de microbe en de cosmos

27 apr 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

 

Op een ligzetel volledig strijk in mijn achtertuin, starend naar de hemel. De eerste lentezon heeft zijn werk gedaan.  Ruim 23 graden ineens. Het was een van die avonden waarop de lucht zich niet helemaal donker wilde kleuren, een lauwe, weifelende schemering waarin de sterren zich nog niet durfden te vertonen, bang misschien voor de overdaad aan licht die de Haven van Zeebrugge beneden hen uitbraakte. De buren hielden nog een barbecue ; de geur van verbrand vlees en goedkoop bier dreef over de schutting, vermengd met het gelach van mensen die zichzelf belangrijk vonden omdat ze een eerste warme werkdag op kantoor hadden overleefd. Ik had een glas alcoholvrij bier in de ene hand, een sigaretje in de andere. Het bier – te Duits en te warm, mijn sigaret te Amerikaans – en voelde hoe mijn grootste vraagstuk zich als een ongenode gast in mijn hoofd nestelde, niet met trompetgeschal, maar met dat stille, sluipende gemompel dat je pas opmerkt wanneer je al half verloren bent.

Het heelal, dacht ik, terwijl ik een slok nam en spijt smaakte. Hoe groot is het eigenlijk? Niet het soort grootte dat je met een meetlint kunt weten, niet de grootte van een voetbalveld of een continent, maar die andere grootte, die je maag doet samenkrimpen tot een kiezelsteentje en je hoofd laat tollen als een dronken Zwitser. Wetenschappers spreken van miljarden lichtjaren, van een “waarneembare ruimte” dat zich uitstrekt als een oneindig deken van duisternis en gas en sterrenstof. Maar wat betekent dat woordje ‘waarneembaar’ eigenlijk? Het is een beleefde manier om te zeggen: tot hier kunnen we kijken, vriend, en verder? Verder is het misschien wel niets, of alles, of iets wat we niet eens durven benoemen omdat onze taal te klein is, te aards, te menselijk.

Ik herinnerde me een boek dat ik ooit had gelezen toen ik nog een puber met puisten was, van iemand die iets heel pretentieus deed. Daarin stond dat het heelal misschien wel eindigt in een muur van niets, een soort kosmische rand waar de natuurwetten ophouden te bestaan, als een schilderij dat abrupt stopt omdat de kunstenaar geen verf meer had. Maar wat ligt er dan achter die rand? Een ander heelal? Een god die zich verveelt en een nieuw doek spant? Of gewoon de achterkant van ons eigen universum, als een vel papier dat je omdraait en waarop alleen maar potloodkrabbels staan van een kind dat van niet beter wist? De gedachte was even troostrijk als beangstigend: wij, met onze hypotheken en onze ruzies over die bomen van de buurvrouw, levend, in iets, van iets, door iets en met iets, wat we nooit zullen begrijpen.

En toen, terwijl de buren begonnen te zingen – vals, natuurlijk, met die aanstekelijke joligheid die dronken West Vlamingen kunnen opbrengen – kwam de andere gedachte op, die mij nog kleiner maakte. Misschien zijn we helemaal niet die grootse wezens die naar de sterren reiken. Misschien zijn we microben. Piepkleine, onbeduidende microben in een petrischaaltje dat iemand anders vasthoudt. Een groter systeem, een kosmos binnen een kosmos, waar ons heelal niet meer is dan een druppel in een oceaan die zelf weer een druppel is in iets nog onvoorstelbaarders. We rennen rond met onze smartphones en onze ambities, bouwen steden die we monumentaal noemen, vechten oorlogen die we historisch noemen, en al die tijd zijn we niet meer dan bacteriën die zich vermenigvuldigen in een laboratorium van een wezen dat ons bestudeert. Het zou verklaren waarom alles zo absurd voelt, waarom de liefde altijd net iets te kort duurt en de dood altijd net iets te lang.

Ik nam nog een slok. Het bier vas nu echt onaangenaam geworden, of misschien was ik het zelf. Mijn vrouw riep vanuit de keuken iets over het eten dat koud werd, haar stem klonk zacht. “Kom je nog, of blijf je daar zitten filosoferen tot de muggen je opeten?” Typisch zij: praktisch, aards, met voeten die stevig in de klei staan terwijl ik zweef in het vacuüm. Ik hou van haar, op die onvermoeide, ingesloten manier waarop je houdt van een schoen die precies de vorm van je voet heeft aangenomen. Maar op momenten als deze, met de hemel boven me die zich uitstrekte in al zijn onverschillige pracht, voelde ik de kloof. Zij zag een tuin, een huis, een leven. Ik zag een lab, een schaal, een microscooplens die ons vergrootte tot we dachten dat we ertoe deden.

Stel je voor, dacht ik, dat ergens daarboven – of misschien beneden, want richtingen verliezen hun betekenis in het oneindige – een wezen zit dat ons bestudeert zoals wij een kolonie mieren bestuderen. Het noteert onze bewegingen in een logboek: “Dag 6.342.732.456: de witte mieren vallen de zwarte aan om een korrel suiker. Verlies: 2,3 miljoen levens. Reden: “onduidelijk, maar vermoedelijk territoriumdrift vermengd met ideologie en waanzin. Mieren mogelijk ziek.” En wij, in onze arrogantie, denken dat we het middelpunt zijn. Copernicus heeft ons al eens van de troon gestoten, Darwin heeft ons gemaakt tot nakomelingen van apen, en nu dit: misschien zijn we niet eens apen, maar amoeben in een druppel slijm op de schoen van een god die net uit een modderpoel stapt.

Mijn gedachte en afwijkende redenering was niet nieuw. Oude filosofen hadden het al geopperd, in hun stoffige bibliotheken, met kaarsen die flakkerden in de tocht. Maar zij hadden geen satellieten, geen Hubble-telescoop die foto’s terugstuurde van nevels die ouder waren dan de mensheid zelf. Wij wel, en toch voelen we ons nog altijd groot. We bouwen raketten om naar Mars te gaan en daar een onderzoek te doen om te weten hoe onze aarde er binnenkort zal uitzien, alsof Mars ons iets verschuldigd is, terwijl we hier op aarde al niet eens in staat zijn om een fatsoenlijke file op te lossen zonder elkaar de kop in te slaan. Maar we kunnen ondertussen wel een wasmachine doen draaien op de maan. Applaus voor onszelf. Zorgen dat iedereen eten en drinken krijgt op de aarde: ho maar.

Ik stond op, strekte mijn benen die stijf waren geworden van het zitten, en liep naar de schutting. De buren zagen me niet; ze waren te druk met hun eigen microkosmos van worst en bier. Een van hen, een dikke kerel met een T-shirt met Nirvana op,  dat spande over een buik die getuigde van te veel vrijdagavonden, brulde iets over voetbal. “Die scheids heeft stront in zijn ogen, godverdomme!” Alsof de laborant zich iets aantrok van een mier die buitenspel staat… Ik glimlachte wrang. Misschien was dat de schoonheid ervan: onze kleinheid maakt ons vrij. Als we echt microben zijn, dan maakt het niet uit of we falen of slagen. Dan is ons hele bestaan een experiment, een gril van een hogere macht die morgen het petrischaaltje misschien wel in de vuilbak gooit.

Binnen vond ik mijn vrouw aan tafel, de borden al opgediend, de aardappelen dampend in hun eigen bescheidenheid. Ze keek me aan met die blik die zei: ik ken je te goed om nog verbaasd te zijn. “En, wat heb je ontdekt in de tuin? Het einde van het heelal?” Haar stem droop van milde spot, maar er zat ook liefde in, de soort liefde die weet dat je als man soms moet verdwalen om terug te komen.

Ik ging zitten, pakte mijn vork, en begon te eten. De smaak was gewoon, troostend, aards. “Misschien wel,” zei ik. “Of misschien zijn we gewoon een vlekje op een glaasje van iemand anders. En weet je wat? Het maakt niet uit. Morgen staat de wekker weer, en de hypotheek moet betaald worden. Het heelal kan wachten.”

Ze lachte, kort en warm, en schonk voor haarzelf nog wat wijn in. Buiten was de hemel nu volledig donker, de sterren eindelijk zichtbaar, kil en onbereikbaar. Ik at door, voelde de zwaarte van mijn lichaam, de warmte van de kamer, de nabijheid van haar hand op tafel. En ergens, in dat rare, verwrongen brein van me, bleef de gedachte hangen: we zijn klein, zo verschrikkelijk klein, en toch groot genoeg om dat te beseffen. Dat is misschien wel het enige wat telt. 

 De filosofie is als een hond die niet wil loslaten; hij bijt zich vast in je enkel en sleept je mee door de nacht. S anderdaags werd ik wakker met een kater die niet van dat alcoholvrije Duitse bier kwam. Mijn hoofd bonsde met vragen die geen antwoorden duldden. Ik stond op, douchte, kleedde me aan voor een dag als treinbegeleider mensen te begeleiden in hun Rat-race.

In de trein van Brugge naar Luik Guilemins, een moderne dubbeldekker M7 met steeds weer dezelfde defecte zaaldeuren, keek ik uit het raam naar het landschap dat voorbijflitste. Akkers, huizen, fabrieken, allemaal klein vanuit de verte, maar van dichtbij een heel universum op zich. Elke boer met zijn tractor was een god in zijn eigen koninkrijkje. Elke reiziger een planeet met zijn eigen baan van routine. En het heelal? Dat rolde zich uit boven ons, onzichtbaar in het daglicht, maar aanwezig, altijd aanwezig, als een moeder die zwijgt maar alles ziet.

Thuis die avond – dezelfde tuin, dezelfde kussensloze zetel– pakte ik een notitieboekje. Ik schreef: “Het heelal is niet groot of klein; het is onbevattelijk. Wij zijn de maatstaf van een handleiding van een IKEA meubel. Onbegrijpelijk.”

Woorden, niets dan woorden. Stef-achtig, zou mijn vrouw zeggen, altijd met die twist van ironie en spot. Maar het hielp. Het hielp om de angst te temmen, de angst dat we niets zijn, of alles, of iets ertussenin wat nog erger is.

De dagen gingen voorbij, zoals dagen dat doen, in een ritme dat zowel troostend als verstikkend is. Ik werkte, at, sliep, ruziede licht met mijn vrouw dat de porties die ik maak als middagmaal te groot zijn waardoor mijn buik expansiedrang heeft en tussendoor, in de stilte tussen twee ademhalingen, kwam de kosmos terug. Soms als een fluistering: wat als dit hele leven een droom is? Soms als een schreeuw: hoe durven we te bestaan in iets zo oneindigs zonder te verdrinken?

Op een zondag, toen de nachtelijke zondvloed de tuin in een modderpoel veranderde en de hemel grijs en laag hing als een deken die te vaak gewassen is, besloot ik te wandelen. Niet ver, gewoon in de duinen om de hoek, waar oude mannen op bankjes zaten te roken en moeders met kinderwagens hun eigen micro-universums voortduwden. Ik ging zitten onder een boom die zijn bladeren liet ritselen met een nonchalance die ik benijdde. Enkele bladeren dwarrelden neer als kleine sterrenstelsels die implodeerden, bruin en vochtig en toch vol leven in hun verval.

Een man naast me, een oude kerel met een pet die betere tijden had gekend, knikte me toe. “Mooie dag voor een beetje nadenken, hè. Zo tussen de buien door?” zei hij, zijn stem schor van jaren sigaretten en en hard levens. Ik knikte terug. We praatten niet veel, maar genoeg. Hij vertelde over zijn vrouw die gestorven was, over hoe hij nu alleen de sterren telde omdat slapen niet meer lukte. “Het heelal is groot, jongen,” zei hij, “maar de leegte in mij is groter.” En daar was het weer: de verbinding tussen het kosmische en het banale, de ster en de eenzame man op een bank.

Ik ging naar huis en een hoofd vol beelden. Mijn vrouw had soep gemaakt, dik en warm, met stukjes groente die dreven als planeten in een soep van tijd. We aten in stilte, niet omdat we boos waren op elkaar, maar omdat woorden soms te klein zijn voor wat er in je omgaat. Later, in bed, met het licht uit en haar ademhaling naast me regelmatig als een klok die de seconden aftelt, fluisterde ik tegen haarin  het donker: “We zijn klein, maar we zijn hier. En dat is genoeg.”

Maar is het genoeg? De filosofie laat je nooit helemaal los. Ze kruipt onder je huid, als een microbe die zich nestelt en wacht. Misschien zijn we inderdaad microben in een groter systeem, onwetend van de hand die het schaaltje schudt. Misschien ligt het einde van ons heelal niet in een rand, maar in ons eigen onvermogen om verder te kijken dan onze neus lang is. Wat er daarna ligt? Misschien niets. Misschien een lach. Misschien een ander verhaal, verteld door iemand die groter is dan wij, in een taal die we nooit zullen verstaan.

Na een nacht overpeinzingen stond ik op, maakte koffie, en keek uit het raam naar de buurman met zijn microbe ging wandelen. Ik glimlachte. Want ondanks alles – ondanks de grootte, ondanks de kleinheid, ondanks de onzekerheid – bleef ik ademen. En in dat ademen lag een heel universum verscholen, klein genoeg om vast te houden, groot genoeg om in te verdwalen.

En zolang de aarde draait, is dit mijn verhaal, dag na dag, jaar na jaar.. Het verhaal van een man die in zijn achtertuin zat en het heelal voelde, niet als iets abstracts, maar als iets levends, ademend, spottend bijna. Hij had geen studie gedaan in astronomie – daarvoor behoorde hij tot de verkeerde mierensoort, maar hij droeg het mee, in zijn zak, als een kiezelsteentje dat hem herinnerde aan zijn plaats. Niet in het centrum, niet aan de rand, maar ergens daartussenin, waar de microben dansen en de sterren zwijgen, en alles toch doorgaat.

Want het heelal is niet alleen groot of klein. Het is ons, en wij zijn het. En in die eenvoudige, pijnlijke waarheid ligt de enige filosofie die echt standhoudt: we beseffen het niet, en toch leven we. We leven klein, we leven groot, we leven door. 

Dus blijf ik strijk gaan in mijn tuin, tot de muggen komen, tot het zerpe bier op is, tot mijn vrouw roept dat het bed wacht. Want ergens in die wachtende duisternis ligt misschien het einde, of het begin, of gewoon nog meer van hetzelfde. En dat is voldoende. Meer dan voldoende. Het is goed zo. 

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

27 apr 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket