Decennia te lang is dit windstil gebied
ieder zacht genoegen flippert bestemmingsloos
tussen te hoog opgetrokken heuvels geen spat
te nat geen waterweg is er één van verdriet
Wie kijkt ziet kussens van mossen een plas water
enkel zij ziet de onderliggende steenmassa
op steenmassa on- toch geneeslijke kloof op kloof
de enge kier tot woelig weleer tot later
Hittegolven veranderen niets alles trouw winterhard
haar gota fria een overweldigende regen
een elysische zegen voor al wat open ligt dicht
al wat dicht ontzegelt het moederlijke kinderhart
Zij nadert het gebergte trekt zijn gewoonlijke besluit
raakt sterren het scheurt het barst wie wil zwemmen
moet zich aan de plons wagen elke fluistering
klinkt aanvankelijk doordringend luid