Herfst 1985
De indeling van het huis valt goed mee deze keer. Die ene helft van het kasteel is ruim voldoende en we horen de mensen van de andere helft bijna niet.
“Vooral de living valt echt heel goed mee, met genoeg goede zetels voor iedereen en dan die grote haard” zeg ik in de deuropening tussen de living en de ruime eetkeuken sta. Jos doet de overschot van de pistolets en koffiekoeken terug in de zak. “Ja, en hij trekt ook echt goed” bevestigd jos. Tupje is al vroeg om pistolets gegaan. Zo anders dan Paulus, die denkt daar zelfs niet aan. We hadden een fijne nacht, hoewel ik wel doodop was van de lastige week. Ik hoop maar dat de medische raad me volgt in de beslissing rond Anne. Het is een risico maar ze zullen toch hun verstand gebruiken en hun persoonlijke relatie met haar aan de kant kunnen zetten? Ik kan me niet voorstellen dat ze er anders over gaan denken.
“Piet en Anso, jullie ruimen af, en Roel en Jochen kunnen misschien deze ochtend afwassen, dan zijn jullie er al vanaf voor het weekend. En waar is de rest eigenlijk?” vraag ik terwijl ik de melk in de bijkeuken zet.
“In de living, en Bik enzo zijn al buiten” roept Anso vlak achter me
“ok, jongens, dan gaan we straks een fikse wandeling maken. Tupje, heb jij al een wandeling uitgestipeld? En waar is Paulus eigenlijk?”
“Hij zit in de living te lezen” weet Roel.
“Anso, kan je hem gaan zeggen dat we seffens gaan wandelen en dat hij zich moet beginnen aan te kleden. Zijn laarzen liggen nog in de auto. En dat hij dan ook mijn dikke jas uit de auto haalt.”
“Is iedereen klaar? Paulus, roep jij de kinderen buiten dat we gaan vertrekken? Waar heb je mijn jas gelegd?”
“Je jas ligt daar op de stoel, zoetje”
“Allez, Merci hein, Paulusje. Zo fijn dat je zo goed voor mij zorgt” zeg ik met enige ironie in mijn stem en ik geef hem een welgemikte zoen op zijn mond, waarop hij monkellacht en de deur uit gaat.
“Wacht jij nog op ons Binne? Dan gaan wij alvast door” vraag ik aan Paulus.
Heerlijk dat het weer zo goed meezit, en dat het bos vlak aan het kasteel begint, de kleuren zijn zo intens. Ik haak mijn arm in bij Jos, en aan de andere kant komt mijn oudste dochter me vervoegen. Annick loopt net achter ons met Roel en Jochen aan haar zijde. Zo heb ik het graag, mijn lang leven. Allemaal samen.
“Ik zag dat je ‘Liefde in tijden van Cholera’ meehebt, snoepje. Ben je er al in begonnen?” vraag ik over mijn schouder aan Annick.
“Neen, ik heb hem mee om er dit weekend in te starten. Ik was niet helemaal overtuigd van zijnntwee vorige, maar nu wil ik hem toch een nieuwe kans geven met die Nobelprijs.”
“Ik lees hem wel heel graag. Het is zo intens en ik denk ook wel dat er wat Zuid-Amerikaans bloed door mijn aderen stroomt ” zeg ik haar. Ik zie Tupje knikken.
“Misschien moeten we, naast die paté en kaas die we hebben voorzien voor straks, ook een omelet voor de kinderen voorzien? Wat denk je, Tupje? Zijn er genoeg eieren? mmmm, en een lekker bruin bier straks. Wie moest dat meebrengen?” ik probeer even door mijn lijstje te lopen want ik heb zelf de taakverdeling opgesteld, dus ik zou moeten weten wie het bier mee heeft gebracht. Maar ik kom er niet meteen op.
Ik zie de kleinsten boven op de berm lopen. Ze zijn zo flink altijd, maar nu worde ze moe. “Hoever is het nog, Jos? Is het nog haalbaar voor de kleinsten want we zijn al een hele tijd onderweg.” Ik vertraag het tempo en af en toe stoppen we zodat de hele groep kan aanhaken. De grote jongens lopen al voorop. Paulus is ver achter, met Bine op zijn schouders. Die zullen straks wel een dutje doen in de zetel.
Koeken troef samen met Tom. Tom is niet slecht in wiezen, maar samen met Piet te choleriek. Altijd zo’n heftigheid bij die jongens. Dan is het een zegen om door meisjes omringd te zijn. Daar is er eentje. “Kom maar lekker op mijn schootje. Ik ga met Tom acht slagen koeken troef.” Bine volgt elke slag en af en toe pikt ze een hoopje op om beter te onthouden welke kaarten er al gevallen zijn. Misschien moet ik straks met haar een rondje spelen. “Pak die kastanje maar uit het vuur, maar let op dat er geen spetters op je broekkousen komen, want dat gaat pijn doen”, waarschuw ik haar. De laatste slag is ook voor ons. We winnen met één slag over. Bine is intussen weggeglipt. Naar boven waarschijnlijk. “Doen we nog een laatste ronde? En dan misschien allemaal naar boven? Het is een lange dag geweest en morgen vieren we Bine haar verjaardag, dan moeten we fris zijn.” Snoepje en Paulus hoor ik bevestigend mompelen. Ze is begonnen in haar boek, zie ik. Mijn man leest een of ander wetenschappelijk werk. Ik versta niet hoe hij na zo’n dag nog fris genoeg kan zijn om daar iets van over te houden.
“Heb jij die taart nu besteld vanochtend in de bakker, Tupje?” pols ik nog even.
“Ja hoor, met aardbeien en slagroom. Ik mag hem morgen tegelijk met de pistolets oppikken. 60 pistolets.”
Wanneer we boven komen, heerst de avonddrukte van pyama’s en tandenpoetsen. De matras in onze kamer is weg. “Anso, ga je niet meer hier slapen?”
“Neen mama, ik heb hier nog een plek gevonden bij de rest, hier is plaats genoeg, dat is gezelliger.” Ik kus iedereen slaapwel en zet me op de rand van het bed. Ik heb nog een stukje chocolade en een vol glas rode wijn mee. Het lezen zal van korte duur zijn. Ik ben doodop.