Sabine Steels

Gebruikersnaam Sabine Steels

Teksten

opdracht 8 DEEL 2 - Sabine Steels

Diamonds on the Soles of her Shoes/Paul Simon- Sheaboter trekt bijtjes aan, merkt ze. Ze zoomen gedurig rond haar benen en scheren af en toe zacht langs haar nek. Telkens schrikt ze op en slaat het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op haar gezicht en eigenlijk is het kleed dat ze draagt te warm. Ze hoort alleen maar natuur, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch is ze ongemakkelijk. Omdat ze iets zou moeten maar het niet aan het doen is. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ze wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel ze van alle genodigden het korst bij wonen, komen ze toch laat aan. Ze parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ze spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ze niet meteen kan plaatsen. Ze feliciteert eerst Tony, en werkt dan de ronde af waarin hij staat. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ze is trots op haar kinderen, het zijn toffe, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter haar rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het doet goed deze mensen terug te zien. Altijd. Patrick kent bijna iedereen. Ze merkt dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ze weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ze krijgt een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mama. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ze ziet aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ze vraagt zich telkens opnieuw af of het aan haar ligt dat ze de kakafonie van geluiden niet goed verdraagt of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles tegoed te willen doen. Ze spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij hen te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze hen uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules-  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeftze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan -  de dag zelf -  alles vlot laten verlopen. Zijis maître d’orchestreen ze is de beste in haar vak. Ze ziet vanuit haar ooghoek dat het zover is. Tony heeft Patrick beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Patrick weet dat ze Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vindt, daarvan heeft ze hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ze zich kan herinneren – haar hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden zij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Zij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat ze zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij hen op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde hen. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en zij begrepen daar de zin niet van. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleengeweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Een aantal mensen die ze nog niet had gegroet, lopen richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monstert ze de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ze roept haar kinderen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. Ze hebben er nu vierendertig, waarvan zevenentwintig kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens haar doet het papa denken aan het bucolische samenleven zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn.  Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten ze wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mama, die hem gedurig commandeert. Ze hoort een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche. Mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind en er zijn regendruppels gesignaleerd. Ze horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes -  behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan. Ze zoekt haar man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Ze heeft Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk.Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Terwijl Patrick en Annick verder praten, kijkt zij vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar hen wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ze kijkt of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkeld die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Door de operaties heeft hij zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van haar vader. Ze weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat haar beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in haar zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is haar nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ze denkt dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.   Aan dat feest denkt ze, vol bewondering voor zoveel energie. Ze zijn in alle opzichten geslaagd, haar ouders. Behalve dan wat haarzelf betreft. Boordevol talent, veelbelovend en toch niet uit de startblokken gekomen. Wat durven ze vertellen over haar wanneer ze ergens op bezoek zijn en er wordt over de kinderen opgeschept? Ze blijf maar vasthangen in dat verleden, komt niet los van dat aardige nest. Haar dromen over net zo’n leven, met een grote vriendenkring, avontuurlijke reizen, veel cultuur, zwoele avonden vol discussie en galmende lachsalvo’s, een eigen, bloeiende zaak en de allure van een vrijgevochten, onafhankelijke vrouw. Niets daarvan heeft ze weten te realiseren. Ze hoort een auto dichtslaan op de oprit. Haar man is er. Hij vraagt haar wat ze aan het doen is. Wat ze gedaan heeft vandaag. Ze mompelt iets terug terwijl ze de tuin in loopt en naar de beek staart, daar waar het water een verdiepinkje valt en in een ijltempo wegstroomt.   Tompkin Square Park/Mumford and Sons- Ze is sinds gisteren in de rouw voor iemand die tien jaar geleden is gestorven. I am Heath Ledgeris heel heftig binnengekomen, de dood zelf, maar ook de kwetsbaarheid van het moederschap, de kwijtgespeelde jeugd, de verspilde talenten, de voorbije vriendschappen, de beloftes van die eerste liefde. Hoe je als een pijl zo de hoogte in kan schieten en zo nietsontziend prachtig kan knetteren, ze werd van haar sokken geblazen. De manier waarop hij zo onverdroten en bijna heldhaftig elk moment wil vastleggen, bevriezen, verdubbelen, vertienvoudigen, en tegelijkertijd zo veel aandacht en consideratie voor zijn vrienden hield, niet omhoogviel, wild bleef, zoals haar eerste lief, radicaal, voor zijn passie ging, geen aandacht voor de regels, zijn eigen pad volgen, mooi, om zachtjes te strelen, zo’n gezicht, bewust van zijn lichaam, dansend, aantrekkelijk, speels, eerlijk, geen doekjes, geen rol. Heel hard leven, niet stoppen, mensen meetrekken, aandacht vragen, ideeën hebben, ideeën uitvoeren, doen, niet twijfelen, springen, she was flabbergasted. Ze is gisteren op slag terug verliefd geworden op iemand die tien jaar geleden is gestorven. Iemand die ze altijd had willen zijn. Ze heeft haar ware ik gisteren ontmoet. Iemand zoals ze in haar eerste lief heeft ontmoet, en in haar beste vriend, en in diens beste vriend, en iemand zoals zij nooit meer zal worden wanneer ze nu rondom zich kijkt. Ze weent om een tijdperk dat voorbij is en het is hartverscheurend. Er is niemand over die het kan begrijpen.     2024   Zij heeft Gene en Tine uitgenodigd, en natuurlijk schuiven George, Ben en Maren aan. Patrick en de kinderen. Wanneer ze Limme op de binnenkoer de kaarsen ziet plaatsen, stopt ze met sla wassen en blijft ze voor het grote, open raam staan. Hij ziet er goed uit, haar oudste kind, zo groot en zo lenig. Zijn broek is te kort geworden, merkt ze nu. Als hij nu toch maar wat meer zou willen vertellen over wat er in hem omgaat, maar ze wordt uit die gedachte gerukt door Kasper Jan die met veel zwier de binnenplaats oprijdt en net voor zijn broer zijn fiets stevig doet slippen. Hij laat hem met een smak vallen en springt op de rug van zijn oudere broer. “Kasper jan, heb je die eetbare bloemen gevonden?” onderbreekt ze hun gedol. “Jip” roept hij terug en komt naar haar toe gelopen. Dat kind doet haar denken aan een frisse, volle boerenaardappel, vers van het veld. Hij is ook groot maar veel steviger, geblokter dan zijn broer, enthousiast, wild en onbekommerd. Hij doet niet liever dan met zijn handen in de aarde wroeten, zich vuil maken, de spieren gebruiken. Samen met hem stroomt er een heerlijk koele lucht binnen in de grote, oude leefkeuken. “Ik heb ook bessen geplukt, mama. Ik dacht: ‘die zullen haar sla extra pimpen’, en zodus, tada: besjes.” Hij opent zijn hand, toont zijn trofee en buigt zich naar haar toe, plakt een zoen op haar voorhoofd. “Gaan jullie vanavond spelen?” “We gaan wat jammenals je dat bedoelt, mama. We hebben niets voorbereid maar we doen wel wat. Liever geen drums, dacht ik, toch?”, dat laatste woord rekt hij en laat hij naar boven lopen. Hij doet dat expres en laat intussen zijn wenkbrauwen op en neer dansen. “liever geen drums, zoon” “Wie komen er?” “The Ususal Suspects: Gene en Tine, George, Ben en Maren, want het is haarboek. “Mmmm….., Guitige, Gulle Maren…. Mogen Karel en Toni ook mee aanschuiven, ze komen straks langs?” “Natuurlijk, maar dan moet je de tafel veranderen. Ik had voor negen gedekt. Vraag aan Limme of hij ook nog iemand verwacht.” “Neen, ik verwacht niemand”, lacht Willem Frederik die de deur openzwaait en op zijn moeder afstapt. Hij knuffelt haar en fluistert in haar oor: “de kaarsen: check”. “Zullen we vanavond de Ballade doen, Kaps?” Willem Frederik staat in het midden van de keuken, met de rug naar de piano, kin omhoog en de schouders naar achteren geklapt. Luid en zeer formeel declameert hij, zijn armen maken grote gebaren: “Frères humains, qui après nous vivez,N'ayez les cœurs contre nous endurcis,Car, si pitié de nous pauvres avez” waarna hij abrupt stopt en naar de sla op tafel staart. “Die salade is prachtig, mama, die paarse bloemen erin. Kan je die opeten?” Willem Frederik houdt van mooie dingen, heeft oog om kleuren te combineren, maar van praktische zaken kent hij niets.  “Het zijn viooltjes, natuurlijk zijn ze eetbaar, spast” antwoordt zijn broer schertsend maar liefdevol en tikt hem in het voorbijgaan op zijn woeste krullen. Willem Fredrik gaat hem achterna en knijpt hem in de lende.  “Flink hoor, dikzak, flink, flink, flink”. “Vergeet die tafel niet, Kasper Jan”, roept ze hen achterna, maar ze zijn al in de living verdwenen. Het huis is ruw, robuust maar gezellig. De zetels in de living lijken al een heel leven mee te gaan. Ze staan wat schots en scheef op de blauwe steen. De grote open haard doet heel het huis ruiken naar verkoold hout. Alle deuren staan hele dagen open, alsof iedereen op elk moment mag binnenwaaien: vrienden, katten, hommels, een verloren rups. Om op de binnenkoer te komen moet je eerst een poort door, volledig overwoekerd door klimop, en een pad langs. Wat dieper ligt de oude molen, met rechts het woonhuis, en dwars daarop het atelier. Ze kan er via de achterkeuken rechtstreeks binnen, maar dat doet ze nooit. Ze gaat naar haar werk via de binnenkoer. Dat zullen ze vanavond ook doen, voor het eten. Met z’n allen naar de overkant, waar Marens eerste boek ligt. Ze was meteen verkocht toen ze het werk van deze jonge vrouw voor het eerst zag. Ruwe, zelfzekeren lijnen, geblokte composities, nonchalante, ingekleurde vlakken en gedurfde kleurencombinaties. Het was een parel geworden. Het boek zou internationaal landen, daar was ze zeker van, en die euforie wilde ze vanavond in hun samenzijn voelen. Tot laat in de nacht samen eten en muziek maken, met de ramen van de keuken groot open. Geen kat die hen in de ruime omgeving kon horen.    

Sabine Steels
0 0

opdracht 8 sabine steels

1980-1982   Cogli la prima mela/Angelo Branduardi - Mama draagt lange, donkerblauwe laarzen van glanzend leer, met een ritssluiting achteraan en een donkere houten hak. Een lange rok. Een grote handtas. Van Delvaux, zegt ze. Daarin steekt Saridon voor wanneer ze hoofdpijn heeft en een dikke agenda die niet meer dicht gaat van bruin slangenvel vol gekribbeld met afspraken en ideeën. Of ze draagt een lange broek en een sjaaltje om haar hoofd. Een dikke collier, ééntje van de honderden die in een dikke, onbedoelde knoop aan een haak naast haar bed hangen. En de ketting met de beweegbare, gouden vis. Zij maakt het gezellig voor wanneer mama uit haar praktijk komt. Kaarsjes aan, de tafel gedekt, de gordijnen dicht. De groene plaat van Angelo Branduardi met het ijsje erop. Ze doet kopstand in de zetel, benen tegen de muur, tot mama komt.   I won’t let you go/Agnetha Fältskog- Mama heeft een mooie auto. Klein en laag. Het is een sportauto, zegt mama. Hij is wit met een zwart dak in stof. Je kan het dak oprollen. Achteraan is niet veel plaats, maar genoeg voor haar om te liggen. Af en toe prutst ze met haar nagel op de lichtbruine, leren zetels. Ze maakt krasjes. Dan komen er kleine velletjes los. Ze is een beetje ziek en mama heeft een wollen, prikkerig deken met zwart en grijze strepen over haar gelegd. Dan vraagt mama of ze op schoot wil. Dat wil ze best. Ze neemt het dekentje mee en kruipt over de armsteun tussen de twee zetels naar mama’s schoot. Ze schakelen samen, mama’s hand ligt op haar hand. Ze rijden op een smal, zwierig weggetje. Aan weerskanten wuiven bomen boven de weg naar de lucht. Hier komt nooit iemand. De weg ligt er alleen voor hun. Mama draait het stuur van de ene naar de andere kant en ze slalommen over de weg. Daarna zet mama muziek op en draait ze aan het stuur op het ritme van de muziek. Het meisje lacht en ze blijven maar gaan.     1982-1991   With the kids in America/Kim Wilde - Ida zegt dat ze eens mee moet naar de hummeltjes. Zij vindt ‘hummeltjes’ een stom woord. Voor kleine, zoete kinderen. Mama zegt dat Ida bij de Hummeltjes werkt en dat je niet zo slim moet zijn om dag in dag uit baby poepjes te verversen. Papa was eerst met Ida, maar nu is papa met Annick en is Ida met Jos Drossin. Ze vindt het beter dat papa met Annick is dan met Ida. Ida wordt ook wel Brebis genoemd. Dat vindt ze een stomme naam. Ze begrijpt niet dat Ida die naam zelf mooi vindt. Ze zit met haar rug naar de spiegel tussen twee lavabo’s in de badkamer van Ida en Jos Put. Ida smeert haar gezicht in met een dikke laag Nivea. Ida en Jos Put wonen in een laag huis met veel bakstenen aan de binnenkant en een witte ronde kraan met aan het uiteinde een groen ringetje. Ida gaat haar verkleden. Ze heeft drie zonen, maar eigenlijk wil ze een dochter. Ze praat tegen haar alsof ze een klein, lief, schattig hummeltje is. Straks moeten alle kinderen naar het feest van hun papa’s werk. De man van Ida en haar papa werken op dezelfde plek. De kinderen mogen verkleed naar het feest. Ida wil van haar Pierrot maken. ‘O Claire de la lune, mon ami Pierrot, prête-moi ta plume pour t’écrire un mot.’ Wit gezichtje, zwart traantje, blinkende, wit kostuumpje met zwarte knoppen en een zwarte muts. Ze wil geen Pierrot zijn, ze is geen lief, klein dochtertje dat het fijn vindt om als een pop behandeld te worden. Ze is heel boos vanbinnen. Waarom verkleedt mama haar niet? Zoals vorige keer, toen was ze Pinokkio. Nu wil ze een tijger zijn. Jos Drossin en Ida zijn er vaak niet bij wanneer ze met z’n allen weggaan. Jos Drossin heeft een soort van ziekte waardoor hij niet meer goed ziet. Mama zegt dat het komt van te veel alcohol drinken. Hij heeft een bril met gele glazen. Haar grote zus Anso noemt dat gefumeerdeglazen en dat ze met die blinkende, goudkleurige rand net van de ziekenkas zijn. Dat klinkt niet goed. Jos Drossin heeft een snor en een kromme neus, gebogen in de tegenovergestelde richting van de neus van Ciske de Rat-krijg-toch-allemaal-de-klere. Ciske heeft een mooie wipneus. Jos Drossin rookt Bastos, zoals Nieke. Ze is een beetje bang voor hem. Hij heeft altijd een kostuumbroek aan met een plooi op de voorkant. De stof blinkt. En hij draagt gladde, donkere schoenen tot aan zijn enkels met een tiretteaan de zijkant. Ida moet altijd voor Jos Drossin zorgen, zegt ze. Waarschijnlijk is hij een soort van sukkel. Anso vertelde dat ze Ida en Jos Drossin voor de open haard heeft gezien. Ida zat op een stoel met een kort, wit wollen kleedje aan, zonder kousen. Anso kon alleen haar rug zien. Jos zat op zijn knieën. Ida maakte een raar geluid.. Anso is heel goed in fantaseren en in nadoen. Dat heeft ze toen gedaan en ze zei: ‘het was walgelijk’. Daarom vindt zij het nu ook heel vies. Ze denkt dat Jos Drossin toch niet zo’n sukkel is als hij zoiets toch nog kan. Elke keer als ze Ida nu ziet, moet ze denken aan dat rare geluid dat Anso nadeed.   Signalen/Herman Van Veen- Ze staat in de beek naast het kasteel. Het water gutst bijna haar laarzen in. Ze doet voorzichtig, wandelt langzaam met een dikke steen en twee takken van de oever naar het midden. Ze bouwen een dam. Bik’s idee. Het is Ardennen-weekend. Morgen is haar verjaardag. Deze keer heeft mama een groot kasteel gehuurd, midden in een bos. Elk jaar heeft ze het heerlijke gevoel dat mama dat hele weekend speciaal voor haar organiseert. Dit jaar zijn ze zelfs met twintig! De Putten en de Valkenborghs zijn ook mee. Haar handen zijn rood en bevroren, maar dat geeft niet, want ze houdt van het geluid van het stromende water. Het voelt aan alsof ze iets groots aan het doen zijn, iets belangrijk. Ze is vastberaden zo lang te bouwen tot het perfect is. Haar grote zus Ka en Tom en Erik helpen mee. Niemand speelt baas. Bik legt wel uit hoe een dam werkt, maar dat is niet hetzelfde. Erik, dat is een baasspeler. Normaal zegt hij heel de tijd wat haar grote zus moet doen. Alsof hij de baas over haar is. Erik is een stomme, egoïstische prut-etter, net als zijn vader, Jos Put. Ze weet niet wat Ka fijn of mooi vindt aan Erik. Met zijn bleke jeans en zijn lelijke loopschoenen altijd. En hij stinkt.   De anderen druppelen het kasteel uit, met laarzen en jas aan. “Bineke.” papa roept van aan de deur, “Kom, we gaan vertrekken.” Hij wacht tot ze bij hem is. De anderen zijn groter en sneller, en zijn al met de rest mee vertrokken. Samen met papa zet ze de pas erin. Ze zoekt een stok om te schrapen. Hij moet groot genoeg zijn om op te leunen, stevig, maar niet te dik want dan krijgt ze hem nooit geschraapt. Papa geeft haar zijn zakmes. Bovenaan maakt ze een scherpe punt. Om als wandelstok te dienen én om vissen te kunnen vangen in de dam straks. Ze hebben de rest ingehaald. Ze loopt samen met de twee andere kleinsten op de hoge zijkant van de weg, in het bos, parallel met de groten. Het bos ruikt nat. Ze trapt op de bladeren. Een beetje vochtig. Ze blijven aan haar laarzen plakken. Ze mikt met haar stap op takken die onder de bladeren liggen. Ze hoopt dat ze daardoor knappen. De wandeling duurt lang. Haar benen worden moe. “Is het nog ver? Nu hebben we toch al heel ver gestapt, papa?” “Toch nog een eindje.” Ze trekt een vies gezicht. “Papa, ik kan echt niet meer.” “Allez komaan, Bine” zegt papa half lachend, half kordaat. Ze weet wat ze nu moet doen. Ze blijft staan. Papa loopt verder. Ze zet zich op haar hurken en kijkt naar haar laarzen. Mokkend. Ze probeert zonder haar hoofd op te richten, te kijken of papa nog doorloopt of al gestopt is. Hij is gestopt en kijkt naar haar. “Kom nu, Binneke” Hij lacht, de lach van een medestander. Nu nog even volhouden. Wanneer ze er zeker van is dat hij haar op zijn schouders zal tillen, loopt ze naar hem. Nu geraakt ze thuis zonder te stappen, ze zal van schouder op schouder worden overgeheveld tot ze er zijn.   Na het avondeten wandelen ze naar het dorp. Het is al donker. Iemand maakt een wolvengeluid. Ze mag met de groten mee. Zonder volwassenen. Ze zit op de schouders van Bik en ze zingen. De natte straat helt naar beneden, de verlichting doet het asfalt oplichten. Ze hebben één zaklamp mee. Ze voelt zich groot. In de verte fluisteren de bomen.   Ze ligt moe in de zetel en staart naar het vuur. Mama, Jos Put, en twee Valkies kaarten. Ze spelen kleurenwies. Ze kruipt op mama’s schoot. Ze zegt haar wat troef is. Ze probeert te onthouden welke kaarten er in de stapeltjes van de anderen liggen. Papa en Annick lezen in de zetel. De anderen spelen boven op de overloop. Er knalt een kastanje kapot. De vuurspetters vliegen de living in, maar niemand kijkt op. Ze mag ze uit het vuur halen, heel voorzichtig. Haar gezicht wordt gloeiendheet. De geur van gepofte kastanjes is bijna zo goed als die van nat bos. Mama en Tom winnen. Mama wint altijd, ze is de slimste van iedereen. Ze loopt de gang in. Het is er koud. Haar zussen zijn boven, samen met de andere kinderen. Ze maken een kamp met de matrassen. “Ik verhuis mijn matras naar jullie” hoort ze Anso zeggen. “Ik slaap niet meer in de kamer van mama. Ze maakt de hele tijd walgelijke geluiden met Jos. Ik doe alsof ik slaap maar ik hoor het toch”. Ze begrijpt niet wat haar zus bedoelt, maar er is nog plaats op de overloop als ze straks alle matrassen een beetje opschuiven.   Ze springen op het bed van de grote mensen. Ze voelt haar haren in de lucht gaan en kriebels in haar buik. In de lucht spreidt ze haar benen en raakt haar tenen aan. Flokke Fiennoemt papa haar. Ze kan in één trek springen, op haar poep landen, terug omhoog veren en op haar knieën landen en zo altijd maar na elkaar, na elkaar, na elkaar. En dan kopke rol. Vanaf de kast achter het bed. Ze tuimelt in de lucht en landt op haar poep. En dan staat het bed opeens scheef. Net ervoor was er een doffe knal. Ze liggen met hun buik op de grond en zien dat een van de pootjes van het bed is verdwenen. Ze lopen de trap af. Beneden steekt er boven de eettafel een poot door het plafond. Er hangt wat hooi uit en op de tafel liggen stukjes witte verf. Dat is vervelend. Ze verwacht een rammeling of een straf maar er gebeurt niets. Alleen mogen ze niet meer springen.   Iedereen komt naar boven nu, om te slapen. Zelfs de volwassenen. Ze zijn lang mogen opblijven. Ze gaat naar de kamer van mama en papa voor een kus. Papa ligt al in bed. Naast hem ligt Annick. Ze haat dit. Zal ze doen alsof er niets aan de hand is, of durft ze iets te zeggen? “Waarom lig jij niet bij mama?” “Mama ligt in de andere kamer” lacht hij. “Heb jij zo niet koud? Waar is je pyjama?” Papa mompelt iets. Ze gaat naar de gang en kruipt op de matras, met haar gezicht naar de muur. Het ruikt muf in het kasteel. De muur is klam en er brokkelt wit stof af. Morgen vieren ze haar verjaardag.   Wild Boys/Duran Duran- Ze liggen boven op de overloop naar tv te kijken. Piet zit in de badkamer en Tom wil er ook in. Hij bonkt op de deur: “Laat me er nu in! Godverdomme Piet! Of ik klop uw bakkes verrot”. Op de achtergrond galmt de lievelingsgroep van Piet. Hij trekt de badkamerdeur open, er komt een walm van stoom naar buiten en er staat een schim in de deuropening. Tom duwt hem opzij maar Piet laat hem niet door. De walm is weg en Piet heeft een klein handdoekje om zijn middel. Er wordt geduwd, getrokken en gestampt. Roel stormt de overloop over. Hij wil ook onder de douche. Ze vechten en roepen. Tom wint en slaat de badkamerdeur hard dicht. Ze hoort nog het beste stuk van het lied - “Wild boys always – rakketakketaa rakketakketa -  sh – i – i – i – ne”- en dan slaat Piet zijn deur met een smak dicht. Ze kijken verder naar Return to Eden. Jochen zegt dat het op Dallas trekt. Van mama mogen zij niet naar Dallas kijken. Dat is rommel. Voor dommeriken.   Crockett’s Theme/Jan Hammer- Sinterklaas heeft bij haar thuis een podium gemaakt, op één nacht tijd. Een echt groot podium met spots en trekgordijnen en zwarte piet heeft er een voetstap op achtergelaten. Het is een goede verstopplek. Ze spelen nu verstoppertje. Iedereen is er. De Putten en de Valkies. Tom moet zoeken. Ze loopt naar het podium en bukt zich snel. Het is niet makkelijk met de houten poten eronder, het zijn niet echt poten maar houten kaders en dat doet zeer aan de schenen. Erik komt er ook bij. Ze moeten zich stilhouden want er loopt iemand op het podium. Misschien is het Tom. Erik steekt een hand in haar broek. Hij draait met zijn vinger. Ze beweegt niet. Hij stopt abrupt en kruipt onder het podium vandaan. Als ze niemand meer hoort, komt ze onder het podium vandaan en gaat ze naar de grote mensen. Ze zitten beneden te kaarten.   Agadoo/Black Lace- Met z’n zessen staan ze aan de startlijn, een streep op het gras die er niet is. Het plan is om de hele lengte van de tuin te doen, en wie het eerst bij de stallen is, wint. Ze staat te huppelen, springt links, rechts, links, rechts en kijkt naar de stallen. Naast haar staat Roel de driftkikker, die altijd wil winnen, en stampt en roept wanneer hij verliest. Ze is al jaren verliefd op Roel en Roel is al jaren verliefd op haar grote zus. Papa staat aan de zijkant om het startsein te geven. ‘Drie, twee, een, START’. Met haar dunne, gespierde benen schiet ze als een pijl uit een boog naar voren. Het is een mechaniekje dat in gang springt. Het gras flitst - woesj-  onder haar voeten voorbij, haar benen zijn een molentje dat onderaan het werk doet. Almaar sneller. Ze wil winnen. Ze zal winnen. Zelfs van Roel, bij zijn thuis! Ze voelt de overwinning al in haar borstkast. Hij is ouder en toch loopt zij sneller. Maar Roel denkt er anders over. Hij kookt vanbinnen. Geen vernedering, hij zal het niet laten gebeuren. Veel heeft hij niet nodig.  Een kleine tik, precies op het moment dat ze haar voet weer afzet. Ze voelt de stok in het molentje. Haar benen haperen maar haar bovenlichaam gaat nog volle vaart vooruit. Ze gooit haar armen voor zich en maakt een gigantische buiteling. Ze is een uitstekende turnster. Het doet geen pijn. Roel komt als eerst bij de stallen. Papa heeft alles gezien. Deze keer is papa echt haar papa. Hij geeft Roel ervanlangs. Dat hij niet tegen zijn verlies kan. Zo boos heeft ze Papa nog niet dikwijls gezien. Ze voelt zich trots.   Barbara Ann/The Beach Boys- Ze zitten allemaal op hun appartement. Mama en Jos Put koken. Ze hebben de hele dag op het strand gespeeld. Bik is er ook. Hij bouwde zandtunnels. Ze sprongen in de putten en kropen op hun knieën onder de tunnels. Mama maakte picknick met watermeloen. Nu spelen ze in de slaapkamer. Er zijn twee stapelbedden met tussenin een lange koord en twee kleine ronde nachttafeltjes die aan de muur zijn vast gemaakt. Je kan vanuit elk bed aan het koord trekken. Dan gaat het licht aan en uit. Elke avond is het gevecht over wie het laatst het licht mag uitdoen. Dat gaat zo maar door tot een volwassene komt zeggen dat het genoeg is. Ze slaapt liever in de bovenste bedden, en af en toe in het onderste bed aan de rechterkant. Dat heeft een klein in de muur ingebouwd nachtkastje. Om de beurten zingen ze een lied. “Ba-Ba-Ba ---- Ba-Ba-Be-rain!” Het is haar beurt en ze staat op de crèmekleurige trapladder en op het hoogtepunt van haar lied – “OOOO BABERAI-AI-AIN!” lost ze één hand, en zwiert haar hoofd erachteraan, om het lied kracht bij te zetten. Daarna turnen ze. De bovenste bedden zijn de gelijke leggers van een brug. Ze steunt met haar onderarmen op de rand van de bedden en laat haar benen gestrekt tegen elkaar naar voor en naar achteren zwieren. Wanneer ze genoeg snelheid heeft, gooit ze elk been over een rand van het bed, dan lost ze haar handen, valt naar achter en hangt ondersteboven, met enkel haar benen die zich om het bed klemmen. Ze ziet de foto’s aan de muur nu ondersteboven. Twee meisjes met lange haren in een lang paars kleedje plukken bloemen in een weide. De foto’s zijn wazig. Iemand doet de gordijnen dicht en ze spreken af om een alsof-dutje te doen. Ze ligt in het bovenste bed onder de dekens. Tom ligt naast haar. Ze voelt een hand in haar rode zwembroekje en een vinger die in haar lijf verdwijnt. Ze beweegt niet. Ze heeft het warm. De vinger beweegt. Mama roept dat ze de tafel moeten dekken. Tom trekt snel zijn hand weg en lacht sloom. Ze springt het bed uit. Wanneer de tafel is gedekt, spelen ze het spel met het balletje op het hellend vlak. Papa reikt 500 frank uit aan diegene die eerst tot bij de zestig geraakt. Ieder om beurt proberen ze. Dan komt Tom. Het lukt hem. Hij raakt tot zestig zonder te vallen. Papa zegt dat hij chirurgenhanden heeft.   Wij zijn twee vrienden/Dennie Christian- Ze zit in kousenbroek aan de bar lichtjes heen en weer te draaien. De bar is een op maat gemaakt meubel dat de benedenverdieping bij elkaar houdt. Het is wit en glad en loopt van aan de tuindeur in de kleine keuken over twee meter richting living, waar het een sierlijke bocht maakt en de muur van de living liefdevol omarmt.  Recht tegenover het lange gedeelte van de bar zit een deur in datzelfde witte, strakke materiaal. Door de enorme dimensie toont die deur het belang van de ruimte erachter: de praktijk van mama. Ze mogen altijd, bij het kleinste gemis, door die deur lopen en aan Lily zeggen dat ze mama willen zien. Dat heeft ze net gedaan. Nu zit ze aan de bar met een zwaar gevoel in haar buik. Ze wil dat het eindelijk stopt. Ze kan er niet meer tegen hoe Jos Put, wanneer ze met heel de troep bij zijn thuis zijn, speciaal voor mama liedjes opzet. Vooral dat “Ben ik te min” kan ze niet meer verdragen. Dat is een lied voor ‘socialisten’ had ze iemand horen zeggen. Nieke was ook voor de ‘socialisten’, dat weet ze van mama, van toen er ruzie was tussen mama en Nieke. Het was nooit ruzie bij haar thuis, en Nieke zorgt heel goed voor haar terwijl mama werkt. Ze zingen elke dag samen “wij zijn twee vriendjes tot de laatste snik rikketikketikketik”. Maar toen was er toch eens ruzie over dat Nieke meer geld wilde en mama vond van niet. En toen riep mama iets over socialisten. “Ben ik te min” was misschien voor socialisten, maar zeker ook voor verliefde sukkels die aandacht vragen. Jos Put heeft alleen oog voor ‘Sneeuw’, een naam die hij voor mama heeft uitgevonden en die wel mooi bij haar haar klinkt maar toch onnozel is vanwege Jos Put. Mama spreekt over hem altijd met ‘Tupje’. Dat kan ze helemaal niet uitstaan. Haar buik voelt als een diepe, donkere kamer die haar pijnlijk naar beneden zuigt. Maar mama komt seffens en zal dan eindelijk voelen wat zij voelt. En dan zal het gedaan zijn met Jos Put. Ze zal die dobberende bubbel in de buik van haar dochter begrijpen en eindelijk inzien hoe erg ze zich vergist heeft, het onderschat heeft en ze zal spijt hebben, haar dochter in de armen sluiten, en vergiffenis vragen. Wanneer ze haar binnenste zal zien. Maar de bubbel komt niet ter sprake. Mama komt een tas koffie drinken tussen twee patiënten door. Ze komt met haar witte schort, lange laarzen, mooie pony en haar vertrouwde geur van zoete zonnebrandolie, UVA lampen en medische latexhandschoenen gewoon een kusje halen bij haar ‘konijn’. “Natuurlijk gaan we met z’n allen its leuks doen dit weekend”. En de zaak is afgedaan. Ze blijft verweesd achter. Tegelijkertijd voelt ze een verbetenheid en vechtlust om in haar kousenbroek en met al haar lenigheid het gevecht met Jos Put aan te gaan en hem in één klap uit te schakelen, naar een andere wereld te katapulteren, waar niemand nog ooit komt en zij er nooit nog last van zulle hebben. Ze draait lichtjes heen en weer op de stoel en mama is vertrokken. Door de grote deur, naar de volgende patiënt. In haar knappe witte schort.   Respectable/Mel & Kim- De Putten huren voor het eerst een appartement boven Liliane. Onmiddellijk wordt Liliane‘het lekkerste ijs’ van Knokke. Maar het lekkerste ijs van Knokke is de Post, dat weet iedereen die Knokke een beetje van binnenuit kent. De Putten zijn er voor het eerst, dus weten zij veel. Dat probeert ze Erik Put duidelijk te maken, die lelijke, betweterige, egoïstische etter. Hij staat in de donkere gang van het huurappartement en hij weet het weer beter. Over Liliane en De Post. Hij weet het altijd beter, ook bij haar zus, die hij altijd belt om te vragen wat ze aanheeft. Wat denkt hij wel? Ze wordt opeens heel boos op Erik. Ze zoekt naar woorden om deze vijf jaar oudere debiel de mond te snoeren. Maar in plaats daarvan voelt ze haar been naar achteren trekken om dan met een geweldige zwaai een stamp in zijn ballen te mikken. Ze weet dat dat echt niet mag. Het voelt week en zacht aan, dus waarschijnlijk is het precies de goede plek geweest. Erik klapt dubbel. Ze heeft hem nog nooit zo horen janken. Hij zegt niets meer en ziet rood van woede, wat geen zicht is onder dat stroblonde haar.   When the Rain begins to fall/ Pia Zadore & Jermaine Jackson- Bijna helemaal aan het einde van de dijk, waar de appartementsgebouwen abrupt stoppen en de duinen beginnen, ligt een winkel die een bijzondere aantrekkingskracht op haar uitoefent. Hij ligt op een plein vlak achter de dijk. Het plein is niet echt een plein maar een inham van een ooit majestueus hotel dat niet op de dijklijn maar er vijftien meter achter is gebouwd. Het werpt twee armen naar de zee onder de vorm van zijvleugels. In de linkerarm ligt de winkel met de fascinerende naam Wishbone. Daarin weerklinkt voor haar het zeemansbestaan. Langgerekte mijmeringen en heldhaftige dromen over het beenharde leven van een zeiler-avonturier. Ze verkopen er zeil- en surfmateriaal maar haar interesse gaat uitsluitend naar de kast waarop in rijen boven elkaar, op kleine katrollen het mooiste touw ter wereld is opgerold in kleuren waartussen ze niet kan kiezen: felblauw met kleine roze streepjes, rood met gele streepjes, zwart met fluo groen. Dunne koorden en dikke touwen, allemaal glad, nog niet aangetast door het zout van de zee, of het geschuur tegen de katrollen waarin ze gedurig heen en weer zullen worden gesleurd om over stag te gaan of te gijpen. Daar niet zo ver vandaan hangen de messen. Werkmessen voor op de boot, niet vlijmscherp maar robuuste dingen, in een fluo gekleurd synthetisch jasje. Zij wil die met het fluo groene heft. Ze staart naar het oog aan het uiteinde van het heft, want daarin hoort zo’n touwtje, om het zakmes via het touw aan haar broek of ergens aan haar zeiljas vast te maken. Zodat het mes, tijdens een levensgevaarlijk maar koelbloedig uitgevoerd manoeuver op zee, waarbij het terug in de broekzak steken de fatale seconde zou betekenen die alles om zeep zou helpen - gewoon blijft bengelen aan dat kleine, maar levensreddende touwtje; Ze zou het op het einde, wanneer de rust was weergekeerd als een trouwe compagnon in haar hand sluiten zoals een goede vriend. Zelf heeft ze één keer gezeild. Op blote knieën zat ze in een wiebelende bak op een meer, en de combinatie van het water en het korrelige polyester was pijnlijk. Ze bleef voorovergebogen zitten om haar hoofd te beschermen tegen het klapperende zeil en de stang waarop het was vastgemaakt en waar ze geen controle over kreeg. De monitor, een oudere, blonde man, riep haar vanop de kant toe en maakte daarbij grote, en steeds wildere bewegingen met de armen, maar ze verstond hem niet en dook maar net op tijd opnieuw weg voor het onvoorspelbare zeil. Ze probeerde zich de windroos die hij even tevoren op het bord had getekend te herinneren, en hoe zich dat verhield tot dit bootje en wat er nu moest gebeuren. Maar in de Wishbone weet ze dat ze geroepen is om te zeilen, om een woeste, wilde zeilversie van Pipi Langkous en Kalle Blomkwist te worden. Ze koopt een rood touwtje met blauwe streepjes, een elleboog lang. Ze voelt er gedurig aan in haar broekzak. Ze voelt wat er nog niet hangt. Het mes, en dan een boot en dan de wilde zee.   You’re my heart, You’re my Soul/Modern Talking- Mama heeft een mooie, oude villa gehuurd in een van de kleine straatjes van het Zoute, zodat ze met z’n allen samen zitten. Niet meer tussen twee appartementen heen en weer hoeven te gaan. Het heeft een uitsprong met kleine, gele tegelraampjes waar ze met haar vriendinnetje Tina zit te kaarten. Ze spelen Vluggeren er is niemand die dit spel sneller kan spelen dan zij twee. Elke speler heeft een rij van vijf kaarten voor zich liggen, eronder ligt omgedraaid, onzichtbaar de rest. Om ter snelst moeten de kaarten op volgorde afgelegd worden, met één hand. Ze spelen een tijdje. Mama beslist dat ze met z’n allen naar de openluchtmis in het Dominicanenkerkje om de hoek gaan. Maar zij moeten niet mee. Ze mogen blijven en verder kaarten. Ze zijn elkaar in snelheid waard. Tina wint en dan zij weer. Voor ze het weten zijn de anderen terug. Mama komt als eerste binnen, gevolgd door Jos Put. Ze ziet meteen dat mama ontgoocheld is. Mama kijkt haar met een lege blik aan en laat haar schouders hangen. Ze weet niet wat ze verkeerd heeft gedaan. Dan hoort ze Jos: “Zie je wel, ze hebben helemaal niet opgeruimd.” Mama kijkt naar de tafel en dan naar ons: “Ik had tegen Tupje gezegd dat jullie zeker de ontbijttafel zouden hebben opgeruimd. Om ons te verrassen. Maar jullie hebben niets gedaan.” Het kind voelt een bal in haar buik. Waarom heeft die onnozele Jos nu gelijk gekregen, alsof hij haar beter kent dan haar eigen mama.  Ze wilt de tijd terugdraaien. Ze haat het dat ze haar mama heeft teleurgesteld ten aanzien van die onnozelaar. Ze helpen opruimen en turnen nadien in het driehoekige stuk tuin voor de villa. Handenstand en radslag.   Annabel/Hans De Booij -De kleinste Put loopt non-stop van de ene naar de andere kant door zijn huis. Op en af, op en af. Zijn armen in de lucht terwijl hij een ‘znnnznnnn’ geluid maakt. Het lijkt alsof hij naar het einde van de wereld wil vliegen. Ze hoort een jankend geluid van boven komen. Dan een brullende stem: ‘Het moet ermee gedaan zijn!’ Ze durft niet goed te gaan kijken. Het zijn maar zeven treden tot boven. De geluiden komen van aan het einde van de gang. Snel schiet ze de trap op en kijkt links de gang in. De strook haar die normaal over zijn kale hoofd heen geplakt ligt, hangt aan de zijkant te bengelen. Zijn bril staat scheef op zijn gezicht. Een wildeman. Het heeft iets onnatuurlijks. Jos Put gooit zijn zoon de lucht in alsof het een bal is. Erik schuurt af en toe tegen de witte bakstenen muur terwijl hij kermt. Jos rammelt zijn zoon af. Er is iets geknapt en nu is hij zijn kind aan het toetakelen. Ze vindt het een wonderlijke vertoning. Zoveel woede en zoveel elegantie tegelijkertijd, alsof het om een strandbal gaat. Erik tuimelt in de lucht, houdt zijn hoofd vast en roept, jankt, met overslaande stem: “nee, nee.”   That’s Amore/Dean Martin -Ze ligt aan de rechterkant van het bed, aan papa’s kant. Het buigt lekker diep door. Aan mama’s kant brandt het lampje nog. Af en toe wordt ze wakker omdat mama haar stem verheft. Mama ligt naast haar. Het is al donker buiten. Papa is weg voor zijn werk. Naar Afrika.  Mama maakt ruzie met Jos Put. Soms gooit ze de hoorn neer. Dan belt hij onmiddellijk terug. Mama roept normaal nooit. Ze is met papa getrouwd omdat hij niet roept. Opa riep vroeger dikwijls en dan was mama bang. Mama houdt niet van roepen en nu doet ze het zelf. Ze roept tegen Jos Put. Ook al is het tegen Jos Put, ze vindt het niet fijn dat mama zo tekeer gaat.   Ze zitten in Kreta, een Grieks restaurant op haar straat. Ze zijn er met z’n vijven naartoe gestapt. Niet met z’n allen, z’n veertienen. Het gebeurt niet vaak dat ze alleen op restaurant gaan. Als gezin. Hier krijgen de grote mensen Ouzo na het eten. ‘Van het huis’. Dat weet ze nog. Iedereen aan tafel heeft een begrafenisgezicht. Papa heeft gezegd dat hij bij Annick wil gaan wonen. Haar zussen wenen. Zij niet. Ze voelt niets. Ze kent die man niet. Hij is er nooit. Of hij zit te werken. Hij verpest het nooit voor haar. Of toch niet actief. Maar hij is ook nooit met haar bezig. Dus of hij nu blijft of niet, ze ziet daar niet zoveel verschil in. Wanneer de Ouzo op is, beslist hij om toch bij hen te blijven. Ze weet niet of het is omdat de anderen huilden, of omdat zij niet huilde.     1992 - 1999   Gnossiennes/Erik Satie- De vogels fluiten vroeg. Ze is het niet gewoon door de natuur gewekt te worden. Voorbijrijdende auto’s, dat wel, maar die snorren mee op het ritme van haar droom. Deze vogels zijn zo invasief, prikken haar slaap kapot, dwingend. Mama heeft haar droomhuis gevonden. Eindelijk. Weg van de praktijk, zodat ze ’s avonds de deur achter zich dicht kan trekken en er een fysieke afstand is tussen haar en het werk. Misschien ook een mentale afstand. Weg van de herinneringen aan die intense geschiedenis. Open ruimte. Vrijheid. Anonimiteit. Ze is kwaad. Ze mist het prachtige rijhuis. Nu ligt ze in een spuuglelijk, vrijstaand huis met een Oostenrijks soortig dak en een afbeelding van een eend boven de voordeur. Wel met een grote tuin, maar afgelegen. Ze geraakt nergens meer. Niet op café, en niet op fuiven. Voor de school hoeft het niet meer. Ze zit op internaat sinds vorig jaar. Zelf gekozen. Om Frans te leren. En omdat ze toch altijd alleen thuis was tijdens de week. Haar zussen op kot, mama en papa tot laat aan het werk. Voor de weekends is dit huis echt niet praktisch. Op tien kilometer van alles. Nu moet ze met de bus of met Herman. Gelukkig heeft ze Herman. Mama liet haar eerste keuze voor de kamer. Ze slaapt als enige beneden. Een kamer met blauwe natuursteen. Kil, lelijk maar mét open haard. Heel het huis is lelijk. Deze keer heeft ze niet begrepen wat mama erin ziet. Het is koud en klam in haar kamer. Die is als een legoblokje op het huis geplakt – een uitstulping. Wel met terras. ‘Dat is het Oosterterras, daar staat de zon zo mooi op ’s ochtends!’ Vandaag staat haar taak Frans op het programma. Ze moeten tussen een hele reeks poëziebundels van Franse surrealisten eentje kiezen en daar iets ‘vernieuwends’ mee doen. Ze wil een dansvoorstelling maken, met de gedichten van Paul Eluard. Ze verstaat zijn teksten niet altijd. Verstaat bijna niets eigenlijk. Maar twee gedichten wel en die vindt ze top. Vandaag gaat ze door heel de bundel, om alles te ontcijferen en er de lijn die ze in haar hoofd heeft, uit te halen. Straks komt ‘Antwerpen’ op bezoek. Mama heeft Tony en Thierry genodigd. Tony kan haar helpen met het Frans, hij is tweetalig opgevoed en koketteert genoeg met zijn talenkennis. Dan kan hij iets teruggeven in ruil voor de eindeloze stroom onnozele moppen die ze moeten aanhoren. Ze wil tekst, muziek, dans en decor gebruiken. Ziet het zo voor zich. Sowieso de Gnossiennes van Satie. En dan twee dansers en drie actes: liefde, twijfel, verval. Ze is opgetogen over haar idee. En vanavond, wanneer het af is, komt haar lief.   Ze ziet Charlie de oprit opwandelen. Hij heeft zijn gitaar in de hand. Zijn stijve, lange haren in een paardenstaart, zodat zijn brede nek zichtbaar is. Dat liften van hem vindt ze geweldig cool. Op slag verliefd was ze, toen ze hem voor het eerst zag. Een rebel, een eigenwijze superstar. Leek zich van niemand iets aan te trekken. Hij was van een andere stad, en ze wist niets over hem. Behalve dat hij er echt goed uitzag. Haar vrienden zegden dat hij een nietsnut was. School skipte. Niets voor haar dus. Ze wist het niet, had nog nooit met hem gepraat. Toch had ze hem uitgenodigd voor een fuif, via een briefje dat Herman hem had bezorgd. En hij was wonderwel gekomen. In het laat. Ze had al te veel gedronken. Zonder een woord te wisselen waren ze beginnen kussen. En kort daarop moest ze overgeven. Haar vrienden vonden het een schande. Dat ze met een vreemde kuste. En in zo’n staat. “Wat doe je nu!”,half verontwaardigd, half bezorgd. Het was wat bizar begonnen maar nu waren ze smoorverliefd. Charlie kon fantastisch zingen. Hij deed wat hij wilde, was brutaal en onbezorgd – maar voor zijn ouders een zorgenkind dat niet wilde studeren. Zij vond hem geweldig, wild, origineel. En naar haar luisterde hij wel. Zij zou hem wel op het rechte pad brengen. En daarmee het benepen en kortzichtig idee over zijn ‘andere achtergrond’ van mama en papa voor eens en altijd tenietdoen. Gelukkig waren ze van het principe van het ‘open huis’: “Laat die lieven maar binnen komen, dan weten we wie ze zijn, geen geniepig gedoe, dan is het ook des te rapper gedaan.”   Ze loopt naar buiten en ze kussen lang. Ze voelt dat hij haar een briefje in de hand stopt. Leuk. Ze geven elkaar vaak kleine briefjes of spulletjes, lieve cadeautjes.   “Ik heb iets laten zetten wat je niet leuk zal vinden. Maar het is onomkeerbaar en ik heb er goed over nagedacht. Het staat op mijn schouder zodat ik het niet de hele tijd hoef te zien, wanneer ik het dan beu ben, is dat precies de goede plek. Het is klein en met een mooie vorm. Hopelijk ben je niet boos. Ik hou van je Charlie.”   Ze kijkt hem aan, vol ongeloof. “Mag ik het zien?” Hij opent zijn hemd en toont zijn schouder. Ze ziet een klein mannetje, zwart, asymmetrisch, grafisch, ze herkent het meteen. Het ventje van Einstürzende Neubauten. Ze kan er niet omheen, het is een goede keuze. Stoer én kwetsbaar. Maar ze voelt ook boosheid. Onmacht. Een tattoo gaat nooit meer weg, het is dom. Ze hoort de echo van mama en papa in zich gonzen. Ze vervloekt zichzelf.   Au suivant/Jacques Brel- Heel nauwkeurig heeft ze de meubels uitgezocht die op haar kot zullen staan, maar het is natuurlijk ook een familieproject geworden waarbij mama haar halve hebben en houden aan haar wegschenkt en haar zus wordt ingeschakeld om gordijnen op maat te stikken, mét verduisteringsstof waarvan ze hopen dat ze ook geur en geluid zullen tegenhouden. Het kot ligt net boven de ‘Touareg’, de oudste pitazaak in de stad en op tien meter van de oude markt. Ondanks het servies dat mama haar zo royaal schonk, wil ze vooral de Mexicaanse borden en tassen gebruiken die zij en Herman voor dit eerste kot hebben uitgezocht. De bank en houten eettafel zijn assorti en een relict uit haar kindertijd waarvan ze geen afscheid kan nemen. Het bureau, met lederen bekleding, plaatst ze in de slaapkamer, zodat de living gevrijwaard blijft van serieuze zaken en volledig kan ingezet worden voor vrienden en vrije tijd; Ze ziet kaas- en wijnavonden voor zich, quizmomenten, geschaterlach tussen laaghangende rookwolken. Eindelijk kan ze ongegeneerd roken, zoveel ze zelf wil.   Via con me/Paolo Conte -Ze eten stokbrook. Ze gebruikt haar eigen mes, een prachtig gevormde Gwalarn die met het klein rood-blauwe touwtje van altijd vasthangt aan haar vareuse. Eerst een stevige klot zouten boter en dan een laagje abrikozenconfituur. Er bestaat geen beter ontbijt. Het wakke brood, de frisheid van de scherpe botersmaak en het zoete, zachte van de confituur. Ze spoelt na met oploskoffie en sluit de ogen. De zon is al warm op haar hals en rechterkaak. De boten naast haar ontwaken. Ze luistert naar de stalen koorden die tegen de masten klapperen. Ze geniet nog even van haar blote benen en voeten in de zon en maakt zich dan klaar voor vertrek. Het wordt stilaan laagtij, het water stroomt de engte uit richting zee en ze profiteren daarvan om zonder veel moeite weg te komen. De vaargeul is al redelijk ondiep, de rotsen steken hier en daar boven het water uit. Herman navigeert. Hij ziet eruit als een jonge, joodse intellectueel met bruin krullend haar en een uitgesproken grote neus. Hij heeft iets onoverwinnelijks, staat relax in het leven. Zij neemt het roer. Vooral als de zee wild is en de golven haar in een groot alfabet van v’s omtoveren, wil je dat zij aan het roer staat. Dan danst ze met de boot en geeft ze hem de ruimte die hij opeist om de golf af te glijden. Maar omgekeerd trekt ze stevig bij wanneer de voorsteven de golf inklieft en erover moet. Op het eind komen ze precies uit waar het moet. Maar nu is het rustig varen. De zee is kalm. Het water klotst tegen de boeg. Ze varen een hele dag en tegen vijf uur liggen ze voor anker ter hoogte van Ploumanac. Je kan er met deze stroming onmogelijk binnenvaren. De ketting van het anker staat strak gespannen. Het zal niet makkelijk zijn om straks foutloos te vertrekken. Ze wachten op het juiste tijdstip, wanneer laag- en hoogtij elkaar afwisselen en er minder weerstand is van het water. Anders smakken ze tegen de rotsen. Het is een riskant manoeuver. Herman neemt deze keer het roer. Lien doet de fok. Zij zal het anker lichten, zo trekken dat de boot er net boven ligt en dan, wanneer het loskomt van de bodem, brullen naar Lien dat ze de fok moet hijsen want anders zijn ze de speelbal van de stroming. De ketting is glibberig, koud en pijnlijk in haar handen. Hij schuurt en bovendien zit ze in een ongemakkelijke houding. Haar reddingsvest maakt bewegen lastig. Het anker komt los en ze brult. Lien hijst de fok en ze merkt dat ze op Liens touw staat. Het zeil flappert en snokt dan en ze tilt zich kapot aan die onhandige ijzeren reus. De adrenaline raast door haar heen. Ze sukkelt met haar laarzen, probeert grip te krijgen tegen de lage rand van de boot, zodat ze zich kan afduwen om naar achter te leunen en dat anker binnen kan trekken. Het moet vooraan in de boeg door het valluik. Ze maakt zich klein zodat de wind haar werk kan doen in die fok. Dat gaat moeilijk met die laarzen en zwemvest, maar Lien en Herman doen uitstekend werk. Het anker ligt op zijn plaats. De ketting gooit ze er achter aan, haar pink zit er even tussengedraaid en er gaat wat vel af. Pijn. Schudden met de hand. Ze doet het luik dicht en kruipt gehurkt naar achteren. Ze varen Ploumanac binnen. Ploumanac, Perros-Guirec, Trébeurden, Loquivy. De woorden smaken als stoere zeebonken in haar mond. Het is een wereld die ze vooral kent vanuit de boot, een kustlijn met merkpunten, watertorens, rotsen die in lijn moeten liggen met de kerktoren zodat ze koers kunnen houden, en ‘s avonds een haventje, het weerbericht aangeplakt aan de cabine van de havenmeester en – niet onbelangrijk - een douche. Ze monstert de omgeving. Ploumanac heeft een vuurtoren met ‘quatre éclats tous les dix secondes’. De omgeving is ruw en schraal. De elementen hebben hier een filter op de kleuren gezet, zoals fel licht alles verbleekt: het groen van het helmgras is vooral zilver, het blauw van de loopbrug is vaal en er lijkt een laagje korrelig zand over te hangen. Ze krabt in haar haar. Het plakt op haar voorhoofd door de spetters zee, de brandende zon en de resten zonnecrème. De zon heeft haar haardos uitgedroogd en ze kan het breken. Wanneer ze haar ogen groot open doet en de wenkbrauwen naar boven gooit, trekt haar hele voorhoofd. Het gloeit en allicht heeft het de kleur van een babykreeft. God weet hoe ze eruit ziet. Ze voelt dat haar haar alle kanten op staat. Door de wind en de vochtige lucht is het beginnen te kroezelen en heeft ze net een heiligenkroontje van friezelhaar. Haar hoofdhuid jeukt en ze voelt korstjes. Ze kan er niet afblijven en krabt ze van haar hoofd los. Het is zaak ze uit haar haar te trekken zonder ze te verliezen. Daarvoor moet ze het korstje heel stevig met haar nagels beethouden en het als een klein kind dat van een glijbaan roetsjt goed begeleiden tot aan een haarpunt. Het verlangen naar die douche is onhoudbaar. En nadien een broek aantrekken die nog niet vuil is, misschien de donkerblauwe met onderaan elastieken en grote zakken op de heupen. Een frisse T-shirt en daarover haar dierbare Glazik, rozig en afgekleurd door de zon. Herman komt naar boven met drie frisse pinten. Lien volgt met nootjes en verse worst.   Space Lord/ Monster Magnet- “Piet?” roept ze uit, verraste ongeloof in haar stem. Zij heeft hen al van ver in de gaten. Eerst het meisje, halflang asblond haar, een bruin, ontspannen gezicht, zelfverzekerde blik, en een donkerblauw kleedje, duur in al zijn eenvoud. Dan pas hem, in een witte T-shirt, jeans en dikke, bruine mefisto’s - veel te warm voor de tijd van het jaar - die hem ondanks hun plompheid toch allure geven. Zij zijn druk pratend vanuit Pieter De Somerhet binnenplein van het Pausover gewandeld.  Pausis zijn plek geweest, vijf jaar lang. TEW. Niet zo’n moeilijke studie. Een verlengde van de middelbare school volgens papa. Zijn thesis had hij over de kunstsector geschreven - schilderijen - op aangeven van zijn moeder Annick want zijn hart lag bij auto’s en voetbal. Ze stond met Lien aan de overzijde, op de drempel van het Hogeschoolplein met het Pauscollege. Het binnenplein lag er verlaten bij. De dag was nog jong en ondanks het seizoen – het was begin juli - hing er een aangename koelte in de lucht. De meeste studenten hadden Leuven al verlaten. Zij niet. Ze lummelden wat aan in de gelukzalige tussentijd die enkel het studentenleven kenmerkt. Het vacuüm van enkele dagen waarin de tijd geen tijd is en er, na de heroïsche examenprestatie, een gevoel van volledig zorgenloosheid hangt. Het plezierige niemandsland waarin alles kan en alles mag omdat het verdict nog niet is gevallen en er bij gebrek aan vonnis, niemand al voorwaarden kan opleggen. Nu was dat laatste voor hen een mindere zorg: ze haalden zonder al te grote inspanning jaar in jaar uit eerste zit en naarmate de jaren vorderden voegden zij daar telkens nog een graad aan toe. Het enige waar zij op dit moment mee bezig waren, was het zich overgeven aan de totale ontspanning, op een plek waar ze graag rondhingen. Het Paus was weliswaar mannelijk terrein, maar er hing ook een zware nostalgie in de lucht die een merkwaardige aantrekkingskracht op hen beide uitoefende, alsof het de geschiedenis zelf was die hen uitnodigde in haar vertrekken te vertoeven. Het Pausals de statige verpersoonlijking van waar de respectabele universiteitsinstelling al jarenlang voor stond: grandeur, eruditie, betrouwbaarheid, degelijkheid. Het college was al generaties lang ingenomen door veelbelovende zonen van de hogere sociale klasse en de vrije beroepers die goed verdienen en waar het metier van vader op zoon werd doorgegeven. Speelvogels die hun studies met schijnbaar gemak door walsten in het onwankelbaar geloof dat het succes van hun ouders mutatis mutandis op hen zou overvloeien. Piet bleef staan, keek op, en onderzocht haar gezicht. Het duurde lang vooraleer hij aarzelend ‘Bine?’ wist uit te brengen. Die naam had ze – behalve bij haar thuis – al in geen jaren meer door iemand horen uitspreken. Ze droeg sinds haar studententijd een geheel nieuwe bijnaam waarvan zij vond dat die robuuster was en daarom beter bij haar paste. Ze lachte. Hij ook, eerst een grote, enthousiaste lach en glinsters in de ogen, daarna dat stel ruwe handen voor zijn verbaasde mond: “Ik zou je nooit herkend hebben!”Bijna tien jaar was het geleden dat zij elkaar niet meer hadden gezien. Piet was veruit de sympathiekste geweest. Haar herinnering aan hem was zuiver – ongetroubleerd.   2015 – 2018   Old Pine/Ben Howard- Ze staan voor het appartement, klaar om naar het strand te vertrekken. Ze zoekt haar zonnebril, tast in haar buikzakje, zoekt dan in de rieten mand. ‘Mama, mijn soldaantje is uit’. ‘Wacht even, lieveling, mama is even bezig’. Hij staat op haar hoofd. Ze heeft de plooibare kar zo geladen dat ze Kappi er bovenop kan zetten. Limme moet zelf stappen en de schoppen dragen. Ze gaat terug naar binnen om het tentzeil te halen. Het is een estafette: lift open, kinderen eruit, tussen de liftdeur staan om spullen eruit te halen, af en toe op de ‘blijf open’ knop duwen, de kinderen zeggen dat ze in de gang moeten blijven, de voordeur van de trappenhal opendoen en er iets tegen zetten, de kar naar buiten rijden en de rest van de spullen er beter in zetten, de kinderen roepen dat ze mogen komen, de ene een schop geven en de andere op de plooikar zetten, het tentzeil gaan halen. Ze opent de voorste gesp van het sandaaltje en steekt zijn voetje er terug goed in. Dan vertrekken ze. De kar afgeladen vol. Een rieten zak met zwemgerief en in die zak een zak apart met ‘belangrijke spullen’, sleutels, gsm, bril, portefeuille, tutjes, dingen die ‘zandloos’ moeten blijven. Een lege plastic zak voor het afval dat nog komt. Een zak met lectuur, een zak met reservekledij en kaka-doekjes, emmers en soldaatjes, de houten hamer voor het tentzeil, twee plooistoeltjes, en dan nog een grote mand op wielen met het zeil, de parasol, en een winddraaiding zodat de kinderen de plek op het strand van ver herkennen. Als ze echt in vorm is neemt ze de boot ook mee. Maar vandaag is er te veel wind. Misschien komt Patrick vandaag. Hij was nog niet zeker. Hij vindt deze volksverhuis totaal belachelijk en zou nu al vies gezind zijn. Hij heeft het razend druk met transfers. Ze onderhandelen over een Turk, en een Griek, en een club uit Firenze wil hun Serviër – of ging dat over Milencovic (heet hij zo?) – of was dat die Serviër? Ze weet het niet meer precies. Nochtans boeit het haar wel wanneer hij erover vertelt. Maar ze kan op die jongens geen gezicht plakken en dan haspelt ze alle verhalen door elkaar, alsof het haar maar matig interesseert. Ze vindt het beter dat hij niet komt als hij toch continu moet bellen. Want anders heeft ze verwachtingen: dat hij met de kinderen speelt, enthousiast is, voorstellen doet voor activiteiten, de gewone dingen die zij altijd doet. Het zou betekenen dat de peer in twee is gehakt en ze allebei ook wat kunnen lezen en een ‘teamgevoel’ hebben. They are in this together. Meestal leest hij heel de dag die verdomde strontkranten. Of zit hij op de i-phone. Ze irriteert zich vanaf seconde drie. Ze probeert dan te doen of hij er niet is, want als hij er niet is gaat het prima. Dan is ze ingesteld op alles zelf doen en hoeft ze met niemand rekening te houden. Het is een prima dag.   De golven maken een diep basgeluid; Ze volgen elkaar in een flux tempo op. Het kleine, gespierde lichaam springt over de kleinste golfjes, keert zich om en begint opnieuw. Sinds Kappi gerustgesteld is dat er geen wolvende zee uitrollen, gaan alle remmen los. Hij roept over zijn schouder: ‘is er een boord aan de zee?’ ‘Hoe bedoel je?’ vraagt ze hem. ‘of een trap, mama, zoals een zwembad?’ Ze lacht. Hij neemt nu een aanloop en rent de zee in. Hij duikt, hoofd onderwater, onder de voor hem reusachtige golf. Even is hij onzichtbaar, een halve seconde voelt ze zich ongemakkelijk, tot hij terug boven komt. Hij spettert wat op de branding. Limme’s gezicht straalt in de zon. Wanneer een echt grote golf bijna breekt, springt hij en draait een halve slag in de lucht. De golf kletst tegen zijn rug en hij krijgt enkel een gulp water over zijn haren. Het is een trucje dat ze hem leerde. Want als ze de golven uit het oog verliezen, het gevaar niet in het gezicht kijken, worden ze verrast langs achter en dan is het water slikken. ‘Mag ik nu tot aan jouw tepeltjes in de zee?’ Hij bedoelt dat hij heel diep wil gaan. Hij kijkt haar vragend aan en dan merkt ze dat er iets verandert in zijn blik. Hij kijkt nu pas voor het eerst goed naar haar.  ‘Jij hebt je pyjama nog aan’ lacht hij verbaasd. ‘Mama, heb jij je pyjama nog aan? Ja, hè. Juist hè?’ Ze draagt een Italiaans, linnen kleedje tot net boven de knie, met, nu beseft ze het, hetzelfde fijne blauwwitte streepje als de pyjama die ze vanochtend droeg. Hij heeft helemaal gelijk. Ze schateren het uit. Ze dacht dat ze mooi en verzorgd was, zoals een echte mama die alles onder controle heeft, hoort te zijn, en tegelijkertijd een tikkeltje excentriek, met haar hoge hoed, haar ongecompliceerde, donkerbruin lederen geknoopte sandalen en haar Italiaanse jurk maar hij vraagt doodleuk: ‘ben je nog in pyjama, mama?’ Ze hebben er genoeg van. Voor ze naar de handdoeken spurten, planten ze hun voet daar waar de golf een laatste likje aan het strand gaf. Ze duwen hard, de plek rond hun voet wordt wit, alsof het zand in allerijl opdroogt, zoals met een vinger op een verbrande arm. Ze eten een ijsje en spelen Gooipakmet de bal. Bij pipi graven ze een kuil op het strand en kaka doen ze in de emmer. Ze zien kakbruin. Op weg naar het appartement neemt ze Kappi op haar schouders.   Supercalifragilisticexpialidocious/Dick Van Dyke & Julie Andrews- Ze doen een ritje op de rollercoaster. Ze zitten in het achterste karretje en na de eerste klim daveren ze naar beneden. Ze voelt een gekke wrong in haar buik. Limme roept dat dit het leukste is wat er bestaat. Hij voelt het in zijn piemeltje. Meteen erna schuiven ze opnieuw aan. Er is plaats helemaal voorin en helemaal achterin. Hij kiest helemaal voorin. De slak trekt zich vooruit en klimt. Maar nu blijft hij ook traag gaan in de afdaling, totdat de staart ook helemaal aan de top is. Dan pas versnellen ze. Er is geen effect in de buik of in het piemeltje. Ze stappen uit. Patrick loopt vlak voor haar. ‘Het is veel leuker achteraan want dan gaat het sneller. Dat voel je veel meer in je buik.’ Hij corrigeert haar: ‘Dat klopt niet. Het gaat niet sneller. Natuurlijk gaat het niet sneller achteraan dan vooraan, want anders zou vanachter van voor voorsteken.’ Ze haat dit. Hij behandelt haar als een klein kind, als een stomme trut die zelfs te dom is om iets evident te snappen. ‘Maar dat is niet wat ik bedoel, ik bedoel dat je in het voorste karretje traag afdaalt omdat het ding dan nog remt en achteraan ga je met snelheid de helling af en dat is een goed gevoel.’ Maar hij blijft herhalen dat het niet juist is.  Ze voelt zich in een razend tempo duizend kilometers wegvliegen. Hij is nog een stip in de woestijn. De vakkundige verpester van hun kinderlijk plezier. De volgende twee uur bestaat hij niet meer voor haar.    Als je van beren leren kan/The Jungle Book- Ze had nooit kunnen denken dat een mens zo moe kan zijn. Ze slaapt uren aan een stuk in de speelkamer naast de keuken. Mama kookt er, de kinderen knutselen aan de keukentafel, ze lopen binnen en buiten, roepen, lachen, maar zij hoort niets. Ze is doodop. Mama heeft de plek zo ingericht voor deze zomer dat ze dicht bij ‘het gebeuren’ kan zijn en toch kan rusten. ‘s Namiddag gaat het beter. Dan ligt ze aan het zwembad en leest of tekent, met haar benen opgetrokken, altijd geplooid. Haar buik trekt te veel om gewoon plat te liggen. Ze probeert opa te tekenen. Een tekening in eenvoudige zwarte lijnen. Het moet nog veel beter. Ze vind de vorm van zijn voorhoofd niet, terwijl dat net sprekend is. Mama zegt er niet veel over wanneer ze de tekeningen ziet, behalve ‘wie is dat?’. Ze weet dat mama vindt dat ze haar tijd daarmee verdoet, dat ze vele talenten heeft waarvan tekenen er geen is. Mama is onvermoeibaar, host van de ene activiteit in de andere. Ze maakt milkshake en speelt gezelschapsspellen met de kinderen. Ze draagt handdoeken aan om een kamp te maken in de tuin. Ze zwemt met de jongens. Dan ziet ze dat het jongste kind moe is. Hij wrijft in z’n ogen. Mama zegt dat hij een rustje moet gaan doen. “Ik ben niet moe” probeert hij, maar zijn stem draagt de capitulatie in zich. Hij weet dat hij moet gaan rusten. Hierover is bij zijn mimi geen onderhandelingsmarge. Hij is afgedroogd, heeft geplast en komt de speelkamer in. Hij zoekt iets om naast zijn bedje te leggen. Een verbindingselement, zodat hij nog een deel van de wakkere wereld heel dichtbij heeft. Maar mimi is kordaat. Hij moet de tijd nu niet proberen te rekken. Dit is uitstelgedrag. Grote mensen zijn de baas. Jij bent klein. Er moet nu en onmiddellijk geluisterd worden.Dat hoort ze allemaal in de manier waarop ze plots, luid en streng zijn naam roept. Hij verschiet en springt op van dit onverwacht salvo, alsof hij betrapt is. Zij weet wat haar kind nu voelt. Hoe zijn hart een klop maakt in zijn keel, geschrokken, onbegrepen, bang. Hij neemt mimi’s hand, buigt zijn hoofd en begint onhoorbaar te wenen. Zijn gezicht verkrampt, zijn mond groot open zodat hij genoeg lucht kan happen om die dikke, pijnlijke bal onrecht in zijn buik weg te krijgen. Even is het onnatuurlijk stil, de korte seconden waarin zijn machteloosheid doorklinkt. Zijn hoofd wordt rood en dan volgt een luide, diepe, hartverscheurende ween. Haar hart scheurt, maar ze zegt niets. Mama is nu de baas. Mama is hier de baas.   Zeester met Koffie/Bart Peeters- ‘La première nuit, Il a dormi avec Claire. Après avec Roxane et la troisième nuit avec Georgette.’ Ze zit op de betonnen muur van het kwistax-pleintje en luistert met een half oor naar de bizarre conversatie. De kinderen denderen door elkaar heen. Alsof auto’s, fietsers, vrachtwagens en voetgangers allemaal op een hoop zijn gegooid en door elkaar sjezen dat het een lieve lust is. Maar hier botst er wonderwel niemand. De kinderen weten elkaar telkens op een haar na te ontwijken. Nooit kijken er twee tegelijkertijd naar beneden. Het toeval beslist dat telkens één kind het gevaar op tijd ziet en uitwijkt. Ze kijkt nu naar de vrouw van het telefoongesprek. Ze heeft varkensvoeten die in goudkleurige sandaaltjes zijn geplet. Haar stevige nagels zijn bedekt met een dikke laag roze nagellak. Haar voeten hebben, net als haar kuiten, een worteloranje kleur. Het zijn stevige, dikke kuiten die ze duidelijk graag toont. Het kleedje van dik stof sluit nauw over haar voluptueuze lichaam aan en kruipt in deze zittende houding iets te hoog op. Het is voetbalveldgroen. ‘Zijn uw kinderen hier ook?’ vraagt de vrouw wanneer haar telefoongesprek is beëindigd. Ze is wat dichterbij komen zitten. Zij wijst Limme en Kappie aan. De vrouw kijkt verwonderd. ‘Ze lijken helemaal niet op elkaar.’ ‘Neen?’ ‘Neen.’ Ze kijkt ze even na en draait zich dan naar haar toe. ‘En maar goed ook. Stelt u zich voor, zoals de Chinezen. Daar geraak je niet uit wijs.’ Ze glimlacht en groet de vrouw tot afscheid. Ze heeft een vrij tafeltje gespot op een terras en holt er naartoe. Ze wil graag in de zon zitten en even niet met de kinderen of met iemand anders bezig zijn. Rust in haar hoofd. Rust aan tafel seffens. Niet zoals gewoonlijk. Altijd dat babbelen. Ratelen eigenlijk. Ze kan er niet mee om. Tenen krullend irritant vindt ze het. Ze wil met haar kinderen praten, van gedachten wisselen. Geen circusapen kweken die iets kunnen nabrullen en kunstjes vertonen. Maar het is bijna altijd een opbod: feiten afvuren, rekenvragen stellen, moppen aanleren. ‘Hier liggen nog drie pistolets en vier sandwiches in de mand, allé Kappi, hoeveel is dat? Limme, jij moet zwijgen. Denk eens na, Kappi, tel maar.’ Om dan zelf alles stap voor stap voor te doen en uit te leggen. ‘En herhaal het nu eens, Kappi? Wat heeft papa je geleerd? En nu een mop over Jantje, maar ik kan die mop nog beter maken, en drink uw chocolademelk nu eens verder uit en stop met te wriemelen aan uw piemel en let op dat de confituur niet valt, zet ze verder op tafel, en steek niet zoveel in uw mond. En wat wil je vandaag doen? Een kasteel bouwen, een winkel met bloemen, …?’ ‘MAAR STOP DAAR NU TOCH EENS MEE!’, brult ze in haar hoofd. ‘We worden allemaal gek zo!’ Alsof een geslaagde vaderrol gelijk staat aan de ‘flauwe plezante’ uithangen. Dat of roepen. Boos worden voor niets. ‘Opgelet, pas op, ik zeg het nu niet meer, het is de laatste keer hè!’ en dat woordgebruik ook: ‘tuffen, meppen, fikken…’ en dan achteraf verwonderd zijn dat de kinderen dat zelf ook gebruiken. En voetbal natuurlijk. ‘Waar speelt Lukaku? Welke ploeg speelt in zwart wit? Rood, daar zijn we tegen, hè jongens!’Die voetbalgekte tussen vaders en zonen kan toch alleen maar een soort van leegte verhullen? Papa weet niet goed hoe hij met de kleine moet omgaan. Voetbal dan maar. Dat is veilig. En vanuit de andere kant: als ik papa’s aandacht wil, moet ik iets over voetbal zeggen, dan ziet hij me graag.Zoiets? Ze wordt er doodmoe van. Haar kinderen gaan het zo gewoon worden en continu zo’n aandacht willen, terwijl hij haar net dat verwijt. Dat zij ze te veel aandacht geeft. En waarom moeten die kinderen op hun vijfde en zevende in godsnaam zoveel weten? Het worden irritante etters op die manier, dat kan toch niet anders? Jongens die om de haverklap een mop willen vertellen die ze al zes keer eerder hebben verteld. Daar is niets schattigs aan. De mensen glimlachen uiteindelijk nog uit beleefdheid, en nog voor ze hun hoofd gedraaid hebben, zijn ze blij dat ze ervan af zijn, van die slopende etters. Ze mag er niets over zeggen want dat is ze een bekrompen elitaire trut. Of wijf. Of geit. Maar HET GAAT NIET OM HAAR!! Het gaat om hoe hij die kinderen in het leven zet en de verwachtingen die hij creëert! Er staan twee benen en een mooie lederen handtas voor haar tafeltje. Ze blijven ongewoon lang staan. Ze kijkt op en ziet het lachende gezicht van Katrien. ‘He Moppie, ik wist niet dat jullie ook aan zee zijn!?’ ‘Zo fijn om je te zien! Zet je bij! Ben je alleen?’ Maar dan ziet ze kleine Lili en Eduard aankomen. ‘Fijn dat jullie er zijn! Zullen we samen iets drinken?’ Eduard heeft een lange baard. Hij ziet er wat verwilderd uit. De jongens komen aan gestept en kijken enthousiast naar Lili. Ze cirkelen om haar heen. ‘Fijn, een meisje’ roept Kappi. Lili helpt hem meteen in zijn rolschaatsen. En ze zijn weg, naar het pleintje. De zon is heerlijk warm op het terras en hoewel het pas halftwaalf is, bestellen ze een wijntje. Ze weet van Katrien dat het sinds kort terug wat beter gaat met Eduard en daardoor ook met hen. Dat hij actiever in het leven staat en meubels maakt. Voor ze het weten is er een uur voorbij. Ze bestellen iets om te eten, en blijven tot diep in de namiddag op het terras hangen. Die uitputtende maalstroom van negatieve gedachten helemaal weg.   Komaan met dat lijf, beweeg met dat lijf/Raymond van het Groenewoud- Het is 13.23u wanneer ze vertrekt. Lekker koel onder de bomen. Ze voelt haar billen op en af gaan. En haar lies doet pijn. Frank had gelijk, vanaf je veertigste is het gedaan. Mama was ook veertig – ongeveer haar leeftijd nu. Zij tenniste, dubbel gemengd. Met papa en Jos en Annick. Het moet een bevrijding geweest zijn. Gewoon een lief nemen. In plaats van te klagen. Katrien over Edouard. Lien over Koen. Zij over Patrick en al zijn negativisme. Hij had verdomd gelijk over aanwervingen. ‘Onderzoek wat je stoort bij de beste kandidaat want de ergernis wordt sowieso groter na de aanwerving.’ Bij hen is het net zo. De dingen die haar in het begin al stoorden, irriteren haar nu mateloos. Wie doet dat nu? Je geparkeerde auto vijftig meter verder gaan halen omdat er een plaats voor de deur vrijkomt? Of elke dag uit het niets ineens stukken uit de krant luidop en heel snel voorlezen, zonder je ook maar één seconde af te vragen of dat de ander interesseert? Mama had het gewoon goed voor elkaar. Niemand wil dat gezinsleven opgeven, voor de kinderen niet en omdat het gras op een ander toch niet groener is. Maar alle vrouwen leiden een dubbelleven in hun hoofd. Ze snapt mama helemaal. Het beste van twee werelden. Gewoon openlijk aanhouden met een andere man, en hetzelfde gunnen aan je eigen man, en tegelijkertijd samen dat gezinsleven. Niets opgeven. Heerlijk moet het zijn geweest. Geen gevangenis, geen sleur, niet hoeven uitbreken. Hoedje af. Jammer voor de kinderen wel. Hoeveel heeft ze nu gelopen? Vijfendertig minuten. Mooi. Meer dan ze dacht.   Diamonds on the Soles of het Shoes/Paul Simon- Sheaboter trekt bijtjes aan, merkt ze. Ze zoomen gedurig rond haar benen en scheren af en toe zacht langs haar nek. Telkens schrikt ze op en slaat het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op haar gezicht en eigenlijk is het kleed dat ze draagt te warm. Ze hoort alleen maar natuur, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch is ze ongemakkelijk. Omdat ze iets zou moeten maar het niet aan het doen is. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ze wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel ze van alle genodigden het korst bij wonen, komen ze toch laat aan. Ze parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ze spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ze niet meteen kan plaatsen. Ze feliciteert eerst Tony, en werkt dan de ronde af waarin hij staat. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ze is trots op haar kinderen, het zijn toffe, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter haar rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het doet goed deze mensen terug te zien. Altijd. Patrick kent bijna iedereen. Ze merkt dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ze weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ze krijgt een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mama. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ze ziet aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ze vraagt zich telkens opnieuw af of het aan haar ligt dat ze de kakafonie van geluiden niet goed verdraagt of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles tegoed te willen doen. Ze spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij hen te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze hen uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules-  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeftze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer o

Sabine Steels
0 0

werk- en structuurplan sabine steels

Premisse: Als kind ben je verplicht om mee te leven in het verhaal van je ouders. Wat je ook doet en verzint, er is geen ontkomen aan. Met een dominante moeder is het moeilijk je eigen pad te zien, te kiezen en te ontwikkelen. Hoe vindt je jezelf (terug)?.    Hoofdthema: Identiteitsontwikkeling – gedijen en loskomen uit een aardig nest – je eigen keuzes willen/kunnen maken – vrijheid versus afhankelijkheid - Ouder-kind relatie Concreet motief: water Abstract motief: spiegeling - Hoe vul je zelf de moederrol (en man-vrouwrol) in?     Neventhema 1 Sociale klasse wat is het abstract motief? Wij versus zij tegenstelling Superioriteit versus solidariteit en begrip Oordelen het concrete motief? de mop - de creativiteit - soorten eten- de ‘hulpjes en ‘verkleinwoordjes’ Neventhema 2 Verbondenheid & samenhorigheid versus Eenzaamheid en Vreemd gaan Aandacht geven versus niet gezien worden wat is het abstract motief? Man – vrouw tegenstelling (ook in de stem? Perspectief?) Veel versus weinig (ook in de samenstelling van de teksten?) Het kind horen? het concrete motief? ·       Feesten – dieren - broekkousen Neventhema 3 Mislukken versus slagen wat is het abstract motief?   het concrete motief? Misschien een draad? Touw? Koord?   Literair/inhoudelijk wil ik een sterk zintuigelijke en filmische tekstschrijven, zonder daarbij de spanning uit het oog te verliezen, zowel in de afzonderlijke scenes als in het geheel. Ik let erop niet te expliciteren wat al zintuigelijk beschreven is, om de suggestie te behouden en de lezer te belonen.    Mensen en plekken zijn belangrijk voor mij, en krijgen dus een plaats in het verhaal. Maar ik zal erover waken dat ik daarbij de lezer niet verlies. Als er vele mensen rondcirkelen, moeten ze een functie hebben in het verhaal en moeten het ‘round characters’ zijn Dat de lezer wat moet werken om alles bij te houden, vind ik op zich geen probleem.   Concrete en abstracte motieven moeten nog wat sterker uitgewerkt worden, al heb ik daar wel al enkele ideeën over. In elk geval zal water in al zijn vormen een belangrijke rol spelen als overkoepelend motief.     Perspectief:Of ik met één of meerdere perspectieven zal werken, weet ik nog niet zeker. Daarin wil ik tijdens het proces nog experimenteren. In elk geval zal de stem van het kind wel behouden blijven, die kwam goed binnen en het onderstreept ook het thema. Wel opletten met perspectiefbreuken binnen een en dezelfde passage.   Structuur:Ik denk nu dat ik zal werken met een raamverhaal vanuit het nu (tussen zomer 2017 en nu) waarin het langzaam duidelijk wordt waarmee de HP worstelt en voor zichzelf op een rijtje zet hoe dat komt, verbanden zoekt en inzichten ontdekt (niet letterlijk, ik laat de lezer het werk doen).   Raamverhaal: zomer 2017 Ik zit op een idyllische plek en en heb het gevoel iets te ‘moeten’ Al geschreven Flashback juli 2017 Thuis Hoepertingen: Mijmering over het feest van mama – intro protagonisten - openingsscene die alle personages en ingrediënten in zich draagt Al geschreven Raamverhaal zomer 2017: Ik voel me slecht en denkt aan het moment in de beek Al geschreven Flashback 1983 Kasteelscene: met velen en de ouders met hun relatie Al geschreven Flashback 1986 Thuis Tiensesteenweg: De scene aan het barelement waarin het kind wil dat het stopt Al geschreven Raamverhaal 2017 of 2018   Scene met mijn gezin aan zee: mijn relatie met mijn man en met mijn kinderen Nog te schrijven Flashback 1986   Bekkevoort, het huis van mijn nichten, als onschuldige kindertijd- zorgeloos met nichten spelen in de beek zwemmen. Not overcrowded Nog te schrijven Flashback 1987   Een scene in het huis van een van de ‘lieven’ van mijn ouders Nog verder uitwerken Flashback- 1990   CESUUR of kantelmoment voor mama: Scene die aangeeft dat de relaties worden stopgezet (aan de telefoon of in het Grieks restaurant) misschien vanuit een ander perspectief?? Nog verder uitwerken Raamverhaal najaar 2017: Gesprek met vriendin (telefoon of restaurant?) en kijken naar eigen relaties, werk, … Nog te schrijven Flashback 1992   Thuis (Hoepertingen): De scene van de verhuis en eerste lief Charlie Al geschreven Flashback 1997   De scene van het zeilen Al geschreven  Flashback 1993   Scene met Charlie - Dansen op Bjork Nog te schrijven Flashback 2014   Gezinsmoment: dansen met de kinderen op de Djembe Nog te schrijven Raamverhaal 2018 CESUUR of kantelmoment voor mij: Jogscene uitwerken? Interne monoloog   Al geschreven Raamverhaal of flashback Een scene waarin HP reageert tegen mama/man – zich losmaakt   Nog verder uitwerken FlashForward 2024   De scene van de uitgeefster Al geschreven Raamverhaal of flashforward Brief aan Charlie ‘I am Heath Legder’ Nog te schrijven  

Sabine Steels
19 0

opdracht 6/scene 1 en nu ook scene 2 / sabine steels

Scene 1 We eten stokbrook. Ik gebruik mijn eigen mes, een prachtig gevormde Gwalarn die met het klein blauw-groene touwtje van altijd vasthangt aan mijn vareuse. Eerst een stevige klot zouten boter en dan een laagje abrikozenconfituur. Er bestaat geen beter ontbijt. Het wakke brood, de frisheid van de scherpe botersmaak en het zoete, zachte van de confituur. Ik spoel na met oploskoffie en sluit de ogen. De zon is al warm op mijn hals en rechterkaak. De boten naast ons ontwaken. Ik luister naar de stalen koorden die tegen de masten klapperen. Ik geniet nog even van mijn blote benen en voeten in de zon en maak me dan klaar voor vertrek. Het wordt stilaan laagtij, het water stroomt de engte uit richting zee en we profiteren daarvan om zonder veel moeite weg te komen. De vaargeul is al redelijk ondiep, de rotsen steken hier en daar boven het water uit. Ludovic navigeert. Hij is heel goed. Hij ziet eruit als een jonge, joodse intellectueel met bruin krullend haar en een uitgesproken grote neus. Ik vind hem knap. Hij heeft iets onoverwinnelijks, staat relax in het leven. Ik neem het roer. Daar ben ik goed in. Vooral als de zee wild is en de golven haar in een groot alfabet van v’s omtoveren, wil je mij aan dat roer hebben. Dan dans ik met de boot en geef hem de ruimte die hij opeist om de golf af te glijden. Maar omgekeerd trek ik stevig bij als de voorsteven de golf inklieft en erover moet. Op het eind komen we precies uit waar het moet. Maar nu is het rustig varen. De zee is kalm. Het water klotst tegen de boeg. We varen een hele dag en tegen vijf uur leggen we ons voor anker ter hoogte van Ploumanac. Je kan er met deze stroming onmogelijk binnenvaren. De ketting van het anker staat strak gespannen. Het zal niet makkelijk zijn om straks foutloos te vertrekken. We wachten op het juiste tijdstip, wanneer laag-en hoogtij elkaar afwisselen en er minder weerstand is van het water. Anders smakken we tegen de rotsen. Het is een riskant manoeuver waarbij communicatie alles is. Ludovic neemt deze keer het roer. Marjan doet de fok. Ik zal het anker lichten, zo trekken dat de boot er net boven ligt en dan, wanneer het loskomt van de bodem, brullen naar Marjan dat ze de fok moet hijsen want anders zijn we de speelbal van de stroming. De ketting is glibberig, koud en pijnlijk in mijn handen. Hij schuurt en bovendien zit ik in een ongemakkelijke houding. Mijn reddingsvest maakt bewegen lastig. Het anker komt los en ik brul. Marjan hijst de fok en ik merk dat ik op haar touw sta. Het zeil flappert en snokt dan en ik til me kapot aan die onhandige ijzeren reus. De adrenaline raast door me heen. Ik sukkel met m’n laarzen, probeer grip te krijgen tegen de lage rand van de boot, zodat ik me kan afduwen om naar achter te leunen en dat anker binnen kan trekken. Het moet vooraan in de boeg door het valluik. Ik maak me klein zodat de wind haar werk kan doen in die fok. Dat gaat moeilijk met die laarzen en zwemvest, maar Marjan en Ludovic doen uitstekend werk. Het anker ligt op zijn plaats. De ketting gooi ik er achter aan, mijn pink zit er even tussengedraaid en er gaat wat vel af. Pijn. Schudden met de hand. Ik doe het luik dicht en kruip gehurkt naar achteren. We varen Ploumanac binnen. Ploumanac, Perros-Guirec, Trébeurden, Loquivy. De woorden smaken als stoere zeebonken in mijn mond. Het is een wereld die ik vooral ken vanuit de boot, een kustlijn met merkpunten, watertorens, rotsen die in lijn moeten liggen met de kerktoren zodat we koers kunnen houden, en ‘s avonds een haventje, het weerbericht aangeplakt aan de cabine van de havenmeester en – niet onbelangrijk - een douche. Ik monster de omgeving. Ploumanac heeft een vuurtoren met ‘quatre éclats tous les dix secondes’. De omgeving is ruw en schraal. De elementen hebben hier een filter op de kleuren gezet, zoals fel licht alles verbleekt: het groen van het helmgras is vooral zilver, het blauw van de loopbrug is vaal en er lijkt een laagje korrelig zand over te hangen. Ik krab in mijn haar. Het plakt op mijn voorhoofd door de spetters zee, de brandende zon en de resten zonnecreme. De zon heeft mijn haardos uitgedroogd en ik kan het nu precies breken. Wanneer ik mijn ogen groot open doe en de wenkbrauwen naar boven gooi, trekt m’n hele voorhoofd. Het gloeit en allicht heeft het de kleur van een babykreeft. God weet hoe ik eruit zie. Ik voel dat mijn haar alle kanten op staat. Door de wind en de vochtige lucht is het beginnen te kroezelen en heb ik net een heiligenkroontje van friezelhaar. Mijn hoofdhuid jeukt en ik voel korstjes. Ik kan er niet afblijven en krab ze van mijn hoofd los. Het is zaak ze uit mijn haar te trekken zonder ze te verliezen. Daarvoor moet ik het korstje heel stevig met m’n nagels beethouden en het als een klein kind dat van een glijbaan roetsjt goed begeleiden tot aan een haarpunt. Het verlangen naar die douche is onhoudbaar. En nadien een broek aantrekken die nog niet vuil is, misschien de donkerblauwe met onderaan elastieken en grote zakken op de heupen. Een frisse T-shirt en daarover mijn dierbare Glazik, rozig en afgekleurd door de zon. Ludovic komt naar boven met drie frisse pinten. Marjan volgt met nootjes en verse worst.   Scene 2: Zij heeft Gene en Tine uitgenodigd, en natuurlijk schuiven George, Ben en Maren aan. En de kinderen. Wanneer ze Limme op de binnenkoer de kaarsen ziet plaatsen, stopt ze met sla wassen en blijft ze voor het grote, open raam staan. Hij ziet er goed uit, haar oudste kind, zo groot en zo lenig. Zijn broek is te kort geworden, merkt ze nu. Als hij nu toch maar wat meer zou willen vertellen over wat er in hem omgaat, denkt ze bezorgd, maar ze wordt uit die gedachte gerukt door Kasper Jan die met veel zwier de binnenplaats oprijdt en net voor zijn broer zijn fiets stevig doet slippen. Hij laat z’n fiets met een smak vallen en springt op de rug van zijn oudere broer. “Kasper jan, heb je die eetbare bloemen gevonden?” onderbreekt ze hun gedol. “Jip” roept hij terug en komt naar haar toe gelopen. Dat kind doet haar denken aan een frisse, volle boerenaardappel, vers van het veld. Hij is ookgroot maar veel steviger, geblokter dan zijn broer, enthousiast, wild en onbekommerd. Hij doet niet liever dan met zijn handen in de aarde wroeten, zich vuil maken, de spieren gebruiken. Samen met hem stroomt er een heerlijk koele lucht binnen in de grote, oude leefkeuken. “Ik heb ook bessen geplukt, mama. Ik dacht: ‘die zullen haar sla extra pimpen’, en zodus, tada: besjes.” Hij opent zijn hand, toont zijn trofee en buigt zich naar haar toe, plakt een zoen op haar voorhoofd. “Gaan jullie vanavond spelen?” “We gaan wat jammenals je dat bedoelt, mama. We hebben niets voorbereid maar we doen wel wat. Liever geen drums, dacht ik, toch?”, dat laatste woord rekt hij en laat hij naar boven lopen. Hij doet dat expres en laat intussen zijn wenkbrauwen op en neer dansen. “liever geen drums, zoon” “Wie komen er?” “The Ususal Suspects: Gene en Tine, George, Ben en Maren, want het is haarboek. “Mmmm….., Guitige, Gulle Maren…. Mogen Karel en Toni ook mee aanschuiven, ze komen straks langs?” “Natuurlijk, maar dan moet je de tafel veranderen. Ik had voor negen gedekt. Vraag aan Limme of hij ook nog iemand verwacht.” “Neen, ik verwacht niemand”, lacht Willem Frederik die de deur openzwaait en op zijn moeder afstapt. Hij knuffelt haar en fluistert in haar oor: “de kaarsen: check”. “Zullen we vanavond de Ballade doen, Kaps?” Willem Frederik staat in het midden van de keuken, met de rug naar de piano, kin omhoog en de schouders naar achteren geklapt. Luid en zeer formeel declameert hij, zijn armen maken grote gebaren: “Frères humains, qui après nous vivez,N'ayez les cœurs contre nous endurcis,Car, si pitié de nous pauvres avez” waarna hij abrupt stopt en naar de sla op tafel staart. “Die salade is prachtig, mama, die paarse bloemen erin. Kan je die opeten?” Willem Frederik houdt van mooie dingen, heeft een oog om kleuren te combineren, maar van praktische zaken kent hij niets.  “Het zijn viooltjes, natuurlijk zijn ze eetbaar, spast” antwoordt zijn broer schertsend maar liefdevol en tikt hem in het voorbijgaan op zijn krullenbol. Willem Fredrik gaat hem achterna en knijpt hem in de lende.  “Flink hoor, dikzak, flink, flink, flink”. “Vergeet die tafel niet, Kasper Jan”, roept ze hen achterna, maar ze zijn al in de living verdwenen.  Het huis is ruw, robuust maar gezellig. De zetels in de living lijken al een heel leven mee te gaan. Ze staan wat schots en scheef op de blauwe steen. De grote open haard doet heel het huis ruiken naar verkoold hout. Alle deuren staan hele dagen open, alsof iedereen op elk moment mag binnenwaaien: vrienden, katten, hommels, een verloren rups. Om op de binnenkoer te komen moet je eerst een poort door, volledig overwoekerd door klimop, en een pad langs. Wat dieper ligt de oude molen, met rechts het woonhuis, en dwars daarop de ‘werkplaats’.  De uitgever kan er via de achterkeuken rechtstreeks binnen, maar dat doet ze nooit. Ze gaat naar haar werk via de binnenkoer. Dat zullen ze vanavond ook doen, voor het eten. Met z’n allen naar de overkant, waar Marens eerste boek ligt. Ze was meteen verkocht toen ze het werk van de jonge vrouw voor het eerst zag. Ruwe, zelfzekeren lijnen, geblokte composities, nonchalante, ingekleurde vlakken en gedurfde kleurencombinaties. Preciesde beeldtaal die nodig was voor het verhaal dat al een tijdje op haar bureau lag. Twee landheren die elkaar naar het leven staan maar tegelijkertijd niets zijn zonder elkaar. Ze wilde er een avant-gardistische toets in en had samen met Maren de werken van Léger, Picasso en Gontscharova overlopen. Vooral wat ze in het theater hadden gedaan, de decors en kostuumontwerpen. Maren had er aanvankelijk moeite mee, maar ze bleef vragen stellen en zoeken naar hoe zij haar eigen beeldtaal trouw kon blijven en toch kon bereiken wat de uitgever in gedachten had. Ze was zelf met de oplossing gekomen door het accent te verleggen naar het circus, geïnspireerd door wat Léger daar eerder mee had gedaan. Het sloot beter aan bij het verhaal, voelde ze, verbeelde in letterlijke zin het groteske in de relatie van de twee landheren, en toen ze toonde wat ze ervan had gemaakt, wist de uitgever dat haar intuïtie haar niet in de steek had gelaten. Ben zou ook trots zijn op het resultaat. Zoals steeds had hij ook nu het perfecte papier gezocht, en een formaat en typografie dat het groteske een extra dimensie gaf en ja, het was een parel geworden. Ze zou er mee naar Frankrijk, Engeland en Duitsland gaan. Het zou internationaal landen, daar was ze zeker van, en die euforie wilde ze vanavond in hun samenzijn voelen. Tot laat in de nacht samen eten en muziek maken, met de ramen van de keuken groot open. Geen kat die hen in de ruime omgeving kon horen.  

Sabine Steels
0 0

herfst 1985 - perspectief van mama (opdracht 5 - sabine steels)

Herfst 1985   De indeling van het huis valt goed mee deze keer. Die ene helft van het kasteel is ruim voldoende en we horen de mensen van de andere helft bijna niet. “Vooral de living valt echt heel goed mee, met genoeg goede zetels voor iedereen en dan die grote haard” zeg ik in de deuropening tussen de living en de ruime eetkeuken sta. Jos doet de overschot van de pistolets en koffiekoeken terug in de zak. “Ja, en hij trekt ook echt goed” bevestigd jos. Tupje is al vroeg om pistolets gegaan. Zo anders dan Paulus, die denkt daar zelfs niet aan. We hadden een fijne nacht, hoewel ik wel doodop was van de lastige week. Ik hoop maar dat de medische raad me volgt in de beslissing rond Anne. Het is een risico maar ze zullen toch hun verstand gebruiken en hun persoonlijke relatie met haar aan de kant kunnen zetten? Ik kan me niet voorstellen dat ze er anders over gaan denken. “Piet en Anso, jullie ruimen af, en Roel en Jochen kunnen misschien deze ochtend afwassen, dan zijn jullie er al vanaf voor het weekend. En waar is de rest eigenlijk?” vraag ik terwijl ik de melk in de bijkeuken zet. “In de living, en Bik enzo zijn al buiten” roept Anso vlak achter me “ok, jongens, dan gaan we straks een fikse wandeling maken. Tupje, heb jij al een wandeling uitgestipeld? En waar is Paulus eigenlijk?” “Hij zit in de living te lezen” weet Roel. “Anso, kan je hem gaan zeggen dat we seffens gaan wandelen en dat hij zich moet beginnen aan te kleden. Zijn laarzen liggen nog in de auto. En dat hij dan ook mijn dikke jas uit de auto haalt.”   “Is iedereen klaar? Paulus, roep jij de kinderen buiten dat we gaan vertrekken? Waar heb je mijn jas gelegd?” “Je jas ligt daar op de stoel, zoetje” “Allez, Merci hein, Paulusje. Zo fijn dat je zo goed voor mij zorgt” zeg ik met enige ironie in mijn stem en ik geef hem een welgemikte zoen op zijn mond, waarop hij monkellacht en de deur uit gaat.  “Wacht jij nog op ons Binne? Dan gaan wij alvast door” vraag ik aan Paulus. Heerlijk dat het weer zo goed meezit, en dat het bos vlak aan het kasteel begint, de kleuren zijn zo intens. Ik haak mijn arm in bij Jos, en aan de andere kant komt mijn oudste dochter me vervoegen. Annick loopt net achter ons met Roel en Jochen aan haar zijde. Zo heb ik het graag, mijn lang leven. Allemaal samen. “Ik zag dat je ‘Liefde in tijden van Cholera’ meehebt, snoepje. Ben je er al in begonnen?” vraag ik over mijn schouder aan Annick. “Neen, ik heb hem mee om er dit weekend in te starten. Ik was niet helemaal overtuigd van zijnntwee vorige, maar nu wil ik hem toch een nieuwe kans geven met die Nobelprijs.” “Ik lees hem wel heel graag. Het is zo intens en ik denk ook wel dat er wat Zuid-Amerikaans bloed door mijn aderen stroomt ” zeg ik haar. Ik zie Tupje knikken. “Misschien moeten we, naast die paté en kaas die we hebben voorzien voor straks, ook een omelet voor de kinderen voorzien? Wat denk je, Tupje? Zijn er genoeg eieren? mmmm, en een lekker bruin bier straks. Wie moest dat meebrengen?”  ik probeer even door mijn lijstje te lopen want ik heb zelf de taakverdeling opgesteld, dus ik zou moeten weten wie het bier mee heeft gebracht. Maar ik kom er niet meteen op. Ik zie de kleinsten boven op de berm lopen. Ze zijn zo flink altijd, maar nu worde ze moe. “Hoever is het nog, Jos? Is het nog haalbaar voor de kleinsten want we zijn al een hele tijd onderweg.” Ik vertraag het tempo en af en toe stoppen we zodat de hele groep kan aanhaken. De grote jongens lopen al voorop. Paulus is ver achter, met Bine op zijn schouders. Die zullen straks wel een dutje doen in de zetel.   Koeken troef samen met Tom. Tom is niet slecht in wiezen, maar samen met Piet te choleriek. Altijd zo’n heftigheid bij die jongens. Dan is het een zegen om door meisjes omringd te zijn. Daar is er eentje. “Kom maar lekker op mijn schootje. Ik ga met Tom acht slagen koeken troef.” Bine volgt elke slag en af en toe pikt ze een hoopje op om beter te onthouden welke kaarten er al gevallen zijn. Misschien moet ik straks met haar een rondje spelen. “Pak die kastanje maar uit het vuur, maar let op dat er geen spetters op je broekkousen komen, want dat gaat pijn doen”, waarschuw ik haar. De laatste slag is ook voor ons. We winnen met één slag over. Bine is intussen weggeglipt. Naar boven waarschijnlijk. “Doen we nog een laatste ronde? En dan misschien allemaal naar boven? Het is een lange dag geweest en morgen vieren we Bine haar verjaardag, dan moeten we fris zijn.” Snoepje en Paulus hoor ik bevestigend mompelen. Ze is begonnen in haar boek, zie ik. Mijn man leest een of ander wetenschappelijk werk. Ik versta niet hoe hij na zo’n dag nog fris genoeg kan zijn om daar iets van over te houden. “Heb jij die taart nu besteld vanochtend in de bakker, Tupje?” pols ik nog even. “Ja hoor, met aardbeien en slagroom. Ik mag hem morgen tegelijk met de pistolets oppikken. 60 pistolets.”   Wanneer we boven komen, heerst de avonddrukte van pyama’s en tandenpoetsen. De matras in onze kamer is weg. “Anso, ga je niet meer hier slapen?” “Neen mama, ik heb hier nog een plek gevonden bij de rest, hier is plaats genoeg, dat is gezelliger.” Ik kus iedereen slaapwel en zet me op de rand van het bed. Ik heb nog een stukje chocolade en een vol glas rode wijn mee. Het lezen zal van korte duur zijn. Ik ben doodop.

Sabine Steels
0 0

opdracht 4 sabine steels

Nazomer 2017   Sheaboter trekt bijtjes aan, merk ik. Ze zoomen gedurig rond mijn benen en scheren af en toe zacht langs mijn nek. Telkens schrik ik op en sla het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op mijn gezicht en eigenlijk is het kleed dat ik draag te warm. Ik hoor alleen maar natuur, de haan die vooraan in de straat, zo’n anderhalve kilometer voorop, kraait, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch ben ik ongemakkelijk. Omdat ik iets zou moeten maar het niet aan het doen ben. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ik wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel we van alle genodigden het korst bij wonen, komen we toch laat aan. We parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. Ook wij zijn blij hen terug te zien. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ik spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ik niet meteen kan plaatsen. Ik feliciteer eerst Tony, en werk dan de ronde af waarin hij staat: Vera, Francine en Erik, iemand die ik niet ken en die zich als Nicole voorstelt. ‘Door jou heb ik ‘Het achtste leven voor Brilka’ gelezen’ zegt ze, ‘en het was fan-tas-tisch’. Juist, mama had me inspiratie gevraagd en ik had dàt boek getipt. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ik ben trots op mijn kinderen, het zijn fijne, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter mijn rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het is fijn om deze mensen terug te zien. Altijd. Marc kent bijna iedereen. Ik merk dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ik weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ik krijg een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mijn moeder. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ik zie aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ik vraag me telkens opnieuw af of het aan mij ligt dat ik de kakafonie van geluiden niet goed verdraag of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles te goed te willen doen. Ik spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij ons te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze ons uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules -  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeft ze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken en door er met ons over te praten, ze mentaal proeven én verbeteren, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan -  de dag zelf -  alles vlot laten verlopen. Zij is maître d’orcheste en ze is de beste in haar vak. Ik zie vanuit mijn ooghoek dat het zover is. Tony heeft Marc beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Marc weet dat ik Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vind, daarvan heb ik hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ik me kon herinneren – mijn hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden wij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Wij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat wij zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij ons op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde ons. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en wij begrepen daar de zin niet van. Wat ik daarentegen wel wonderlijk aan hem vond, was dat hij zijn leven aan jaartallen ophing als in: ‘In 74, toen ik als arts in opleiding stage liep in Egypte en bijna werd opgegeten door een krokodil in de Nijl’, terwijl ik mijn jonge leven aan geen enkel jaartal behalve mijn geboortejaar kon vastknopen. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleen geweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Hij is altijd verliefd geweest op mijn moeder – of dat beweerde zij toch -  maar dat belette hem niet om ook te koketteren met de andere vrouwen van hun vriendenkring. Mietje bijvoorbeeld, waar ik intussen mee sta te babbelen. Ze is niets veranderd in die vijfendertig jaren. Nog altijd een bloedmooie brunette met een fragiel Limburgs accent. Haar woorden weloverwogen gekozen. Lange haren in een paardenstraat, kastanjebruine ogen, een smal gezicht met zachte gelaatstrekken. Gracieuze, slanke vingers, maar ook knokig dankzij het minutieuze werk als juwelenontwerpster. Ze vertelt over David, over Jo en Sara, en haar kleinkinderen. Hoe Jo en David zo ondernemend zijn, en het harde leven van Sara als alleenstaande moeder en onderzoeker. Dat ze alle drie een zeilboot hebben en nog vaak allemaal samen met haar en Harry gaan zeilen. En dat ze geen juwelen meer maakt omdat ze geen eigen atelier meer heeft. In vijf, zes zinnen is een heel leven bijgepraat. Ondertussen eet ik onophoudelijk kaaskoekjes, nootjes en de hapjes die worden rondgebracht. Ik kan er niet vanaf blijven en voel me al snel verzadigd. Anso komt erbij staan. Ze moet net toegekomen zijn. Ze ziet er moe uit, maar ze straalt. Ze heeft nog maar pas een restaurant geopend en je ziet aan haar dat ze fysiek bijna geen marge meer heeft. Ze is graatmager en ze is de enige van ons drie die altijd al last heeft gehad van migraine. Ze staat heel scherp. Maar ik zie dat zij hier ook van geniet. Al die vrienden samen. Een aantal mensen die ik nog niet had gegroet, lopen nu richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monster ik de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ik roep hen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop in de tuin en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. We hebben er nu 34, waarvan 27 kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens mij doet het mijn vader denken aan het utopisch samenleven in een bucolische tuin zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn.  Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten die kippen wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mijn moeder, die hem gedurig commandeert. Ik hoor nu een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche.  Mijn mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind – ook de jurken en de haartooi van de genodigden lijken nu overgeleverd aan de grillen van de wind– en er zijn regendruppels gesignaleerd. We horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes -  behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan. Ik zoek mijn man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Ze praten over Genk. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Bovendien is ze van Waterschei en ik weet nu dat Marc haar over het huis in de Stalenstraat heeft gevraagd. Maar deze keer moet ze het antwoord schuldig blijven. De cité kent ze als haar broekzak maar het huis achterin kent ze niet. Ik heb Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen, én ze kent echt veel van culturele geschiedenis. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk. Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Ik kijk vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar ons wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ik kijk of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkelt die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Liefst samen met Thierry. Ik denk dat papa in Leuven bewust het gezelschap van die mannen zocht, om zijn stille kant in evenwicht te brengen. Het is het type mannen waarbij de mop altijd om de hoek ligt en zelden mislukt omdat ze die zo weten te orkestreren dat je gedwongen wordt te lachen. Als je dat maar mondjesmaat doet is het ook niet erg omdat niemand harder lacht dan zijzelf. Maar Benny was dus alleen komen te staan en had ook zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van mijn vader. Ik weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat mijn beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in me zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is me nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ik denk dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.   Ik zoek de blik van mijn man. Hij staat te praten met Harry. Ik merk dat hij door wil. Ik zou liever blijven maar hij wil een toertje gaan doen in de omgeving. Huizen kijken. Dat doen we graag, het is een soort van ‘gezamenlijk project’, soms denk ik dat het een surrogaat is voor de verstandhouding die we niet hebben. En bij elk mooi huis dat we zien, prikt hij ook de mogelijke droom die eraan vasthangt onmiddellijk kapot. We ontdekken die middag Vechmaal, een dorpje op een kwartier van mijn ouders maar nog steeds in het heuvelrijke Haspengouw.  We onthouden het voor een volgende wandeling. Drie uur later keren we weer. Het is een prachtig tafereel. Nu zitten ze wel onder de pergola. De zon komt van de andere kant, lager, gloedrijk, minder fel. Een geanimeerde bende, onderuit geschoven, de flessen wijn bijna leeg, en daarachter onze kinderen. Ze voetballen met Liliana. Ik neem wat van het desserten buffet en vul ook een bordje voor Linda. Ze is in de keuken en wast de laatste borden af. Alles is proper. Ze loopt wat gebukt, ziet er moe uit. We zitten samen op het terras voor de keuken. Ook daar schijnt de zon nu. ‘Hoelang ben je nu bij ons?’, vraag ik. ‘Van toen Thomas geboren is. Ka kwam hier werken in het atelier en ik gaf Thomas het flesje.’ Thomas is 19 geworden dit jaar. Ik zie dat mijn jongste in zijn ogen wrijft. Onze kinderen zijn moe. We stappen op.   Aan dat feest van vorig weekend denk ik, en ik bewonder mijn ouders voor zoveel energie. Ze zijn in alle opzichten geslaagd. Behalve dan wat mij betreft. Boordevol talent, veelbelovend en toch niet uit de startblokken gekomen. Een eeuwige studax. Wat durven ze vertellen over mij wanneer ze ergens op bezoek zijn en er wordt over de kinderen opgeschept? Ik blijf maar vasthangen in dat verleden, kom niet los van dat aardige nest. Mijn dromen over net zo’n leven, met een grote vriendenkring, avontuurlijke reizen, veel cultuur, zwoele avonden vol discussie en galmende lachsalvo’s, een eigen, bloeiende zaak en de allure van een vrijgevochten, onafhankelijke vrouw. Niets daarvan heb ik weten te realiseren. Ik hoor een auto dichtslaan op de oprit. Mijn man is er. Hij vraagt me wat ik aan het doen ben. Wat ik gedaan heb vandaag. Ik mompel iets terug terwijl ik de tuin in loop en naar de beek staar, daar waar het water een verdiepinkje valt en in een ijltempo wegstroomt.   Herfst 1985   Ik sta in de beek naast het kasteel. Het water gutst bijna mijn laarzen in. Ik doe voorzichtig, wandel behoedzaam met een dikke steen en twee takken van de oever naar het midden. We bouwen een dam. Bik’s idee. Het is zaterdagochtend, Ardennen-weekend. Morgen is mijn verjaardag. Deze keer heeft mama een groot kasteel gehuurd, midden in een bos. Elk jaar heb ik het heerlijke gevoel dat ze dat hele weekend speciaal voor mij organiseert. Dit jaar zijn we zelfs met twintig! De Putten en de Valkenborghs zijn ook mee. Mijn handen zijn rood en bevroren, maar dat geeft niet, want ik hou van het geluid van het stromende water. Het voelt aan alsof we iets groots aan het doen zijn, iets belangrijks, iets onomkeerbaars. Ik ben vastberaden zo lang te bouwen tot het perfect is. Ka, Tom en Erik helpen  mee. Niemand speelt baas. Bik legt wel uit hoe een dam precies werkt, maar dat is niet hetzelfde. Erik, dat is een baasspeler. Normaal zegt hij heel de tijd wat mijn grote zus moet doen. Alsof hij de baas over haar is. Erik is een stomme, egoïstische prut-etter, net als zijn vader, Jos. Ik weet niet wat Ka in hem heeft gezien. Met zijn bleke jeans en zijn lelijke loopschoenen altijd. En hij stinkt.   De anderen druppelen het kasteel uit, met laarzen en jas aan. “Bineke.” papa roept van aan de deur, “Kom, we gaan vertrekken.” Hij wacht tot ik bij hem ben. De anderen zijn groter en sneller, en zijn al met de rest mee vertrokken. Papa en ik zetten de pas erin. Ik zoek een stok om te schrapen. Hij moet groot genoeg zijn om op te leunen, stevig, maar niet te dik want dan krijg ik hem nooit geschraapt. Papa geeft me zijn zakmes. Bovenaan maak ik een scherpe punt. Om als wandelstok te dienen én om vissen te kunnen vangen in de dam straks. We hebben de rest ingehaald. Sara, Alwin en ik lopen op de hoge zijkant van de weg, een beetje in het bos, parallel met de groten. Het bos ruikt nat. Ik trap op de bladeren. Een beetje vochtig. Ze blijven aan mijn laarzen plakken. Ik mik met mijn stap op takken die onder de bladeren liggen. Ik hoop dat ze daardoor knappen. De wandeling duurt lang. Mijn benen worden moe. “Is het nog ver? Nu hebben we toch al heel ver gestapt, papa?” “Toch nog een eindje.” Ik trek een vies gezicht.  “Papa, ik kan echt niet meer.” “Allez komaan, Bine” zegt papa half lachend, half kordaat. Ik weet wat ik nu moet doen. Ik blijf staan. Papa loopt verder. Ik zet me op mijn hurken en kijk naar mijn laarzen. Mokkend. Ik probeer zonder mijn hoofd op te richten, te kijken of papa nog doorloopt of al gestopt is. Hij is gestopt en kijkt naar mij. “Kom nu, Binneke” Hij lacht, de lacht van een medestander. Nu nog even volhouden. Wanneer ik er zeker van ben dat hij me op zijn schouders zal tillen, loop ik naar hem. Nu geraak ik thuis zonder te stappen, ik zal van schouder op schouder worden overgeheveld tot we er zijn.   Na het avondeten wandelen we naar het dorp. Het is al donker. Iemand maakt een wolvengeluid. Ik mag met de groten mee. Zonder volwassenen. Ik zit op de schouders van Bik en we zingen. De straat helt naar beneden, ze is nat en de verlichting doet het asfalt oplichten. We hebben één zaklamp mee. Ik voel me groot. In de verte horen we de bomen fluisteren.   Ik lig moe in de zetel en staar naar het vuur. Mama, Jos, en twee Valkies kaarten. Ze spelen kleurenwies. Ik kruip op mama’s schoot. Ze zegt me wat troef is. Ik probeer te onthouden welke kaarten er in de stapeltjes van de anderen liggen. Papa en Annick lezen in de zetel. De anderen spelen boven op de overloop. Er knalt een kastanje kapot. De vuurspetters vliegen de living in, maar niemand kijkt op. Ik mag ze uit het vuur halen, heel voorzichtig. Mijn gezicht wordt gloeiendheet. De geur van gepofte kastanjes is bijna zo goed als die van nat bos. Mama en Tom winnen. Mama wint altijd. Zij is de slimste van iedereen. Ik loop de gang in. Het is er koud. Mijn zussen zijn boven, samen met de andere kinderen. Ze maken een kamp met de matrassen. “Ik verhuis mijn matras naar jullie” hoor ik Anso zeggen. “Ik slaap niet meer in de kamer van mama. Ze maakt de hele tijd walgelijke geluiden met Jos. Ik doe alsof ik slaap maar ik hoor het toch”. Ik begrijp niet wat ze bedoelt, maar er is nog plaats op de overloop als we straks alle matrassen een beetje opschuiven.   Iedereen komt naar boven nu, om te slapen. Zelfs de volwassenen. We zijn lang mogen opblijven. Ik ga naar de kamer van mama en papa voor een kus. Papa ligt al in bed. Naast hem ligt Annick. Ik haat dit. Zal ik doen alsof er niets aan de hand is, of durf ik iets te zeggen? “Waarom lig jij niet bij mama?” “Mama ligt in de andere kamer” lacht hij. “Heb jij zo niet koud? Waar is je pyjama?” Papa mompelt iets. Ik ga naar de gang en kruip op de matras, met mijn gezicht naar de muur. Het ruikt muf in het kasteel. De muur is klam en er brokkelt wat wit stof af. Morgen vieren we mijn verjaardag.   Zomer 1993   De vogels fluiten al vroeg. Ik ben het niet gewoon door de natuur gewekt te worden. Voorbijrijdende auto’s, ja, maar die snorren mee op het ritme van je ademhaling. Deze vogels zijn zo invasief, prikken je slaap kapot, dwingend. Mama heeft haar droomhuis gevonden. Eindelijk. Weg van de praktijk, zodat ze ’s avonds de deur achter zich dicht kan trekken en er een fysieke afstand is tussen haar en het werk. En ineens een Tabula Rasa van dat intens verstrengelde verleden. Open ruimte. Vrijheid. Anonimiteit. Ik ben kwaad. Ik mis ons prachtige rijhuis. Nu lig ik in een spuuglelijk, vrijstaand huis met een Oostenrijks soortig dak en een afbeelding van een eend boven de voordeur. Wel met een grote tuin maar afgelegen. Ik geraak nergens meer. Niet op café, en niet op fuiven. Voor de school hoeft het niet meer. Ik zit op internaat sinds vorig jaar. Zelf gekozen. Om Frans te leren. En omdat ik toch altijd alleen thuis ben tijdens de week. Ka zit op kot in Gent en Anso in Brussel. Mama en papa werken tot laat. Voor de weekends is dit huis echt niet praktisch. Op 10 kilometer van alles. Nu moet ik met de bus of met Herman. Gelukkig heb ik Herman. Mama liet me eerste keuze voor de kamer. Ik slaap als enige beneden. Een kamer met blauwe natuursteen. Kil, lelijk maar mét open haard. Heel het huis is lelijk. Vol gelegd met alle mogelijke soorten tegels, afschuwelijk gecombineerd. Alsof de tegelfabrikant die hier vroeger woonde al de overschotjes heeft gebruikt. Deze keer heb ik niet begrepen wat mama erin zag. Maar zij ziet het dus, hoe het zal worden en wat ze ervan kan maken. Het is koud en klam in deze kamer. Ze ligt aan het Oosten en is als een extra legoblokje op het huis geplakt, een uitstulping, een aanhangsel. Met een klein terras. Er zit een vochtplek boven de haard en de muur boven mijn bed is een soort van ingemaakte legplankenkast waarmee ik niets kan. Herman heeft er op de achterkant van een immens stuk behangpapier in zijn sierlijk handschrift een gedicht over nachtbrakers overheen geplakt. Ook dat is esthetisch niet wat het moet zijn. Maar het is wel een mooi gedicht. Vandaag staat mijn taak Frans op het programma. We moeten tussen een hele reeks poëziebundels van Franse surrealisten eentje kiezen en daar iets ‘vernieuwends’ mee doen. Ik wil een dansvoorstelling maken, met de gedichten van Paul Eluard. Ik versta zijn teksten niet altijd. Versta bijna niets eigenlijk. Maar twee gedichten wel en die vind ik top. Vandaag ga ik door heel de bundel, om alles te ontcijferen en er de lijn die ik in mijn hoofd heb, uit te halen. Straks komt ‘Antwerpen’ op bezoek. Mama heeft Tony en Thierry genodigd. Tony kan me helpen met het Frans, hij is tweetalig opgevoed en koketteert genoeg met zijn talenkennis. Ik wil tekst, muziek, dans en decor gebruiken. Zie het zo voor me. Sowieso de Gnossienne van Satie. En dan twee dansers en drie actes: liefde, twijfel, verval. Ik ben opgetogen over mijn idee. En vanavond, wanneer het af is, komt mijn lief.   Ik zie Charlie de oprit opwandelen. Hij heeft zijn gitaar in de hand. Zijn stijve, lange haren in een paardenstaart, zodat zijn brede nek zichtbaar is. Dat liften van hem vind ik geweldig cool. Op slag verliefd was ik, toen ik hem voor het eerst zag. Een rebel, een eigenwijze superstar. Leek zich van niemand iets aan te trekken. Hij was van een andere stad, en ik wist niets over hem. Behalve dat hij er echt goed uitzag. Mijn vrienden zegden dat hij een nietsnut was. School skipte. Niets voor mij dus. Ik wist het niet, had nog nooit met hem gepraat. Toch had ik hem uitgenodigd voor een fuif, via een briefje dat Herman hem had bezorgd. En hij was wonderwel gekomen. In het laat. Ik had al te veel gedronken. Zonder een woord te wisselen waren we beginnen kussen. En kort daarop moest ik overgeven. Mijn vrienden vonden het een schande. Dat ik met een vreemde kuste. En in zo’n staat. “Sabine, wat doe je nu!”, half verontwaardigd, half bezorgd. Het was dus wat bizar begonnen maar nu waren we smoorverliefd. Charlie kon fantastisch zingen. Hij deed wat hij wilde, was brutaal en onbezorgd – maar voor zijn ouders een zorgenkind dat niet wilde studeren. Ik vond hem geweldig, wild, origineel. En naar mij luisterde hij wel. Ik zou hem wel op het rechte pad brengen. En daarmee het benepen en kortzichtig idee over zijn ‘andere achtergrond’ van mama en papa voor eens en altijd tenietdoen. Gelukkig waren ze van het principe van het ‘open huis’: laat al die lieven maar binnen komen, maar ook en vooral omdat we dan weten wie ze zijn, dan hoeft het niet in het geniep en dan is het ook des te rapper gedaan.   Ik loop naar buiten en we kussen lang. Ik voel dat hij me een briefje in de hand stopt. Leuk, we geven elkaar vaak kleine briefjes of spulletjes, lieve cadeautjes.   “Ik heb iets laten zetten wat je niet leuk zal vinden. Maar het is onomkeerbaar en ik heb er goed over nagedacht. Het staat op mijn schouder zodat ik het niet de hele tijd hoef te zien, wanneer ik het dan beu ben, is dat precies een goede plek. Het is klein en met een mooie vorm. Hopelijk ben je niet boos. Ik hou van je Charlie.”   Ik kijk hem aan, vol ongeloof. “Mag ik het zien?” Hij opent zijn hemd en toont zijn schouder. Ik zie een klein mannetje, zwart, asymmetrisch, grafisch, ik herken het meteen. Het ventje van Einstürzende Neubauten. Ik kan er niet omheen, het is een goede keuze. Stoer én kwetsbaar. Maar ik voel ook boosheid. Onmacht. Een tattoo gaat nooit meer weg, het is dom. Ik hoor de echo van mama en papa in me gonzen. Ik vervloek mezelf.     Zomer 2016   Ik had nooit kunnen denken dat een mens zo moe kan zijn. Ik slaap uren aan een stuk in de speelkamer naast de keuken. Mama kookt er, de kinderen knutselen aan de keukentafel, ze lopen binnen en buiten, roepen, lachen, maar ik hoor niets. Ik ben doodop. Mama heeft de plek zo ingericht voor deze zomer dat ik dicht bij alles bij ben en toch kan rusten. ‘s Namiddag gaat het beter. Dan lig ik aan het zwembad en lees of teken, met m’n benen opgetrokken, altijd geplooid. Mijn buik trekt te veel om gewoon plat te liggen. Ik probeer opa te tekenen. Een tekening in eenvoudige zwarte lijnen. Het moet nog veel beter. Ik vind de vorm van zijn voorhoofd niet, terwijl dat net sprekend is. Mama zegt er niet veel over wanneer ze de tekeningen ziet, behalve ‘wie is dat?’. Ik weet dat ze vindt dat ik mijn tijd daarmee verdoe, dat ik vele talenten heb waar tekenen niet bij hoort. Ze is onvermoeibaar, host van de ene activiteit in de andere. Ze maakt milkshake en speelt gezelschapsspellen met de kinderen. Ze draagt handdoeken aan om een kamp te maken in de tuin. Ze zoekt in kookboeken naar lekkere, nieuwe recepten en vraagt me wat ik ervan vind. Ze zwemt met de jongens. Ik zie dat mijn jongste moe is. Hij wrijft in z’n ogen. Mama zegt dat hij een rustje moet gaan doen. “Ik ben niet moe” probeert hij, maar zijn stem draagt de capitulatie in zich. Hij weet dat hij moet gaan rusten. Hierover is bij zijn mimi geen onderhandelingsmarge. Hij is afgedroogd, heeft geplast en komt de speelkamer in. Hij zoekt iets om naast zijn bedje te leggen. Een verbindingselement, zodat hij nog een deel van de wakkere wereld heel dichtbij heeft en het gevoel dat hij niet alles moet missen van wat er beneden in zijn afwezigheid gebeurt. Maar mimi is kordaat. Hij moet de tijd nu niet proberen te rekken. Dit is uitstelgedrag. Grote mensen zijn de baas. Jij bent klein. Er moet nu en onmiddellijk geluisterd worden. Dat hoor ik allemaal in de manier waarop ze plots, luid en streng zijn naam roept. Hij verschiet en springt op van dit onverwacht salvo, alsof hij betrapt is. Ik weet wat mijn kind nu voelt. Hoe zijn hart een klop maakt in zijn keel, geschrokken, onbegrepen, bang. Hij neemt haar hand, buigt zijn hoofd en begint onhoorbaar te wenen. Zijn gezicht verkrampt, zijn mond groot open zodat hij genoeg lucht kan happen om die dikke, pijnlijke bal onrecht in zijn buik weg te krijgen.  Een moment is het onnatuurlijk stil, eentje die duidelijk maakt hoe klein en machteloos en onbegrepen hij zich voelt dat – zelfs al heeft hij zich flink bij het rustje neergelegd – hem die kleine, eigen beslissing toch wordt ontnomen. Zijn hoofd wordt rood en dan volgt een luide, diepe, hartverscheurende ween. Mijn hart scheurt, maar ik zeg niets. Mama is nu de baas. Mama is hier de baas. Zij doet alles en ze zorgt met hart en ziel voor ons. Hoe kan ik hier dan iets op zeggen? Ze kan dat niet verstaan, vindt integendeel dat ik teveel toegeef waardoor mijn kinderen ‘onhandelbaar’ zullen worden. Het is haar betrachting, haar hoop dat dat nog kan gekeerd worden, door wel duidelijk te zijn, kordaat en consequent.

Sabine Steels
0 0

Het feest voor Tony

Sheaboter trekt bijtjes aan, merk ik. Ze zoomen gedurig rond mijn benen en scheren af en toe zacht langs mijn nek. Telkens schrik ik op en sla het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op mijn gezicht en eigenlijk is het kleed dat ik draag te warm. Ik hoor alleen maar natuur, de haan die vooraan in de straat, zo’n anderhalve kilometer voorop, kraait, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch ben ik ongemakkelijk. Omdat ik iets zou moeten maar het niet aan het doen ben. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ik wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel we van alle genodigden het korst bij wonen, komen we toch laat aan. We parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. Ook wij zijn blij hen terug te zien. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ik spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ik niet meteen kan plaatsen. Ik feliciteer eerst Tony, en werk dan de ronde af waarin hij staat: Vera, Francine en Erik, iemand die ik niet ken en die zich als Nicole voorstelt. ‘Door jou heb ik ‘Het achtste leven voor Brilka’ gelezen’ zegt ze, ‘en het was fan-tas-tisch’. Juist, mama had me inspiratie gevraagd en ik had dàt boek getipt. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ik ben trots op mijn kinderen, het zijn fijne, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter mijn rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het is fijn om deze mensen terug te zien. Altijd. Marc kent bijna iedereen. Ik merk dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ik weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ik krijg een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mijn moeder. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ik zie aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ik vraag me telkens opnieuw af of het aan mij ligt dat ik de kakafonie van geluiden niet goed verdraag of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles te goed te willen doen. Ik spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij ons te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze ons uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules -  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeft ze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken en door er met ons over te praten, ze mentaal proeven én verbeteren, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan -  de dag zelf -  alles vlot laten verlopen. Zij is maître d’orcheste en ze is de beste in haar vak.   Ik zie vanuit mijn ooghoek dat het zover is. Tony heeft Marc beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Marc weet dat ik Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vind, daarvan heb ik hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ik me kon herinneren – mijn hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden wij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Wij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat wij zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij ons op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde ons. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en wij begrepen daar de zin niet van. Wat ik daarentegen wel wonderlijk aan hem vond, was dat hij zijn leven aan jaartallen ophing als in: ‘In 74, toen ik als arts in opleiding stage liep in Egypte en bijna werd opgegeten door een krokodil in de Nijl’, terwijl ik mijn jonge leven aan geen enkel jaartal behalve mijn geboortejaar kon vastknopen. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleen geweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Hij is altijd verliefd geweest op mijn moeder – of dat beweerde zij toch -  maar dat belette hem niet om ook te koketteren met de andere vrouwen van hun vriendenkring. Mietje bijvoorbeeld, waar ik intussen mee sta te babbelen. Ze is niets veranderd in die vijfendertig jaren. Nog altijd een bloedmooie brunette met een fragiel Limburgs accent. Haar woorden weloverwogen gekozen. Lange haren in een paardenstraat, kastanjebruine ogen, een smal gezicht met zachte gelaatstrekken. Gracieuze, slanke vingers, maar ook knokig dankzij het minutieuze werk als juwelenontwerpster. Ze vertelt over David, over Jo en Sara, en haar kleinkinderen. Hoe Jo en David zo ondernemend zijn, en het harde leven van Sara als alleenstaande moeder en onderzoeker. Dat ze alle drie een zeilboot hebben en nog vaak allemaal samen met haar en Harry gaan zeilen. En dat ze geen juwelen meer maakt omdat ze geen eigen atelier meer heeft. In vijf, zes zinnen is een heel leven bijgepraat. Ondertussen eet ik onophoudelijk kaaskoekjes, nootjes en de hapjes die worden rondgebracht. Ik kan er niet vanaf blijven en voel me al snel verzadigd. Anso komt erbij staan. Ze moet net toegekomen zijn. Ze ziet er moe uit, maar ze straalt. Ze heeft nog maar pas een restaurant geopend en je ziet aan haar dat ze fysiek bijna geen marge meer heeft. Ze is graatmager en ze is de enige van ons drie die altijd al last heeft gehad van migraine. Ze staat heel scherp. Maar ik zie dat zij hier ook van geniet. Al die vrienden samen.   Een aantal mensen die ik nog niet had gegroet, lopen nu richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monster ik de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ik roep hen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop in de tuin en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. We hebben er nu 34, waarvan 27 kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens mij doet het mijn vader denken aan het utopisch samenleven in een bucolische tuin zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn.  Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten die kippen wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mijn moeder, die hem gedurig commandeert.   Ik hoor nu een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche.  Mijn mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind – ook de jurken en de haartooi van de genodigden lijken nu overgeleverd aan de grillen van de wind– en er zijn regendruppels gesignaleerd. We horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes -  behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan.   Ik zoek mijn man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Ze praten over Genk. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Bovendien is ze van Waterschei en ik weet nu dat Marc haar over het huis in de Stalenstraat heeft gevraagd. Maar deze keer moet ze het antwoord schuldig blijven. De cité kent ze als haar broekzak maar het huis achterin kent ze niet. Ik heb Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen, én ze kent echt veel van culturele geschiedenis. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk. Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Ik kijk vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar ons wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ik kijk of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkelt die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Liefst samen met Thierry. Ik denk dat papa in Leuven bewust het gezelschap van die mannen zocht, om zijn stille kant in evenwicht te brengen. Het is het type mannen waarbij de mop altijd om de hoek ligt en zelden mislukt omdat ze die zo weten te orkestreren dat je gedwongen wordt te lachen. Als je dat maar mondjesmaat doet is het ook niet erg omdat niemand harder lacht dan zijzelf. Bij Thierry kondigde de anekdote zich meestal met een ‘weet ge’ aan, waarbij hij op dat eigenste ogenblik energiek naar voren boog in zijn stoel, de broek van fijn corduroy wat omhoogtrekkend zodat de kous aan de enkel zichtbaar werd, en zijn toehoorders op die manier in het verhaal trok. Wanneer hij zeker was van ieders aandacht, begon hij luid articulerend en met die geknepen, nasale A, - zo eigen aan het Antwerpen van de rand- van wal te steken, de armen wijd gesticulerend en met een al licht triomfantelijke lach om zijn mond; Naarmate de pointe vorderde en de aandacht van deze of gene toehoorder wat verslapte, begon hij luider te praten, zwiepte af en toe naar achter en dan terug naar voren in zijn stoel, opdat zijn woorden met nog meer kracht als een katapult de arena in werden geknald, terwijl hij een hinnikend geluid voortbracht, - de lach - langzaam sneller en sneller tot bij de laatste zin, waarna hij een abrupte, dramatische stilte liet vallen, om dan in een kamervullende, onbedaarlijke bulderlach te ontploffen, met wijdopen mond en met de sterk uitpuilende ogen vol tranen en waarbij iedereen, in het bijzonder het mannelijk deel van het gezelschap inviel, zowaar omwille van de anekdote zelf maar nog veel meer om Thierry als persoon en de geschiedenis die ze samen hadden geschreven. En omdat ze hem dankbaar waren, deze theatrale verschijning die op dit soort gelegenheden hun garantie was om even te ontsnappen aan de routine van elke dag. Ik vond het toen, lang geleden, wonderlijk dat grote mensen dingen konden vertellen die zoveel plezier ontketenden, waar ik helemaal niets van snapte. Maar Benny was dus alleen komen te staan en had ook zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van mijn vader. Ik weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat mijn beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in me zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is me nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ik denk dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.   Ik zoek de blik van mijn man. Hij staat te praten met Harry. Ik merk dat hij door wil. Ik zou liever blijven maar hij wil een toertje gaan doen in de omgeving. Huizen kijken. Dat doen we graag, het is een soort van ‘gezamenlijk project’, soms denk ik dat het een surrogaat is voor de verstandhouding die we niet hebben. En bij elk mooi huis dat we zien, prikt hij ook de mogelijke droom die eraan vasthangt onmiddellijk kapot. We ontdekken die middag Vechmaal, een dorpje op een kwartier van mijn ouders maar nog steeds in het heuvelrijke Haspengouw.  We onthouden het voor een volgende wandeling. Drie uur later keren we weer. Het is een prachtig tafereel. Nu zitten ze wel onder de pergola. De zon komt van de andere kant, lager, gloedrijker, minder fel. Een geanimeerde bende, onderuit geschoven, de flessen wijn bijna leeg, en daarachter onze kinderen. Ze voetballen met Liliana. Ik neem wat van het dessertenbuffet en vul ook een bordje voor Linda. Ze is in de keuken en wast de laatste borden af. Alles is proper. Ze loopt wat gebukt, ziet er moe uit. We zitten samen op het terras voor de keuken. Ook daar schijnt de zon nu. ‘Hoelang ben je nu bij ons?’, vraag ik. ‘Van toen Thomas geboren is. Ka kwam hier werken in het atelier en ik gaf Thomas het flesje.’ Thomas is 19 geworden dit jaar. Ik zie dat mijn jongste in zijn ogen wrijft. Onze kinderen zijn moe. We stappen op.   Aan dat feest wilde ik denken. Het was vorig weekend, en ik ben trots op mijn ouders, om te zien hoe die hele bende waar ik mee opgroeide er nog is, hoe heel hun levens zijn verknoopt en er ondanks alle hindernissen die hun paden hebben gekruist nog steeds vriendschap is en een drang om de dagen samen door te brengen. En tegelijkertijd voel ik me ellendig omdat ik dat zelf niet heb weten te creëren.    

Sabine Steels
0 0

Paus

“Piet?” riep ze uit, verraste ongeloof in haar stem. Zij had hen al van ver in de gaten. Eerst het meisje, halflang asblond haar, een bruin, ontspannen gezicht, zelfverzekerde blik, en een donkerblauw kleedje, duur in al zijn eenvoud, dat was eraan te zien. Dan pas hem, in een witte T-shirt, jeans en dikke, bruine mefisto’s - veel te warm voor de tijd van het jaar - die hem ondanks hun plompheid toch allure gaven. Zij waren druk pratend vanuit ‘Pieter De Somer’ het binnenplein van het ‘Paus’ over gewandeld.  ‘Paus’ was zijn plek geweest, vijf jaar lang. TEW. Niet zo’n moeilijke studie. Een verlengde van de middelbare school, maar moeilijk genoeg voor hem. Zijn thesis had hij over de kunstsector geschreven - schilderijen - op aangeven van zijn moeder Annick welteverstaan, want zijn hart lag bij auto’s en voetbal.   Sabine en Lien stonden aan de overzijde, op de drempel van het Hogeschoolplein met het Pauscollege. Het binnenplein lag er verlaten bij. De dag was nog jong en ondanks het seizoen – het was begin juli -  hing er een aangename koelte in de lucht. De meeste studenten hadden Leuven al verlaten. Zij niet. Ze lummelden wat aan in de gelukzalige tussentijd die enkel het studentenleven kenmerkt. Het vacuüm van enkele dagen waarin de tijd geen tijd is en er, na de heroïsche examenprestatie, een gevoel van volledig zorgenloosheid hangt. Het plezierige niemandsland waarin alles kan en alles mag omdat het verdict nog niet is gevallen en er bij gebrek aan vonnis, niemand al voorwaarden kan opleggen. Nu was dat laatste voor de twee vrouwen een mindere zorg: zij haalden zonder al te grote inspanning jaar in jaar uit eerste zit en naarmate de jaren vorderden voegden zij daar telkens nog een graad aan toe. Het enige waar zij op dit moment mee bezig waren, was het zich overgeven aan de totale ontspanning, op een plek waar ze graag rondhingen. Het Paus was weliswaar mannelijk terrein, maar er hing ook een zware nostalgie in de lucht die een merkwaardige aantrekkingskracht op hen beide uitoefende, alsof het de geschiedenis zelf was die je uitnodigde in haar vertrekken te vertoeven. Het ‘Paus’ als de statige verpersoonlijking van waar de respectabele universiteitsinstelling al jarenlang voor stond: grandeur, eruditie, betrouwbaarheid, degelijkheid. Het college was al generaties lang ingenomen door veelbelovende zonen van de hogere sociale klasse en de vrije beroepers die goed verdienen en waar het metier van vader op zoon werd doorgegeven. Speelvogels die hun studies met schijnbaar gemak door walsten in het onwankelbaar geloof dat het succes van hun ouders mutatis mutandis op hen zou overvloeien. Piet was een uitzondering op die regel geweest. Hij bleef staan, keek op, en onderzocht haar gezicht. Het duurde lang vooraleer hij aarzelend ‘Biene?’ wist uit te brengen. Die naam had Sabine – behalve bij haar thuis – al in geen jaren meer door iemand horen uitspreken. Zij droeg sinds haar studententijd een geheel nieuwe bijnaam waarvan zij vond dat die robuuster was en daarom beter bij haar paste. Ze lachte. Hij ook, eerst een grote, enthousiaste lach en glinsters in de ogen, daarna dat stel ruwe handen voor zijn verbaasde mond: “Ik zou je nooit herkend hebben!” Ze vonden het niet onprettig elkaar terug te zien. Zij had nog nauwelijks aan hen gedacht en was verrast te merken dat hij dezelfde was gebleven. Ze scheelden vijf jaar, hij had bij de oudste kinderen gehoord en was veruit de sympathiekste geweest, ongecompliceerd – hij hield van auto’s en van voetbal en van Duran Duran. Geen streken, niet betrokken in amoureuze intriges – of toch niet met hen – geen behoefte te verleiden of te ‘oefenen’. Zij was de op een na jongste geweest, de lenigste, de kwieke spring-in’t-veld waarvan hij als oudste jongen weinig last had gehad. Bijna tien jaar was het geleden dat zij elkaar niet meer hadden gezien. Haar herinnering aan hem was zuiver – ongetroubleerd. Zij hadden het nooit nodig gevonden om de draad terug op te pikken maar nu ze hier zo stonden was het evenmin onaangenaam. De pauze knop die een decennium geleden was ingedrukt, werd met deze ontmoeting afgezet. Levenslijnen kwamen terug bij elkaar. Minder verstikkend en, anders dan toen, uit vrije wil. Ze waren volwassenen nu, of toch bijna. Roel zou niet veel later met Anne-Sophie gaan samenwonen, Piet zou Sabine geregeld in Antwerpen opzoeken en ook Annick zou opnieuw een plaats innemen in het leven van haar ouders, op een volkomen natuurlijke, maar ook de enig denkbare manier: aan de zijde van Benny, een oude studiegenoot van hun beide vaders. Zo vulden zij elkaars leven, kleurden het, smaakten het.  

Sabine Steels
0 0

Ik haatte Jos Put

(De roman die ik koos ter inspiratie is 'Istanbul. Herinneringen en de stad' van Orhan Pamuk, p. 91 en volgende (mijn vader, mijn moeder en hun verdwijningen))   Ik zat in kousenbroek aan de bar, lichtjes heen en weer te draaien. De ‘bar’ was een eenvoudig maar prachtig modern meubel dat onze hele benedenverdieping bij elkaar hield; Het was wit en glad met zwarte naden, aan de keukenzijde met een strakke hoek afgemaakt, terwijl het aan het andere einde, daar waar je vanuit de keuken één trapje naar beneden liep om in de living te komen, met een sierlijke bocht naar rechts de muur tot aan het tuinraam omarmde en zo keuken en living in één beweging verbond. Recht tegenover het lange gedeelte van de bar - op nog geen meter ervandaan - was in datzelfde witte, strakke materiaal een deur voorzien die door haar enorme dimensie het belang uitdrukte van de ruimte erachter die zij afscheidde van het privégedeelte, namelijk: het rijk van mijn moeder – ‘de praktijk’. Het was ons zonder restrictie toegestaan om bij het minste verlangen door die deur te lopen en aan de secretaresse die er vlak achter de wacht hield, te signaleren dat we moeder wilden zien, terwijl ook moeder met de regelmaat van een klok de poort van haar heiligdom openzwierde om zich tussen twee patiënten door te laven aan de knuffels van haar dochters. Mama was mooi, modern en vol goede smaak. Het idee dat ze – in alle openheid - met Jos Put aanhield was dan ook niet te rijmen met de onvoorwaardelijk aanbidding die ik voor de rest voor haar voelde.   Ik haatte Jos Put. Hoe hij, terwijl we steeds en willens nillens met z’n veertienen optrokken, speciaal voor haar liedjes opzette, of ze godbetert zelf bedacht en dan met zijn belachelijke zoon Eric op nieuwjaar voor haar zong. “Ben ik te min” bleek hiervoor een van zijn favoriete nummers te zijn, een soort van onderkruiperige, verongelijkte aanklacht van een armzalige vent die om aandacht schreeuwt op de foute manier. Hij had alleen oog voor ‘Sneeuw’, een naam die hij voor mijn moeder had uitgevonden en die – toegegeven - heel mooi bij haar karakter paste maar door de identiteit van de bedenker ervan alle schoonheid en zuiverheid verloor, en me bij het horen ervan telkens opnieuw rillingen van afschuw gaf. Zij bedacht hem op haar beurt met het nog veel onnozelere ‘Tupje’. Eigenlijk wou hij het liefst dat moeder ons achterliet voor hem. Hij had dan ook, ondanks het feit dat hij zelf vader was, geen enkele consideratie voor kinderen en zelf vonden wij hem ook oneindig oninteressant.     Toen ik die dag op de barkruk zat, voelde ik me loodzwaar, alsof mijn buik een diepe, donkere ruimte herbergde die me pijnlijk naar beneden zoog. Om een onverklaarbare reden had ik het in mijn hoofd gehaald dat dit het moment was waarop mama eindelijk zou afzien van die relatie, waarop we onze wederzijdse gevoelens daarover zouden uitspreken en ik die dobberende bubbel aan haar zou kunnen tonen. Zij zou eerst in ongeloof verstild staan, stilaan zou het binnensijpelen hoe erg zij zich vergist had, alles onderschat had, zij zou haar spijt uitroepen, zich voor mijn voeten werpen of op zijn minst me in de armen sluiten, zich berouwen om al haar beperkingen en vergiffenis vragen. Die hele janneboel met Jos Put zou onmiddellijk worden afblazen. Als ze ons binnenste zou zien. Maar de bubbel kwam niet ter sprake. Wat voor mij als een ultiem moment had aangevoeld, als een prachtig kantelpunt van waarop alles zou veranderen, was voor mijn ongezien efficiënte moeder gewoon een rustpunt tussen twee patiënten door. Ze kwam met haar witte schort, lange laarzen, mooie pony en haar vertrouwde geur van zoete zonnebrandolie, UVA lampen en medische latexhandschoenen gewoon even een kusje halen bij haar ‘konijnen’. Er was geen sprake van dat we dat weekend nìet iets met de Putten zouden doen, en de zaak was afgedaan. Ik bleef verweesd achter, verpletterd door de evidentie waarvan moeder uitging dat wij daarover geen mening of gevoelens hadden. Tegelijkertijd voelde ik een verbetenheid en vechtlust om in mijn kousenbroek en al mijn lenigheid het gevecht met Jos Put aan te gaan en hem in één klap uit te schakelen, naar een andere wereld te katapulteren, waar niemand nog ooit komt en wij er nooit nog last van zouden hebben. Ik draaide lichtjes heen en weer op de stoel en mama was vertrokken naar de volgende patient. In haar knappe witte schort.

Sabine Steels
0 0

(1) Dani Shapiro, “Hourglass. Time, Memory, Marriage”, Knopf, 2017. (2) Rita Verschuur, “hoe moet dat nu met die papillotten, Van Goor, 1991.

Wie vertelt mij het verhaal? Dani Shapiro, de auteur die op de kaft van het boek staat vermeld. Het verhaal is in de ik-persoon geschreven. Het is een autobiografisch boek, waarin Shapiro het verhaal vertelt vanuit het ‘nu’, de leeftijd die ze heeft wanneer ze het boek schrijft (52 jaar is dat, dat  vermeldt ze ergens in het boek) .   Weet hij alles of niet? Wat is het vertelperspectief, wisselt dat? Het vertelperspectief wisselt niet. We lezen alles vanuit de ik-persoon die steeds dezelfde blijft, maar af en toe wel wijze raad geeft aan haar ‘zelf’ van vroeger, nadat ze schriftjes terugvindt van net voor haar huwelijk of haar huwelijksreis. Die leest ze terug, en ze reflecteert op hoe ze nu geëvolueerd is, wat ze toen dacht en hoe het nu is. Wat vertelt de eerste zin? Hoe zet de schrijver de ‘toon’? De eerste zin luidt: “From my office I see my husband on the driveway below.”In de eerst zin worden meteen de twee ‘hoofdpersonages’ van het boek vermeld. De ik-persoon (de schrijfster) en haar echtgenoot. Dat het om de hoofdpersonages gaat, weet je als lezer al omwille van de ondertitel van he tboek (time, memory, marriage). Inhoudelijk lijkt de eerste zin banaal (de schrijfster ziet haar man), maar kan tegelijkertijd als beladen overkomen en symbolisch geïnterpreteerd worden. Zij zit in haar bureau, is aan het werk, terwijl haar man buiten op de oprit staat (wat staat hij daar te doen, moet hij niet werken?), ze kijkt naar beneden (below), de eerste zin komt op die manier over als een soort van metafoor waarbij de schrijfster van bovenaf haar leven (en haar man) observeert en erover schrijft enerzijds en tegelijkertijd kan het iets zeggen over hun verhouding en de balans daarin (hiërarchisch, de sterke versus de zwakke, de zekere versus de zoekende?),… Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar één persoon of zijn het er meer? De lezer kijkt door de ogen van de ik-persoon en dat is de schrijfster, we krijgen haar verhaal, over haar leven, haar gedachten, het samenleven met haar man, tegenslagen, gedeeld geluk. Af en toe (be)schrijft ze reacties van haar man, of schrijft ze hoe hij dingen heeft aangevoeld, maar het is haar verhaal. Ze is zich wel heel bewust dat ze niet ‘uit één stuk” bestaat, maar gevormd is door verschillende ‘zelven’ die door de tijd heen en afhankelijk van de ‘rol’ die ze in haar leven opneemt (moeder, echtgenote, vrouw, professioneel) anders is. Daarop wordt gereflecteerd. 136/ “I understand that I am composed of many selves that make up a single chorus.” Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? De verteller neemt je mee in haar gevoelsleven, vertelt ogenschijnlijk kleine anekdotes die later in het verhaal terugkomen en gekoppeld worden aan nieuwe ervaringen, gedachten en op die manier heel betekenisvol blijken in het leven van de schrijfster. Het worden kapstokjes, rode draden, knooppunten. Op die manier word je deelgenoot van een vol, samenhangend en intiem verhaal dat bovendien altijd geschreven is met respect voor de personen waarover geschreven wordt. Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? Nvt Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat voor rol spelen zij? De Echtgenoot: Shapiro schrijft over haar echtgenoot ‘M’: hoe hij handelt, zich voelt, wat hij doet, maar we krijgen zelden rechtstreeks iets van hem te horen. Ze schrijft expliciet dat er ook voor haar zwarte gaten zijn: “Still, there are pockets, absences. Sinkholes inside my husband where whole other lives are contained – ones impossible for me to know. His years in Africa are inaccessible to me.” Eén keer krijgen we de echtgenoot rechtstreeks te lezen. Bijna op het eind toont ze de gelofte-brief die hij haar voorlas op de dag van hun huwelijk. Het is een brief die helemaal bevestigt wat ze voordien allemaal schrijft: hoe zij zich voelt ten aanzien van haar man en hoe ze denkt dat hij zich voelt. Het is natuurlijk heel mooi die bevestiging aan het eind ook te lezen – al wist de schrijfster natuurlijk al lang dat ze daar naartoe schreef… De zoon: Er wordt over de zoon geschreven in functie van de relatie die Shapiro en haar man hebben, maar de zoon zelf komt niet aan het woord. De zoon als liefdesbaby van de twee, de zoon met een ernstige ziekte die hun relatie juist sterker maakt, de zoon als knappe, steeds meer onafhankelijke jongvolwassene. Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘in goede ‘chronologische volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect (voordeel) van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? Het verhaal is in de grote lijnen chronologisch: je ziet als het ware de schrijfster aan haar bureau zitten en dit verhaal neerpennen, waarbij ze af en toe terugkeert naar vroeger en uitlegt hoe het vroeger was en hoe het daardoor nu loopt hoe het loopt, als een boom met veel zijtakken: Begint wanneer het putje winter is en op het ogenblik dat ze ‘schrijft’ Volgende paragraaf vertelt ze over de vorige herfst Mijmering over 20 jaar huwelijk en daardoor een soort van toonzetting (‘hierover gaat het boek’) aan de hand van een heel concrete herinnering/gevoel: “I’ll take care of it, M. said. A familiar refrain, one I have always loved and long to believe. This longing – my longing – is part of our marriage. We have been together for nearly two decades.” Vanuit het nu een blik op haar man voor het huwelijk Weer naar gisteren: M vond boekjes van haar huwelijksreis Op basis van die boekjes, mijmering over de snelheid van de tijd: “I feel time collapsing on itself. It is as if I reach out and tap that blissed-out honeymooning not-so-terribly young woman on the shoulder, point her away from the fluffy towels and cafés and shitting pigeons, and direct her towards another screen, a future screen.” P. 9 11: “Some facts, at the moment I write this, I am fifty-two. M is fifty-nine. …”   Shapiro geeft ons het gevoel dat ze eigenlijk gewoon continu aan haar schrijftafel zit en mijmert over haar huwelijksleven, dingen aan elkaar knoopt, inzoomt op een bepalend moment, rondfladdert als een vlinder van struik tot struik, moment tot moment, …. Uiteraard zijn er lege plekken en weet je niet alles, maar je hebt helemaal niet de indruk dat het geen samenhangend verhaal is. Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd en hebben die een functie? Shapiro schetst in haar dunne boekje van 150 blz het gevoelsleven in haar 18 jaar durende huwelijk. Er is dus niet zo gek veel tijd nodig om het verhaal te vertellen, maar door een aantal bepalende dingen aan te halen en het gevoelsleven daarvan te benadrukken, heb je als lezer het gevoel dat je heel goed mee bent in hoe het daar zit.   Ze maakt tijd trouwens heel expliciet een onderwerp in haar boek. Op een bepaald moment kijkt ze samen met haar man naar een slideshow waarop alle foto’s van hun gezamenlijk leven ad random worden afgespeeld: p 17: “It’s the randomness that’s mermerizing. Just five more, we’ll sit, transfixed. Okay, really, now just seven. Ten, and we’ll stop. The jumble of images! At times I’ll turn to M. and ask what I’m looking at. Were were we? What was the moment? (…) When chronology is eliminated, when life is shuffled like a tarot deck, it’s hard to keep track.”   Of nog p. 116 (over eindigheid): “Some things that definitely won’t happen: we won’t have more children, we won’t host big family reunions, we won’t own a compound where generations will spend summer weekends playing badminton and roasting ‘s mores.” In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal? Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? Het verhaal speelt zich af in het heden. Er wordt niet expliciet over actualiteit of gebeurtenissen gepraat, maar heel terloops komen een aantal elementen ter sprake die voldoende zijn om de plaats, cultuur en het historisch kader neer te zetten en die terloopsheid versterkt de geloofwaardigheid: De joodse cultuur (Hineni, Bar mitswa) Amerika: Walmart, 60 minutes, “Another close-up of the front page of the New York Times: “two youths in colorado school said to gun down as many as 23 and kill themselves in a siege” Provence en Parijs op huwelijksreis: benoeming van herkenbare, typische buurten A popular book about the japanese art of tidying up: dat is een boek dat niet bij naam wordt genoemd maar waarvan je meteen weet over welk recent boek het gaat. Poëzie van Wendell Berry … Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen? Wat? Ik heb, nadat ik het boek uithad, het volgende gegoogeld: ‘echtgenoot Dani Shapiro’ , ik was dus nieuwsgierig of het écht allemaal echt is: zijn naam, zijn beroep, zijn carrière. En ik wilde graag ook zien hoe het koppel eruitziet. Ze zien er helemaal anders uit dan ik eerst dacht. Maar je moet niets opzoeken om dit verhaal te begrijpen. Waar ligt de focus van het verhaal?Op één episode met een duidelijk begin en einde? Eén afgebakend voorval per episode? Waarover gaat het, wat is het verhaalgegeven? Staat er een probleem centraal? Wordt het anekdotische overstegen?Als het verhaal bestaat uit verschillende episodes, hoe is de samenhang tussen de gebeurtenissen, personen, plaats en (historische) tijd en zijn de overgangen dan duidelijk? Focus ligt op hoe een vrouw verschillende mensen in één is, hoe je als koppel op mekaar ingespeeld geraakt, hoe tijd, relaties en gevoelens evolueren.   Mijmering en terugblikken over het verloop van het leven, waarbij het huwelijk en de relatie tot de man centraal staan, en hoe het ‘zelf’ geëvolueerd is, wat ankerpunten zijn geworden, … Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden?   Het zelf Kleine zinnetjes en gesprekken die bepalend zijn Notities – het schrijven De tijd die vooruit gaat En tot slot: kan ik beelden en beeldspraak vinden? Staan er metaforen of zelfs symbolen in het verhaal? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie, waar staan ze voor?     boek 2 Rita Verschuur, “hoe moet dat nu met die papillotten, Van Goor, 1991.   Wie vertelt mij het verhaal? Rita Verschuur, de auteur die op de kaft staat vermeld. Het is een autobiografisch boek, het is in de ik-persoon geschreven, maar vanuit kinderperspectief. De ik-persoon is aan het begin van het boek 4 jaar oud (in 1940) en aan het eind 9 jaar oud (in 1945).   Weet hij alles of niet? Wat is het vertelperspectief, wisselt dat? Het vertelperspectief wisselt niet. We lezen alles vanuit de ik-persoon die op 126 pagina’s wel 5 jaar ouder wordt (van 4 naar 9 jaar) wat voor die leeftijdscategorie een hele grote tijdsspanne is. Het kind weet niet alles, vanuit haar kleine ervaringswereld geeft ze haar eigen interpretaties, hetgeen heel mooie effecten oplevert omdat je als oudere lezer ‘wel beter weet’ maar aan de andere kant ook de onbevangenheid van het kind kwijt bent en het je dus ‘anders’en opnieuw ‘voor de eerste keer’ naar de dingen laat kijken. Het boek lijkt opgevat als een soort dagboek met per blad een ervaring of gebeurtenis (genummerd). Het is geschreven in de tegenwoordige tijd eerste persoon: ‘ik zig-zag op mijn autoped tussen de mensen door en telkens hoor ik dat woord oorlog.’ Wat vertelt de eerste zin? Hoe zet de schrijver de ‘toon’? De eerste zin luidt: “Ik word wakker van een gonzend geluid.” Deze zin zegt op zich niet zoveel maar je kan er wel een aankondiging in zien dat zintuigelijke ervaringen belangrijk zijn. Een jong kind, dat alles voor de eerste keer beleefd en nog niet over een breed vocabularium beschikt om zich uit te drukken, zet al zijn zintuigen in om de wereld in zich op te nemen. Geluid, lichtsterkte, geuren, …het zijn ook dingen die je je als volwassene nog precies herinnert bij bepaalde momenten van je kindertijd. Het is een heel ‘tactiele’ zin. Een ‘gonzend geluid’ kan ook iets onheilspellends aankondigen. Het wordt in het boek op de eerste bladzijde al duidelijk dat de oorlog begonnen is en die oorlog speelt het hele boek een belangrijke rol. De eerste zin verbindt dus twee eigenschappen die doorheen het boek, voor de sfeer en de toonzetting, eigenlijk heel belangrijk zijn, al is de zin op het eerste zicht van weinig belang. Subtiel. Door wiens ogen kijk ik en hoe beïnvloedt dit mijn kijk? Is het maar één persoon of zijn het er meer? Je kijkt door de ogen van de kleine Rita die je vertelt over haar dagelijkse ervaringen tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 – de oorlog is continu (maar soms slechts op de achtergrond) aanwezig. Het gaat evenzeer over de scheiding van haar ouders, de nieuwe vrouw van haar papa en haar gevoelends daarover, haar dagjes uit met haar grootouders. Je wordt als lezer dus in een soort kikvorsperspectief geplaatst (kleine meid) die beschrijft hoe de wereld aan haar voorbijtrekt. Bij wie ligt mijn sympathie en in hoeverre word ik daarin gestuurd door de verteller? Bij de ik-persoon, het kleine meisje dat heel ontwapenend en zonder veroordeling toch haar gevoelens heel eerlijk uit. Opeens hertrouwt haar vader met een mevrouw die echt helemaal niet zo aangenaam lijkt te zijn – dat voel je aan door wat Verschuur schrijft – maar toch doet ze dat vanuit een kinderpen en wordt het nooit kwetsend. Dat is knap gedaan. Je bent als volwassen lezer geneigd het een vervelend mens te vinden en dat Rita beter verdient, maar dat beoordeelt zij zelf nooit op die strenge manier. Als er meer vertellers, perspectieven zijn, wat zijn dan de onderlinge relaties, wat is ieders rol en motivatie in het verhaal? Hoe verhoudt iedereen zich tot de gebeurtenissen? Nvt Zijn er personages in het boek van wie ik niet te weten kom wat zij zelf denken? Wat voor rol spelen zij? De vader, de moeder, de stiefmoeder, het vriendinnetje en de opa van Rita zijn de belangrijkste figuren uit/in haar omgeving. De gevoelens en gedachten van die personen krijgen we uit tweede hand, via de interpretatie van de kleine Rita, en af en toe door een rechtstreekse dialoog. Maar ze komen nooit zelf aan het woord. Het zijn wel de bepalende figuren in haar leven. Wat zou het verhaal zijn als ik het ‘in goede ‘chronologische volgorde’ zou vertellen? Wat is het effect (voordeel) van door elkaar gooien? Krijg ik uiteindelijk een sluitend verhaal of zitten er gaten in? Het verhaal wordt chronologisch verteld. Het is opgebouwd in 5 hoofdstukken, die naar thema niet van elkaar verschillen, maar slechts door het jaartal die indeling krijgen: het boek overspant 5 jaren. 1940 telt 11 pagina’s 1941 telt 6 pagina’s 1942 telt 7 pagina’s 1943 telt 25 pagina’s 1944 telt 32 pagina’s 1945 telt 24 pagina’s   Het boek zijn geen dagboekfragmenten maar je zou het zo wel kunnen omschrijven. Het gaat om kleine gebeurtenissen en sleutelmomenten in het leven het kind. Er is geen sprake van een heel concrete verhaallijn, maar wel van gebeurtenissen die min of meer aan elkaar hangen. Je krijgt een prima beeld van de leefwereld van een kleuter en hoe die oorlog en het familieleven ervaart.   1940 (11 pagina’s) (oorlog, familie, angsten van een kind) Hoe Rita te horen krijgt dat het oorlog is en wat ze daarbij voelt (blij, oorlog is fijn want veel mensen op straat) Hoe de oorlog zich concretiseert in het uniform van oom jan en hoe ze zich nu voelt (oorlog is het ergste dat er is) Het bezoek afluisteren– wat er zou kunnen gebeuren bij de oorlog Concrete impact van de oorlog – en haar gevoelens tav Duitsers Angst voor gewone dingen omdat Duitsers om alles boos zouden kunnen worden Een nieuw vriendinnetje – Rita Bezoek van een meneer die een andere taal spreekt Hoe papa anders kan zijn als hij niet met mij maar met een grote mens bezig is (als een jongen) Hoe het haar op school vergaat De familie van het vriendinnetje Angst dat mama haar vergeten is op de school Troost en angst voor de Duitser   1941 telt 6 pagina’s (oorlog) Altijd bang op school Het marcheren van de Duitsers Joden moeten mee Hans, de broer van Rita, en in de loopgraven spelen De grote school en lezen Bij luchtalarm onder de bank kruipen   1942 telt 7 pagina’s (familie) Samen met Rita op verlof op een boerderij De grammofoon en hoe die werkt Bij opa en oma Verschuur: geuren en stoelen en wat ze doen Bij opa Bij opa en de steentjes die ik zoek in het grind Bij opa en oma Bussum die nooit iets tegen haar zeggen Hoe mama het haar van papa kamt die dat niet leuk vindt   1943 telt 25 pagina’s (familie, scheiden, tijdsbeleving) Vrij van school omwille van de oorlog Mama en papa tennissen op Wimbledon Papa en mama maken ‘s nachts ruzie Gaan ze scheiden? Mama zegt dat ze gaan scheiden Opa Vershuur en wandelen (eeuwigheid) De turkwaasjes Met opa naar de plantentuin (elk jaar komt er een bloem) Volwassen worden en een korset dragen (in dit hoofdstuk is de tijd en het besef daarover duidelijk een (subtiel) issue) Turkwaasjes Mama is verhuisd Tante Bine slaapt in het kinderbed Mama woont bij juffrouw Rietz Rita vraagt haar vriendinnetje of ze liefst papa of mama heeft Een andere vriendin komt papa helpen Die nieuwe vriendin is niet zo leuk Logeren bij een tante en oom, die zijn niet gescheiden Mam is weer verhuisd, ze geeft massages Mama wil terugkomen maar papa wil niet De nieuwe vriendin verbiedt me iets De nieuwe vriendin nodigt deftige mensen Papa en mama zeggen ‘Rita’ aan ‘Toon’ tegen elkaar Papa gaat trouwen met de nieuwe vriendin Hoe ik eruit wil zien op de trouw Papillotten in mijn haar   1944 telt 32 pagina’s (Familie en gevoelens, oorlog,) Het huwelijk De nieuwe inboedel van moeder Het zingen van moeder is niet leuk Ik wil liever mama maar soms denk ik dat ze mijn mama niet meer is Juffrouw Martens Albert is joods en heeft een wonde Bang van moeder Zelf afwassen Moeder is zwanger Een muis in het bed Een brandende trein Liegen tegen de moffen Papa moet toch niet mee met de Duitsers Luchtalarm op school De school is dicht Spelen bij Rita Bij Rita slapen Poepen in bed Broertje wouter Moedermelk Tulpentaart Pikant uienpateetje Gaarkeuken en vallen Drinken aan het brouwerskolkje Spelen in de loopgraven Bijgeloof om de oorlog te stoppen Evacuatie en nieuwe mensen in huis Te veel volk in huis Boter Huilen in bed Wandelen met de baby’s   1945 (oorlog en de bevrijding) Al mijn jurken zijn te kort Helpen bij het wassen van woutertje en de kom laten vallen Petertje heeft vaders leven gered Twee moffen zoeken vader Luizen Haar eraf Drie kinderen sterven Zweeds witbrood De oorlog is gedaan Meerijden met de Canadezen Een collaborateur Samen het volkslied zingen De verstopplaats Mevrouw Martens Piedewiedewiet Mama gaat vieren met de Canadezen Mama stuurt kaarten Padvindersriem Snoep van juf rietz Leslie van canada Verstoppertje spelen op straat Op bed springen Duitsers uitlachen Turkwaasjes en te groot geworden voor zulke grapjes   Hoe verhoudt de tijd binnen het verhaal zich tot de tijd die nodig is om het verhaal te vertellen? Zijn er sprongen in de tijd en hebben die een functie? 5 jaar in 120 pagina’s en dus 120 fragmenten. Het zijn snapshots. Herinneringen van een klein meisje die voldoende informatie geven om de leefwereld van het kind goed te schetsen. Wat niet opvalt in het boek is dat Rita ouder wordt, je krijgt als lezer niet de indruk dat het taalgebruik uitgebreider wordt, maar het stoort ook niet. Het is pas door er achteraf over na te denken dat het opvalt nochtans doorloopt een kind toch een hele ontwikkeling tussen 4 en 9 jaar, dus dat is toch een beetje vreemd. De vijf hoofdstukken zijn chronologisch opgebouwd, en binnen de hoofdstukken is er ook een chronologie maar die lijkt van minder belang omdat het op zich staande kleine anekdotes zijn.   In welke maatschappelijk historische tijd en in welke omgeving speelt het verhaal zich af? Is er maar één periode of locatie? Hoe laat de schrijver de maatschappelijke context mee resoneren in het verhaal? Zijn er dingen die ik over die tijd weet die de schrijver nadrukkelijk of heel subtiel niet in het boek laat doorklinken? Zo ja, waarom is dat dan? Het verhaal speelt zich af in Nederland tijdens de tweede wereldoorlog. Er wordt heel veel maar wel subtiel naar de oorlog verwezen en de impact die dat heeft op het dagelijkse leven: weinig voedsel en de creativiteit die dat met zich meebrengt (tulpentaart eten, pikant uienpateetje, moedermelk drinken), het gebrek aan kleding (de rokken die almaar verlengd worden met lappen stof), kapotte fietsen, de school die dichtgaat,.. heel concrete dingen die een jong kind toch meekrijgt: de dood van drie kindjes die op terugweg van de school door een bom zijn gedood,.. Moet ik dingen opzoeken om het verhaal te begrijpen? Wat? neen Waar ligt de focus van het verhaal?Op één episode met een duidelijk begin en einde? Eén afgebakend voorval per episode? Waarover gaat het, wat is het verhaalgegeven? Staat er een probleem centraal? Wordt het anekdotische overstegen?Als het verhaal bestaat uit verschillende episodes, hoe is de samenhang tussen de gebeurtenissen, personen, plaats en (historische) tijd en zijn de overgangen dan duidelijk? Het gaat om het levensverhaal van een klein kind en de klemtonen daarin: hoe een kind de tweede wereldoorlog als macro gebeurtenis en een scheiding als micro gebeurtenis ervaart, waarbij er een duidelijk begin is, m.n. het boek begint de dag dat de oorlog start en het eindigt na de bevrijding. De oorlog vormt het decor waarbinnen zich het familieleven afspeelt: gekibbel, scheiden, nieuwe vrouw, vriendjes maken, opa en oma, … die dingen komen in verschillende fragmenten terug en vormen uiteindelijk het weefsel van haar leven. Zijn er elementen in het verhaal die steeds terugkomen, die elkaar versterken of steeds een ander aspect laten zien? Kortom: welke motieven en thema’s kan ik vinden?   Het verloop van de tijd voor een kind – tijdsbeleving Angst, oorlog, schaarste Geborgenheid en het omgekeerd (mama en moeder) En tot slot: kan ik beelden en beeldspraak vinden? Staan er metaforen of zelfs symbolen in het verhaal? En zo ja, hoe sturen zij mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Wat is hun functie, waar staan ze voor?  Neen, er is geen beeldspraak omdat dat niet zou kloppen uit de mond van een jong kind. Wel wordt er opeens over ‘moffen’ gesproken, een woord dat kleine Rita allicht heeft opgepikt van de volwassenen en het dan ook begint te gebruiken. Je merkt op die manier hoe die oorlog binnensluipt in alles en hoe een kind een spons is die alles absorbeert.   Als je wil mag je jouw antwoorden posten op azertyfactor. Vermeld duidelijk auteur en titel van de roman.       

Sabine Steels
0 0