opdracht 8 sabine steels
1980-1982
Cogli la prima mela/Angelo Branduardi - Mama draagt lange, donkerblauwe laarzen van glanzend leer, met een ritssluiting achteraan en een donkere houten hak. Een lange rok. Een grote handtas. Van Delvaux, zegt ze. Daarin steekt Saridon voor wanneer ze hoofdpijn heeft en een dikke agenda die niet meer dicht gaat van bruin slangenvel vol gekribbeld met afspraken en ideeën. Of ze draagt een lange broek en een sjaaltje om haar hoofd. Een dikke collier, ééntje van de honderden die in een dikke, onbedoelde knoop aan een haak naast haar bed hangen. En de ketting met de beweegbare, gouden vis. Zij maakt het gezellig voor wanneer mama uit haar praktijk komt. Kaarsjes aan, de tafel gedekt, de gordijnen dicht. De groene plaat van Angelo Branduardi met het ijsje erop. Ze doet kopstand in de zetel, benen tegen de muur, tot mama komt.
I won’t let you go/Agnetha Fältskog- Mama heeft een mooie auto. Klein en laag. Het is een sportauto, zegt mama. Hij is wit met een zwart dak in stof. Je kan het dak oprollen. Achteraan is niet veel plaats, maar genoeg voor haar om te liggen. Af en toe prutst ze met haar nagel op de lichtbruine, leren zetels. Ze maakt krasjes. Dan komen er kleine velletjes los. Ze is een beetje ziek en mama heeft een wollen, prikkerig deken met zwart en grijze strepen over haar gelegd. Dan vraagt mama of ze op schoot wil. Dat wil ze best. Ze neemt het dekentje mee en kruipt over de armsteun tussen de twee zetels naar mama’s schoot. Ze schakelen samen, mama’s hand ligt op haar hand. Ze rijden op een smal, zwierig weggetje. Aan weerskanten wuiven bomen boven de weg naar de lucht. Hier komt nooit iemand. De weg ligt er alleen voor hun. Mama draait het stuur van de ene naar de andere kant en ze slalommen over de weg. Daarna zet mama muziek op en draait ze aan het stuur op het ritme van de muziek. Het meisje lacht en ze blijven maar gaan.
1982-1991
With the kids in America/Kim Wilde - Ida zegt dat ze eens mee moet naar de hummeltjes. Zij vindt ‘hummeltjes’ een stom woord. Voor kleine, zoete kinderen. Mama zegt dat Ida bij de Hummeltjes werkt en dat je niet zo slim moet zijn om dag in dag uit baby poepjes te verversen. Papa was eerst met Ida, maar nu is papa met Annick en is Ida met Jos Drossin. Ze vindt het beter dat papa met Annick is dan met Ida. Ida wordt ook wel Brebis genoemd. Dat vindt ze een stomme naam. Ze begrijpt niet dat Ida die naam zelf mooi vindt.
Ze zit met haar rug naar de spiegel tussen twee lavabo’s in de badkamer van Ida en Jos Put. Ida smeert haar gezicht in met een dikke laag Nivea. Ida en Jos Put wonen in een laag huis met veel bakstenen aan de binnenkant en een witte ronde kraan met aan het uiteinde een groen ringetje. Ida gaat haar verkleden. Ze heeft drie zonen, maar eigenlijk wil ze een dochter. Ze praat tegen haar alsof ze een klein, lief, schattig hummeltje is. Straks moeten alle kinderen naar het feest van hun papa’s werk. De man van Ida en haar papa werken op dezelfde plek. De kinderen mogen verkleed naar het feest. Ida wil van haar Pierrot maken. ‘O Claire de la lune, mon ami Pierrot, prête-moi ta plume pour t’écrire un mot.’ Wit gezichtje, zwart traantje, blinkende, wit kostuumpje met zwarte knoppen en een zwarte muts. Ze wil geen Pierrot zijn, ze is geen lief, klein dochtertje dat het fijn vindt om als een pop behandeld te worden. Ze is heel boos vanbinnen. Waarom verkleedt mama haar niet? Zoals vorige keer, toen was ze Pinokkio. Nu wil ze een tijger zijn. Jos Drossin en Ida zijn er vaak niet bij wanneer ze met z’n allen weggaan. Jos Drossin heeft een soort van ziekte waardoor hij niet meer goed ziet. Mama zegt dat het komt van te veel alcohol drinken. Hij heeft een bril met gele glazen. Haar grote zus Anso noemt dat gefumeerdeglazen en dat ze met die blinkende, goudkleurige rand net van de ziekenkas zijn. Dat klinkt niet goed. Jos Drossin heeft een snor en een kromme neus, gebogen in de tegenovergestelde richting van de neus van Ciske de Rat-krijg-toch-allemaal-de-klere. Ciske heeft een mooie wipneus. Jos Drossin rookt Bastos, zoals Nieke. Ze is een beetje bang voor hem. Hij heeft altijd een kostuumbroek aan met een plooi op de voorkant. De stof blinkt. En hij draagt gladde, donkere schoenen tot aan zijn enkels met een tiretteaan de zijkant. Ida moet altijd voor Jos Drossin zorgen, zegt ze. Waarschijnlijk is hij een soort van sukkel. Anso vertelde dat ze Ida en Jos Drossin voor de open haard heeft gezien. Ida zat op een stoel met een kort, wit wollen kleedje aan, zonder kousen. Anso kon alleen haar rug zien. Jos zat op zijn knieën. Ida maakte een raar geluid.. Anso is heel goed in fantaseren en in nadoen. Dat heeft ze toen gedaan en ze zei: ‘het was walgelijk’. Daarom vindt zij het nu ook heel vies. Ze denkt dat Jos Drossin toch niet zo’n sukkel is als hij zoiets toch nog kan. Elke keer als ze Ida nu ziet, moet ze denken aan dat rare geluid dat Anso nadeed.
Signalen/Herman Van Veen- Ze staat in de beek naast het kasteel. Het water gutst bijna haar laarzen in. Ze doet voorzichtig, wandelt langzaam met een dikke steen en twee takken van de oever naar het midden. Ze bouwen een dam. Bik’s idee. Het is Ardennen-weekend. Morgen is haar verjaardag. Deze keer heeft mama een groot kasteel gehuurd, midden in een bos. Elk jaar heeft ze het heerlijke gevoel dat mama dat hele weekend speciaal voor haar organiseert. Dit jaar zijn ze zelfs met twintig! De Putten en de Valkenborghs zijn ook mee. Haar handen zijn rood en bevroren, maar dat geeft niet, want ze houdt van het geluid van het stromende water. Het voelt aan alsof ze iets groots aan het doen zijn, iets belangrijk. Ze is vastberaden zo lang te bouwen tot het perfect is. Haar grote zus Ka en Tom en Erik helpen mee. Niemand speelt baas. Bik legt wel uit hoe een dam werkt, maar dat is niet hetzelfde. Erik, dat is een baasspeler. Normaal zegt hij heel de tijd wat haar grote zus moet doen. Alsof hij de baas over haar is. Erik is een stomme, egoïstische prut-etter, net als zijn vader, Jos Put. Ze weet niet wat Ka fijn of mooi vindt aan Erik. Met zijn bleke jeans en zijn lelijke loopschoenen altijd. En hij stinkt.
De anderen druppelen het kasteel uit, met laarzen en jas aan. “Bineke.” papa roept van aan de deur, “Kom, we gaan vertrekken.” Hij wacht tot ze bij hem is. De anderen zijn groter en sneller, en zijn al met de rest mee vertrokken. Samen met papa zet ze de pas erin. Ze zoekt een stok om te schrapen. Hij moet groot genoeg zijn om op te leunen, stevig, maar niet te dik want dan krijgt ze hem nooit geschraapt. Papa geeft haar zijn zakmes. Bovenaan maakt ze een scherpe punt. Om als wandelstok te dienen én om vissen te kunnen vangen in de dam straks. Ze hebben de rest ingehaald. Ze loopt samen met de twee andere kleinsten op de hoge zijkant van de weg, in het bos, parallel met de groten. Het bos ruikt nat. Ze trapt op de bladeren. Een beetje vochtig. Ze blijven aan haar laarzen plakken. Ze mikt met haar stap op takken die onder de bladeren liggen. Ze hoopt dat ze daardoor knappen. De wandeling duurt lang. Haar benen worden moe.
“Is het nog ver? Nu hebben we toch al heel ver gestapt, papa?”
“Toch nog een eindje.”
Ze trekt een vies gezicht. “Papa, ik kan echt niet meer.”
“Allez komaan, Bine” zegt papa half lachend, half kordaat.
Ze weet wat ze nu moet doen. Ze blijft staan. Papa loopt verder. Ze zet zich op haar hurken en kijkt naar haar laarzen. Mokkend. Ze probeert zonder haar hoofd op te richten, te kijken of papa nog doorloopt of al gestopt is. Hij is gestopt en kijkt naar haar. “Kom nu, Binneke” Hij lacht, de lach van een medestander. Nu nog even volhouden. Wanneer ze er zeker van is dat hij haar op zijn schouders zal tillen, loopt ze naar hem. Nu geraakt ze thuis zonder te stappen, ze zal van schouder op schouder worden overgeheveld tot ze er zijn.
Na het avondeten wandelen ze naar het dorp. Het is al donker. Iemand maakt een wolvengeluid. Ze mag met de groten mee. Zonder volwassenen. Ze zit op de schouders van Bik en ze zingen. De natte straat helt naar beneden, de verlichting doet het asfalt oplichten. Ze hebben één zaklamp mee. Ze voelt zich groot. In de verte fluisteren de bomen.
Ze ligt moe in de zetel en staart naar het vuur. Mama, Jos Put, en twee Valkies kaarten. Ze spelen kleurenwies. Ze kruipt op mama’s schoot. Ze zegt haar wat troef is. Ze probeert te onthouden welke kaarten er in de stapeltjes van de anderen liggen. Papa en Annick lezen in de zetel. De anderen spelen boven op de overloop. Er knalt een kastanje kapot. De vuurspetters vliegen de living in, maar niemand kijkt op. Ze mag ze uit het vuur halen, heel voorzichtig. Haar gezicht wordt gloeiendheet. De geur van gepofte kastanjes is bijna zo goed als die van nat bos. Mama en Tom winnen. Mama wint altijd, ze is de slimste van iedereen. Ze loopt de gang in. Het is er koud. Haar zussen zijn boven, samen met de andere kinderen. Ze maken een kamp met de matrassen. “Ik verhuis mijn matras naar jullie” hoort ze Anso zeggen. “Ik slaap niet meer in de kamer van mama. Ze maakt de hele tijd walgelijke geluiden met Jos. Ik doe alsof ik slaap maar ik hoor het toch”. Ze begrijpt niet wat haar zus bedoelt, maar er is nog plaats op de overloop als ze straks alle matrassen een beetje opschuiven.
Ze springen op het bed van de grote mensen. Ze voelt haar haren in de lucht gaan en kriebels in haar buik. In de lucht spreidt ze haar benen en raakt haar tenen aan. Flokke Fiennoemt papa haar. Ze kan in één trek springen, op haar poep landen, terug omhoog veren en op haar knieën landen en zo altijd maar na elkaar, na elkaar, na elkaar. En dan kopke rol. Vanaf de kast achter het bed. Ze tuimelt in de lucht en landt op haar poep. En dan staat het bed opeens scheef. Net ervoor was er een doffe knal. Ze liggen met hun buik op de grond en zien dat een van de pootjes van het bed is verdwenen. Ze lopen de trap af. Beneden steekt er boven de eettafel een poot door het plafond. Er hangt wat hooi uit en op de tafel liggen stukjes witte verf. Dat is vervelend. Ze verwacht een rammeling of een straf maar er gebeurt niets. Alleen mogen ze niet meer springen.
Iedereen komt naar boven nu, om te slapen. Zelfs de volwassenen. Ze zijn lang mogen opblijven. Ze gaat naar de kamer van mama en papa voor een kus. Papa ligt al in bed. Naast hem ligt Annick. Ze haat dit. Zal ze doen alsof er niets aan de hand is, of durft ze iets te zeggen? “Waarom lig jij niet bij mama?”
“Mama ligt in de andere kamer” lacht hij.
“Heb jij zo niet koud? Waar is je pyjama?”
Papa mompelt iets. Ze gaat naar de gang en kruipt op de matras, met haar gezicht naar de muur. Het ruikt muf in het kasteel. De muur is klam en er brokkelt wit stof af. Morgen vieren ze haar verjaardag.
Wild Boys/Duran Duran- Ze liggen boven op de overloop naar tv te kijken. Piet zit in de badkamer en Tom wil er ook in. Hij bonkt op de deur: “Laat me er nu in! Godverdomme Piet! Of ik klop uw bakkes verrot”. Op de achtergrond galmt de lievelingsgroep van Piet. Hij trekt de badkamerdeur open, er komt een walm van stoom naar buiten en er staat een schim in de deuropening. Tom duwt hem opzij maar Piet laat hem niet door. De walm is weg en Piet heeft een klein handdoekje om zijn middel. Er wordt geduwd, getrokken en gestampt. Roel stormt de overloop over. Hij wil ook onder de douche. Ze vechten en roepen. Tom wint en slaat de badkamerdeur hard dicht. Ze hoort nog het beste stuk van het lied -
“Wild boys always – rakketakketaa rakketakketa - sh – i – i – i – ne”- en dan slaat Piet zijn deur met een smak dicht. Ze kijken verder naar Return to Eden. Jochen zegt dat het op Dallas trekt. Van mama mogen zij niet naar Dallas kijken. Dat is rommel. Voor dommeriken.
Crockett’s Theme/Jan Hammer- Sinterklaas heeft bij haar thuis een podium gemaakt, op één nacht tijd. Een echt groot podium met spots en trekgordijnen en zwarte piet heeft er een voetstap op achtergelaten. Het is een goede verstopplek. Ze spelen nu verstoppertje. Iedereen is er. De Putten en de Valkies. Tom moet zoeken. Ze loopt naar het podium en bukt zich snel. Het is niet makkelijk met de houten poten eronder, het zijn niet echt poten maar houten kaders en dat doet zeer aan de schenen. Erik komt er ook bij. Ze moeten zich stilhouden want er loopt iemand op het podium. Misschien is het Tom. Erik steekt een hand in haar broek. Hij draait met zijn vinger. Ze beweegt niet. Hij stopt abrupt en kruipt onder het podium vandaan. Als ze niemand meer hoort, komt ze onder het podium vandaan en gaat ze naar de grote mensen. Ze zitten beneden te kaarten.
Agadoo/Black Lace- Met z’n zessen staan ze aan de startlijn, een streep op het gras die er niet is. Het plan is om de hele lengte van de tuin te doen, en wie het eerst bij de stallen is, wint. Ze staat te huppelen, springt links, rechts, links, rechts en kijkt naar de stallen. Naast haar staat Roel de driftkikker, die altijd wil winnen, en stampt en roept wanneer hij verliest. Ze is al jaren verliefd op Roel en Roel is al jaren verliefd op haar grote zus. Papa staat aan de zijkant om het startsein te geven.
‘Drie, twee, een, START’.
Met haar dunne, gespierde benen schiet ze als een pijl uit een boog naar voren. Het is een mechaniekje dat in gang springt. Het gras flitst - woesj- onder haar voeten voorbij, haar benen zijn een molentje dat onderaan het werk doet. Almaar sneller. Ze wil winnen. Ze zal winnen. Zelfs van Roel, bij zijn thuis! Ze voelt de overwinning al in haar borstkast. Hij is ouder en toch loopt zij sneller. Maar Roel denkt er anders over. Hij kookt vanbinnen. Geen vernedering, hij zal het niet laten gebeuren. Veel heeft hij niet nodig. Een kleine tik, precies op het moment dat ze haar voet weer afzet. Ze voelt de stok in het molentje. Haar benen haperen maar haar bovenlichaam gaat nog volle vaart vooruit. Ze gooit haar armen voor zich en maakt een gigantische buiteling. Ze is een uitstekende turnster. Het doet geen pijn. Roel komt als eerst bij de stallen. Papa heeft alles gezien. Deze keer is papa echt haar papa. Hij geeft Roel ervanlangs. Dat hij niet tegen zijn verlies kan. Zo boos heeft ze Papa nog niet dikwijls gezien. Ze voelt zich trots.
Barbara Ann/The Beach Boys- Ze zitten allemaal op hun appartement. Mama en Jos Put koken. Ze hebben de hele dag op het strand gespeeld. Bik is er ook. Hij bouwde zandtunnels. Ze sprongen in de putten en kropen op hun knieën onder de tunnels. Mama maakte picknick met watermeloen. Nu spelen ze in de slaapkamer. Er zijn twee stapelbedden met tussenin een lange koord en twee kleine ronde nachttafeltjes die aan de muur zijn vast gemaakt. Je kan vanuit elk bed aan het koord trekken. Dan gaat het licht aan en uit. Elke avond is het gevecht over wie het laatst het licht mag uitdoen. Dat gaat zo maar door tot een volwassene komt zeggen dat het genoeg is. Ze slaapt liever in de bovenste bedden, en af en toe in het onderste bed aan de rechterkant. Dat heeft een klein in de muur ingebouwd nachtkastje. Om de beurten zingen ze een lied. “Ba-Ba-Ba ---- Ba-Ba-Be-rain!” Het is haar beurt en ze staat op de crèmekleurige trapladder en op het hoogtepunt van haar lied – “OOOO BABERAI-AI-AIN!” lost ze één hand, en zwiert haar hoofd erachteraan, om het lied kracht bij te zetten. Daarna turnen ze. De bovenste bedden zijn de gelijke leggers van een brug. Ze steunt met haar onderarmen op de rand van de bedden en laat haar benen gestrekt tegen elkaar naar voor en naar achteren zwieren. Wanneer ze genoeg snelheid heeft, gooit ze elk been over een rand van het bed, dan lost ze haar handen, valt naar achter en hangt ondersteboven, met enkel haar benen die zich om het bed klemmen. Ze ziet de foto’s aan de muur nu ondersteboven. Twee meisjes met lange haren in een lang paars kleedje plukken bloemen in een weide. De foto’s zijn wazig. Iemand doet de gordijnen dicht en ze spreken af om een alsof-dutje te doen. Ze ligt in het bovenste bed onder de dekens. Tom ligt naast haar. Ze voelt een hand in haar rode zwembroekje en een vinger die in haar lijf verdwijnt. Ze beweegt niet. Ze heeft het warm. De vinger beweegt. Mama roept dat ze de tafel moeten dekken. Tom trekt snel zijn hand weg en lacht sloom. Ze springt het bed uit. Wanneer de tafel is gedekt, spelen ze het spel met het balletje op het hellend vlak. Papa reikt 500 frank uit aan diegene die eerst tot bij de zestig geraakt. Ieder om beurt proberen ze. Dan komt Tom. Het lukt hem. Hij raakt tot zestig zonder te vallen. Papa zegt dat hij chirurgenhanden heeft.
Wij zijn twee vrienden/Dennie Christian- Ze zit in kousenbroek aan de bar lichtjes heen en weer te draaien. De bar is een op maat gemaakt meubel dat de benedenverdieping bij elkaar houdt. Het is wit en glad en loopt van aan de tuindeur in de kleine keuken over twee meter richting living, waar het een sierlijke bocht maakt en de muur van de living liefdevol omarmt. Recht tegenover het lange gedeelte van de bar zit een deur in datzelfde witte, strakke materiaal. Door de enorme dimensie toont die deur het belang van de ruimte erachter: de praktijk van mama.
Ze mogen altijd, bij het kleinste gemis, door die deur lopen en aan Lily zeggen dat ze mama willen zien. Dat heeft ze net gedaan. Nu zit ze aan de bar met een zwaar gevoel in haar buik. Ze wil dat het eindelijk stopt. Ze kan er niet meer tegen hoe Jos Put, wanneer ze met heel de troep bij zijn thuis zijn, speciaal voor mama liedjes opzet. Vooral dat “Ben ik te min” kan ze niet meer verdragen. Dat is een lied voor ‘socialisten’ had ze iemand horen zeggen. Nieke was ook voor de ‘socialisten’, dat weet ze van mama, van toen er ruzie was tussen mama en Nieke. Het was nooit ruzie bij haar thuis, en Nieke zorgt heel goed voor haar terwijl mama werkt. Ze zingen elke dag samen “wij zijn twee vriendjes tot de laatste snik rikketikketikketik”. Maar toen was er toch eens ruzie over dat Nieke meer geld wilde en mama vond van niet. En toen riep mama iets over socialisten. “Ben ik te min” was misschien voor socialisten, maar zeker ook voor verliefde sukkels die aandacht vragen. Jos Put heeft alleen oog voor ‘Sneeuw’, een naam die hij voor mama heeft uitgevonden en die wel mooi bij haar haar klinkt maar toch onnozel is vanwege Jos Put. Mama spreekt over hem altijd met ‘Tupje’. Dat kan ze helemaal niet uitstaan.
Haar buik voelt als een diepe, donkere kamer die haar pijnlijk naar beneden zuigt. Maar mama komt seffens en zal dan eindelijk voelen wat zij voelt. En dan zal het gedaan zijn met Jos Put. Ze zal die dobberende bubbel in de buik van haar dochter begrijpen en eindelijk inzien hoe erg ze zich vergist heeft, het onderschat heeft en ze zal spijt hebben, haar dochter in de armen sluiten, en vergiffenis vragen. Wanneer ze haar binnenste zal zien. Maar de bubbel komt niet ter sprake. Mama komt een tas koffie drinken tussen twee patiënten door. Ze komt met haar witte schort, lange laarzen, mooie pony en haar vertrouwde geur van zoete zonnebrandolie, UVA lampen en medische latexhandschoenen gewoon een kusje halen bij haar ‘konijn’. “Natuurlijk gaan we met z’n allen its leuks doen dit weekend”. En de zaak is afgedaan. Ze blijft verweesd achter. Tegelijkertijd voelt ze een verbetenheid en vechtlust om in haar kousenbroek en met al haar lenigheid het gevecht met Jos Put aan te gaan en hem in één klap uit te schakelen, naar een andere wereld te katapulteren, waar niemand nog ooit komt en zij er nooit nog last van zulle hebben. Ze draait lichtjes heen en weer op de stoel en mama is vertrokken. Door de grote deur, naar de volgende patiënt. In haar knappe witte schort.
Respectable/Mel & Kim- De Putten huren voor het eerst een appartement boven Liliane. Onmiddellijk wordt Liliane‘het lekkerste ijs’ van Knokke. Maar het lekkerste ijs van Knokke is de Post, dat weet iedereen die Knokke een beetje van binnenuit kent. De Putten zijn er voor het eerst, dus weten zij veel. Dat probeert ze Erik Put duidelijk te maken, die lelijke, betweterige, egoïstische etter. Hij staat in de donkere gang van het huurappartement en hij weet het weer beter. Over Liliane en De Post. Hij weet het altijd beter, ook bij haar zus, die hij altijd belt om te vragen wat ze aanheeft. Wat denkt hij wel? Ze wordt opeens heel boos op Erik. Ze zoekt naar woorden om deze vijf jaar oudere debiel de mond te snoeren. Maar in plaats daarvan voelt ze haar been naar achteren trekken om dan met een geweldige zwaai een stamp in zijn ballen te mikken. Ze weet dat dat echt niet mag. Het voelt week en zacht aan, dus waarschijnlijk is het precies de goede plek geweest. Erik klapt dubbel. Ze heeft hem nog nooit zo horen janken. Hij zegt niets meer en ziet rood van woede, wat geen zicht is onder dat stroblonde haar.
When the Rain begins to fall/ Pia Zadore & Jermaine Jackson- Bijna helemaal aan het einde van de dijk, waar de appartementsgebouwen abrupt stoppen en de duinen beginnen, ligt een winkel die een bijzondere aantrekkingskracht op haar uitoefent. Hij ligt op een plein vlak achter de dijk. Het plein is niet echt een plein maar een inham van een ooit majestueus hotel dat niet op de dijklijn maar er vijftien meter achter is gebouwd. Het werpt twee armen naar de zee onder de vorm van zijvleugels. In de linkerarm ligt de winkel met de fascinerende naam Wishbone. Daarin weerklinkt voor haar het zeemansbestaan. Langgerekte mijmeringen en heldhaftige dromen over het beenharde leven van een zeiler-avonturier. Ze verkopen er zeil- en surfmateriaal maar haar interesse gaat uitsluitend naar de kast waarop in rijen boven elkaar, op kleine katrollen het mooiste touw ter wereld is opgerold in kleuren waartussen ze niet kan kiezen: felblauw met kleine roze streepjes, rood met gele streepjes, zwart met fluo groen. Dunne koorden en dikke touwen, allemaal glad, nog niet aangetast door het zout van de zee, of het geschuur tegen de katrollen waarin ze gedurig heen en weer zullen worden gesleurd om over stag te gaan of te gijpen. Daar niet zo ver vandaan hangen de messen. Werkmessen voor op de boot, niet vlijmscherp maar robuuste dingen, in een fluo gekleurd synthetisch jasje. Zij wil die met het fluo groene heft. Ze staart naar het oog aan het uiteinde van het heft, want daarin hoort zo’n touwtje, om het zakmes via het touw aan haar broek of ergens aan haar zeiljas vast te maken. Zodat het mes, tijdens een levensgevaarlijk maar koelbloedig uitgevoerd manoeuver op zee, waarbij het terug in de broekzak steken de fatale seconde zou betekenen die alles om zeep zou helpen - gewoon blijft bengelen aan dat kleine, maar levensreddende touwtje; Ze zou het op het einde, wanneer de rust was weergekeerd als een trouwe compagnon in haar hand sluiten zoals een goede vriend. Zelf heeft ze één keer gezeild. Op blote knieën zat ze in een wiebelende bak op een meer, en de combinatie van het water en het korrelige polyester was pijnlijk. Ze bleef voorovergebogen zitten om haar hoofd te beschermen tegen het klapperende zeil en de stang waarop het was vastgemaakt en waar ze geen controle over kreeg. De monitor, een oudere, blonde man, riep haar vanop de kant toe en maakte daarbij grote, en steeds wildere bewegingen met de armen, maar ze verstond hem niet en dook maar net op tijd opnieuw weg voor het onvoorspelbare zeil. Ze probeerde zich de windroos die hij even tevoren op het bord had getekend te herinneren, en hoe zich dat verhield tot dit bootje en wat er nu moest gebeuren.
Maar in de Wishbone weet ze dat ze geroepen is om te zeilen, om een woeste, wilde zeilversie van Pipi Langkous en Kalle Blomkwist te worden. Ze koopt een rood touwtje met blauwe streepjes, een elleboog lang. Ze voelt er gedurig aan in haar broekzak. Ze voelt wat er nog niet hangt. Het mes, en dan een boot en dan de wilde zee.
You’re my heart, You’re my Soul/Modern Talking- Mama heeft een mooie, oude villa gehuurd in een van de kleine straatjes van het Zoute, zodat ze met z’n allen samen zitten. Niet meer tussen twee appartementen heen en weer hoeven te gaan. Het heeft een uitsprong met kleine, gele tegelraampjes waar ze met haar vriendinnetje Tina zit te kaarten. Ze spelen Vluggeren er is niemand die dit spel sneller kan spelen dan zij twee. Elke speler heeft een rij van vijf kaarten voor zich liggen, eronder ligt omgedraaid, onzichtbaar de rest. Om ter snelst moeten de kaarten op volgorde afgelegd worden, met één hand. Ze spelen een tijdje. Mama beslist dat ze met z’n allen naar de openluchtmis in het Dominicanenkerkje om de hoek gaan. Maar zij moeten niet mee. Ze mogen blijven en verder kaarten. Ze zijn elkaar in snelheid waard. Tina wint en dan zij weer. Voor ze het weten zijn de anderen terug. Mama komt als eerste binnen, gevolgd door Jos Put. Ze ziet meteen dat mama ontgoocheld is. Mama kijkt haar met een lege blik aan en laat haar schouders hangen. Ze weet niet wat ze verkeerd heeft gedaan. Dan hoort ze Jos: “Zie je wel, ze hebben helemaal niet opgeruimd.”
Mama kijkt naar de tafel en dan naar ons: “Ik had tegen Tupje gezegd dat jullie zeker de ontbijttafel zouden hebben opgeruimd. Om ons te verrassen. Maar jullie hebben niets gedaan.” Het kind voelt een bal in haar buik. Waarom heeft die onnozele Jos nu gelijk gekregen, alsof hij haar beter kent dan haar eigen mama. Ze wilt de tijd terugdraaien. Ze haat het dat ze haar mama heeft teleurgesteld ten aanzien van die onnozelaar. Ze helpen opruimen en turnen nadien in het driehoekige stuk tuin voor de villa. Handenstand en radslag.
Annabel/Hans De Booij -De kleinste Put loopt non-stop van de ene naar de andere kant door zijn huis. Op en af, op en af. Zijn armen in de lucht terwijl hij een ‘znnnznnnn’ geluid maakt. Het lijkt alsof hij naar het einde van de wereld wil vliegen. Ze hoort een jankend geluid van boven komen. Dan een brullende stem: ‘Het moet ermee gedaan zijn!’ Ze durft niet goed te gaan kijken. Het zijn maar zeven treden tot boven. De geluiden komen van aan het einde van de gang. Snel schiet ze de trap op en kijkt links de gang in. De strook haar die normaal over zijn kale hoofd heen geplakt ligt, hangt aan de zijkant te bengelen. Zijn bril staat scheef op zijn gezicht. Een wildeman. Het heeft iets onnatuurlijks. Jos Put gooit zijn zoon de lucht in alsof het een bal is. Erik schuurt af en toe tegen de witte bakstenen muur terwijl hij kermt. Jos rammelt zijn zoon af. Er is iets geknapt en nu is hij zijn kind aan het toetakelen. Ze vindt het een wonderlijke vertoning. Zoveel woede en zoveel elegantie tegelijkertijd, alsof het om een strandbal gaat. Erik tuimelt in de lucht, houdt zijn hoofd vast en roept, jankt, met overslaande stem: “nee, nee.”
That’s Amore/Dean Martin -Ze ligt aan de rechterkant van het bed, aan papa’s kant. Het buigt lekker diep door. Aan mama’s kant brandt het lampje nog. Af en toe wordt ze wakker omdat mama haar stem verheft. Mama ligt naast haar. Het is al donker buiten. Papa is weg voor zijn werk. Naar Afrika. Mama maakt ruzie met Jos Put. Soms gooit ze de hoorn neer. Dan belt hij onmiddellijk terug. Mama roept normaal nooit. Ze is met papa getrouwd omdat hij niet roept. Opa riep vroeger dikwijls en dan was mama bang. Mama houdt niet van roepen en nu doet ze het zelf. Ze roept tegen Jos Put. Ook al is het tegen Jos Put, ze vindt het niet fijn dat mama zo tekeer gaat.
Ze zitten in Kreta, een Grieks restaurant op haar straat. Ze zijn er met z’n vijven naartoe gestapt. Niet met z’n allen, z’n veertienen. Het gebeurt niet vaak dat ze alleen op restaurant gaan. Als gezin. Hier krijgen de grote mensen Ouzo na het eten. ‘Van het huis’. Dat weet ze nog. Iedereen aan tafel heeft een begrafenisgezicht. Papa heeft gezegd dat hij bij Annick wil gaan wonen. Haar zussen wenen. Zij niet. Ze voelt niets. Ze kent die man niet. Hij is er nooit. Of hij zit te werken. Hij verpest het nooit voor haar. Of toch niet actief. Maar hij is ook nooit met haar bezig. Dus of hij nu blijft of niet, ze ziet daar niet zoveel verschil in. Wanneer de Ouzo op is, beslist hij om toch bij hen te blijven. Ze weet niet of het is omdat de anderen huilden, of omdat zij niet huilde.
1992 - 1999
Gnossiennes/Erik Satie- De vogels fluiten vroeg. Ze is het niet gewoon door de natuur gewekt te worden. Voorbijrijdende auto’s, dat wel, maar die snorren mee op het ritme van haar droom. Deze vogels zijn zo invasief, prikken haar slaap kapot, dwingend. Mama heeft haar droomhuis gevonden. Eindelijk. Weg van de praktijk, zodat ze ’s avonds de deur achter zich dicht kan trekken en er een fysieke afstand is tussen haar en het werk. Misschien ook een mentale afstand. Weg van de herinneringen aan die intense geschiedenis. Open ruimte. Vrijheid. Anonimiteit. Ze is kwaad. Ze mist het prachtige rijhuis. Nu ligt ze in een spuuglelijk, vrijstaand huis met een Oostenrijks soortig dak en een afbeelding van een eend boven de voordeur. Wel met een grote tuin, maar afgelegen. Ze geraakt nergens meer. Niet op café, en niet op fuiven. Voor de school hoeft het niet meer. Ze zit op internaat sinds vorig jaar. Zelf gekozen. Om Frans te leren. En omdat ze toch altijd alleen thuis was tijdens de week. Haar zussen op kot, mama en papa tot laat aan het werk. Voor de weekends is dit huis echt niet praktisch. Op tien kilometer van alles. Nu moet ze met de bus of met Herman. Gelukkig heeft ze Herman. Mama liet haar eerste keuze voor de kamer. Ze slaapt als enige beneden. Een kamer met blauwe natuursteen. Kil, lelijk maar mét open haard. Heel het huis is lelijk. Deze keer heeft ze niet begrepen wat mama erin ziet. Het is koud en klam in haar kamer. Die is als een legoblokje op het huis geplakt – een uitstulping. Wel met terras. ‘Dat is het Oosterterras, daar staat de zon zo mooi op ’s ochtends!’
Vandaag staat haar taak Frans op het programma. Ze moeten tussen een hele reeks poëziebundels van Franse surrealisten eentje kiezen en daar iets ‘vernieuwends’ mee doen. Ze wil een dansvoorstelling maken, met de gedichten van Paul Eluard. Ze verstaat zijn teksten niet altijd. Verstaat bijna niets eigenlijk. Maar twee gedichten wel en die vindt ze top. Vandaag gaat ze door heel de bundel, om alles te ontcijferen en er de lijn die ze in haar hoofd heeft, uit te halen. Straks komt ‘Antwerpen’ op bezoek. Mama heeft Tony en Thierry genodigd. Tony kan haar helpen met het Frans, hij is tweetalig opgevoed en koketteert genoeg met zijn talenkennis. Dan kan hij iets teruggeven in ruil voor de eindeloze stroom onnozele moppen die ze moeten aanhoren. Ze wil tekst, muziek, dans en decor gebruiken. Ziet het zo voor zich. Sowieso de Gnossiennes van Satie. En dan twee dansers en drie actes: liefde, twijfel, verval. Ze is opgetogen over haar idee. En vanavond, wanneer het af is, komt haar lief.
Ze ziet Charlie de oprit opwandelen. Hij heeft zijn gitaar in de hand. Zijn stijve, lange haren in een paardenstaart, zodat zijn brede nek zichtbaar is. Dat liften van hem vindt ze geweldig cool.
Op slag verliefd was ze, toen ze hem voor het eerst zag. Een rebel, een eigenwijze superstar. Leek zich van niemand iets aan te trekken. Hij was van een andere stad, en ze wist niets over hem. Behalve dat hij er echt goed uitzag. Haar vrienden zegden dat hij een nietsnut was. School skipte. Niets voor haar dus. Ze wist het niet, had nog nooit met hem gepraat. Toch had ze hem uitgenodigd voor een fuif, via een briefje dat Herman hem had bezorgd. En hij was wonderwel gekomen. In het laat. Ze had al te veel gedronken. Zonder een woord te wisselen waren ze beginnen kussen. En kort daarop moest ze overgeven. Haar vrienden vonden het een schande. Dat ze met een vreemde kuste. En in zo’n staat. “Wat doe je nu!”,half verontwaardigd, half bezorgd. Het was wat bizar begonnen maar nu waren ze smoorverliefd. Charlie kon fantastisch zingen. Hij deed wat hij wilde, was brutaal en onbezorgd – maar voor zijn ouders een zorgenkind dat niet wilde studeren. Zij vond hem geweldig, wild, origineel. En naar haar luisterde hij wel. Zij zou hem wel op het rechte pad brengen. En daarmee het benepen en kortzichtig idee over zijn ‘andere achtergrond’ van mama en papa voor eens en altijd tenietdoen. Gelukkig waren ze van het principe van het ‘open huis’: “Laat die lieven maar binnen komen, dan weten we wie ze zijn, geen geniepig gedoe, dan is het ook des te rapper gedaan.”
Ze loopt naar buiten en ze kussen lang. Ze voelt dat hij haar een briefje in de hand stopt. Leuk. Ze geven elkaar vaak kleine briefjes of spulletjes, lieve cadeautjes.
“Ik heb iets laten zetten wat je niet leuk zal vinden.
Maar het is onomkeerbaar en ik heb er goed over nagedacht.
Het staat op mijn schouder zodat ik het niet de hele tijd hoef te zien,
wanneer ik het dan beu ben, is dat precies de goede plek.
Het is klein en met een mooie vorm.
Hopelijk ben je niet boos.
Ik hou van je
Charlie.”
Ze kijkt hem aan, vol ongeloof. “Mag ik het zien?” Hij opent zijn hemd en toont zijn schouder. Ze ziet een klein mannetje, zwart, asymmetrisch, grafisch, ze herkent het meteen. Het ventje van Einstürzende Neubauten. Ze kan er niet omheen, het is een goede keuze. Stoer én kwetsbaar. Maar ze voelt ook boosheid. Onmacht. Een tattoo gaat nooit meer weg, het is dom. Ze hoort de echo van mama en papa in zich gonzen. Ze vervloekt zichzelf.
Au suivant/Jacques Brel- Heel nauwkeurig heeft ze de meubels uitgezocht die op haar kot zullen staan, maar het is natuurlijk ook een familieproject geworden waarbij mama haar halve hebben en houden aan haar wegschenkt en haar zus wordt ingeschakeld om gordijnen op maat te stikken, mét verduisteringsstof waarvan ze hopen dat ze ook geur en geluid zullen tegenhouden. Het kot ligt net boven de ‘Touareg’, de oudste pitazaak in de stad en op tien meter van de oude markt. Ondanks het servies dat mama haar zo royaal schonk, wil ze vooral de Mexicaanse borden en tassen gebruiken die zij en Herman voor dit eerste kot hebben uitgezocht. De bank en houten eettafel zijn assorti en een relict uit haar kindertijd waarvan ze geen afscheid kan nemen. Het bureau, met lederen bekleding, plaatst ze in de slaapkamer, zodat de living gevrijwaard blijft van serieuze zaken en volledig kan ingezet worden voor vrienden en vrije tijd; Ze ziet kaas- en wijnavonden voor zich, quizmomenten, geschaterlach tussen laaghangende rookwolken. Eindelijk kan ze ongegeneerd roken, zoveel ze zelf wil.
Via con me/Paolo Conte -Ze eten stokbrook. Ze gebruikt haar eigen mes, een prachtig gevormde Gwalarn die met het klein rood-blauwe touwtje van altijd vasthangt aan haar vareuse. Eerst een stevige klot zouten boter en dan een laagje abrikozenconfituur. Er bestaat geen beter ontbijt. Het wakke brood, de frisheid van de scherpe botersmaak en het zoete, zachte van de confituur. Ze spoelt na met oploskoffie en sluit de ogen. De zon is al warm op haar hals en rechterkaak. De boten naast haar ontwaken. Ze luistert naar de stalen koorden die tegen de masten klapperen. Ze geniet nog even van haar blote benen en voeten in de zon en maakt zich dan klaar voor vertrek.
Het wordt stilaan laagtij, het water stroomt de engte uit richting zee en ze profiteren daarvan om zonder veel moeite weg te komen. De vaargeul is al redelijk ondiep, de rotsen steken hier en daar boven het water uit. Herman navigeert. Hij ziet eruit als een jonge, joodse intellectueel met bruin krullend haar en een uitgesproken grote neus. Hij heeft iets onoverwinnelijks, staat relax in het leven. Zij neemt het roer. Vooral als de zee wild is en de golven haar in een groot alfabet van v’s omtoveren, wil je dat zij aan het roer staat. Dan danst ze met de boot en geeft ze hem de ruimte die hij opeist om de golf af te glijden. Maar omgekeerd trekt ze stevig bij wanneer de voorsteven de golf inklieft en erover moet. Op het eind komen ze precies uit waar het moet. Maar nu is het rustig varen. De zee is kalm. Het water klotst tegen de boeg. Ze varen een hele dag en tegen vijf uur liggen ze voor anker ter hoogte van Ploumanac. Je kan er met deze stroming onmogelijk binnenvaren. De ketting van het anker staat strak gespannen. Het zal niet makkelijk zijn om straks foutloos te vertrekken. Ze wachten op het juiste tijdstip, wanneer laag- en hoogtij elkaar afwisselen en er minder weerstand is van het water. Anders smakken ze tegen de rotsen. Het is een riskant manoeuver. Herman neemt deze keer het roer. Lien doet de fok. Zij zal het anker lichten, zo trekken dat de boot er net boven ligt en dan, wanneer het loskomt van de bodem, brullen naar Lien dat ze de fok moet hijsen want anders zijn ze de speelbal van de stroming. De ketting is glibberig, koud en pijnlijk in haar handen. Hij schuurt en bovendien zit ze in een ongemakkelijke houding. Haar reddingsvest maakt bewegen lastig. Het anker komt los en ze brult. Lien hijst de fok en ze merkt dat ze op Liens touw staat. Het zeil flappert en snokt dan en ze tilt zich kapot aan die onhandige ijzeren reus. De adrenaline raast door haar heen. Ze sukkelt met haar laarzen, probeert grip te krijgen tegen de lage rand van de boot, zodat ze zich kan afduwen om naar achter te leunen en dat anker binnen kan trekken. Het moet vooraan in de boeg door het valluik. Ze maakt zich klein zodat de wind haar werk kan doen in die fok. Dat gaat moeilijk met die laarzen en zwemvest, maar Lien en Herman doen uitstekend werk. Het anker ligt op zijn plaats. De ketting gooit ze er achter aan, haar pink zit er even tussengedraaid en er gaat wat vel af. Pijn. Schudden met de hand. Ze doet het luik dicht en kruipt gehurkt naar achteren. Ze varen Ploumanac binnen. Ploumanac, Perros-Guirec, Trébeurden, Loquivy. De woorden smaken als stoere zeebonken in haar mond. Het is een wereld die ze vooral kent vanuit de boot, een kustlijn met merkpunten, watertorens, rotsen die in lijn moeten liggen met de kerktoren zodat ze koers kunnen houden, en ‘s avonds een haventje, het weerbericht aangeplakt aan de cabine van de havenmeester en – niet onbelangrijk - een douche. Ze monstert de omgeving. Ploumanac heeft een vuurtoren met ‘quatre éclats tous les dix secondes’. De omgeving is ruw en schraal. De elementen hebben hier een filter op de kleuren gezet, zoals fel licht alles verbleekt: het groen van het helmgras is vooral zilver, het blauw van de loopbrug is vaal en er lijkt een laagje korrelig zand over te hangen. Ze krabt in haar haar. Het plakt op haar voorhoofd door de spetters zee, de brandende zon en de resten zonnecrème. De zon heeft haar haardos uitgedroogd en ze kan het breken. Wanneer ze haar ogen groot open doet en de wenkbrauwen naar boven gooit, trekt haar hele voorhoofd. Het gloeit en allicht heeft het de kleur van een babykreeft. God weet hoe ze eruit ziet. Ze voelt dat haar haar alle kanten op staat. Door de wind en de vochtige lucht is het beginnen te kroezelen en heeft ze net een heiligenkroontje van friezelhaar. Haar hoofdhuid jeukt en ze voelt korstjes. Ze kan er niet afblijven en krabt ze van haar hoofd los. Het is zaak ze uit haar haar te trekken zonder ze te verliezen. Daarvoor moet ze het korstje heel stevig met haar nagels beethouden en het als een klein kind dat van een glijbaan roetsjt goed begeleiden tot aan een haarpunt. Het verlangen naar die douche is onhoudbaar. En nadien een broek aantrekken die nog niet vuil is, misschien de donkerblauwe met onderaan elastieken en grote zakken op de heupen. Een frisse T-shirt en daarover haar dierbare Glazik, rozig en afgekleurd door de zon. Herman komt naar boven met drie frisse pinten. Lien volgt met nootjes en verse worst.
Space Lord/ Monster Magnet- “Piet?” roept ze uit, verraste ongeloof in haar stem. Zij heeft hen al van ver in de gaten. Eerst het meisje, halflang asblond haar, een bruin, ontspannen gezicht, zelfverzekerde blik, en een donkerblauw kleedje, duur in al zijn eenvoud. Dan pas hem, in een witte T-shirt, jeans en dikke, bruine mefisto’s - veel te warm voor de tijd van het jaar - die hem ondanks hun plompheid toch allure geven. Zij zijn druk pratend vanuit Pieter De Somerhet binnenplein van het Pausover gewandeld. Pausis zijn plek geweest, vijf jaar lang. TEW. Niet zo’n moeilijke studie. Een verlengde van de middelbare school volgens papa. Zijn thesis had hij over de kunstsector geschreven - schilderijen - op aangeven van zijn moeder Annick want zijn hart lag bij auto’s en voetbal.
Ze stond met Lien aan de overzijde, op de drempel van het Hogeschoolplein met het Pauscollege. Het binnenplein lag er verlaten bij. De dag was nog jong en ondanks het seizoen – het was begin juli - hing er een aangename koelte in de lucht. De meeste studenten hadden Leuven al verlaten. Zij niet. Ze lummelden wat aan in de gelukzalige tussentijd die enkel het studentenleven kenmerkt. Het vacuüm van enkele dagen waarin de tijd geen tijd is en er, na de heroïsche examenprestatie, een gevoel van volledig zorgenloosheid hangt. Het plezierige niemandsland waarin alles kan en alles mag omdat het verdict nog niet is gevallen en er bij gebrek aan vonnis, niemand al voorwaarden kan opleggen. Nu was dat laatste voor hen een mindere zorg: ze haalden zonder al te grote inspanning jaar in jaar uit eerste zit en naarmate de jaren vorderden voegden zij daar telkens nog een graad aan toe. Het enige waar zij op dit moment mee bezig waren, was het zich overgeven aan de totale ontspanning, op een plek waar ze graag rondhingen. Het Paus was weliswaar mannelijk terrein, maar er hing ook een zware nostalgie in de lucht die een merkwaardige aantrekkingskracht op hen beide uitoefende, alsof het de geschiedenis zelf was die hen uitnodigde in haar vertrekken te vertoeven. Het Pausals de statige verpersoonlijking van waar de respectabele universiteitsinstelling al jarenlang voor stond: grandeur, eruditie, betrouwbaarheid, degelijkheid. Het college was al generaties lang ingenomen door veelbelovende zonen van de hogere sociale klasse en de vrije beroepers die goed verdienen en waar het metier van vader op zoon werd doorgegeven. Speelvogels die hun studies met schijnbaar gemak door walsten in het onwankelbaar geloof dat het succes van hun ouders mutatis mutandis op hen zou overvloeien. Piet bleef staan, keek op, en onderzocht haar gezicht. Het duurde lang vooraleer hij aarzelend ‘Bine?’ wist uit te brengen. Die naam had ze – behalve bij haar thuis – al in geen jaren meer door iemand horen uitspreken. Ze droeg sinds haar studententijd een geheel nieuwe bijnaam waarvan zij vond dat die robuuster was en daarom beter bij haar paste. Ze lachte. Hij ook, eerst een grote, enthousiaste lach en glinsters in de ogen, daarna dat stel ruwe handen voor zijn verbaasde mond: “Ik zou je nooit herkend hebben!”Bijna tien jaar was het geleden dat zij elkaar niet meer hadden gezien. Piet was veruit de sympathiekste geweest. Haar herinnering aan hem was zuiver – ongetroubleerd.
2015 – 2018
Old Pine/Ben Howard- Ze staan voor het appartement, klaar om naar het strand te vertrekken. Ze zoekt haar zonnebril, tast in haar buikzakje, zoekt dan in de rieten mand.
‘Mama, mijn soldaantje is uit’.
‘Wacht even, lieveling, mama is even bezig’.
Hij staat op haar hoofd. Ze heeft de plooibare kar zo geladen dat ze Kappi er bovenop kan zetten. Limme moet zelf stappen en de schoppen dragen. Ze gaat terug naar binnen om het tentzeil te halen. Het is een estafette: lift open, kinderen eruit, tussen de liftdeur staan om spullen eruit te halen, af en toe op de ‘blijf open’ knop duwen, de kinderen zeggen dat ze in de gang moeten blijven, de voordeur van de trappenhal opendoen en er iets tegen zetten, de kar naar buiten rijden en de rest van de spullen er beter in zetten, de kinderen roepen dat ze mogen komen, de ene een schop geven en de andere op de plooikar zetten, het tentzeil gaan halen. Ze opent de voorste gesp van het sandaaltje en steekt zijn voetje er terug goed in. Dan vertrekken ze. De kar afgeladen vol. Een rieten zak met zwemgerief en in die zak een zak apart met ‘belangrijke spullen’, sleutels, gsm, bril, portefeuille, tutjes, dingen die ‘zandloos’ moeten blijven. Een lege plastic zak voor het afval dat nog komt. Een zak met lectuur, een zak met reservekledij en kaka-doekjes, emmers en soldaatjes, de houten hamer voor het tentzeil, twee plooistoeltjes, en dan nog een grote mand op wielen met het zeil, de parasol, en een winddraaiding zodat de kinderen de plek op het strand van ver herkennen. Als ze echt in vorm is neemt ze de boot ook mee. Maar vandaag is er te veel wind. Misschien komt Patrick vandaag. Hij was nog niet zeker. Hij vindt deze volksverhuis totaal belachelijk en zou nu al vies gezind zijn. Hij heeft het razend druk met transfers. Ze onderhandelen over een Turk, en een Griek, en een club uit Firenze wil hun Serviër – of ging dat over Milencovic (heet hij zo?) – of was dat die Serviër? Ze weet het niet meer precies. Nochtans boeit het haar wel wanneer hij erover vertelt. Maar ze kan op die jongens geen gezicht plakken en dan haspelt ze alle verhalen door elkaar, alsof het haar maar matig interesseert. Ze vindt het beter dat hij niet komt als hij toch continu moet bellen. Want anders heeft ze verwachtingen: dat hij met de kinderen speelt, enthousiast is, voorstellen doet voor activiteiten, de gewone dingen die zij altijd doet. Het zou betekenen dat de peer in twee is gehakt en ze allebei ook wat kunnen lezen en een ‘teamgevoel’ hebben. They are in this together. Meestal leest hij heel de dag die verdomde strontkranten. Of zit hij op de i-phone. Ze irriteert zich vanaf seconde drie. Ze probeert dan te doen of hij er niet is, want als hij er niet is gaat het prima. Dan is ze ingesteld op alles zelf doen en hoeft ze met niemand rekening te houden. Het is een prima dag.
De golven maken een diep basgeluid; Ze volgen elkaar in een flux tempo op. Het kleine, gespierde lichaam springt over de kleinste golfjes, keert zich om en begint opnieuw. Sinds Kappi gerustgesteld is dat er geen wolvende zee uitrollen, gaan alle remmen los.
Hij roept over zijn schouder: ‘is er een boord aan de zee?’
‘Hoe bedoel je?’ vraagt ze hem.
‘of een trap, mama, zoals een zwembad?’
Ze lacht. Hij neemt nu een aanloop en rent de zee in. Hij duikt, hoofd onderwater, onder de voor hem reusachtige golf. Even is hij onzichtbaar, een halve seconde voelt ze zich ongemakkelijk, tot hij terug boven komt. Hij spettert wat op de branding.
Limme’s gezicht straalt in de zon. Wanneer een echt grote golf bijna breekt, springt hij en draait een halve slag in de lucht. De golf kletst tegen zijn rug en hij krijgt enkel een gulp water over zijn haren. Het is een trucje dat ze hem leerde. Want als ze de golven uit het oog verliezen, het gevaar niet in het gezicht kijken, worden ze verrast langs achter en dan is het water slikken.
‘Mag ik nu tot aan jouw tepeltjes in de zee?’ Hij bedoelt dat hij heel diep wil gaan. Hij kijkt haar vragend aan en dan merkt ze dat er iets verandert in zijn blik. Hij kijkt nu pas voor het eerst goed naar haar.
‘Jij hebt je pyjama nog aan’ lacht hij verbaasd. ‘Mama, heb jij je pyjama nog aan? Ja, hè. Juist hè?’
Ze draagt een Italiaans, linnen kleedje tot net boven de knie, met, nu beseft ze het, hetzelfde fijne blauwwitte streepje als de pyjama die ze vanochtend droeg. Hij heeft helemaal gelijk. Ze schateren het uit. Ze dacht dat ze mooi en verzorgd was, zoals een echte mama die alles onder controle heeft, hoort te zijn, en tegelijkertijd een tikkeltje excentriek, met haar hoge hoed, haar ongecompliceerde, donkerbruin lederen geknoopte sandalen en haar Italiaanse jurk maar hij vraagt doodleuk: ‘ben je nog in pyjama, mama?’
Ze hebben er genoeg van. Voor ze naar de handdoeken spurten, planten ze hun voet daar waar de golf een laatste likje aan het strand gaf. Ze duwen hard, de plek rond hun voet wordt wit, alsof het zand in allerijl opdroogt, zoals met een vinger op een verbrande arm.
Ze eten een ijsje en spelen Gooipakmet de bal. Bij pipi graven ze een kuil op het strand en kaka doen ze in de emmer. Ze zien kakbruin. Op weg naar het appartement neemt ze Kappi op haar schouders.
Supercalifragilisticexpialidocious/Dick Van Dyke & Julie Andrews- Ze doen een ritje op de rollercoaster. Ze zitten in het achterste karretje en na de eerste klim daveren ze naar beneden. Ze voelt een gekke wrong in haar buik. Limme roept dat dit het leukste is wat er bestaat. Hij voelt het in zijn piemeltje. Meteen erna schuiven ze opnieuw aan. Er is plaats helemaal voorin en helemaal achterin. Hij kiest helemaal voorin. De slak trekt zich vooruit en klimt. Maar nu blijft hij ook traag gaan in de afdaling, totdat de staart ook helemaal aan de top is. Dan pas versnellen ze. Er is geen effect in de buik of in het piemeltje. Ze stappen uit. Patrick loopt vlak voor haar.
‘Het is veel leuker achteraan want dan gaat het sneller. Dat voel je veel meer in je buik.’
Hij corrigeert haar: ‘Dat klopt niet. Het gaat niet sneller. Natuurlijk gaat het niet sneller achteraan dan vooraan, want anders zou vanachter van voor voorsteken.’ Ze haat dit. Hij behandelt haar als een klein kind, als een stomme trut die zelfs te dom is om iets evident te snappen. ‘Maar dat is niet wat ik bedoel, ik bedoel dat je in het voorste karretje traag afdaalt omdat het ding dan nog remt en achteraan ga je met snelheid de helling af en dat is een goed gevoel.’ Maar hij blijft herhalen dat het niet juist is. Ze voelt zich in een razend tempo duizend kilometers wegvliegen. Hij is nog een stip in de woestijn. De vakkundige verpester van hun kinderlijk plezier. De volgende twee uur bestaat hij niet meer voor haar.
Als je van beren leren kan/The Jungle Book- Ze had nooit kunnen denken dat een mens zo moe kan zijn. Ze slaapt uren aan een stuk in de speelkamer naast de keuken. Mama kookt er, de kinderen knutselen aan de keukentafel, ze lopen binnen en buiten, roepen, lachen, maar zij hoort niets. Ze is doodop. Mama heeft de plek zo ingericht voor deze zomer dat ze dicht bij ‘het gebeuren’ kan zijn en toch kan rusten. ‘s Namiddag gaat het beter. Dan ligt ze aan het zwembad en leest of tekent, met haar benen opgetrokken, altijd geplooid. Haar buik trekt te veel om gewoon plat te liggen. Ze probeert opa te tekenen. Een tekening in eenvoudige zwarte lijnen. Het moet nog veel beter. Ze vind de vorm van zijn voorhoofd niet, terwijl dat net sprekend is. Mama zegt er niet veel over wanneer ze de tekeningen ziet, behalve ‘wie is dat?’. Ze weet dat mama vindt dat ze haar tijd daarmee verdoet, dat ze vele talenten heeft waarvan tekenen er geen is.
Mama is onvermoeibaar, host van de ene activiteit in de andere. Ze maakt milkshake en speelt gezelschapsspellen met de kinderen. Ze draagt handdoeken aan om een kamp te maken in de tuin. Ze zwemt met de jongens. Dan ziet ze dat het jongste kind moe is. Hij wrijft in z’n ogen. Mama zegt dat hij een rustje moet gaan doen. “Ik ben niet moe” probeert hij, maar zijn stem draagt de capitulatie in zich. Hij weet dat hij moet gaan rusten. Hierover is bij zijn mimi geen onderhandelingsmarge. Hij is afgedroogd, heeft geplast en komt de speelkamer in. Hij zoekt iets om naast zijn bedje te leggen. Een verbindingselement, zodat hij nog een deel van de wakkere wereld heel dichtbij heeft. Maar mimi is kordaat. Hij moet de tijd nu niet proberen te rekken. Dit is uitstelgedrag. Grote mensen zijn de baas. Jij bent klein. Er moet nu en onmiddellijk geluisterd worden.Dat hoort ze allemaal in de manier waarop ze plots, luid en streng zijn naam roept. Hij verschiet en springt op van dit onverwacht salvo, alsof hij betrapt is. Zij weet wat haar kind nu voelt. Hoe zijn hart een klop maakt in zijn keel, geschrokken, onbegrepen, bang. Hij neemt mimi’s hand, buigt zijn hoofd en begint onhoorbaar te wenen. Zijn gezicht verkrampt, zijn mond groot open zodat hij genoeg lucht kan happen om die dikke, pijnlijke bal onrecht in zijn buik weg te krijgen. Even is het onnatuurlijk stil, de korte seconden waarin zijn machteloosheid doorklinkt. Zijn hoofd wordt rood en dan volgt een luide, diepe, hartverscheurende ween. Haar hart scheurt, maar ze zegt niets. Mama is nu de baas. Mama is hier de baas.
Zeester met Koffie/Bart Peeters- ‘La première nuit, Il a dormi avec Claire. Après avec Roxane et la troisième nuit avec Georgette.’ Ze zit op de betonnen muur van het kwistax-pleintje en luistert met een half oor naar de bizarre conversatie. De kinderen denderen door elkaar heen. Alsof auto’s, fietsers, vrachtwagens en voetgangers allemaal op een hoop zijn gegooid en door elkaar sjezen dat het een lieve lust is. Maar hier botst er wonderwel niemand. De kinderen weten elkaar telkens op een haar na te ontwijken. Nooit kijken er twee tegelijkertijd naar beneden. Het toeval beslist dat telkens één kind het gevaar op tijd ziet en uitwijkt. Ze kijkt nu naar de vrouw van het telefoongesprek. Ze heeft varkensvoeten die in goudkleurige sandaaltjes zijn geplet. Haar stevige nagels zijn bedekt met een dikke laag roze nagellak. Haar voeten hebben, net als haar kuiten, een worteloranje kleur. Het zijn stevige, dikke kuiten die ze duidelijk graag toont. Het kleedje van dik stof sluit nauw over haar voluptueuze lichaam aan en kruipt in deze zittende houding iets te hoog op. Het is voetbalveldgroen.
‘Zijn uw kinderen hier ook?’ vraagt de vrouw wanneer haar telefoongesprek is beëindigd. Ze is wat dichterbij komen zitten. Zij wijst Limme en Kappie aan. De vrouw kijkt verwonderd. ‘Ze lijken helemaal niet op elkaar.’
‘Neen?’
‘Neen.’ Ze kijkt ze even na en draait zich dan naar haar toe. ‘En maar goed ook. Stelt u zich voor, zoals de Chinezen. Daar geraak je niet uit wijs.’
Ze glimlacht en groet de vrouw tot afscheid. Ze heeft een vrij tafeltje gespot op een terras en holt er naartoe. Ze wil graag in de zon zitten en even niet met de kinderen of met iemand anders bezig zijn. Rust in haar hoofd. Rust aan tafel seffens. Niet zoals gewoonlijk. Altijd dat babbelen. Ratelen eigenlijk. Ze kan er niet mee om. Tenen krullend irritant vindt ze het. Ze wil met haar kinderen praten, van gedachten wisselen. Geen circusapen kweken die iets kunnen nabrullen en kunstjes vertonen. Maar het is bijna altijd een opbod: feiten afvuren, rekenvragen stellen, moppen aanleren. ‘Hier liggen nog drie pistolets en vier sandwiches in de mand, allé Kappi, hoeveel is dat? Limme, jij moet zwijgen. Denk eens na, Kappi, tel maar.’ Om dan zelf alles stap voor stap voor te doen en uit te leggen. ‘En herhaal het nu eens, Kappi? Wat heeft papa je geleerd? En nu een mop over Jantje, maar ik kan die mop nog beter maken, en drink uw chocolademelk nu eens verder uit en stop met te wriemelen aan uw piemel en let op dat de confituur niet valt, zet ze verder op tafel, en steek niet zoveel in uw mond. En wat wil je vandaag doen? Een kasteel bouwen, een winkel met bloemen, …?’
‘MAAR STOP DAAR NU TOCH EENS MEE!’, brult ze in haar hoofd. ‘We worden allemaal gek zo!’ Alsof een geslaagde vaderrol gelijk staat aan de ‘flauwe plezante’ uithangen. Dat of roepen. Boos worden voor niets. ‘Opgelet, pas op, ik zeg het nu niet meer, het is de laatste keer hè!’ en dat woordgebruik ook: ‘tuffen, meppen, fikken…’ en dan achteraf verwonderd zijn dat de kinderen dat zelf ook gebruiken. En voetbal natuurlijk. ‘Waar speelt Lukaku? Welke ploeg speelt in zwart wit? Rood, daar zijn we tegen, hè jongens!’Die voetbalgekte tussen vaders en zonen kan toch alleen maar een soort van leegte verhullen? Papa weet niet goed hoe hij met de kleine moet omgaan. Voetbal dan maar. Dat is veilig. En vanuit de andere kant: als ik papa’s aandacht wil, moet ik iets over voetbal zeggen, dan ziet hij me graag.Zoiets?
Ze wordt er doodmoe van. Haar kinderen gaan het zo gewoon worden en continu zo’n aandacht willen, terwijl hij haar net dat verwijt. Dat zij ze te veel aandacht geeft. En waarom moeten die kinderen op hun vijfde en zevende in godsnaam zoveel weten? Het worden irritante etters op die manier, dat kan toch niet anders? Jongens die om de haverklap een mop willen vertellen die ze al zes keer eerder hebben verteld. Daar is niets schattigs aan. De mensen glimlachen uiteindelijk nog uit beleefdheid, en nog voor ze hun hoofd gedraaid hebben, zijn ze blij dat ze ervan af zijn, van die slopende etters. Ze mag er niets over zeggen want dat is ze een bekrompen elitaire trut. Of wijf. Of geit. Maar HET GAAT NIET OM HAAR!! Het gaat om hoe hij die kinderen in het leven zet en de verwachtingen die hij creëert!
Er staan twee benen en een mooie lederen handtas voor haar tafeltje. Ze blijven ongewoon lang staan. Ze kijkt op en ziet het lachende gezicht van Katrien.
‘He Moppie, ik wist niet dat jullie ook aan zee zijn!?’
‘Zo fijn om je te zien! Zet je bij! Ben je alleen?’
Maar dan ziet ze kleine Lili en Eduard aankomen.
‘Fijn dat jullie er zijn! Zullen we samen iets drinken?’
Eduard heeft een lange baard. Hij ziet er wat verwilderd uit. De jongens komen aan gestept en kijken enthousiast naar Lili. Ze cirkelen om haar heen. ‘Fijn, een meisje’ roept Kappi. Lili helpt hem meteen in zijn rolschaatsen. En ze zijn weg, naar het pleintje. De zon is heerlijk warm op het terras en hoewel het pas halftwaalf is, bestellen ze een wijntje. Ze weet van Katrien dat het sinds kort terug wat beter gaat met Eduard en daardoor ook met hen. Dat hij actiever in het leven staat en meubels maakt. Voor ze het weten is er een uur voorbij. Ze bestellen iets om te eten, en blijven tot diep in de namiddag op het terras hangen. Die uitputtende maalstroom van negatieve gedachten helemaal weg.
Komaan met dat lijf, beweeg met dat lijf/Raymond van het Groenewoud- Het is 13.23u wanneer ze vertrekt. Lekker koel onder de bomen. Ze voelt haar billen op en af gaan. En haar lies doet pijn. Frank had gelijk, vanaf je veertigste is het gedaan. Mama was ook veertig – ongeveer haar leeftijd nu. Zij tenniste, dubbel gemengd. Met papa en Jos en Annick. Het moet een bevrijding geweest zijn. Gewoon een lief nemen. In plaats van te klagen. Katrien over Edouard. Lien over Koen. Zij over Patrick en al zijn negativisme. Hij had verdomd gelijk over aanwervingen. ‘Onderzoek wat je stoort bij de beste kandidaat want de ergernis wordt sowieso groter na de aanwerving.’ Bij hen is het net zo. De dingen die haar in het begin al stoorden, irriteren haar nu mateloos. Wie doet dat nu? Je geparkeerde auto vijftig meter verder gaan halen omdat er een plaats voor de deur vrijkomt? Of elke dag uit het niets ineens stukken uit de krant luidop en heel snel voorlezen, zonder je ook maar één seconde af te vragen of dat de ander interesseert? Mama had het gewoon goed voor elkaar. Niemand wil dat gezinsleven opgeven, voor de kinderen niet en omdat het gras op een ander toch niet groener is. Maar alle vrouwen leiden een dubbelleven in hun hoofd. Ze snapt mama helemaal. Het beste van twee werelden. Gewoon openlijk aanhouden met een andere man, en hetzelfde gunnen aan je eigen man, en tegelijkertijd samen dat gezinsleven. Niets opgeven. Heerlijk moet het zijn geweest. Geen gevangenis, geen sleur, niet hoeven uitbreken. Hoedje af. Jammer voor de kinderen wel. Hoeveel heeft ze nu gelopen? Vijfendertig minuten. Mooi. Meer dan ze dacht.
Diamonds on the Soles of het Shoes/Paul Simon- Sheaboter trekt bijtjes aan, merkt ze. Ze zoomen gedurig rond haar benen en scheren af en toe zacht langs haar nek. Telkens schrikt ze op en slaat het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op haar gezicht en eigenlijk is het kleed dat ze draagt te warm. Ze hoort alleen maar natuur, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch is ze ongemakkelijk. Omdat ze iets zou moeten maar het niet aan het doen is. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ze wil terugdenken aan het feest van mama.
De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel ze van alle genodigden het korst bij wonen, komen ze toch laat aan. Ze parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ze spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ze niet meteen kan plaatsen. Ze feliciteert eerst Tony, en werkt dan de ronde af waarin hij staat. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ze is trots op haar kinderen, het zijn toffe, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter haar rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen.
Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het doet goed deze mensen terug te zien. Altijd. Patrick kent bijna iedereen. Ze merkt dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ze weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ze krijgt een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mama. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ze ziet aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ze vraagt zich telkens opnieuw af of het aan haar ligt dat ze de kakafonie van geluiden niet goed verdraagt of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles tegoed te willen doen. Ze spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij hen te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze hen uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules- in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeftze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer o