Eus, een schelmenroman, Özcan Akyol, 2012
Het verhaalIn deze roman is de hoofdpersoon Eus aan het woord. Hij vertelt achteraf over zijn kindertijd, zijn jeugd en jong-volwassenheid, allemaal in de “Koekstad” waarin ik gemakkelijk het Nederlandse Deventer herken, ongeveer tussen 1985 en 2010. In het verhaal maakt Eus, een Turkse Nederlander of Nederlandse Turk, een zekere ontwikkeling door: van kleine jongen die mede door het gedrag van zijn vader nergens bij hoort en die zichzelf te slim voor de anderen vindt, wordt hij een puber en adolescent die zich verliest in drankgebruik en zucht naar seks, totdat hij als jongvolwassene tenslotte geheel en al op het verkeerde pad is. Al tamelijk vroeg in de roman eindigt de ontwikkeling van het personage, vanaf diens puberjaren is het verhaal een opvolging van drank-, seks- en roofscènes, waarin Eus zich om het eenvoudig te zeggen onverantwoordelijk gedraagt. De ondertitel is dan ook een schelmenroman, maar toch: van de vrolijke stemming die dit woord bij mij oproept, merkte ik tijdens het lezen weinig. Het crimineel gedrag leidt tenslotte tot Eus’ arrestatie. In de slotscène suggereert de gevangenbewaarder hem ‘alles’ op te schrijven. Na het voorafgaande verhaal is het onverwacht dat de verteller in deze slotscène niet expliciteert wat de lezer ervan moet denken. Tot dan toe koos hij voor nadrukkelijkheid, nu mag de lezer zelf op de weliswaar voor de hand liggende gedachte komen: dat hij nu gelezen heeft wat het ik-personage dankzij de hint van de gevangenbewaarder heeft opgeschreven.
Het perspectiefDe roman begint zò:
“Kut.
Ik kon zijn vuistslagen niet meer ontwijken.
‘Niet doen,‘ schreeuwde Meltem, ‘laat hem met rust.’
Maar hij was niet voor rede vatbaar.”
Deze scène waarin het ik-personage belaagd wordt door een liefdesrivaal, is als eerste geplaatst, maar zal pas plaatsvinden als Eus ergens rond 20 jaar oud is. Na deze flash-back die als proloog is opgenomen, volgt in min of meer chronologische vorm het verhaal vanaf de kindertijd. Dit begint in hoofdstuk 1 zò:
“Het arbeidersvolk in de Bergpoortstraat lag al te slapen en het schorriemorrie van seksclub Isabelle voerde geheime gesprekken op straat, toen mijn oudste broer, ruim na bedtijd, de longen uit zijn lijf holde, op zoek naar onze vader.
In het vierde café trof hij hem aan…”
Eus’ oudste broer rent zo hard omdat hij zijn vader op de hoogte gaat brengen van de geboorte van de nieuwe zoon: Eus. Het citaat illustreert onmiddellijk de vreemde positie van de verteller: het is Eus zelf die achteraf over de aankondiging van zijn eigen geboorte vertelt en die er alles van blijkt te weten. Hoe hard zijn broer rende, dat de bezoekers van de seksclub op straat stonden te praten, dat de jongen de vader pas in het vierde café vond, hij weet alles en we hebben hier dan ook eigenlijk een vermomde alwetende verteller. Dat hoeft helemaal niet erg te zijn, door de vermomming als ik-verteller creëert de schrijver voor zichzelf de mogelijkheid in passages dicht naar de beleving van het ik-personage te gaan, een echte ik-verteller te worden.
Heel even, op pagina 9, lijkt het erop dat de schrijver deze mogelijkheid gaat benutten. Daar staat:
“Zij noemden ons batsen. Dat zit zo: de meeste Turken hebben platte achterhoofden. Een bats is een schop. Een schop is plat. Krijg je een knal met het blad van een bats op je kop, dan heb je een plat achterhoofd.
Mijn achterhoofd is niet plat.”
Hé, ineens een zin in de tegenwoordige tijd, ineens een directe vaststelling vanuit een actieve ik. Maar het blijkt een onbedoelde schijnbeweging, de dubbele schaar van de beginnende voetballer die de bal laat liggen. De volgende zin luidt: “De enige slaapkamer in huis deelde ik met Mahir en Kosta.” Daarmee zijn we terug bij de achteraf-, in de onvoltooid verleden tijd vertellende alweter.
De schrijver laat de kansen die de ik-vermomming van zijn alweter biedt, onbenut. Op pagina 75, Eus is een jaar of zestien, zal Eus voor het eerst uitgaan. De verteller begint zo: “De Luxor was een populaire discotheek op het grote plein. Veel andere uitgaansopties telde de Koekstad niet…” Hoe spannend kan het zijn te lezen over een eerste uitgaansavond in het leven van een hoofdpersoon, maar dit klinkt als de beschrijving in een Toeristenbrochure, en dan nog eens in de verleden tijd gesteld. Het ik-personage vertelt niet vanuit eigen beleving, en als lezer blijf ik daardoor op afstand van de beleving van het hoofdpersonage, ook al is het een ik-verhaal.
De wijze van vertellenDe verteller houdt van duidelijkheid:
“Omdat mijn vader een pesthekel had aan alle Turken in de buurt, zonder aanwijsbare reden, had-ie besloten…”
“Ik troostte me met het voornemen dat ik ooit wraak zou nemen op die boerenkaffer.”
De citaten maken duidelijk dat de verteller weinig aan de lezer overlaat, maar ervoor kiest gevoelens en karaktertrekken van personages expliciet te benoemen. Hij schrijft aan de lezer voor wat deze van de personages en de gebeurtenissen moet denken.
De verteller zoekt niettemin naar verlevendiging van de vertelling. Dat doet hij door dialoog in te zetten en daarbinnen te zoeken naar een spreektaal die past bij zijn personages. Dat levert zinnen op als de volgende:
“Kom, kom, laat ons nu niet in de steek, matennaaier! We hebben een gast.”
“Maf, je gaat toch geen pauperdrank nemen?”
In passages met dergelijke dialoog slaat ook de verteller een losse toon aan:
“Een blonde stoot kwam Kosta begroeten met drie zoenen. Die gek had het prima voor elkaar.”
Mij overtuigt deze poging tot levendigheid niet. De toon blijft nadrukkelijk (matennaaier, pauperdrank enz.) en doet daardoor gemaakt populair aan. De woorden tonen mij geen personages of gebeurtenissen, maar maken mij glashelder wat de schrijver van mij verwacht: ik word geacht hier asociale types te zien. Nou, die zie ik, maar mensen worden zij niet.
KortomEen expliciete vertelling die weinig tot niets aan mij als lezer overlaat en die door het gekozen perspectief en het achteraf vertellen op afstand blijft van de beleving van de personages. Personages die niet voor mij gaan leven.
Dit is een autobiografische roman die mij teleurstelt, ook al omdat elke lichtvoetigheid ontbreekt. Dat is toch anders dan ik bij de aankondiging ‘schelmenroman’ verwacht. Bij mijn zwartgallig oordeel teken ik aan dat Eus bij jongens van een jaar of vijftien, zestien in mijn omgeving een goede ontvangst krijgt. De nadrukkelijkheid, het voorkauwen door de verteller, dat mij tegenstaat, verdragen zij beter; de inhoud van het verhaal, de belevenissen van het ik-personage, vinden zij interessant.
Alleen met de goden, Alex Boogers, 2015 Het verhaal
Aaron Bachman groeit op. Van negenjarig jochie, aan het begin van de roman – nog vol vertrouwen in zijn Papa Leeuw en wat minder in zijn moeder - , opgroeiend in een tamelijk asociaal milieu waarin roken en drinken belangrijke zaken zijn en school gewantrouwd wordt, ontwikkelt hij zich tot, aan het einde van de roman, een ex-wereldkampioen kickboksen die een liefdesrelatie heeft met een hoogopgeleide jonge vrouw uit een ontwikkeld milieu, maar vooral tot schrijver in spe. In een milieu van verliezers kiest hij zijn eigen route, hij sluit vriendschap met een pitbull, hij gaat naar de Mavo, hij gaat trainen als kickbokser, en onderweg ontmoet hij mannen die hem gidsen: een leraar op school, de kickbokstrainer. Van meet af aan heeft hij een tamelijk autonome opstelling: hij gaat gewoon om met zijn iets oudere, duidelijk homoseksuele buurjongen die in hun omgeving met argusogen wordt bekeken, hij neemt stilaan afstand van Papa Leeuw als deze in de gevangenis belandt en zich daar tijdens bezoekuren als zielig slachtoffer gedraagt, hij gaat om met witte -, zwarte – en bruine mensen, hij is kickbokser, maar ook lezer en schrijft voor zichzelf. Aan het slot is hij na een motorongeluk een ex-kickbokser, en een beginnend schrijver.
Het verhaal is een tekening van het milieu, van jongensvriendschappen, van het verlangen naar een vader, en vooral van de ontdekking van eigen identiteit en kracht, of die nu – om de opa van Aaron te citeren - ligt in het zwaard of de pen, ofwel de vuist van de kickbokser of de pen van de schrijver).
Het perspectief, de verteller“De eerste keer dat mijn moeder merkte dat ik ’s nachts niet kon slapen zei ze: ‘Je ligt toch niet met je piemel te spelen, hè?’ Ze had het licht onder de kier van de deur gezien en zwaaide hem open. ‘Ga je nu verdomme slapen?’ Ik was negen jaar, knipte het licht van de bureaulamp uit en zag de gloeiende kegel van haar shaggie oplichten.’
De eerste zin laat zien wat voor verteller de lezer in deze roman vindt: een ik-verteller die terugblikt, maar die dit precies en met oog voor detail doet, waardoor de lezer de scène en de moeder voor zich ziet. Ik zie een wat te dikke, naar rook stinkende vrouw, ze draagt een slappe trainingsbroek, ik hoor een hese stem, ik voel voortdurende boosheid.
Ook al blikt de ik-verteller terug, hij is voortdurend dicht bij zijn hoofdpersonage, zijn vroegere ik, in welke episode ook. Bijvoorbeeld als hij nog een kleine jongen is: “De Turkse buren riepen elke dag om een man die Allard heette” staat er en door deze naam te gebruiken, in plaats van Allah, toont de schrijver mij dat ik een echt kleine jongen voor me heb.
Als het hoofdpersonage ouder wordt en aan kickboksen doet, mixt de verteller in de beschrijving van de kampioensgevechten die Aaron levert, Aarons gedachten over het gevecht met die over zichzelf, zijn leven, anderen. Tijdens zijn eerste grote internationale gevecht in Parijs tegen ‘de Haakneus’, bijvoorbeeld, denkt hij over zijn jeugd en over zijn moeder die als tienermeisje ongewenst zwanger was geworden, het kind wilde verliezen: “Mijn moeder verweet mij haar moeilijke bestaan……Waarom had het kind gewoon niet opgegeven toen ze zich van haar brommer liet vallen? En ik kon toen nog niet tegen haar zeggen dat ik het gewoon niet kon. Ik kan niet opgeven. De Haakneus zag het ook.”
De citaten illustreren enigszins dat de schrijver in de roman weliswaar het perspectief van de achteraf vertellende ik kiest, en dat hij toch dicht bij de actuele beleving van het hoofdpersonage komt. Daarnaast lukt het hem dankzij zijn keuze voor een empathische ik-verteller ook de beleving van andere personages te tonen.
Tijd en chronologieAan het begin van de roman is Aaron een jaar of negen, aan het slot is hij 23 jaar. Het verhaal speelt in de tijd dat in Nederland de Mavo een vorm van voortgezet onderwijs was, dat de Rolling Stones op de radio te horen waren, dat armere blanke – en allochtone gezinnen bij elkaar in de wijk wonen, kortom in de jaren ergens tussen 1970 en 2000. Het verhaal wordt chronologisch verteld, wel keert het hoofdpersonage in gedachten soms terug naar eerdere episoden.
Dialogen en vitale scènesIn de talrijke dialogen zet de verteller de personages geloofwaardig neer: “Te veel buitenlanders,” zei mijn vader op een avond aan tafel. “Hij heeft niet één normaal vriendje. We donderen op hier.” Overtuigend is hier de vanzelfsprekendheid waarmee de vader de jongen negeert, terwijl hij toch over hem praat. Overtuigend is ook het woordgebruik: doordat de vader “niet één normaal vriendje” zegt, hoeft de verteller geen woorden te wijden aan de houding van de vader tegenover allochtonen.
“’Trek je al?’ vroeg een oom, en daarop begon iedereen te lachen.
‘Je weet wel, een ouderwets potje handkarren!’ zei een andere oom. ‘Hahaha! Kijk z’n kop!’” Een scène in het begin van het verhaal die laat zien hoe het er in de familie aan toegaat en hoe Aaron zich daarbij voelt.
Fijn in deze roman is de vitaliteit van de vertelling, ik kom als lezer heel veel over de gedachtewereld van Aaron te weten, maar steeds verbindt de schrijver gedachten aan actie: Aarons werk in het asiel, Aarons trainingen en gevechten. Doordat er zoveel handeling is, bovendien in een spannende omgeving (omgaan met een pitbull, kickboksgevechten enz.), neergezet in tamelijk korte hoofdstukken, houdt het verhaal mij als lezer vast.
Het hoofdpersonageHet hoofdpersonage is autonoom ten opzichte van zijn milieu dat hij als ik-verteller niettemin vol empathie schetst, hij is zoekend (zijn opa stuurt hem vanuit Japan brieven over de kracht van het zwaard en die van de pen, welke route moet hij nu volgen?), hij is gevoelig, hij is gedreven (ook al kwam hij als ongewenst kind ter wereld in een losers-milieu, hij zal laten zien dat hij er mag zijn, als hondenverzorger, als kickbokser, als geliefde). Het hoofdpersonage heeft, kortom, een sterke drive èn is fijngevoelig. Dat toont de schrijver keer op keer, en neemt mij als lezer voor zijn hoofdpersonage in. De drive van het hoofdpersonage, zo levendig getoond, maakt deze roman tot een heel boeiende.
Tot slot, Alleen met de godenAarons leraar Broere, halverwege de roman als Aaron nog op de Mavo zit, over kunstenaars: “Ze leggen hun ziel en zaligheid op het hakblok….Het maakt niet uit waar ze belanden, wie ze onderweg verliezen en hoe verlaten en onbegaanbaar die weg is. Ze voelen zich nooit eenzaam, want ze zijn alleen met de goeden, door wie ze hun hele leven werden geplaagd en getreiterd met al die schimmen, beelden, woorden en ideeën, maar nu durven ze zich er eindelijk aan over te geven, en ze doen het, zonder spijt of angst.”
Tegen het einde van de roman krijgt Aaron, meerijdend achterop de motor van een vriend, een ongeluk. Hij zal als kickbokser nooit meer in de ring staan. Na een lang verblijf in het ziekenhuis komt hij thuis, er komt een pakket uit Japan, gestuurd door zijn opa. Er zit een typemachine in, een oude, “niet kapot te krijgen.” Zijn vriendin Nadine komt op bezoek. “‘Wat een mooi ding,’ zei ze. ‘Schrijf ‘ns wat.’ Dit was mijn wapen en het werd tijd dat ik het ging gebruiken.”
Een open einde? Dat Aaron als schrijver zal slagen, denk ik als lezer zeker te weten, vanwege de vechtlust en veerkracht die Aaron gedurende het hele verhaal heeft getoond. Ik weet het bovendien echt zeker, want Aaron Bachman is overduidelijk het alter ego van de schrijver van dit krachtige boek.
Zondagsgeld, Philip Snijder
Zondagsgeld is minder een roman dan een verzameling van acht verhalen. Ze spelen op het Bickerseiland, een buurt in Amsterdam-Cenytrum, die door water en spoorlijnen van de omliggende wijken is afgeschermd. De schrijver is er zelf opgegroeid, hij is geboren in 1956, de verhalen spelen rond 1968, 1969.
Er is geen doorgaande lijn in het boek, elk hoofdstuk is een verhaal met een eigen spanningslijn. Wel is telkens dezelfde verteller, zijn er dezelfde personages.
De spanning loopt in de verschillende verhalen niet hoog op, in elk verhaal staat éen gebeurtenis centraal, maar het zijn soms maar alledaagse voorvallen. Toch zijn ze voor mij als lezer bijzonder omdat het er in het geschetste volkse milieu van de jaren zestig van de vorige eeuw zo typisch toegaat. Dat ik ze bijzonder vind, komt ook doordat de ik-verteller zichzelf als elf-twaalfjarige - in het voetspoor van zijn vader - ziet als buitenstaander in het milieu, hij zelf vindt het opmerkelijk hoe het daar toegaat. Dat brengt hij op mij als lezer over door zijn precisie in beschrijvingen en door taalgebruik in dialogen.
Op het Bickerseiland heerst een sterke familieband, er is weinig privacy, iedereen loopt bij elkaar binnen en hangt uit het raam om getuige te zijn van ruzies of optochten.
Hoofdpersoon is de ik-verteller die in de onvoltooid verleden tijd over zichzelf als elf-twaalfjarige schrijft, hij neemt scherp waar hoe het er op het eiland en in zijn grote familie toegaat, en hoe zijn vader daar een buitenstaander is. De vader komt niet van het eiland en zelfs niet uit Amsterdam, hij wordt door de familie als een intellectueel gezien omdat hij de lagere school heeft afgemaakt, het Nieuws van de Dag leest en formulieren kan invullen, hij onderscheidt zich door een pinkelhoutje te dragen. De jongen zelf geniet van de dingen die het Bickerseiland een jongen te bieden heeft (een “dempie”, eilandje in het water; de Leesportefeuille met De Lach erin bij oom en tante), maar hij merkt dat hij zelf ook een buitenstaander is, hij kan goed leren, hij is de beste op school, er wordt zelfs gezegd dat hij naar het vervolgonderwijs zal gaan. Vooral in zijn verbondenheid met zijn vader voelt hij zich buiten de familie staan.
Elk verhaal draait rond één gebeurtenis (in “Het dempie”gaat het erom of de jongen zich als eerste op een nieuw graseilandje in het water zal durven wagen; in “De twist” is er een familiefeest waar de jongen zich tenslotte op de dansvloer waagt enzovoorts), maar er is geen echte afwikkeling, er is telkens een open einde. Zelfs het schrijnende “De kano” waarin de vader aan de jongen vertelt dat hij en de moeder uit elkaar zullen gaan, heeft zo’n einde.
Alle verhalen spelen in dezelfde tijd, maar of de verhalen/hoofdstukken in chronologische volgorde staan, is niet duidelijk.
Alles bij elkaar is “Zondagsgeld” geen roman maar een achttal schetsen van het opgroeien van een slimme jongen in een volks milieu. In de verschillende verhalen laat de verteller soms een gat in de tijd vallen: bijvoorbeeld in “De kano” wordt uitgebreid beschreven hoe de vader op een dag verrassend meegaat in de kano van de jongen en hoe zij van wal steken; vervolgens gaat het verhaal verder terwijl vader en zoon op afstand van elkaar zitten te vissen, en de suggestie is dat vader de echtscheiding heeft aangekondigd. Wat hij hierover precies heeft gezegd, wordt niet verteld.
Terug naar de reden waarom ik Zondagsgeld sterk vind: door de beleving van de jongen voorop te stellen en deze jongen zich sterk verbonden te laten voelen met de vader die er in de familie en op het eiland helemaal niet bijhoort, wringt er steeds iets in de verhalen. De jongen is echt een elf-twaalfjarige die geniet van "Het Dempie", die de platte lol van ooms en tantes opmerkt, en hij kan deze goed weergeven, maar hij blijft er toch op afstand van, hij realiseert zich zelf ook een buitenstaander te (willen) zijn.
Voorbeelden van taal in dialogen:
“Hé hier komme, wou jij je goeie goed verruweneere?”, als een moeder haar kind op straat terugroept;
“Schei nou uit met hem. Echt je ome weer, hè jonge?”, zegt een tante als een oom de jongen plaagt;
“Ik pak ù wel, tante Neel, heb ik lekker houvast,” als de polonaise op het familiefeestje wordt ingezet.
Voorbeelden van precieze beschrijving: de wc en het overig interieur bij oom en tante in Zondagsgeld; de stoet familie op weg naar het familiefeest in De twist.