Elaleh Khayyam was pas 23 jaar oud toen zij begreep dat bomen intelligenter waren dan de meeste mensen. Eerst vond ze dit idee een kinderlijke gedachte. Een droom. Tot die ene winterdag in een dorp aan de voet van Mount Fuji.
‘Iedereen droomt, maar veel dromen verdwijnen’, vertelde de oude Japanner, terwijl hij een vissersnet herstelde. ‘Zoals bladeren. Ze dwarrelen naar beneden, vallen op de grond en rotten dan weg in de koude winter. Enkele dromen worden opgeraapt door jonge kinderen en hun moeders, meestal na de vroege ochtenduren, wanneer de dauw verdampt is. Dan leggen ze deze tussen absorberend papier dat ze daarna tussen de pagina’s van een zwaar boek leggen. De bladeren worden droger en droger totdat ze eindigen in een fotoboek samen met wat uitleg. Later, weken of zelfs jaren later, bladeren moeder en kind vaak door hun herbarium om te begrijpen waaruit de natuur bestaat. Moeders kunnen medicijnen van deze dromen distilleren waarmee ze hun kind kunnen genezen van de kwalen van deze tijd.’
Op deze ochtend in februari zaten Elaleh en hij op een houten bank aan een meer dat beroemd was voor zijn uitzicht op Mount Fuji, maar vandaag verschool de vulkaan zich achter een reusachtige wolk. Ze zaten met hun rug naar haar toe, maar toch kon Elaleh haar aanwezigheid voelen. In Japan geloven ze dat bergen vrouwelijke geesten zijn. Niet alleen bergen. Volgens het shintoïsme kunnen ook in rotsen, bomen, watervallen en rivieren geesten huizen, de zogenaamde kami. Zodra Elaleh over dit basisidee van shintoïsme hoorde, beeldde ze zich vaak in hoe de natuur haar zou zien.
Luisterde Mount Fuji ook naar het verhaal van Kazemori san?
Kazimori san was de enige Japanner in de buurt die Engels kon praten (want hij had een Canadese vrouw) en die ook nog eens tijd had om haar tolk te spelen. De Japanse cultuur was in dit dorp nog uitzonderlijk intact gebleven.. Hij had haar meer verteld over de heilige bomen van de Kisovallei die zo fel beschermd waren door de samoerai dat je de doodstraf kon riskeren als je een van hen omhakte. Hij legde haar de structuren uit die ervoor zorgden dat houten tempels eeuwenlang aardbevingen konden weerstaan en weefde af en toe een haiku door zijn uitleg. Wat Elaleh het meest interessant vond, was dat Japanners hun meest heilige tempels om de twintig jaar herbouwen. Op die manier gaven ze de kennis en waarden om die tempels op te bouwen met de volgende generatie mee. In een land vol aardbevingen, tsunami’s en tyfoons leefden huizen niet lang maar de Japanse waarden en kennis zijn diep verankerd in de bodem en worden met elke generatie dieper de grond in geduwd. Elaleh beeldde zichzelf in als jong meisje in een veld vol Japanse schrijnen, samen met haar moeder. Haar moeder hield een glazen bokaal vol blaadjes vast. Elaleh reikte uit naar de bokaal, maar haar moeder tilde de bokaal hoger zodat Elaleh er niet bij kon.
‘Dromen zijn zo mooi en leerrijk’, zei hij.
Ze keek op naar Kazemori san. Na twee dagen was het tijd voor haar om verder te gaan. Haar studiereis in Japan was bijna over en over enkele dagen werd ze op haar project in Tokio verwacht. Toch wou ze zich nog voor een laatste keer als een klein nieuwsgierig meisje in een trage wereld voelen, voordat ze zich terug in een hippe designer jurk moest wurmen. Deze oude Japanner deed haar aan haar tante Nastya denken. Haar tante en de oude Japanner waren allebei verhalenvertellers uit een tijd die niet meer bestond, of die je alleen nog maar in verborgen hoekjes terugvond. Zijn vingers dansten nog steeds over het net. Een herinnering waaide op. Tante en ik in een berkenbos. De zon stond hoog,het was nog niet helemaal lente. De oude dikke vrouw gaf haar een glas met berkensap. En Elaleh dronk. Elk jaar nam tante Nastya haar aan het begin van de lente mee naar deze bomen om hun medicijn af te tappen. Berkensap deed je haar en huid glanzen. Totdat ze 21 jaar oud was. Tante Nastya had gezegd dat het tijd was dat Elaleh haar eigen weg vond.
‘Het is wreed dat ze die ziekte de witte droom noemen’, zei Kazemori na een stilte.
Elaleh wendde haar blik van hem af en keek naar haar handen.
‘Een ziekte die zoveel moeders van hun kinderen heeft gescheiden.’ Tranen blonken in zijn ogen, maar geen een rolde over zijn wangen. Hij boog zich nog meer over zijn vissersnet.
Elaleh bleef naar zijn vingers kijken. Ze wou nog niet aan de wereld denken.
‘Ik dacht dat Japan zijn ergste tijd meegemaakt had’, vervolgde de oude Japanner. ‘Het leek dat we de grillen van de natuur stilletjes aan konden bedwingen. Maar dan duiken er altijd nieuwe gevaren op. De witte droom, de Groene Uitbarstingen. De kami laten ons nooit vergeten dat het leven een cyclus is van goede en slechte momenten, van eb en vloed.’
Elaleh keek van het net naar het gezicht van Kazemori san. ‘Ik weet hoe je je voelt. Een kennis van mijn lagere school is ook aan de witte droom gestorven,’ zei ze, ‘en twee andere vrienden zijn in de Groene Uitbarsting in Londen omgekomen. Maar ik probeer er niet aan te denken. De wereld zal beter worden. We zullen weer gelukkig zijn. Elke dag zijn er meer technologische ontdekkingen. Ik ben er zeker van dat ze snel een oplossing zullen vinden.’
De Japanner concentreerde zich weer op zijn net. ‘Hij sprak ook altijd over technologie. Daarom was hij naar Tokio verhuisd. Hij dacht dat hij daar gelukkig zou zijn.’
Elaleh wreef over haar armen. Ze wist niet hoe ze moest reageren.
‘Ben je gelukkig in Londen?’ vroeg hij.
Die vraag verraste haar. ‘Ja. Ik woon daar graag.’
‘Mis je je ouders niet?’
‘Edinburgh is niet zo ver van Londen’, zei Elaleh snel, en dan besefte ze nog eens hoe hard ze hen miste. ‘Ze zijn gelukkig, omdat ik mijn droom volg. Vooral mijn mama is blij, want ze zou hetzelfde doen.’
‘Zijn ze blij dat je in Tokio bent?’
‘Ik ben hier maar voor korte tijd’, zei Elaleh. ‘Ze weten dat ik terugkom.’ Plots dansten onzichtbare vingers over haar ruggengraat. Ze klopte op het hout van de bank. ‘Schots bijgeloof’, mompelde ze en ze bloosde.
‘Je hebt nog geen familie verloren’, begreep de oude Japanner.
Hun blikken ontmoetten elkaar.
‘Nee’, zei Elaleh. Haar hart bonsde in haar oren.
Hij glimlachte en zei iets in het Japans tegen het vissersnet. Dan begon Kazemori san aan een verhaal. ‘Er was eens, en er was eens niet, een prinses zo wit als sneeuw.’
Elaleh wierp een blik op haar horloge. Ze had nog tijd.
‘Ze was niet altijd zo wit geweest. Ooit was ze zo groen als gras dat onder je blote voeten knispert. Zo geel als de reusachtige zonnebloemen van haar vader. Zo roze als een kirrende baby. Zo bruin als de majestueuze beuken in een dreef. Zo oranje als de heerlijk ruikende pompoensoep van haar schattige oma. Zo blauw als de bessen in zijn tuin. Zo rood als zijn lippen. Ooit was de jonge prinses zo. Totdat het rood van zijn lippen ‘ja’ zeiden. Haar geliefde zou trouwen met een ander. Haar kleuren vervaagden in het donkerste van haar ziel en plots was zij niet meer de kleurrijke prinses, maar de Witte Prinses. De kleuren van haar jeugd waren vage herinneringen in een zwart gat, haar glimlach was verloren in een doolhof van onbegrip en haar hart bevond zich in een land waar zij nooit geweest was.’
Elaleh rechtte haar rug, maar onderbrak hem niet.
‘Alleen haar meest loyale dienstmeisjes wisten dat ze deze ziekte had. Elke dag als ze opstond, zo wit als de nacht, hielpen ze haar om haar witheid te verbergen. Ze zat voor haar spiegel en liet haar dienstmeisjes haar lippen zo rood als robijnen verven. Haar ogen zo groen als esmerald. Haar haren zo bruin als hout na regen. Ze kleurden haar gezicht met pigmenten uit het Verre Oosten. Dan bekeek ze zichzelf in de spiegel en als het haar niet beviel, trok ze het masker van haar witte gezicht en liet de dienstmeisjes weer helemaal opnieuw beginnen. Het duurde altijd lang voordat ze eruitzag zoals anderen. Zoals haar ouders en haar onderdanen van haar verwachtten.’
Elaleh zag zichzelf op haar stoel in haar badkamer in Londen zitten. Alles lag voor haar uitgestald. Eyeliner, oogpotlood, een palet met veertig verschillende tinten oogschaduw, elf verschillende kleuren lippenstift, watjes. Onder haar spiegel, in een perfecte lijn wachtten haar 43 flesjes met nagellak.
‘Niemand wist dat ze leed aan wat haar dienstmeisjes de witte droom noemden. Ze zorgde er altijd voor dat ze er voor de buitenwereld piekfijn uitzag.’
Het potje naast haar nagellak bevatte haar recept voor succes.
‘Zelfs niet de man van wie ze hield wist wat zij meemaakte, de man die ging trouwen, de man die haar hart had gebroken.’
Elaleh keek terug naar haar horloge en dan naar de oude Japanner. Ze nam vaak drugs met haar vrienden in Londen. Ze noemden het witte poeder hun vaccin tegen de witte droom. Hoe kon je anders presteren in een competitieve maatschappij? Alleen verborg ze dat voor haar familie. Net zoals de prinses moest Elaleh haar ‘witheid’ geheim houden, want ze wist dat haar familie de waarheid niet aan zou kunnen.
‘Zijn naam was Zinan. Hij was een wijze ridder van goede inborst en hij had een zacht karakter. En toch was hij niet echt dapper en twijfelde hij vaak over zijn beslissingen. Meestal koos hij voor de meest gemakkelijke weg.’
Ze dacht aan haar eerste keer. Een vriend had haar zijn geheim voor succes toevertrouwd nadat ze had gemopperd over de vele deadlines en druk in haar tweede jaar aan de universiteit. Waarom verwachtten haar professoren dat je een heel design in minder dan vijftig uur kon uitwerken? Met zijn hulp leverde ze een design in dat de professor van zijn sokken blies.
‘Eigenlijk weet ik ook niet waarom de prinses Zinan zo bijzonder vond.’
Elaleh knipperde met haar ogen.
‘Ze hadden wel heel wat interesses gemeen en waren allebei aardig, intelligent en nieuwsgierig naar de wereld, maar voor de rest was hij niet zo bijzonder. Het is zelfs verwonderlijk dat hij twee aanbidders had, namelijk de witte prinses en de rijke barones. Haar naam was Benten.’ Hij richtte zich tot Elaleh. ‘Waarom denk je dat hij voor Benten koos?’
‘Ze was mooier’, zei Elaleh. Haar stem trilde. ‘Benten moest beter zijn dan zij. Op vele manieren. Mooier. Slimmer. Avontuurlijker. Grappiger.’
‘Of had de Witte Prinses een laag zelfbeeld?’ merkte de oude man op. ‘Wist Zinan eigenlijk dat ze op hem verliefd was?’
Elaleh schudde haar hoofd. ‘Ik ken dit verhaal niet.’
De oude Japanner glimlachte droevig. ‘De Witte Prinses kreeg de witte droom omdat haar hart gebroken was’, fluisterde hij. ‘Onlangs las ik een artikel waarin stond dat mensen die voor een lange tijd droevig zijn meer kans hebben om de witte droom te krijgen. Als je hart gebroken is, kan witheid gemakkelijker zijn weg vinden via de spleten van je ziel.’
‘Waarom vertel je dit verhaal?’ vroeg Elaleh.
‘Ik kan het niet uitleggen. Het klinkt raar, maar mijn verhalen kiezen mij. Niet andersom. Het lijkt alsof een muze de verhalen in mijn oren fluistert.’
‘Het klinkt alsof het verhaal gebaseerd is op jouw eigen ervaring’, zei Elaleh.
‘Nee’, zei hij snel.
‘Die muze is misschien een schim van je vorig leven.’
Hij knipperde met zijn ogen.
‘Geloof jij niet in een vorig leven? Is reïncarnatie niet boeddhistisch?’ vroeg Elaleh.
‘Vraag dit niet aan een stervende persoon’, zei hij. ‘Die zich meer wil bezighouden met zijn huidige leven.’
Zij sloeg haar ogen neer.
Hij pauzeerde. ‘Wil je dat ik verderga?’
Elaleh knikte.
‘Toen brak de dag van de trouw aan. Het bruidskleed van Benten was rood. Alles op de bruiloft was rood. De Witte Prinses voelde zich ellendig en verstikt, de pijn van haar ziekte voelde aan alsof ze verdronk. In de kerk merkte ze op dat als ze iets aanraakte, de kleuren van het voorwerp wegtrokken van haar vingertoppen. De kleuren leken te sidderen en zinderden als de lucht bij een hittegolf. Andere aanwezigen merkten ook op dat de kleuren onrustig waren. Toen Benten en Zinan het rood van hun lippen uitwisselden, vulde een luid gegil de kerk. Met ogen zo groot als verfpaletten staarde de Kleurrijke Koningin naar haar dochter.’
Elaleh dacht aan haar eigen moeder met haar rode haren voordat ze grijze haren kreeg. Haar fiere houding. Enkel haar kleding vond ze dof en saai.
‘De tranen van de Witte Prinses hadden de valse vliezen van kleuren doen losweken zodat iedereen kon zien hoe wit zij was. Meer mensen begonnen te schreeuwen. Toen riep de Kleurrijke Koningin tot het volk dat ze voor haar dochter zou zorgen.’
Elaleh glimlachte naar de oude Japanner. Een warme gloed spreidde zich van haar vingertoppen tot haar tenen. Elaleh wist dat haar moeder op exact dezelfde manier zou reageren.
‘Onmiddellijk bracht zij de Witte Prinses naar de beste dokter in het koninkrijk. De dokter bestudeerde haar ogen, luisterde naar haar hart en onderzocht de gleuven in haar lippen. Na een knik ging hij achter zijn bureau zitten en drukte zijn vingers tegen elkaar.
‘Wat is er met haar?’ vroeg haar moeder.
‘Ze is stervende’, zei de dokter droog.
Haar moeder werd ook lijkbleek.
‘Kan u haar niet genezen? Ze heeft zo’n beloftevolle toekomst. Ze heeft de grootste onderscheiding, ze heeft de beste vrienden, ze is mooi en heeft veel geld. Waarom zou ze moeten sterven?’
‘Ik kan haar niet helpen’, zei de dokter.
Elaleh zag in haar herinnering haar moeder tieren en schreeuwen tegen haar vader.
‘Hoe lang heb ik nog?’ vroeg de Witte Prinses met een krop in haar keel.
‘Je gaat de lente niet meer halen’, zei de dokter.
Haar moeder gaf de hoop niet op. Haar moeder nam haar mee naar de tuin en liet haar van de bessen proeven, maar ze absorbeerde het blauw niet. Haar grootmoeder gaf haar pompoensoep, maar zij werd niet oranje. Haar opa versierde haar kamer met zijn zonnebloemen, maar het geel bleef niet op haar huid plakken. Haar familie en vrienden namen haar mee op wandelingen onder berken en eiken, maar ze bleef wit. Ze zochten in wouden, cafés, in de huizen van haar vrienden naar kleur maar de prinses bleef wit. De bomen zongen hun mooiste lied voor haar, want ze hielden van haar, maar ze zonk alleen maar dieper en dieper in de ijskoude oceaan van ellende.’
Elaleh huiverde. Ze zag zichzelf als tienjarige in een witte kamer. Tegenover haar zat een psychiater. Hij schreef iets in zijn boek. Elaleh haatte zijn minimalistische stijl. Het interieur was te leeg en ze tekende in haar hoofd uit hoe ze zijn consultatiekamer voller kon doen voelen. Er was meer kleur nodig.
‘Op een grijze dag hoorde haar moeder van één van de dienstmeisjes dat een oude heks de witte droom had overleefd. De koningin nam haar dochter mee naar deze oude heks die op een berg aan het einde van de wereld woonde.’
Elaleh moest onwillekeurig aan tante Nastya denken.
‘De Bergheks glimlachte droevig bij de aanblik van de Witte Prinses. ‘Ik had dit ook’, zei ze. ‘Iedereen dacht dat ik ook zou sterven, maar ik had het geluk om op tijd een tovenaar te ontmoeten. Dé Kleurtovenaar. Hij gaf me alle kleuren van de regenboog.’ ‘Waar kunnen we hem vinden?’ vroeg de moeder snel. De Bergheks glimlachte geheimzinnig. ‘Ik moet het antwoord schuldig blijven. Ik weet niet waar de Kleurtovenaar is.’ Ze stond van haar zetel op, ging naar de open haard en gooide houtblokken in het vuur. ‘Ik heb het gerucht opgevangen dat hij zo ontdaan was van de dood van zijn kat dat hij in negen stukken versplinterde. Het was een zeer speciale kat. Deze stukken liggen over de hele wereld verspreid, maar ik heb geen idee waar.’ De Koningin richtte zich tot de Witte Prinses. ‘Jij moet op reis gaan en alle stukken van de Kleurtovenaar vinden, zodat je hem weer heel kan maken en zodat hij jou kan genezen.’
‘Ja, dat begrijp ik maar waar begin ik?’ ‘Ik weet wat je bedoelt’, zei de Bergheks. ‘Tot enkele jaren geleden heb ik heel de wereld afgereisd omdat ik op zoek was naar iets, maar ik wist niet wat ik zocht en waar ik moest zoeken. Er is een leegte in ons allemaal, een witheid, die af en toe naar de oppervlakte drijft. Het is ons doel om deze leegte te kleuren en op te vullen met alle geluk van de wereld.’ Ze zuchtte. ‘Jij hebt deze leegheid voor zo lang genegeerd dat de de witheid in jou is geïnfecteerd tot een dodelijke ziekte… die alleen jij kan genezen.’
De oude Japanner legde zijn vissersnet neer.
Elaleh wachtte op een vervolg. ‘Hoe eindigt het?’ vroeg ze uiteindelijk.
‘Waarom vertel jij het me niet?’ vroeg Kazemori san.
Elaleh lachte. ‘Ik ben geen verhalenverteller’, zei ze.
‘Maar je schrijft.’
‘Ik schrijf blogs over lifestyle en interieur’, zei ze. ‘Niet over katten, en…’
Elaleh onderbrak haar zin omdat ze was afgeleid door een herinnering die plots opwelde. Het was een herinnering aan een nachtmerrie uit haar kindertijd. Ze zag een grasveld. De berken. Ze wandelde door het bos. Ze zag de oude man die op een boom leek. Hij stak zijn rechterhand naar haar uit. Zijn grijns was vals. Toen begonnen de bomen van het bos te dansen. Ze schrok toen de wortels en de takken met een flinke slag de oude man vermorzelden. Ze huiverde en keek Kazemori san aan. Hij knikte.
‘Er is een leegte in ons allemaal,’ herhaalde hij, ‘een witheid die af en toe naar de oppervlakte drijft.’
De handen en rug van Elaleh verkrampten. Soms had ze het gevoel dat de Japanse man haar gedachten kon lezen. Zijn metaforen raakten haar keer op keer.
‘Goed. Als lifestyleblogger zou ik haar adviseren om naar de plek te gaan waarvoor ze het meest bang is,’ zei Elaleh, ‘want vaak bevinden verborgen schatten zich buiten de grenzen van onze comfortzone.’
‘Zoals in Aokigahara’, zei Kazemori san.
Die naam gaf haar rillingen. De afgelopen dagen waren ze vaak langs dit dichte bos gelopen. Ze kende de reputatie van het bos voor ze dit Japanse prefectuur had bezocht. Sinds het verschijnen van de roman Kuroi Jukai, ofwel de Zwarte Zee van Bomen in 1960, pleegden veel Japanners hier zelfmoord. In de negentiende eeuw werd hier ook ubasute gepleegd, een soort van euthanasie waarbij jonge mensen ouderen in het bos droegen en hen daar lieten sterven. Kwaadaardige geesten lokten onschuldige zielen van het bewandelde pad. Elaleh had er elke keer stemmen gehoord. De stemmen klonken niet menselijk.
‘Dat is inderdaad een enge plek’, zei Elaleh.
‘Je weet wat je te doen staat’, zei hij.
‘Wat bedoel je?’
‘Het bos roept je.’
Een rilling liep over haar rug, alsof iemand zojuist over haar graf was gestapt.
‘Ik begrijp niet wat je bedoelt’, herhaalde Elaleh voorzichtig.
‘Ik begrijp het ook niet allemaal’, zei de oude Japanner. ‘Pas alleen op. De geesten lokken graag jonge mensen. Soms denk ik dat mijn zoon naar Tokio is gevlucht omdat hij bang was voor de geesten in dat bos.’
‘Ik geloof niet in geesten’, zei Elaleh.
De oude Japanner glimlachte. Hij stond op en maakte een lichte buiging. ‘Itterasshai!’
Elaleh en hij namen afscheid. Hij wandelde als eerste weg. Elaleh bleef nog een tijdje op de bank zitten. Waarom ben je zo bang? vroeg ze zich af. Het zit allemaal in je hoofd. Je bent beter dan dit. Ze stond op. Je bent geen klein meisje meer. Dan glimlachte ze.
Een halfuur later zat Elaleh op de bus naar Kawaguchiko. Tussen haar benen klemde ze een grote feloranje rugzak. Ze reden langs Aokigahara en Elaleh drukte op de bel. Ze schrok van haar impulsieve beslissing, maar tegelijkertijd tintelden haar handen en voeten van de opwinding. Ze stapte uit de busen zocht naar de ingang van het donkere bos. Toen Elaleh het spookbos betrad beklemde een onheilspellend gevoel haar borstkas. Dit bos was een plaats waar, net zoals bij de zee, zonneschijn alleen in bepaalde hoeken fonkelde. De bomen leken vreemd want hun kronkelende wortels en stammen weken alle kanten uit. Ze wist dat de bomen zo vreemd waren omwille van de vulkanische grond. Dat had ze van haar vader geleerd. Normaal gezien konden zulke weetjes haar niet boeien. Ze was geen geoloog maar een interieur designer. Ze hield niet van rauwe, maar van bewerkte producten. De grond voelde bevroren aan en overal lagen er reusachtige rotsblokken. Sommige bomen waren met mos bedekt. Tante Nastya had haar geleerd dat mos zure grond en water betekent. In Japan was mos het symbool van het eeuwige en daarom zag je zoveel mos in hun tuinen. Ook lagen er overal takken, schors en houtblokken van de berkenboom. Alsof iemand die daar had gelegd. Ze vroeg zich af of Japanners ook een speciale relatie hadden met berkenbomen. Ze wist dat ze de kerselaars in de lente tijdens picknicks bewonderden en vooral de geur van ceders en cipressen in hun haiku’s ophemelden. Maar berkenbomen? Elaleh zuchtte. Het was niet alleen stil; ze hoorde geen enkel vreemd geluid. Meer zelfs, ze hoorde helemaal niets, alsof iemand de volumeknop had toegedraaid in het bos. Na een tijdje begon ze haar hart te horen in haar borstkas. Het kloppende geluid maakte haar nerveus.
Er was geen enkel teken van leven. Er was een pad en dat nam ze. Bij elke stap die ze zette, klopte haar hart sneller. Ze versnelde haar passen want ze wou deze test zo snel mogelijk achter de rug hebben. Ze wist niet meer waarom ze hier was. Waarom deed ze zichzelf zoiets aan? Wat had ze verwacht? Dan hield ze halt. Ze werd overspoeld door gedachten. Talloze herinneringen van haar bezoek aan de kinderpsychiater prikkelden haar geheugen en haar ogen prikten van de opwellende tranen. Toen ze negen jaar oud was, vonden ze dat ze teveel fantasie had.
‘Maar het is waar’, zei ze luidop. ‘De bomen hebben die man vermoord.’ Ze haalde diep adem. ‘Ze hebben me gered.’
En op dat moment wist Elaleh dat ze niet bang moest zijn voor de bomen. Plots zag ze iets in de verte fonkelen. Ze begon terug te wandelen, het fonkelend object tegemoet en bevroor ter plekke door een immense bewondering voor wat ze daar zag. Een jonge dennenboom, zo oud als zij, was omringd door duizenden monotropastri,.Witte paddestoelachtige planten die Elaleh aan feeën deed denken. Ze zijn wit, omdat ze geen bladgroenkorrels gebruiken om nutriënten uit ontbonden materiaal te halen. Ze deed haar rugzak af en hurkte neer om haar fototoestel en een klein statief eruit te halen. Ze had een geweldig idee voor een volgende post op haar instagram account. Ze zette het statief op een rots en nam enkele foto’s van zichzelf en de monotropastri. Toen ze controleerde of dat ze juist en mooi op beeld stond, merkte ze dat een van de planten boven haar roze kleurde. De plant was op twee meter hoogte. Ze liet haar haar camera en statief achter en beklom een rotsblok om de roze plant van dichter te bestuderen. Zodra ze de plant zag, hoorde ze iets.
Elaleh, waar is je mama?
De stem kwam van de dennenboom. Haar ogen sperden open van angst en ze viel bijna van de rotsblok, maar greep zich snel vast aan een boomstam binnen haar handbereik. Dan liet ze de boom los en klauterde omlaag. Ze schoot naar haar rugzak en wou de camera en het statief nemen, maar merkte dat die een meter verder stonden dan daarnet. Ze graaide naar de camera en het statief, en liep zo snel mogelijk het woud uit. Zodra ze uit het bos was, bleef ze stappen totdat ze de adem van de bomen niet meer in haar nek voelde.
Nog geen twee uur later bevond ze zich in een snelheidstrein naar Tokio. Pas daar durfde ze naar de foto’s van Aokigahara te kijken. Ze hapte naar adem, toen ze een foto van zichzelf op de rots bij de dennenboom trof.
