De meisjes hebben de sigaretten weer keurig neergezet, ziet hij als hij rechtop gaat zitten. Hij hoorde ze wel bezig, kleine vlugge geluiden in de kamer om zich heen, terwijl hij in de luie stoel zat te soezen. Johan hoorde hij ook, dat klonk anders, aarzelend als de pakjes sigaretten werden opgescheurd. Die jongen weet jongens- en meisjeszaken niet van elkaar te onderscheiden. Hij deed het nog eens verkeerd ook, zette de Engelse- en de Amerikaanse sigaretten gewoon door elkaar heen. Hij hoorde tenminste hoe er even gepraat werd, zachtjes natuurlijk, ze willen hem niet wakker maken. Geertje corrigeerde hem. Maar het resultaat is mooi, ziet hij nu, alles staat netjes op tafel. Laat de gasten maar komen, ook al zijn het de brave broers en zussen van Mies. Het kan natuurlijk zijn dat Johan dat verlegene van die kant heeft, ze zijn daar allemaal zo ingehouden.
Later op de avond zit het hele huis vol en inderdaad, er is veel geroezemoes, praten kunnen ze wel, die schoonfamilie van hem, maar het is bedaard, rustig. Soms wordt hij er kregelig van. Gelukkig komt zijn broer naast hem zitten, al is Piet zelf ook graag beschaafd, een heer. Nou, je bent niet meer dan een melkboer, zou hij willen zeggen. Maar hij doet het niet, Piet is wezen kijken, van de week, op een doordeweekse avond met de bus uit Amsterdam gekomen om de voorstelling te zien. “Je maakte er weer iets moois van, Toon,” zegt hij nu. Dat is Piet, altijd complimenteus. “Ach, het was maar een klein rolletje,” zegt hij. Een caféhouder heeft hij al zo dikwijls gespeeld. Je bent geschminkt, je krijgt een obersjasje aan, je jongleert met wat glazen achter een bar, en af en toe zeg je wat. Zijn stem is nooit het probleem, hoewel dat mens van het krantje juist vindt dat hij te hard praat. Hoe kun je op het toneel te hard spreken? De mensen op de achterste rij moeten je ook kunnen verstaan! “Wil je een borreltje, Piet?” vraagt hij en hij zwaait al naar Geertje: “Een jonkie voor je oom,” zegt hij. “Vlug, een beetje.”
Eigenlijk wil hij het niet over het toneel hebben. Het is een mooi stuk, “Waar de ster bleef stille staan”, maar hij had maar een kleine rol. Hij had het stuk gekozen vanwege de rol die er voor een kind in zit. Het kindje Jezus ligt in de kribbe, en later heeft het even tekst. Hij had meteen aan Johan gedacht, toen hij het las. Zo groot is hij niet, hij had heus wel in de kribbe kunnen liggen en zijn debuut kunnen maken. Maar de jongen wilde niet. “Hij is nog maar acht jaar, laat die jongen toch,” had Mies gezegd. Heeft verdorie zijn neef in de kribbe gelegen, die is even oud. Reken maar dat zijn zwager daarmee pronkt op het dorp. Hij is van zichzelf toch al een praatjesmaker. Hij legt het op de repetities niet echt aan met dat mens van Spanjaard, maar zit haar wel te voeren, zodat ze voortdurend in de schijnwerpers staat. Die man van haar wil ook bij de club, nou, misschien kan hij als butler een keer meespelen, voor iets anders is hij niet geschikt. “Die Spanjaard is gewoon een lulhannes,” zegt hij tegen zijn broer. “Hij komt toch bij jou uit de buurt? Nou sinds vorig jaar wonen ze hier in de Spechtstraat. Ik zie hem elke dag op zijn fietsie naar de stad gaan. Die man heeft bij dat wijf van hem niets te vertellen.” Hij weet wel dat zijn broer niet van zulke praatjes houdt, Piet houdt het graag netjes. Nou, hijzelf ook, maar om de waarheid draait hij niet heen. Vorige week kwam Johan thuis van voetbaltraining. Was hij helemaal opgetogen over wat hij geleerd had. Links aannemen, rechts schieten, had die plurk van een Spanjaard hem voetballes gegeven. Heeft die kerel soms vroeger in het eerste van Pancratius gespeeld? Nee toch. Nou, hij mooi wel. En niks links aannemen, rechts schieten. Gewoon in één keer op het doel knallen, dat was zijn tactiek. Heeft hij ook aan Johan gezegd. Je moet er niet omheen draaien, gewoon er tegen aan. Zo doet Billy Wright het ook, de aanvoerder van het Engelse elftal.
Ineens ziet hij zijn zoon door de kamer lopen. Is het al bedtijd? Johan heeft moeite tussen de stoelen en tafels door te komen, overal zitten mensen die niet opzij gaan voor zo’n kleine jongen. Hij doet ook zo vreselijk voorzichtig, duwt geen mens eens flink opzij, probeert zich nog kleiner te maken dan hij al is. Die jongen moet eens voor zichzelf op durven komen. Hij kan echt wel wat, hij moet alleen durven. Hij moet gewoon eens opgepord worden. Nu is Johan vlakbij hem. “Kom eens hier, Billy,” zegt hij en hij trekt zijn zoon op zijn schoot. “Vertel je ooms en tantes eens wat je van de week geleerd hebt van Dick Spanjaard?”
Stilte, natuurlijk, hij had het kunnen weten, die doet weer geen mond open. En kijk eens naar Wim. Hij is nog wel Mies haar lievelingsbroer. Die zit verdorie naar Johan te knipogen. Wat zullen we nou beleven? “Kom op, jongen, “ zegt hij, “laat je eens horen. Vertel dan maar over de geschiedenisles op school, wanneer was de Slag bij Nieuwpoort?” Praten zal hij, al moet hij het uit hem persen. “Nou, doe je mond eens open. Je hebt toch een tong? Of niet soms?” Hij hoort de stilte in de kamer, reken maar dat Mies naar hem zit te kijken. En wat dan nog, hij is de vader, hij probeert die jongen gewoon aan het praten te krijgen.
Met een snelle beweging schiet Johan tussen zijn handen vandaan. Hij probeert hem te grijpen, gooit een glas om. “Ik ga naar bed,” hoort hij. Kijk hoe hij wegvlucht. Hij schreeuwt, hij ziet Wim en de anderen wel kijken, Piet ook, zijn broer, maar hij houdt het niet tegen. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen,” schreeuwt hij. Te laat, Johan is al de kamer uit. Rie schuift haar stoel weer voor de deur die naar de trap leidt. Nee, hij gaat heus niet achter hem aan. Mies wel, ze buigt zich naar haar zus en die laat haar er langs. Mies gaat de boel natuurlijk sussen. Zo gaat het hier altijd.