De Trofee

13 jul 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

De Trofee

 


Ik hou me in het ziekenhuis sterk wanneer de dokters het tragische nieuws brengen vanuit de operatiezaal. Ik moet me sterk houden, voor Margot. Zij kan het niet meer houden en is in tranen uitgebarsten. Schreiend en snikkend prevelt ze woorden die ik amper kan verstaan en eigenlijk ook niet registreer. De boodschap is echter duidelijk: het immense verdriet van een moeder die net haar enig kind verloren is. Nicky is er niet meer. Ik wil mee met haar blèten maar ik zeg tegen mezelf “Strakke blik Tim! Houd je recht, slik het als een man!”
“Een stom ongeluk”, had de politie daarnet nog gezegd. Op het kruispunt, gegrepen door een Mercedes. Zijn fietshelm, fietslicht, fluo hesje. Het had allemaal niet mogen baten. “Ik had hem niet gezien!” verklaarde de chauffeur van de Mercedes. Hoe kon hij hem nu niet gezien hebben? Moest Nicky dan nog een zwaailicht en sirene op zijn fiets hebben?
Vanaf het moment dat ik van het ongeluk hoorde en gedurende de hele periode in de wachtkamer was mijn enige gedachte: “hoe lang zou het duren voor hij weer op de been is?” Het idee dat Nicky, die vinnige knul hier niet door kon spartelen, had ik me niet kunnen, of misschien willen voorstellen. Hij had die lelijke val uit die boom toch ook goed doorstaan toen hij 7 was? Hersenschudding en een gebroken been, maar niets waar hij niet van kon genezen. Na een paar weken in het gips was hij alweer naar de judotraining. Later dat jaar won hij zelfs een toernooi! Hij had toen veel geluk gehad, dat zou hier ook het geval zijn. Een ander scenario bestond in mijn gedachten niet.

 


Die hoop was met één zin uit elkaar gespat. Nicky was niet meer. Een verpleegster leidt ons naar het mortuarium waar Nicky lag opgebaard. 

Margot snikt wanneer ze hem ziet en klampt zich aan mijn arm vast. Ik zie hem daar liggen, op die koude metalen tafel. Mijn hart breekt. Ik zeg niets. De krop in mijn keel blokkeert elk geluid. Ik onderdruk mijn tranen. Mijn schouders zijn strak gespannen van de inspanning om me te beheersen. Na 10 minuten lukt het me om een zin uit te spreken zonder dat mijn porseleinen façade het begeeft. "Kom Margot, laten we gaan. We kunnen hier toch niets doen". We telefoneren naar de begrafenisondernemer die de verpleegster ons voorstelt. Hij wil ons liever nu nog spreken, maar daar hebben we echt geen zin in. We zullen morgenvroeg naar zijn kantoor gaan om de praktische zaken verder te regelen. Nu willen we eventjes alleen zijn. Eerst nog door een andere, heel zure appel bijten: de ouders van Margot en mij inlichten. Ze wisten al wel van het ongeluk en dat Nicky in het ziekenhuis lag. Maar dit moeten ze ook weten. Margot wil dat ik ze bel. Enkel naar hen, niet naar de nonkels en tantes. Ik reken op de telefoonboom om zijn werk te doen. Ik heb hier echt geen zin in. Eerst naar Margot’s ouders, haar mama is toch de meter van Nicky. Ze neemt op. Natuurlijk in alle staten. De tranen vloeien rijkelijk aan de andere kant van de lijn. Een heleboel hoe’s en waaroms waar ik zo goed en zo kwaad als het kan probeer op te antwoorden. Na heel veel moeite lukt het me om het gesprek af te sluiten. Ze willen naar ons thuis komen, maar ik weiger. Straks is het de zoete inval thuis en moeten we keer op keer het verhaal doen. Niet vandaag. Ik telefoneer naar mijn ouders. Ik hoop dat pa opneemt. Ik weet dat moeder een afspraak had en hoop dat ze die heeft kunnen nakomen. Ik heb geluk, pa neemt op. Hij staat heel nuchter in het leven. Ik kan me niet herinneren dat hij ooit emotioneel heeft gereageerd op iets. Dat helpt voor zulke gesprekken. Hij is uiteraard ook geschokt wanneer ik hem het nieuws vertel. Maar verder is het een kort en vrij sec gesprek. Alsof hij door de telefoon kan voelen dat ik het liefst zo snel mogelijk naar huis wil gaan. Ik vraag hem het nieuws aan moeder en aan de rest van de familie mee te delen maar dat we vanavond liefst met rust gelaten willen worden. “Zeker dat wij straks niet efkens moeten langskomen?’ vraagt hij met een vrij ernstige stem. “Neenee pa, liever niet.” “Oké, Tim “ zegt hij. “Maar doe geen stomme dingen eh! Denkt aan wat ge nog hebt”. “Jaja, pa” wimpel ik zijn opmerking af. “Welke stomme dingen zou ik in godsnaam doen?” denk ik bij mezelf. “Morgen namiddag komen we af, ik bel nog met de rest van de familie en probeer jullie wat rust te geven. Veel sterkte! Daarmee sluiten we het gesprek af. Ik draai me naar Margot die eindelijk haar tranen heeft kunnen bedwingen. ”Kom, we gaan” zeg ik.


De rit naar huis is ijzig stil. Enkel het tokkelen van de regen op de voorruit, het zachte geronk van de motor en het geluid van ruitenwissers doorbreekt de stilte. Maar tussen ons valt er geen woord. Wat valt er dan ook te zeggen op zo’n moment?

Mijn hoofd is er niet bij. Ik doe mijn uiterste best om op de weg te letten maar voor veel meer dan dat heb ik de concentratie niet. Daarom waarschijnlijk dat ik slechts 60km per uur rij op een baan waar je 70 mag. Niet super traag dus, maar blijkbaar toch te traag voor de achterligger. Opeens steekt hij mij tegen hoge snelheid voorbij. Ik schrik op want ik had het niet verwacht. Regen, een bocht een beetje verder, volle witte lijn. Zou niet mogen. En dan zie ik wat voor een auto. Een rode Mercedes. Ik denk meteen aan de wegpiraat die eerder vandaag Nicky had aangereden. “Godverdomme!” roep ik. Margot schrikt recht. Ze was waarschijnlijk diep verzonken in triestige gedachten. “Wat is er?” vraagt ze met gebroken stem. Ik voel enorme woede opwellen. De aders in mijn voorhoofd beginnen bijna meteen te kloppen. “Zie je, het is weer zo ene! Zo gebeuren er dus ongelukken!” “Idioot! Onnozelaar! Zot!” roep ik alsof de bestuurder van de Mercedes die ondertussen al voorbij de bocht gescheurd is me kan horen. Ik heb veel zin om hem te achtervolgen, in te halen en dan, dan ... . Ik weet niet wat dan. In mijn gedachten is deze wegpiraat dezelfde man die Nicky had aangereden. 
Margot ziet dat ik over mijn toeren ga. Ze legt haar hand op mijn been en kalmeert me. De rede komt weer terug. Deze mens, want ik weet zelfs niet of het een man of een vrouw was, kon niet dezelfde bestuurder zijn. Wat met Nicky was gebeurd was waarschijnlijk een tragisch ongeluk. Die man had tot vanmorgen misschien zelfs nog nooit zelfs een parkeerboete gekregen. 
Ik kalmeer, maar tot een punt. Er is iets veranderd in mij. Ik voel het, de muur van gereserveerdheid, van ingetogenheid die ik tot nu toe had opgetrokken is gebroken. De dam die mijn emoties tegenhield, is gebarsten en zal instorten. “Hou het vol tot thuis Tim!” denk ik bij mijzelf. “Niet wanneer je aan het rijden bent.” Gelukkig is het niet ver meer.

We rijden de oprit op. De lichten springen automatisch aan. Ik parkeer me onder de carport zodat we niet nat worden door de regen. We stappen binnen, gooien onze jas aan de kapstok en schudden onze schoenen uit. Het kan mij in ieder geval niet schelen waar ze belanden. Ik loop recht naar de barkast. “Jij ook iets schat?” Ze vraagt een porto. Als het nu geen moment is voor een borrel dan weet ik het ook niet meer. De zondagse gin tonic zal voor mij nu niet volstaan. De Black Label, en ja, waarom niet? Een dubbele. Ik drink hem in één teug leeg en neem nog een dubbele. Ik schenk Margot’s porto in en breng het haar. Zij zit in de sofa. Ik heb geen zin in intimiteit. Mijn hoofd is druk, mijn spieren staan gespannen. Ik zet me in de fauteuil. Mijn hoop ligt in whisky, dat die me wat kan kalmeren en afleiden. Ik wacht op die zalige roes die me zal wegvoeren van deze nare avond.
“En nu?” vraag ik Margot. “Wat nu gedaan?” Ze nipt van haar porto “Tsja, morgen naar de begrafenisondernemer, pastoor regelen. School verwittigen. Misschien al eens mailen naar ons werk?” Haar zakelijke reactie verrast me en stuit me voor de borst. Was zij daarstraks niet een emotioneel wrak? En is dat nu het belangrijkste?

“Ik bedoel met ons, schat! Hoe gaan we nu verder met ons leven nu Nicky er niet meer is?” Ik zet mijn whisky op de salontafel, sta recht en loop naar de kast naast de tv, waar Nicky’s judotrofee staat te pronken. Ik pak hem op “Weet je nog toen hij die won, schat? Ik was zo fier op hem. Een paar maanden daarvoor nog uit die boom gevallen. Alsof het hem niet deerde. Zo snel mogelijk recht gekrabbeld en terug aan de slag.” “Ja ik weet dat nog”. Ze neemt nog een slok. Ik zet de trofee op de salontafel, neem mijn borrel en neem een flinke teug. 

Zo zitten we daar eventjes. In gedachten verzonken. Ze zeggen dat wanneer je sterft je ganse leven voorbij flitst. Wanneer je kind sterft zie je hun leven voorbij gaan in je gedachten. Alleen is het niet in een flits. Het is een lange film waarin de scenes op onlogische wijze door elkaar gemengd worden. Van geboorte schiet het naar lentefeest, naar dat dagje Efteling 3 jaar geleden, eerste schooldag enzovoort.

 

Mijn gedachten blijven hangen bij een gesprek dat ik met Margot had, toen Nicky 2 jaar oud was. Alles leek zo goed, zo perfect. Ik opperde het idee om nog een kindje te maken. Margot wou niet. Ze was niet graag zwanger. Toen we net getrouwd waren had ze al eens een miskraam gehad. Ze had daar heel hard van afgezien. Ook bij Nicky ging het niet van een leien dakje. Hij is uiteindelijk met spoedkeizersnede geboren.  De typische slapeloze nachten en vuile luiers die gepaard gaan met een baby maakten het idee ook niet meteen appetijtelijk. Desalniettemin was er voor mij nog een ruimte in mijn hart om nog een kindje te hebben. Ik heb het idee herhaaldelijk voorgesteld. Elke keer wees ze het af. Ik probeerde nog met het argument: "wat als er iets met Nicky gebeurt?" Ook dat kon haar niet overtuigen. "we hebben toch geen reserve kind nodig!" was haar repliek. Uiteindelijk ben ik gezwicht, maar met een wrange nasmaak.

Mijn gedachten blijven hierover doorbomen: “Had ik toen maar doorgezet. Want blijkbaar hadden we wel een reserve kind nodig! Godverdomme toch! Ik ben nog niet klaar met het vaderschap! Ongelukken kunnen gebeuren maar nu is er mij iets afgenomen dat ik misschien nooit meer zal kunnen terugkrijgen: vader zijn. Grootvader zijn. Omdat ik toen aan Margot had toegegeven!”
De drank brengt hevige gevoelens naar boven. Ik kijk op en kijk naar Margot. Zij zit in de zetel, apathisch naar de salontafel te staren. “Alsof het haar niet deert” zegt een stemmetje in me. Woede begint opnieuw op te borrelen, dezelfde woede die ik voelde toen die Mercedes mij de pas afsneed.
Ik kan mezelf niet meer inhouden. Ik drink mijn glas in één teug leeg. “Zie je nu dat we wel best een reservekind nodig hadden!” Ik roep bijna. Margot schrikt recht. “Wat bedoel je Tim?” vraagt ze me. “Je weet het wel goed genoeg! Ik wou nog een 2de kind. Jij niet! Was niet nodig had je gezegd! Er zal niets met Nicky gebeuren! Dat was toch uw argument?! Wel, zie nu!” 
Margot is werkelijk geschokt maar ze dient me meteen van antwoord: “Ik kon dit toen toch niet weten, Tim! Wat wil je nu dat we doen? Professor Barabas bellen voor een tripje met de teletijdmachine om aan de jongere Margot te zeggen om maar toch een 2de kindje te nemen want dat Nicky gaat verongelukken binnen een paar jaar?” “Sorry, Tim maar als we dat zouden kunnen zou ik liever naar deze namiddag reizen, naar dat kruipunt en Nicky snel van zijn fiets rukken, die Mercedes tegenhouden. God! Desnoods zou ik er zelf voor springen als ik daarmee zijn leven zou kunnen redden! Maar dat gaat niet! We hebben geen tijdmachine!” “Ja trek het maar in het belachelijke!” roep ik terug. Verdomme, een vergelijking maken met een strip!
Margot blijft echter doorgaan, ze is op dreef nu. “Tim, we hebben indertijd de keuze gemaakt die op dat moment, voor ons beiden, het beste leek” Oké, het leven heeft ons een smerige stomp in de maag gegeven, maar daarom moeten we geen spijt hebben voor onze vroegere beslissingen!
“Het was niet mijn beslissing Margot, maar de jouwe!” “Je was een demandeur de rien. Ik kon niet op je inpraten, ik heb mijn wensen moeten opbergen want jij wou niet mee!” Bij deze laatste opmerking merk ik dat ik haar net iets te diep geraakt heb. Snel probeer ik het gesprek een andere richting in te draaien: “Maar weet je, het is nog niet te laat hé schat! Mijn stem is al wat zachter. “Hoe bedoel je? Vraagt ze, snauwt ze bijna. Ze kookt vanbinnen denk ik. “Wel, we zijn nog niet zo oud” leg ik uit. “We zijn nog geen 40. We kunnen nog proberen … .” 


Mijn voorstel valt op een koude steen. “Tim, ten eerste, is dit absoluut niet het moment om hierover te praten. Ten tweede, je weet hoeveel last we er vroeger mee hebben gehad! Denk je nu echt dat voor ons een volgende zwangerschap vlotter zal verlopen? Ten derde: zelfs al zouden we quasi meteen een nieuw kindje maken, wil je echt nog beginnen met slapeloze nachten, luiers, potjestraining enz. Tegen dat dat kind het huis uit is zijn we 60 jaar in het beste geval! Alle respect voor de mensen die dat doen maar ik wil het niet!” “Maar,” probeer ik nog ertussen te krijgen maar ze onderbreekt me meteen. “Niets te maren Tim! En tenslotte: een ander kind zal Nicky nooit kunnen vervangen! Nooit! Je zal hem altijd missen! Niets zal dat gat ooit kunnen opvullen, Tim. Je kan dat best zo snel mogelijk accepteren!
“We kunnen toch niet kinderloos blijven!” werp ik tegen. “Het leven is zoveel rijker met een kind in huis! Tuurlijk, het is niet altijd makkelijk. Baby’s wenen vaak. Maar hoe gelukkig kan je worden als diezelfde baby lacht en plezier heeft? Een peuter die zijn eerste stapjes zet. Voor het eerst met een fiets zonder zijwieltjes rijdt. Heeft dat allemaal dan ook geen waarde? “Nu ben ik op dreef. Maar tegelijk welt er een ander gevoel in me op, naast de ondertussen bekoelde woede. Mijn gemoed schiet vol. Een bitterzoet gevoel van trots en verdriet. “Tim, dat hebben we al allemaal meegemaakt, en dat was allemaal mooi. Het zijn herinneringen die we moeten zullen koesteren. Ik was toen ook trots op Nicky, op alles wat hij deed. Hou nu alsjeblieft op! Ik kan het ook niet meer aan!” De façade van steen die ze ophield sinds we terugkwamen van het ziekenhuis begint te barsten. Haar ogen zijn waterig van de tranen die nu beginnen te vloeien. Ik kan echter niet stoppen. “En wat van wat er nog moest komen?” Ik heb het gevoel dat ik het verhaal van Nicky zoals het zou moeten geweest zijn moet vertellen. Ergens hoop ik dat ik nu ook bij haar doordring waardoor ze toch mijn kant van het verhaal zal kiezen. “Het eerste echte liefje? Uitgaan, met de auto leren rijden, zelfstandig op reis gaan, afstuderen? De unief, eerste job? Samenwonen, trouwen? Margot, wil je geen kleinkind? Wil je geen oma worden? Margot geeft geen antwoord. Ze zit terug in de zetel met haar hoofd rustend op haar handen die haar gezicht bedekken. Ze huilt onophoudelijk. Het enige wat ze kan zeggen is een gemoorde “stop!” Dat gaan we nu allemaal missen!” werp ik nog op. Die laatste zin slaat bij mij echter in als een bom.

 


Als door een bliksem getroffen komt het diepere besef binnen van wat ik net allemaal heb gezegd. Inderdaad, alles wat nog moest komen zal er niet meer zijn. Nicky zal niet met een liefje thuiskomen, hij zal nooit afstuderen, nooit uit het huis trekken en nooit een vader worden. Zijn levensdraad was veel te vroeg doorgeknipt. Het was nog niet af. Hij was er nog niet klaar voor. Mijn gezicht verstijft. Ik prevel: “Ik ben er nog niet klaar voor!” Ik draai me om in de richting van de keuken. “Ik ben er nog niet klaar voor!” herhaal ik. ‘Ik kan u nog niet achterlaten Nicky! Ik kan u niet alleen laten gaan!” De tranen springen me nu ook in de ogen, mijn stem trilt en schiet over. Een donkere gedachte maakt zich meester van me. Mijn voeten bewegen schijnbaar met een eigen wil naar de keuken. Mijn hoofd maakt een donkere cocktail van angst, verdriet, paniek en wanhoop. Ik word getrokken naar het messenblok. Is het een irrationeel verlangen om mijn zoon niet alleen het grote onbekende in te sturen, dat mij leidt? Of eerder de wens om een einde te maken aan dit vreselijke gevoel. Mijn hele wereld stort in elkaar. Alles rondom mij is gehuld in duisternis. Mijn ademhaling is heftig, mijn hart bonst haast uit mijn borst. De beste beschrijving die ik kan geven is alsof je de ergste nachtmerrie ooit meemaakt waarvan je weet dat je nooit kan ontwaken. Margot had gelijk. Niets kan Nicky vervangen. Het heeft allemaal geen zin meet. Het slagersmes blinkt in mijn rechterhand. Ik zie mijn ogen vaag weerspiegelen in het lemmet. Een traan valt erop. Ik richt de punt naar mijn hart dat als een razende tekeer gaat. Mijn linkerhand neemt het heft nu ook vast, klaar om mijn borst te doorboren. “Ik ga mee Nicky!” schreeuw ik uit. Ik strek mijn armen naar voren klaar voor de laatste inspanning die me zal doen ontwaken uit deze boosaardige droom!

 

Ik word wakker met een barstende hoofdpijn. Mijn ogen kan ik slechts met een spleetje openen. Het licht is te fel, hoewel er duidelijk gordijnen gesloten zijn. Ik lig in een ziekenhuisbed. Ik voel een stekende pijn aan de achterkant van mijn hoofd. Ik voel eraan. Een heleboel kompressen. Windels omwikkelen mijn ganse hoofd boven de oren. Ik ben in de war. Wat is er gebeurd? Hoe kom ik hier? Ik word gewaar dat er iemand aan de kant van het bed staat. Ik moet me concentreren om het gezicht te herkennen. “Margot?” Ze knikt. “Je bent dus wakker?” “Ja” antwoord ik. “Wat is er gebeurd? Waarom heb ik zo een bult op mijn hoofd?” Ze wijst naar de tafel aan de andere kant van het bed. Een gebroken trofee. Nicky’s judotrofee. Plots begrijp ik het. “Ik moest iets doen schat. Je werd gek Ik riep maar je hoorde me niet.” Ik draai me naar haar terug. “Oh schat, het spijt me zo! Ik wist even niet meer wat ik deed!” Net zoals Margot eerder begin ik nu ook te huilen. De buil op mijn hoofd bonst pijnlijk bij elke snik en hartslag. Het is een enorme ontlading. Maar het voelt goed op de een of andere manier. Tussen mijn tranen door zie ik Margot ook huilen, maar met wel een lach op het gezicht. Wanneer ik wat bekomen ben van de emoties veegt ze onze tranen weg. “Ok schat,” zegt ze. “Ik zal bij de verpleegpost gaan horen wanneer de dokter kan langskomen om je weer naar huis te sturen”. Ze gebiedt naar de gebroken trofee. “Want zoals je ziet, ga ik jouw hulp nodig hebben om de stukken te lijmen”. Ze staat op en loopt de kamer uit. Ik bekijk de trofee en glimlach, sluit mijn ogen en fluister: “ik ga je missen Nicky.”

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

13 jul 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket