn voor wat eten en wat hoerenseks.   Niks daarvan! Almachtige, luister niet naar deze man! Hij weet niet wat hij zegt en hij vergeet dat U het bent die deze bladzij met gekromde rechtenbelegt.   Laat mij met rust en laat mij alleen, in dit witte land, kurkdroog, met enkel een décor van steen, of zand, of modder of geeneen. Alles helder,  nergensschaduw en overal kleurloze oneindigheid. En dat gij ons kunt gooien in zo’n bar land, dat gij dat over uw hart krijgt, schrijver, dat gaat er voor mij ver over. En denk maar niet dat ge ‘t kunt goedmaken met wat gefoefel en wat getover! Neen. Maar weet ge, als gij dan toch zo veel macht hebt, waarom laat gij mij dan niet gaan uit dit schraal, zinloos en besluiteloos verhaal? Waarom stuurt gij mij dan niet naar een plaats met een sofa en een kachel? Met gelach elke dag en verwachtingen elke nacht, warmte waar ik ben en weelde voor iedereen die ik ken?  Waarom maakt gij van mijn leven niet één groot feest, dat’k geniet voor ge ons verlaat en ik de geest laat.   Maar ‘t zijt gij die niet opmerkt dat de Schrijver onzichtbaar op de achtergrond werkt, aanwezig is in alles wat gij doet en alles kent van uw gedachtengoed. Komaan, wenst waar gij heen wilt gaan, denkna over wat gij wilt in uw bestaan! Klimmen wij naar de top van de hoogste berg of zwemmen wij tot de bodem van de diepste oceaan? Wij kunnen naar China, Indië en Afrika, ‘t is maar zoals gij wilt, we doen alles, alles wat uw droefheid stilt!   Ach idioot, gij spreekt voor u alleen. Schrijver, hij spreekt voor zich alleen, want nergens van die plekken ga ik heen! Ik zet mij hier en wacht tot gij mij uit dit verhaal verwijdert, mijbevrijdt en mij naar de uitgang uit deze kleurlozehel leidt.   Maar neen, wat zegt gij nu! Kom, op uw voeten, laten wij door deze letters heen naar een fantastisch verhaal wroeten!   Gij verstaat ‘t echt niet, gij wilt het echt niet horen, ik wil niet één worden met de witte massa, alles hier is verloren. Ik wil zien en ruiken, voelen en proeven, maar hier, in het witte niets is alles bedroevend.    Voor zowaar ik ik ben en gij gij, zo doet Hij wat gij wilt met u en mij, is er daar iets van dat gij niet begrijpt? Iets dat gij niet verstaat? Beseft gij nu niet, dat alles wat gij ooit wilde, nu ook werkelijk gaat?   Ik wilde niets en ik wil niets, en stop met onnozel in de verte te staren en te turen, ga zitten, ge moet u bedaren en uw enthousiasme bijsturen, beseft gij niet dat wij gevangenen zijn? Ik wil weg van dit papier, af dit blad, het zit me echt tot hier, man, ik heb het echt gehad! Hé Schrijver! Kom, laat mij hier uit, voor er een ongeluk gebeurt en gij ‘t u berouwt dat ge ons beiden in één klein miezerig pseudopoëtisch tekstje hebt gestouwd. Ik zeg zelfs meer, zowaar: als gij mij niet loslaat, dan is ‘t dit velletje dat ‘k kapot maak. Ja, gij hoort het goed, het velletje waarop gij uw talentloze praktijken uitvoert. Dan hebt ge niks meer om op te streven, en wat gaat ge dan doen in uw zielig, lachwekkend leven?   Gij, lastpak, duivels kind, pas op met wat ge zegt, houd de schrijver te vriend! Sta op, kom, samen doen we fantastische dingen, en nadien lachen we erom.   Onnozelaar, verdomde kloot, optimistische zak en achterlijke idioot, hier, pak aan, hier nog een, en daar! Oh, ge wilt er nog een? ZEG MAAR WAAR! Jammer dat ge voor op te treden geen ander verhaal koos want ik ben echt boos en gij hebt dit niet vermeden! HIER! En wat zegt ge nu? Bent ge nog altijd zo blij met waar ge zijt? En DAAR! Of wordt het nu ook voor u tijd, dat onze Schrijver u naar huis leidt? Kom, antwoord, in plaats van daar voor dood te liggen. Kom, het is niet grappig, mij zoiets ernstigs voor te liegen!   Sta op! Sta op. Sta op?                     Oké Schrijver….Oké!.... Het zijn nu al drie dagen dat ik in stilte voordoe dat ik de ander zoek, maar we weten allebei dat die weg is, afgeschreven van dit blad, weggeleid door de woorden die gij mij gaf! Want het is uw schuld dat ik hem heb geslagen, en het is uw schuld dat ik hem heb vermoord, want het zijt gij, gij die mij dwingt met het woord, gij hebt mij de daden laten beleven, door mij aangepaste woorden en zinnen te geven, aan te reiken, zodat uw grootheid uit mijn machteloosheid zou blijken, ik, gedwongen tot wat gij mij voorschrijft. Gij hebt bewezen dat gij mij controleert, gij hebt bewezen dat gij de woordkunst goed beheert, maar misschien wordt het nu tijd om mij te laten? Want wat is mijn doel, hier in deze witte leegte? Alleen, geboren uit uw wil, verloren in een wildernis, een woeste woestenij van letters, grote dingen, die gij gebruikt om te beschrijven, maar die mij telkens dreigen te pletten als ik even vergeet op te lettten. Ach, ach, kunt gij mij nog eens van een witregel voorzien? Dat ‘k even kan nadenken en mijn gedachten overzien.   Aha! Nu hebt gij u blootgegeven, nu hebt gij te kennen gegeven, gij zijt aanwezig! Gij, die u zo afzijdig hield, gij hebt mij een witregel gegund omdat ik het vroeg! Maar wat hebt gij dan nog gekund? Hebt gij dan werkelijk deze witte omgeving gecreëerd? Hebt gij mijn platte wereld bedacht en bedist, gemaakt en beslist? Is het uw idee bossen letters te planten? Komt van u het idee, mij prooi te maken van tekens, van symbolen? Wilt gij dat ik word opgepeuzeld door die wrede dingen, word omvergerold door grote kringen die gij op mij afstuurt? Door vraagtekens die gij op mij afvuurt en door het meedogenloze uitroepteken dat mij de hele tijd aantuurt? Is er een reden van uw nietbetreden van uw eigen wereld? Is er een reden, dat ik hier alleen ben? Waarom is deze witte omgeving zo gemeen? Ja, als ik erover nadenk, gij, daarboven, had gij niets beters kunnen verzinnen? Had gij niet beter uw best kunnen doen en zien en voelen dat dit niet werkt? Hebt gij dat dan nog niet gemerkt?   Gij hebt mij beantwoord, schrijver, gij hebt mijn gebed aanhoord, maar waarom verneem ik nu van u geen enkel woord, geen teken, waarom geeft gij geen betekenis aan wat ik u vraag? Waarom geeft gij geen gehoor aan wat ik verzoek?Waarom praat ik eigenlijk? Ik raaskal, ik bral en ik word gemalen door gedachten waarvan ik het aanvaarden niet eens wil betrachten. Ik twijfel, grote, ik twijfel. Waarom ben ik hier? Waarom hebt gij mij hier gezet, in dit witte niets? En als gij mij hier hebt geplaatst, waarom kunt ge u niet opnieuw vertonen? Waarom ben ik hier zo verloren?Ligt het antwoord verstopt achter woorden, letters, tekens en symbolen?Waar, o waar, hebt gij ze verscholen, in de door u opgezette dolen? Want uw wegen werken werkelijk ondoorgrondelijk! Waarom geeft gij van bestaan de ene moment wel, de andere moment geen blijk? Speelt gij met mij? Hebt gij geen respect voor mij?Ziet gij eigenlijk wel of ik besta?Of ik ben?Zijt gij het die mij kent? Of…  Neen, die gedachte vervalt in het niets.Ik geloof in U.  

Kuba Kenos
29 0

de man in de kerk

Daar zat hij, op de bank, kin omhoog maar ogen omlaag. Kop recht, borst vooruit, maar de ogen bogend onder de droefnis. Zijn lichaam schreeuwde kracht, zijn aangezicht begaf bij de minste aanraking. Niet zacht, ruw wel, maar kwetsbaar, o zo kwetsbaar. Alsof de moeder gestraft had, want moeders straffen niet fysiek, maar kruipen onder je huid en injecteren teleurstelling.De man stond recht, liep gebroken majestueus, zoals een halve kathedraal die ooit bijzonder fenomenaal geweest moet zijn, naar het spreekgestoelte. Hij ontvouwde een blad papier en keek naar het publiek. Hij begon zijn speech. En daar waar zijn vrouw had verwacht dat de ruïne van haar kathedraal met deze laatste schok helemaal ten onder zou gaan en dat haar man zou beginnen wenen, rolde de speech vlot, beheerst en krachtig door de zaal. Applaus was zijn deel, tranen gutsten over wangen op de prachtige grond en namen onderweg mascara mee, en de lucht hing zo vol spanning van emoties dat je naar adem had moeten happen als je nog recht zou staan.De man ging opnieuw naar zijn plek, naast zijn vrouw en zij kuste haar held vol op de mond, met lippen waarlangs mascara en andere schmink hun weg naar beneden vonden.Verdorie, zei ze, je bent mijn held. En de man bekeek haar en schrok over het gelaat dat zo dicht bij hem zweefde. Hij keek in de zaal en zag dat alle vrouwen met smachtend natte aangezichten naar hem keken en dat alle mannen hun best deden niet te laten zien dat ook zij aangedaan waren.

Kuba Kenos
3 0

De dove

“Vroeger kraaiden de hanen, nu gapen ze alleen nog” zei de dove en hij keek mistroostig de tuin in. Hij leek geen acht te slaan op de regen die hem in het aangezicht kletste en zijn schouders zakten diep weg onder het gewicht van de neerstortende droefheid. Zijn schoenen waren vuil en nat, zijn doorweekte stoffen jas woog zwaar. In het midden van zijn voorhoofd kroop een druppel naar beneden, rolde dan snel over de rug van de neus tot op de tip, waar het een ogenblik stil leek te houden. Dan viel de druppel op de grond en ging hij onherroepelijk verloren in de vloedstorm waaraan hij zich, al was het maar voor even, onttrokken leek te hebben. De dove voelde nauwelijks de handen van zijn oudste zoon op de schouders “kom vader, straks vat je nog kou” “waar de boom valt blijft hij liggen” stamelde de dove “ja” zei de zoon en hij leidde zijn vader het huis in. “moeder heeft soep gemaakt” zei de zoon met luide stem, hij wees nadrukkelijk naar de dampende ketel op het vuur. “wil je een kommetje?” De vader wuivde de soep weg. Hij zat ineengedoken en staarde voor zich uit.. Zijn ogen glaasden en verraadden een mank bewustzijn. Zijn ziel zat gevangen in een diepe slaap. Plots veranderde zijn blik. Zijn ogen vuurden. Hij richtte zich op en keek naar zijn zoon. Zijn wenkbrauwen trokken woest omlaag. Op zijn gelaat looide de dove een bittere afkeurende uitdruk. Hij stond op, hief zijn vinger en riep: “een rotte appel in de mand maakt al het gave fruit ten schand”. De helderheid verdween vrijwel meteen uit de ogen en het gelaat ontspande zich opnieuw naar een vormeloze, uitdrukkingsloze spiegel van een man met een lege, rustige, geest. Verdwaasd keek hij naar zijn zoon. De zoon stapte op de vader toe en hielp hem liefdevol op dezelfde stoel. “een kommetje soep, vader?” vroeg hij met luide stem, en opnieuw wees hij naar de dampende ketel op het vuur. “Ja” knikte de dove.

Kuba Kenos
6 0