Terwijl ik aan een verlaten oever
lig - de zon doet haar best -
raakt de aar van een fijne grasspriet
af en aan
mijn blote been.
Ik voel ze strijken en wrijven.
Als ik mijn ogen sluit, beeld ik me in
dat het lief is, dat het iemand is,
die me lief wil zijn.
Maar eerlijker is dat het irriteert,
deze spriet in de wind die
onophoudelijk
passeert tot het
krast en schuurt en schaaft en bloedt.
Deze wind die
onophoudelijk
bij mij blijft.
Getuigt het nu van moed als ik
dit gras negeer? Sluit ik mijn ogen
en droom dat jij er weer bent,
weer naast me? Of
brand ik meteen
met blote benen deze
godverlaten oever af?