voorbeeldtekst: Philip Snijder, Zondagsgeld, pp. 86 - 99
Hard en scherp prikt het helmgras in zijn kuiten. Het zand kleeft aan zijn armen. Ze zouden beter kunnen opstaan en doorfietsen, maar hoe kan hij Jacques onderbreken, die naast hem zit en aan één stuk door praat? Dat ze straks bij zijn oom en tante zullen aankomen en dat hij de nichtjes zal ontmoeten. Leuke meisjes die bovendien bijna van hun eigen leeftijd zijn. Kon hij zijn oren maar sluiten voor die stem. Ook Jacques heeft nog steeds niet de baard in zijn keel. Of gewoon opstaan, Jacques bleef zitten en merkte niets, terwijl hij opstond en wegfietste, terug naar huis.
Het is verdomme zomervakantie, met de school dacht hij niets te maken te hebben. Gisteren kwam mama hem roepen dat er telefoon voor hem was. “Ene Jacques van Leeuwen,” zei ze en ze gaf hem de hoorn. Hij hoorde de hoge stem aan de andere kant van de lijn en stelde zich voor hoe Jacques naar buiten keek, naar de auto’s die voorbijreden in de Vrolikstraat. Jacques had hem een tijdje geleden weer gevraagd wat voor werk zijn vader deed. Na zijn antwoord (“veeboer’) had hij langs zijn lange, rechte neus omlaag gekeken. Had hij papa al eens met zijn stinkende wagen vol etensresten en schillen door de Vrolikstraat zien rijden? Dacht hij daarom dat hij hem thuis kon opbellen en voorstellen samen op fietsvakantie te gaan? Het woord stoorde hem. Tot drie keer toe moest hij Jacques vragen wat hij zei. Fietsvakantie. “Ik kom vanmiddag naar je toe, “ hoorde hij Jacques zeggen, “dan maken we een plan en kunnen we morgen vertrekken.” Hij had de hoorn op de haak willen gooien, de verbinding verbreken. Het was niet mogelijk dat Jacques bij hen thuis zou komen, natuurlijk zouden ze in de huiskamer gaan zitten, een atlas op tafel om de route te bekijken, en dan zou papa thuis komen, stinkend naar zweet – hij herinnerde zich hoe hij als kleine jongen bij zijn vader op schoot was gesprongen, zijn vader liet hem paardje rijden en hij rook de geur die vanuit zijn oksels opsteeg, een dierlijke geur. Toen zat hij nog niet op het lyceum in de stad, alles was in orde geweest, niemand vroeg naar het beroep van zijn vader, iedereen kende hun gezin. Dat was meer dan drie jaar geleden. Stel je voor dat papa in zijn schillenpak, vette vlekken op de mouwen en de broek, op Jacques zou afstappen en hem de hand zou schudden, luid sprekend, en Jacques zou zijn lange, rechte neus in een kronkel laten schieten, om zijn weerzin te laten merken.
Waarom zei hij niet dat hij helemaal geen tijd had, dat hij uit logeren ging of dat hij moest werken? Het enige wat hij heeft weten te zeggen was dat hij vandaag geen tijd had, maar wat een leuk idee, een fietsvakantie, had hij gezegd. Stippel jij de route maar uit, we treffen elkaar morgen wel, op de Spaarndammerdijk.
Vanochtend stond Jacques daar al te wachten. Ze zijn in één keer naar de duinen gereden, steil omhoog bij Kraantje Lek en na de afdaling het helmgras in. “Tijd voor een eerste pauze,” heeft Jacques geroepen. Nu praat hij, hij legt de route uit, vertelt over zijn familie waar ze zullen logeren. Zijn wangen worden rood van opwinding.
De duinen kent hij. Hij kwam er als kleine jongen al. Papa reed op zondag de vrachtwagen voor, resten van vuil en vet nog in de laadbak. Zijn zussen kwamen met sop en borstels naar buiten en begonnen te boenen. Binnen smeerde mama de boterhammen die ze in de grote trommels opstapelde. Hij en zijn broers zochten in de kelder tussen de wasteil en het afvoerputje naar de bal. Als iedereen klaar was, kwam tante Cor. Ze droeg een hoed, “vorig jaar gekocht aan de Rivièra “, een zonnebril, een strak truitje met een vest eroverheen en een ruim vallende rok. Terwijl papa en mama in de cabine stapten en de reiswieg met de baby tussen zich in plaatsen, dirigeerde Tante Cor hem en zijn broers en zussen de laadbak op, waar ze gingen zitten, hun rug tegen de cabine, stijf op elkaar. Zijn oudste zus moest aan de ene buitenkant van de rij gaan zitten en tenslotte klom Tante Cor zelf de laadbak in en wrong zich aan de andere buitenkant tussen de rij en de opstaande rand van de bak. Ze zaten zo dicht op elkaar dat niemand kon bewegen. “Zo zitten we safe,” zei Tante Cor, “maar denk eraan: als je politie ziet, moet je duiken.” Dan vertrokken ze, door de polder, dwars door Haarlem en bij Bloemendaal de Zeeweg op. In Zandvoort liepen ze door de duinen naar het strand. Ze bleven op het pad. Alleen als de bal weg rolde, stapte een van hen het helmgras in.
Al sinds de eerste klas van het lyceum zoekt Jacques toenadering tot hem. Hij woont in Oost, in de Vrolikstraat, zijn vader heeft er een melkzaak. De straat is vanaf zijn eigen dorp helemaal aan de andere kant van de stad en toch kent hij hem wel. Soms moet hij zijn vader helpen met schillen ophalen en op die dagen verlangt hij vanaf de eerste minuut naar het einde van de dag. Dat ze op de terugweg naar huis zijn, dat hij heeft geholpen, met de juten zak op zijn rug heeft gelopen zonder dat iemand hem heeft gezien, iemand die hem kent. In de ochtenden ligt hun wijk in het hart van de oude stad. In de Nieuwmarktbuurt en op de Zeedijk komen de eerste mensen de straat op. Ze mopperen want ze zijn Amsterdammers. De vrouwen strijken hem over zijn haar. “Wat een lekkere knul. Is die van jou, schillenboer?” roepen ze. Hij glipt weg, onder hun handen vandaan, de juten zak op zijn rug. “Links de hoek om, nummer 36, tweehoog,” roept zijn vader hem na. “Gebruik je loper.” Even later staat hij op een donkere trap. Met de loper de deur openen, dat gaat hem tegenwoordig goed af, maar waar vindt hij hier de lichtknopjes? Hij struikelt naar tweehoog en tast op het portaal in het rond. Zijn vingers grijpen in natte derrie, zijn hand schrikt terug en zoekt opnieuw het licht. Zijn wijsvinger raakt een knopje en voor zich ziet hij de bak met groentenafval, een rest gekookte spinazie ligt bovenop. Voorzichtig veegt hij zijn vuile vingers af aan de juten zak. Hij probeert zijn kleren schoon te houden. ’s Middags, in Oost, is de wijk veel overzichtelijker. Lange straten en iedereen is klant. Met de loper opent hij deur na deur en wandelt de ruime trappen op naar een-, twee- en driehoog. De bakjes staan klaar op de portalen, goed zichtbaar in het licht dat door de trapvensters valt. Het laatste deel van de Vrolikstraat hoort niet bij de wijk. Daar komt een andere schillenboer. In dat deel woont Jacques. Als zij met de wagen de straat uitrijden, zijn vader en hij naast elkaar in de cabine, passeren ze de melkzaak. Misschien staat Jacques in de winkel. “Wat doet jouw vader?” heeft Jacques hem herhaaldelijk gevraagd. Eerst heeft hij geen antwoord gegeven. Het advies van zijn oudere zus om ‘veeboer’ te zeggen, voelde als een doorzichtige leugen. Van één koe kun je niet leven. Tenslotte is hij gezwicht voor de aanhoudende vraag.
Nu zit hij met Jacques tussen het helmgras. De hoge stem tettert in zijn oren. Gisteren rond deze tijd zat hij op zolder, het was er warm. Hij was door het nauwe raampje naar buiten geklommen, het dak op. Daar had hij gezeten, de zon scheen, er was bijna geen wind, niemand wist dat hij hier zat, niemand kon hem zien. Hij had voorover kunnen buigen, naar beneden vallen, zijn hoofd op de harde stenen van het plaatsje achter hun huis. Misschien vonden ze hem pas uren later, hij was al doodgebloed.