Herfstvakantie
Het zou een gewone dag in de herfstvakantie worden. Een gewone dag met gewone discussies. Als u een omkleedkaart koopt, mevrouw, dan mag u mee naar de kleedkamers, anders niet. Nee, mevrouw, ik mag u niet zomaar even in de kleedkamers laten. Het systeem moet weten dat u binnen bent. Plots stonden ze daar. De gepantserde armen, met zwarte camera’s en holle microfoons. Het moeten er misschien wel driehonderd zijn geweest. De kassier had nog geprobeerd de automatische schuifdeur te vergrendelen, maar de camera’s wrongen zich met hun bionische vingers al een weg naar binnen. De mevrouw was de kleedkamers in gevlucht, zonder omkleedkaart. De gepantserde armen bestormden de kassa. Nog voor de kassier zijn cyanidepil had kunnen innemen, hadden de armen hem overmeesterd en zijn lichaam in een gruwelijke klem geplooid. De zwarte camera’s werden rood, de gepantserde armen scanden het brein van de kassier. Die avond onthulden de gepantserde armen op de schermen wat ze in het brein hadden gevonden: het was herfstvakantie en er waren 248 kinderen komen zwemmen.