Jan Loogman

Gebruikersnaam Jan Loogman

Teksten

vervolg Er Zijn (Jan Loogman)

Tussen de C en A-tjes van Verlaan en Van Tuyll glanst het Van Gilspak van de oude provo. Hij heeft er daar meer dan één van, en zelfs Johan vraagt zich af waar het allemaal van betaalt.   Legwaard is de eerste die zich weer naar de tafel draait. “Nou, dan kan je beginnen,” zegt hij tegen Brakel. “Johan is er.” “Nee, Arno,” roept Johan vanuit de deuropening, “eerst koffie.” Weg is hij weer, hij hoort hoe de anderen hun stoel achteruitschuiven. Ze komen achter hem aan naar de koffieautomaat, ganzen achter hun aanvoerder.   Een uur lang laat hij de bespreking zijn gang gaan. Van Tuyll en Van den Hoop hebben van de week verschillende uitvoeringskantoren bezocht om over de voorgenomen wetswijziging te praten. Volstrekt onuitvoerbaar is de conclusie en ze brengen hem met veel gesteun over tafel. Verlaan merkt op dat het ministerie daar geen oor voor zal hebben, maar verliest zich op zijn beurt in geneuzel over begripsomschrijvingen in het wetsvoorstel. Legwaard zegt om de paar minuten dat Brakel stelling moet nemen tegenover die bureaugeleerden. Daar bedoelt hij de medewerkers van het ministerie mee. Als het zo doorgaat, gaan ze zonder plan naar het overleg met het ministerie. Dat lijkt Brakel zich nu ook te realiseren. Hij slaat op de tafel, pure nervositeit natuurlijk. Het gekakel valt stil. Johan kijkt om zich heen, dit is zijn moment, hij schraapt zijn keel, Brakel en de anderen kijken hem verwachtingsvol aan. “If you can’t beat them, join them,”zegt Johan, hij leunt achterover, alsof daarmee alles gezegd is. Nee, hij neemt toch de moeite door te praten.   “Ik heb gisteravond zitten klaverjassen,” zegt hij. “Oude vrienden, vroeger speelden we elke week. Alle drie hebben ze op het Museumplein gestaan, prima vind ik dat. Maar wij in dit pieplandje kunnen de bewapeningswedloop natuurlijk niet stoppen. Het spel wordt gespeeld tussen de grote landen, wij zijn geen deelnemer, dus waarom zou een van hen naar ons luisteren? We kunnen de Amerikanen niet dwingen, we moeten met hen meebuigen. Misschien luisteren ze dan een keer naar ons. Dat is wat ik bedoel.” Hij stopt met praten, alsof hij een reactie verwacht, begrip, iemand die de lijn oppakt, die hij heeft ingezet, maar het blijft stil. Brakel knikt, misschien teleurgesteld. Is dit Johan, de man van de klare lijn?   Maar Johan is niet uit het veld geslagen. “Die begripsomschrijvingen, dat is een goed punt,” zegt hij. Hij voelt hoe Verlaan hem stomverbaasd aankijkt, maar hij gaat door. “Dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is, zoals Van Tuyll beweert, klopt ook. En toch, daar kunnen we allemaal niet mee aankomen bij het ministerie. We moeten het anders aanpakken. Het ministerie moet de wet wijzigen, dat wil de politiek, niemand wil van ons bezwaren horen. Tegen de wind in pissen, dat lukt nooit. Daarom: If you can’t beat them, join them. Zij willen zo snel mogelijk de wet wijzigen, wij gaan laten zien hoe het sneller en effectiever kan.“ Hij kijkt naar Brakel. “Nou, zullen we maar vertrekken?”   Het is lang geleden, de bebouwing op het VVA-terrein is zijn nieuwe glans al jaren kwijt. In de verte staat het aquarium er onttakeld bij. Even hoort hij de stem van Dorien: “Denk eens aan de talenten die je hebt verspild.” Na zijn carrièreswitch, want zo noemt hij het tegenwoordig, in 1994, heeft hij mensen op posities zien komen, die voor hem bestemd waren geweest. Vaak genoeg waren dat mensen die hij niet erg hoog inschatte. Ze kunnen tenminste één ding beter dan jij, houdt hij zichzelf telkens weer voor, ze slapen ’s nachts. Ze hebben een talent dat jij mist, een dikke huid. Als lyceist kon hij de hoge stem van Jacques van der Made al niet verdragen, de woede van zijn vader drong rechtstreeks tot hem door. Toch, als hij indertijd zijn huid niet zelf had opengekrabd, zou hij dan een doorgaande route naar de top hebben gehad, zou hij dan zijn talenten beter hebben benut dan hij nu heeft gedaan? Hij denkt aan zijn vroegere collega Abdoel, een Hindoestaan die op zijn dertigste in pole-position klaarstond. Ergens tijdens de race heeft Abdoel zichzelf overvraagd en nu, twintig jaar na zijn burn-out, beklaagt hij zich nog altijd over de tegenslag die hij heeft gehad. Een keuze voor het ongeluk, vindt hij Abdoels leven. Zelf heeft hij een andere route gekozen. Een stap terug toen de last hem teveel werd, ook al begreep hij niet wat er met hem aan de hand was. Een intuïtieve keuze, lang voordat hij Jo leerde kennen die zijn intuïtie zo krachtig noemt.   Hij zou naar huis willen, haar zien, maar hij stapt uit de metro, loopt naar zijn tijdelijke collega’s.  Ze tonen zich benieuwd. Heeft hij hun standpunt verdedigd? Natuurlijk, zegt hij. “Jullie dossiers zijn mijn uitdaging!” Ze lachen. “Is het gelukt?” vragen ze. “O, ja,” zegt hij, “Appeltje-eitje.”   5. 1974 Hij fietst tegen de hoge brug bij Carré op. Niet alleen de helling werkt hem tegen, ook de wind lijkt hem terug naar huis te willen waaien. Bijna valt hij met fiets en al om. Bovenaan houdt hij de pedalen stil, even in volmaakt evenwicht voordat zijn vaart door de afdaling vanzelf zou toenemen. In dat ogenblik kijkt hij vooruit. Vanaf de Sarphatistraat komt zij aangelopen, het meisje dat hem in de studiezaal telkens weer opvalt. Ze draagt haar beige houtje-touwtje jas. Zijn fiets versnelt, hij vliegt naar haar toe. Ze kijkt op en lacht als hij voorbijsnelt.   Een week later treffen ze elkaar in de rij voor de koffie in de pauze van het college. De ontmoeting bij de brug is een gemakkelijk onderwerp. Hij heeft intussen aan de open plek in het zangkoortje gedacht. “Kun je zingen,” vraagt hij. Er verschijnen kuiltjes in haar wangen, ze lacht. “Hoog en laag,” zegt ze en ze zet meteen in. “Wacht even,” zegt hij en ze lopen naar buiten. Tussen de boekenstalletjes van de Oudemanhuispoort zingt ze zuiver als een lijster.   Een paar weken later zijn ze een stel. Na een van de koorrepetities gaat hij met haar mee naar haar kamer. De puinhoop daar treft hem onverwacht. Haar melodieuze stem, de goed verzorgde medeklinkers, de open klinkers, de degelijke jas en ook het rokje dat zij droeg, hij heeft een netjes opgeruimde kamer verwacht, niet deze ruimte waar een mens niet zomaar kan binnenstappen. “Een blind paard zou hier zeker schade kunnen aanrichten,” zegt zij als zij hem ziet aarzelen. Plantjes op kweek in kleine potten, tubes verf liggen zonder dop uit te drogen, overal kleren, een ezel in het midden van de kamer. “Schuif maar wat opzij,” zegt ze. Na die avond blijft hij vaker slapen, zij schuift wat spullen opzij, hij schroeft dopjes op verftubes. “Maak je geen zorgen,” zegt zij als hij wakker ligt omdat hij de volgende dag als student-assistent gaat solliciteren. Ze zingt een Beatle-liedje voor hem: “Blackbird singing in the dead of night / Take these broken wings and learn to fly / All your life / You were only waiting for this moment to arise.”   Een paar weken later neemt ze hem mee naar haar ouders. Op het treinperron in Ede staat een lange, magere man hen op te wachten. Hij draagt ook al een houtje-touwtje jas, een donkerblauwe. Vader en dochter kussen elkaar, en daarna schudden de twee mannen elkaar de hand. In de auto zit Johan alleen achterin, maar de vader betrekt hem in het gesprek. Gewoon, over de reis, geen moeilijke onderwerpen. Haar broers zijn gelukkig niet thuis, dat had hij zo’n eerste keer misschien wat veel gevonden. Nu trekt haar moeder de deur voor hen open, een kleine vrouw met een brilletje met van die halve glazen op haar neus. Ze draagt een broek en gymschoenen. “Ik zit al aan de borrel,“ zegt ze. “Wat drink jij?”                                                                        * Sindsdien komt hij er regelmatig. In de herfst zijn er gepofte kastanjes en brandt de open haard. De moeder drinkt sherry, de fles heeft ze naast zich op de grond staan. De vader beheert de jeneverfles, hij schenkt Johan en Sacha regelmatig bij. Dit stel, zo overduidelijk behorend tot de betere standen, pakt de kastanjes gewoon met hun hand, halen hem even door de boter, en smikkelen maar. Natuurlijk, er ligt altijd een servet in je buurt, zodat je even je handen kunt afvegen. Of je mond. Op een keer zitten ze aan het avondeten, zuurkool met klapstuk en worst. Ze schenken er witte wijn bij, in mooie, lichtgroene glazen. Ineens zegt Sacha’s moeder: “O, Johan, heb ik jou geen servet gegeven?” Verbaasd kijkt hij haar aan, want naast zijn bord ligt het wit servet, dat ziet zij toch ook wel? Hij houdt het even omhoog, ze knikt, een beetje beschaamd lijkt het. Als hij weer een slok uit zijn glas wil nemen, ziet hij de vetvlekken op de rand en dan valt bij hem het kwartje. Even is hij toch de jongen uit de mindere standen geweest. Maar zij, Sacha’s moeder? Ja, eigenlijk was zij even haar goede manieren kwijt geweest, uit verwarring waarschijnlijk, denkt hij. Ze heeft zich niet kunnen voorstellen dat hij niet wist dat je je mond even afveegt voordat je drinkt.   Maar toch, hij is bij hen op zijn gemak. Wat hij eerder niet kende, dat is een gesprek in de huiskamer dat niet over de plaatselijke voetbalclub gaat. Een gesprek waarin andere mensen genoemd kunnen worden zonder te spotten over hun afkomst, hun uiterlijk, hun accent. Over zijn studie en zijn werk als student-assistent stellen Sacha’s ouders vragen zonder angst of het hem wel zal lukken, of hij wel zal slagen. Van de week hebben Sacha en hij hen verteld dat ze een kind verwachten. Vier zoenen krijgt hij, twee van haar moeder en twee van haar vader. Er glinsteren tranen achter de brillenglazen, maar wat ze zeggen, is: “Daar drinken we een borrel op!” Alle vertrouwen hebben ze in hem, en ook Sacha gaat ervan uit dat hij slaagt in wat hij aanpakt. Als hij aan zichzelf twijfelt, is ze boos: “Houd toch op!”   6. Overhead Value Analysis, 1991 “Mijn vader was een schillenboer,” hoe graag zou hij zijn presentatie met deze zin beginnen. Zouden de blazers en de mantelpakjes opkijken? Zouden ze hem serieus nemen? Nemen ze hem nu serieus? Hij wijst naar het projectiescherm waarop de eerste dia oplicht. “Twintig gesprekken met keuringsartsen” staat er. “Overhead Value Analysis,” zegt hij, “de methode om bijdragen van staf – en adviesdiensten in organisaties te meten. Goed toepasbaar op uw werk, u bent immers geen keuringsartsen, u doet niet zelf het werk waarmee ons bedrijf zijn geld verdient.“   “Jij toch ook niet,” hoort hij roepen. Hij kijkt rond. Een snor in een uitgezakte jasje. “Heel juist opgemerkt,” zegt hij, “en als goed opgeleide academici weet u dat spelen op de man in de argumentatieleer niet telt.” Het is nu zaak helder te blijven, hij moet het beter doen dan gisteravond. Sacha zei letterlijk hetzelfde als die uitgezakte snor. “Jij toch ook niet,” wierp ze hem voor de voeten toen hij haar verweet zich niet volledig in te zetten voor hun huwelijk. “Wat zoek jij bij al die vriendinnen?” Met zijn stomme kop vertelde hij haar dat dat precies de vraag was die een van zijn vriendinnen hem ook gesteld had. “Ik wil het niet horen,” riep ze. Jammer, hij zou het antwoord wel willen weten.   “Ik ben geen arts,” zegt hij, “maar ik heb met keuringsartsen gesproken, twintig gesprekken in de laatste twee maanden.” Hij wijst naar de tweede dia: “En daarnaast gesprekken met  twaalf van u. Ik heb bovendien de cijfers erbij gehaald. Van mij mag u denken wat u wilt, al is het geen nieuws dat ik geen arts ben en u wel. Ik schrijf nergens dat u overbodig bent. Ik neem geen besluiten over uw functie. “ Even hoort hij de man naast zich schuiven op zijn stoel, maar hij wijst niet naar hem, hij praat gewoon door. “Ik schrijf dat u als adviserend chirurgen in vijf procent van de keuringszaken wordt ingeschakeld, dat het gemiddeld zes weken duurt voor uw advies er is, en dat dit advies in vier/vijfde van die zaken gelijk is aan de voorlopige conclusie van de keuringsarts. Verder heb ik de kosten van uw werk in beeld gebracht. Wat daarna de vraag is, of de organisatie deze tamelijk hoge kosten over heeft voor uw bijdrage. Dat is Overhead Value Analysis en om die uit te voeren hoef je geen arts te zijn.”   Het zweet loopt over zijn rug. Hoe komt het dat hij voor een zaal van vijftig boze artsen een strak betoog weet te houden en dat dit hem gisterenavond tegenover Sacha niet lukte? “Waarom ben ik niet genoeg voor jou?” vroeg ze, en hij was dom genoeg om met veel omhaal van woorden naar een antwoord te gaan zoeken. Terwijl haar vraag al een antwoord is. Dat had hij moeten zeggen, natuurlijk, het antwoord op de vraag of ons huwelijk toekomst heeft. “Het gaat niet over mij,” had hij moeten zeggen, “het gaat over ons.” Nu heeft hij dat wel helder, hij kijkt nog eens naar de blazers en de mantelpakjes. “Ik begrijp heel goed dat het een hard verhaal is voor u,” zegt hij, “en het lijkt me verstandig als u er voluit op reageert. Maar het is niet handig als u het alleen maar over mij heeft. Het gaat niet om mij, het gaat om u.” Hij heeft zijn werk gedaan, het is nu aan de man naast hem om besluiten te gaan nemen. Hij doet maar, denkt Johan, ik wil naar huis. Samen met Sacha de meisjes gaan zeggen dat we apart gaan wonen. Misschien zullen ze naar de reden vragen. Sacha kan beginnen over zijn vriendinnen, maar hij – wat kan hij zeggen? Het is de wraak van de zoon van de schillenboer op de dochter van de professor. Het is de wens alleen mijn leven te leiden – “samen met jullie natuurlijk,” zal hij er haastig aan toevoegen, “maar zonder een andere volwassene.” Ze zullen het niet begrijpen. Waar komt die wens vandaan?   7.      Een kom voor in de keuken Wie een handgranaat naar zijn hoofd krijgt, stelt beter geen vragen. Anders volgt er misschien nog een. Toch, hij moet zich bedwingen om stil te blijven. Hoe kan het? Maar hij stelt de vraag niet, hij beseft het vrijwel meteen, het moment dat ze zei dat het veilig was. Ze telde haar dagen altijd. Hij is in de val getrapt. Vrijen op het ritme van de natuur. Schijnheilige sodemieter. Hij staat op, ongetwijfeld kijkt ze nu naar hem, speurend naar zijn reactie. Nou, vooruit dan. Hij schopt de buitendeur open en vertrekt.   De eerste keer dat hij op bezoek kwam, heeft hij verdomd lang moeten zoeken voordat hij het toegangshekje zag. “Het gaat op in de natuur,” zei zij even later, nadat hij het toch gevonden had en het houten huis tussen de duintjes had bereikt. Zo moeizaam als hij de weg vond, zo gemakkelijk bleek het om te blijven. Je kunt hier de zee horen ruisen, de wind door de duintoppen horen waaien. Als hij hier is, voelt hij zich deel van de natuur. Hij is bevrijd van de moeizame gedachten over ouderschap, co-ouderschap, verdeling van boeken, platen, planten. Is het verstandig dat Sacha en hij dezelfde advocaat nemen, moeten zij nu juist niet de loopgraven betrekken, elkaar zwart gaan maken, elkaar het leven zuur maken? Hier is de verwarring ver van hem, hier is een vrijplaats. Hij kent intussen de weg en fietst tegenwoordig rechtstreeks op het toegangshekje af, soepel slaat hij zijn been achter zich over de lastdrager en begint te steppen, van het pad af, een duw met het voorwiel tegen het hekje dat meegeeft, opengaat. In het zand smoort zijn vaart. Hij zet zijn fiets tegen de berk.   Voordat hij de deur kan openen, is zij er al. De haren, halflang tot op haar schouders, hij haalt zijn handen erdoor; licht- verglijdt in donkerblond. Ze drukt zich tegen hem aan en hij is stil. Zo staan, niet bewegen, niet naar voren, evenmin achteruit. Alleen dit moment waarin hij alle sores kan vergeten. Geen gedachten aan de kinderen, geen gedachten aan Sacha. Alleen dit moment.   Maar vandaag stapt zij naar achteren en gaat het huis in, de krappe hal die ook als keuken dienst doet. Hij volgt haar. Valt hij voorover, dan ligt hij op bed. Het is de beste keuze, het is waar hij voor komt, en ook, verbeeldt hij zich, waarom zij wil dat hij hier komt. Maar zij gaat die kant niet op, en ook hij beweegt naar links, achter haar aan, de kamer in. Wat is er aan de hand? Waarom koerst zij naar de woonkamer? Pas als ze gaat zitten op het tweezitsbankje, draait ze zich naar hem om. Ze slaat met haar hand op de plek naast zich. “Kom zitten.” Hij is niet gek, hij kent de theorie rond slecht – en goed nieuwsgesprekken, hij herkent de signalen. Slecht nieuws vertel je het best meteen, en dat is wat ze nu gaat doen. Nou ja, einde van een leuke relatie, een fijne afleiding, hij heeft ervan genoten. Misschien verwachtte zij er meer van dan hij, hij heeft het wel gehoord, dat ze de vier woorden zei: “Ik hou van jou.” Vorige week nog, toen ze bij hem in bed lagen. Zelf heeft hij ze zorgvuldig vermeden. Hij zal haar teleurgesteld hebben. Hoe kon hij anders, een vrijplaats is een illusie. Maar hij zal de gepaste tegenwerpingen maken, het is niet nodig haar te kwetsen door te laten merken dat het hem niet veel uitmaakt, al is het natuurlijk jammer van de omgeving, dat zei ze goed die eerste keer. Het gaat hier op in de natuur, heerlijk is dat. Maar voor haar een ander, of niemand. Misschien is dat het beste, vrouwen verwachten altijd weer iets van je. Mooi is ze wel, wat dat betreft is het jammer. Maar schoonheid, hoe zei Lucebert het ook alweer: “In deze tijd heeft schoonheid haar gezicht verbrand.” Inderdaad, ze heeft haar neus gestoten. Goed dat ze op tijd inziet dat er geen echte relatie inzit, tussen hen. Ze wacht trouwens wel erg lang, mist hij iets? Och ja, het spel moet gespeeld worden, hij moet haar aankijken, dan zal ze het zeggen.   Maar als hij haar in het gezicht kijkt, zegt ze: “Ik ben zwanger.”   Hij antwoordt niet. Wat heeft het voor zin? Hij weet dat ze kijkt, schopt de buitendeur open en is vertrokken. Een begrijpelijke reactie zal ze denken. Ze zal denken dat het nieuws hem overvalt. Wat natuurlijk ook zo is. Zei ze dat zojuist al niet? “Neem je tijd om je ervoor open te stellen,” hij weet zeker dat hij haar dat heeft horen zeggen. Dat is waarom de trap tegen de deur hem geen moeite kostte. Maar “zich openstellen”? Ammehoela.   Wanneer hij thuiskomt, een uur later, op de agenebbisj verdieping die hij nog twee maanden lang zijn huis moet noemen, loopt hij naar de vensterbank en pakt de aardewerken kom op. Wist zij het al, toen zij hem de kom gaf? Hij had haar van de trein gehaald, een eeuwigheid geleden, ver voor de handgranaat. Vorige week woensdag. Ze was naar haar vader geweest, een bezoek dat hem verbaasd had en dat hij nu in een ander licht ziet. Wilde zij de man blij maken? Toen ze terugkwam, had hij op het station geïnformeerd hoe het bezoek verlopen was. “Ach, het blijft een vreemde man,” had ze gezegd. Hij had niet verder gevraagd, voorlopig hoefde hij niets van mogelijke schoonfamilie te weten. Sterker nog, hij had geen behoefte aan schoonfamilie. Als die er was, dan was er een relatie en daar tekende hij voorlopig niet voor. “Waarom wil je scheiden,” had Sacha gevraagd en hij had niets anders kunnen bedenken dan dat hij alleen wilde leven. “Wel met de kinderen, natuurlijk,” had hij snel toegevoegd. Maar zonder vrouw die hij verdriet kon bezorgen en die hem verdriet kon geven. Zijn schoonvader en schoonmoeder had hij wel willen behouden, maar zij waren haar ouders, zij moesten haar kant kiezen.   Toen ze van het station bij hem thuis waren gekomen, had ze opgemerkt dat hij het vet in de keuken weg had geschrobd. “Nu de slaapkamer nog,” had zij gezegd, maar hij had gelachen en haar op bed getrokken. Schoonmaken deed hij wel als hij alleen was. En trouwens, zo lang ging hij hier niet blijven. Hij heeft een mooie etage aan de Oosterlaan gekocht. Samen met Sacha is hij er gaan kijken. Het is dichtbij de Beukenlaan waar zij blijft wonen. Ideaal, vond Sacha de etage. Hier kunnen de kinderen zich thuis voelen, zei ze. Hij ziet ernaar uit om daar te gaan wonen, weg van deze klerezooi. Alleen de keuken heeft hij hier schoongepoetst, hij wil een beetje behoorlijk kunnen eten.   Daar zijn ze vorige week gaan zitten, in de schone keuken. Vlak nadat zij in bed haar liefdesverklaring in zijn oor had gefluisterd. Stiekeme huichelaar. Ze heeft hem een cadeau gegeven. Een handgebakken aardewerken schaaltje, zag hij toen hij het uit het papier had gepakt. Hij luisterde niet naar het verhaal dat ze erbij vertelde. Hij had geen behoefte aan schoonfamilie en evenmin aan gedeelde huiselijkheid. Hij had het kommetje in de vensterbank gezet en voorgesteld naar haar huis te gaan.   Nu heeft hij de kom in handen en kijkt om zich heen. De vaste vloerbedekking met de aangekoekte vlekken in de kamer, het gladde zeil in de keuken, hij keurt ze af en opent de deur naar de hal. De betonnen vloer zonder enige bedekking bevalt hem. Hij stapt de hal in, heft de kom hoog boven zich. De afstand tot de betonnen vloer is maximaal. Hier zal hij in duizend stukken vallen, een kwetsbaar maaksel dat stukslaat op de betonnen werkelijkheid. Hij laat zijn armen weer zakken, hij heeft de kom nog steeds in zijn beide handen. Hij opent de deur naar de meterkast en plaatst de kom op de plank, naast het stoffer en blik. Het heeft geen zin scherven te veroorzaken die je zelf op moet ruimen.   De volgende ochtend is het zaterdag. Meteen na zijn ontbijt trekt hij zijn jas aan, sluit de deur achter zich en fietst naar het huis in de Beukenlaan, waar hij tot voor kort woonde. Coby wacht al op hem, een plastic tas in haar hand. “Mijn judospullen heb ik al ingepakt,” zegt ze. “Kun je de houdgreep nog?” vraagt hij. Op de fiets voelt hij haar handen in zijn zij. Op de Oosterlaan wijst hij naar links. “Daar ga ik over een paar weken wonen, “zegt hij. “Dan krijgen Mickey en jij daar ook een kamer. Er is een grote woonkamer en dan kun je de houdgreep op me oefenen.” “Ik houd je gemakkelijk,” zegt ze.   Tijdens de judoles wandelt hij naar de Hema en koopt een kaart van Jip en Janneke. Hij gaat zitten bij het Gulden Vlies, bestelt een koffie verkeerd en vraagt om een pen. “Volgende maand ben ik officieel gescheiden,” schrijft hij. “Ik ga goed voor mijn kinderen zorgen. Samen met mijn ex-vrouw. Wie weet, ben ik ooit toe aan een nieuwe relatie, een nieuw kind. Nu niet. Waar ik zeker niet van houd, is erin geluisd te worden. Wat jij doet, is jouw verantwoordelijkheid. Niet de mijne.” Hij stopt de kaart in zijn binnenzak. Vanmiddag zal hij de kom inpakken en met de kaart aan haar versturen. Nu gaat hij Coby ophalen. First things first.   8.  1995 Na vier maten inzetten, timing is altijd lastig, maar hij voelt de tegendraadse stuwing, het ska-ritme van de muziek en zet in. Geen aarzeling, heeft Iris gezegd, de band volgt jou, de zaal gelooft jou. “Voor de tover in je ogen, voor de klik van dit moment, voor de noodzaak van het dansen, voor het voelen wie je bent,” ja, hij is in het ritme, in de maat, hij voelt het vertrouwen van de band en het nummer verdient zijn hoogste inzet. “Voor het water op je lippen, voor het broeien van het laag, voor het schreeuwen uit de kelen, voor de hunker naar het graag.”   “Geen bandleider, een Sologitarist, een zanger,” zo lang geleden is het nog niet dat iemand dat over hem heeft gezegd. Goed gezien, denkt hij, zelfs mijn vader zag het indertijd misschien wel goed. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen.” Het was misschien niets dan een uiting van machteloosheid van een man die zijn zoon zijn talenten gunde. In de zaal ziet hij bekende gezichten, natuurlijk is Helga er, zijn dochters zijn er. Achterin staan een paar van zijn collega’s, een glas in de hand. Dat hij zich met mensen van zijn werk zo vertrouwd voelt dat hij hen durft uitnodigen. Dat ze dan ook nog op komen dagen. Blijkbaar hebben ze zelfs plezier in zijn optreden. Hij ziet Robert meezingen in het refrein: “ben ik hier gekomen / en ga ik hier niet weg / voor het me gelukt is / jou te zingen wat ik zeg.”   Terwijl het applaus nog klinkt, kijkt hij naar Stef, de pianist. Hij heeft de mensen geraakt, ze zijn rijp voor het nummer over de radelozen. Stef begrijpt hem en begint te spelen. Hij laat een paar maten lopen, het applaus sterft weg. Dan zet hij in, zo zacht mogelijk. “Heb je het zelf geschreven?” vraagt het meisje achter de bar na afloop. Moet hij haar vertellen dat hij het Verdronkenoord voor zich ziet, als hij het nummer ziet? Het gedeelte bij de Platte Steenenbrug waar het water aantrekkelijk kan glinsteren? De kleine stap die nodig is, van de brug af? Maar dat hij zich op tijd in veiligheid heeft gebracht? Hij is de edele die zijn verantwoordelijkheid neemt, maar zich niet hoeft te schamen dat hij niet alle verantwoordelijkheid  aan kan. Mickey en Coby trekken aan zijn mouw, ze gaan naar huis, naar Sacha. Over een paar dagen ziet hij ze weer. Hij geeft ze een kus en blijft aan de bar staan. Om hem heen praten de mensen, hij drinkt zijn bier. Helga komt naar hem toe en vraagt of hij straks naar haar toe komt. Dit is de aantrekkingskracht van succes, denkt hij. Of is het de openheid die hij getoond heeft, de emoties die hij vertolkt heeft? Hij slaat haar uitnodiging af.   ’s Avonds ligt hij languit op het dikke vloerkleed dat hij ooit vanuit de Bijenkorf dwars door Amsterdam op de fiets heeft vervoerd, naar de flat die Sacha en hij pas betrokken hadden. Mickey heeft erop gelegen als baby, later Coby. Dat was al in Alkmaar. Bij de scheiding heeft hij het meegenomen, een stuk huisraad dat hem en de kinderen vertrouwd is. Het stevig donkerbruin komt hier mooi uit tegen de witgeverfde vloer. De enige die er tegenwoordig nog op ligt, is hij zelf. Op zijn rug, starend naar het plafond met de gestucte tierelantijnen die niets verbeelden en toch zijn aandacht bezig kunnen houden: gaat die buiging nu naar links of eindigt hij daar? Het antwoord doet er niet toe, hij mijmert over van alles en nog wat. Vanavond zijn het zijn collega’s, zijn werk. Wat een mazzel heeft hij gehad met zijn stap naar het juridische werk bij Piet Baars, hij is er terecht gekomen in een jong team. Mensen die nog niet lang en breed gesetteld zijn, voor het eerst samenwonen, in hun eerste serieuze baan zitten. Eerst vonden ze hem een vreemde eend, zijn aureool van hooggeplaatste manager was blijkbaar van Amsterdam naar Alkmaar doorgeseind. Maar hij is mee gaan doen aan de voetbaltoto’s, de vrijdagborrel, het gezamenlijk lunchen en vanzelf werd het contact gemakkelijk. Dat hij goed bleek in het werk en niet te beroerd is anderen te helpen, heeft zeker meegeholpen. Ze nodigen hem uit op hun feestjes, ze zien hem graag, en al heeft hij nog geen van hen thuis uitgenodigd, hij durfde het aan hen voor zijn optreden van vanmiddag uit te nodigen. Ze wisten al dat hij af en toe optreedt met een pianist, en nu hij eens met een band optrad, leek hem dit de gelegenheid hen te vragen.   “Voor de tover in je ogen…” zingt Robert de volgende dag op de gang. Johan lacht. “Geen tijd,” zegt hij, “ik ga naar de rechtbank.” Goed dat hij gisteren niet te lang is blijven napraten, tijdens het mijmeren op het vloerkleed is de adrenaline uit zijn lijf verdwenen, hij heeft zelfs goed kunnen slapen en is nu fris voor de ingewikkelde zitting van vanmiddag. De rechtbank heeft vorige week laten weten dat hij vragen kan verwachten over de toepasselijkheid van de Faillisementswet. Twee dagen heeft hij zich opgesloten in de bibliotheek, alleen voor de lunch kwam hij naar buiten. Hij heeft zijn betoog klaar.   Een paar uur later heeft hij alweer een adrenalinekick te pakken. Collega’s verzamelen zich rond zijn bureau. “Hoe ging het? Wat vroeg Stevens? En Vermaat, had hij wat terug te zeggen?” Even opgewonden als zij geeft hij antwoord. “Een gefundeerd betoog! Zo noemde Stevens mijn pleidooi. “Wat is uw reactie,” vroeg hij Vermaat. “Uw tegenpartij houdt een gefundeerd betoog en daar moet u toch op reageren.” Niets! Niets had hij ertegenin te brengen. Kat in het bakkie, gewonnen zaak, streep aan de balk.” Ineens hoort hij zichzelf praten. “Nou ja,” zegt hij, “we zullen zien. Ik ga vroeg naar huis. Doodop.”   Het verkeerde woord weet hij, als hij even later op weg naar huis is. Hij gaat via de binnenstad, een beetje breeduit loopt hij. Een man die een gefundeerd betoog heeft gehouden en nu moei is, voldaan. Niet doodop, dat is iets van een paar jaar geleden. Bij Slijterij Pels stapt hij naar binnen. Een Oude Vlek, het merk dat zijn vader vroeger al dronk. Met de fles onder zijn arm wandelt hij naar huis.   9.      Theatercafé, 1997   “Ga je mee iets drinken?” heeft zij gevraagd. “Het is de laatste keer tenslotte.” Vooruit maar. Sinds hij van werk veranderd is, kan hij door de week gaan stappen, hij is toch de volgende ochtend binnen vijf minuten op kantoor. En tegenwoordig slaapt hij weer goed, ook als hij een biertje of twee op heeft. Bovendien, het is de laatste keer, na vanavond ziet hij haar niet meer. Ze hebben elkaar tijdens de cursusavonden herhaaldelijk opgezocht als er in koppels een opdracht moest worden gedaan. Al op de eerste avond, toen ze een sprookje schreven, herkende hij haar als een goede schrijver. “Er was eens een prinses die altijd haast had,” hij vond het een sterk begin. Ja, met haar werkte hij graag samen. Maar zodra de sessie voorbij was, groette hij haar en verdween. Uit haar verhalen had hij begrepen dat ze zo oud was als ze eruitzag, een jonge vrouw, niets voor hem, hoe jong hij ook oogt. Maar vooruit, het is de laatste keer, welk risico loopt hij nu nog?   Even later zit hij in het theatercafé, hij kent het goed, vooral de plaatsen aan de bar of aan de stamtafel, maar zij heeft een tafeltje aan de zijkant gekozen, waar de muziek het gesprek niet kan overstemmen. Hij kijkt hoe ze aan de bar bestelt, ze komt er maar net bovenuit. In deze ruimte met het hoge plafond, de deuren waar een verhuiswagen onderdoor zou passen, valt hem voor het eerst op dat ze klein is. Ze heeft bruine ogen, ziet hij als ze proosten. Ze passen bij haar zwarte haar dat ze nu uit haar gezicht strijkt, misschien om hem goed te kunnen zien. Hij zou haar naam willen zeggen, horen hoe die uit zijn mond klinkt. Jo. Maar ze is hem voor, begint te praten. “We hebben nooit hoeven vertellen waarom we de cursus zijn gaan doen,” zegt ze. “Wat was jouw reden?” Hij stamelt, iets over taal en woorden, de beweging van een pen op wit papier, ontdekken van je eigen gedachten. Ze wil details horen, waar zit hij als hij schrijft? Hij vertelt over zijn tafel in de huiskamer, waarom noemt hij de kinderen die daar soms zitten? “Je hebt wel jong kinderen gekregen,” merkt ze op. Zal hij haar in de waan laten? Ach, eigenlijk kan hij haar gerust vertellen dat hij 45 is. Maar hij is er te laat mee, ze informeert naar zijn werk, lijkt geïmponeerd door zijn antwoord. Moeilijk werk, vindt ze. Hij moet lachen, denkt aan Dorien, zijn vroegere directeur. “Daar ben je toch veel te goed voor,” zei die toen hij voor dit werk wilde kiezen. “Het is wat ik goed kan,” zegt hij nu, “en wat ik bovendien goed kan verdragen.”   Als ze buiten naar haar auto lopen, zijn fiets onhandig tussen hen in, informeert ze of hij een relatie heeft. “En kinderen,” zegt ze na zijn antwoord, “zou je nog een keer aan kinderen willen beginnen?” Haar doortastendheid werkt aanstekelijk, hij aarzelt niet over zijn antwoord, al noemt hij eerst zijn leeftijd. Bij haar auto zet hij zijn fiets tegen een boom, hij voelt haar naast zich. Dan kijken ze elkaar aan.   10.      2000 “Dat moet je publiceren.” Johan hoort het de dichteres zeggen. Hij zit tussen de andere cursisten in de kring. Om de beurt lezen ze een gedicht voor dat ze sinds de vorige cursusdag thuis hebben geschreven. De attractie van de cursus is onder andere dat op de tweede dag de dichteres komt, een grote naam, juist vorige maand is de P.C. Hooftprijs aan haar toegekend. Misschien dat hij daarom extra zijn best heeft gedaan, altijd nog de jongen die wil laten zien dat hij tegenwoordig wel een goede spreekbeurt kan houden. Hij is ervoor op de zolderkamer gaan zitten, ’s avonds laat terwijl Jo slaapt en Leon in zijn bedje ligt te pruttelen. Hij houdt de deur open zodat hij de jongen kan horen, maar die heeft hem voldoende tijd gegund om aan de korte overzichtelijke regels te knutselen. Ze arriveert in de middag, leest voor, beantwoordt vragen. Mensen vragen naar de inhoud van haar werk, de betekenis van passages, maar het glijdt langs Johan heen totdat ze vertelt over haar werkwijze. Ineens ziet hij haar bezig. “Het gedicht moet op een systeemkaart passen. Dat komt omdat ik jarenlang bij de bibliotheek heb gewerkt, ik catalogiseerde boeken en daar gebruikten we systeemkaarten voor. Een rode lijn bovenaan en daaronder tien regels. Ik begon onder de rode lijn, eerst een witregel, dan vier regels, weer een witregel, en nog eens vier regels. Soms zette ik daarna een titel boven de rode lijn.” De beperking die het formaat van het kaartje oplegt, spreekt hem aan. Hij kan zich voorstellen dat hij naast Leons bed zit, met de ene hand houdt hij de fles in zijn mond, met de andere krabbelt hij een woord op een stevig kaartje. Bij het om de beurt voorlezen blijkt de dichteres een goede luisteraar te zijn, die prima feedback kan geven. “Die leren kap van de auto, heb je daar een bedoeling mee gehad,” vraagt ze en ineens zit de schrijver van het autogedicht met een wezenlijke vraag. “Leer is dode dierenhuid,” voegt ze toe, “je hoeft het er niet bij te denken, maar kijk eens wat je met die associatie kan.” Als Johan zijn gedicht heeft voorgelezen, zwijgt ze. Hij voelt al de teleurstelling: natuurlijk, de klankverbindingen zijn te opvallend, te gemakkelijk, het spelletje met de werkwoorden te voor de hand liggend. In de kring ziet hij de blikken, heeft de dichteres niets op te merken? Maar dan doet ze haar mond open: “Dat moet je publiceren.” Meteen betrapt hij zich op zijn gedachten: prijs niet de een de hemel in, dat maakt allicht de ander onzeker. Bouw je feedback op, houd het bij de taal en laat een oordeel zo lang mogelijk achterwege. Maar dan corrigeert hij zichzelf, dit gaat over zijn gedicht. Laat hij eens genieten van de lof, hij mag geprezen worden, wees toch verdomme niet zo verlegen! Maar wat hij vraagt is of zij kan uitleggen wat ze er goed aan vindt. Thuis zoekt hij de volgende dag het adres van het literair tijdschrift, stopt het gedicht in een enveloppe en voegt er nog een paar andere bij.   11.      2012 “Liefje,” staat er boven het briefje. “Ik ben met Leon en Micha naar het strand. Pastasalade mee. Er staan biertjes in de koelkast. Als je zin hebt, neem je ze dan mee? Onze vaste plek. Heb je geen zin, is het ook goed. Kus. “ Haar naam heeft Jo er niet onder geschreven. Hij trekt de koelkast open. Naast het bier nog een briefje. “In de schaal hierboven ook pastasalade. Vrije keuze.” Hij pakt een blikje, trekt het open en drinkt het in een paar teugen leeg. “Kunt u dit toelichten?” mompelt hij voor zich uit. Kom aan, er is een tijd voor woorden en er is een tijd voor daden. Tien minuten later zit hij in korte broek en met sandalen aan op zijn fiets. Oostenwind, het is alsof hij vanzelf vooruitgaat. Achter hem, op de bagagedrager, rammelen de bierblikjes. Hun vaste plek, hij hoopt dat ze er Bergen aan Zee mee bedoelt. Vroeger gingen ze voorbij Egmond naar het strand. Toen kenden ze elkaar nog niet lang. Ze praatten over hun werk. “Je bent scherp,” zei ze, “ analytisch. En je vindt altijd woorden.” Dat was zo, maar hij was blij dat ze hem tegen zich aantrok als hij eraan twijfelde.  Dat doet ze nog altijd. Tegenwoordig vinden ze het Egmondse strand voor een avondbezoek met de kinderen te ver fietsen. Ze zal bij Bergen zitten.  Bij de strandopgang Noord stalt hij zijn fiets. Hij klimt tegen de duin op, richting strand. Een stroom verbrande strandgangers komt hem tegemoet, er zal ruimte zijn op het strand. Op de top van de duin blijft hij staan en kijkt naar beneden. Helmgras kriebelt tussen zijn tenen. Ja, daar rechts, daar spelen Leon en Micha met een bal in het water. En kijk, daar zwemt Jo. Hij begint te rennen.   12.      Beloning voor goed gedrag, 2017 Zaterdag, de groene velden met de witte kalklijnen, bij voorkeur een zonnetje, een graad of achttien, een hooguit lichte bries. Hij ontbijt, haalt het dunne, zwarte jasje van de kapstok en voelt of de chronometer in het borstzakje zit. Hij staat even voor de spiegel, juist als zijn dochter roept dat ze vertrekt. In de spiegel ziet hij een man die nog wel een sprintje kan trekken. “Heb je je scheenbeschermers,” roept hij, maar hij hoort de deur al in het slot vallen. Het zal wel.   Wat later fietst hij op zijn gemak langs de brede vaart. Kleine rimpelingen in het water, het lijkt alsof het zonlicht opspringt en weer neerkomt. Achter de molens de polder vol ganzen. Een enkele kievit stuift op, een drieste vlucht recht omhoog, hoger, hoger, alle aandacht wil hij hebben, een salto, een duikvlucht. Opeens is hij verdwenen. Het is een dag waarop mensen gelukkig kunnen zijn. Toch voelt hij het knagen in zijn borst. Het is altijd zo geweest. Vroeger was het de zekerheid te kort te schieten. Nu herkent hij de kwetsbaarheid, de zelfverachting. Als het gevoel in zijn borst hem bevangt, heeft hij een mindere dag. Hij denkt en handelt, hij is actief, doet zijn plicht of wat hij graag doet, maar als hij stil is, voelt hij het knagen, zijn misprijzen. Het is niet slecht wat hij doet, maar het lijkt niet te tellen. Misschien is hij niet zo geboren. Zijn moeder vertelde hem dat zij na vier geboorten kort na elkaar geen vijfde wilde. Toen kwam jij, voegde ze eraan toe. Hij was het vijfde kind. Een jongen na vier meisjes bovendien, zoveel ongedurigheid was er in hem, ze sloot hem dikwijls op in de kast. Hij herinnert zich hoe donker het was en hoe het naar grondwater rook. Zijn vader wilde hem juist in het licht zetten en kon het niet verkroppen als hij ervoor terugschrok. Klappen leverde het op, scheldwoorden of zwijgen. Misschien hebben zij hem de zekerheid gegeven tekort te schieten.   Toch is er nu de lentedag. Bij molen C sjort de molenaar de kop met de wieken naar de zachte westenwind. Hard zullen ze niet draaien vandaag, maar alle beetjes zijn meegenomen. In de vaart slaan de riemen van de wedstrijdroeiers in het water. Het is het geluid dat zijn eigen peddel maakte, in het water van de ringvaart voor hun huis. Maandenlang hadden zijn zus en hij gespaard. Toen ze honderd gulden hadden, gingen ze kijken naar kano’s die te koop werden aangeboden. Steeds was hun bod te laag. Op een dag kwam papa thuis, het was in de tijd dat hij nog schillenman was. “Ik heb een kano voor jullie gekocht,” zei hij. “Geef mij jullie spaargeld, ik heb er honderd piek bovenop gedaan. Volgens mij is het een prachtding.” ’s Avonds had papa hen naar Halfweg gereden waar de kano lag. Hij was precies zoals ze hem wilden hebben, doorzichtige bruine glanslak, twee plaatsen achter elkaar. Dat je zo wiebelde als je erin stapte, daar hadden ze niet op gerekend. Misschien voelden ze zich ook ongemakkelijk omdat papa en de verkoper naar hen stonden te kijken. Toen ze eenmaal weg peddelden, voelde Johan zich prima.  Zijn zus had al gauw genoeg gekregen van de kano en meestal voer hij alleen de ringvaart af, elke slag bracht hem verder van huis. Hij voer helemaal tot aan het Nieuwe Meer. Daar was het water wilder. Hij stak de neus van de kano recht in de golven en liet zich drijven. Een sleepboot voer snel over het meer, de golfslag werd woest, nu moest hij de neus zeker goed op de golven houden. Of zou hij dwars gaan liggen, zich laten omslaan? Het water spatte over zijn lijf. Laat in de middag kwam hij doorweekt thuis, zijn moeder gaf hem op zijn kop, maar hij had niet het gevoel dat ze echt boos was. Zij hield ook van water. Ze had eens zijn plastic bootje uit het kanaal gered, toen hij als kleuter ermee op de steiger zat te spelen en het te ver van hem was weggedreven. Verdrietig om het verlies van het bootje was hij binnengekomen. Zij had zich snel omgekleed en was in het water gesprongen. Opgewekt stapte ze even later druipnat het huis weer binnen, zijn bootje in haar hand.   Hij zet aan en voegt zich in de stroom van jongens en meisjes met de zwarte sporttassen in hun fietsbak. Hij kan blijven zoeken naar woorden voor het gevoel van tekort, nooit zal hij eraan ontkomen. Het kan altijd in hem zijn geweest. Heel goed mogelijk dat zijn ouders het niet in hem hebben opgewekt. Wat maakt het uit? Je kunt jezelf niet veranderen, hoorde hij zeggen, maar wel je gedrag. Dus, wat maakt het uit waar de zekerheid  tekort te schieten vandaan komt, zolang hij er niet naar handelt? Gisterenavond riep zijn zoon zijn hulp in bij een werkstuk over de arbeidsmogelijkheden voor vluchtelingen. Wat weet hij ervan? Maar hij heeft gezwegen over zijn gebrek aan kennis, hij bleek de jongen te kunnen helpen. Louter zichzelf zijn, is misschien al genoeg. Being there.   Hij fietst onder de poort met het zwart-witte bord door, hij is aangekomen bij de groene velden, stalt zijn fiets en kijkt naar de vlaggetjes aan de cornerpalen, de netten die in de doelen schommelen. Echt weinig wind, altijd prettig voor de wedstrijd. In het wedstrijdsecretariaat zitten de mannen rond de koffietafel. Slechts een enkeling van hen vervult een taak, de anderen zitten er omdat hier een voetbalveld is, waar zij met andere mannen het eeuwige gesprek kunnen voeren. Ook zijn vader voerde vroeger dit gesprek, met mannen die de kleine Johan over zijn bol aaiden. “Kom op, naar buiten,” zei zijn vader dan. Hij had belangrijke kwesties te bespreken. Dat de scheids er vorige zondag weer helemaal niets van kon, dat hij in zijn tijd wel raad had geweten met die voorzet van de linksbuiten. Het zijn de kwesties waar het ook op deze lentedag nog over gaat. Johan luistert ernaar, maar praat nog steeds niet mee. Hij schudt Piet de hand en pakt een bal, twee vlaggetjes voor de grensrechters, een fluitje, een bloknootje en een pen. “Veld C,” roept Piet hem na.   Bal aan de voet, het schrijfgerei in een van de steekzakken van zijn jasje, het fluitje in de ene hand, de vlaggetjes in de andere loopt hij Veld C op. Voor het rechterdoel is het thuisteam aan het afwerken. De speelsters staan in een rij achter elkaar, ter hoogte van de middencirkel. Hij zwaait naar zijn dochter die gelukkig haar scheenbeschermers draagt. Aan de overzijde is de tegenstander nog bezig sprintjes te trekken. Hij blaast op zijn fluitje, schudt de handen van de coaches. Er melden zich twee grensrechters, hij geeft hen een vlaggetje. “Uitbal, achterbal, corner, buitenspel,” zegt hij, “voor een overtreding hoef je niet te vlaggen. Die beoordeel ik zelf.” Dan draait hij zich naar de beide aanvoerders die zich intussen in de middencirkel hebben gemeld. “Hebben jullie er zin in?” Na zijn beginsignaal volgt hij het spel op korte afstand. Hij vindt zich te oud om zelf nog te voetballen. Maar nu, met het gras onder zijn sportschoenen, is hij blij als een lange pass wordt gegeven, rennen moet hij dan, rennen om ter plekke te zijn als een duel volgt. Alert ook als de bal ineens in zijn richting wordt geschoten. Hij spreidt zijn benen, laat de bal passeren, het is alsof hij er niet stond, het spel gaat zonder onderbreking door. Eenmaal negeert hij een vlagsignaal van de grensrechter van de gasten. “Scheids,” hoort hij roepen. Hij laat het spel doorgaan, hij is benieuwd wat er gaat gebeuren als de aanval tot een doelpunt leidt. Maar de keeper vangt de zacht ingeschoten bal. Als ze in de rust het veld aflopen, komt de grensrechter naar hem toe. “Ik vlagde, scheids,” zegt hij. “Dat heb ik gezien,” zegt Johan,  “maar op het moment van spelen stond de aanvaller nog niet achter jullie achterste speelster. Geen buitenspel.” Hij ziet de man ademhalen, maar is hem voor. “Nou ja, wie weet, zag ik het verkeerd,” zegt hij, “of jij. Het werd in elk geval geen doelpunt.”   Na de wedstrijd brengt hij de spullen terug naar het wedstrijdsecretariaat. Dat is nu bijna leeg, op veld A speelt nu het selectieteam van jongens tot 19 jaar, daar staan de mannen ongetwijfeld langs de lijn. Alleen Piet zit nog aan tafel. Hij neemt de vlaggetjes van Johan aan, bergt de pen en het bloknootje op. De bal gaat in het ballennet. Samen vullen ze het wedstrijdformulier in: “1 – 1, geen bijzonderheden.” Piet geeft hem een consumptiebon. “Beloning voor goed gedrag,” zegt hij. “Daar doe ik het voor,” antwoordt Johan.   In de kantine wisselt hij de consumptiebon in voor een broodje bal. Eén hand aan het stuur fietst hij naar huis, het broodje in de andere hand, een snelle hap, de mosterd loopt langs zijn kin. In de vaart hebben de roeiers plaatsgemaakt voor kanovaarders. Geen vier in een boot, maar twee. Geen roeiers, maar peddelaars. Een andere aanpak maar ook deze boot scheert over het water. Misschien raken de peddelaars vermoeid, misschien raakt een van hen de slag kwijt, maar ze doen wat ze kunnen. Dat is genoeg.

Jan Loogman
0 0

Er Zijn (Jan Loogman)

Er zijn   Hoor je nog wie ik ben, ben ik het,deze zoekende woorden, deze dwalendestem in dit huis, hoor je nog waarik woon, luister je, en naar wie.(Uit: Rutger Kopland, Geduldig gereedschap) Met dank aan:Erik, Mieke, Hendrik, Veerle, Adinda, Marieke, Ludo, Kristien, Vera, Elisabeth, Haddie, Sabine en ook Esther en Tamara. © Jan Loogman, mei 2018 1. 1994 Nog voordat Johan het portier opent, slaat de motor van de BMW al aan. “Jij moet eens je rijbewijs halen,” hoort hij terwijl hij zich op de bijrijdersstoel laat zakken. “Ik heb jou toch,” antwoordt hij. Peike heeft zelf ook pas op zijn vijfenveertigste rijexamen gedaan. Moet je hem nu zien zitten, in deze grote bak. Studeerkamergeleerde poserend als geslaagd organisatieadviseur, dat krijg je met deze arbeidsmarktsituatie. Deze kar past hem niet. “Zelfbescherming,” zegt hij, “In een kleinere auto voel ik me te kwetsbaar. In deze durf ik te rijden.”   Ze koersen de stad uit, de smalle dijkjes richting Spaarndam op. “Ik ben naar Friesland geweest, kemphanen kijken, “vertelt Peike als hij de weilanden onder de dijk ziet. “Ze baltsen nu. Alle mannetjes op hetzelfde weiland, veren uit en elkaar de loef afsteken. Alles om de vrouwtjes te imponeren. Hoewel ze soms erg veel naar elkaar kijken. Alsof het alleen daarom gaat, mooier te zijn dan de ander.”   Ze zijn op weg naar de sluis in het Spaarne, waar het restaurant zit. Fantastisch eten daar, hebben ze gehoord. “Het kost wat, maar je krijgt er ook iets voor,” is hun gezegd. Sinds Johan vorig jaar de baan bij Dorien heeft aangenomen, hoeft hij voor de prijs niet terug te schrikken. Gek is dat, toen hij nog bij Peike werkte, kostte het Johan nota bene moeite hem te overtuigen dat hij beter moest betalen. Voor zichzelf niet zuinig, maar voor een ander de hand op de knip. Terwijl hij volledig zelfstandig werkte, wilde Peike hem als een aankomend adviseur blijven betalen. “Je doet het werk nog niet zo lang,” was zijn argument. Wat doet dat ertoe als je gebruik maakt van ervaring in andere functies en goed bent in je werk? Maar vooral had hij kemphanen als Paul en Tom willen laten zien dat hij van hetzelfde kaliber was als zij. Of was hij zelf ook weinig meer dan een showmannetje? Op een zeker moment had hij er genoeg van gehad, ook het advieswerk ging hem tegenstaan. “Als adviseur zit je altijd goed,” zei hij tegen Peike, “Als het anders loopt dan je verwacht had, maak je dat je weg komt naar de volgende klus. Ik wil weer de gevolgen van mijn handelen dragen.” Dorien wilde hem graag als manager van haar stafafdeling aantrekken. “De boel moet stevig opgeschud worden, er moet een andere stijl gevoerd worden, niet iedereen zal meekunnen. Ik denk dat jij geknipt bent voor de klus,” had ze gezegd. Zelf had hij zijn twijfels, maar ja, vond hij zelf niet dat bekwaamheid van ondergeschikt belang is in de carrière-race? Kijk maar naar Paul en Tom, ambitie is de doorslaggevende factor. Nu toonde hij die zelf ook maar eens, hij heeft het aanbod van Dorien aanvaard.   Met Peike, Adriaan en andere collega-adviseurs blijft hij omgaan. Dikke praat als ze elkaar ontmoeten, maar bij hem neemt de bluf af. Dagelijks ervaart hij nu dat bekwaamheid er toch wel toe doet. Het is bekwaamheid van een soort die hij niet goed in het oog heeft gehad. Het gaat er niet alleen maar om wat je kan, welke talenten je hebt en hoe je ze benut. Het belangrijkste wat je als manager moet kunnen, is gebeurtenissen buiten jezelf houden. Je moet vooral een dikke huid hebben. Je moet zaken van je rug af laten glijden. Hij twijfelt of hij dit vermogen bezit. Maar wie weet, bezitten anderen het evenmin, liggen zij net als hij wakker in de nacht en is het verschil toch louter ambitie die in hen vuriger brandt dan in hem. Nu ja, ook hij geniet graag het voordeel van een stevig inkomen. Het is handig, zeker als je graag dure eettentjes bezoekt.   “Weet je dat mijn opa hier heeft gewoond,” vraagt hij Peike. “Hij was een wedstrijdrijder op de kortebaan. Als er ijs lag, stond hij erop. Als er wedstrijden waren, deed hij mee. Er was prijzengeld. Soms kon je vijfentwintig gulden winnen, een mooi bedrag in die tijd. Ik heb het over 1900. Hij woonde even verderop, schaatste naar alle wedstrijden toe.” Zulke verhalen interesseren Peike soms, je weet nooit wat hij erop terug zal zeggen. “Jouw opa was toch schillenboer,” vraagt hij nu. “Nee, deze was een veehandelaar, maar geen goede. Hij gaf meer geld uit dan hij verdiende. Hij kleedde zich sjiek, hij dronk graag een goed borreltje. Hij is nog eens naar het buitenland gevlucht om aan zijn schuldeisers te ontkomen. Hij is gestorven toen mijn vader pas zeven jaar was. Mijn oma hertrouwde met een weduwnaar. Dat was de schillenboer. Zo is mijn vader dat ook geworden.”   “En nu zit jij hier, in een BMW, op weg naar een sterrenrestaurant. Proleet, pas maar op voor je schuldeisers.” Peike lacht erbij. Johan voelt eens of de kraag van zijn colbertje goed zit. Papa moet zijn voorkeur voor zijden sjaaltjes en kleurige jasjes van zijn echte vader hebben meegekregen, zijn stiefvader was in zijn ogen maar een minkukel. Een echt schillenboertje zou hij hem hebben genoemd, een type dat niet meetelt in de wereld. Maar dat kon hij niet zeggen, hij was zelf een schillenboer.   Henk en Adriaan zitten al op het terras van het restaurant bij de sluis. Ze vangen het laatste zonlicht op, Adriaan heeft er zijn zonnebril voor opgehouden. “En, hoe gaat het met onze manager?” vraagt hij Johan. “Voorlopig heb ik nog geen adviseur nodig,” antwoordt Johan. Liever dit antwoord dan de adviezen van Adriaan te moeten aanhoren. Ze hebben geregeld samengewerkt als adviseurs, maar hij heeft zich nooit helemaal prettig gevoeld bij diens adviesstijl. Betweterig, traag bovendien. Humor die je vanaf de overkant van de oceaan ziet aankomen. Nee, niet zijn stijl. Hij zou trouwens geen advies van een adviseur willen krijgen. Henk is al jaren directeur van een grote organisatie. Intelligent, door de wol geverfd, iemand die weet dat fouten onvermijdelijk zijn. Met zo’n man zou hij wel willen praten. Maar dit is niet de gelegenheid voor een gesprek over zijn werk, hij vergeet het nu liever. Laat hij genieten van het eten, van de drank niet te vergeten. Als aperitief bestelt hij een vijf jaar oude jenever.                                                             *De volgende ochtend heeft hij moeite om van huis weg te komen. Is het de drank van gisteren die hem parten speelt, de slapeloze nacht of ziet hij op tegen de begroeting door zijn medewerkers? Tellen ze al zijn dagen? Lopen er weddenschappen over het moment van zijn vertrek? De vorige manager heeft hier een jaar gezeten, willen ze hem nog eerder weg zien te krijgen? “Je bent echt goed bezig, man,” heeft Dorien hem tijdens de kerstborrel nog toegevoegd. Om hen heen werd gepraat, geflirt, een enkeling wilde een dansje wagen. De stemming was ontspannen. “Dat heb jij voor elkaar gekregen, moet je ze eens zien,” had zij gezegd. Maar zag zij het goed? Was de sfeer ontspannen door zijn toedoen of juist omdat de mensen al denken te weten dat ze binnenkort van hem geen last meer zullen hebben? Wordt er achter zijn rug over hem gepraat? Laat hem maar kletsen, een lichtgewicht die het hier niet lang zal maken. Misschien hebben ze het bij het rechte eind, de lofzangen van Dorien op zijn goede werken klinken hem te nadrukkelijk om gemeend te kunnen zijn. Bovendien verbindt ze aan haar prijzende woorden altijd weer eisen. Fantastisch, Johan, zoals je deze ontspoorde club weer in het gareel brengt, het werkplezier terugbrengt bij de medewerkers. “Maar de rotte appels moeten eruit, geen halve maatregelen.” Hij begrijpt het wel. Was het een ander die deed wat hij heeft gedaan, dan zou hij ook vinden dat hij goed bezig is. Eindelijk een man die niet terugdeinst, iemand die door durft te pakken. Maar past de rol hem wel? Tot een half jaar geleden was hij de man op de achtergrond, de acteur die zijn eigen momenten koos om te schitteren, de wijsneus die scherp uit de hoek kon komen en er daarna weer gauw in terugkeerde. Een adviseur. Nu heeft hij voor het volle licht gekozen. Hij, de jongen die op school geen spreekbeurt durfde te houden. Dat is wel veranderd, maar toch. Hij herinnert zich de opleiding tot organisatieadviseur die hij een paar jaar geleden doorliep. Hij was er een van de twaalf ambitieuze deelnemers. Wie is eigenlijk de leider in deze groep, vroeg in de vierde week de communicatietrainer die ze ook kenden als drummer in een hippe rockband. Stomverbaasd was Johan, toen de anderen hem aanwezen. Hij stuurt discussies een kant op zonder dat wij het doorhebben, zeiden ze. Hij komt met nieuwe ideeën. Ze vonden hem de leider. “Dat had mijn vader moeten horen,” zei hij. Maar de communicatietrainer vond het onzin. “Hij?” zei hij en wees naar Johan. “Hij is niet de leider van de band, hij is een Sologitarist, een zanger misschien. Een man die in het licht stapt, maar geen man die de zaak stuurt. Hij kan zomaar weer uit het licht stappen, hoor. Pas op.” Mooi gezegd, vond Johan, maar nu in deze baan is hij de baas van de muziek. Hij begrijpt hoe hij zijn baan aan moet pakken: denken als adviseur, handelen als de manager die hij nu is. Hij kan zijn snor niet drukken. Maar er is de kou die hem ’s nachts in bed overvalt. Is het de onzekerheid over zijn slagen of zijn het de tranen van Charlotte, die hij ’s middags de wacht heeft aangezet? Ligt hij wakker om de angst van Dick die zegt dat hij zonder zijn baan zijn hypotheek niet kan betalen? Of verdraagt hij doodgewoon niet dat een baas nooit eens even achteruit mag stappen? Is dat zijn eigen controledrang die daar spreekt? Wat het ook is, hij ligt als een strakgespannen snaar in bed, terwijl de kou via zijn voeten en handen in zijn lijf kruipt. Steeds vaker loopt hij ’s nachts naar de lege zolderkamers van zijn dochters om de dekbedden te halen die hij op zijn eigen bed opstapelt om er daarna onder te kruipen. Iets moet hem verwarmen.   Het liefste zou hij vanochtend thuisblijven. Vanmiddag komen zijn beide dochters, zijn deel van de week met hen is weer aangebroken. Ze hebben zelf de sleutel. Prima hoor, pap, heeft Mickey gezegd, ik zorg wel voor het eten op donderdag. Ze is veertien, Coby is amper elf. Hij wil hen zien binnenkomen, thee voor hen inschenken waar Mickey geen genoeg van kan krijgen, terwijl Coby zal vragen of hij geen cola heeft. In plaats daarvan rent hij naar de trein om op tijd op zijn werk te kunnen zijn. Eerste klas reist hij, dat dan weer wel.                                                                 *Er is tevoren coördinatie geweest, merkt hij tijdens het werkoverleg dat hij een uur later voorzit. “Waarom moet alles ineens anders?” klagen de mannen opnieuw. Het lijkt of ze allemaal dezelfde kleren dragen, een overhemd en daaronder een terlenkabroek. De vrouwen een twinset. Is dit een club die hij wil aanvoeren? Moet je hen horen morren. “We dansen naar de pijpen van Verschuur,” zegt Dick Houkes. Meteen is het stil, nu de naam van de belangrijkste klant genoemd is. Hebben Johan en Dorien hem in de hand, of maakt hij hier feitelijk de dienst uit? Beslist hij hoe hier gewerkt wordt, en – vooral – wie er mag blijven en wie zal moeten vertrekken? “Zeker,” hoort Johan zichzelf zeggen, ”hij heeft het geld, maar we laten onze interne processen niet door hem bepalen.” Hij hoort hoe de stilte blijft duren.   In de dagen daarna merkt hij dat hij de medewerkers niet heeft overtuigd. Natuurlijk zijn er, die zich aan de nieuwe procedures houden, maar Nico de Vries en Peter Blankaert melden zich op dinsdag absent, omdat zij namens Verschuur op een beurs moeten staan. Als hij er lucht van krijgt, wil hij optreden. “We hebben hier geen privé-winkeltjes,” zegt hij, maar op woensdag zijn de twee nog niet terug op de werkvloer. Die zijn bezig hun eigen toekomst veilig te stellen. Daar zien ze hem geen rol in spelen. Hij begrijpt het, maar zo kan er niet gewerkt worden. Hij besluit zelf bij Verschuur op bezoek te gaan. De oude man haalt de jeneverfles tevoorschijn en ze drinken samen. “Ik begrijp wat je wilt,” zegt Verschuur, “maar ik ga je niet helpen. Zie maar dat je het voor elkaar krijgt.” En dus blijven zijn medewerkers hun eigen gang gaan. De een vertrekt ’s middags om één uur van het werk om over de PR met Verschuur te overleggen, de ander komt ’s ochtends pas tegen lunchtijd op kantoor omdat hij de avond daarvoor op een beurs heeft gestaan om Verschuurs bedrijf te promoten. “Zo kunnen we niet werken,” zegt hij als hij eindelijk eens alle medewerkers bijeen heeft. “Voortaan loopt alles via mij.” Wat hij zich daarmee op zijn hals haalt, ontdekt hij al gauw. De een komt overleggen over haar zwangerschapsverlof, de ander over de inhoud van een willekeurige brief. “Ik wil jou niet passeren,” merken ze op als hij zijn ergernis uitspreekt over dit gemier.   Af en toe praat hij met Dorien, zij heeft hem tenslotte naar deze plek gelokt. Hij zegt niets over de transformatie die ze heeft ondergaan, al complimenteert hij haar op een dag wel met haar nieuwe kapsel. Ze kennen elkaar al lang. Als jonge collega’s gingen ze na het werk soms stappen en als zij met haar zware gewicht wel eens omviel, zette hij haar in een taxi. Maar tegenwoordig kan hij niet echt tot haar doordringen. Past dat strakke permanent wel bij haar? Ze eten nooit meer samen in het bedrijfsrestaurant, want vaak heeft zij zakenlunches met mensen die Verschuur op haar afstuurt. “Ik houd hem wel op afstand, Johan,” zegt ze als hij zich beklaagt dat Verschuur zich zelfs met hun interne bedrijfsvoering bemoeit. “Doe jij maar wat je nodig vindt.” Ze zal voluit achter hem staan, zegt ze, en dus zet hij de medewerkers op non-actief die teveel hun eigen gang gaan. Vijf dagen later stapt Verschuur onaangekondigd zijn kantoor binnen en begint te schelden. “Wie denk jij wel dat je bent? Kleine, miereneukerige klerk! Intellectueel van het jaar Nul! Bloemetjesoverhemd! Je neemt Blankaert onmiddellijk terug in actieve dienst, begrepen? En De Vries ook! Je weet wat er gebeurt als je het niet doet.”   Later, diezelfde middag, overlegt hij met Dorien. Ze is net terug van een van haar lunches, er hangt een lichte dranklucht in haar kamer, in gedachten ziet hij haar vallen bij een bushalte, maar tegenwoordig rijdt zij auto en als ze teveel gedronken heeft, laat zij zich door een directiechauffeur naar huis rijden. “Ik sta altijd achter je,” zegt ze. “Maar Verschuur kunnen we niet kwijtraken, we moeten hem tegemoetkomen.”   ’s Avonds thuis kookt hij snel een maaltijd, hij moet gezond blijven eten. Om zich te ontspannen drinkt hij tijdens het koken een glas rode wijn. Het eten schrokt hij naar binnen en als het glas leeg is, schenkt hij zich er nog een. Om elf uur ligt hij in bed, maar om twee uur schiet hij wakker en daarna woelt hij om het warm te krijgen, tot het tijd is om naar het werk te gaan.   Als op donderdagavond zijn dochters komen, vraagt hij naar hun schoolwerk en welke muziek ze instuderen. “Ik heb je toch al verteld van dat alto-bandje, pap?” zegt Mickey, en Coby herinnert hem eraan dat ze gestopt is met drumles. Op vrijdagochtend zet hij hun ontbijt klaar en maakt hen wakker voordat hij naar kantoor vertrekt. Op kantoor zit hij vooral in zijn kamer, hij loopt niet naar de medewerkers en zij zoeken hem ook niet op. Hij stelt zich voor dat Blankaert en De Vries thuis naast de telefoon zitten, wachtend tot hij belt dat ze weer hun gang kunnen gaan. Maar hij belt niet. Aan het einde van de middag is hij weer thuis en rolt een pizza die ze met zijn drieën beleggen met groenten, voor Coby leggen ze de salami in een hoekje. Laatst leefde zijn moeder tijdens zijn bezoek op toen hij het over zijn dochters had. “Missen ze hun moeder niet, als ze bij jou zijn?” vroeg ze. “Misschien wel,” heeft hij geantwoord, maar tijdens het garneren van de pizza lijkt geen van beiden aan Sacha te denken. Later op de avond, als ze met zijn drieën naar Medisch Centrum West kijken en griezelen om dokter Frank, voelt hij dat ze met elkaar een volledig gezin zijn. Die avond slaapt hij goed. De dag daarop gaat Coby met hem mee naar de markt. Eigenlijk voelt zij zich te oud om met haar vader door de stad te lopen, dat beseft hij wel. Nu doet ze iets wat ze zonder de scheiding niet zou hebben gedaan. Al is ze elf, ze neemt een blokje kaas bij de kaasboer en een warme stroopwafel bij de kraam even verderop. In de middag zitten Mickey en zij ieder op hun kamer, ze komen theedrinken als hij hen roept en later eten ze de warme maaltijd die hij heeft gekookt. Voordat ze weggaan, pakt hij een boek uit de kast en leest ze een gedicht voor, Jan Hanlo, “Het was half vijf ’s morgens in April / Ik liep en floot de St. Louis blues / Maar ik floot die op mijn eigen wijze / Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten / gelijken op de zang van de grote lijster…” Vooral Mickey geniet: “Pap, ik dacht dat je ermee opgehouden was, voorlezen aan ons.” Als het gedicht uit is, pakken ze hun tas. Hij kijkt door het raam hoe ze wegfietsen en pakt de telefoon. “Ze zijn bijna bij jou,” zegt hij.   Op maandagochtend belt hij naar kantoor en meldt zich ziek.   2. 1994Als hij de telefoon heeft neergelegd, kijkt hij naar het papier voor zich. Vier sterke lijnen in het midden, twee zwakke lijnen aan de buitenkant: Ta Kwo, het overwicht van het grote. Hij heeft de enige vraag gesteld, die er op dit moment toe doet: “Wat is er met mij aan de hand?” Toen hij daarna de muntjes gooide, verscheen dit beeld. “Een toestand die niet kan voortduren,” leest hij in de I Tjing, “daarvoor is het overwicht van het grote te excessief. De dragende balken kunnen de belasting niet aan. De edele moet zich uit de voeten maken. Het is bevorderlijk een plaats te hebben waar men heen kan gaan.” Even heeft hij moeite met de tekst, dan dringt tot hem door dat hij de edele is. “De edele treft geen blaam,” leest hij, hij doet er verstandig aan afstand te doen van de wereld en hoeft zich daarvoor niet te schamen. Dat is alvast mooi meegenomen.   Ze zullen gedacht hebben aan een griepaanval. Of een kater na een stevig gevierd weekend, misschien aan een heftige maandagochtendblues die hem de zin in de treinreis ontnam. Ze zullen hem morgen, of uiterlijk woensdag weer op het werk verwachten. Hij blijft maar horen wat Dorien hem tijdens de kerstborrel heeft gezegd. Hij doet het goed. Maar de kou ’s nachts is onverdraaglijk, en dan de voortdurende pijn in zijn schouders. Wil hij dit? Is zijn huid dik genoeg?   Later in de week pakt hij opnieuw de telefoon en belt Dorien. Ze spreken af ’s avonds te eten. In het restaurant kiest hij voor bier bij de maaltijd. “Ik stop ermee,” zegt hij even later. “Ik denk dat je een time out nodig hebt,” zegt zij. Heeft ze gehoord wat hij zei? “Ik heb het al met Van Weely, de hoofddirecteur, besproken,” gaat ze verder. “Toen je nog bij Peike werkte, heb jij voor Van Weely dat inrichtingsadvies geschreven, daar was hij erg van onder de indruk. Hij is over je te spreken. We zien jou als iemand die op termijn zijn plek kan innemen. Hij wil zuinig op je zijn. Ik mag een adviestraject voor je regelen. Volgende week belt Rutger van Sevenum je. Ken je hem?” Johan knikt. Die naam heeft hij gehoord, Van Sevenum thoe Lynden om precies te zijn. Een sjiek loopbaanadviesbureau, honderd procent Amsterdam Zuid.                                                                *Kijk hem zitten, de man uit Zuid. Zijn pak past hem even goed als zijn dubbele naam. Maar hij is van deze tijd, Johan mag hem gewoon Rutger noemen. Ongetwijfeld vernoemd naar zijn grootvader en reken maar dat de familienaam terug te vinden is in het blauwe adelsboekje. Of is het rood, dat boekje? Johan heeft het nooit gezien, maar dat hij in de laatste maanden nu al een aantal malen aan tafel heeft gezeten met deze chique vent, deze crème de la crème bevalt hem wel. In het begin moest hij wennen, de amicale omgang, alsof hij geen probleem was dat opgelost moest worden. Hij was toch de man die zijn baan niet aankon?   Maar de time out doet hem goed, hij is niet zomaar iemand die op de vlucht is geslagen, hij is de edele die zich uit de voeten maakt. Noblesse oblige, hij is het waard om zichzelf een goede plek te bezorgen. Dankzij de time out kan hij weer vrijuit denken. Hij zal weinig aan het advies van deze Rutger hebben. Een aardige kerel, maar zonder feeling voor een jongen als hij. Ze zullen ongeveer even oud zijn, maar reken maar dat Rutger op het hockeyveld stond, op de zaterdagen dat Johan voor zijn vader met de schillenzak liep. Hoe zou zo’n man hem kennen? Johan kan uittekenen hoe hij zijn situatie ziet. Privéproblemen, een scheiding, een nieuwe baan terwijl hij thuis geen stabiliteit vindt, een tijdelijk probleem. En dan weet hij nog niet eens het fijne van zijn privésituatie.   Moet je hem nu horen, in dit afsluitende gesprek. Van Weely, de hoofddirecteur, smult ervan, zelf ook zo’n geslaagde gozer. Johan had Rutgers tekst zo uit kunnen schrijven. Sensitief noemt hij Johan, communicatief, analytisch, verbaal getalenteerd. Wat had hij anders kunnen verwachten? Hoor hem oreren, blind voor Johans gebreken. Alsof ze elkaar niet hebben ontmoet. Blind voor de keerzijde van Johans talenten. Overgevoelig, vatbaar voor elke tegenspraak, geen man voor het front. Toch is het wonderlijk, zo’n duurbetaalde kerel die geen oog heeft voor Johans zwakke kanten. Ambitieus en onbekwaam, natuurlijk. Louter gewend aan succesvolle types, geen gevoel voor falen.   Hij realiseert zich dat het stil geworden is in de kamer. Van Sevenum heeft zijn conclusie geformuleerd, nu kijkt Van Weely verwachtingsvol naar Johan. Hij hoeft de voorzet maar in te koppen en volgende week zit hij weer op zijn oude plek, een groot talent op weg naar nog mooiere plekken in de organisatie. Geen dekbed zal onbetaalbaar voor hem zijn, de vijfjarige jenevers zal hij en gros kunnen inkopen. Maar nee, hier past geen afwachten meer, Johan kijkt even opzij naar Dorien die hij gisterenavond heeft opgebeld. Nauwkeurig heeft hij uitgelegd met welke conclusies Van Sevenum zou komen en waarom deze volledig de plank misslaan. “Ik wil die kant absoluut niet op,” heeft hij gezegd. Toen hij vertelde hoe hij zijn toekomst ziet, was ze even stil. “Dan heeft Verschuur gewonnen,” zei zij daarna. “Dat is het juist,” heeft hij geantwoord. “Als ik bleef, zou hij ook gewonnen hebben. Ik moet niet over hem denken, maar over mezelf. Wat wil ik?”   Nu is het aan hem net zo helder te zijn als hij over de telefoon is geweest, dan zal zij hem steunen. “Tja,” zegt Johan, “alles wat van Sevenum, Rutger, zegt, klopt als een bus. Alle talenten die hij mij toeschrijft, bezit ik.” Hij kijkt de tafel rond en glimlacht. “Dat is geen arrogantie. Tegelijkertijd zit hij er namelijk helemaal naast.” Helderheid, want nu is het tijd voor de edele om voor zichzelf op te komen. “Mijn zwakke kanten ontbreken volledig in zijn verhaal. Is u dat opgevallen?” Van Weely trekt zijn wenkbrauwen op. “Ik lijk geen zwakke kanten te hebben. Maar hoe kan het dan dat ik nu al vijf maanden thuis zit? Is dat luiigheid? En zo ja, is dat dan geen zwakke kant?”   Hij stopt met praten, Van Weely, Van Sevenum en ook Dorien lijken wat gegeneerd door zijn opmerkingen. Hebben ze hier een gemakzuchtige luiaard voor zich of iemand die hen in het ootje neemt? En komt hij niet te competent voor zichzelf op? Laat hij hun gevoeligheid niet overschatten, vooruit nu de juiste koers inslaan: “Ik bezit alle talenten die Rutger noemt. Jullie kennen me bovendien als een ijverige harde werker, geen luiaard. Maar ik mis ook belangrijke competenties. Ik ben geen man die beslissingen kan nemen en daarna louter vooruitkijkt, ik ben sensitief zoals Rutger zegt, misschien zelfs overgevoelig. Ik mis de hardheid die een manager nodig heeft. Ik kan nog meer gebreken noemen, controledrang die niet goed past bij iemand die de grote lijnen uitzet. Het ontbreken van het grote gebaar, een zekere losheid. Ik ga mezelf niet verder afbreken. De kern is: Rutger poetst het dubbeltje dat ik ben op tot een heel mooi kwartje, maar als ik dat zou willen zijn, ben ik mezelf niet meer. Ik kies ervoor gezond te willen blijven. Ik heb goed rondgekeken de laatste tijd, ik weet wat ik wil.”   Een vage afsluiting, maar Dorien herkent haar cue. “Het is tijd om conclusies te trekken,” zegt ze. Van Weely knikt.   Twee weken later belt Dorien. Haar stem is koel, de toon afstandelijk. “We zijn eruit. Je komt hier niet terug. Aan een dood paard gaan we niet trekken. Van Weely heeft Piet Baars gebeld. Die vacature die jij noemde, is er inderdaad. Hij heeft in Alkmaar een jurist nodig voor de vertegenwoordiging naar de rechtbank. Je hebt dan wel geen ervaring, maar Piet is bereid met je te praten. Succes.”“En de vertrekregeling?” vraagt Johan.“Die kun je vergeten. Jij kiest ervoor weg te gaan, wij wilden je houden. Je salaris bij Baars gaan wij niet aanvullen.” 3. Fietsvakantie, 1966Hard en scherp prikt het helmgras in zijn kuiten. Het zand kleeft aan zijn armen. Ze zouden beter kunnen opstaan en doorfietsen, maar hoe kan hij Jacques onderbreken, die naast hem zit en aan één stuk door praat? Dat ze straks bij zijn oom en tante zullen aankomen en dat hij de nichtjes zal ontmoeten. Leuke meisjes die bovendien bijna van hun eigen leeftijd zijn. Kon hij zijn oren maar sluiten voor die stem. Ook Jacques heeft nog steeds niet de baard in zijn keel. Of gewoon opstaan, Jacques bleef zitten en merkte niets, terwijl hij opstond en wegfietste, terug naar huis.   Het is verdomme zomervakantie, met de school dacht hij niets te maken te hebben. Gisteren kwam mama hem roepen dat er telefoon voor hem was. “Ene Jacques van der Made,” zei ze en ze gaf hem de hoorn. Hij hoorde de hoge stem aan de andere kant van de lijn en stelde zich voor hoe Jacques naar buiten keek, naar de auto’s die voorbijreden over de Weesperzijde. Jacques had hem een tijdje geleden weer gevraagd wat voor werk zijn vader deed. Na zijn antwoord (“veeboer”) had hij langs zijn lange, rechte neus omlaag gekeken. Had hij papa al eens met zijn stinkende wagen vol etensresten en schillen door Oost zien rijden? Dacht hij daarom dat hij hem thuis kon opbellen en voorstellen samen op fietsvakantie te gaan? Het woord stoorde hem. Tot drie keer toe moest hij Jacques vragen wat hij zei. Fietsvakantie. “Ik kom vanmiddag naar je toe, “ hoorde hij Jacques zeggen, “dan maken we een plan en kunnen we morgen vertrekken.” Hij had de hoorn op de haak willen gooien, de verbinding verbreken. Het was niet mogelijk dat Jacques bij hen thuis zou komen, natuurlijk zouden ze in de huiskamer gaan zitten, een atlas op tafel om de route te bekijken, en dan zou papa thuiskomen, stinkend naar zweet – hij herinnerde zich hoe hij als kleine jongen bij zijn vader op schoot was gesprongen, zijn vader liet hem paardjerijden en hij rook de geur die vanuit zijn oksels opsteeg, een dierlijke geur. Toen zat hij nog niet op het lyceum in de stad, alles was in orde geweest, niemand vroeg naar het beroep van zijn vader, iedereen kende hun gezin. Dat was meer dan drie jaar geleden. Stel je voor dat papa in zijn schillenpak, vette vlekken op de mouwen en de broek, op Jacques zou afstappen en hem de hand zou schudden, luid sprekend, en Jacques zou zijn neus in een kronkel laten schieten, om zijn weerzin te laten merken.   Waarom zei hij niet dat hij helemaal geen tijd had, dat hij uit logeren ging of dat hij moest werken? Het enige dat hij heeft weten te zeggen was dat hij vandaag geen tijd had, maar wat een leuk idee, een fietsvakantie, had hij gezegd. Stippel jij de route maar uit, we treffen elkaar morgen wel, op de Spaarndammerdijk.   Vanochtend stond Jacques daar al te wachten. Ze zijn in één keer naar de duinen gereden, steil omhoog bij Kraantje Lek en na de afdaling het helmgras in. “Tijd voor een eerste pauze,” heeft Jacques geroepen. Nu praat hij, hij legt de route uit, vertelt over zijn familie waar ze zullen logeren. Zijn wangen worden rood van opwinding.   De duinen kent hij. Hij kwam er als kleine jongen al. Papa reed op zondag de vrachtwagen voor, resten van vuil en vet nog in de laadbak. Zijn zussen kwamen met sop en borstels naar buiten en begonnen te boenen. Binnen smeerde mama de boterhammen die ze in de grote trommels opstapelde. Hij en zijn broers zochten in de kelder tussen de wasteil en het afvoerputje naar de bal. Als iedereen klaar was, kwam tante Cor. Ze droeg een hoed, “vorig jaar gekocht aan de Riviera “, een zonnebril, een strak truitje met een vest eroverheen en een ruimvallende rok. Terwijl papa en mama in de cabine stapten en de reiswieg met de baby tussen zich in plaatsten, dirigeerde Tante Cor hem en zijn broers en zussen de laadbak op, waar ze gingen zitten, hun rug tegen de cabine, stijf op elkaar. Zijn oudste zus moest aan de ene buitenkant van de rij gaan zitten en tenslotte klom Tante Cor zelf de laadbak in en wrong zich aan de andere buitenkant tussen de rij en de opstaande rand van de bak. Niemand kon zich nog bewegen. “Zo zitten we safe,” zei Tante Cor, “maar denk eraan: als je politie ziet, moet je duiken.” Dan vertrokken ze, door de polder, dwars door Haarlem en bij Bloemendaal de Zeeweg op. In Zandvoort liepen ze door de duinen naar het strand. Ze bleven op het pad. Alleen als de bal weg rolde, stapte een van hen het helmgras in. Dat kriebelde dan aan je voeten, niet dat geprik dat hij nu voelt.   Al sinds de eerste klas van het lyceum zoekt Jacques toenadering tot hem. Hij woont in Oost, aan de Weesperzijde, zijn vader is huisarts. De Weesperzijde is vanaf hun eigen dorp helemaal aan de andere kant van de stad en toch kent Johan hem wel. Soms moet hij zijn vader helpen met schillen ophalen en op die dagen verlangt hij vanaf de eerste minuut naar het einde van de dag. Dat ze op de terugweg naar huis zijn, dat hij heeft geholpen, met de juten zak op zijn rug heeft gelopen zonder dat iemand hem heeft gezien, iemand die hem kent. In de ochtenden ligt hun wijk in het hart van de oude stad. In de Nieuwmarktbuurt en op de Zeedijk komen de eerste mensen de straat op. Ze mopperen want ze zijn Amsterdammers. De vrouwen strijken hem over zijn haar. “Wat een lekkere knul. Is die van jou, schillenboer?” roepen ze. Hij glipt weg, onder hun handen vandaan, de juten zak op zijn rug. “Links de hoek om, nummer 36, tweehoog,” roept zijn vader hem na. “Gebruik je loper.” Even later staat hij op een donkere trap. Met de loper de deur openen, dat gaat hem tegenwoordig goed af, maar waar vindt hij hier de lichtknopjes? Hij struikelt naar tweehoog en tast op het portaal in het rond. Zijn vingers grijpen in natte derrie, zijn hand schrikt terug en zoekt opnieuw het licht. Zijn wijsvinger raakt een knopje en voor zich ziet hij de bak met groentenafval, een rest gekookte spinazie ligt bovenop. Voorzichtig veegt hij zijn vuile vingers af aan de juten zak. Hij probeert zijn kleren schoon te houden. ’s Middags rijden ze naar Oost, daar is de wijk veel overzichtelijker. Vrolikstraat, Pretoriusstraat, lange straten en iedereen is klant. Met de loper opent hij deur na deur en wandelt de ruime trappen op naar een-, twee- en driehoog. De bakjes staan klaar op de portalen, goed zichtbaar in het licht dat door de trapvensters valt. Voorbij de Wibautstraat komen ze niet. De Weesperzijde ligt buiten hun wijk. Daar komt een andere schillenboer. Maar als zij met de wagen de wijk uitrijden, de Ruyschstraat door, passeren ze de Weesperzijde. Misschien staat Jacques in de voorkamer. “Wat doet jouw vader?” heeft Jacques hem herhaaldelijk gevraagd. Eerst heeft hij geen antwoord gegeven. Het advies van zijn oudere zus om “veeboer” te zeggen, voelde als een doorzichtige leugen. Van één koe kun je niet leven.   Nu zit hij met Jacques tussen het helmgras. De hoge stem tettert in zijn oren. Gisteren rond deze tijd had Jacques net gebeld. Hij was naar zolder gelopen, het was er warm. Hij was door het nauwe raampje naar buiten geklommen, het dak op. Daar had hij gezeten, de zon scheen, er was bijna geen wind, niemand wist dat hij hier zat, niemand kon hem zien. Hij had voorover kunnen buigen, naar beneden vallen, zijn hoofd op de harde stenen van het plaatsje achter hun huis. Misschien vonden ze hem pas uren later, hij was al doodgebloed.   4. 2012Te vroeg, beseft hij, hij heeft te vroeg gejuicht. Maar ach, het was louter in zichzelf, hij heeft zijn pokerface bewaard. Hij kijkt om zich heen: een portret van de koning, rechters in hun toga’s met de witte beffen, een zittingszaal zoals zovelen. Links van hem de advocaat van de tegenpartij, eerder die ochtend nog volledig overtuigd van het gelijk van zijn cliënt. Nu twijfelt hij, dat is zeker. En ook de rechters zullen achter hun oren krabben, of toch niet? Heeft hij zijn hand overspeeld?   In de dagen hiervoor heeft hij moeite gehad zijn betoog te formuleren. Wat is dit voor een standpunt, heeft hij zijn collega’s gevraagd toen hij het dossier had doorgenomen. Sinds hun seniorjuristen zijn uitgevallen, neemt hij op dit Amsterdams kantoor tijdelijk de honneurs waar. Hij reist naar Utrecht, voor de zittingen van de Centrale Raad, en verdedigt daar met regelmaat standpunten die hij zelf niet zou hebben bedacht. Ook nu had het dossier hem verrast. Hij doet dit werk nu bijna twintig jaar en het liefst op het scherpst van de snede, maar hier vindt hij de redeneringen soms onnavolgbaar. Hoe zijn jullie hierbij gekomen, heeft hij gezegd, je kent toch de jurisprudentie? Dat was niet zo, heeft hij in de daarna volgende discussie moeten constateren. En toch hebben de collega’s van geen wijken geweten, ze bleven overtuigd van het ingenomen standpunt. Hij ging bewondering voelen voor hun vasthoudendheid, juristen van het jaar nul, maar kan hij hen dat verwijten? Harde werkers, hun inzet is een goed betoog waard. Nu ze de verdediging van dit vreemde standpunt aan hem hebben toevertrouwd, gaat hij de uitdaging aan, hij is tenslotte alleen verantwoordelijk voor zichzelf. Het lukt hem vast wel om met een goed verhaal te komen, hij laat zich graag voorstaan op zijn flexibele geest. Als de tegenpartij hier vanochtend een walk-over dacht te krijgen, heeft die buiten hem gerekend. Don Quichote de la Mancha, zojuist heeft hij die rol weer vertolkt, hij is in zijn eigen argumenten gaan geloven, misschien heeft hij de Raad wel overtuigd. Een heel goed betoog, vond hij tenslotte. Zorgvuldig heeft hij een zelfingenomen houding vermeden. Of heeft hij na zijn slotwoorden toch al te tevreden achterovergeleund? Nooit op een zege vooruitlopen, nooit een nederlaag te vroeg incasseren, met alles rekening houden, maar niets laten blijken. Zeker geen zelfingenomenheid. Dat is wat hij geleerd heeft in de loop der jaren.   Misschien is zijn achteroverleunen opgevallen, hij ziet de drie rechters op hun podium. Lagendijk, de voorzitter, is rood aangelopen. Hij heeft de naam een driftkop te zijn, iemand ook die gebrek aan kennis of intelligentie graag belachelijk maakt. Johan moet zich bedwingen om niet opnieuw het woord te nemen, op zijn betoog terug te komen, zijn excuses aan te bieden, toch het hoofd te buigen, zijn standpunt te wijzigen, maar het lukt hem, hij laat zijn gedachten dwalen.                                                                     *In het dorp stond, halfweg tussen de dijk en de kerk, de witgeschilderde frituurkraam van Lagendijk. Wanneer Don en hij tussen de middag uit school naar huis fietsten, stopten zij daar soms. Daan Lagendijk had de luiken net opengegooid, het vuur onder de pannen aangestoken. Don bestelde twee porties en betaalde ook. Zelf had Johan geen cent te makken, hij mocht van zijn moeder hier trouwens niet komen, je stond er met je zak patat gewoon op straat. Ordinair, zei zij en dus kwam hij hier stiekem en op kosten van Don. Als Lagendijk de zakken had volgegooid, veegde hij zijn handen af aan zijn witte jasje dat nog besmeurd was met de vegen van de dag ervoor. Het leek erop dat het jasje niet vaker dan eens per week verschoond werd. Nooit had hij hier van zijn moeder mogen eten. Het was niet alleen ordinair, het was ook onhygiënisch.   Als de voorzitter zijn stem verheft, bedenkt Johan dat deze Lagendijk van een heel andere tak in de familie moet afstammen. Zijn stem klinkt alsof de eerste prijs in welsprekendheid bij het Leids Studentencorps altijd weer zijn deel zal zijn, op de tafel voor hem ligt naast het glas water een witte zakdoek waarmee hij af en toe zijn voorhoofd dept zonder dat de doek vuil lijkt te worden. Het afvegen helpt trouwens niet tegen het rood dat zijn gezicht in de loop van Johans pleidooi is gaan kleuren. Zodra Johan klaar is met zijn betoog, en jammer genoeg leunt hij op dat moment tevreden achterover, kijkt Lagendijk naar rechts, waar zijn eerste bijzitter zijn handen vouwt en op de tafel laat rusten, niet van plan tot enige actie te komen. “Heeft u geen vragen?” sist hij hem toe. Misschien is dit het ogenblik waarop het rood in zijn gezicht tot paars verkleurt, het moment dat de bijzitter laat weten inderdaad geen vragen meer te hebben. Lagendijk keert zich met een ruk van hem af, richt zich tot Johan. Een stier die zich wendt naar de toreador, met het doel hem op de horens te nemen. Johan buigt voorover, wil de rode kaft van het dossier aan het oog van de voorzitter onttrekken, maar de stier dendert door. “Wilt u overweging 2.5. uit onze tussenuitspraak eens voorlezen?” zegt hij. Natuurlijk wil hij dat, geen ontkomen aan.                                                                    *Op de middelbare school ontkwam hij in de eerste klas op wonderbaarlijke wijze aan elke voordracht, elke boekbespreking, elke opdracht die een presentatie met zich kon brengen. Maar onontkoombaar was het dat hij een keer voor de klas moest komen. Bij Engels haalt de leraar hem naar voren, hij moet enkele woorden op het bord schrijven. Zodra hij een woord heeft genoteerd, hij weet nog welk woord het was, “Port”, vraagt de leraar hem dit nog eens te doen. “Ah, zo doe jij dat. Dat is een unieke manier van schrijven,” lacht hij, “Van welke dorpsschool kom jij eigenlijk?” Johan realiseert zich dat het een vraag is die hij niet hoeft te beantwoorden, de leraar stelt hem slechts voor zijn eigen plezier en dat van de klas, jongens uit de stad die zich vrolijk mogen maken om hem.   Nu mag hij de dodelijke overweging 2.5. nog eens voorlezen, zoals hij ooit de letter P nog eens op het bord mocht schrijven. Rustig leest hij de overweging voor. Als hij klaar is, kijkt hij op, de voorzitter ziet onverminderd paars. “Welke consequenties verbindt u aan deze passage?” blaast hij. Johan voelt de wind dwars door zijn witte overhemd blazen. Een beschermende stropdas was nu fijn geweest, maar die heeft hij sinds 1994 niet meer gedragen. Hij kijkt naar de twee bijzitters, naar de griffier, zoals hij ooit naar zijn klasgenoten keek die klaar waren om in spottend gelach uit te barsten bij elke grap die de Engelse leraar ten koste van hem zou willen maken. Zij zijn bang, ziet hij. Het is aan hem de stier te weerstaan. Hij gaat rechtop zitten, plaatst zijn voeten naast elkaar op de grond en opent zijn mond.                                                                      *Na het echec met de beurt voor het bord tijdens Engels is hij er tot in de derde klas in geslaagd elk optreden voor de klas te vermijden. Toen kwam de spreekbeurt. De leraar suggereerde een onderwerp, hij kwam toch uit de polder? Bij de buurvrouw ziet hij tijdens het tv-uurtje enkele boeken staan over de historie van hun polder, en hij mag deze lenen omdat het voor zijn school is. “Voor school mag je onze hele boekenkast leeghalen, Jean,” heeft de buurvrouw gezegd, die opgetogen is omdat hij op het lyceum zit en daar Franse les heeft. Ze dreigde hem beet te pakken, maar hij was te snel, te klein misschien ook, en is met de boeken naar huis verdwenen. De boeken brengen hem van alles dat hij in zijn spreekbeurt zal kunnen gebruiken. Al die schepen die ooit in het Haarlemmermeer zijn vergaan, al de plannen tot drooglegging en tenslotte de feitelijke drooglegging dankzij de inzet van de stoomgemalen, de Lijnden, de Cruquius en de Leeghwater. Toen de polder er eenmaal was, had in de negentiende eeuw vlak achter de dijk een modelboerderij gestaan, de grond achter hun huis had tot het land daarvan behoord. “Ja,” zei de buurvrouw, toen hij haar erover vertelde, “en van de verkoop van al dat land is die boer rijk geworden en daarna heeft hij zich tot burgemeester laten kiezen. Het gemeentewapen is door hem ontworpen, die korenaren die uit water oprijzen.”   Op zaterdag heeft hij de spreekbeurt gehouden. De nacht ervoor heeft hij gewoon geslapen. Toen was hij nog in staat zorgen opzij te zetten, te vergeten. Maar die ochtend, op weg naar school, heeft hij zich voorgesteld dat hij niet de Beethovenstraat insloeg, maar rechtdoor fietste, de Apollolaan in, God mocht weten waar hij terecht zou komen, wat kon het hem schelen? Hij heeft het niet gedaan, is op tijd op school gekomen en heeft in de eerste twee lesuren als een dode vogel achter zijn tafeltje gezeten. Niemand is iets aan hem opgevallen, hij gedroeg zich zoals ze hem kenden. In het derde uur begon de Nederlandse les zoals altijd, mijnheer Haenen deed joviaal en vertelde over het weekend waar hij zich op verheugde. Toen haalde hij het vel uit de la van zijn lessenaar. Johan wist wat erop stond, de lijst met namen voor de spreekbeurt. Hij vroeg zich af of hij zenuwen voelde. “Johan,” heeft Haenen gezegd, hij moet Johan hebben aangekeken en zijn opgestaan om plaats te maken, een spreekbeurt houd je vanachter de lessenaar van de leraar. Niets weet hij over het vervolg te vertellen. Hij zal met zijn papieren in de hand uit de bank zijn opgestaan, hij zal naar voren zijn gelopen. Hij heeft geen beeld van deze scène. Op het uitspreken van zijn naam door de leraar volgt in zijn hoofd onmiddellijk een ander beeld: hij legt zijn papieren neer, zegt “Dit was mijn spreekbeurt”, staat op en loopt terug naar zijn plaats. “Nee, nee,” zegt de leraar, “je moet nog vragen beantwoorden.” Hij loopt terug naar voren, gaat achter de lessenaar zitten, kijkt naar de jongens in de klas en zegt vrolijk: “Zijn er nog vragen?” In de tien minuten daarna doet hij zichzelf en de klas versteld staan, de vogel is herrezen, hij hoort de vragen, staat op van de lessenaar, neemt een krijtje, schetst het gemeentewapen op het bord. De golven arceert hij zorgvuldig, rug naar de klas die stil blijft. Vanuit de golven laat hij de korenaren ontspruiten. Dan keert hij zich om, vertelt over de burgemeester die zichzelf verrijkte door zijn grond te verkopen toen er plannen kwamen tot uitbreiding van het dorp. Hij is een vogel die voor het eerst vliegt boven de korenvelden. Hij heeft geen angst te worden gevangen. Hij beantwoordt vragen totdat de zoemer het einde van het lesuur aankondigt.   Nu herhaalt hij wat hij eerder heeft gezegd om het standpunt toe te lichten. “Misschien vindt u het een opmerkelijk standpunt,” voegt hij toe, en kijkt Lagendijk in het gezicht, dat nog donkerder paars is geworden, de voorzitter lijkt te barsten. “Ja, dat vind ik zeker,” stoot hij uit, “u kunt dit niet volhouden.” Nog kan hij zwichten, beseft Johan opnieuw, dit is het moment om plat te gaan liggen, afstand te nemen van het standpunt dat hij heeft verdedigd. Als hij dit doet, kan hij zijn kennis van de jurisprudentie ten toon spreiden, zijn intellect tonen door zijn eerdere overwegingen te ironiseren. Het is het moment waarop de toreador wijkt voor de stier. Hij zal zijn eigen gezicht redden, afstand nemen van de organisatie die hij vertegenwoordigt, hij kan deze te kakken zetten. Natuurlijk had hij dit van meet af aan kunnen doen op deze zitting. Maar hij heeft een andere keuze gemaakt, als een kamikazepiloot is hij het standpunt gaan verdedigen, dat zijn collega’s hebben ingenomen, een onhoudbaar standpunt leek het hem. Maar zijn collega’s hebben ervoor gekozen, ook al zijn zij misschien onvoldoende onderlegd. En bovendien, heeft die Leidse Corpsbal niet naar zijn betoog geluisterd? Waarom zou hij die man het gevoel geven dat hij hem kan koeioneren? Dit is geen arena voor stierengevechten, zelfs geen weiland voor kemphanen, dit is een rechtszaal. Hij begrijpt de regels hier, intimidatie hoort er niet bij. Hij haalt adem, ademt uit, zet zich met beide voeten af, klaar om te vliegen. “Ik wil het u nog een keer uitleggen, mijnheer de voorzitter,” zegt hij. Als het zou kunnen, ziet hij, zou Lagendijk verder van kleur veranderen, misschien zou hij even zwart worden als de te lang gebakken frietjes van zijn naamgenoot uit de frituurkraam. Maar hij is geschoold, hij beheerst zichzelf. “Nee, dank u,” zegt hij, “u bent voldoende aan het woord geweest.” Johan vindt het bijna jammer, graag had hij de vogel nog een salto laten maken.                                                                    *In de treincoupé op de terugweg naar Amsterdam blijft hij Lagendijk horen, boven het geroezemoes van de andere reizigers uit. “U kunt dit niet volhouden.” Hoe bekakt de stem ook klinkt, hij herkent de woede erin. Ook het rood aangelopen gezicht en de verwrongen trekken zijn hem vertrouwd. Zijn vader? Verschuur? Of is dit allemaal verbeelding? Komt het doordat de man hem zijn zin wilde opleggen. De mores van de rechtszaal zijn zijn bescherming geweest. Is het daarom dat hij dit werk is gaan doen?   Op verjaardagsfeestjes bij hen thuis stelden zijn zussen meteen na het avondeten de stoelen en tafeltjes op, in de voor- en achterkamer. Hij mocht hen helpen de bekers met sigaretten uit te stallen. “Nee, die moeten niet bij elkaar,” had Geertje hem gecorrigeerd, toen hij de Chief Whip bij de North State wilde zetten. Engelse – en Amerikaanse sigaretten mochten niet in dezelfde beker terecht komen, maar Chief Whip, waren die nou Engels of Amerikaans? En North State? Later op de avond kwamen alle broers en zussen van mama, behalve natuurlijk Heeroom en Zuster Edwarda. En Ome Kees Soll kwam vanzelfsprekend ook niet, die chagrijn. Zijn peetoom is er ook, oom Piet, de broer van papa met zijn zachte stem, even rustig als mama’s broers en zussen. Zijn zussen schenken borreltjes voor de mannen, een advocaatje voor de vrouwen. Het praten wordt wat luider. Boven iedereen uit zijn er twee te horen, tante Cor, papa’s zus, en papa zelf. “Die Fransen is gewoon een lulhannes,” zegt hij nu. Johan kijkt op de klok, misschien is het zijn bedtijd. Hij kent mijnheer Fransen wel, vorige week op de voetbaltraining heeft hij nog uitgelegd dat ze de bal het beste met links kunnen aannemen. Dan ligt hij in een keer goed voor de rechtervoet om te schieten of te passen. Een goede tip, maar nu hoort hij zijn vader over mijnheer Fransen praten. “Hij heeft niets te vertellen bij dat wijf van hem,” zegt hij. Nog eens kijkt Johan op de klok, ja, het is echt bedtijd. Hij staat op en wurmt zich tussen de stoelen, de knieën, de glazen, de handen door, in de richting van de deur naar de trap die naar de stille bovenverdieping voert. “Kom eens hier, Billy,” hoort hij in zijn linkeroor en zijn vader omvat hem met twee handen, trekt hem naar zich toe. “Vertel eens aan je ooms en tantes wat je van de week geleerd hebt van Dick Fransen?” Johan kijkt voorzichtig rond, hij ziet hoe oom Wim naar hem knipoogt. “Kom op, jongen, laat je eens horen. Vertel dan maar over de geschiedenisles op school, wanneer was de Slag bij Nieuwpoort?” Johan houdt zijn mond, iedereen weet dat toch? “Nou, doe je mond eens open. Je hebt toch een tong? Of niet soms?” Hij hoort hoe zijn vaders stem van klank verandert, duwt zichzelf weg, weg van die schoot. Een glas valt om. “Ik ga naar bed,” zegt hij, probeert hij te zeggen. In zijn rug krijgt hij een duw, een harde por, hij hoort zijn vader snuiven. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen,” schreeuwt hij. Nu is het stil in de kamer. Kijkt iedereen hoe hij langs oom Wim glipt, opnieuw op weg naar de trapdeur? Hij voelt een aai over zijn hoofd, vindt de klink van de deur, tante Rie geeft hem de ruimte om de deur te openen, hij sluit hem achter zich en staat in het trapportaal. Even gaat hij op de onderste trede zitten, meteen gaat de deur open, hij had beter naar boven door kunnen lopen. Nu staat mama voor hem. “Kun je papa nou niet even zijn zin geven?” vraagt ze.                                                               *Het liefst zou hij nu in de trein blijven zitten en doorgaan naar huis, kijken of Leon en Micha op het pleintje spelen, misschien een pizza voor hen rollen. Of even naar Mickey of Coby bellen, horen hoe het zijn kleinkinderen gaat. Maar hij moet nog langs kantoor, de collega’s zullen benieuwd zijn hoe de zitting is verlopen. Hij wil ze niet teleurstellen. Zijn eigen plezier in het werk doet hen goed. Ingeslapen club kreeg hij te horen toen hij hier als vervanger begon. Cynisch, werd gezegd. Zijn eigen beleving is anders. Je krijgt wat je geeft, denkt hij, en daarom is het de moeite waard nog even langs te gaan. Als de trein het Amstel Station binnenrolt, staat hij op. Op het perron haalt hij zijn pasje langs de gele paal om uit te checken en checkt onmiddellijk in bij de blauwe metropaal. Een goed geklede buitenlander, zo te zien op weg naar de Zuid-as, laat zijn ticket aan hem zien. Hij wijst hem de weg, als een goed functionerend lid van de samenleving, een man aan wie anderen vragen wat ze moeten doen, een man die er niet voor terugschrikt zijn positie te bepalen. Er staan er genoeg om hem heen die snel hun blik hebben afgewend toen ze de hulpeloze reiziger rond zagen kijken. Om uit de drukte te raken loopt hij een stuk over het perron totdat hij onder de overkapping van het station uit is. Tussen de kantoortorens door ziet hij in de verte een glimp van de Amstel. Toen de kolossen er nog niet stonden, was het uitzicht op de rivier beter. Hij is hier op zijn breedst.   Aanlokkelijk had hij het water gevonden, de eerste keer dat hij hier stond. Hij wachtte op de trein naar Den Bosch. Even later had hij zich door de om hem heen dringende jongens en meisjes naar binnen laten stuwen. Daar duurde de drukte voort, iedereen leek opgewekt, er werd gelachen, maar hij was stil, op zijn plek bij het raam. Zijn klasgenoot Wuk zat naast hem en zei ook niets. Buikpijn had hij gevoeld, waarom hadden de paters niet zoals alle eerdere jaren de eindexamenklas naar een klooster gestuurd, voor een stilteretraite? De tijden veranderden, hun leraar Nederlands, pater Lodeizen, was vorig jaar uit het klooster naast de school vertrokken en droeg geen priesterboordje meer, de langharigen op school werden door pater-prefect niet meer naar de kapper gestuurd, laatst was het schoolfeest door de schoolleiding onderbroken omdat er te intiem geschuifeld werd. Maar hielp het daartegen om de eindexamenleerlingen voor drie dagen naar Den Bosch te sturen? “Wat een vooruitzicht,” had Wuk gisteren gezegd. “Drie dagen en nachten in een groep waarin je niemand kent.”   Als hij terugkijkt naar het perron, ziet hij de metro staan. Hij heeft het binnenrijden ervan niet opgemerkt. Snel rent hij naar de geopende deuren en stapt de coupé binnen, juist voordat de deuren zich sluiten. Hij lacht naar de mensen die bij de deur staan te wachten. Tevergeefs natuurlijk, ze kijken voor zich uit. Nee, er is toch één jongen die teruglacht: “Op het nippertje,” zegt hij. Wat een communicatie, zomaar in de Amsterdamse metro. De jongen draait zich om en Johan kijkt naar buiten. De Spaklerweg raast voorbij, de Weespertrekvaart, het lijkt alsof ze door zullen suizen naar Den Bosch. Na de drukte van de trein was het in de Veemarkthallen in Den Bosch een nog verschrikkelijker gewoel geweest. Overal werden bordjes omhoog gehouden: “Kapittel 51”, “Kapittel 34”enzovoorts. Mensen om hem heen, rugzakken in zijn gezicht, een stap opzij en ineens was daar het bordje dat hij zocht: “Kapittel 33”. Wat jongens en meisjes in een kring, niemand die een mond opendoet, nu is iedereen tussen onbekenden, realiseert hij zich. Een jongeman tikt hem op de schouder en vraagt zijn naam. Hij vinkt hem af op een namenlijst en stelt zich daarna aan Johan voor. Vincent, de leider van het kapittel. De groep is compleet, zegt hij, ze kunnen de bus in. De bus rijdt hen veertig kilometer weg van de stad. In de komende dagen zullen zij er weer naar toe lopen, pelgrims op weg naar de kathedraal.   Ergens in de buurt van Oirschot stappen ze uit. Onder wat eikenbomen gaan ze in een kring zitten voor een voorstelrondje. Sommige stemmen zijn nog zachter dan die van Johan. “Wat wil jij het liefst veranderen, in de wereld, in je eigen omgeving, in jezelf?” vraagt Vincent, als iedereen zich heeft voorgesteld. Geen idee, denkt Johan, misschien dat ik eindelijk stop met knikkers te spelen. Wanneer ze even later in tweetallen samen oplopen, is hij blij met het meisje dat hij heeft getroffen. Lies heet ze, ze komt uit Goirle, bij Tilburg, en ze weet heel goed wat ze anders wil. Vrouwen moeten voortaan gelijk zijn aan mannen. Is dat dan niet zo, verbaast Johan zich. Bij zijn zussen heeft hij niets te vertellen. Voordat hij het zich realiseert, zijn Lies en hij in gesprek. Haar lange, zwarte haar waait in haar gezicht. Ze praten door en komen gelukkig niet toe aan zijn veranderingswens. Als hij even later naast Anne uit Heemstede loopt, vraagt zij hem wat hij het liefste anders heeft in de wereld. “Ik wil dat mannen en vrouwen gelijk zijn”, verklaart hij. Hij verbeeldt zich een haan te horen kraaien, maar het deert hem niet. “Emancipatie vind ik belangrijk,” zegt hij nog eens voor de zekerheid.   Hij ontdekt meer dingen die hij wil veranderen: Nederland moet uit de NATO, ouders moeten hun kinderen geen geloof opleggen, jongeren moeten stemrecht krijgen. Het Talenonderwijs op school moet meer gericht zijn op het leren spreken van een taal, “Vind jij het niet gek dat je in het buitenland niets durft te zeggen?” vraagt hij Anne op de tweede dag. Alsof hij ooit in het buitenland is geweest. Alsof hij ooit in Nederland iets heeft durven zeggen. Ergens onderweg leest Vincent een gedicht voor. “Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit/ het zacht maken van stenen/ het vuur maken uit water/ het regen maken uit dorst…”. - Gerrit Kouwenaar, zegt Anne. Het is een credo, legt Vincent uit, wat is jouw credo? Even later stelt Lies Johan die vraag, ze moet lachen om zijn reactie. “Praten en luisteren”, antwoordt geantwoord, “ik heb nooit naar iets anders getracht.” Anderen horen zijn toevoeging ook en lachen mee. Op zaterdagmiddag stromen ze de Bossche binnenstad in, op weg naar de Sint Jan. Duizenden jongeren reiken elkaar de hand en zingen: “Geef mij je hand / geef mij ze allebei…”. In het gewoel moet Johan loslaten, maar Anne rekt zich uit en steekt hem haar hand toe. Zonder te aarzelen strekt ook hij zich en grijpt haar hand.   Toen hij de maandag daarop op school was aangekomen, had hij zich een ander mens gevoeld. Toch droeg hij dezelfde kleren als vorige week. Alleen het zijden sjaaltje was anders. Hij had het tussen zijn vaders kleren uitgerist, toen hij donderdag naar de voettocht vertrok. Drie dagen lang is hij het blijven dragen en nu trotseert hij de blik van pater-prefect. Jazeker, hij draagt een sjaaltje, hij overtreedt de kledingvoorschriften binnen de school, maar wat zou het? Hij is zeventien jaar en the times, they are a‘changing.                                                                *Na het Nieuwe Meer rijdt de metro op de oude spoordijk, dwars door Nieuw West. Links ziet hij het flatgebouw waar Sacha en hij woonden toen ze Mickey kregen. Nu naar rechts kijken, het vroegere VVA-terrein waar ze met 2 – 1 de koploper versloegen. Nu is het volgebouwd, maar erachter gloeit – groen als altijd – het Aquarium. Daar strandde in 1994 zijn carrière, zou Dorien zeggen. Hij begrijpt haar, maar als hij het grote gebouw van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor ziet, denkt hij toch vooral aan de jaren vóór 1994. De jaren waarin hij zijn talenten ontdekte. Hij had in die tijd dikwijls dezelfde droom. Hij stond rechtop, zijn armen langs zijn lichaam, even ging hij door de knieën, een afzet met zijn voeten en hopsakee, hij zweefde door de lucht. Voldoende vaart om in de lucht te blijven, maar traag genoeg om goed zicht te hebben. In de verte zag hij bomen langs het water staan, hij zweeft erheen, met zijn armen stuurt hij bij. Als hij dichterbij komt, heeft het water zich getransformeerd in een groot, glazen gebouw, groen als een aquarium. Hij herkent de letters op het dak, het is het hoofdkantoor van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.   “Hoe kun je daar gaan werken? “ vragen zijn vrienden. “Je laat je inkapselen.” Misschien zijn zij geen vrienden meer, denkt hij. Hij heeft ervan genoten met hen actie te voeren. In de demonstraties schreeuwde hij als een Amsterdamse schillenboer, verdwaald tussen deze jongens en meisjes uit de betere standen. Er liepen er trouwens genoeg tussen die uit het gewone volk kwamen. Misschien hoorde hij daar bij. Aan het einde van de actiedag verzamelt de hele club zich bij Tante Marie in de Westerstraat. Langzamerhand heeft hij genoeg gekregen van hun aanpak van de studie. Wat is het meer dan het telkens weer herlezen van Marx-citaten? Ook het zwoegen op zinnen van Duitse intellectuelen gaat hem tegenstaan. “Zijn we nu iets wijzer geworden,” begint hij steeds vaker te vragen. “Misschien moeten we eens boeken lezen die we begrijpen.” In de werkgroep Psychoanalyse en Marxisme leest hij op een ochtend een zin van Lorenzer voor en daagt de anderen uit er chocola van te maken. “Zo komen we nergens,” zegt Tineke Zuiderhout. “Wil je dit soort interventies voortaan achterwege laten?” Johan wil haar aankijken, maar ze heeft zich al van hem afgedraaid, Stalin die Boecharin negeert op het partijcongres, een doodvonnis. Hij staat op, pakt het fraaie, koningsblauw Lorenzer-boekje van tafel en gooit het in de prullenmand. Een theatraal gebaar, maar wat kan hem gebeuren. Dit is Moskou niet, dit is Amsterdam.   Later die maand heeft hij een idee voor zijn scriptie, met een voorstel gaat hij naar Maud, de doorgewinterde docente die verantwoordelijk is voor het vak Theoretische Opvoedkunde. Haar vriend is vorig jaar gestopt met zijn studie en in de fabriek gaan werken, bij Hoogovens. “Nee,” zegt zij, “dit ga ik niet begeleiden. Misschien kun je bij de buren terecht.” Een kamer verder op de gang zitten Pol en Huug, de docenten Historische Opvoedkunde, op het instituut bekend als de twee rechtse klootzakken. Aan Pol zie je dit gemakkelijk af, hij draagt een colbertje en daaronder een gestreken overhemd, maar Huug is minder gemakkelijk te categoriseren. Hij draagt zijn haren lang, zijn snor is flink en hij kleedt zich in een corduroy werkmansjasje. Ze geven Johan een flinke boekenlijst mee, titels die hij niet eerder heeft gelezen. Een ervan verbaast hem, “Politics and the English Language” van George Orwell, wat heeft die tekst met Pedagogiek te maken? “Niets,” zegt Pol, “maar je moet ook goed leren schrijven. En trouwens, om behoorlijk te denken heb je hier ook wat aan.”De schrijfregels van Orwell zijn een openbaring voor hem. “Gebruik nooit een lang woord waar een kort woord volstaat.” “Als je een uitdrukking regelmatig leest, gebruik die dan zelf niet.” Er zijn zes regels, ze hangen boven zijn bureau als hij later zijn scriptie schrijft. Voor het eerst is hij trots op zijn eigen werk. Hij heeft geen gedachten van anderen verwoord, hij heeft niet meer opgeschreven dan wat hij zelf denkt en begrijpt. De regels geven hem zelfvertrouwen, ook als hij later in het aquarium werkt, bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, waar de werkloosheidswet en de andere sociale verzekeringswetten worden uitgevoerd. “Dat is de gevestigde orde bij uitstek,” zeggen zijn vrienden. “Je dwaalt wel heel ver af.”                                                               *Het had hem zelf ook verbaasd, maar hij voelde zich als een vis in het water toen hij eenmaal begonnen was op de beleidsafdeling van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, in het moderne gebouw dat de buurtbewoners liefkozend het aquarium noemden. Heerlijk vond hij de kaders, ze leken zijn denken ruimte te geven. Vooral toen de lichting oudere medewerkers met pensioen was gegaan, benutte hij deze met zijn snelle verstand. Dat hij de neiging had buiten de groep te blijven, bleek ineens een voordeel, hij verraste zijn collega’s en zijn bazen met onverwachte standpunten.   “Waar blijft Johan?” Nu nog kan hij de vraag van Brakel horen, neuroot die hij was. Hij hoorde het in 1987 al vanaf de gang, hij was juist op weg naar Brakels kamer, het is de tijd van de grote wetswijzigingen in de sociale zekerheid. Nou, hier was hij toch? En op tijd ook, ondanks de trein en de bus. Hij gooit de deur open: “Tadaà!” Alle gezichten keren zich naar hem. Kijk ze zitten, jonge honden noemen zij zichzelf, maar hoe graag lopen ze in het gareel. Nadat Brakel van de week het overleg met het ministerie had aangekondigd, heeft hij ze de een na de ander bij hem zien binnenstappen. Allemaal een wit voetje halen, de baas helpen die het zo moeilijk zegt te hebben met dat overleg. Verlaan ging als eerste. Hij dacht onopvallend weg te sluipen van zijn bureau, maar zijn luide ademhaling verraadde hem. Bovendien struikelde hij over de slippers die hij op kantoor altijd draagt. Een ideetje, zal hij tegen Brakel gezegd hebben, een ideetje voor het overleg met het ministerie. De anderen maken zich er nijdig om, omdat Verlaan zijn ideetjes nooit van zichzelf heeft, hij gaat altijd met andermans denkwerk aan de haal. Johan kan het niets schelen. “Hij kan nu eenmaal beter verkopen dan wij,” zegt hij, “dat is ook een kwaliteit.” Later zag hij ook Van Tuyll en Van den Hoop bij Brakel op de kamer, ongetwijfeld met een ingewikkeld verhaal over wetswijzigingen en de onuitvoerbaarheid daarvan. Alsof Brakel daarmee kan aankomen bij het ministerie. Zelf heeft hij Brakel niet opgezocht, hij heeft zelfs de boot afgehouden, toen deze hem op de gang polste. “We gaan toch niet ’s ochtends vroeg al naar het ministerie,” zei hij. “We hebben toch eerst voorbereidend overleg bij jou op de kamer? Ik praat je dan wel bij. Tijd genoeg.” Hem bijpraten, hij hoorde het zichzelf zeggen. Wie is hier de baas, zou Brakel denken? Maar moet hij rekening houden met Brakels hang-ups? Hij verdomt het. Daarom komt hij nu, op de dag van het overleg, ook niet eerder dan negen uur binnenstappen. Dat zijn collega’s zich eerder hebben gemeld en dat zij zich stuk voor stuk in het pak hebben gestoken, zichtbaar klaar om als assistent van Brakel mee te gaan naar het overleg, het laat hem koud. Ze wachten toch op hem. Gelukkig voor hen is het helder weer vandaag, ze hebben kunnen genieten van het uitzicht over de Westelijke Tuinsteden en de rookpluimen van de Hoogovens in de verte. Arno Legwaard zit er ook, ongetwijfeld tot ergernis van Brakel die hem toch zelf aan heeft genomen. In het werk is hij een kruk gebleken en hij voelt dat zelf ook wel aan. Hij probeert zijn gezicht te redden met verhalen over vroeger. Hoe hij vooraan heeft gestaan, in 1966, bij de happenings van Provo op het Spui. Praten kan hij, maar er zit geen lijn in, hij is een kip zonder kop, en zo doet hij ook zijn werk. Het enige waar hij in uitblinkt, is zijn kleding. Tussen de C en A-tjes

Jan Loogman
0 0

Aandachtspunten voor mijn schrijven + structuurplan eindverhaal Jan Loogman

1. Aandachtspunten voor mijn schrijven Uit de feedback destilleer ik dat mijn stijl in het algemeen toont, soms vertelt en dat dit een evenwicht is dat voldoende aan de lezer overlaat. Visueel, filmisch, beeldend zijn terugkerende woorden. In bepaalde scenes gebruikte ik typerende woorden uit specifieke woordvelden. Ook trof mij dat mijn woordgebruik alledaags wordt genoemd, en als ik het goed begrijp is daarmee bedoeld: “zonder veel beeldspraak die voor een lezer lastig te volgen kan zijn.” Dialogen worden voldoende en effectief ingezet, “stuwen de handeling voort” staat er twee keer. Waar ik korte, elliptische zinnen gebruik, in innerlijke monoloog, wordt dit passend gevonden. Voor het eindstuk leid ik hieruit af: doorgaan in de stijl die ik overwegend hanteerde. Wel wil ik proberen iets meer beeldspraak te gebruiken, gewoon om me daarin te ontwikkelen. Bij opdracht 3 kreeg ik negatieve feedback, op de lange complexe zinnen in het begin van het verhaal. In latere bewerking zette ik dit recht en dit werd herkend. Waar ik alert op moet zijn: als ik qua thematiek of structuur het verhaal niet helemaal in de vingers krijg, wordt dit merkbaar in zinsconstructies. Ofwel: betrap ik mezelf op lange ingewikkelde formuleringen, dan moet ik zoeken naar vereenvoudiging in inhoud. Dat vertaalt zich dan vanzelf in de zinsbouw.  Dat wordt oppassen bij de scène die ik nu voorzie als opening (1994) want nog altijd is mij een beetje duister hoe het kwam dat ik toen juist door het ijs zakte.   Over mijn stem is gezegd: licht-ironisch, beetje humor, scherp observerend. Bij opdracht 6, het verhaal De Kom, zeiden mensen: cynisch, sarcastisch. Dat is geen stem die ik wil hebben. In dat verhaal kan ik me de karakterisering enigszins voorstellen. Aan de stem kan ik niet veel veranderen.   Structuur en perspectief: in het algemeen is de verhaalstructuur helder genoemd. Bijna alle verhalen zijn verteld vanuit de belevende ik of hij-personaal, met flashbacks. Per verhaal ging dat lekker, bij opdracht 3 merkte ik dat ik het moeilijk vond om de lijn vol te houden, c.q. om helder te blijven. Toch ga ik voor het eindverhaal proberen die lijn te volgen, het biedt me de optie beschrijving en innerlijke monoloog (die dan flashbacks oplevert) voortdurend te combineren en die vorm bevalt me.   Kortom, ik ga door op de allang ingeslagen weg, wil meer beeldspraak invoegen en proberen in structuur de vorm te handhaven die ik in vrijwel alle verhalen koos.   2. Structuurplan eindverhaal  De thematiek Wat gebeurt er als een slimme verlegen jongen opgroeit in een net, maar eenvoudig RK dorpsgezin met een dominante pa en een ma die de zorg voor de in haar beleving weerbarstige jongen in het grote gezin lastig vindt, terecht komt in een stads en meer welgesteld schoolmilieu, zich ontpopt en zijn talenten (woorden, intellect) ontdekt maar in zijn loopbaan en privéleven zijn afkomst en de kloof met anderen blijft voelen? Strijdt de jongen/man? Blijft hij strijden? Vindt hij een evenwicht tussen zijn neiging afstand te bewaren, zich onafhankelijk op te stellen, en zijn verlangen naar geborgenheid, een plek waar hij er mag zijn zonder iets te hoeven laten zien? Is hij een buitenstaander, een loner of kan hij ook samen zijn/vertrouwen?   Structuur Het liefst kies ik voor een opbouw die ik in de meeste eerdere teksten hanteerde: een hij-personale verteller (of belevende ik-verteller), vertelling in tegenwoordige tijd, door een gebeurtenis of observatie ontstaat een flashback die na een tijdje eindigt, waarna we terug zijn in het vertelheden en het procedé zich al dan niet herhaalt. Er zijn dan dus telkens scènes waarin het HP via zijn handelen en innerlijke monoloog zich aan de lezer laat kennen. Als begin stel ik me “1994” voor, een periode waarin ik uit het arbeidsproces viel door een burn-out, die volgde op scheiding (1991), een ongewenst kind (1992), een verkeerde loopbaankeuze. Een crisis als begin met flashbacks naar het ontstaan ervan. Na dat begin wil ik twee bewegingen maken: een naar de periode ervoor (jeugd enz. tot 1994) en een naar de periode erna (naar nu toe). Als het goed gaat, komt daar een open einde uit, maar wel ziet de lezer dat HP een zekere vrede met zichzelf heeft gevonden, vertrouwen heeft in zichzelf en durft te genieten van geborgenheid die hem geboden wordt en die hij zelf te bieden heeft.   Overige voornemens Mijn verhaal ga ik schrijven vanuit een hij-personaal perspectief, HP is Johan, (maar misschien noem ik hem gewoon Jan), De maatschappelijke context breng ik erin door beschrijving van kleding, manier van omgaan met elkaar, en inhoudelijk, het omgaan met de thematiek, Ik ga dat – als het even kan – niet expliciet doen, maar laat het zien, de lezer kan verbanden zelf leggen. Zo wil ik ook de thematiek inbrengen: zo min mogelijk benoemen, wel tonen.  Jan Loogman    

Jan Loogman
0 0

Een kom + Beloning voor goed gedrag, opdracht 6 Jan Loogman

Een kom voor in de keuken Wie een handgranaat naar zijn hoofd krijgt, stelt beter geen vragen. Anders volgt er misschien nog een. Toch, hij moet zich bedwingen om stil te blijven. Hoe kan het? Maar hij stelt de vraag niet, hij beseft het vrijwel meteen, het moment dat ze zei dat het veilig was. Ze telde haar dagen altijd. Hij is in de val getrapt. Vrijen op het ritme van de natuur. Schijnheilige sodemieter. Hij staat op, ongetwijfeld kijkt ze nu naar hem, speurend naar zijn reactie. Nou, vooruit dan. Hij schopt de buitendeur open en vertrekt.   De eerste keer dat hij op bezoek kwam, heeft hij verdomd lang moeten zoeken voordat hij het toegangshekje zag. “Het gaat op in de natuur,” zei zij even later, nadat hij het toch gevonden had en het houten huis tussen de duintjes had bereikt. Zo moeizaam als hij de weg vond, zo gemakkelijk bleek het om te blijven. Je kunt hier de zee horen ruisen, de wind door de duintoppen horen waaien. Als hij hier is, voelt hij zich deel van de natuur. Hij is bevrijd van de moeizame gedachten over ouderschap, co-ouderschap, verdeling van boeken, platen, planten. Is het verstandig dat Sacha en hij dezelfde advocaat nemen, moeten zij nu juist niet de loopgraven betrekken, elkaar zwart gaan maken, elkaar het leven zuur maken? Hier is de verwarring ver van hem, hier is een vrijplaats. Hij kent intussen de weg en fietst tegenwoordig rechtstreeks op het toegangshekje af, soepel slaat hij zijn been achter zich over de lastdrager en begint te steppen, van het pad af, een duw met het voorwiel tegen het hekje dat meegeeft, open gaat. In het zand smoort zijn vaart. Hij zet zijn fiets tegen de berk.   Voordat hij de deur kan openen, is zij er al. De haren, halflang tot op haar schouders, hij haalt zijn handen erdoor; licht- verglijdt in donkerblond. Ze drukt zich tegen hem aan en hij is stil. Zo staan, niet bewegen, niet naar voren, evenmin achteruit. Alleen dit moment waarin hij alle sores kan vergeten. Geen gedachten aan de kinderen, geen gedachten aan Sacha. Alleen dit moment.   Maar vandaag stapt zij naar achteren en gaat het huis in, de krappe hal die ook als keuken dienst doet. Hij volgt haar. Valt hij voorover, dan ligt hij op bed. Het is de beste keuze, het is waar hij voor komt, en ook, verbeeldt hij zich, waarom zij wil dat hij hier komt. Maar zij gaat die kant niet op, en ook hij beweegt naar links, achter haar aan, de kamer in. Wat is er aan de hand? Waarom koerst zij naar de woonkamer? Pas als ze gaat zitten op het tweezitsbankje, draait ze zich naar hem om. Ze slaat met haar hand op de plek naast zich. “Kom zitten.”   Hij is niet gek, hij kent de theorie rond slecht – en goed nieuwsgesprekken, hij herkent de signalen. Slecht nieuws vertel je het best meteen, en dat is wat ze nu gaat doen. Nou ja, einde van een leuke relatie, een fijne afleiding, hij heeft ervan genoten. Misschien verwachtte zij er meer van dan hij, hij heeft het wel gehoord, dat ze de vier woorden zei: “Ik hou van jou.” Vorige week nog, toen ze bij hem in bed lagen. Zelf heeft hij ze zorgvuldig vermeden. Hij zal haar teleurgesteld hebben. Hoe kon hij anders, een vrijplaats is een illusie. Maar hij zal de gepaste tegenwerpingen maken, het is niet nodig haar te kwetsen door te laten merken dat het hem niet veel uitmaakt, al is het natuurlijk jammer van de omgeving, dat zei ze goed die eerste keer. Het gaat hier op in de natuur, heerlijk is dat. Maar voor haar een ander, of niemand. Misschien is dat het beste, vrouwen verwachten altijd weer iets van je. Mooi is ze wel, wat dat betreft is het jammer. Maar schoonheid, hoe zei Lucebert het ook alweer: “In deze tijd heeft schoonheid haar gezicht verbrand.” Inderdaad, ze heeft haar neus gestoten. Goed dat ze op tijd inziet dat er geen echte relatie inzit, tussen hen. Ze wacht trouwens wel erg lang, mist hij iets? Och ja, het spel moet gespeeld worden, hij moet haar aankijken, dan zal ze het zeggen.   Maar als hij haar in het gezicht kijkt, zegt ze: “Ik ben zwanger.”   Hij antwoordt niet. Wat heeft het voor zin? Hij weet dat ze kijkt, schopt de buitendeur open en is vertrokken. Een begrijpelijke reactie zal ze denken. Ze zal denken dat het nieuws hem overvalt. Wat natuurlijk ook zo is. Zei ze dat zojuist al niet? “Neem je tijd om je ervoor open te stellen,” hij weet zeker dat hij haar dat heeft horen zeggen. Dat is waarom de trap tegen de deur hem geen moeite kostte. Maar “zich openstellen”? Ammehoela.   Wanneer hij thuiskomt, een uur later, op de agenebbisj verdieping die hij nog twee maanden lang zijn huis moet noemen, loopt hij naar de vensterbank en pakt de aardewerken kom op. Wist zij het al, toen zij hem de kom gaf? Hij had haar van de trein gehaald, een eeuwigheid geleden, ver voor de handgranaat. Vorige week woensdag. Ze was naar haar vader geweest, een bezoek dat hem verbaasd had en dat hij nu in een ander licht ziet. Wilde zij de man blij maken? Toen ze terugkwam, had hij op het station geïnformeerd hoe het bezoek verlopen was. “Ach, het blijft een vreemde man,” had ze gezegd. Hij had niet verder gevraagd, voorlopig hoefde hij niets van mogelijke schoonfamilie te weten. Sterker nog, hij had geen behoefte aan schoonfamilie. Als die er was, dan was er een relatie en daar tekende hij voorlopig niet voor. “Waarom wil je scheiden,” had Sacha gevraagd en hij had niets anders kunnen bedenken dan dat hij alleen wilde leven. “Wel met de kinderen, natuurlijk,” had hij snel toegevoegd. Maar zonder vrouw die hij verdriet kon bezorgen en die hem verdriet kon geven. Zijn schoonvader en schoonmoeder had hij wel willen behouden, zo welkom had hij zich altijd bij hen gevoeld, maar zij waren haar ouders, zij moesten haar kant kunnen kiezen.   Toen ze van het station bij hem thuis waren gekomen, had ze opgemerkt dat hij het vet in de keuken weg had geschrobd. “Nu de slaapkamer nog,” had zij gezegd, maar hij had gelachen en haar op bed getrokken. Schoonmaken deed hij wel als hij alleen was. En trouwens, zo lang ging hij hier niet blijven. Hij heeft een mooie etage aan de Oosterlaan gekocht. Samen met Sacha is hij er gaan kijken. Het is dichtbij de Beukenlaan waar zij blijft wonen. Ideaal, vond Sacha de etage. Hier kunnen de kinderen zich thuis voelen, zei ze. Hij ziet ernaar uit om daar te gaan wonen, weg van deze klerezooi. Alleen de keuken heeft hij hier schoongepoetst, hij wil een beetje behoorlijk kunnen eten.   Daar zijn ze vorige week gaan zitten, in de schone keuken. Vlak nadat zij in bed haar liefdesverklaring in zijn oor had gefluisterd. Stiekeme huichelaar. Ze heeft hem een cadeau gegeven. Een handgebakken aardewerken schaaltje, zag hij toen hij het uit het papier had gepakt. Hij luisterde niet naar het verhaal dat ze erbij vertelde. Hij had geen behoefte aan schoonfamilie en evenmin aan gedeelde huiselijkheid. Hij had het kommetje in de vensterbank gezet en voorgesteld naar haar huis te gaan.   Nu heeft hij de kom in handen en kijkt om zich heen. De vaste vloerbedekking met de aangekoekte vlekken in de kamer, het gladde zeil in de keuken, hij keurt ze af en opent de deur naar de hal. De betonnen vloer zonder enige bedekking bevalt hem. Hij stapt de hal in, heft de kom hoog boven zich. De afstand tot de betonnen vloer is maximaal. Hier zal hij in duizend stukken vallen, een kwetsbaar maaksel dat stukslaat op de betonnen werkelijkheid. Hij laat zijn armen weer zakken, hij heeft de kom nog steeds in zijn beide handen. Hij opent de deur naar de meterkast en plaatst de kom op de plank, naast het stoffer en blik. Het heeft geen zin scherven te veroorzaken die je zelf op moet ruimen.   De volgende ochtend is het zaterdag. Meteen na zijn ontbijt trekt hij zijn jas aan, sluit de deur achter zich en fietst naar het huis in de Beukenlaan, waar hij tot voor kort woonde. Coby wacht al op hem, een plastic tas in haar hand. “Mijn judospullen heb ik al ingepakt,” zegt ze. “Kun je de houdgreep nog?” vraagt hij. Op de fiets voelt hij haar handen in zijn zij. Op de Oosterlaan wijst hij naar links. “Daar ga ik over een paar weken wonen, “zegt hij. “Dan krijgen Maika en jij daar ook een kamer. Er is een grote woonkamer en dan kun je de houdgreep op me oefenen.” “Ik houd je gemakkelijk,” zegt ze.   Tijdens de judoles wandelt hij naar de Hema en koopt een kaart van Jip en Janneke. Hij gaat zitten bij het Gulden Vlies, bestelt een koffie verkeerd en vraagt om een pen. “Volgende maand ben ik officieel gescheiden,” schrijft hij. “Ik ga goed voor mijn kinderen zorgen. Samen met mijn ex-vrouw. Wie weet, ben ik ooit toe aan een nieuwe relatie, een nieuw kind. Nu niet. Waar ik zeker niet van houd, is erin geluisd te worden. Wat jij doet, is jouw verantwoordelijkheid. Niet de mijne.” Hij stopt de kaart in zijn binnenzak. Vanmiddag zal hij de kom inpakken en met de kaart aan haar versturen. Nu gaat hij Coby ophalen. First things first.   Beloning voor goed gedrag Zaterdag, de groene velden met de witte kalklijnen, bij voorkeur een zonnetje, een graad of achttien, een hooguit lichte bries. Hij ontbijt, haalt het dunne, zwarte jasje van de kapstok en voelt of de chronometer in het borstzakje zit. Hij staat even voor de spiegel, juist als zijn dochter roept dat ze vertrekt. In de spiegel ziet hij een man die nog wel een sprintje kan trekken. “Heb je je scheenbeschermers,” roept hij, maar hij hoort de deur al in het slot vallen. Het zal wel.   Wat later fietst hij op zijn gemak langs de brede vaart. Kleine rimpelingen in het water, het lijkt alsof het zonlicht opspringt en weer neerkomt. Aan de overkant de molens, daarachter de polder vol ganzen. Het is een dag waarop mensen gelukkig kunnen zijn. Toch voelt hij in zijn borst de zekerheid te kort te schieten. Het is altijd zo geweest. Kwetsbaar, vol zelfverachting, niets heeft hij er aan kunnen veranderen. Het gevoel in zijn borst kan tijdelijk verdwijnen. Hij denkt en handelt, hij is actief, doet zijn plicht of wat hij graag doet, maar als hij stil is, voelt hij het knagen, de leegte. Het is niet slecht wat hij doet,  maar het legt geen gewicht in de schaal. Hij kent zijn talenten en weet dat zij niet tellen.   Misschien is hij niet zo geboren. Zijn moeder vertelde hem dat zij na vier geboorten kort na elkaar geen vijfde wilde. Toen kwam jij, voegde ze eraan toe. Hij was het vijfde kind. Een jongen na vier meisjes bovendien, zoveel ongedurigheid was er in hem, ze sloot hem dikwijls op in  de kast. Hij herinnert zich hoe donker het was en hoe het naar grondwater rook. Zijn vader wilde hem juist in het licht zetten en kon het niet verkroppen als hij ervoor terugschrok. Klappen leverde het op, scheldwoorden of zwijgen. Misschien hebben zij hem de zekerheid gegeven tekort te schieten.   Toch is er nu de lentedag. Aan de overkant sjort de molenaar de kop met de wieken naar de zachte westenwind. Hard zullen ze niet draaien vandaag, maar alle beetjes zijn meegenomen. In de vaart slaan de riemen van de wedstrijdroeiers in het water. Het is het geluid dat zijn eigen peddel maakte, in het water van de ringvaart voor hun huis. Maandenlang hadden zijn zus en hij gespaard. Toen ze honderd gulden hadden, gingen ze kijken naar kano’s die te koop werden aangeboden. Steeds was hun bod te laag. Op een dag kwam papa thuis, het was in de tijd dat hij nog schillenman was. “Ik heb een kano voor jullie gekocht,” zei hij. “Geef mij jullie spaargeld, ik heb er honderd piek bovenop gedaan. Volgens mij is het een prachtding.” ’s Avonds had papa hen naar Halfweg gereden waar de kano lag. Hij was precies zoals ze hem wilden hebben, doorzichtige bruine glanslak, twee plaatsen achter elkaar. Dat je zo wiebelde als je erin stapte, daar hadden ze niet op gerekend. Misschien voelden ze zich ook ongemakkelijk omdat papa en de verkoper naar hen stonden te kijken. Toen ze eenmaal weg peddelden, voelde Johan  zich prima.  Zijn zus had al gauw genoeg gekregen van de kano en meestal voer hij alleen de ringvaart af, elke slag bracht hem verder van huis. Hij voer helemaal tot aan het Nieuwe Meer. Daar was het water wilder. Hij stak de neus van de kano recht in de golven en liet zich drijven. Een sleepboot voer snel over het meer, de golfslag werd woest, nu moest hij de neus zeker goed op de golven houden. Of zou hij dwars gaan liggen, zich laten omslaan? Het water spatte over zijn lijf. Laat in de middag kwam hij doorweekt thuis, zijn moeder gaf hem op zijn kop, maar hij had niet het gevoel dat ze echt boos was. Zij hield ook van water. Ze had eens zijn plastic bootje uit het kanaal gered, toen hij als kleuter ermee  op de steiger zat te spelen en het te ver van hem was weggedreven. Verdrietig om het verlies van het bootje was hij binnengekomen. Zij had zich snel omgekleed en was in het water gesprongen. Opgewekt stapte ze even later druipnat het huis weer binnen, zijn bootje in haar hand.   Hij zet aan en voegt zich in de stroom van jongens en meisjes met de zwarte sporttassen in hun fietsbak. Hij kan blijven zoeken naar woorden voor het gevoel van tekort, nooit zal hij eraan ontkomen. Het kan altijd in hem zijn geweest. Heel goed mogelijk dat zijn ouders het niet in hem hebben opgewekt. Wat maakt het uit? Je kunt jezelf niet veranderen, hoorde hij zeggen, maar wel je gedrag. Dus, wat maakt het uit waar de zekerheid  tekort te schieten vandaan komt, zolang hij er niet naar handelt?   Hij fietst onder de poort met het zwart-witte bord door, hij is aangekomen bij de groene velden, stalt zijn fiets en kijkt naar de vlaggetjes aan de cornerpalen, de netten die in de doelen schommelen. Echt weinig wind, altijd prettig voor de wedstrijd. In het wedstrijdsecretariaat  zitten de mannen rond de koffietafel. Slechts een enkeling van hen vervult een taak, de anderen zitten er omdat hier een voetbalveld is, waar zij met andere mannen het eeuwige gesprek kunnen voeren. Ook zijn vader voerde vroeger dit gesprek, met mannen die de kleine Johan over zijn bol aaiden. “Kom op, naar buiten,” zei zijn vader dan. Hij had belangrijke kwesties te bespreken. Dat de scheids er vorige zondag weer helemaal niets van kon, dat hij in zijn tijd wel raad had geweten met die voorzet van de linksbuiten. Het zijn de kwesties waar het ook op deze lentedag nog over gaat. Johan luistert ernaar, maar praat nog steeds niet mee. Hij schudt Piet de hand en pakt een bal, twee vlaggetjes voor de grensrechters, een fluitje, een bloknootje en een pen. “Veld C,” roept Piet hem na.   Bal aan de voet, het schrijfgerei in een van de steekzakken van zijn jasje, het fluitje in de ene hand, de vlaggetjes in de andere loopt hij Veld C op. Voor het rechterdoel is het thuisteam aan het afwerken. De speelsters staan in een rij achter elkaar, ter hoogte van de middencirkel. Hij zwaait naar zijn dochter die gelukkig haar scheenbeschermers draagt. Aan de overzijde is de tegenstander nog bezig sprintjes te trekken. Hij blaast op zijn fluitje, schudt de handen van de coaches. Er melden zich twee grensrechters, hij geeft hen een vlaggetje. “Uitbal, achterbal, corner, buitenspel,” zegt hij, “voor een overtreding hoef je niet te vlaggen. Die beoordeel ik zelf.” Dan draait hij zich naar de beide aanvoerders die zich intussen in de middencirkel hebben gemeld. “Hebben jullie er zin in?”   Na zijn beginsignaal volgt hij het spel op korte afstand. Hij vindt zich te oud om zelf nog te voetballen. Maar nu, met het gras onder zijn sportschoenen, is hij blij als een lange pass wordt gegeven, rennen moet hij dan, rennen om ter plekke te zijn als een duel volgt. Alert ook als de bal ineens in zijn richting wordt geschoten. Hij spreidt zijn benen, laat de bal passeren, het is alsof hij er niet stond, het spel gaat zonder onderbreking door. Eenmaal negeert hij een vlagsignaal van de grensrechter van de gasten. “Scheids,” hoort hij roepen. Hij laat het spel doorgaan, hij is benieuwd wat er gaat gebeuren als de aanval tot een doelpunt leidt. Maar de keeper vangt de zacht ingeschoten bal. Als ze in de rust het veld aflopen, komt de grensrechter naar hem toe. “Ik vlagde, scheids,” zegt hij. “Dat heb ik gezien,” zegt Johan,  “maar op het moment van spelen stond de aanvaller nog niet achter jullie achterste speelster. Geen buitenspel.” Hij ziet de man ademhalen, maar is hem voor. “Nou ja, wie weet, zag ik het verkeerd,” zegt hij, “of jij. Het werd in elk geval geen doelpunt.”   Na de wedstrijd brengt hij de spullen terug naar het wedstrijdsecretariaat. Dat is nu bijna leeg, op veld A speelt nu het selectieteam van jongens tot 19 jaar, daar staan de mannen ongetwijfeld langs de lijn. Alleen Piet zit nog aan tafel. Hij neemt de vlaggetjes van Johan aan, bergt de pen en het bloknootje op. De bal gaat in het ballennet. Samen vullen ze het wedstrijdformulier in: “1 – 1, geen bijzonderheden.” Piet geeft hem een consumptiebon. “Beloning voor goed gedrag,” zegt hij. “Daar doe ik het voor,” antwoordt Johan.   In de kantine wisselt hij de consumptiebon in voor een broodje bal. Eén hand aan het stuur fietst hij naar huis, het broodje in de andere hand, een snelle hap, de mosterd loopt langs zijn kin. In de vaart hebben de roeiers plaatsgemaakt voor kanovaarders. Geen vier in een boot, maar twee. Geen roeiers, maar peddelaars. Een andere aanpak maar ook deze boot scheert over het water. Misschien raken de peddelaars vermoeid, misschien raakt een van hen de slag kwijt, maar ze doen wat ze kunnen. Dat is genoeg.

Jan Loogman
0 0

December 1959 (Engelse en Amerikaanse sigaretten) opdracht 5 Jan loogman

De meisjes hebben de sigaretten weer keurig neergezet, ziet hij als hij rechtop gaat zitten. Hij hoorde ze wel bezig, kleine vlugge geluiden in de kamer om zich heen, terwijl hij in de luie stoel zat te soezen. Johan hoorde hij ook, dat klonk anders, aarzelend als de pakjes sigaretten werden opgescheurd. Die jongen weet jongens- en meisjeszaken niet van elkaar te onderscheiden. Hij deed het nog eens verkeerd ook, zette de Engelse- en de Amerikaanse sigaretten gewoon door elkaar heen. Hij hoorde tenminste hoe er even gepraat werd, zachtjes natuurlijk, ze willen hem niet wakker maken. Geertje corrigeerde hem. Maar het resultaat is mooi, ziet hij  nu, alles staat netjes op tafel. Laat de gasten maar komen, ook al zijn het de brave broers en zussen van Mies. Het kan natuurlijk zijn dat Johan dat verlegene van die kant heeft, ze zijn daar allemaal zo ingehouden. Later op de avond zit het hele huis vol en inderdaad, er is veel geroezemoes, praten kunnen ze wel, die schoonfamilie van hem, maar het is bedaard, rustig. Soms wordt hij er kregelig van. Gelukkig komt zijn broer naast hem zitten, al is Piet zelf ook graag beschaafd, een heer. Nou, je bent niet meer dan een melkboer, zou hij willen zeggen. Maar hij doet het niet, Piet is wezen kijken, van de week, op een doordeweekse avond met de bus uit Amsterdam gekomen om de voorstelling te zien. “Je maakte er weer iets moois van, Toon,” zegt hij nu. Dat is Piet, altijd complimenteus. “Ach, het was maar een klein rolletje,” zegt hij. Een caféhouder heeft hij al zo dikwijls gespeeld. Je bent geschminkt, je krijgt een obersjasje aan, je jongleert met wat glazen achter een bar, en af en toe zeg je wat. Zijn stem is nooit het probleem, hoewel dat mens van het krantje juist vindt dat hij te hard praat. Hoe kun je op het toneel te hard spreken? De mensen op de achterste rij moeten je ook kunnen verstaan! “Wil je een borreltje, Piet?” vraagt hij en hij zwaait al naar Geertje: “Een jonkie voor je oom,” zegt hij. “Vlug, een beetje.” Eigenlijk wil hij het niet over het toneel hebben. Het is een mooi stuk, “Waar de ster bleef stille staan”, maar hij had maar een kleine rol. Hij had het stuk gekozen vanwege de rol die er voor een kind in zit. Het kindje Jezus ligt in de kribbe, en later heeft het even tekst. Hij had meteen aan Johan gedacht, toen hij het las. Zo groot is hij niet, hij had heus wel in de kribbe kunnen liggen en zijn debuut kunnen maken. Maar de jongen wilde niet. “Hij is nog maar acht jaar, laat die jongen toch,” had Mies gezegd. Heeft verdorie zijn neef in de kribbe gelegen, die is even oud. Reken maar dat zijn zwager daarmee pronkt op het dorp. Hij is van zichzelf toch al een praatjesmaker. Hij legt het op de repetities niet echt aan met dat mens van Spanjaard, maar zit haar wel te voeren, zodat ze voortdurend in de schijnwerpers staat. Die man van haar wil ook bij de club, nou, misschien kan hij als butler een keer meespelen, voor iets anders is hij niet geschikt. “Die Spanjaard is gewoon een lulhannes,” zegt hij tegen zijn broer. “Hij komt toch bij jou uit de buurt? Nou sinds vorig jaar wonen ze hier in de Spechtstraat. Ik zie hem elke dag op zijn fietsie naar de stad gaan. Die man heeft bij dat wijf van hem niets te vertellen.” Hij weet wel dat zijn broer niet van zulke praatjes houdt, Piet houdt het graag netjes. Nou, hijzelf ook, maar om de waarheid draait hij niet heen. Vorige week kwam Johan thuis van voetbaltraining. Was hij helemaal opgetogen over wat hij geleerd had. Links aannemen, rechts schieten, had die plurk van een Spanjaard hem voetballes gegeven. Heeft die kerel soms vroeger in het eerste van Pancratius gespeeld? Nee toch. Nou, hij mooi wel. En niks links aannemen, rechts schieten. Gewoon in één keer op het doel knallen, dat was zijn tactiek. Heeft hij ook aan Johan gezegd. Je moet er niet omheen draaien, gewoon er tegen aan. Zo doet Billy Wright het ook, de aanvoerder van het Engelse elftal. Ineens ziet hij zijn zoon door de kamer lopen. Is het al bedtijd?  Johan heeft moeite tussen de stoelen en tafels door te komen, overal zitten mensen die niet opzij gaan voor zo’n kleine jongen. Hij doet ook zo vreselijk voorzichtig, duwt geen mens eens flink opzij, probeert zich nog kleiner te maken dan hij al is. Die jongen moet eens voor zichzelf op durven komen. Hij kan echt wel wat, hij moet alleen durven. Hij moet gewoon eens opgepord worden. Nu is Johan vlakbij hem. “Kom eens hier, Billy,” zegt hij en hij trekt zijn zoon op zijn schoot. “Vertel je ooms en tantes eens wat je van de week geleerd hebt van Dick Spanjaard?”  Stilte, natuurlijk, hij had het kunnen weten, die doet weer geen mond open. En kijk eens naar Wim. Hij is nog wel Mies haar lievelingsbroer. Die zit verdorie naar Johan te knipogen. Wat zullen we nou beleven?  “Kom op, jongen, “ zegt hij, “laat je eens horen. Vertel dan maar over de geschiedenisles op school, wanneer was de Slag bij Nieuwpoort?” Praten zal hij, al moet hij het uit hem persen. “Nou, doe je mond eens open. Je hebt toch een tong? Of niet soms?” Hij hoort de stilte in de kamer, reken maar dat Mies naar hem zit te kijken. En wat dan nog, hij is de vader, hij probeert die jongen gewoon aan het praten te krijgen.  Met een snelle beweging schiet Johan tussen zijn handen vandaan. Hij probeert hem te grijpen, gooit een glas om. “Ik ga naar bed,” hoort hij. Kijk hoe hij wegvlucht. Hij schreeuwt, hij ziet Wim en de anderen wel kijken, Piet ook, zijn broer, maar hij houdt het niet tegen. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen,” schreeuwt hij. Te laat, Johan is al de kamer uit. Rie schuift haar stoel weer voor de deur die naar de trap leidt. Nee, hij gaat heus niet achter hem aan. Mies wel, ze buigt zich naar haar zus en die laat haar er langs. Mies gaat de boel natuurlijk sussen. Zo gaat het hier altijd.  

Jan Loogman
0 0

Kunt u dat volhouden? opdracht 4, Jan Loogman

20 juli 2012 Te vroeg, beseft hij, hij heeft te vroeg gejuicht. Maar ach, het was louter in zichzelf, hij heeft zijn pokerface bewaard. Hij kijkt om zich heen: een portret van de koning, rechters in hun toga’s met de witte beffen, een zittingszaal zoals zovelen. Links van hem de advocaat van de tegenpartij, eerder die ochtend nog volledig overtuigd van het gelijk van zijn cliënt. Nu twijfelt hij, dat is zeker. En ook de rechters zullen achter hun oren krabben, of toch niet? Heeft hij zijn hand overspeeld? In de dagen hiervoor heeft hij moeite gehad zijn betoog te formuleren. Wat is dit voor een standpunt, heeft hij zijn collega’s gevraagd toen hij het dossier had doorgenomen. Sinds hun senior- juristen zijn uitgevallen, neemt hij op dit kantoor tijdelijk de honneurs waar. Hij reist naar Utrecht, voor de zittingen van de Centrale Raad, en verdedigt daar met regelmaat standpunten die hij zelf niet zou hebben bedacht. Ook nu had het dossier hem verrast. Hoe zijn jullie hierbij gekomen, heeft hij gezegd, je kent toch de jurisprudentie? Dat was niet zo, heeft hij in de daarna volgende discussie moeten constateren. En toch hebben de collega’s van geen wijken geweten, ze bleven overtuigd van het ingenomen standpunt. Hij ging bewondering voelen voor hun vasthoudendheid, juristen van het jaar nul zijn zij, maar kan hij hen dat verwijten? Harde werkers, hun inzet is een goed betoog waard. Nu ze de verdediging van dit vreemde standpunt aan hem hebben toevertrouwd, gaat hij de uitdaging aan, hij laat zichzelf tenslotte graag voorstaan op zijn flexibele geest. Als de tegenpartij hier vanochtend een walk-over dacht te krijgen, heeft die buiten hem gerekend. Don Quichote de la Mancha, graag speelt hij de rol en zojuist heeft hij hem weer vertolkt, hij is in zijn eigen argumenten gaan geloven, misschien heeft hij de Raad wel overtuigd. Een heel goed betoog, vond hij tenslotte. Zorgvuldig heeft hij een zelfingenomen houding vermeden. Of heeft hij na zijn slotwoorden toch al te tevreden achterovergeleund? Nooit op een zege vooruitlopen, nooit een nederlaag te vroeg incasseren, met alles rekening houden, maar niets laten blijken. Dat is wat hij geleerd heeft in de loop der jaren. Misschien is zijn achteroverleunen opgevallen, hij ziet de drie rechters op hun podium. Lagendijk, de voorzitter, is rood aangelopen. Hij heeft de naam een driftkop te zijn, iemand ook die gebrek aan kennis of intelligentie graag belachelijk maakt. Johan moet zich bedwingen om niet opnieuw het woord te nemen, op zijn betoog terug te komen, zijn excuses aan te bieden, toch het hoofd te buigen, zijn standpunt te wijzigen, maar het lukt hem, hij laat zijn gedachten dwalen. Hij komt uit bij de witgeschilderde frituurkraam die vroeger in het dorp stond, halfweg tussen de dijk en de kerk. Wanneer Duuk en hij tussen de middag uit school naar huis fietsten, stopten zij daar soms. Daan Lagendijk had de luiken net opengegooid, het vuur onder de pannen aangestoken. Duuk bestelde twee porties en betaalde ook. Zelf had Johan geen cent te makken, hij mocht van zijn moeder hier trouwens niet komen, je stond er met je zak patat gewoon op straat. Ordinair, zei zij en dus kwam hij hier stiekem en op kosten van Duuk. Als Lagendijk de zakken had volgegooid, veegde hij zijn handen af aan zijn witte jasje dat nog besmeurd was met de vegen van de dag ervoor. Het leek erop dat het jasje niet vaker dan eens per week verschoond werd. Nooit had hij hier van zijn moeder mogen eten. Het was niet alleen ordinair, het was ook onhygiënisch. Als de voorzitter zijn stem verheft, bedenkt Johan dat deze Lagendijk van een heel andere tak in de familie moet afstammen. Zijn stem klinkt alsof de eerste prijs in welsprekendheid bij het Leids Studentencorps altijd weer zijn deel zal zijn, op de tafel voor hem ligt naast het glas water een witte zakdoek waarmee hij af en toe zijn voorhoofd dept zonder dat de doek vuil lijkt te worden. Het afvegen helpt trouwens niet tegen het rood dat zijn gezicht in de loop van Johans pleidooi is gaan kleuren. Zodra Johan klaar is met zijn betoog, en jammer genoeg leunt hij op dat moment tevreden achterover, kijkt Lagendijk naar rechts, waar zijn eerste bijzitter zijn handen vouwt en op de tafel laat rusten, niet van plan tot enige actie te komen. “Heeft u geen vragen?” sist hij hem toe. Misschien is dit het ogenblik waarop het rood in zijn gezicht tot paars verkleurt, het moment dat de bijzitter laat weten inderdaad geen vragen meer te hebben. Lagendijk keert zich met een ruk van hem af, richt zich tot Johan. Een stier die zich wendt naar de toreador, met het doel hem op de horens te nemen. Johan buigt voorover, wil de rode kaft van het dossier aan het oog van de voorzitter onttrekken, maar de stier dendert door. “Wilt u overweging 2.5. uit onze tussenuitspraak eens voorlezen?” zegt hij. Natuurlijk wil hij dat, al brengt de dwingende toon hem terug naar zijn middelbare school. Op wonderbaarlijke wijze ontkwam hij in de eerste klas aan elke voordracht, elke boekbespreking, elke opdracht die hem alleen voor de klas kon brengen. Maar onontkoombaar was het dat hij een keer voor de klas moest komen. Bij Engels haalt de leraar hem naar voren, hij moet enkele woorden op het bord schrijven. Zodra hij een woord heeft genoteerd, hij weet nog welk woord het was, “Port”, vraagt de leraar hem dit nog eens te doen. “Ah, zo doe jij dat. Dat is een unieke manier van schrijven,” lacht hij, “Van welke dorpsschool kom jij eigenlijk?” Johan realiseert zich dat het een vraag is die hij niet hoeft te beantwoorden, de leraar stelt hem slechts voor zijn eigen plezier en dat van de klas, jongens uit de stad die zich vrolijk mogen maken om hem. Nu mag hij de dodelijke overweging 2.5. nog eens voorlezen, zoals hij ooit de letter P nog eens op het bord mocht schrijven. Rustig leest hij de overweging voor. Als hij klaar is, kijkt hij op, de voorzitter ziet onverminderd paars. “Welke consequenties verbindt u aan deze passage?” blaast hij. Johan voelt de wind dwars door zijn witte overhemd blazen. Een beschermende stropdas was nu fijn geweest. Hij kijkt naar de twee bijzitters, naar de griffier, zoals hij ooit naar zijn klasgenoten keek die klaar waren om in spottend gelach uit te barsten bij elke grap die de Engelse leraar ten koste van hem zou willen maken. Zij zijn bang, ziet hij. Het is aan hem de stier te weerstaan. Hij gaat rechtop zitten, plaatst zijn voeten naast elkaar op de grond en opent zijn mond. Na het echec met de beurt voor het bord tijdens Engels is hij er tot in de derde klas in geslaagd elk optreden voor de klas te vermijden. Toen werd de spreekbeurt onvermijdelijk. De leraar suggereerde een onderwerp, hij kwam toch uit de polder? Bij de buurvrouw ziet hij tijdens het tv-uurtje enkele boeken staan over de historie van hun polder, en hij mag deze lenen omdat het voor zijn school is. “Voor school mag je onze hele boekenkast leeghalen, Jean,” heeft de buurvrouw gezegd. Ze dreigde hem beet te pakken, maar hij was te snel, te klein misschien ook, en is met de boeken naar huis verdwenen. De boeken brengen hem van alles dat hij in zijn spreekbeurt zal kunnen gebruiken. Al die schepen die ooit in het Haarlemmermeer zijn vergaan, al de plannen tot drooglegging en tenslotte de feitelijke drooglegging dankzij de inzet van de stoomgemalen, de Lijnden, de Cruquius en de Leeghwater. Toen de polder er eenmaal was, had in de negentiende eeuw vlak achter de dijk een modelboerderij gestaan, de grond achter hun huis had tot het land daarvan behoord. “Ja,” zei de buurvrouw, toen hij haar erover vertelde, “en van de verkoop van al dat land is die boer rijk geworden en daarna heeft hij zich tot burgemeester laten kiezen. Het gemeentewapen is door hem ontworpen, die korenaren die uit water oprijzen.” Op zaterdag heeft hij de spreekbeurt gehouden. De nacht ervoor heeft hij gewoon geslapen, Toen was hij nog in staat zorgen opzij te zetten, te vergeten. Maar die ochtend, op weg naar school, heeft hij zich voorgesteld dat hij niet de Beethovenstraat insloeg, maar rechtdoor fietste, de Apollolaan in, God mocht weten waar hij terecht zou komen, wat kon het hem schelen? Hij heeft het niet gedaan, is op tijd op school gekomen en heeft in de eerste twee lesuren als een dode vogel achter zijn tafeltje gezeten. Niemand is iets aan hem opgevallen, hij gedroeg zich zoals ze hem kenden. In het derde uur begon de Nederlandse les zoals altijd, mijnheer Haenen deed joviaal en vertelde over het weekend waar hij zich op verheugde. Toen haalde hij het vel uit de la van zijn lessenaar. Johan wist wat erop stond, de lijst met namen voor de spreekbeurt. Hij vroeg zich af of hij zenuwen voelde. “Johan,” heeft Haenen gezegd, hij moet Johan hebben aangekeken en zijn opgestaan om plaats te maken, een spreekbeurt houd je vanachter de lessenaar van de leraar. Niets weet hij over het vervolg te vertellen. Hij zal met zijn papieren in de hand uit de bank zijn opgestaan, hij zal naar voren zijn gelopen. Hij heeft geen beeld van deze scène. Op het uitspreken van zijn naam door de leraar volgt in zijn hoofd onmiddellijk een ander beeld: hij legt zijn papieren neer, zegt “Dit was mijn spreekbeurt”, staat op en loopt terug naar zijn plaats. “Nee, nee,” zegt de leraar, “je moet nog vragen beantwoorden.” Hij loopt terug naar voren, gaat achter de lessenaar zitten, kijkt naar de jongens in de klas en zegt vrolijk: “Zijn er nog vragen?” In de tien minuten daarna doet hij zichzelf en de klas versteld staan, de vogel is herrezen, hij hoort de vragen, staat op van de lessenaar, neemt een krijtje, schetst het gemeentewapen op het bord, vertelt over de burgemeester die zichzelf verrijkte door zijn grond te verkopen toen er plannen kwamen tot uitbreiding van het dorp. Nu herinnert hij zich hoe hij de vragen van zijn klasgenoten beantwoordde, een vogel die voor het eerst vloog en niet kon worden gevangen. Hij herhaalt wat hij eerder heeft gezegd om het standpunt toe te lichten. “Misschien vindt u het een opmerkelijk standpunt,” zegt hij, en kijkt Lagendijk in het gezicht, dat nog donkerder paars is geworden, de voorzitter lijkt te barsten. “Ja, dat vind ik zeker,” stoot hij uit, “u kunt dit niet volhouden.”  Nog kan hij zwichten, beseft Johan opnieuw, dit is het moment om plat te gaan liggen, afstand te nemen van het standpunt dat hij heeft verdedigd. Als hij dit doet, kan hij zijn kennis van de jurisprudentie ten toon spreiden, zijn intellect tonen door zijn eerdere overwegingen te ironiseren. Het is het moment waarop de toreador wijkt voor de stier. Hij zal zijn eigen gezicht redden, afstand nemen van de organisatie die hij vertegenwoordigt, hij kan deze te kakken zetten. Natuurlijk had hij dit van meet af aan kunnen doen op deze zitting. Maar hij heeft een andere keuze gemaakt, als een kamikazepiloot is hij het standpunt gaan verdedigen, dat zijn collega’s hebben ingenomen, een onhoudbaar standpunt leek het hem. Maar zijn collega’s hebben ervoor gekozen, ook al zijn zij misschien onvoldoende onderlegd. En bovendien, heeft die Leidse Corpsbal niet naar zijn betoog geluisterd? Hij verdomt het zich door die man te laten koeioneren. “Ik wil het u nog een keer uitleggen, mijnheer de voorzitter,” zegt hij. Als het zou kunnen, ziet hij, zou Lagendijk verder van kleur veranderen, misschien zou hij even zwart worden als de te lang gebakken frietjes van zijn naamgenoot uit de frituurkraam. Maar hij is geschoold, hij beheerst zichzelf. “Nee, dank u,” zegt hij, “u bent voldoende aan het woord geweest.” Johan vindt het bijna jammer, graag had hij de vogel nog een salto laten maken.   Engelse, Amerikaanse, 1960 “U kunt dit niet volhouden,” hij blijft Lagendijk horen, in de treincoupé op de terugweg naar Amsterdam, boven het geroezemoes van de andere reizigers uit. Hoe bekakt de stem ook klinkt, hij herkent de woede erin. Ook het rood aangelopen gezicht en de verwrongen trekken zijn hem vertrouwd. Of is dit allemaal verbeelding? Komt het doordat de man hem zijn zin wilde opleggen. De mores van de rechtszaal zijn zijn bescherming geweest. Is het daarom dat hij dit werk is gaan doen? Op verjaardagsfeestjes bij hen thuis stelden zijn zussen meteen na het avondeten de stoelen en tafeltjes op, in de voor- en achterkamer. Hij mocht hen helpen de bekers met sigaretten uit te stallen. “Nee, die moeten niet bij elkaar,” had Geertje hem gecorrigeerd, toen hij de Chief Whip bij de North State wilde zetten. Engelse – en Amerikaanse sigaretten mochten niet in dezelfde beker terecht komen, maar Chief Whip, waren die nou Engels of Amerikaans? En North State? Later op de avond kwamen alle broers en zussen van mama, behalve natuurlijk Heeroom en Zuster Edwarda. En Ome Piet Sol kwam vanzelfsprekend ook niet, die chagrijn. Zijn peetoom is er ook, oom Piet Loogman, de broer van papa met zijn zachte stem, even rustig als mama’s broers en zussen. Zijn zussen schenken borreltjes voor de mannen, een advocaatje voor de vrouwen. Het praten wordt wat luider. Boven iedereen uit zijn er twee te horen, tante Cor, papa’s zus, en papa zelf. “Die Spanjaard is gewoon een lulhannes,” zegt hij nu. Johan kijkt op de klok, misschien is het zijn bedtijd. Hij kent mijnheer Spanjaard wel, vorige week op de voetbaltraining heeft hij nog uitgelegd dat ze de bal het beste met links kunnen aannemen. Dan ligt hij in een keer goed voor de rechtervoet om te schieten of te passen. Een goede tip, maar nu hoort hij zijn vader over mijnheer Spanjaard praten. “Hij heeft niets te vertellen bij dat wijf van hem,” zegt hij. Nog eens kijkt Johan op de klok, ja, het is echt bedtijd. Hij staat op en wurmt zich tussen de stoelen, de knieën, de glazen, de handen door, in de richting van de deur naar de trap die naar de stille bovenverdieping voert. “Kom eens hier, Billy,” hoort hij in zijn linkeroor en zijn vader omvat hem met twee handen, trekt hem naar zich toe. “Vertel eens aan je ooms en tantes wat je van de week geleerd hebt van Dick Spanjaard?” Johan kijkt voorzichtig rond, hij ziet hoe oom Wim naar hem knipoogt. “Kom op, jongen, laat je eens horen. Vertel dan maar over de geschiedenisles op school, wanneer was de Slag bij Nieuwpoort?” Johan houdt zijn mond, iedereen weet dat toch? “Nou, doe je mond eens open. Je hebt toch een tong? Of niet soms?” Hij hoort hoe zijn vaders stem van klank verandert, duwt zichzelf weg, weg van die schoot. Een glas valt om. “Ik ga naar bed,” zegt hij, probeert hij te zeggen. In zijn rug krijgt hij een duw, een harde por, hij hoort zijn vader snuiven. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen,” schreeuwt hij. Nu is het stil in de kamer. Kijkt iedereen hoe hij langs oom Wim glipt, opnieuw op weg naar de trapdeur? Hij voelt een aai over zijn hoofd, vindt de klink van de deur, tante Rie geeft hem de ruimte om de deur te openen, hij sluit hem achter zich en staat in het trapportaal. Even gaat hij op de onderste trede zitten, meteen gaat de deur open, hij had beter naar boven door kunnen lopen. Nu staat mama voor hem. “Kun je papa nou niet even zijn zin geven?” vraagt ze. Het liefst zou hij nu in de trein blijven zitten en doorgaan naar huis, kijken hoe zijn kinderen op het pleintje spelen, misschien een pizza voor hen rollen, maar hij moet nog langs kantoor, de collega’s zullen benieuwd zijn hoe de zitting is verlopen. Hij wil ze niet teleurstellen. Als de trein het Amstel Station binnenrolt, staat hij op.   Pax Christi, 1968 Op het perron haalt hij zijn pasje langs de gele paal om uit te checken en checkt onmiddellijk in bij de blauwe metropaal. Een goed geklede buitenlander, zo te zien op weg naar de Zuid-as, laat zijn ticket aan hem zien. Hij wijst hem de weg, als een goed functionerend lid van de samenleving, een man aan wie anderen vragen wat ze moeten doen, een man die er niet voor terugschrikt zijn positie te bepalen. Er staan er genoeg om hem heen die snel hun blik hebben afgewend toen ze de hulpeloze reiziger rond zagen kijken. Om uit de drukte te raken loopt hij een stuk over het perron totdat hij onder de overkapping van het station uit is.  Tussen de kantoortorens door ziet hij in de verte een glimp van de Amstel. Toen de kolossen er nog niet stonden, was het uitzicht op de rivier beter. Hij is hier op zijn breedst. Aanlokkelijk had hij het water gevonden, de eerste keer dat hij hier stond. Hij wachtte op de trein naar Den Bosch. Even later had hij zich door de om hem heen dringende jongens en meisjes naar binnen laten stuwen.  Daar duurde de drukte voort, iedereen leek opgewekt, er werd gelachen, maar hij was stil, op zijn plek bij het raam. Zijn klasgenoot Wim zat naast hem en zei ook niets. Buikpijn had hij gevoeld, waarom hadden de paters niet zoals alle eerdere jaren de eindexamenklas naar een klooster gestuurd, voor een stilteretraite?  De tijden veranderden, hun leraar Nederlands, pater Lockefeer, was vorig jaar uit het klooster naast de school vertrokken en droeg geen priesterboordje meer, de langharigen op school werden door pater-prefect niet meer naar de kapper gestuurd, laatst was het schoolfeest door de schoolleiding onderbroken omdat er te intiem geschuifeld werd. Maar hielp het daartegen om de eindexamenleerlingen voor drie dagen naar Den Bosch te sturen? “Wat een vooruitzicht,” had Wim gisteren gezegd. “Drie dagen en nachten in een groep waarin je niemand kent.” Als hij terugkijkt naar het perron, ziet hij de metro staan. Hij heeft het binnenrijden ervan niet opgemerkt. Snel rent hij naar de geopende deuren en stapt de coupé binnen, juist voordat de deuren zich sluiten. Hij lacht naar de mensen die bij de deur staan te wachten. Tevergeefs natuurlijk, ze kijken voor zich uit. Nee, er is toch één jongen die teruglacht: “Op het nippertje,” zegt hij. Wat een communicatie, zomaar in de Amsterdamse metro. De jongen draait zich om en Johan kijkt naar buiten. De Spaklerweg raast voorbij, de Weespertrekvaart, het lijkt alsof ze door zullen suizen naar Den Bosch. Na de drukte van de trein was het in de Veemarkthallen in Den Bosch een nog verschrikkelijker gewoel geweest. Overal werden bordjes omhoog gehouden: “Kapittel 51”, “Kapittel 34”enzovoorts. Mensen om hem heen, rugzakken in zijn gezicht, een stap opzij en ineens was daar het bordje dat hij zocht: “Kapittel 33”.  Wat jongens en meisjes in een kring, niemand die een mond opendoet, nu is iedereen tussen onbekenden, realiseert hij zich. Een jongeman tikt hem op de schouder en vraagt zijn naam. Hij vinkt hem af op een namenlijst en stelt zich daarna aan Johan voor. Vincent, de leider van het kapittel. De groep is compleet, zegt hij, ze kunnen de bus in. De bus rijdt hen veertig kilometer weg van de stad. In de komende dagen zullen zij er weer naar toe lopen, pelgrims op weg naar de kathedraal. Ergens in de buurt van Oirschot stappen ze uit. Onder wat eikenbomen gaan ze in een kring zitten voor een voorstelrondje. Sommige stemmen zijn nog zachter dan die van Johan. “Wat wil jij het liefst veranderen, in de wereld, in je eigen omgeving, in jezelf?” vraagt Vincent, als iedereen zich heeft voorgesteld. Geen idee, denkt Johan, misschien dat ik eindelijk stop met knikkers te spelen. Wanneer ze even later in tweetallen samen oplopen, is hij blij met het meisje dat hij heeft getroffen. Lies heet ze, ze komt uit Goirle, bij Tilburg, en ze weet heel goed wat ze anders wil. Vrouwen moeten voortaan gelijk zijn aan mannen. Is dat dan niet zo, verbaast Johan zich. Bij zijn zussen heeft hij niets te vertellen. Voordat hij het zich realiseert, zijn Lies en hij in gesprek. Haar lange, zwarte haar waait in haar gezicht. Ze praten door en komen gelukkig niet toe aan zijn veranderingswens. Als hij even later naast Anne uit Heemstede loopt, vraagt zij hem wat hij het liefste anders heeft in de wereld. “Ik wil dat mannen en vrouwen gelijk zijn”, verklaart hij. Hij verbeeldt zich een haan te horen kraaien, maar het deert hem niet. “Emancipatie vind ik belangrijk,” zegt hij nog eens voor de zekerheid. Hij ontdekt meer dingen die hij wil veranderen: Nederland moet uit de Nato, ouders moeten hun kinderen geen geloof opleggen, jongeren moeten stemrecht krijgen. Het Talenonderwijs op school moet meer gericht zijn op het leren spreken van een taal, “Vind jij het niet gek dat je in het buitenland niets durft te zeggen?” vraagt hij Anne op de tweede dag. Alsof hij ooit in het buitenland is geweest. Alsof hij ooit in Nederland iets heeft durven zeggen. Ergens onderweg leest Vincent een gedicht voor. “Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit/ het zacht maken van stenen/ het vuur maken uit water/ het regen maken uit dorst…”.  - Gerrit Kouwenaar, zegt Anne. Het is een credo, legt Vincent uit, wat is jouw credo? Even later stelt Lies Johan die vraag, ze moet lachen om zijn reactie. “Praten en luisteren”, antwoordt geantwoord, “ik heb nooit naar iets anders getracht.” Anderen horen zijn toevoeging ook en lachen mee. Op zaterdagmiddag stromen ze de Bossche binnenstad in, op weg naar de Sint Jan. Duizenden jongeren reiken elkaar de hand en zingen: “Geef mij je hand / geef mij ze allebei…”. In het gewoel moet Johan loslaten, maar Anne rekt zich uit en steekt hem haar hand toe. Zonder te aarzelen strekt ook hij zich en grijpt haar hand. Toen hij de maandag daarop op school was aangekomen, had hij zich een ander mens gevoeld. Toch droeg hij dezelfde kleren als vorige week. Alleen het bruine sjaaltje was anders. Hij had het thuis tussen zijn vaders kleren uitgerist, toen hij donderdag naar de voettocht vertrok. Drie dagen lang is hij het blijven dragen en nu trotseert hij de blik van pater-prefect. Jazeker, hij draagt een sjaaltje, hij overtreedt de kledingvoorschriften binnen de school, maar wat zou het? Hij is zeventien jaar en the times, they are a‘changing.   Aquarium, 1978 Na het Nieuwe Meer rijdt de metro op de oude spoordijk, dwars door Nieuw West. Links ziet hij het flatgebouw waar Sacha en hij woonden toen ze Mickey kregen. Nu naar rechts kijken, het vroegere VVA-terrein is volgebouwd, maar daarachter gloeit – groen als altijd – het Aquarium. “Hoe kun je daar gaan werken? “ vragen zijn vrienden. “Je laat je inkapselen.” Misschien zijn zij geen vrienden meer, denkt hij. Hij heeft ervan genoten met hen actie te voeren. In de demonstraties schreeuwde hij als een Amsterdamse schillenboer, verdwaald tussen deze jongens en meisjes uit de betere standen. Er liepen er trouwens genoeg tussen die uit het gewone volk kwamen. Misschien hoorde hij daar ook bij. Aan het einde van de actiedag troffen ze elkaar bij Tante Marie in de Westerstraat. Langzamerhand heeft hij genoeg gekregen van hun aanpak van de studie. Wat is het meer dan het telkens weer herlezen van Marx-citaten? Ook het zwoegen op zinnen van Duitse intellectuelen gaat hem tegenstaan.  “Zijn we nu iets wijzer geworden,” begint hij steeds vaker te vragen. “Misschien moeten we eens boeken lezen die we begrijpen.” In de werkgroep Psychoanalyse en Marxisme leest hij op een ochtend een zin van Lorenzer voor en daagt de anderen uit er chocola van te maken. “Zo komen we nergens,” zegt Tineke Zuiderhout. “Wil je dit soort interventies voortaan achterwege laten?” Johan wil haar aankijken, maar ze heeft zich al van hem afgedraaid, Stalin die Boecharin negeert op het partijcongres, een doodvonnis. Hij staat op, pakt het fraaie, koningsblauw Lorenzer-boekje van tafel en gooit het in de prullenmand. Een theatraal gebaar, maar wat kan hem gebeuren. Dit is Moskou niet, dit is Amsterdam. Later die maand heeft hij een idee voor zijn scriptie, met een voorstel gaat hij naar Marian, de doorgewinterde docente die verantwoordelijk is voor het vak Theoretische Opvoedkunde. Haar vriend is vorig jaar gestopt met zijn studie en in de fabriek gaan werken, bij Hoogovens. “Nee,” zegt zij, “dit ga ik niet begeleiden. Misschien kun je bij de buren terecht.” Een kamer verder op de gang zitten Piet en Hugo, de docenten Historische Opvoedkunde, op het instituut bekend als de twee rechtse klootzakken. Aan Piet zie je dit gemakkelijk af, hij draagt een colbertje en daaronder een gestreken overhemd, maar Hugo is minder gemakkelijk te categoriseren. Hij draagt zijn haren lang, zijn snor is flink en hij kleedt zich in een corduroy werkmansjasje. Ze geven Johan een flinke boekenlijst mee, titels die hij niet eerder heeft gelezen. Een ervan verbaast hem, “Politics and the English Language” van George Orwell, wat heeft die tekst met Pedagogiek te maken? “Niets,” zegt Piet, “maar je moet ook goed leren schrijven. En trouwens, om behoorlijk te denken heb je hier ook wat aan.” De schrijfregels van Orwell hangen boven zijn bureau als hij later zijn scriptie schrijft. Voor het eerst is hij trots op zijn eigen werk. Hij heeft geen gedachten van anderen verwoord, hij heeft niet meer opgeschreven dan wat hij zelf denkt en begrijpt. De regels geven hem zelfvertrouwen, ook als hij later in het aquarium werkt, bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, waar de werkloosheidswet en de andere sociale verzekeringswetten worden uitgevoerd. “Dat is de gevestigde orde bij uitstek,” zeggen zijn vrienden. “Je dwaalt wel heel ver af.”   Maak je geen zorgen, 1987 “Waar blijft Johan?” Vanaf de gang hoort hij de vraag van Brakel, neuroot dat hij is. Nou, hier is hij toch? En op tijd ook, ondanks de trein en de bus, en op het laatst werkte ook de lift niet mee door te stoppen op de achtste verdieping. Van daar af heeft hij zich op eigen kracht omhoog moeten werken, naar de hoogste verdieping van het aquarium. Nog nahijgend gooit hij de deur open: “Tadaà!” Alle gezichten keren zich naar hem. Kijk ze zitten, jonge honden noemen zij zichzelf, maar hoe graag lopen ze in het gareel. Nadat Brakel van de week het overleg met het ministerie had aangekondigd, heeft hij ze de een na de ander bij hem zien binnenstappen. Allemaal een wit voetje halen, de baas helpen die het zo moeilijk zegt te hebben met dat overleg. Verlaan ging als eerste. Hij dacht onopvallend weg te sluipen van zijn bureau, maar zijn luide ademhaling verraadde hem. Bovendien struikelde hij over de slippers die hij op kantoor altijd draagt. Een ideetje, zal hij tegen Brakel gezegd hebben, een ideetje voor het overleg met het ministerie. De anderen maken zich er nijdig om, omdat Verlaan zijn ideetjes nooit van zichzelf heeft, hij gaat altijd met andermans denkwerk aan de haal. Johan kan het niets schelen. “Hij kan nu eenmaal beter verkopen dan wij,” zegt hij, “dat is ook een kwaliteit.” Later zag hij ook Van Tuyll en Van den Hoop bij Brakel op de kamer, ongetwijfeld met een ingewikkeld verhaal over wetswijzigingen en de onuitvoerbaarheid daarvan. Alsof Brakel daarmee kan aankomen bij het ministerie. Zelf heeft hij Brakel niet opgezocht, hij heeft zelfs de boot afgehouden, toen deze hem op de gang polste. “We gaan toch niet ’s ochtends vroeg al naar het ministerie,” zei hij. “We hebben toch eerst voorbereidend overleg bij jou op de kamer? Ik praat je dan wel bij. Tijd genoeg.” Hem bijpraten, hij hoorde het zichzelf zeggen en wist hoe nijdig Brakel daarom zou zijn. Wie is hier de baas, zou Brakel denken? Maar moet hij rekening houden met Brakels hang-ups? Hij verdomt het. Daarom komt hij nu, op de dag van het overleg, ook niet eerder dan negen uur binnenstappen. Dat zijn collega’s zich eerder hebben gemeld en dat zij zich stuk voor stuk in het pak hebben gestoken, zichtbaar klaar om als assistent van Brakel mee te gaan naar het overleg, het laat hem koud. Ze wachten toch op hem. Gelukkig voor hen is het helder weer vandaag, ze hebben kunnen genieten van het uitzicht over de Westelijke Tuinsteden en de rookpluimen van de Hoogovens in de verte. Arno Legwaard zit er ook, ongetwijfeld tot ergernis van Brakel die hem toch zelf aan heeft genomen. In het werk is hij een kruk gebleken en hij voelt dat zelf ook wel aan. Hij probeert zijn gezicht te redden met verhalen over vroeger. Hoe hij vooraan heeft gestaan, in 1966, bij de happenings van Provo op het Spui. Praten kan hij, maar er zit geen lijn in, hij is een kip zonder kop, en zo doet hij ook zijn werk. Het enige waar hij in uitblinkt, is zijn kleding. Tussen de C en A-tjes van Verlaan en Van Tuyll glanst het Van Gilspak van de oude provo. Hij heeft er daar meer dan één van, en zelfs Johan vraagt zich af waar het allemaal van betaalt. Legwaard is de eerste die zich weer naar de tafel draait. “Nou, dan kan je beginnen,” zegt hij tegen Brakel. “Johan is er.” “Nee, Arno,” roept Johan vanuit de deuropening, “eerst koffie.” Weg is hij weer, hij hoort hoe de anderen hun stoel achteruit schuiven. Ze komen achter hem aan naar de koffieautomaat, ganzen achter hun aanvoerder. Een uur lang laat hij de bespreking zijn gang gaan. Van Tuyll en Van den Hoop hebben van de week verschillende uitvoeringskantoren bezocht om over de voorgenomen wetswijziging te praten. Volstrekt onuitvoerbaar is de conclusie en ze brengen hem met veel gesteun over tafel. Verlaan merkt op dat het ministerie daar geen oor voor zal hebben, maar verliest zich op zijn beurt in geneuzel over begripsomschrijvingen in het wetsvoorstel. Legwaard zegt om de paar minuten dat Brakel stelling moet nemen tegenover die bureaugeleerden. Daar bedoelt hij de medewerkers van het ministerie mee. Als het zo doorgaat, gaan ze zonder plan naar het overleg met het ministerie. Dat lijkt Brakel zich nu ook te realiseren. Hij slaat op de tafel, pure nervositeit natuurlijk. Het gekakel valt stil. Johan kijkt om zich heen, dit is zijn moment, hij schraapt zijn keel, het is voldoende om de aandacht te trekken. Brakel en de anderen kijken hem verwachtingsvol aan. “If you can’t beat them, join them,”zegt Johan, hij leunt achterover, alsof daarmee alles gezegd is. Nee, hij neemt toch de moeite door te praten. “Ik heb gisteravond zitten klaverjassen,” zegt hij. “Oude vrienden, vroeger speelden we elke week. Alle drie hebben ze op het Museumplein gestaan, prima vind ik dat. Maar wij in dit pieplandje kunnen de bewapeningswedloop natuurlijk niet stoppen. Het spel wordt gespeeld tussen de grote landen, wij zijn geen deelnemer, dus waarom zou een van hen naar ons luisteren? We kunnen de Amerikanen niet dwingen, we moeten met hen meebuigen. Misschien luisteren ze dan een keer naar ons. Dat is wat ik bedoel.” Hij stopt met praten, alsof hij een reactie verwacht, begrip, iemand die de lijn oppakt, die hij heeft ingezet, maar het blijft stil. “Interessant,” zegt Verlaan dan toch, “maar kunnen we verder gaan, waar we waren.” Hij keert zich naar Brakel: “De begripsomschrijvingen in het concept-wetsvoorstel.” Brakel knikt, misschien is hij teleurgesteld. Is dit Johan, de man van de klare lijn? Maar Johan is niet uit het veld geslagen. “Die begripsomschrijvingen, dat is een goed punt,” zegt hij. Hij voelt hoe Verlaan hem stomverbaasd aankijkt, maar hij gaat door. “Dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is, zoals Van Tuyll beweert, klopt ook. En toch, daar kunnen we allemaal niet mee aankomen bij het ministerie. We moeten het anders aanpakken. Een of twee van ons moeten erheen, zich slagvaardig opstellen, met een alternatief komen. Het ministerie moet de wet wijzigen, dat wil de politiek, niemand wil van ons bezwaren horen. Tegen de wind in pissen, dat lukt nooit. Daarom: If you can’t beat them, join them. Zij willen zo snel mogelijk de wet wijzigen, wij gaan laten zien hoe het sneller en effectiever kan. “ Hij kijkt naar Brakel. “Nou, zullen we maar vertrekken?”   Het overwicht van het grote, 1994 Als hij de muntjes werpt en de daardoor voorgeschreven lijnen tekent, ziet hij Ta Kwo ontstaan, vier sterke lijnen in het midden, twee zwakke lijnen aan de buitenkant. De figuur geeft het antwoord op de enige vraag die er voor hem toe doet: “Wat is er met mij aan de hand?” Hoe kan het dat hij zich zomaar ziek heeft gemeld, vanochtend, de eerste werkdag van het nieuwe jaar? Hij mankeert toch niets? En toch heeft hij niet getwijfeld, hij moest zich ziek melden. Ta Kwo betekent het overwicht van het grote, leest hij in De Kleine I Tjing, het boekje dat hij vanmiddag heeft aangeschaft. Het is een toestand die niet kan voortduren. “Daarvoor is het overwicht van het grote te excessief. De dragende balken kunnen de belasting niet aan. De edele moet zich uit de voeten maken. Het is bevorderlijk een plaats te hebben waar men heen kan gaan.”  Even heeft hij moeite met de tekst, dan dringt tot hem door dat hij de edele in het verhaal is. “De edele treft geen blaam,” leest hij, hij doet er verstandig aan afstand te doen van de wereld en hoeft zich daarvoor niet te schamen. Ze zullen gedacht hebben aan een griepaanval. Of een kater van een stevig gevierde jaarwisseling, misschien aan een heftige maandagochtendblues die hem de zin in de treinreis ontnam. Ze zullen hem morgen, of uiterlijk woensdag weer op het werk verwachten. “Je bent echt goed bezig, man,” heeft Dorien hem tijdens de kerstborrel nog toegevoegd. Om hen heen werd gepraat, geflirt, een enkeling wilde een dansje wagen. De stemming was ontspannen. “Dat heb jij voor elkaar gekregen, moet je ze eens zien,” had zij gezegd. Iedereen zal verwachten dat hij zijn goede werken voortzet, de ontspoorde afdeling weer in het gareel brengt, het werkplezier blijvend terugbrengt bij de medewerkers. “Maar de rotte appels moeten eruit, Johan, “ heeft Dorien gezegd, “geen halve maatregelen.” Hij begrijpt het wel. Was het een ander die deed wat hij heeft gedaan, dan zou hij ook vinden dat hij goed bezig is. Eindelijk een man die niet terugdeinst, iemand die door durft te pakken. Na zijn telefoontje vanochtend is hij naar buiten gegaan. Hij voelt geen schaamte over zijn ziekmelding, geen drang om zich binnen verborgen te houden. Mensen fietsen op weg naar hun werk, vuilnisauto’s rijden door de binnenstad om de troep van de oud- en nieuwviering op te ruimen. Winkels houden hun rolluiken omlaag of hun deuren gesloten. De lucht is blauw, de meeuwen en kraaien volgen de vuilnismannen, een vlucht ganzen trekt over. In de etalage bij Kühne valt hem een rood boekje op, de titel kan hij net lezen. Omdat de winkel nog gesloten is , gaat hij weer naar huis. Misschien is hij juist niet de man die door durft te pakken. Voor het eerst in zijn loopbaan is hij een half jaar geleden uit zijn vaste rol gestapt, de acteur die zijn eigen momenten koos om te schitteren, de wijsneus die altijd zo scherp uit de hoek kwam om er daarna weer gauw in terug te keren. Hij heeft begrepen hoe hij zijn nieuwe baan aan moest pakken, hij is blijven denken als adviseur, maar heeft gehandeld als de manager die hij nu is. Die rationele benadering heeft het hem mogelijk gemaakt te blijven zien waar hij mee bezig is. Het enige waar hij geen rekening mee heeft gehouden, is de kou die hem ’s nachts in bed overvalt. Denkt hij aan de tranen van Charlotte, die hij ’s middags de wacht heeft aangezet? Ligt hij wakker om de angst van Dick die zegt dat hij zonder zijn baan zijn hypotheek niet kan betalen? “Ik zet jullie niet zomaar op straat,” heeft hij gezegd, “ jullie krijgen een goed traject aangeboden. Grijp je kans, zou ik zeggen.” Het klopt als een bus, en toch loopt hij steeds vaker naar de lege zolderkamers van zijn dochters om de dekbedden te halen die hij op zijn eigen bed opstapelt om er daarna onder te kruipen. Iets moet hem verwarmen.  Nu geeft De Kleine I Tjing dit antwoord op zijn vraag. Het overwicht van het grote. Komt daar die kou vandaan, in de nacht? De pijn in zijn schouders? Is het de overmacht van het grote, en wat is dat grote dan? Hij beseft dat het nu geen tijd voor analyse is. De edele dient zich uit de voeten te maken, staat er, hij moet zichzelf veilig stellen. Hij pakt de telefoon en belt Dorien. “Ik blijf voorlopig ziek,” zegt hij, “ik denk dat ik niet terug wil naar mijn functie. We moeten praten.”   Theatercafé, 1997 “Ga je mee iets drinken?” heeft zij gevraagd. “Het is de laatste keer tenslotte.” Vooruit maar. Sinds hij van werk veranderd is, kan hij door de week gaan stappen, hij is toch de volgende ochtend binnen vijf minuten op kantoor. En tegenwoordig slaapt hij weer goed, ook als hij een biertje of twee op heeft. Even later zit hij in het theatercafé, hij kent het goed, vooral de plaatsen aan de bar of aan de stamtafel, maar zij heeft een tafeltje aan de zijkant gekozen, waar de muziek het gesprek niet kan overstemmen. Hij kijkt hoe ze aan de bar bestelt, ze komt er maar net bovenuit. In deze ruimte met het hoge plafond, de deuren waar een verhuiswagen onderdoor zou passen, valt hem voor het eerst op dat ze klein is. Ze heeft bruine ogen, ziet hij als ze proosten. Ze passen bij haar zwarte haar dat ze nu uit haar gezicht strijkt, misschien om hem goed te kunnen zien. “We hebben nooit hoeven vertellen waarom we de cursus zijn gaan doen,” zegt ze. “Wat was jouw reden?” Hij stamelt, iets over taal en woorden, de beweging van een pen op wit papier, ontdekken van je eigen gedachten. Ze wil details horen, waar zit hij als hij schrijft? Hij vertelt over zijn tafel in de huiskamer, waarom noemt hij de kinderen die daar soms zitten? “Je hebt wel jong kinderen gekregen,” merkt ze op. Zal hij haar in de waan laten? Uit een van haar verhalen kent hij haar eigen leeftijd, ze schelen bijna achttien jaar. Veel te jong is zij, nou vooruit, dan kan hij haar gerust vertellen dat hij al 45 is. Maar hij is er te laat mee, ze informeert naar zijn werk, lijkt geïmponeerd door zijn antwoord. Moeilijk werk, vindt ze. Hij moet lachen, denkt aan Dorien, zijn vroegere directeur. “Daar ben je toch veel te goed voor,” zei die toen hij voor dit werk wilde kiezen. “Het is wat ik goed kan,” zegt hij nu, “en wat ik bovendien goed kan verdragen.”

Jan Loogman
0 0

Pleiten, door Jan Loogman (opdracht 3)

WoensdagTe vroeg, beseft hij, hij heeft te vroeg gejuicht, al was het louter in zichzelf en bewaarde hij zijn pokerface. Hij kijkt om zich heen, links van hem zit de advocaat van de tegenpartij, een vurig pleidooi heeft hij vanochtend voor het Hof gehouden, overtuigd van zijn gelijk. De rechtbank heeft gedwaald, was zijn stelling, het Hof zal zijn hoger beroep gegrond moeten verklaren. Toen hij dat zei, had Johan in zichzelf moeten lachen. Het is wat hij zelf ook vindt. Een rechter die in een tussenuitspraak een lijn uitzet, kan in zijn slotuitspraak deze niet verlaten. Logisch dat de tegenpartij hoger beroep heeft ingesteld, en denkt dit gemakkelijk te kunnen winnen. Maar hij heeft zijn eigen visie voor zich gehouden en juist het tegenovergestelde bepleit. Als ze hier een walk-over dachten te krijgen, hebben ze buiten hem gerekend. Don Quichote de la Mancha, graag speelt hij de rol en zojuist heeft hij hem weer vertolkt, hij is in zijn eigen argumenten gaan geloven, misschien heeft hij het Hof wel overtuigd. Een heel goed pleidooi, vond hij toen hij het afsloot. Zorgvuldig heeft hij een zelfingenomen houding vermeden. Of heeft hij na zijn slotwoorden toch al te tevreden achterovergeleund? Nooit op een zege vooruitlopen, nooit een nederlaag te vroeg incasseren, met alles rekening houden, maar niets laten blijken. Dat is wat hij geleerd heeft in de loop der jaren. Toch, misschien is zijn achteroverleunen opgevallen, hij ziet de drie rechters op hun podium. Lagendijk, de voorzitter, is rood aangelopen. Hij heeft de naam een driftkop te zijn, iemand ook die gebrek aan kennis of intelligentie graag belachelijk maakt. Johan moet zich bedwingen om niet zijn excuses aan te bieden, het hoofd te buigen, zijn standpunt te wijzigen, maar het lukt hem, hij laat zijn gedachten dwalen.   Hij komt uit bij de witgeschilderde frituurkraam die vroeger in het dorp stond, halfweg tussen de dijk en de kerk. Wanneer Duuk en hij tussen de middag uit school naar huis fietsten, stopten zij daar soms. Daan Lagendijk had de luiken net opengegooid, het vuur onder de pannen aangestoken. Duuk bestelde twee porties en betaalde ook. Zelf had hij geen cent te makken, hij mocht van zijn moeder hier trouwens niet komen, je stond er met je zak patat gewoon op straat. Ordinair, zei zij en dus kwam hij hier stiekem en op kosten van Duuk. Als Lagendijk de zakken had volgegooid, veegde hij zijn handen af aan zijn witte jasje dat nog besmeurd was met de vegen van de dag ervoor. Het leek erop dat het jasje niet vaker dan eens per week verschoond werd. Nooit had hij hier van zijn moeder mogen eten. Het was niet alleen ordinair, het was ook onhygiënisch.   Als de voorzitter zijn stem verheft, bedenkt Johan dat deze Lagendijk van een heel andere tak in de familie moet afstammen. Zijn stem klinkt alsof de eerste prijs in welsprekendheid bij het Leids Studentencorps altijd weer zijn deel zal zijn, op de tafel voor hem ligt naast het glas water een witte zakdoek waarmee hij af en toe zijn voorhoofd dept zonder dat de doek vuil lijkt te worden. Het afvegen helpt trouwens niet tegen het rood dat zijn gezicht in de loop van Johans pleidooi is gaan kleuren. Zodra Johan klaar is met zijn pleidooi, en jammer genoeg leunt hij op dat moment tevreden achterover, kijkt Lagendijk naar rechts, waar zijn eerste bijzitter zijn handen vouwt en op de tafel laat rusten, niet van plan tot enige actie te komen. “Heeft u geen vragen?” sist hij hem toe. Misschien is dit het ogenblik waarop het rood in zijn gezicht tot paars verkleurt, het moment dat de bijzitter laat weten inderdaad geen vragen meer te hebben. Lagendijk keert zich met een ruk van hem af, richt zich tot Johan. Een stier die zich wendt naar de toreador, met het doel hem op de horens te nemen. Johan buigt voorover, wil de rode kaft van het dossier aan het oog van de voorzitter onttrekken, maar de stier dendert door. “Wilt u overweging 2.5. uit de tussenuitspraak van de rechtbank eens voorlezen?” zegt hij.   Natuurlijk wil hij dat, al brengt de dwingende toon hem terug naar zijn middelbare school. Op wonderbaarlijke wijze ontkwam hij in de eerste klas aan elke voordracht, elke boekbespreking, elke opdracht die hem alleen voor de klas kon brengen. Maar onontkoombaar was het dat hij een keer voor de klas moest komen. Bij Engels haalt de leraar hem naar voren, hij moet enkele woorden op het bord schrijven. Zodra hij een woord heeft genoteerd, hij weet nog welk woord het was, “Port”, vraagt de leraar hem dit nog eens te doen. “Ah, zo doe jij dat. Dat is een unieke manier van schrijven,” lacht hij, “Van welke dorpsschool kom jij eigenlijk?” Johan realiseert zich dat het een vraag is die hij niet hoeft te beantwoorden, de leraar stelt hem slechts voor zijn eigen plezier en dat van de klas, jongens uit de stad die zich vrolijk mogen maken om hem.   Nu mag hij de dodelijke overweging 2.5. nog eens voorlezen, zoals hij ooit de letter P nog eens op het bord mocht schrijven. Rustig leest hij de overweging voor. Als hij klaar is, kijkt hij op, de voorzitter ziet onverminderd paars. “Welke consequenties verbindt u aan deze passage?” blaast hij. Johan voelt de wind dwars door zijn witte overhemd blazen. Een beschermende stropdas was nu fijn geweest. Hij kijkt naar de twee bijzitters, naar de griffier, zoals hij ooit naar zijn klasgenoten keek die klaar waren om in spottend gelach uit te barsten bij elke grap die de Engelse leraar ten koste van hem zou willen maken. Zij zijn bang, ziet hij. Het is aan hem de stier te weerstaan. Hij gaat rechtop zitten, plaatst zijn voeten naast elkaar op de grond en opent zijn mond.   Na het echec met de beurt voor het bord tijdens Engels is hij er tot in de derde klas in geslaagd elk optreden voor de klas te vermijden. Toen werd de spreekbeurt onvermijdelijk. De leraar suggereerde een onderwerp, hij kwam toch uit de polder? Bij de buurvrouw ziet hij tijdens het tv-uurtje enkele boeken staan over de historie van hun polder, en hij mag deze lenen omdat het voor zijn school is. “Voor school mag je onze hele boekenkast leeghalen, Jean,” heeft de buurvrouw gezegd. Ze dreigde hem beet te pakken, maar hij was te snel, te klein misschien ook, en is met de boeken naar huis verdwenen. De boeken brengen hem van alles dat hij in zijn spreekbeurt zal kunnen gebruiken. Al die schepen die ooit in het Haarlemmermeer zijn vergaan, al de plannen tot drooglegging en tenslotte de feitelijke drooglegging dankzij de inzet van de stoomgemalen, de Lijnden, de Cruquius en de Leeghwater. Toen de polder er eenmaal was, had in de negentiende eeuw vlak achter de dijk een modelboerderij gestaan, de grond achter hun huis had tot het land daarvan behoord. “Ja,” zei de buurvrouw, toen hij haar erover vertelde, “en van de verkoop van al dat land is die boer rijk geworden en daarna heeft hij zich tot burgemeester laten kiezen. Het gemeentewapen is door hem ontworpen, die korenaren die uit water oprijzen.”   Op zaterdag heeft hij de spreekbeurt gehouden. De nacht ervoor heeft hij gewoon geslapen, Toen was hij nog in staat zorgen opzij te zetten, te vergeten. Maar die ochtend, op weg naar school, heeft hij zich voorgesteld dat hij niet de Beethovenstraat insloeg, maar rechtdoor fietste, de Apollolaan in, God mocht weten waar hij terecht zou komen, wat kon het hem schelen? Hij heeft het niet gedaan, is op tijd op school gekomen en heeft in de eerste twee lesuren als een dode vogel achter zijn tafeltje gezeten. Niemand is iets aan hem opgevallen, hij gedroeg zich zoals ze hem kenden. In het derde uur begon de Nederlandse les zoals altijd, mijnheer Haenen deed joviaal en vertelde over het weekend waar hij zich op verheugde. Toen haalde hij het vel uit de la van zijn lessenaar. Johan wist wat erop stond, de lijst met namen voor de spreekbeurt. Hij vroeg zich af of hij zenuwen voelde. “Johan,” heeft Haenen gezegd, hij moet Johan hebben aangekeken en zijn opgestaan om plaats te maken, een spreekbeurt houd je vanachter de lessenaar van de leraar. Niets weet hij over het vervolg te vertellen. Hij zal met zijn papieren in de hand uit de bank zijn opgestaan, hij zal naar voren zijn gelopen. Hij heeft geen beeld van deze scène. Op het uitspreken van zijn naam door de leraar volgt in zijn hoofd onmiddellijk een ander beeld: hij legt zijn papieren neer, zegt “Dit was mijn spreekbeurt”, staat op en loopt terug naar zijn plaats. “Nee, nee,” zegt de leraar, “je moet nog vragen beantwoorden.” Hij loopt terug naar voren, gaat achter de lessenaar zitten, kijkt naar de jongens in de klas en zegt vrolijk: “Zijn er nog vragen?” In de tien minuten daarna doet hij zichzelf en de klas versteld staan, de vogel is herrezen, hij hoort de vragen, staat op van de lessenaar, neemt een krijtje, schetst het gemeentewapen op het bord, vertelt over de burgemeester die zichzelf verrijkte door zijn grond te verkopen toen er plannen kwamen tot uitbreiding van het dorp.   Nu herinnert hij zich hoe hij de vragen van zijn klasgenoten beantwoordde, een vogel die voor het eerst vloog en niet kon worden gevangen. Hij herhaalt wat hij eerder heeft gezegd om het standpunt toe te lichten. “Misschien vindt u het een opmerkelijk standpunt,” zegt hij, en kijkt Lagendijk in het gezicht, dat nog donkerder paars is geworden, de voorzitter lijkt te barsten. “Ja, dat vind ik zeker,” stoot hij uit, “u kunt dit niet volhouden.” Nu kan hij zwichten, beseft Johan, dit is het moment om afstand te nemen van het standpunt, zijn kennis van de jurisprudentie ten toon te spreiden, zijn intellect te tonen door de overwegingen in de slotuitspraak van de rechtbank te ironiseren. Het is het moment om plat te gaan liggen, een toreador die wijkt voor de stier. Hij kan zijn organisatie te kakken zetten en zijn eigen gezicht redden. Natuurlijk had hij dit van meet af aan kunnen doen op deze zitting. Maar hij heeft een andere keuze gemaakt, als een kamikazepiloot is hij het standpunt gaan verdedigen, dat zijn collega’s in lijn met de slotuitspraak hebben ingenomen, een onhoudbaar standpunt vond hij zelf. Maar zijn collega’s hebben ervoor gekozen, ook al zijn zij misschien onvoldoende onderlegd, en wie is hij om deze harde werkers af te vallen? Hij verdomt het zich door deze Leidse Corpsbal te laten koeioneren. “Ik wil het u nog een keer uitleggen, mijnheer de voorzitter,” zegt hij. Als het zou kunnen, ziet hij, zou Lagendijk verder van kleur veranderen, misschien zou hij even zwart worden als de te lang gebakken frietjes van zijn naamgenoot uit de frituurkraam. Maar hij is geschoold, hij beheerst zichzelf. “Nee, dank u,” zegt hij, “u bent voldoende aan het woord geweest.” Johan vindt het bijna jammer, graag had hij de vogel nog een salto laten maken, maar hij zwijgt en blijft zitten. Hij hoopt op een pokerface.   In de trein terug staart hij uit het raam. Hij voelt zich volkomen helder en tot alles in staat, maar uit ervaring weet hij dat hij vandaag niets meer zal uitvoeren, zijn kruit is verschoten. Hij kijkt terug de coupé in, een leeggedronken bierblikje in zijn hand. Als hier nog wat gesproken moet worden, zal hij het woord nemen. Maar het is niet nodig. DonderdagMet het dossier onder zijn arm daalt hij een verdieping en loop door de lange gang, op zoek naar de kamer van Steensma. Zodra hij er binnenstapt, valt hem de zweetlucht op. Een man die nooit zijn puberjaren te boven is gekomen. Ook de aanblik van zijn bureau ondersteunt die gedachte, overdekt als het is met dossiers die over elkaar heen lijken te glijden. Verschillende ervan liggen open. Zouden stukken op deze manier niet van de ene naar de andere kaft dreigen te verhuizen? Hij gaat er niets van zeggen, zo lang zal hij hier niet meer werken, de vervanging loopt op zijn einde. Bovendien kijkt Steensma hem gepijnigd aan, alsof hij hem in een complexe gedachtegang gestoord heeft. Nu hoeft dat op zich niet veel te betekenen, wie zegt dat denken op zich voor deze middelbare puber niet al een lastige opgave is? Hij houdt hem het dossier voor.   “Weet je nog? Eergisteren kwam ik hiermee naar je toe. Gisteren was de zitting, ik dacht: ik vertel je even hoe het is gegaan.”“O,” zegt Steensma. “Appeltje-eitje zeker?”   Hij weet wat hij kan zeggen. Hij kan de gedachtegang van Lagendijk aan Steensma proberen uit te leggen, en ook die van de advocaat. Hij kan er zijn tegenargumenten aan toevoegen en dan een conclusie proberen te trekken, een inschatting maken: zaak verloren, zaak gewonnen. Maar wat heeft het voor zin?“Appeltje- eitje,” zegt hij.  

Jan Loogman
0 0

Maak je geen zorgen, door Jan Loogman (opdracht 2)

“Waar blijft Johan?” Natuurlijk ben ik het weer die het vraagt. Ze vinden me al een neuroot. Kijk ze zitten, jonge honden noemen zij zichzelf, maar ik weet hoe graag ze in het gareel lopen. Stuk voor stuk zijn ze van de week bij me binnengestapt om een wit voetje te halen. Verlaan kwam als eerste, zijn vette haren vielen over zijn brillenglazen, ik hoorde zijn adem, hij drukte een zakdoek tegen zijn neus. Wiebelend op zijn sokken, de man trekt op kantoor zijn schoenen altijd uit, kwam hij met een ideetje, zoals hij het noemde. Hij is altijd bang om niet vooraan te staan als de afdelingschef zich met het werk gaat bemoeien. Een ideetje voor het overleg met het ministerie, zei hij. Ik heb hem weer naar buiten gestuurd. Hij heeft zijn ideetjes nooit van zichzelf, maar hij kan ze verkopen als de beste. Als hij zich behoorlijk gaat verzorgen en kleden, kan hij het ver brengen, maar waarom zou ik hem vertellen dat hij iets aan zijn uiterlijk moet doen? Zijn collega’s hebben daar ook geen zin in, hij loopt te vaak met hun ideeën te pronken. De Parasiet noemen ze hem, en soms De Luis. Ik hoor het wel, maar zeg er niets van. Verdeel en heers, is mijn gedachte. Straks zal Verlaan ongetwijfeld weer met het ideetje komen en dan zullen de anderen verontwaardigd kijken, omdat ze het herkennen, het komt van een van hen. Maar een slecht idee zal het niet zijn.   Van Tuyll en Van den Hoop kwamen van de week ook al op mijn kamer, zwaar zuchtend. Dat een goede presentatie de voorwaarde voor succes is, misschien zelfs de enige succesfactor, is bij hen nog niet binnengekomen. Een ingewikkeld verhaal hielden ze, over de wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de onuitvoerbaarheid daarvan. Alsof ik daarmee kan aankomen bij het ministerie. Ook die twee heb ik weer naar hun bureau gestuurd. De enige die ik graag mijn kamer binnen had zien komen, is Johan. Maar die heeft het natuurlijk verdomd. “We gaan toch niet ’s ochtends vroeg al naar het ministerie,” zei hij, toen ik hem polste hoe wij ons in het overleg moeten opstellen. “We hebben toch eerst voorbereidend overleg bij jou op de kamer? Ik praat je dan wel bij. Tijd genoeg.” Mij bijpraten, die uitdrukking gebruikte hij, met een uitgestreken gezicht. Maar nu puntje bij paaltje komt en wij hier allemaal zitten voor dat voorbereidend overleg, is hij er niet. Ook al is het nog geen negen uur, zijn collega’s zitten al een paar minuten aan tafel, stuk voor stuk in het pak, allemaal een stropdas om, turend over de Westelijke Tuinsteden. Het is helder weer, we kunnen de rookpluimen van de Hoogovens boven de duinen zien. Als ze maar niet verwachten dat ik hen allemaal meeneem naar dat overleg. De regie ligt bij mij, vanochtend kunnen zij mij informeren, of bijpraten zoals zij blijkbaar zeggen. En dan ga ik naar het ministerie, misschien dat ik een of twee van hen meeneem, voor het geval het erg inhoudelijk wordt vanmiddag.   Nog eens herhaal ik mijn vraag: “Waar blijft Johan toch?” Ik heb er genoeg van uit het raam te blijven staren. Legwaard kijkt mij aan. Een zenuwenlijer, heb ik hem mij horen noemen. Hij wist niet dat ik naast de tweede koffieautomaat stond en hij kletste erop los, met dat Amsterdamse accent van hem. Ik had die man nooit moeten aannemen. Maar ja, ik wist het weer zo goed, ik dacht dat de jonge honden wel wat sturing van een oudere collega konden gebruiken. In het sollicitatiegesprek gaf hij hoog op van zijn leiderskwaliteiten. Hij heeft nog vooraan gestaan bij de happenings die Provo in 1966 op het Amsterdamse Spui hield, als ik het mag geloven. Maar zijn leidinggevende kwaliteiten zijn blijkbaar met de jaren verdampt, in elk geval doet hij zijn werk als een kip zonder kop, ze moeten hem alles voorkauwen, laat staan dat hij het voortouw kan nemen. Het enige waar hij in uitblinkt, is zijn kleding. Je verwacht het niet van een oude provo, maar tussen de C en A-tjes van Verlaan en Van Tuyll glanst zijn Van Gilspak. Hij heeft er bovendien meer dan één, heb ik gezien. God mag weten waar hij ze van betaalt, zijn salaris kan het niet zijn. “Misschien moet je toch maar beginnen,” zegt hij nu. Denkt hij soms dat ik zijn leiding nodig heb? Maar het wordt zo langzamerhand wel tijd.   Juist als ik de papieren voor mij op tafel nog eens schik, een gebaar dat ik vaker gebruik als signaal dat ik een vergadering bijna ga openen, gaat de deur open. Een Daniel Hechter-jasje draagt hij, een gebloemd overhemd eronder. Alsof er vandaag geen topoverleg met het ministerie op de agenda staat, maar een uitje naar een dancing voor oudere jongeren. Gelukkig geen jeans, maar een neutrale, zwarte broek. Hij kijkt de tafel rond. “Eerst koffie,” zegt hij en weg is hij weer. De anderen schuiven hun stoel achteruit en gaan achter hem aan naar de koffieautomaat, een troep ganzen achter zijn aanvoerder. “Neem ik voor jou een koffie mee, Wim?” vraagt Legwaard mij vanuit de deuropening. Zijn manier om een wit voetje te halen.   Een uur later is voor mij de chaos compleet. Van Tuyll en Van den Hoop hebben van de week verschillende uitvoeringskantoren bezocht om over de voorgenomen wetswijziging te praten. Volstrekt onuitvoerbaar is de conclusie en ze brengen hem met veel gesteun over tafel. Verlaan heeft door dat het ministerie daar geen oor voor zal hebben, maar op zijn beurt verliest hij zich in detaillistisch geneuzel, hij heeft het over de begripsomschrijvingen in het wetsvoorstel. Die deugen blijkbaar niet. Alsof ik daar wel mee aan kan komen. Legwaard zegt om de paar minuten dat ik stelling moet nemen tegenover die bureaugeleerden, zoals hij de medewerkers van het ministerie maar blijft noemen. Alleen Johan zegt niets. Tenslotte geef ik een klap op tafel. Ineens is het stil. “Zo komen we er niet uit,” zeg ik. “heeft iemand een brainwave?”   De stilte blijft even duren. Dan schraapt Johan zijn keel. Eindelijk, daar zul je het hebben. “If you can’t beat them, join them,”zegt hij. Hij leunt achterover, alsof daarmee alles gezegd is. Is er dan niemand die mij iets geeft, waar ik vanmiddag mee voor de dag zal kunnen komen? Gelukkig ben ik blijkbaar niet de enige die niet snapt wat hij bedoelt. “Interessant, verklaar je nader, ” zegt Verlaan tegen hem. Ongetwijfeld hoopt hij dat een goede uitleg achterwege zal blijven en dat Johan zijn positie als slimste jongetje van de klas zal moeten afstaan. Maar Johan lijkt tot uitleg bereid. Alhoewel, wat is dit voor gebazel?   “Ik heb gisteravond zitten klaverjassen,” zegt hij. “Oude vrienden, vroeger speelden we elke week. Zodra we alle vier binnen waren, begon een van ons de kaarten te schudden, de anderen namen snel hun plaatsen in. Iemand maakte troef, de eerste kaart lag al op de tafel, we gooiden bij, troefden in, we doken, soms kwam er een kale Nel op tafel. Ik wilde de sfeer van vroeger nog eens terughalen, daarom had ik mijn studievrienden uitgenodigd. Het leek als vanouds, in elk geval zit ik hier met een houten kop. En toch, van meet af aan was de sfeer anders dan toen. We kregen het over de neutronenbomdemonstratie. Twee droegen het speldje nog. Toen ik de realistische opstelling van Joop den Uyl verdedigde, keken ze me alle drie aan, alsof ik van mijn geloof was afgevallen. Schoppen is troef, heb ik toen maar gezegd en we hebben gekaart tot half een. Wat eerder dan we in het verleden stopten, maar laat genoeg voor mij.”   “Kijk, die vrienden van mij hebben op het Museumplein gestaan, prima vind ik dat. Maar wij in dit pieplandje kunnen de bewapeningswedloop natuurlijk niet stoppen. Het spel wordt gespeeld tussen de grote landen, wij zijn geen deelnemer, dus waarom zou een van hen naar ons luisteren? We kunnen de Amerikanen niet dwingen, we moeten met hen meebuigen. Misschien luisteren ze dan een keer naar ons. Dat is wat ik bedoel.”   “Interessant,” zegt Verlaan, “maar kunnen we verder gaan, waar we waren.” Hij heeft zich naar mij gekeerd: “De begripsomschrijvingen in het concept-wetsvoorstel.”   Ik begrijp hem wel. Niet dat ik het over die begripsomschrijvingen wil hebben, maar met Johan kom ik ook niet dichter bij een klare lijn. Integendeel. Maar Johan denkt er anders over.   “Die begripsomschrijvingen, dat is een goed punt,” zegt hij ineens. Verlaan kijkt hem stomverbaasd aan. “En dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is, zoals Van Tuyll beweert, klopt ook. Maar daar kunnen we niet mee aankomen bij het ministerie.” Nu kijkt hij naar mij. “We kunnen daar trouwens niet met zijn allen heen. Een of twee mensen die zich slagvaardig opstellen, hen een alternatief voorleggen. Het ministerie moet de wet wijzigen, dat wil de politiek, niemand wil van ons bezwaren horen. Tegen de wind in pissen, dat lukt nooit. Daarom: If you can’t beat them, join them. Zij willen zo snel mogelijk de wet wijzigen, wij gaan laten zien hoe het sneller en effectiever kan. Niet met dit wetsvoorstel. Dat deugt niet, de begrippen zijn niet precies omschreven, de uitvoerbaarheid is nihil. Dat stellen we in twee zinnen vast. Dan komen we met ons alternatief. “ Verwachtingsvol kijkt hij de tafel rond. “Nou, wie gaat er mee, vanmiddag?”   ’s Middags rijd ik over de A-4 naar Den Haag. Johan dacht kennelijk het alleen af te kunnen, geen van de anderen wilden hem vergezellen. Stuk voor stuk bang dat ze zich onmogelijk maken door met een alternatief te komen. Maar geen van allen durfden ze hem tegen te spreken. Ik zat met de gebakken peren. Het enige wat Legwaard zei, was dat ik natuurlijk de leiding heb, vanmiddag. “Natuurlijk,” antwoordde Johan. “Doe een stropdas om,” heb ik hem daarom voor ons vertrek gezegd, maar hij lachte alleen maar. “We gaan ze een poepie laten ruiken,” zei hij, “en als ik een stropdas om heb, lijk ik teveel op hen. Dan luisteren ze niet.” Nu zit hij naast mij te knikkebollen, de man die straks de kamergeleerden een poepie wil laten ruiken. Straks moet ik het zelf nog aan de ambtenaren uit gaan leggen.   “Maak je geen zorgen,” mompelt hij me toe. “Als in onze wet de begrippen volledig gelijk worden geformuleerd aan de belastingregels, hoeven onze uitvoeringskantoren geen toets op de aanvragers te doen, we sluiten gewoon aan bij de beoordeling van de fiscus. Fluitje van een cent, honderd procent uitvoerbaar. En weet je wat het voordeel is?”   Het is druk op de weg, ik onderdruk de neiging hem aan te kijken. Wat zou het voordeel zijn? Ach, hij vertelt het me straks wel. Helder als altijd. Alleen dat klaverjassen. “Wat heeft dit nu met je klaverjasavond te maken,” vraag ik.   “Niets,” zegt hij. “Ik heb een houten kop en ik had even een aanloop nodig. Maar dit meen ik serieus. Aansluiten bij de belastingregels, als dat in de wet komt te staan, kunnen we de uitvoering aan. En als het fout gaat, heeft de Belastingdienst het gedaan. Kun je ergens stoppen, ik heb koffie nodig.”   Jan Loogman 31 januari 2018    

Jan Loogman
0 0

Fietsvakantie, door Jan Loogman (opdracht 1)

voorbeeldtekst: Philip Snijder, Zondagsgeld, pp. 86 - 99   Hard en scherp prikt het helmgras in zijn kuiten. Het zand kleeft aan zijn armen. Ze zouden beter kunnen opstaan en doorfietsen, maar hoe kan hij Jacques onderbreken, die naast hem zit en aan één stuk door praat? Dat ze straks bij zijn oom en tante zullen aankomen en dat hij de nichtjes zal ontmoeten. Leuke meisjes die bovendien bijna van hun eigen leeftijd zijn. Kon hij zijn oren maar sluiten voor die stem. Ook Jacques heeft nog steeds niet de baard in zijn keel. Of gewoon opstaan, Jacques bleef zitten en merkte niets, terwijl hij opstond en wegfietste, terug naar huis. Het is verdomme zomervakantie, met de school dacht hij niets te maken te hebben. Gisteren kwam mama hem roepen dat er telefoon voor hem was. “Ene Jacques van Leeuwen,” zei ze en ze gaf hem de hoorn. Hij hoorde de hoge stem aan de andere kant van de lijn en stelde zich voor hoe Jacques naar buiten keek, naar de auto’s die voorbijreden in de Vrolikstraat. Jacques had hem een tijdje geleden weer gevraagd wat voor werk zijn vader deed. Na zijn antwoord (“veeboer’) had hij langs zijn lange, rechte neus omlaag gekeken. Had hij papa al eens met zijn stinkende wagen vol etensresten en schillen door de Vrolikstraat zien rijden? Dacht hij daarom dat hij hem thuis kon opbellen en voorstellen samen op fietsvakantie te gaan? Het woord stoorde hem. Tot drie keer toe moest hij Jacques vragen wat hij zei. Fietsvakantie. “Ik kom vanmiddag naar je toe, “ hoorde hij Jacques zeggen, “dan maken we een plan en kunnen we morgen vertrekken.” Hij had de hoorn op de haak willen gooien, de verbinding verbreken. Het was niet mogelijk dat Jacques bij hen thuis zou komen, natuurlijk zouden ze in de huiskamer gaan zitten, een atlas op tafel om de route te bekijken, en dan zou papa thuis komen, stinkend naar zweet – hij herinnerde zich hoe hij als kleine jongen bij zijn vader op schoot was gesprongen, zijn vader liet hem paardje rijden en hij rook de geur die vanuit zijn oksels opsteeg, een dierlijke geur. Toen zat hij nog niet op het lyceum in de stad, alles was in orde geweest, niemand vroeg naar het beroep van zijn vader, iedereen kende hun gezin. Dat was meer dan drie jaar geleden. Stel je voor dat papa in zijn schillenpak, vette vlekken op de mouwen en de broek, op Jacques zou afstappen en hem de hand zou schudden, luid sprekend, en Jacques zou zijn lange, rechte neus in een kronkel laten schieten, om zijn weerzin te laten merken. Waarom zei hij niet dat hij helemaal geen tijd had, dat hij uit logeren ging of dat hij moest werken? Het enige wat hij heeft weten te zeggen was dat hij vandaag geen tijd had, maar wat een leuk idee, een fietsvakantie, had hij gezegd. Stippel jij de route maar uit, we treffen elkaar morgen wel, op de Spaarndammerdijk. Vanochtend stond Jacques daar al te wachten. Ze zijn in één keer naar de duinen gereden, steil omhoog bij Kraantje Lek en na de afdaling het helmgras in. “Tijd voor een eerste pauze,” heeft Jacques geroepen. Nu praat hij, hij legt de route uit, vertelt over zijn familie waar ze zullen logeren. Zijn wangen worden rood van opwinding. De duinen kent hij. Hij kwam er als kleine jongen al. Papa reed op zondag de vrachtwagen voor, resten van vuil en vet nog in de laadbak. Zijn zussen kwamen met sop en borstels naar buiten en begonnen te boenen. Binnen smeerde mama de boterhammen die ze in de grote trommels opstapelde. Hij en zijn broers zochten in de kelder tussen de wasteil en het afvoerputje naar de bal. Als iedereen klaar was, kwam tante Cor. Ze droeg een hoed, “vorig jaar gekocht aan de Rivièra “, een zonnebril, een strak truitje met een vest eroverheen en een ruim vallende rok. Terwijl papa en mama in de cabine stapten en de reiswieg met de baby tussen zich in plaatsen, dirigeerde Tante Cor hem en zijn broers en zussen de laadbak op, waar ze gingen zitten, hun rug tegen de cabine, stijf op elkaar. Zijn oudste zus moest aan de ene buitenkant van de rij gaan zitten en tenslotte klom Tante Cor zelf de laadbak in en wrong zich aan de andere buitenkant tussen de rij en de opstaande rand van de bak. Ze zaten zo dicht op elkaar dat niemand kon bewegen. “Zo zitten we safe,” zei Tante Cor, “maar denk eraan: als je politie ziet, moet je duiken.” Dan vertrokken ze, door de polder, dwars door Haarlem en bij Bloemendaal de Zeeweg op. In Zandvoort liepen ze door de duinen naar het strand. Ze bleven op het pad. Alleen als de bal weg rolde, stapte een van hen het helmgras in. Al sinds de eerste klas van het lyceum zoekt Jacques toenadering tot hem. Hij woont in Oost, in de Vrolikstraat, zijn vader heeft er een melkzaak. De straat is vanaf zijn eigen dorp helemaal aan de andere kant van de stad en toch kent hij hem wel. Soms moet hij zijn vader helpen met schillen ophalen en op die dagen verlangt hij vanaf de eerste minuut naar het einde van de dag. Dat ze op de terugweg naar huis zijn, dat hij heeft geholpen, met de juten zak op zijn rug heeft gelopen zonder dat iemand hem heeft gezien, iemand die hem kent. In de ochtenden ligt hun wijk in het hart van de oude stad. In de Nieuwmarktbuurt en op de Zeedijk komen de eerste mensen de straat op. Ze mopperen want ze zijn Amsterdammers. De vrouwen strijken hem over zijn haar. “Wat een lekkere knul. Is die van jou, schillenboer?” roepen ze. Hij glipt weg, onder hun handen vandaan, de juten zak op zijn rug. “Links de hoek om, nummer 36, tweehoog,” roept zijn vader hem na. “Gebruik je loper.” Even later staat hij op een donkere trap. Met de loper de deur openen, dat gaat hem tegenwoordig goed af, maar waar vindt hij hier de lichtknopjes? Hij struikelt naar tweehoog en tast op het portaal in het rond. Zijn vingers grijpen in natte derrie, zijn hand schrikt terug en zoekt opnieuw het licht. Zijn wijsvinger raakt een knopje en voor zich ziet hij de bak met groentenafval, een rest gekookte spinazie ligt bovenop. Voorzichtig veegt hij zijn vuile vingers af aan de juten zak. Hij probeert zijn kleren schoon te houden. ’s Middags, in Oost, is de wijk veel overzichtelijker. Lange straten en iedereen is klant. Met de loper opent hij deur na deur en wandelt de ruime trappen op naar een-, twee- en driehoog. De bakjes staan klaar op de portalen, goed zichtbaar in het licht dat door de trapvensters valt. Het laatste deel van de Vrolikstraat hoort niet bij de wijk. Daar komt een andere schillenboer. In dat deel woont Jacques. Als zij met de wagen de straat uitrijden, zijn vader en hij naast elkaar in de cabine, passeren ze de melkzaak. Misschien staat Jacques in de winkel. “Wat doet jouw vader?” heeft Jacques hem herhaaldelijk gevraagd. Eerst heeft hij geen antwoord gegeven. Het advies van zijn oudere zus om ‘veeboer’ te zeggen, voelde als een doorzichtige leugen. Van één koe kun je niet leven. Tenslotte is hij gezwicht voor de aanhoudende vraag. Nu zit hij met Jacques tussen het helmgras. De hoge stem tettert in zijn oren. Gisteren rond deze tijd zat hij op zolder, het was er warm. Hij was door het nauwe raampje naar buiten geklommen, het dak op. Daar had hij gezeten, de zon scheen, er was bijna geen wind, niemand wist dat hij hier zat, niemand kon hem zien. Hij had voorover kunnen buigen, naar beneden vallen, zijn hoofd op de harde stenen van het plaatsje achter hun huis. Misschien vonden ze hem pas uren later, hij was al doodgebloed.  

Jan Loogman
0 0

Eus, een schelmenroman, Özcan Akyol, 2012; Alleen met de goden, Alex Boogers, 2016; Zondagsgeld, Philip Snijder, 2007

Eus, een schelmenroman, Özcan Akyol, 2012 Het verhaal In deze roman is de hoofdpersoon Eus aan het woord. Hij vertelt achteraf over zijn kindertijd, zijn jeugd en jong-volwassenheid, allemaal in de “Koekstad” waarin ik gemakkelijk het Nederlandse Deventer herken, ongeveer tussen 1985 en 2010. In het verhaal maakt Eus, een Turkse Nederlander of Nederlandse Turk, een zekere ontwikkeling door: van kleine jongen die mede door het gedrag van zijn vader nergens bij hoort en die zichzelf te slim voor de anderen vindt, wordt hij een puber en adolescent die zich verliest in drankgebruik en zucht naar seks, totdat hij als jongvolwassene tenslotte geheel en al op het verkeerde pad is. Al tamelijk vroeg in de roman eindigt de ontwikkeling van het personage, vanaf diens puberjaren is het verhaal een opvolging van drank-, seks- en roofscènes, waarin Eus zich om het eenvoudig te zeggen onverantwoordelijk gedraagt. De ondertitel is dan ook een schelmenroman, maar toch: van de vrolijke stemming die dit woord bij mij oproept, merkte ik tijdens het lezen weinig. Het crimineel gedrag leidt tenslotte tot Eus’ arrestatie. In de slotscène suggereert de gevangenbewaarder hem ‘alles’ op te schrijven. Na het voorafgaande verhaal is het onverwacht dat de verteller in deze slotscène niet expliciteert wat de lezer ervan moet denken. Tot dan toe koos hij voor nadrukkelijkheid, nu mag de lezer zelf op de weliswaar voor de hand liggende gedachte komen: dat hij nu gelezen heeft wat het ik-personage dankzij de hint van de gevangenbewaarder heeft opgeschreven.   Het perspectief De roman begint zò: “Kut. Ik kon zijn vuistslagen niet meer ontwijken. ‘Niet doen,‘ schreeuwde Meltem, ‘laat hem met rust.’ Maar hij was niet voor rede vatbaar.” Deze scène waarin het ik-personage belaagd wordt door een liefdesrivaal, is als eerste geplaatst, maar zal pas plaatsvinden als Eus ergens rond 20 jaar oud is. Na deze flash-back die als proloog is opgenomen, volgt in min of meer chronologische vorm het verhaal vanaf de kindertijd. Dit begint in hoofdstuk 1 zò:“Het arbeidersvolk in de Bergpoortstraat lag al te slapen en het schorriemorrie van seksclub Isabelle voerde geheime gesprekken op straat, toen mijn oudste broer, ruim na bedtijd, de longen uit zijn lijf holde, op zoek naar onze vader. In het vierde café trof hij hem aan…” Eus’ oudste broer rent zo hard omdat hij zijn vader op de hoogte gaat brengen van de geboorte van de nieuwe zoon: Eus. Het citaat illustreert onmiddellijk de vreemde positie van de verteller: het is Eus zelf die achteraf over de aankondiging van zijn eigen geboorte vertelt en die er alles van blijkt te weten. Hoe hard zijn broer rende, dat de bezoekers van de seksclub op straat stonden te praten, dat de jongen de vader pas in het vierde café vond, hij weet alles en we hebben hier dan ook eigenlijk een vermomde alwetende verteller. Dat hoeft helemaal niet erg te zijn, door de vermomming als ik-verteller creëert de schrijver voor zichzelf de mogelijkheid in passages dicht naar de beleving van het ik-personage te gaan, een echte ik-verteller te worden. Heel even, op pagina 9, lijkt het erop dat de schrijver deze mogelijkheid gaat benutten. Daar staat: “Zij noemden ons batsen. Dat zit zo: de meeste Turken hebben platte achterhoofden. Een bats is een schop. Een schop is plat. Krijg je een knal met het blad van een bats op je kop, dan heb je een plat achterhoofd. Mijn achterhoofd is niet plat.” Hé, ineens een zin in de tegenwoordige tijd, ineens een directe vaststelling vanuit een actieve ik. Maar het blijkt een onbedoelde schijnbeweging, de dubbele schaar van de beginnende voetballer die de bal laat liggen. De volgende zin luidt: “De enige slaapkamer in huis deelde ik met Mahir en Kosta.” Daarmee zijn we terug bij de achteraf-, in de onvoltooid verleden tijd vertellende alweter. De schrijver laat de kansen die de ik-vermomming van zijn alweter biedt, onbenut. Op pagina 75, Eus is een jaar of zestien, zal Eus voor het eerst uitgaan. De verteller begint zo: “De Luxor was een populaire discotheek op het grote plein. Veel andere uitgaansopties telde de Koekstad niet…” Hoe spannend kan het zijn te lezen over een eerste uitgaansavond in het leven van een hoofdpersoon, maar dit klinkt als de beschrijving in een Toeristenbrochure, en dan nog eens in de verleden tijd gesteld. Het ik-personage vertelt niet vanuit eigen beleving, en als lezer blijf ik daardoor op afstand van de beleving van het hoofdpersonage, ook al is het een ik-verhaal.   De wijze van vertellen De verteller houdt van duidelijkheid: “Omdat mijn vader een pesthekel had aan alle Turken in de buurt, zonder aanwijsbare reden, had-ie besloten…” “Ik troostte me met het voornemen dat ik ooit wraak zou nemen op die boerenkaffer.” De citaten maken duidelijk dat de verteller weinig aan de lezer overlaat, maar ervoor kiest gevoelens en karaktertrekken van personages expliciet te benoemen. Hij schrijft aan de lezer voor wat deze van de personages en de gebeurtenissen moet denken. De verteller zoekt niettemin naar verlevendiging van de vertelling. Dat doet hij door dialoog in te zetten en daarbinnen te zoeken naar een spreektaal die past bij zijn personages. Dat levert zinnen op als de volgende: “Kom, kom, laat ons nu niet in de steek, matennaaier! We hebben een gast.” “Maf, je gaat toch geen pauperdrank nemen?” In passages met dergelijke dialoog slaat ook de verteller een losse toon aan: “Een blonde stoot kwam Kosta begroeten met drie zoenen. Die gek had het prima voor elkaar.” Mij overtuigt deze poging tot levendigheid niet. De toon blijft nadrukkelijk (matennaaier, pauperdrank enz.) en doet daardoor gemaakt populair aan. De woorden tonen mij geen personages of gebeurtenissen, maar maken mij glashelder wat de schrijver van mij verwacht: ik word geacht hier asociale types te zien. Nou, die zie ik, maar mensen worden zij niet.   Kortom Een expliciete vertelling die weinig tot niets aan mij als lezer overlaat en die door het gekozen perspectief en het achteraf vertellen op afstand blijft van de beleving van de personages. Personages die niet voor mij gaan leven.   Dit is een autobiografische roman die mij teleurstelt, ook al omdat elke lichtvoetigheid ontbreekt. Dat is toch anders dan ik bij de aankondiging ‘schelmenroman’ verwacht. Bij mijn zwartgallig oordeel teken ik aan dat Eus bij jongens van een jaar of vijftien, zestien in mijn omgeving een goede ontvangst krijgt. De nadrukkelijkheid, het voorkauwen door de verteller, dat mij tegenstaat, verdragen zij beter; de inhoud van het verhaal, de belevenissen van het ik-personage, vinden zij interessant.   Alleen met de goden, Alex Boogers, 2015 Het verhaal Aaron Bachman groeit op. Van negenjarig jochie, aan het begin van de roman – nog vol vertrouwen in zijn Papa Leeuw en wat minder in zijn moeder - , opgroeiend in een tamelijk asociaal milieu waarin roken en drinken belangrijke zaken zijn en school gewantrouwd wordt, ontwikkelt hij zich tot, aan het einde van de roman, een ex-wereldkampioen kickboksen die een liefdesrelatie heeft met een hoogopgeleide jonge vrouw uit een ontwikkeld milieu, maar vooral tot schrijver in spe. In een milieu van verliezers kiest hij zijn eigen route, hij sluit vriendschap met een pitbull, hij gaat naar de Mavo, hij gaat trainen als kickbokser, en onderweg ontmoet hij mannen die hem gidsen: een leraar op school, de kickbokstrainer. Van meet af aan heeft hij een tamelijk autonome opstelling: hij gaat gewoon om met zijn iets oudere, duidelijk homoseksuele buurjongen die in hun omgeving met argusogen wordt bekeken, hij neemt stilaan afstand van Papa Leeuw als deze in de gevangenis belandt en zich daar tijdens bezoekuren als zielig slachtoffer gedraagt, hij gaat om met witte -, zwarte – en bruine mensen, hij is kickbokser, maar ook lezer en schrijft voor zichzelf. Aan het slot is hij na een motorongeluk een ex-kickbokser, en een beginnend schrijver. Het verhaal is een tekening van het milieu, van jongensvriendschappen, van het verlangen naar een vader, en vooral van de ontdekking van eigen identiteit en kracht, of die nu – om de opa van Aaron te citeren - ligt in het zwaard of de pen, ofwel de vuist van de kickbokser of de pen van de schrijver).   Het perspectief, de verteller “De eerste keer dat mijn moeder merkte dat ik ’s nachts niet kon slapen zei ze: ‘Je ligt toch niet met je piemel te spelen, hè?’ Ze had het licht onder de kier van de deur gezien en zwaaide hem open. ‘Ga je nu verdomme slapen?’ Ik was negen jaar, knipte het licht van de bureaulamp uit en zag de gloeiende kegel van haar shaggie oplichten.’ De eerste zin laat zien wat voor verteller de lezer in deze roman vindt: een ik-verteller die terugblikt, maar die dit precies en met oog voor detail doet, waardoor de lezer de scène en de moeder voor zich ziet. Ik zie een wat te dikke, naar rook stinkende vrouw, ze draagt een slappe trainingsbroek, ik hoor een hese stem, ik voel voortdurende boosheid. Ook al blikt de ik-verteller terug, hij is voortdurend dicht bij zijn hoofdpersonage, zijn vroegere ik, in welke episode ook. Bijvoorbeeld als hij nog een kleine jongen is: “De Turkse buren riepen elke dag om een man die Allard heette” staat er en door deze naam te gebruiken, in plaats van Allah, toont de schrijver mij dat ik een echt kleine jongen voor me heb. Als het hoofdpersonage ouder wordt en aan kickboksen doet, mixt de verteller in de beschrijving van de kampioensgevechten die Aaron levert, Aarons gedachten over het gevecht met die over zichzelf, zijn leven, anderen. Tijdens zijn eerste grote internationale gevecht in Parijs tegen ‘de Haakneus’, bijvoorbeeld, denkt hij over zijn jeugd en over zijn moeder die als tienermeisje ongewenst zwanger was geworden, het kind wilde verliezen: “Mijn moeder verweet mij haar moeilijke bestaan……Waarom had het kind gewoon niet opgegeven toen ze zich van haar brommer liet vallen? En ik kon toen nog niet tegen haar zeggen dat ik het gewoon niet kon. Ik kan niet opgeven. De Haakneus zag het ook.”  De citaten illustreren enigszins dat de schrijver in de roman weliswaar het perspectief van de achteraf vertellende ik kiest, en dat hij toch dicht bij de actuele beleving van het hoofdpersonage komt. Daarnaast lukt het hem dankzij zijn keuze voor een empathische ik-verteller ook de beleving van andere personages te tonen.   Tijd en chronologie Aan het begin van de roman is Aaron een jaar of negen, aan het slot is hij 23 jaar. Het verhaal speelt in de tijd dat in Nederland de Mavo een vorm van voortgezet onderwijs was, dat de Rolling Stones op de radio te horen waren, dat armere blanke – en allochtone gezinnen bij elkaar in de wijk wonen, kortom in de jaren ergens tussen 1970 en 2000. Het verhaal wordt chronologisch verteld, wel keert het hoofdpersonage in gedachten soms terug naar eerdere episoden.   Dialogen en vitale scènes In de talrijke dialogen zet de verteller de personages geloofwaardig neer: “Te veel buitenlanders,” zei mijn vader op een avond aan tafel. “Hij heeft niet één normaal vriendje. We donderen op hier.” Overtuigend is hier de vanzelfsprekendheid waarmee de vader de jongen negeert, terwijl hij toch over hem praat. Overtuigend is ook het woordgebruik: doordat de vader “niet één normaal vriendje” zegt, hoeft de verteller geen woorden te wijden aan de houding van de vader tegenover allochtonen. “’Trek je al?’ vroeg een oom, en daarop begon iedereen te lachen. ‘Je weet wel, een ouderwets potje handkarren!’ zei een andere oom. ‘Hahaha! Kijk z’n kop!’” Een scène in het begin van het verhaal die laat zien hoe het er in de familie aan toegaat en hoe Aaron zich daarbij voelt. Fijn in deze roman is de vitaliteit van de vertelling, ik kom als lezer heel veel over de gedachtewereld van Aaron te weten, maar steeds verbindt de schrijver gedachten aan actie: Aarons werk in het asiel, Aarons trainingen en gevechten. Doordat er zoveel handeling is, bovendien in een spannende omgeving (omgaan met een pitbull, kickboksgevechten enz.), neergezet in tamelijk korte hoofdstukken, houdt het verhaal mij als lezer vast.   Het hoofdpersonage Het hoofdpersonage is autonoom ten opzichte van zijn milieu dat hij als ik-verteller niettemin vol empathie schetst, hij is zoekend (zijn opa stuurt hem vanuit Japan brieven over de kracht van het zwaard en die van de pen, welke route moet hij nu volgen?), hij is gevoelig, hij is gedreven (ook al kwam hij als ongewenst kind ter wereld in een losers-milieu, hij zal laten zien dat hij er mag zijn, als hondenverzorger, als kickbokser, als geliefde). Het hoofdpersonage heeft, kortom, een sterke drive èn is fijngevoelig. Dat toont de schrijver keer op keer, en neemt mij als lezer voor zijn hoofdpersonage in. De drive van het hoofdpersonage, zo levendig getoond, maakt deze roman tot een heel boeiende.   Tot slot, Alleen met de goden Aarons leraar Broere, halverwege de roman als Aaron nog op de Mavo zit, over kunstenaars: “Ze leggen hun ziel en zaligheid op het hakblok….Het maakt niet uit waar ze belanden, wie ze onderweg verliezen en hoe verlaten en onbegaanbaar die weg is. Ze voelen zich nooit eenzaam, want ze zijn alleen met de goeden, door wie ze hun hele leven werden geplaagd en getreiterd met al die schimmen, beelden, woorden en ideeën, maar nu durven ze zich er eindelijk aan over te geven, en ze doen het, zonder spijt of angst.” Tegen het einde van de roman krijgt Aaron, meerijdend achterop de motor van een vriend, een ongeluk. Hij zal als kickbokser nooit meer in de ring staan. Na een lang verblijf in het ziekenhuis komt hij thuis, er komt een pakket uit Japan, gestuurd door zijn opa. Er zit een typemachine in, een oude, “niet kapot te krijgen.” Zijn vriendin Nadine komt op bezoek. “‘Wat een mooi ding,’ zei ze. ‘Schrijf ‘ns wat.’ Dit was mijn wapen en het werd tijd dat ik het ging gebruiken.”  Een open einde? Dat Aaron als schrijver zal slagen, denk ik als lezer zeker te weten, vanwege de vechtlust en veerkracht die Aaron gedurende het hele verhaal heeft getoond. Ik weet het bovendien echt zeker, want Aaron Bachman is overduidelijk het alter ego van de schrijver van dit krachtige boek.   Zondagsgeld, Philip Snijder Zondagsgeld is minder een roman dan een verzameling van acht verhalen. Ze spelen op het Bickerseiland, een buurt in Amsterdam-Cenytrum, die door water en spoorlijnen van de omliggende wijken is afgeschermd. De schrijver is er zelf opgegroeid, hij is geboren in 1956, de verhalen spelen rond 1968, 1969.   Er is geen doorgaande lijn in het boek, elk hoofdstuk is een verhaal met een eigen spanningslijn. Wel is telkens dezelfde verteller, zijn er dezelfde personages. De spanning loopt in de verschillende verhalen niet hoog op, in elk verhaal staat éen gebeurtenis centraal, maar het zijn soms maar alledaagse voorvallen. Toch zijn ze voor mij als lezer bijzonder omdat het er in het geschetste volkse milieu van de jaren zestig van de vorige eeuw zo typisch toegaat. Dat ik ze bijzonder vind, komt ook doordat de ik-verteller zichzelf als elf-twaalfjarige - in het voetspoor van zijn vader - ziet als buitenstaander in het milieu, hij zelf vindt het opmerkelijk hoe het daar toegaat. Dat brengt hij op mij als lezer over door zijn precisie in beschrijvingen en door taalgebruik in dialogen. Op het Bickerseiland heerst een sterke familieband, er is weinig privacy, iedereen loopt bij elkaar binnen en hangt uit het raam om getuige te zijn van ruzies of optochten.   Hoofdpersoon is de ik-verteller die in de onvoltooid verleden tijd over zichzelf als elf-twaalfjarige schrijft, hij neemt scherp waar hoe het er op het eiland en in zijn grote familie toegaat, en hoe zijn vader daar een buitenstaander is. De vader komt niet van het eiland en zelfs niet uit Amsterdam, hij wordt door de familie als een intellectueel gezien omdat hij de lagere school heeft afgemaakt, het Nieuws van de Dag leest en formulieren kan invullen, hij onderscheidt zich door een pinkelhoutje te dragen. De jongen zelf geniet van de dingen die het Bickerseiland een jongen te bieden heeft (een “dempie”, eilandje in het water; de Leesportefeuille met De Lach erin bij oom en tante), maar hij merkt dat hij zelf ook een buitenstaander is, hij kan goed leren, hij is de beste op school, er wordt zelfs gezegd dat hij naar het vervolgonderwijs zal gaan. Vooral in zijn verbondenheid met zijn vader voelt hij zich buiten de familie staan. Elk verhaal draait rond één gebeurtenis (in “Het dempie”gaat het erom of de jongen zich als eerste op een nieuw graseilandje in het water zal durven wagen; in “De twist” is er een familiefeest waar de jongen zich tenslotte op de dansvloer waagt enzovoorts), maar er is geen echte afwikkeling, er is telkens een open einde. Zelfs het schrijnende “De kano” waarin de vader aan de jongen vertelt dat hij en de moeder uit elkaar zullen gaan, heeft zo’n einde. Alle verhalen spelen in dezelfde tijd, maar of de verhalen/hoofdstukken in chronologische volgorde staan, is niet duidelijk. Alles bij elkaar is “Zondagsgeld” geen roman maar een achttal schetsen van het opgroeien van een slimme jongen in een volks milieu. In de verschillende verhalen  laat de verteller soms een gat in de tijd vallen: bijvoorbeeld in “De kano” wordt uitgebreid beschreven hoe de vader op een dag verrassend meegaat in de kano van de jongen en hoe zij van wal steken; vervolgens gaat het verhaal verder terwijl vader en zoon op afstand van elkaar zitten te vissen, en de suggestie is dat vader de echtscheiding heeft aangekondigd. Wat hij hierover precies heeft gezegd, wordt niet verteld. Terug naar de reden waarom ik Zondagsgeld sterk vind: door de beleving van de jongen voorop te stellen en deze jongen zich sterk verbonden te laten voelen met de vader die er in de familie en op het eiland helemaal niet bijhoort, wringt er steeds iets in de verhalen. De jongen is echt een elf-twaalfjarige die geniet van "Het Dempie", die de platte lol van ooms en tantes opmerkt,  en hij kan deze goed weergeven, maar hij blijft er toch op afstand van, hij realiseert zich zelf ook een buitenstaander te (willen) zijn.   Voorbeelden van taal in dialogen: “Hé hier komme, wou jij je goeie goed verruweneere?”, als een moeder haar kind op straat terugroept; “Schei nou uit met hem. Echt je ome weer, hè jonge?”, zegt een tante als een oom de jongen plaagt;  “Ik pak ù wel, tante Neel, heb ik lekker houvast,” als de polonaise op het familiefeestje wordt ingezet. Voorbeelden van precieze beschrijving: de wc en het overig interieur bij oom en tante in Zondagsgeld; de stoet familie op weg naar het familiefeest in De twist.

Jan Loogman
0 0