De natuur schreeuwt

25 jan 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Een week na mijn ontslag werd ik ‘s nachts wakker door een snerpende opdringerige piep in mijn linkeroor. Ik sprong uit bed, negeerde het gemopper van mijn vrouw en holde de trappen af. Het gepiep achtervolgde me, even luid en aanwezig, waar ik ook heen liep. Die nacht sliep ik niet meer. Ik draaide me afwisselend op elke kant, drukte mijn hoofd in het kussen om het geluid te smoren. Toen ik ’s morgens de koffiemachine aanzette daverden mijn hersenen. Ik vluchtte de keuken uit.

Ondertussen zijn er drie maanden voorbij en doet ook mijn rechteroor mee aan het feestje. Daar hoor ik een gesuis, alsof een rivier door mijn hoofd stroomt. Mijn huisarts zegt dat het letterlijk tussen de oren zit, mijn vrouw zegt dat ik er niet mee bezig moet zijn. Allebei denken ze te weten dat het komt door de stress op mijn werk. Ik werk niet meer maar dat weten ze niet. Mijn vrouw weet heus wel dat er problemen waren, we hebben niet de gewoonte tegen elkaar te liegen.

Een kwestie van tijd voor de dossiers die ik zorgvuldig onderaan de stapel legde van zich lieten horen. “We krijgen klachten binnen,” zei mijn baas. Ik was verbaasd dat het zolang geduurd had. Ik nam al zes weken mijn telefoon niet meer op. De keuze was helder. Of ik stapte in een verbetertraject met functioneringsgesprekken, key performance indicatoren en werkdoelen met performante prestaties. Thuis werken was voortaan uit den boze. Of ik kreeg ontslag met een mooie opzegvergoeding. “Stoppen op je hoogtepunt,” zei mijn baas. Hij zweeg even. “Of net voorbij je hoogtepunt.”

Als het me al pijn deed dat ze veel geld over hadden om van me verlost te zijn, voelde ik het niet op dat moment. Enkel een lichte euforie, een vaag vleugje vrijheid. Eenmaal thuis had ik de oprechte intentie mijn vrouw in te lichten. Ze heeft alleen de kwalijke neiging me te onderbreken voor ik een volledig verhaal kan vertellen. “Je gaat je best doen, hoor je me,” zei ze na enkele zinnen. “Herpak je. Grijp een nieuwe kans met twee handen aan. Je gaat een goede job toch niet zomaar opgeven.” Toen belde haar moeder. Ons gesprek eindigde zonder dat ik de kans zag toe te voegen dat de ontslagformulieren al ondertekend waren. Misschien niet zo netjes dat ik haar ’s morgens niet verbeterde toen ze me een fijne werkdag wenste. Ik gaf haar een tedere zoen, vertrok in mijn beste pak. Bleef lang genoeg wandelen tot ze zelf ook zeker naar haar werk was. Dat ben ik sindsdien blijven doen. Als ik thuiskom veeg ik de modder van mijn nette schoenen, jammer dat ze zo oncomfortabel zitten.

Ik probeer echt werk te vinden. Na mijn ochtendwandeling zet ik me achter de computer, heldhaftig met mijn thermos koffie in de aanslag. Muziek op om mijn hoofd niet te horen. Muziek weer af, de piep stijgt in toonhoogte om alles te overstemmen. Stilte kan ik beter verdragen, hoewel het nu een heel dynamische stilte is.

Ik stuur af en toe een sollicitatiebrief, al weet ik nooit wat ik erin moet zetten. Hoe ik ook wroet in mijn binnenkant, ik vind geen authentieke drijfveer, geen passie die me kan overtuigen weer de wereld in te gaan. Chat GPT doet dan maar het werk. De afwijzende antwoorden die ik krijg zijn even standaard als mijn brieven. Uit een hele reeks kandidaten hebben we het profiel geselecteerd dat op vlak van competenties het beste aansluit bij onze verwachtingen. Tot onze spijt werd u niet weerhouden. We wensen u veel succes met de zoektocht naar een nieuwe uitdaging.

(U bent te oud, te vastgeroest. Uw carrière is vlakker dan een pas aangelegd dorpsplein. U solliciteert beter bij het natuurhistorisch museum. Fossiel.)

Eén keer typ ik een antwoord. Van harte bedankt om me niet te weerhouden. Ik word nog liever levend begraven onder een berg nucleair afval dan in uw bedrijf. Uw missie is zo zoutloos dat de zee niet genoeg zout heeft om ze op smaak te brengen. Ik verzend de mail niet. Of misschien heb ik het toch gedaan.

Gelukkig laat mijn vrouw de financiën over aan mij. Zolang er genoeg op de rekening staat is er geen haast bij. Ik heb andere zorgen aan mijn hoofd. Tijdens mijn dagelijkse ochtendwandeling wordt het geluid ondraaglijk luid telkens ik voorbij het huis van crazy catlady loop. Mijn piep neemt mijn hele hoofd, lichaam, zijn, in beslag. Ik ben alleen nog maar piep. Dan komt er gerammel en gedender bij alsof ik naast een goederentrein loop. Ik bedek mijn oren maar het geluid heeft bezit van me genomen. Op dat moment ben ik bang. Wanneer ik voorbij het huis van crazy catlady stap, mijn best doe niet te hollen als een idioot. Ebt het geluid weg. Mijn piep weer vertrouwd op de achtergrond, mijn gesuis met wat verbeelding de wind in de bomen. Ik heradem.

Ik ben een gewoontemens, ik maak altijd dezelfde toer. Na een kwartier loop ik over een kasseiweg die naar het bos leidt. Aan de ene kant staan afgelikte nieuwbouwwoningen. Aan de andere kant de sociale woonwijk. Ongeveer tien arbeiderswoningen met dezelfde treurige gevels en een lapje voortuin. Ze kijken net als hun overburen uit op de bossen, op dat vlak is de straat egalitair. De meeste huizen staan al een tijdje leeg, het onkruid woekert, de schuurtjes scheef gezakt, vergeelde gordijnen achter de ramen. In het begin van de straat zijn er nog enkele huizen bewoond al zijn ze even slecht onderhouden. De afvalzakken en kapotte kinderfietsjes in de voortuin verraden dat er nog leven is.

Het eerste huis in de rij is een uitzondering. Er hangt een bordje voor het raam: Watch out, crazy catlady lives here. Een kleurenpalet aan bloemen, een bloesemende appelboom. Een weelderige hazelaar houdt de wacht. Geen gordijnen voor de ramen, de deur frisgroen geverfd. Het is die plek, exact daar waar de bedrading in mijn hersenen een absoluut crescendo produceert.

Vandaag doe ik iets wat ik nog niet deed. Ik houd halt. Hoe ondraaglijk ook, ik stop. Ik bedek vergeefs mijn oren.

Iedereen denkt dat de figuur op het beroemde schilderij zelf schreeuwt. Zo ziet het er ook uit, zijn mond verwrongen in dezelfde wanhopige vorm als zijn hoofd. Toch is het niet zo bedoeld. De figuur bedekt zijn oren voor de natuur. De natuur schreeuwt. Bij mij schreeuwt de natuur ook, op een plaats waar ik het geluid niet kan dempen. De natuur schreeuwt in mij.

Met mijn handen nog steeds op mijn oren wankel ik naar de groene deur van crazy catlady. Op het tuinpad struikel ik bijna over een emmer met onkruid. Ik bel aan en hoor gegalm, al kan dat ook in mijn hoofd zijn. Het doet zo’n pijn. De deur vliegt open, het is donker in de gang. Een vage gestalte. Wacht even, stamel ik, loop de gang in met blubberende benen. Alsof ik me moet rechthouden op een zwiepend schip. Ik zoek steun tegen de muur. In de woonkamer valt een golf van licht binnen, warm en zacht. Verblind houd ik me vast aan de randen van de tafel. Plakkerig. Ik denk dat ik schreeuw maar ik kan mezelf niet horen. Het licht sterft weg. Eerst denk ik, een wolk voor de zon. Niets van dat. Het licht gaat uit in mij. De tafelrand ontglipt me. Ik glijd, sierlijk welhaast, op de grond.

Ik zink weg in duisternis en… Is het stilte? Is dat hoe stilte klinkt? Helemaal niets horen. Bijna even onnatuurlijk als te veel horen.

Ik kom bij met een muffe smaak in mijn mond, en barstende hoofdpijn. Ik lig onder de tafel. In het zonlicht danst het stof in het rond. Ik nies, stof en ik zijn nooit beste vrienden geweest. Het valt me nu pas op dat het huis verlaten is. Stoflaagje op de meubels, de lege koelkast staat open, de tafel is smerig.

Aarzelend krabbel ik overeind, er is iets anders, iets dat ik niet meteen kan aanraken. Ik hoor gefluit. Gefluit van de vogeltjes. Gegrom van een optrekkende auto. Mijn eigen ademhaling. En in mijn hoofd. Stilte.

Een man loopt de woonkamer binnen, hij heeft een schop in zijn handen. “Wat doe jij hier?” 
Ik hef mijn armen in de lucht. Misschien komt het door mijn nette pak maar hij laat de schop zakken. 
“Mijn excuses, ik wilde niet storen. De deur stond open en ik dacht dat ik… Dat ik iets hoorde.” 
De man kijkt me argwanend aan. 
“Geschreeuw ofzo. Was u dat daarstraks die ik naar binnen ben gevolgd?”  
“Dacht ik niet. Ik was in mijn eigen huis.” De man wijst naar de overkant van de straat, strakke witte nieuwbouw. “Je kan helemaal niets gehoord hebben. De eigenares is vier maanden geleden overleden, een oud vrouwtje.” 
“Crazy catlady,” zeg ik. 
“Haar katten wonen nu bij mij,” zegt hij. “Sinds ze weg is laat de gemeente de boel hier verkommeren. Ze was altijd zo bezig met haar tuintje dus kom ik die hier af en toe een beetje fatsoeneren. Kan geen kwaad, dacht ik. En voor ons is het ook leuker om niet op een jungle te moeten kijken.”
“Dus er was helemaal niemand?” vraag ik.
“Helemaal niemand. U hebt het zich ingebeeld.”

Ik wandel naar huis, langzaam. De geluiden komen en gaan. Wat een heerlijkheid dat alles komt en gaat.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

25 jan 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket