anne cockaerts

Gebruikersnaam anne cockaerts

Teksten

de roze schoentjes

In de folder had ik ze al zien staan, de roze schoentjes voor 4,99 euro. Eigenlijk was ik die reclame al vergeten maar toen ik de vrouw en haar drie zeurende meisjes zag staan wist ik het weer. De roze schoentjes met glitters, de droom van elk meisje jonger dan zes. Ze zeurden, dat kon je aan de reactie van de moeder zien. Zeuren is zeuren zelfs in een taal die ik niet  thuis kon brengen. De moeder nam een paar maar zette ze steeds terug. De twijfel tussen de schoentjes of het brood. Het oudste meisje liep op plastic slippers, te koud voor februari, maar ze had geleerd flink te zijn. Ik knikte naar de mevrouw maar ze keek weg. " Wegens een vakbondsactie zal morgen de winkel uitzonderlijk gesloten zijn!"  klonk het uit de intercom. " ’t es wreed" hoorde ik iemand zeggen " wa da die politiekers nu allemaal mee ons van plan zijn." " where you from?" vroeg ik aan de roze schoentjes-mevrouw. Ze zweeg, deed net of ze me niet gehoord had. " Allepo, Syria" flapte het jongste meisje eruit. Ze kreeg een duw. De moeder stapte kortdaat naar de kassa   Ik legde schoentjes van elke roze-maat  in mijn karretje en een brood en melk en zeep en waarom ook niet een groot stuk chocolade. Ik rekende af en stak alles in de grote draagtas " da’s wel 15 cent extra madam!" Ze liep op het parkeerterrein, de kinderen stil naast haar. Ik gaf haar de tas en voor zij iets kon zeggen draaide ik me om en stapte weg. De bloesems in Aleppo wachten al te lang op de lente. (c) anne cockaerts

anne cockaerts
4 0

een dagje aan zee

Een dagje aan zee   De ochtendspits was al begonnen. Iedereen haastte zich naar het werk. Toen ze voor de zoveelste keer brutaal de pas werd afgesneden dacht ze “Het is wel goed met jullie, zoek het vandaag zelf maar uit! Ik neem de volgende afslag en ga een dagje naar zee. “ De gedachte om eens te spijbelen zoemde al een tijdje door haar hoofd. De dagelijkse files, de sleur, de spelletjes die gespeeld werden, meestal ten koste van haar, ze was het beu, kotsbeu. Ze reed de sorteerstrook op. De witte aanduiding "KUST" gaf aan dat het goed was. Het werd al snel een stuk kalmer op de weg. Voor het eerst in haar leven reed ze tegen de stroom in. “Ik ga naar zee" dacht ze, zong ze bijna, "naar zee, naar zee." Als een blij kind op een onverwachte uitstap. Even schoot het nog door haar gedachten om naar het werk te bellen en te zeggen dat ze …. Ach, niet aan denken. Als er morgen iemand zou vragen waar ze was zou ze wel iets verzinnen. Op de ene afdeling zou men er van uitgaan dat ze op de andere afdeling aan het werk was. Grijze muizen kunnen gemist worden. Al snel zag ze de vertrouwde toren die voor haar de kust en vakantie betekende. Als kind had ze al vol bewondering voor deze kerk en de prachtige versieringen gestaan. Verwonderd, zoals alleen een kind kan zijn. De zee was nu dichtbij. Herinneringen kwamen boven. Het mooie weer, ijsjes, het geluid van meeuwen, maar vooral van het zorgeloos eventjes kind kunnen zijn weg van het geruzie thuis. Bejaarden, diep in hun jassen weggestoken, keken haar nieuwsgierig aan. Wat doet zo een jong ding hier en nog wel op dit uur zag je ze denken. Ze stapte uit en voelde de wind en de zilte lucht. Toen zag ze de golven en kon het bijna niet geloven. Alsof iemand anders naar hier gereden was. Het was stil. In de verte zag ze op het strand een groep kinderen spelen. Hun stemmen zongen “zakdoekje leggu, niemand zeggu”. Het gekrijs en het gelach lieten vermoeden dat het spannend was. Ergens blafte een hond. In een krantenwinkel kocht ze een tijdschrift. “ Follow your dreams” stond er op de cover. Ze liet zich in het warme duinzand vallen, trok de jas dicht om haar heen en bladerde wat door het tijdschrift. Ze soesde weg, loom geworden door de warmte, ook al was het nog maar maart. In de luwte van de duinen begon ze te denken aan alles wat er de laatste tijd gebeurd was. Haar gedachten gingen steeds verder terug en opeens leek het of er een zware loden bal op haar buik gelegd werd. Ze kon met moeite nog ademen. Alsof alles vast zat en er zich diep in haar binnenste een schreeuw losmaakte. De schreeuw van een leven lang verdriet, onrecht en zwijgen. Ze ging rechtstaan en keek naar het onverstoorbaar zachte deinen van de golven. Toen liep ze het strand op. Haar voeten zonken weg in het mulle zand. Al snel kwam ze op het natte deel. Onderweg verloor ze een schoen en al snel de andere. Ze liet haar jas vallen en zo kleedde ze zich langzaam uit terwijl ze naar het water liep. Ze voelde hoe de zee aan haar trok en in haar lijf sneed maar ze was niet bang ook al lag het strand al ver achter haar. De golven tilden haar op. Door het zachte wiegen kroop de schreeuw naar haar keel. Ze proefde zilte zoete rozenblaadjes. Het ritme van de golven volgde het kloppen van haar hart. Ze voelde geen verschil meer tussen het water en haar lichaam. Toen liet de schreeuw haar los.

anne cockaerts
0 0

moed

Ooit zou dit plein mijn thuis worden, mijn warme jas, mijn haven, mijn geliefde, mijn vergeten. Nu verstonk de gelige waas van schrale diesel mijn longen. De té harde woorden en het geduw en getrek maakten me klein. Hier was ik onzichtbaar, eindelijk! Dagen en nachten was hij tekeer gegaan. Nee, dit was geen roepen meer maar een constant keihard geloei. Geen moment rust. Mijn kop  beurs  door het  gehamer van steeds dezelfde zinnen.   " Ze moet terugkomen,  hier moet ze zijn en jij moet daar voor zorgen, jij moet je verantwoordelijkheid nemen!" Tot zijn laatste woorden: " Je moet ze vinden, je moet ze terugbrengen. Je komt hier anders niet meer binnen. " De volgende ochtend stond ik op een onbekend plein in een benauwde stad. Alles wees erop dat ik haar hier zou kunnen vinden. Ze was verdwenen, weg. Niet van de ene dag op de andere. Maar met kleine beetjes. De tijdschriften die ze begon te lezen. De pakjes die de post leverde. Zelfs in haar taal begon de stad door te klinken. Tot ze er op een middag niet meer was.  Ze was weg, verdwenen. Straten en buurten waren in het begin zo vreemd. Ik sliep waar er plaats was.  Eten was overal te vinden. Wat goed is voor de duiven en ratten, was goed genoeg voor mij.  Ik sprak mensen aan en vroeg of ze haar kenden. "Meiske toch," zei een oudere mevrouw " dr zitte dr iere azo duusd." Een vreemd antwoord dat ik toen niet begreep.  Het leven was eenvoudig en langzaam begon ik te vergeten waarom ik hier eigenlijk was. De deuren naar wat ooit thuis was waren dicht. Alleen door haar te vinden en terug te brengen zouden ze weer open gaan.  De stad leerde mij kennen en wat meer was, ze accepteerde mij.  De muren herkenden mijn stappen en op een dag hoorde ik mezelf lachen.  Tot ik  op een van mijn tochten overwacht  in de onderbuik terecht kwam. In deze buurt werd het menselijk wrakhout gedumpt.  Een leven van zerpe wijn, goedkoop vreten en neon-liefde. En toen zag ik haar. Eerst realiseerde ik het me niet. Alsof je een bekend gezicht ziet waar je het niet verwacht. Daar zat ze, uitgekotst. Ik deed een paar stappen naar haar toe. Ze wees naar me en zei  " jij moet…"  De rest hoorde ik niet meer. Het woord "moet" was in mijn keel geslagen als gal.  Ik had al te veel gemoeten in mijn leven.  Ik stapte verder. Het plein wachtte.  Ik was op weg naar huis.

anne cockaerts
0 0