Diane Broeckhoven/ Wat voorafging
- Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet?
-de ik = de auteur. Broeckhoven schrijft de biografie van haar moeder en van zichzelf. Zij kent haar deel van het verhaal.
- Wat vertelt de eerste zin?
-‘Hoe heb je me gevonden?’àdat iemand kwijt was en iemand anders haar heeft gevonden. De toon waarop is verwijtend, dit wijst dus ook al op een vorm van conflict.
- Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer?
-We kijken door de ogen van de schrijfster, hierdoor krijgen we een ander beeld op de moeder en op hun relatie dan als het vanuit de moeder zou zijn geschreven.
- Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller?
-bij de auteur, vooral door de herkenbaarheid. Zij schetst het verleden van haar moeder, waardoor ik kan begrijpen hoe ze zo is geworden, maar tegelijk ook wat zij ondanks dat haar moeder zo is allemaal voor haar moeder doet. Ik denk dikwijls: Diane, gij zijt zot, uw moeder verdient dat niet. De liefdevolle manier waarop ze schrijft stuurt mijn sympathie voor haar. Misschien ontbreekt het verhaal wat aan zelfkritiek. Broeckhoven hemelt zichzelf misschien ook wat op. Bv. p.17: ‘Ik heb de oorlog met mijn moeder overleefd door het principe van onvoorwaardelijke liefde te beoefenen, als een boeddhist.’
- Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen?
-N.V.T.
- Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol?
-De moeder is eigenlijk het hoofpersonage. We krijgen een beeld van haar door de ogen van de schrijfster, dit zal verschillen van wat ze echt denkt.
- Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in?
- Broeckhoven begint met de laatste weken en het overlijden van haar moeder (Het einde). Dan geeft ze de geschiedenis van haar moeders leven (Wat voorafging). Ze eindigt met de begrafenis (Wat volgde). Door met het einde te beginnen weten we dat Broeckhoven haar moeder tot het einde bijstaat, hierdoor dwingt ze sympathie af, het maakt tegelijk nieuwsgierig naar wat voorafging. Het laatste deel maakt het verhaal rond.
- Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie?
- Het verhaal wordt verteld in de weken die voorafgaan aan moeders dood en de dag van de begrafenis, maar beslaat het hele leven van de moeder.
- In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan?
-Het verhaal speelt zich af in Antwerpen en Parijs, de plekken waar de moeder geleefd heeft, in de 20ste eeuw en de eerste 14 jaar van de 21ste eeuw. Het maatschappelijk historisch kader is voortdurend als achtergrond aanwezig. Broeckhoven laat het eerder subtiel doorklinken, maar als lezer weet je dat dit kader de personages maakt tot wie ze zijn en mee hun handelingen bepaalt.
- Moet ik dingen opzoeken op het verhaal te begrijpen?
- Ik kan het boek volledig begrijpen zonder dingen te moeten opzoeken. Er is geen achtergrondkennis nodig. Broeckhoven legt veel uit, bv. p.126: ‘Mijn salaris bedroeg 14 000 Bfr., zijnde 330 euro.’ en p.131: ‘…de Nederlandse Inno, die toen nog L’innovation heette.’
- Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden?
-Thema’s:
- De moeilijke moeder-dochter-relatie
- De hunkering naar liefde van en erkenning door de moeder
- De plaats in het gezin: tussenkind zijn
En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie.
- Broeckhoven gebruikt weinig beeldspraak, maar waar ze die wel gebruikt, is het goedgekozen, bv. p.105: ‘De aders op het voorhoofd van mijn vader spanden zich dan als touwen.’ En p.192: ‘Maar hoe meer ik naar een milde moeder verlangde, hoe meer ze zich met prikkeldraad omwikkelde en me afwees.’
-Broeckhoven vervalt af en toe in clichés als ‘tortelduiven’ voor geliefden, (p.62), spic en span, duivel uit het doosje, om de lieve vrede,…
-Soms vult ze suggestieve passages iets te veel in. Zo schrijft ze over het lot van vrouwen als haar moeder: ‘Er zouden uitsluitend lieve woorden tegen hen gefluisterd mogen worden door zachtmoedige verzorgers. De werkelijkheid ligt er mijlenver vandaan.’ (22) Die laatste toevoeging zou niet nodig moeten zijn als het relaas van de vertelster geslaagd is.
-Soms vertelt ze te veel of legt dingen uit, bv. p.28: ‘De volgende dag, na mijn bezoek in de hallucinante wachtkamer vol vertwijfelde bejaarden, is het afscheid nog hartverscheurender.’ Dit is een weergave van oprecht sentiment, maar het zou de lezer moeten zijn die wat er verhaald wordt al dan niet hartverscheurend vindt. De schrijfster zou het hem of haar niet hoeven te vertellen.
-Nochtans slaagt ze er meestal wel in niet te sentimenteel te zijn en haar boodschap duidelijk over te brengen. De lezer voelt uiteindelijk mededogen voor de moeder en voor Diane zelf.
Rupert Thomson / Dit feest heeft lang genoeg geduurd
- Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet?
-de ik = de auteur. Thomson schrijft een portret van zijn familie en zichzelf n.a.v. het overlijden van zijn vader. Hij kent zijn deel van het verhaal, maar heel weinig van dat van de anderen, en dat is ook wat hij wil meegeven: je kan iemand nooit helemaal kennen, ook niet als je erbij woont. Hij zoekt veel uit door met mensen te gaan praten enzo, maar dan nog weet hij lang niet alles.
- Wat vertelt de eerste zin?
-‘Mijn moeder heeft nog een keer iets tegen me gezegd, na haar dood’àdat de moeder van de ik dood is
- Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer?
-door die van de auteur. Hij probeert dingen ‘objectief’ te schrijven, waar hij conclusies trekt bv. i.v.m. zijn broer door nadien ook mee te geven hoe zijn broer het zag/ziet, maar toch beïnvloedt het mijn kijk.
- Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller?
-bij de overleden moeder: zij is het enige personage dat alleen positief wordt voorgesteld. Thomson vraagt mensen hoe ze was en krijgt alleen positieve antwoorden, bv. p.162: ‘Nou, ze was echt beeldschoon […] Ze was altijd opgewekt en enthousiast en hartelijk, terwijl je vader eerder iets stugs had.’ Thomson herinnert zich zijn moeder vaag. Hij vraagt anderen hoe ze was en die geven alleen positieve antwoorden, om hem te sparen? Het is in elk geval het beeld dat Thomson van haar wil bewaren en het beeld dat hij de lezer meegeeft.
- Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen?
-N.V.T.
- Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol?
- We komen het van weinig personages te weten, of slechts deels, omdat de auteur het zelf niet weet. Het gaat zowel om de mensen dicht bij hem (zijn familie) als anderen.
- Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in?
-De schrijver schrijft dit verhaal n.a.v. de dood van zijn vader: in de goede volgorde krijg je dus zijn dood, de 7 maanden waarin de broers samen rouwen in het huis van de vader, de spanningen die er zijn, het leegmaken en de verkoop van het huis, de verwijdering van zijn jongste broer en hun reünie. Op deze manier zou de schrijver nooit uitkomen bij waar het echt om draait, het trauma uit zijn jeugd, het plotse sterven van zijn moeder, de angst dat iemand zomaar kan wegvallen. Door het dooreengooien kan dit wel. De schrijver slaagt er hierdoor in meerdere lagen in het verhaal te stoppen. Helemaal sluitend is het verhaal niet: de schrijver blijft met veel vragen zitten, en bijgevolg de lezer ook.
- Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie?
-Het verhaal begint in 1965, een jaar na de dood van zijn moeder, maakt dan een sprong naar 1984, wanneer zijn vader sterft. En daarna worden gebeurtenissen aangehaald in een schijnbaar willekeurige volgorde. De lezer moet heel aandachtig zijn om te begrijpen wat zich wanneer afspeelt, de schrijver geeft dit soms aan met een jaartal te vermelden, of met tijdsaanduidingen als ‘twintig jaar later’ en door het gebruik van de tijd. Wat zich in 1984 afspeelt schrijft hij in de t.t. Door deze sprongen slaagt de schrijver erin de verschillende lagen mee te geven én bij het pijnpunt, het overlijden van zijn moeder, uit te komen. Het is ook door deze sprongen dat hij kan meegeven dat je iemand nooit helemaal kent.
-De tijd die hij nodig heeft om het verhaal te vertellen begint in 1984, na het overlijden van zijn vader, maar beslaat zijn hele leven.
- In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan?
- Het verhaal speelt zich af in de 2de helft van de 20ste eeuw. De maatschappelijke context klinkt door in de muziek die ze beluisteren, de kleren die ze dragen, de normen die gelden, de kunstenaars die in zijn,… Het verhaal speelt zich voor een groot stuk af in het huis van de vader na zijn overlijden, maar alle plekken waar de schrijver en zijn broers hebben gewoond komen aan bod.
- Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen?
- Namen van muziekgroepen, kunstenaars, bekenden,… komen voor in het boek. Het is niet noodzakelijk ze te kennen om het verhaal te begrijpen, maar wel interessant. Ook enige kennis van de maatschappelijke context is relevant, omdat de schrijver elementen daaruit aanhaalt om de historische tijd en de milieus te schetsen.
- Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden?
-Thema’s:
- Rouwen, gemis
- ‘mensen kunnen zomaar verdwijnen’
- Familiebanden: tussen broers, tussen zoon-vader,…
- Herinneren: herinneringen zijn niet betrouwbaar
En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie.
- Thomson gebruikt heel veel beelden, bv. p.9: ‘Haar plotselinge dood heeft haar uitgevaagd, als met krijt geschreven woorden die door de leraar van een schoolbord worden geveegd.’ of p. 183: ‘Elke lantaarnpaal waar we langs rijden maakt een fotokopie van mijn gezicht.’
Vaak zijn ze echter ver gezocht, bv. p.9: ‘De bossen doemden voor me op, de bladeren in dreigende clusters als een paddenstoelenwolk.’ of p. 114: ‘… klim ik in mijn lievelingsplataan, waarvan de schors is afgeschilferd op plekken waar takken uit de stam komen, als een trui waarvan de mouw tot aan de ellenboog is opgestroopt.’
En vaak zijn ze overdreven, bv. p.40: ‘Het was zo stil op de overloop dat ik ergens achter me een vlieg tegen het raam hoorde botsen.’
-Thomson raakt gebeurtenissen, vaak ook vreselijke, aan zonder er te diep op in te gaan. Hierdoor dringen ze net meer door bij de lezer.
-Hij schrijft intiem en oprecht, nergens sentimenteel, en toch ontroerend. Bv. waar hij terugkeert naar de plek waar zijn moeder ineengezakt is tijdens het tennissen, een plek die vroeger een tennisveld was, maar nu een parkeerplaats is geworden: p. 167: ‘Toen ze weg waren gelopen, bleef ik tussen de Renault en het busje in staan. Met hun witte markeringsstrepen leken de parkeerplaatsen een spookachtige echo van de tennisbanen waarop ze ooit uitzicht hadden geboden – spookachtig en tegelijkertijd logisch, alsof ze een bewerkte versie of de neergang ervan waren. Ik maakte een foto […] Later liet ik op Terminus Road een afdruk maken van de foto die ik had genomen. Drie auto’s, van achteren, een paar ondiepe plassen – wat witte strepen… De foto was opvallend nietszeggend, zonder echt middelpunt.
Nee sterker nog: het was alsof hij was bewerkt. Alsof het onderwerp van de eigenlijke foto was verwijderd, waardoor alleen nog achtergrond restte.’
Edgar Hilsenrath/ De belevenissen van Ruben Jablonski
- Wie vertelt mij het verhaal? Weet hij alles of niet?
-de ik = Ruben Jablonski = de auteur, die een andere naam gebruikt.
De ondertitel leert ‘Een autobiografische roman’ leert me dat.
- Wat vertelt de eerste zin?
-’22 maart 1944. De Russen zijn er!’à We krijgen de datum mee. We kunnen nu al vermoeden dat het om een bevrijding gaat. We krijgen ook een richting mee over waar het zich kan afspelen.
- Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar een persoon of zijn er meer?
-We kijken door de ogen van deze Ruben Jablonski zelf: het verhaal begint bij de bevrijding uit het getto. Hij is op dat moment een ongeïnspireerde jongeman, zonder levensvreugde of zin in het leven, en dat beïnvloedt mijn kijk.
- Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre wordt ik daarin gestuurd door de verteller?
-zeker niet Ruben Jablonski zelf: hij is ongemotiveerd, ongeïnspireerd en hij ‘gebruikt’ vrouwen.
-de andere personages komen aanwaaien en verdwijnen weer, ze zijn niet diep genoeg uitgewerkt om sympathie of antipathie op te roepen, behalve op het einde zijn vader, die vind ik niet sympathiek omdat hij Ruben tegen zijn wil in de bontindustrie dwingt. De schrijver creëert dit gevoel bewust.
- Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onder onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen?
-N.V.T.
- Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat spelen zij voor rol?
-Ruben zelf: doordat hij zo ongeïnspireerd is, geeft hij weinig prijs
- Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘ in goede volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in?
-Het verhaal beschrijft Rubens kindertijd en jeugd tot hij jongvolwassen is en zijn boek, Nacht schrijft. Hij begint het verhaal bij de bevrijding uit het getto, blikt terug op zijn romantische kindertijd en beschrijft dan hoe hij van de ene naar de andere plek trekt in de hoop een boek over het getto te kunnen schrijven. In goede volgorde zou het eerste deel zeemzoeterig zijn. Nu weet ik dat er een breekpunt komt, het maakt me nieuwsgierig naar wat volgt.
- Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd genomen en hebben die een functie?
- zie vorige vraag. Hij begint het te vertellen vanaf het moment van de bevrijding, maar vertelt over zijn hele kindertijd tot de periode waarin hij het boek probeert te schrijven. Over de tijd in het getto vertelt hij opvallend weinig. Hij besteedt hier ook weinig tijd aan.
- In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal. Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan?
-Het verhaal speelt zich in de 20ste eeuw af, de tijd voor tijdens en na WO II. De maatschappelijke context bepaalt het hele verhaal.
-We volgen Ruben, alias Hilsenrath, tijdens zijn leven: Hilsenrath werd in 1926 in een Duits-Joods gezin geboren in Leipzig, maar groeide op in Halle. Na de Kristallnacht in 1938 vluchtte het gezin zonder de vader naar het Roemeense Sereth. Daar woonden een opa en oma en het stadje had voor de toen 12-jarige Edgar een paradijselijke klank, die hij er in werkelijkheid ook ervoer. Zijn vader bleef in Halle achter, maar vluchtte in 1939 naar Parijs. Edgar zou hem pas na de oorlog weer zien toen het hele gezin wonder boven wonder herenigd werd. In 1941 kwamen Edgar en zijn moeder en broer terecht in het Oekraïense getto Mogilev-Podolski – een stad die niet meer dan een ruïne was – , waar ze soms met meer geluk dan wijsheid gespaard bleven voor transport naar een vernietigingskamp. In 1944 werd het getto door de Russen ontzet en al snel koos Edgar voor het avontuur door naar Palestina (destijds nog Engels mandaatgebied) te trekken in de hoop daar een nieuw paradijs te vinden. Dat werd een ontgoocheling. Hij belandde er meerdere keren in de gevangenis. In 1947 keerde hij terug naar het inmiddels in Lyon wonende gezin, maar vertrok kort daarna al weer naar de Verenigde Staten.
-Hij vertelt opvallend weinig over het getto, buiten wat algemeenheden en hoe hij en zijn familie per toeval weten te overleven niets. Het verhaal begint op het moment waarop hij uit het getto bevrijd wordt, het gaat over hoe hij er niet in slaagt zijn gettoroman te schrijven, hij is verdoofd, hij vindt de woorden niet, dus kan hij ze ook niet schrijven in dit boek dat vanuit het perspectief van wie hij op dat moment is, is geschreven.
- Moet ik dingen opzoeken op het verhaal te begrijpen?
-Je kan dit boek grotendeels begrijpen zonder al te veel achtergrond te hebben over de streek. Uiteraard kent iedereen de grote lijnen van de Jodenvervolging. Veel wordt duidelijk in het boek/ de Russen bevrijden hen uit het getto, Palestina is op dat moment onder Engels bewind,…
- Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden?
-Thema’s:
- de pogingen om het boek, Nacht te schrijven: het is een noodzaak voor hem deze roman te schrijven, maar het lukt maar niet, pas op het einde, als hij op de boot naar Amerika zit, vindt hij woorden.
- zijn onrustige maatschappelijke bestaan (jobhoppen avant la lettre, ongemotiveerd, ongeïnteresseerd in de inhoud van zijn jobs))
- de politieke verwikkelingen in de regio: in Midden-Europa tijdens het nazisme, zijn visie op de Armeense genocide en de ontwikkeling van de Joodse staat en de verhouding tussen Palestijnen en Joden in die tijd.
- zijn gedrag naar vrouwen toe: hij ziet hen alleen als wezens om seks mee te hebben
- zijn depressie: omdat het niet lukt het boek te schrijven of in de nasleep van het leven in het getto (bijhorende impotentie)
- familieverhoudingen
En tot slot: kan ik beelden en beeldspraken vinden? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie.
- We vinden hier niets terug van de aangrijpende taferelen in het getto uit Nacht, of van de satire in De nazi en de kapper. Deze Belevenissen lijken met weinig literaire ambitie geschreven te zijn. We krijgen bijna naïef te noemen dialogen en beschrijvingen die je eerder in een droog geschiedenisboek verwacht. De vele seksscènes worden zonder passie afgeraffeld
Ik vermoed dat deze kale, bijna fantasieloze stijl een bewuste keuze van Hilsenrath is, want het sluit wel aan op het levensverhaal van Ruben Jablonski die na het getto zijn inspiratie en zin in het leven totaal lijkt te zijn kwijtgeraakt. De platte, onversierde, taal, de plichtmatige dialogen, het zonder opsmuk beschreven gehobbel van het ene baantje naar het andere, en de kleurloosheid van de rafelranden van het leven passen hierbij. Het maakt er wel ene boek van waar je je als lezer moet door bijten..