Eilandbewoner

13 feb 2015 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

 

 

Het kwam allemaal door die brief, die nu op de tafel lag. Gisteren was hij naar de wal geweest. De gebruikelijke boodschappen. Vlees, aardappelen, meel, wat fruit. Olie en touw, batterijen. Hij had willen afrekenen toen Bertus hem ineens wat in handen duwde: ‘Voor ik het vergeet, er is post voor je gekomen.' Post? Dat moest een vergissing zijn, hij kreeg nooit post. Vrienden had hij niet en zijn familie had hij al veertig jaar niet meer gesproken. Maar zijn naam stond wel degelijk op de envelop. Geen afzender. Hij stak hem in de zak van zijn oliejas en rekende af. Terwijl hij terug liep naar de boot, voelde hij er nog even aan. Een vage onrust kroop in hem omhoog. Het ergerde hem. Thuis had hij de envelop op de keukentafel gelegd en was zijn ronde gaan doen. Daarna had hij hout gehakt voor de kachel, tot het begon te schemeren. In de eenvoudige keuken had hij zijn maaltijd bereid. Tijdens het eten had de envelop hem aangestaard. Hij keek naar het handschrift. Een sierlijke hand, waarschijnlijk van een vrouw. Hij kende geen vrouwen. Vroeger wel, toen kende hij vrouwen bij de vleet. Ze lustten hem wel, de krolse katten. Af en toe nam hij er een mee naar huis en dan liet hij zich een nachtje verwennen en kroelen. Dan gaf hij die vrouwen wat ze wilden. Maar 's ochtends bonjourde hij ze het huis weer uit. Het moest niet te intiem worden, daar had hij geen behoefte aan. Hij pakte de envelop van de tafel en scheurde hem open. Het waren vier dichtbeschreven velletjes papier met daartussen een foto van een vrouw. Ze had donkerblond, krullend haar dat onder een zuidwester uitstak. Lachend keek ze hem aan. Haar ene arm lag ontspannen op het roer van een schip. Met haar andere zwaaide ze naar de fotograaf. Er ging een schok door zijn lichaam.

 

Het begon te onweren. Vanuit het westen knetterden de flitsen als goudgele aderen door het zwart. Hij telde de seconden tot de volgende donderslag. Zo'n 10 kilometer nog, maar met deze wind zou het rap dichterbij komen. Het paard werd onrustig en hinnikte. Het was bang voor onweer sinds het een keer vlakbij de stal was ingeslagen. ‘Ho maar jongen, rustig!' Hij aaide het dier langs de hals en overwoog wat hij zou doen. Ondanks het donker wist hij precies waar hij was. Als ze terug zouden lopen waren ze eerder thuis, maar hadden ze het onweer in hun rug. Het was beter door te lopen. Hij versnelde zijn pas. Het onweer kwam inderdaad snel dichterbij en nam in hevigheid toe. Het kostte hem de grootste moeite om het bange paard in bedwang te houden. De zee loeide en smeet haar golven woedend op het strand, met bruisende schuimkragen. Hij wilde het zichzelf niet toegeven, maar hij voelde hoe zijn hart sneller begon te kloppen, hoe onrust als een traag kruipend dier langs zijn benen omhoog kwam en zich nestelde ter hoogte van zijn maag. Hij kreeg het benauwd in zijn dikke trui en oliejas. Het zweet begon langs zijn slapen naar beneden te druppelen. Woedend rukte hij de zuidwester van zijn hoofd en propte hem in zijn jaszak. ‘Godverrr! Kom op man!' Nog nooit was hij bang geweest. Stormen had hij meegemaakt, vele malen erger dan deze. Heftiger onweer waarbij de bliksemflitsen onophoudend de hemel verlichtten en zware donderslagen de lucht deden trillen. Weer hoorde hij die ene zin in zijn kop: ‘Maar wat als je op je sterfbed ligt, zou je het dan niet zeker willen weten?' Hij vloekte. Het was niet de storm of het onweer waar hij bang voor was. Het was iets anders. Iets wat hem bedreigde, wat zijn leven overhoop wilde halen en verstoren. Erger nog, het was al gebeurd. Het was in zijn kop gaan zitten en nu hij hier in de storm liep en hij zich plotseling bewust werd van het gevaar door de bliksem getroffen te worden, waren het de woorden uit de brief die hem bang maakten voor de dood. Hij brulde zoals hij nog nooit gebruld had. Een schreeuw die alle opgekropte gevoelens van al die jaren bevrijdde. Nog geen seconde daarna kwam de knal die het paard wild deed steigeren. Hij was er niet op verdacht geweest omdat hij niet op het paard lette en struikelde. Een felle pijn schoot door zijn hoofd.

 

Toen hij bijkwam was het al licht. Het paard en de kar waren in geen velden of wegen te zien. Het waaide nog steeds hard. De lucht was grijs en het regende zachtjes. Hij zat onder het bloed en z'n kop deed verdomde zeer. Het klopte venijnig bij zijn slapen. Hij had een schop tegen zijn hoofd gehad en een beste ook. Kermend kwam hij overeind. Als hij door de duinen ging sneed hij een stuk af. Bij het huis stond het paard. De kar was hij onderweg verloren. Het tuig was gebroken en hing half op de grond. Het dier stond rustig te grazen en hinnikte toen hij zijn baas in het vizier kreeg. ‘Braaf jongen. Braaf.' Hij klopte het dier op de flanken en haalde het kapotte tuig van hem af. Toen leidde hij hem naar de stal, gaf het dier wat hooi en ging het huis binnen. Hij waste zijn hoofdwond en verbond het. Daarna trok hij schoon goed aan en zette een kop koffie. Aan de keukentafel gezeten pakte hij de brief en las hem nog eens door. Hij bekeek de foto van de vrouw op de boot aandachtig en nieuwsgierig. Daarna stond hij resoluut op en liep naar de satelliettelefoon. Het was zijn enige verbinding met het vaste land, bedoeld voor calamiteiten. Nog maar twee keer had hij hem gebruikt. De keer dat er een lijk was aangespoeld en toen het paard zo ziek was dat hij dacht dat het dood ging. Op het moment dat hij contact kreeg met de wal, voelde hij een soort lichtheid die hem overspoelde.  ‘Het is met Sieger hier. Ze moeten me komen halen. Er moet een dokter naar me kijken.'  ‘Is het ernstig?' klonk het ongerust aan de andere kant van de lijn.  ‘Weet ik niet. Maar luister, je moet nog iets voor me doen.' ‘Zeg het maar Sieger.' ‘Ik geef je een telefoonnummer. Dat moet je bellen.' Hij noemde het nummer dat in de brief stond en de naam van de vrouw.  ‘Zeg haar dat ik haar wil zien als ik aan wal ben.' ‘Ik wist niet dat je nog iemand kende aan wal.'  ‘Nee. Zeg dat ze opschieten. De pijn in m'n kop is amper te harden.'  ‘Als jij het zegt zal het zo zijn. Ik maak er werk van.' Hij verbrak de verbinding en liep terug naar de keuken. Daar las hij de laatste zinnen van de brief nog een keer voor hij hem in zijn zak stopte: "Ik weet vrijwel zeker dat ik je dochter ben. We kunnen het uit laten zoeken, dat kan tegenwoordig. Ik weet dat je er al die jaren mee hebt kunnen leven. Maar wat als je op je sterfbed ligt, zou je het dan niet zeker willen weten?" Hij trok zijn wollen jopper aan, sloot de deur achter zich en liep naar de kleine aanlegsteiger. Daar ging hij zitten wachten op de helikopter. Nu kon hij niet meer terug.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

13 feb 2015 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket