Een kom voor in de keuken
Wie een handgranaat naar zijn hoofd krijgt, stelt beter geen vragen. Anders volgt er misschien nog een. Toch, hij moet zich bedwingen om stil te blijven. Hoe kan het? Maar hij stelt de vraag niet, hij beseft het vrijwel meteen, het moment dat ze zei dat het veilig was. Ze telde haar dagen altijd. Hij is in de val getrapt. Vrijen op het ritme van de natuur. Schijnheilige sodemieter. Hij staat op, ongetwijfeld kijkt ze nu naar hem, speurend naar zijn reactie. Nou, vooruit dan. Hij schopt de buitendeur open en vertrekt.
De eerste keer dat hij op bezoek kwam, heeft hij verdomd lang moeten zoeken voordat hij het toegangshekje zag. “Het gaat op in de natuur,” zei zij even later, nadat hij het toch gevonden had en het houten huis tussen de duintjes had bereikt. Zo moeizaam als hij de weg vond, zo gemakkelijk bleek het om te blijven. Je kunt hier de zee horen ruisen, de wind door de duintoppen horen waaien. Als hij hier is, voelt hij zich deel van de natuur. Hij is bevrijd van de moeizame gedachten over ouderschap, co-ouderschap, verdeling van boeken, platen, planten. Is het verstandig dat Sacha en hij dezelfde advocaat nemen, moeten zij nu juist niet de loopgraven betrekken, elkaar zwart gaan maken, elkaar het leven zuur maken? Hier is de verwarring ver van hem, hier is een vrijplaats. Hij kent intussen de weg en fietst tegenwoordig rechtstreeks op het toegangshekje af, soepel slaat hij zijn been achter zich over de lastdrager en begint te steppen, van het pad af, een duw met het voorwiel tegen het hekje dat meegeeft, open gaat. In het zand smoort zijn vaart. Hij zet zijn fiets tegen de berk.
Voordat hij de deur kan openen, is zij er al. De haren, halflang tot op haar schouders, hij haalt zijn handen erdoor; licht- verglijdt in donkerblond. Ze drukt zich tegen hem aan en hij is stil. Zo staan, niet bewegen, niet naar voren, evenmin achteruit. Alleen dit moment waarin hij alle sores kan vergeten. Geen gedachten aan de kinderen, geen gedachten aan Sacha. Alleen dit moment.
Maar vandaag stapt zij naar achteren en gaat het huis in, de krappe hal die ook als keuken dienst doet. Hij volgt haar. Valt hij voorover, dan ligt hij op bed. Het is de beste keuze, het is waar hij voor komt, en ook, verbeeldt hij zich, waarom zij wil dat hij hier komt. Maar zij gaat die kant niet op, en ook hij beweegt naar links, achter haar aan, de kamer in. Wat is er aan de hand? Waarom koerst zij naar de woonkamer? Pas als ze gaat zitten op het tweezitsbankje, draait ze zich naar hem om. Ze slaat met haar hand op de plek naast zich. “Kom zitten.”
Hij is niet gek, hij kent de theorie rond slecht – en goed nieuwsgesprekken, hij herkent de signalen. Slecht nieuws vertel je het best meteen, en dat is wat ze nu gaat doen. Nou ja, einde van een leuke relatie, een fijne afleiding, hij heeft ervan genoten. Misschien verwachtte zij er meer van dan hij, hij heeft het wel gehoord, dat ze de vier woorden zei: “Ik hou van jou.” Vorige week nog, toen ze bij hem in bed lagen. Zelf heeft hij ze zorgvuldig vermeden. Hij zal haar teleurgesteld hebben. Hoe kon hij anders, een vrijplaats is een illusie. Maar hij zal de gepaste tegenwerpingen maken, het is niet nodig haar te kwetsen door te laten merken dat het hem niet veel uitmaakt, al is het natuurlijk jammer van de omgeving, dat zei ze goed die eerste keer. Het gaat hier op in de natuur, heerlijk is dat. Maar voor haar een ander, of niemand. Misschien is dat het beste, vrouwen verwachten altijd weer iets van je. Mooi is ze wel, wat dat betreft is het jammer. Maar schoonheid, hoe zei Lucebert het ook alweer: “In deze tijd heeft schoonheid haar gezicht verbrand.” Inderdaad, ze heeft haar neus gestoten. Goed dat ze op tijd inziet dat er geen echte relatie inzit, tussen hen. Ze wacht trouwens wel erg lang, mist hij iets? Och ja, het spel moet gespeeld worden, hij moet haar aankijken, dan zal ze het zeggen.
Maar als hij haar in het gezicht kijkt, zegt ze: “Ik ben zwanger.”
Hij antwoordt niet. Wat heeft het voor zin? Hij weet dat ze kijkt, schopt de buitendeur open en is vertrokken. Een begrijpelijke reactie zal ze denken. Ze zal denken dat het nieuws hem overvalt. Wat natuurlijk ook zo is. Zei ze dat zojuist al niet? “Neem je tijd om je ervoor open te stellen,” hij weet zeker dat hij haar dat heeft horen zeggen. Dat is waarom de trap tegen de deur hem geen moeite kostte. Maar “zich openstellen”? Ammehoela.
Wanneer hij thuiskomt, een uur later, op de agenebbisj verdieping die hij nog twee maanden lang zijn huis moet noemen, loopt hij naar de vensterbank en pakt de aardewerken kom op. Wist zij het al, toen zij hem de kom gaf? Hij had haar van de trein gehaald, een eeuwigheid geleden, ver voor de handgranaat. Vorige week woensdag. Ze was naar haar vader geweest, een bezoek dat hem verbaasd had en dat hij nu in een ander licht ziet. Wilde zij de man blij maken? Toen ze terugkwam, had hij op het station geïnformeerd hoe het bezoek verlopen was. “Ach, het blijft een vreemde man,” had ze gezegd. Hij had niet verder gevraagd, voorlopig hoefde hij niets van mogelijke schoonfamilie te weten. Sterker nog, hij had geen behoefte aan schoonfamilie. Als die er was, dan was er een relatie en daar tekende hij voorlopig niet voor. “Waarom wil je scheiden,” had Sacha gevraagd en hij had niets anders kunnen bedenken dan dat hij alleen wilde leven. “Wel met de kinderen, natuurlijk,” had hij snel toegevoegd. Maar zonder vrouw die hij verdriet kon bezorgen en die hem verdriet kon geven. Zijn schoonvader en schoonmoeder had hij wel willen behouden, zo welkom had hij zich altijd bij hen gevoeld, maar zij waren haar ouders, zij moesten haar kant kunnen kiezen.
Toen ze van het station bij hem thuis waren gekomen, had ze opgemerkt dat hij het vet in de keuken weg had geschrobd. “Nu de slaapkamer nog,” had zij gezegd, maar hij had gelachen en haar op bed getrokken. Schoonmaken deed hij wel als hij alleen was. En trouwens, zo lang ging hij hier niet blijven. Hij heeft een mooie etage aan de Oosterlaan gekocht. Samen met Sacha is hij er gaan kijken. Het is dichtbij de Beukenlaan waar zij blijft wonen. Ideaal, vond Sacha de etage. Hier kunnen de kinderen zich thuis voelen, zei ze. Hij ziet ernaar uit om daar te gaan wonen, weg van deze klerezooi. Alleen de keuken heeft hij hier schoongepoetst, hij wil een beetje behoorlijk kunnen eten.
Daar zijn ze vorige week gaan zitten, in de schone keuken. Vlak nadat zij in bed haar liefdesverklaring in zijn oor had gefluisterd. Stiekeme huichelaar. Ze heeft hem een cadeau gegeven. Een handgebakken aardewerken schaaltje, zag hij toen hij het uit het papier had gepakt. Hij luisterde niet naar het verhaal dat ze erbij vertelde. Hij had geen behoefte aan schoonfamilie en evenmin aan gedeelde huiselijkheid. Hij had het kommetje in de vensterbank gezet en voorgesteld naar haar huis te gaan.
Nu heeft hij de kom in handen en kijkt om zich heen. De vaste vloerbedekking met de aangekoekte vlekken in de kamer, het gladde zeil in de keuken, hij keurt ze af en opent de deur naar de hal. De betonnen vloer zonder enige bedekking bevalt hem. Hij stapt de hal in, heft de kom hoog boven zich. De afstand tot de betonnen vloer is maximaal. Hier zal hij in duizend stukken vallen, een kwetsbaar maaksel dat stukslaat op de betonnen werkelijkheid. Hij laat zijn armen weer zakken, hij heeft de kom nog steeds in zijn beide handen. Hij opent de deur naar de meterkast en plaatst de kom op de plank, naast het stoffer en blik. Het heeft geen zin scherven te veroorzaken die je zelf op moet ruimen.
De volgende ochtend is het zaterdag. Meteen na zijn ontbijt trekt hij zijn jas aan, sluit de deur achter zich en fietst naar het huis in de Beukenlaan, waar hij tot voor kort woonde. Coby wacht al op hem, een plastic tas in haar hand. “Mijn judospullen heb ik al ingepakt,” zegt ze. “Kun je de houdgreep nog?” vraagt hij. Op de fiets voelt hij haar handen in zijn zij. Op de Oosterlaan wijst hij naar links. “Daar ga ik over een paar weken wonen, “zegt hij. “Dan krijgen Maika en jij daar ook een kamer. Er is een grote woonkamer en dan kun je de houdgreep op me oefenen.” “Ik houd je gemakkelijk,” zegt ze.
Tijdens de judoles wandelt hij naar de Hema en koopt een kaart van Jip en Janneke. Hij gaat zitten bij het Gulden Vlies, bestelt een koffie verkeerd en vraagt om een pen. “Volgende maand ben ik officieel gescheiden,” schrijft hij. “Ik ga goed voor mijn kinderen zorgen. Samen met mijn ex-vrouw. Wie weet, ben ik ooit toe aan een nieuwe relatie, een nieuw kind. Nu niet. Waar ik zeker niet van houd, is erin geluisd te worden. Wat jij doet, is jouw verantwoordelijkheid. Niet de mijne.” Hij stopt de kaart in zijn binnenzak. Vanmiddag zal hij de kom inpakken en met de kaart aan haar versturen. Nu gaat hij Coby ophalen. First things first.
Beloning voor goed gedrag
Zaterdag, de groene velden met de witte kalklijnen, bij voorkeur een zonnetje, een graad of achttien, een hooguit lichte bries. Hij ontbijt, haalt het dunne, zwarte jasje van de kapstok en voelt of de chronometer in het borstzakje zit. Hij staat even voor de spiegel, juist als zijn dochter roept dat ze vertrekt. In de spiegel ziet hij een man die nog wel een sprintje kan trekken. “Heb je je scheenbeschermers,” roept hij, maar hij hoort de deur al in het slot vallen. Het zal wel.
Wat later fietst hij op zijn gemak langs de brede vaart. Kleine rimpelingen in het water, het lijkt alsof het zonlicht opspringt en weer neerkomt. Aan de overkant de molens, daarachter de polder vol ganzen. Het is een dag waarop mensen gelukkig kunnen zijn. Toch voelt hij in zijn borst de zekerheid te kort te schieten. Het is altijd zo geweest. Kwetsbaar, vol zelfverachting, niets heeft hij er aan kunnen veranderen. Het gevoel in zijn borst kan tijdelijk verdwijnen. Hij denkt en handelt, hij is actief, doet zijn plicht of wat hij graag doet, maar als hij stil is, voelt hij het knagen, de leegte. Het is niet slecht wat hij doet, maar het legt geen gewicht in de schaal. Hij kent zijn talenten en weet dat zij niet tellen.
Misschien is hij niet zo geboren. Zijn moeder vertelde hem dat zij na vier geboorten kort na elkaar geen vijfde wilde. Toen kwam jij, voegde ze eraan toe. Hij was het vijfde kind. Een jongen na vier meisjes bovendien, zoveel ongedurigheid was er in hem, ze sloot hem dikwijls op in de kast. Hij herinnert zich hoe donker het was en hoe het naar grondwater rook. Zijn vader wilde hem juist in het licht zetten en kon het niet verkroppen als hij ervoor terugschrok. Klappen leverde het op, scheldwoorden of zwijgen. Misschien hebben zij hem de zekerheid gegeven tekort te schieten.
Toch is er nu de lentedag. Aan de overkant sjort de molenaar de kop met de wieken naar de zachte westenwind. Hard zullen ze niet draaien vandaag, maar alle beetjes zijn meegenomen. In de vaart slaan de riemen van de wedstrijdroeiers in het water. Het is het geluid dat zijn eigen peddel maakte, in het water van de ringvaart voor hun huis. Maandenlang hadden zijn zus en hij gespaard. Toen ze honderd gulden hadden, gingen ze kijken naar kano’s die te koop werden aangeboden. Steeds was hun bod te laag. Op een dag kwam papa thuis, het was in de tijd dat hij nog schillenman was. “Ik heb een kano voor jullie gekocht,” zei hij. “Geef mij jullie spaargeld, ik heb er honderd piek bovenop gedaan. Volgens mij is het een prachtding.” ’s Avonds had papa hen naar Halfweg gereden waar de kano lag. Hij was precies zoals ze hem wilden hebben, doorzichtige bruine glanslak, twee plaatsen achter elkaar. Dat je zo wiebelde als je erin stapte, daar hadden ze niet op gerekend. Misschien voelden ze zich ook ongemakkelijk omdat papa en de verkoper naar hen stonden te kijken. Toen ze eenmaal weg peddelden, voelde Johan zich prima. Zijn zus had al gauw genoeg gekregen van de kano en meestal voer hij alleen de ringvaart af, elke slag bracht hem verder van huis. Hij voer helemaal tot aan het Nieuwe Meer. Daar was het water wilder. Hij stak de neus van de kano recht in de golven en liet zich drijven. Een sleepboot voer snel over het meer, de golfslag werd woest, nu moest hij de neus zeker goed op de golven houden. Of zou hij dwars gaan liggen, zich laten omslaan? Het water spatte over zijn lijf. Laat in de middag kwam hij doorweekt thuis, zijn moeder gaf hem op zijn kop, maar hij had niet het gevoel dat ze echt boos was. Zij hield ook van water. Ze had eens zijn plastic bootje uit het kanaal gered, toen hij als kleuter ermee op de steiger zat te spelen en het te ver van hem was weggedreven. Verdrietig om het verlies van het bootje was hij binnengekomen. Zij had zich snel omgekleed en was in het water gesprongen. Opgewekt stapte ze even later druipnat het huis weer binnen, zijn bootje in haar hand.
Hij zet aan en voegt zich in de stroom van jongens en meisjes met de zwarte sporttassen in hun fietsbak. Hij kan blijven zoeken naar woorden voor het gevoel van tekort, nooit zal hij eraan ontkomen. Het kan altijd in hem zijn geweest. Heel goed mogelijk dat zijn ouders het niet in hem hebben opgewekt. Wat maakt het uit? Je kunt jezelf niet veranderen, hoorde hij zeggen, maar wel je gedrag. Dus, wat maakt het uit waar de zekerheid tekort te schieten vandaan komt, zolang hij er niet naar handelt?
Hij fietst onder de poort met het zwart-witte bord door, hij is aangekomen bij de groene velden, stalt zijn fiets en kijkt naar de vlaggetjes aan de cornerpalen, de netten die in de doelen schommelen. Echt weinig wind, altijd prettig voor de wedstrijd. In het wedstrijdsecretariaat zitten de mannen rond de koffietafel. Slechts een enkeling van hen vervult een taak, de anderen zitten er omdat hier een voetbalveld is, waar zij met andere mannen het eeuwige gesprek kunnen voeren. Ook zijn vader voerde vroeger dit gesprek, met mannen die de kleine Johan over zijn bol aaiden. “Kom op, naar buiten,” zei zijn vader dan. Hij had belangrijke kwesties te bespreken. Dat de scheids er vorige zondag weer helemaal niets van kon, dat hij in zijn tijd wel raad had geweten met die voorzet van de linksbuiten. Het zijn de kwesties waar het ook op deze lentedag nog over gaat. Johan luistert ernaar, maar praat nog steeds niet mee. Hij schudt Piet de hand en pakt een bal, twee vlaggetjes voor de grensrechters, een fluitje, een bloknootje en een pen. “Veld C,” roept Piet hem na.
Bal aan de voet, het schrijfgerei in een van de steekzakken van zijn jasje, het fluitje in de ene hand, de vlaggetjes in de andere loopt hij Veld C op. Voor het rechterdoel is het thuisteam aan het afwerken. De speelsters staan in een rij achter elkaar, ter hoogte van de middencirkel. Hij zwaait naar zijn dochter die gelukkig haar scheenbeschermers draagt. Aan de overzijde is de tegenstander nog bezig sprintjes te trekken. Hij blaast op zijn fluitje, schudt de handen van de coaches. Er melden zich twee grensrechters, hij geeft hen een vlaggetje. “Uitbal, achterbal, corner, buitenspel,” zegt hij, “voor een overtreding hoef je niet te vlaggen. Die beoordeel ik zelf.” Dan draait hij zich naar de beide aanvoerders die zich intussen in de middencirkel hebben gemeld. “Hebben jullie er zin in?”
Na zijn beginsignaal volgt hij het spel op korte afstand. Hij vindt zich te oud om zelf nog te voetballen. Maar nu, met het gras onder zijn sportschoenen, is hij blij als een lange pass wordt gegeven, rennen moet hij dan, rennen om ter plekke te zijn als een duel volgt. Alert ook als de bal ineens in zijn richting wordt geschoten. Hij spreidt zijn benen, laat de bal passeren, het is alsof hij er niet stond, het spel gaat zonder onderbreking door. Eenmaal negeert hij een vlagsignaal van de grensrechter van de gasten. “Scheids,” hoort hij roepen. Hij laat het spel doorgaan, hij is benieuwd wat er gaat gebeuren als de aanval tot een doelpunt leidt. Maar de keeper vangt de zacht ingeschoten bal. Als ze in de rust het veld aflopen, komt de grensrechter naar hem toe. “Ik vlagde, scheids,” zegt hij. “Dat heb ik gezien,” zegt Johan, “maar op het moment van spelen stond de aanvaller nog niet achter jullie achterste speelster. Geen buitenspel.” Hij ziet de man ademhalen, maar is hem voor. “Nou ja, wie weet, zag ik het verkeerd,” zegt hij, “of jij. Het werd in elk geval geen doelpunt.”
Na de wedstrijd brengt hij de spullen terug naar het wedstrijdsecretariaat. Dat is nu bijna leeg, op veld A speelt nu het selectieteam van jongens tot 19 jaar, daar staan de mannen ongetwijfeld langs de lijn. Alleen Piet zit nog aan tafel. Hij neemt de vlaggetjes van Johan aan, bergt de pen en het bloknootje op. De bal gaat in het ballennet. Samen vullen ze het wedstrijdformulier in: “1 – 1, geen bijzonderheden.” Piet geeft hem een consumptiebon. “Beloning voor goed gedrag,” zegt hij. “Daar doe ik het voor,” antwoordt Johan.
In de kantine wisselt hij de consumptiebon in voor een broodje bal. Eén hand aan het stuur fietst hij naar huis, het broodje in de andere hand, een snelle hap, de mosterd loopt langs zijn kin. In de vaart hebben de roeiers plaatsgemaakt voor kanovaarders. Geen vier in een boot, maar twee. Geen roeiers, maar peddelaars. Een andere aanpak maar ook deze boot scheert over het water. Misschien raken de peddelaars vermoeid, misschien raakt een van hen de slag kwijt, maar ze doen wat ze kunnen. Dat is genoeg.