Een dagje aan zee
De ochtendspits was al begonnen. Iedereen haastte zich naar het werk. Toen ze voor de zoveelste keer brutaal de pas werd afgesneden dacht ze “Het is wel goed met jullie, zoek het vandaag zelf maar uit! Ik neem de volgende afslag en ga een dagje naar zee. “ De gedachte om eens te spijbelen zoemde al een tijdje door haar hoofd. De dagelijkse files, de sleur, de spelletjes die gespeeld werden, meestal ten koste van haar, ze was het beu, kotsbeu.
Ze reed de sorteerstrook op. De witte aanduiding "KUST" gaf aan dat het goed was.
Het werd al snel een stuk kalmer op de weg. Voor het eerst in haar leven reed ze tegen de stroom in.
“Ik ga naar zee" dacht ze, zong ze bijna, "naar zee, naar zee." Als een blij kind op een onverwachte uitstap. Even schoot het nog door haar gedachten om naar het werk te bellen en te zeggen dat ze …. Ach, niet aan denken. Als er morgen iemand zou vragen waar ze was zou ze wel iets verzinnen. Op de ene afdeling zou men er van uitgaan dat ze op de andere afdeling aan het werk was. Grijze muizen kunnen gemist worden.
Al snel zag ze de vertrouwde toren die voor haar de kust en vakantie betekende. Als kind had ze al vol bewondering voor deze kerk en de prachtige versieringen gestaan. Verwonderd, zoals alleen een kind kan zijn. De zee was nu dichtbij. Herinneringen kwamen boven. Het mooie weer, ijsjes, het geluid van meeuwen, maar vooral van het zorgeloos eventjes kind kunnen zijn weg van het geruzie thuis.
Bejaarden, diep in hun jassen weggestoken, keken haar nieuwsgierig aan. Wat doet zo een jong ding hier en nog wel op dit uur zag je ze denken. Ze stapte uit en voelde de wind en de zilte lucht. Toen zag ze de golven en kon het bijna niet geloven. Alsof iemand anders naar hier gereden was.
Het was stil. In de verte zag ze op het strand een groep kinderen spelen. Hun stemmen zongen “zakdoekje leggu, niemand zeggu”. Het gekrijs en het gelach lieten vermoeden dat het spannend was. Ergens blafte een hond. In een krantenwinkel kocht ze een tijdschrift. “ Follow your dreams” stond er op de cover.
Ze liet zich in het warme duinzand vallen, trok de jas dicht om haar heen en bladerde wat door het tijdschrift. Ze soesde weg, loom geworden door de warmte, ook al was het nog maar maart.
In de luwte van de duinen begon ze te denken aan alles wat er de laatste tijd gebeurd was. Haar gedachten gingen steeds verder terug en opeens leek het of er een zware loden bal op haar buik gelegd werd. Ze kon met moeite nog ademen. Alsof alles vast zat en er zich diep in haar binnenste een schreeuw losmaakte. De schreeuw van een leven lang verdriet, onrecht en zwijgen.
Ze ging rechtstaan en keek naar het onverstoorbaar zachte deinen van de golven. Toen liep ze het strand op. Haar voeten zonken weg in het mulle zand. Al snel kwam ze op het natte deel. Onderweg verloor ze een schoen en al snel de andere. Ze liet haar jas vallen en zo kleedde ze zich langzaam uit terwijl ze naar het water liep.
Ze voelde hoe de zee aan haar trok en in haar lijf sneed maar ze was niet bang ook al lag het strand al ver achter haar. De golven tilden haar op. Door het zachte wiegen kroop de schreeuw naar haar keel. Ze proefde zilte zoete rozenblaadjes. Het ritme van de golven volgde het kloppen van haar hart. Ze voelde geen verschil meer tussen het water en haar lichaam. Toen liet de schreeuw haar los.