Elisabeth Leysen

Gebruikersnaam Elisabeth Leysen

Teksten

Weymouth - opdracht 8 Elisabeth Leysen

Hun huwelijksfeest was een feest met kerstbomen. Ze droeg een donkerbruine jurk, een dun wollen truitje en schoenen, bekleed met zijde. Ze was in de jurkenwinkel eerst naar wit gaan kijken, maar wit was niets voor haar, dat vond de verkoopster ook. Ze koos een jurk van Nicole Cadine. De jurken van Nicole Cadine deden haar denken aan de Russische romans die ze had gelezen toen ze nog studeerde en haar man had leren kennen. Haar man droeg een Palestijnse sjaal, bestudeerde Karl Marx en las El Pais. Dat vond ze heel indrukwekkend.   ***   Ze is een winterkind, geboren in december. Ze was nog maar een jaar oud en mocht al met de sneeuwman op de foto. Haar vader, de sneeuwman en zij, in de tuin van het oude huis van haar grootmoeder, waar ze woonden tot het nieuwe huis af was. De sneeuwman droeg een zwarte hoed. Binnen in het oude huis stond een grote kerstboom. De boom was een beetje kaal, maar dat was niet erg. Het was heerlijk stil in het oude huis met de sneeuwman. Buiten was het winter en binnen speelde ze met haar winkeltje. Het winkeltje had schuifjes en vakjes en doosjes. Soms kwam er iemand winkelen. Als er niemand kwam winkelen, dan schreef ze in een boekje. Na de winter kwam de zomer met een broertje. En nog twee winters later kwam de lente met een zusje. Kort voor het kerstfeest kwam Sinterklaas. Soms gingen ze kijken naar het nieuwe huis met de grote tuin. Haar vader plukte bloemetjes en plantte die op de hoge bergen zand die rond het huis lagen. Hij zette haar en haar kleine broer boven op een berg en dan gleden ze naar beneden. In de zomer was het nieuwe huis met de grote tuin klaar. Aan het eind van de tuin lag een pad en een grote weide. In de weide woonde een ezel. De ezel kon heel luid balken. De ezel is misschien een beetje eenzaam, zei haar vader. Als je achter de tuin het pad volgde en dan ook nog de rivier, dan was je heel ver weg van huis. Veel liever bouwde ze een kamp in de hoek van de tuin, tussen de eiken naast de grote den. Ze plukte madeliefjes en knoopte ze aan elkaar tot een halssnoer. In de zomer was er altijd een groot pannenkoekenfeest in de tuin van het nieuwe huis, met alle neefjes en nichtjes. De tantes bakten pannenkoeken en de nonkels maakten een groot kampvuur.   ***   Ze kon heel lang naar het donker kijken. Als ze maar lang genoeg keek, dan kwamen ze misschien, tante Martha en nonkel Marcel en nichtjes Conny en Maggy. Tante Martha was de jongste zus van haar moeder. Als tante Martha er was, werd iedereen vrolijk. Je kon haar in het hele huis horen praten en lachen. Tante Martha woonde in de Nieuwstraat, boven de supermarkt. Nonkel Marcel schilderde reclamepanelen. Hij schilderde dingen die je in de supermarkt kon kopen en schreef er dan in sierlijke cijfers de prijs bij. Toen ze haar eerste communie deed, had nonkel Marcel panelen geschilderd voor het feest, met de letters uit een liedje. Dank U voor deze nieuwe morgen, dank U voor deze nieuwe dag, dank U dat ik met al mijn zorgen bij U komen mag. Op een zondagavond in maart kwam een auto de oprit opgereden, maar het was niet die van tante Martha. Het was de auto van nonkel Roger, een van de broers van haar moeder en van tante Martha. Nonkel Roger maakte altijd grapjes. Nu maakte hij geen grapjes. Ze hoorde de grote mensen praten over gas in de badkamer en het roostertje in de deur dat was afgeplakt omdat het anders tochtte en hoe Conny was gaan kloppen op de badkamerdeur omdat nonkel Marcel zo lang in bad bleef en het was tijd om naar de mis te vertrekken. Op vrijdag werd nonkel Marcel begraven. Ze zag voor het eerst de andere oma van Conny en Maggy en de broer van nonkel Marcel. De broer van nonkel Marcel leek heel erg op nonkel Marcel. In de zomer huurde nonkel Roger een huis in Luxemburg, helemaal speciaal voor tante Martha en voor Conny en Maggy. Het was een groot huis, met genoeg plaats voor de hele familie. Vlakbij was een groot woud en als je daar ging wandelen als het donker was, dan kon je everzwijnen horen ritselen.   ***   Haar man groeide op in een huis zonder kerstbomen. Er moeten ooit wel kerstbomen zijn geweest, maar dan lang geleden. Voor een kerstboom moet je genoeg plaats hebben. Je moet opruimen en plaats maken. Er werd nauwelijks opgeruimd in het huis waar haar man opgroeide. Het was er dof en het rook er naar schimmel. Er was een kachel, maar die kon maar één kamer verwarmen. In de andere kamers was het koud en vochtig. Weinig plaats voor een mooi gedekte tafel en weinig plaats voor blije gesprekken. Ze hoorde vooral verwijten. En toch heeft haar man mooie verhalen verteld bij de uitvaart van zijn ouders. Hij vertelde over de tijd dat het huis nog glansde en over de tafel die zijn grootvader had gemaakt en waaraan de grote Camille Huysmans ooit had gezeten.   Ze kreeg vaak verwittigingen in het huis vol verwijten. Dat ze nooit een cent van hen zou krijgen. Ze hadden geërfd en dat had hen achterdochtig gemaakt. En dat ze nooit een goede vrouw zou zijn voor hun zoon, want daarvoor was ze veel te feministisch. Toen zij en haar man plannen maakten om te trouwen, werden de verwijten zo ondraaglijk, dat ze beslisten om te wachten. Het wachten heeft dertien jaar lang geduurd. Als ze haar man wilde zien, dan moest ze naar het grauwe huis. Daar deed ze heel erg haar best om te doen wat van haar werd verwacht. En toch liep het mis, soms. Dan had ze hen beledigd, vonden ze, en de dagen nadien werd haar man daarvoor gestraft. Haar vader begreep niet waarom ze zo lang wilde wachten op een man die duidelijk niet van haar hield. Als hij jou echt graag ziet, waarom wacht hij dan zo lang? Haar vader had moeten vechten om te kunnen trouwen met de liefde van zijn leven. Mijn grootmoeder verhuurde kamers aan studenten die voor ingenieur studeerden. Dàt zijn geschikte kandidaten, vond haar grootmoeder, niet die staalarbeider zonder centen en zonder diploma.   ***   Alfie von Heikenstein, zo heette ze. Alfie had een boekje met haar naam in. Zo’n boekje moet je hebben, zei haar vader, want anders ben je niet zeker dat ze niet meteen ziek zal worden en doodgaan. Ze hadden al eens een hond gekocht op de dierenmarkt, maar dat dier was heel erg ziek geworden en doodgegaan. Op een dag zijn ze Alfie gaan kopen, met de auto, bij een meneer in Nederland. De meneer woonde in een straat met allemaal dezelfde huizen en in de tuin had hij een groot hok met honden. Ze mochten kiezen uit twee honden, Alfie en Daisy. Ze kozen voor Alfie. Jullie mogen Alfie nu wel meenemen, zei de meneer, maar op zekere dag kom ik kijken of jullie wel goed voor Alfie zorgen. En als jullie niet goed voor Alfie hebben gezorgd, dan neem ik haar gewoon weer mee. Ze zorgden heel goed voor Alfie en toch heeft Alfie in het begin gehuild, elke nacht, drie weken aan een stuk. Alfie is wel groot, maar toch is ze nog heel klein, zei haar vader. Ze waren bang dat de buren boos zouden worden en zeggen dat het zo echt niet meer verder kon, maar dat hebben ze niet gedaan. Alfie woonde in een groot hok in de tuin. Dat hok was te klein voor mensen, maar als ze heel verdrietig was, dan kroop ze toch mee in het hok. Dat mocht van Alfie. Als ze op avontuur gingen, naar het water met het eilandje achter de Zandstraat, dan ging Alfie mee. Op zekere dag is Alfie heel erg ziek geworden en moest haar vader met Alfie naar de dierenarts. Toen haar vader terug was van de dierenarts, heeft hij heel lang bij het lege hok gezeten, tot het donker was. Na Alfie hebben ze nooit nog een hond gekocht, ook niet een hond met een boekje.   ***   Vijf jongemannen zitten aan een tafeltje met gekrulde poten en een marmeren blad. Op de vloer ligt een groot tapijt, achter hen is een muur met gestucte laurierkransen en zwanen. Er is veel licht in de kamer. De man in het midden zit achterstevoren op zijn stoel. In de ene hand houdt hij een sigaret, de andere hand raakt een stuk op het speelbord dat voor hem op het tafeltje ligt. De man rechts van hem houdt ook een stuk in de hand. De andere mannen kijken toe, een hand elegant ter hoogte van de kin, de andere hand losjes op een knie. Ze dragen een driedelig pak met witte stijve boord en een das. Hun haar ligt glad, met een zijscheiding en een golf. Op de achterkant van de foto ziet ze het handschrift van haar moeder. Hubert Caers, staat er. Dat is haar grootvader. En Afgestudeerden Normaalschool Lier? Haar grootvader was hoofdonderwijzer in de jongensschool aan de Rijnstraat. Het gezin Caers woonde in het huis bij de school. Meester Caers was een strenge meester. Als kinderen in de buurt niet gehoorzaamden, dan dreigden de ouders steevast dat ze naar meester Caers zouden worden gestuurd. Dat verhaal werd keer op keer verteld door haar moeder. En door haar vader, want die had nog in het zesde leerjaar gezeten bij meester Caers. Ze ziet de foto nu voor het eerst, ze heeft hem gevonden in een kast in de kamer waar haar vader is overleden. Dit is een foto van haar grootvader als een jongeman, die zelfbewust voor de camera speelt dat hij een gezelschapsspel speelt. Het valt haar op hoezeer haar nonkels op haar jonge grootvader lijken. Haar nonkels studeerden theologie, wiskunde en filosofie en spraken vreemde talen. Ze hielden van feestjes en van discussiëren, over gelijk wat, ze vonden alles interessant. Ze hielden van andere culturen en van snel rijden. Haar vader hield niet van andere culturen en van snel rijden, maar de nonkels deelden zijn passie voor fotografie en hebben hem geholpen met zijn nieuwe huis.   Ze had tot dan alleen de foto gezien die bij haar ouders in de woonkamer hing. Haar grootvader als een wat oudere, vermoeid uitziende man, met zijn vrouw en hun acht kinderen, op een zomerse zondag in de tuin. Hij is niet veel later overleden, haar moeder was nog maar zeventien. Ze had biologie willen studeren, maar daar was geen geld meer voor. Regentaat kon nog wel. Haar moeder nam haar en haar kleine broertje en zusje mee op tocht naar de bossen en paadjes achter de tuin, nog verder dan de ezel, en leerde hen de namen van alle bloemetjes en bomen. Op het einde van de zomer namen ze een emmertje mee en gingen ze op zoek naar braambessen. Thuis maakten ze confituur. Een hele muur vol. Haar vader had lange smalle planken bevestigd tegen de muur boven de keldertrap en daar vond je de potten met etiketten. Rabarber, pruim, aardbei, braambes, kweepeer.     ***   Het huwelijksfeest was in december, in een oranjerie, midden in een groot park. Binnen stonden overal kerstbomen. Haar man had een tekst voorgelezen die hij voor haar had geschreven. Hoe zij had gewacht tot hij weg durfde uit het grauwe huis. Na het feest zijn ze op reis gegaan, naar de plekken waar hij als kind was geweest met zijn ouders. Ze liepen langs de hele hoge palmboom en langs de grote boulevard waar zijn moeder had gekeven, zo hard dat de hele wereld het had kunnen horen. En ze liepen langs het parkje in de buurt waar zijn ouders een appartement hadden gehuurd en waar zijn vader hem Franse woordjes had geleerd uit een boekje. Haar man houdt van Franse woordjes uit een boekje.   ***   Toen de ouders van haar man nog leefden, kocht ze elk jaar twee kerstbomen. Een grote voor het huis met de hoge plafonds waar ze woonde met haar man en een kleine voor het grauwe huis. Voor een kleine kerstboom was nog nét plaats. Ze moest even aandringen, want de ouders van haar man vonden een kerstboom te veel gedoe, maar als de lichtjes werden aangestoken, dan gingen hun ogen heel even glinsteren. Het grauwe huis ging er heel even van glimmen. En de verwijten gingen er heel even van verstommen. In de plaats van de verwijten kwamen de verhalen, de wonderlijke verhalen over een voorvader die met duizenden schapen helemaal van Friesland naar zijn bruid in de Rupelstreek was gekomen. Of over de treinrit van zijn vader die krijgsgevangen was genomen en een brood had gekregen van Duitse soldaten. Of hoe haar man nog een kind was en aan de hand van zijn grootvader naar het winkeltje mocht.   ***   Er groeit mos tussen de kasseien naast het huis van haar vader. Dikke stukken mos. Ze herinnert zich hoe haar moeder op haar knieën onkruid van tussen de kasseien schraapte. Zeker zestig vierkante meter kasseien. Het had ook met een product gekund. Product in een spuitbus, sproeien, even wachten en klaar. Dat moet de buurman zeker gedacht hebben, toen hij met zijn fiets voorbij reed en mijn moeder met haar knieën op een kussentje zag zitten. De buurman had product en spuitbus klaar, maar hij zweeg, want hij wist dat het toch geen zin had. Haar ouders waren tegen producten. Haar vader zit voor het raam in de keuken. Vier maanden na de dood van haar moeder kreeg haar vader een herseninfarct. Precies op vaderdag. Ze hadden nog samen pannenkoeken gegeten en toen haar zus en zij alweer weg waren, kreeg hij het infarct. Ze hebben hem pas de volgende dag gevonden. De dokters hadden voorspeld dat hij nooit meer naar huis zou kunnen, maar na vier maanden revalideren mocht hij weer naar huis. Sindsdien zit hij voor het raam in de keuken en slaapt. Eerst dachten ze nog dat ze hem moesten aanmoedigen om te bewegen, dingen te doen, maar daar werd haar vader heel ongelukkig van. Alsof hij een luierik was. Als je veel slaapt, dan is dat omdat jouw lichaam dat nodig heeft, had de neurologe vriendelijk gezegd en dat was het einde van de aanmoedigingen. Als haar vader niet slaapt, kijkt hij naar de tuin. Ze vermoedt dat hij het wel erg vindt, van het mos, maar hij zegt dat het hem niet kan schelen. Ze steekt een filmrolletje in de camera. Haar vader kijkt toe. Het is zijn camera. Meer dan vijftig jaar geleden had hij de camera gekocht, het invoerbriefje met de stempel van de douane zit nog in de fototas. Haar hele kindertijd is vastgelegd met die camera. Haar vader en zij in de tuin van het oude huis. Haar vader had net een sneeuwman gemaakt. Verjaardagstaarten met kaarsjes en vergenoegde kindergezichtjes. Alfie in haar nieuwe hok. Haar kleine zusje doodsbang op de slee die veel te snel de berg afgleed. Haar kleine broer en zij met de mutsen die haar moeder had gebreid. Zij, het oudste kind, is nu fotograaf geworden. Er woont een haas in de tuin, zegt haar vader. Hij heeft waarschijnlijk zijn leger onder de berg takken in de boomgaard achterin de tuin. Het is stil buiten. In de verte hoort ze de geluiden die ze al hoorde als kind. Het opgewekte zingen van de vinken. Suskewiet! Grote landbouwmachines die nog heel veel willen doen voor het donker wordt. De slaapvlucht van de kauwen. Ze heeft niet alleen foto’s, maar ook al enkele filmpjes gemaakt. Er is niet zo heel veel te zien op de filmpjes, je ziet alleen wat takken bewegen in de wind, maar je hoort de geluiden. Mijn vader heeft de foto voor haar laten afdrukken die ze vijf jaar geleden van haar moeder heeft gemaakt. Ze kan niet naar de foto kijken zonder heel verdrietig te worden. Ze maakt liever foto’s en filmpjes van de tuin. In de foto’s en de filmpjes gaat niets weg en blijft alles zoals het was.    

Elisabeth Leysen
0 0

Opdracht 6 Elisabeth Leysen

scène 1   Je fotografeert te snel, zei de leerkracht op de academie. Je fotografeert te snel en je maakt te veel foto’s. Je moet eerst kijken, goed kijken. Je gaat ergens op een bank zitten en je kijkt. Pas na een uur of twee mag je fotograferen. Meer kijken en minder fotograferen, dat werd de volgende opdracht. Ze maakte een afspraak met haar model. Hij was al vier jaar haar model. Vier jaar geleden had hij aangeboden om haar model te zijn. Hij had toch niets beters te doen, zei hij. Enkele keren per jaar boekte ze de studio op de academie voor een fotoshoot met hem. De studiosessies hadden altijd hooguit drie kwartier geduurd. Nu had ze drie uur van zijn tijd gevraagd. Ze zou hem thuis oppikken, ze zouden de tram nemen naar de stad en daar zouden ze ontbijten. Pas dan zou ze haar fototoestel bovenhalen. Dat was de oefening, had ze hem uitgelegd, want ook voor hem was het nieuw. Het zou een oefening worden in niet fotograferen. Of pas na een tijd fotograferen.   Ze voelt een vreemd soort opwinding. Deze keer hebben ze niet afgesproken in de academie. Deze keer geen opstelling met studioflitsen en statieven. Ze belt bij hem aan en ze gaan naar de stad. Ze gaan nooit met z’n tweeën naar de stad. Hij is eigenlijk meer een vriend van haar man. Ze ontbijten in een plek op de Steenhouwersvest. Hier is alles bio, ambachtelijk en vers. Ze stelt vragen en luistert, als bij een interview. Ze kijkt naar de man rechtover haar. Hij is geen model meer, maar een man met een verhaal. Hij heeft politieke en sociale wetenschappen gestudeerd, heeft stage gelopen op een kabinet en maakt nu carrière als lobbyist. Hij leert Russische ondernemers hoe ze in Europa een voet aan de grond kunnen krijgen. Ze kent hem al zo lang, maar ziet hem nu voor het eerst echt. Ze is blij dat ze haar nieuwe jurk heeft aangetrokken. Ze voelt zich mooi in die jurk. En ze ziet hoe hij geniet van de aandacht.   Ze betaalt en ze wandelen langs de kleine straatjes en pleinen van de oude stad. Dan zijn ze plots op een groot plein. Hij poseert voor de plek waar hij ‘s nachts vaak hamburgers at, vlakbij de kathedraal, toen hij nog studeerde. De betovering dreigt te verbreken, hier is de wereld te veel de wereld, ze voelt dat ze meer afzondering wil. Ze lopen door een steegje met kasseien, de huisjes hebben ramen met luikjes en glas-in-lood. Het steegje lijkt op te houden maar dan zien ze, onder een Christusbeeld, toch nog een doorgang naar een kleine overdekte binnenplaats. Dit zijn plekken waar ze van houdt. Historische plekken met weinig licht. Het model wacht op instructies, leunt wat tegen de muur en kijkt naar haar. Ze geeft geen instructies, ze zegt helemaal niets meer en begint te fotograferen. Een groepje Japanse toeristen hebben de doorgang onder het Christusbeeld ook gevonden en mompelen een soort verontschuldiging, maar zij ziet alleen nog de man voor haar camera. De man poseert niet meer, wil niet meer weten wat van hem verwacht wordt. Hij kijkt alleen nog. Hij vraagt of het goed is dat hij zijn handen in zijn zakken houdt. Ze gebaart dat het prima is en denkt er niet verder over na. Pas als ze weer thuis is en de foto’s bekijkt, beseft ze hoe intens dit ook voor hem is geweest.   Ze begint een dagboek. Dit kan ze aan niemand vertellen. Dit mag ze aan niemand vertellen. De volgende dag doet ze haar verhaal toch, op de academie, in een gesprek alleen met de leerkracht. De leerkracht lijkt niet echt verrast. Dit is wie jij bent, Elisabeth. Voor jou is alles intens en persoonlijk. Jouw beelden zijn altijd biografisch. Jij wil niet gewoon een technisch goed gemaakt portret hebben. Jij wil het verhaal vertellen van de persoon voor de camera. Dat kan alleen als er echt sprake is van een ontmoeting.   Ze rouwt. Ze schrikt van de pijn die ze voelt. Dit is de haast fysieke pijn van het verlies. Ze schrikt van de aantrekkingskracht die uitgaat van het model. Ze wil dit begrijpen, ze wil doorgronden waar die aantrekkingskracht vandaan komt en zoekt naar vakliteratuur over de relatie tussen de kunstenaar en zijn model. Ze vindt antwoorden in de psychoanalyse, in een tekst van Zizek over het sublieme in de films van David Lynch. Het model als subliem object. De kunstenaar kijkt naar het model en voelt daarbij de kracht van zijn eigen verlangens. Dit is het soort fotograaf dat ze wil zijn. Dit is het soort intensiteit dat ze zoekt. Ze wil portretten maken omdat dat de meest intense vorm van aandacht is. De pijn, de rauwe pijn van het verlies, die neemt ze er dan wel bij.     scène 2   Er groeit mos tussen de kasseien naast het huis. Dikke stukken mos. Ze herinnert zich hoe haar moeder vroeger op haar knieën onkruid van tussen de kasseien schraapte. Zeker zestig vierkante meter kasseien, naast het huis. Het had ook met een product gekund. Product in een spuitbus, sproeien, even wachten en klaar. Dat moet de buurman zeker gedacht hebben, toen hij met zijn fiets voorbij reed en haar moeder op de knieën zag zitten. De buurman had product en spuitbus klaar, maar hij zweeg, want hij wist dat het toch geen zin had. Haar ouders waren tegen producten.   Haar vader zit voor het raam in de keuken. Vier maanden na de dood van haar moeder kreeg haar vader een zwaar herseninfarct. Precies op vaderdag. Ze hadden nog samen pannenkoeken gegeten en toen zij en haar zus alweer weg waren, kreeg hij het infarct. Ze hebben hem pas de volgende dag gevonden. De dokters hadden voorspeld dat hij nooit meer naar huis zou kunnen, maar na vier maanden revalideren mocht hij weer naar huis. Sindsdien zit hij voor het raam in de keuken en slaapt. Eerst dachten ze nog dat ze hem moesten aanmoedigen om te bewegen, dingen te doen, maar daar werd haar vader heel ongelukkig van. Alsof hij een luierik was. Als je veel slaapt, dan is dat omdat jouw lichaam dat nodig heeft, had de neurologe vriendelijk gezegd en dat was het einde van de aanmoedigingen. Als haar vader niet slaapt, kijkt hij naar de tuin. Ze vermoedt dat hij het wel erg vindt, van het mos, maar hij zegt dat het hem niet kan schelen.   Ze steekt een filmrolletje in de camera. Haar vader kijkt toe. Het is zijn camera. Meer dan vijftig jaar geleden had hij de camera gekocht. Haar hele kindertijd is vastgelegd met die camera. Zij en haar vader in de tuin van het oude huis. Haar vader had net een sneeuwman gemaakt. Verjaardagstaarten met kaarsjes en vergenoegde kindergezichtjes. De hond Alfie in het nieuwe hok. Haar kleine zusje doodsbang op de slee die veel te snel de berg afgleed. Zij en haar kleine broertje met de mutsen die haar moeder had gebreid. Het oudste kind is nu fotograaf geworden. De camera is wat zij en haar vader nu delen.   Er woont een haas in de tuin, zegt haar vader. Hij heeft waarschijnlijk zijn leger onder de berg takken in de boomgaard achterin de tuin.   Het is stil buiten. In de verte hoort ze de geluiden die ze al hoorde als kind. Het opgewekte zingen van de vinken. Grote landbouwmachines die nog heel veel willen doen voor het donker wordt. De slaapvlucht van de kauwen. Ze heeft niet alleen foto’s, maar ook al enkele filmpjes gemaakt. Er is niet zo heel veel te zien op de filmpjes, je ziet alleen wat takken bewegen in de wind, maar je hoort de geluiden. In de filmpjes gaat niets weg en blijft alles zoals het was.

Elisabeth Leysen
0 0

Opdracht 5 Elisabeth Leysen

Ze wrijft het water van de ruit en kijkt naar de tuin. Het is al donker, maar ze kan de sneeuwman nog zien. Het is koud in de kleine keuken. Ze hangt de natte doeken dan maar in de woonkamer, op een droogrek, naast de kachel. Zo is er nauwelijks nog plaats voor de kerstboom, maar het kan niet anders. Elisabeth zit in het winkeltje dat ze kreeg met Sinterklaas. Avonden en avonden heeft Marcel gezaagd, gelijmd en geverfd om het houten winkeltje op tijd klaar te krijgen. “Moeke, wil jij iets komen kopen?” “Daar heeft moeke nu geen tijd voor. Moeke heeft nog veel werk voor school.” Ze waren blij met de extra uren die ze kreeg op het lyceum, maar nu lijkt het wel alsof ze nooit nog de tijd vindt om te spelen met Elisabeth. “Mag ik moeke helpen met de kerstboom?” “Straks, Elisabeth, nu nog niet. Vake moet nog een voet maken voor de kerstboom. Je kunt misschien al een stalletje tekenen in jouw boekje? Met Jozef en Maria en het kleine kindje Jezus, in een kribbetje.” “En een os”, zegt Elisabeth, “er moet ook een os bij”. Zondag is het kerstavond. Dit is hun eerste kerst alleen in dit oude huis. Toen ze trouwden, mochten ze bij moeder in een kamer van het huis wonen. Moeder is in de zomer verhuisd, ze woont nu bij Lucien, die woont toch maar alleen. Moeder wil graag iedere ochtend naar de mis en Lucien woont rechtover een kerk, dat is veel makkelijker.   Marcel had beloofd dat hij voor het donker terug zou zijn en haar zou helpen met de kerstboom, hij zou een houten voet maken voor de kerstboom, maar hij is er nog altijd niet. Hij wil het nieuwe huis zo gauw mogelijk af hebben en is daar elk vrij moment mee bezig. Het is toch veel te koud nu om aan het nieuwe huis te werken? Ze hoopt dat hij voorzichtig is.

Elisabeth Leysen
0 0

opdracht 4 Elisabeth Leysen

Het huwelijksfeest moest een feest met kerstbomen worden. Ze droeg een donkerbruin kleed en donkerbruine schoenen, bekleed met zijde. Ze was in de jurkenwinkel eerst plichtsbewust naar wit gaan kijken, maar wit was niets voor haar, dat vond de verkoopster ook. Ze wilde een kleed dat haar deed denken aan Russische verhalen van winters en paleizen in de sneeuw.   Ze was een winterkind, geboren in december. Ze was nog maar enkele maanden oud en mocht al met de sneeuwman op de foto. Haar vader, de sneeuwman en zij, in de tuin van het oude huis. De sneeuwman droeg een zwarte hoed. Het was stil in het oude huis met de sneeuwman. Buiten was het winter en binnen speelde ze met haar winkeltje. Het winkeltje had schuifjes en vakjes en doosjes. Soms kwam er iemand winkelen. Als er niemand kwam winkelen, dan schreef ze in een boekje. Na de winter kwam de zomer met een broertje. En nog twee winters later kwam de lente met een zusje. Op zondag gingen ze met z’n allen naar het nieuwe huis met de grote tuin. Het nieuwe huis was nog niet af en de tuin ook nog niet. Haar vader gaf les en in het weekend bouwde hij aan het nieuwe huis. Zo duurt het wel een tijdje. In de grote tuin waren hoge bergen zand. Haar vader plukte bloemetjes en plantte die op de bergen. Hij zette haar en haar kleine broer boven op een berg en dan gleden ze naar beneden.   In de zomer was het nieuwe huis met de grote tuin klaar. Achter de grote tuin lag een pad en velden en een grote weide. In de weide woonde een ezel. Als je het pad volgde en dan ook nog de rivier, dan was je heel ver weg van huis. Veel liever bouwde ze een kamp in de hoek van de tuin, onder de eiken naast de Weymouthden. Ze plukte madeliefjes en knoopte ze aan elkaar tot een halssnoer. In de zomer was er elk jaar een groot pannenkoekenfeest in de tuin van het nieuwe huis, met alle neefjes en nichtjes. De tantes bakten pannenkoeken en de nonkels maakten een groot kampvuur.   En dan kwam Alfie. Alfie von Heikenstein, zo heette ze. Alfie had een boekje met haar naam in. Alfie was een rashond. Het moest een rashond zijn met een boekje erbij, zei haar vader, want anders was je niet zeker dat de hond niet meteen ziek zou worden en doodgaan. Ze hadden al eens een hond gekocht op de dierenmarkt in Mol, maar dat dier was heel erg ziek geworden en doodgegaan. Op een dag zijn ze Alfie gaan kopen, met de auto, bij een meneer in Nederland. De meneer woonde in een straat met allemaal dezelfde huizen en in de tuin had hij een groot hok met honden. Ze mochten kiezen uit twee honden, Alfie en Daisy. Ze kozen voor Alfie. Ze mochten Alfie nu wel meenemen, zei de meneer, maar op zekere dag zou hij komen kijken of ze wel goed voor Alfie zorgden. Als bleek dat ze niet goed voor Alfie hadden gezorgd, dan zou de meneer haar gewoon weer meenemen. Ze zorgden heel goed voor Alfie en toch heeft ze gehuild, elke nacht, drie weken aan een stuk. Alfie was wel groot, maar toch was ze nog heel klein, zei haar vader. Ze waren bang dat de buren boos zouden worden en zeggen dat het zo echt niet meer verder kon, maar dat hebben ze niet gedaan. Alfie woonde in een groot hok in de tuin. Dat hok was te klein voor mensen, maar als ze heel verdrietig was, dan kroop ze toch mee in het hok. Dat mocht van Alfie. Als ze op avontuur gingen, naar het water met het eilandje achter de Zandstraat, dan ging Alfie mee. Op zekere dag is Alfie heel erg ziek geworden en moest haar vader met Alfie naar de dierenarts. De dierenarts kon Alfie niet meer genezen. Toen haar vader terug was van de dierenarts, zonder Alfie, heeft hij heel lang bij het hok gezeten, tot het donker was. Na Alfie hebben ze nooit nog een hond gekocht, ook niet een hond met een boekje.   Ze kon heel lang naar het donker kijken. Als ze maar lang genoeg keek, dan kwamen ze misschien, tante Martha en nonkel Marcel en nichtjes Conny en Maggy. Tante Martha was de jongste zus van haar moeder. Als tante Martha er was, werd alles anders. Je kon haar in het hele huis horen lachen. Als tante Martha er was, hoefde ze niet vroeg te gaan slapen en mocht ze opblijven en mee televisie kijken. Tante Martha woonde in de Nieuwstraat, boven een supermarkt. Nonkel Marcel schilderde reclamepanelen. Hij schilderde dingen die je in de supermarkt kon kopen en schreef er dan in sierlijke cijfers de prijs bij. Toen ze haar eerste communie deed, had nonkel Marcel panelen geschilderd voor het feest, met de letters uit een liedje. Dank U voor deze nieuwe morgen, dank U voor deze nieuwe dag, dank U dat ik met al mijn zorgen bij U komen mag. Op een zondagavond in maart kwam een auto de oprit opgereden, maar het was niet die  van tante Martha. Het was de auto nonkel Roger, een van de broers van haar moeder en van tante Martha. Nonkel Roger maakte altijd grapjes. Nu maakte hij geen grapjes. Ze hoorde de grote mensen praten over gas in de badkamer en het roostertje in de deur dat was afgeplakt omdat het anders tochtte en hoe Conny was gaan kloppen op de badkamerdeur omdat nonkel Marcel zo lang in bad bleef en het was tijd om naar de mis te vertrekken. Op vrijdag werd nonkel Marcel begraven. Ze zag voor het eerst de andere oma van Conny en Maggy en de broer van nonkel Marcel. De broer van nonkel Marcel leek heel erg op nonkel Marcel. In de zomer huurde nonkel Roger een huis in Luxemburg, helemaal speciaal voor tante Martha en voor Conny en Maggy. Het was een groot huis, met genoeg plaats voor de hele familie. Vlakbij was een groot woud en als je daar ging wandelen als het donker was, dan kon je de everzwijnen horen. Je kon de everzwijnen niet zien, maar je kon ze wel horen ritselen.   Haar man groeide op in een huis zonder kerstbomen. Er moeten ooit wel kerstbomen zijn geweest, maar dan lang geleden. Voor een kerstboom moet je genoeg plaats hebben. Je moet opruimen en plaats maken. Er werd nauwelijks opgeruimd in het huis waar haar man opgroeide. Het was er dof en het rook er naar schimmel. Er was een kachel, maar die kon maar één kamer verwarmen. In de andere kamers was het koud. Weinig plaats voor een mooi gedekte tafel en weinig plaats voor blije gesprekken. Ze hoorde vooral verwijten. En toch heeft haar man mooie verhalen verteld bij de uitvaart van zijn ouders. Hij vertelde over de tijd dat het huis nog glansde en over de tafel die zijn grootvader had gemaakt en waaraan de grote Camille Huysmans ooit had gezeten. Het was koud en het regende, de ochtend van het huwelijk, maar het werd een dag vol lichtjes. Na de plechtigheden trakteerde haar man het hele gezelschap in het café vlakbij het stadhuis en dan moesten ze weg, voor de foto’s. De fotograaf stelde voor om naar een oude spoorweg te gaan, dichtbij de Schelde. Ze wilden niet naar de Schelde. Ze hadden zo lang gehunkerd naar een eigen plek, een eigen huis. Nu ze dat huis gevonden hadden, gingen ze niet naar ergens anders voor foto’s. Vlakbij hun huis was een spoorweg met watertorens. Daar zijn de foto’s gemaakt, onder de spoorwegbrug en bij de watertorens.   Toen de ouders van haar man nog leefden, kocht ze elk jaar twee kerstbomen. Een hele grote voor haar huis met haar man en een kleine voor het huis van de ouders van haar man. Voor een kleine kerstboom was nog nét plaats. Ze moest even aandringen, want de ouders vonden het toch wel veel gedoe voor niets, maar als de lichtjes werden aangestoken, gingen hun ogen heel even glinsteren. Het grauwe huis ging er heel even van glimmen. En de verwijten gingen er heel even van verstommen. In de plaats van de verwijten kwamen de verhalen, de wonderlijke verhalen over een voorvader die met duizenden schapen helemaal van Friesland naar zijn bruid in de Rupelstreek was gekomen. En over de treinrit van zijn vader die krijgsgevangen was genomen en een brood had gekregen van Duitse soldaten. En over hoe haar man nog een kind was en aan de hand van zijn grootvader naar het winkeltje mocht.   Het huwelijksfeest was in een oranjerie, midden in een groot park. Binnen stonden de kerstbomen. Haar man had voorgelezen uit een tekst die hij voor haar had geschreven. Hoe zij had gewacht tot hij weg had durven gaan uit het grauwe huis zonder lichtjes en weg van de verwijten.   Wat hield ze van het verhaal van Assepoester. Assepoes kon niet mee naar het bal van de prins, maar dan kwam de toverfee en die toverde een mooie jurk en een gouden koets en glazen muiltjes. Ze hadden thuis het verhaal op een plaatje. Het plaatje zat in een boekje. Ze keek graag naar de tekeningen in het boekje. Als je een blad moest omdraaien, dan klonk er een belletje.

Elisabeth Leysen
0 0

Winterkind (opdracht 3)

Het huwelijksfeest moest een feest met kerstbomen worden. En dat is het ook geworden. Ze droeg een donkerbruin kleed en donkerbruine schoenen, bekleed met zijde. Het kleed deed haar denken aan Russische verhalen van winters en paleizen in de sneeuw. Dit was hun feest.   Ze was een winterkind, geboren in december. Ze was nog maar enkele maanden oud en mocht al met de sneeuwman op de foto. Haar vader, de sneeuwman en zij, in de tuin van het oude huis. De sneeuwman droeg een zwarte hoed. Binnen stond een grote kerstboom. De kerstboom was een beetje kaal, maar dat was niet erg. In de kerstboom brandden kaarsjes. Haar vader hield niet van kaarsjes in de kerstboom. Kaarsjes in kerstbomen zijn gevaarlijk, zei haar vader.   Het was koud en het regende, de ochtend van het huwelijk. Haar tante Madeleine was uitgegleden, vlak voor het stadhuis. De vrienden hadden rijst gegooid en door de regen was de rijst nat en glibberig geworden. Na de plechtigheid gingen ze iets drinken, in het café vlakbij het stadhuis. Haar man trakteerde het hele gezelschap en dan moesten ze weg, voor de foto’s. De fotograaf stelde voor om naar een oude spoorweg te gaan, dichtbij de Schelde. Ze wilden niet naar de Schelde. Ze hadden zo lang gehunkerd naar een eigen plek, een eigen huis. Nu ze dat huis gevonden hadden, gingen ze niet naar ergens anders voor foto’s. Vlakbij hun huis was een spoorweg met watertorens. Daar zijn de foto’s gemaakt, onder de spoorwegbrug en bij de watertorens.   Het was stil in het oude huis met de sneeuwman. Buiten was het winter en binnen speelde ze met haar winkeltje. Het winkeltje had schuifjes en vakjes en doosjes. Soms kwam er iemand winkelen. Als er niemand kwam winkelen, dan schreef ze in een boekje. Na de winter kwam de zomer met een broertje. En nog twee winters later kwam de lente met een zusje. Kort voor het kerstfeest kwam Sinterklaas.   Het huwelijksfeest was in een oranjerie, midden in een bos. Binnen stonden de kerstbomen. Haar man had voorgelezen uit een tekst die hij voor haar had geschreven. Nog nooit had iemand zo’n lieve dingen over haar gezegd. De huwelijksreis ging naar de grote kerstboom op Rockefeller Plaza. Het leek wel of de hele stad daar was samengekomen om te zingen. Over hoe heilig de nacht was. En over Rudolf, het rendier met de rode neus.   Soms gingen ze met z’n allen naar het nieuwe huis met de grote tuin. Het nieuwe huis was nog niet af en de tuin ook nog niet. Haar vader gaf les en in het weekend bouwde hij aan het nieuwe huis. Zo duurt het wel een tijdje. In de grote tuin waren hoge bergen zand. Haar vader plukte bloemetjes en plantte die op de bergen. Hij zette haar en haar kleine broer boven op een berg en dan gleden ze naar beneden.   Hoe stil was het in die grote stad in de dagen na kerstmis. Ze gingen met de boot naar Ellis Island, zochten naar het Joodse deel van Williamsburg dat ze kenden van de foto’s van de grote Elliott Erwitt en ze waren bijna helemaal alleen in El Museo del Barrio. De Puerto Ricaanse suppoost vertelde hen over het bed met de poppetjes, een kunstwerk ter ere van een Puerto Ricaanse kinderoppas.   En toen was het nieuwe huis met de grote tuin klaar. Achter de grote tuin lag een pad en velden en een grote weide. In de weide woonde een ezel. De ezel kon heel luid zijn. Misschien was de ezel een beetje eenzaam. Als je het pad volgde en dan ook nog de rivier, dan was je heel ver weg van huis. Veel liever bouwde ze een kamp in de hoek van de tuin, onder de eiken naast de Weymouthden. Ze plukte madeliefjes en knoopte ze aan elkaar tot een halssnoer. In de zomer was er elk jaar een groot pannenkoekenfeest in de tuin van het nieuwe huis, met alle neefjes en nichtjes. De tantes bakten pannenkoeken en de nonkels maakten een groot kampvuur.

Elisabeth Leysen
0 0

Daisuke

Ze beslist om nog een keer naar de Sainte-Anne kerk op de Place de la République te gaan. Het is te warm om naar buiten te gaan, maar ze wil weten of de catalogi van de Japanners al zijn gearriveerd. De Place de la République ligt nu helemaal in de zon, alleen de trappen voor de kerk liggen in de schaduw. Bij de obelisk, midden op het plein, staat een donkere man met een kameel. Ze vraagt zich af hoe het zit met kamelen en de zon. De man lijkt wat van plan te zijn met de toeristen, maar de toeristen hebben er niet veel zin in. Het is te warm. En het zijn geen toeristen. Ze zijn niet gekomen voor kamelenritjes. Ze zijn gekomen om naar foto’s te kijken. Ze dragen badges. Deze week is het stadje één groot fotografiemuseum en met een badge mag je overal binnen. De bekende fotografen hangen in paleizen en kerken als de Sainte-Anne, de onbekende hangen in lege panden of gewoon op straat. Ze komen elk jaar, deze week, de badges. Ze willen geen kamelenritjes. Ze willen foto’s van kamelenritjes.   Ze gaat naar de geïmproviseerde shop, vooraan in de kerk. De catalogi zijn nog niet gearriveerd. Het is warm in de Saint-Anne. Ze wil weg, naar hun koele appartement bij het Théâtre Antique, maar ze gaat toch nog een keer naar de foto’s kijken. Het zijn beelden van acht Japanse fotografen. Ze werden iets meer dan veertig jaar geleden voor het eerst in New York getoond en ze hebben daar veel indruk gemaakt. Op de expo in New York zag de wereld voor het eerst dat de fotografie in Japan radicaal was veranderd. Ze kent de beelden, maar nu ziet ze de afdrukken in het echt. Het zijn donkere zwartwitfoto’s. Ze zijn gemaakt op straat, weg van de studio, in het Japan van na de tweede wereldoorlog. Fotografen hadden plots lichte camera’s waarmee ze snel konden fotograferen, midden in de gebeurtenissen. Ze maakten slordige, haastige, slecht belichte en vaak onscherpe beelden.   De beelden van de expo in New York zijn hier in de Sainte-Anne aangevuld met beelden van de jonge Japanse fotografen Sakiko Nomura en Daisuke Yokota. Hun beelden zijn zo mogelijk nog zwarter dan de beelden van hun meesters. Ze zijn zo zwart dat je vaak niet weet wat je ziet. Yokota fotografeert graag als het donker is. Thuis, op straat, of in een hotel om drie uur ‘s nachts. Ze ziet lichamen, kamers, bedden, schimmen. Van ver lijken de beelden wel reeksen zwart fotopapier. Als ze haar hoofd schuin houdt, ontwaart ze hier en daar een figuur. Of toch niet. Je kunt deze beelden nog nauwelijks foto’s noemen. Het zijn flarden van beelden. Het zijn vage herinneringen aan wat ooit is geweest. Yokota experimenteert. Hij heeft fotografie gestudeerd, maar heeft niet eens een echte donkere kamer. Hij gebruikt zijn badkamer als donkere kamer. Hij knoeit met de scheikundige producten en maakt opzettelijk krassen. Op de beelden van Daisuke Yokota zit ruis, net zoals er ruis zit op de elektronische muziek van Aphex Twin, een van Yokota’s idolen.   Als ze de kerk verlaat, ziet ze het blad op de deur. Book signing Daisuke Yokota Thursday 9th at 5PM. De signeersessie is in de espace Nonante-Neuf, op een verlaten industrieterrein, op twee kilometer van de Place de la République. Geen bomen, nauwelijks schaduw. Alleen stenen en moordende zon.   Yokota zit aan een tafeltje, met een stapel lichtblauwe boeken. Het zijn de catalogi. Een vriendelijke dame geeft een papiertje, je schrijft je naam erop en Yokota kopieert je naam in het boek. Hij kijkt niet op, hij signeert. Dit is het moment. Dit is haar kans. Ze haalt het boek uit de kaft die ze speciaal heeft gekocht om Immerse, zijn boek, in te bewaren. Ze heeft het boek twee dagen geleden gekocht. Het is een van de 40 handgenaaide exemplaren, geprint op Fedrigoni papier en speciaal voor dit fotografiefestival gemaakt. Geen twee boeken zijn dezelfde, elk blad is een unieke print. Yokota kijkt op, ze is één van de veertig. Ze kijkt in de blije ogen van de jonge man die al jaren met een lantaarn voor haar uitloopt, in haar donkere kamer, met haar eigen beelden, haar eigen herinneringen, haar eigen verhaal. Ze is te verstomd om hem dat te vertellen. Ze kan alleen maar arigato gozaimasu stamelen.

Elisabeth Leysen
0 0

opdracht 1 Elisabeth Leysen

fragment Frank McCourt, De as van mijn moeder, p227 (thema’s: identiteit, dualiteit eigenheid/bij de groep horen, dualiteit geborgenheid/onveiligheid)   premisse De hoofdfiguur groeit op in een gezin dat eigenzinnige keuzes maakt, ervaart agressie van mensen die geen eigenzinnige keuzes maken, maar kiest er toch voor om zelf ook eigenzinnige keuzes te maken.   tekst De worteltjes in onze tuin zitten vol beesten. Bij de buurman zitten er geen beesten in de worteltjes. De buurman zegt dat we op de worteltjes moeten spuiten. Als je op de worteltjes spuit, heb je geen beesten. Spuiten is heel makkelijk. Je neemt een spuitbus en je spuit op de worteltjes. Mijn vader wil niet spuiten. Van spuiten word je ziek, zegt mijn vader als de buurman weg is, er zit vergif in de spuitbus. Mijn vader plant liever goudsbloemen tussen de worteltjes. De beesten houden niet van goudsbloemen en dus blijven ze weg, dat zegt mijn vader. De buurman zegt dat hij het niet meer kan aanzien. Hij wacht tot mijn vader weg is en spuit alle beesten dood. Hij spuit niet alleen op de worteltjes, hij spuit op onze hele moestuin. Op zekere dag kom ik thuis van school en ligt onze poes aan de achterdeur. De poes is dood, ze is helemaal stijf. Mijn vader zegt dat de buurman onze poes heeft vergiftigd. De buurman heeft kleine vogeltjes in een kooi en misschien heeft onze poes een vogeltje uit de kooi gepakt. Dan moet de buurman maar een betere kooi maken, zegt mijn vader. De buurman is een moordenaar.

Elisabeth Leysen
0 0

Herschrijf de zinnen

Herschrijf de zinnen 16 Gebruik korte woorden uit de dagelijkse taal arbeidsongeschiktheidsverzekeringsvoorwaarden de voorwaarden waaraan je moet voldoen om een verzekering af te kunnen sluiten tegen arbeidsongeschiktheid armoedebestrijdingcommissie een commissie die armoede bestrijdt gemeentereinigingsroltrommelhuisvuilophaalvrachtwagensysteembegeleidingsdienst een dienst die het reinigen begeleidt van de vrachtwagens met roltrommel waarmee de gemeente het huisvuil ophaalt Schrijf actieve zinnen Het meenemen van een geldig paspoort is verplicht Neem een geldig paspoort mee 17 In elke gemeente worden vandaag de dag etnisch-culturele minderheden geteld onder haar inwoners. Bijna elke gemeente wordt dan ook geconfronteerd met de uitdaging om deze diversiteit een plaats te geven in zijn beleid. Hoe schrijft men een beleid naar minderheden uit, hoe bereikt men etnisch-culturele minderheden? Verder is het belangrijk dat er meer diversiteitmanagement komt in de dienstverlening, moeten er effectieve methodieken voor inspraak en participatie ontwikkeld worden, en hebben allochtonen nood aan meer en aangepaste info over de werking van de gemeente waar ze in verblijven. In elke gemeente wonen vandaag de dag mensen uit een etnisch-culturele minderheid. Deze diversiteit een plaats geven in het beleid, dat is de uitdaging voor bijna elke gemeente. Hoe schrijft de gemeente // Gebruik vervoegde werkwoorden in plaats van naamwoordstijl Het inzien van het belang van het vermijden van naamwoordstijl en nominialisering kan een bijdrage leveren tot het leesbaar schrijven. Als je inziet dat het belangrijk is dat je naamwoordstijl en nominalisering vermijdt, dan ga je daardoor misschien leesbaarder schrijven. Houd bij elkaar wat bij elkaar hoort, en vermijd tangconstructies 18 (naamwoordtang = woorden tussen lidwoord of voorzetsel en naamwoord) (bijzintang = een zin staat tussen het onderwerp en het werkwoord) De verkeersborden die het college van burgemeester en schepenen mede op grond van de reacties van de bewoners en andere belanghebbenden plaatste om vrachtwagens boven een bepaalde maximumlengte te weren uit de straat maken het mogelijk om schade aan de nieuw ingerichte straat, veroorzaakt door vrachtwagens waarop de straat niet is berekend, te verhalen op de veroorzaker. Het college van burgemeester en schepenen plaatste verkeersborden om vrachtwagens boven een bepaalde maximumlengte uit de straat te weren. Het college plaatste deze borden mede op grond van de reacties van de bewoners en andere belanghebbenden. De verkeersborden maken het mogelijk om schade aan de nieuw ingerichte straat te verhalen op de veroorzaker, als die schade is veroorzaakt door vrachtwagens waarop de straat niet is berekend. De door u op 1 oktober aan het fietspad in de Abdijlaan uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden voldoen niet aan de contractvoorwaarden. U voerde op 1 oktober onderhoudswerkzaamheden aan het fietspad in de Abdijlaan. Deze werken voldoen niet aan de contractvoorwaarden. 19 Vervang voorzetseluitdrukkingen door een voorzetsel Pas deze tips ‘met betrekking tot’ een vlotte taal ‘ten aanzien van’ de lezer ‘met het oog op’ scoren nu maar eens toe. Pas deze tips om met een vlotte taal bij de lezer te scoren nu maar eens toe. (snelle opvolging) 29 Gebruik je toch een ontkenning, houd het dan bij één Het is niet waar ik niet in de eerste plaats voor kies. Hier kies ik in de eerste plaats niet voor. Het bestuur voelt er, tenminste niet op dit moment niets voor. Het bestuur voelt er op dit moment niets voor. We doen er alles aan om te vermijden dat niet nog eens gebeurt. We zijn echter evenmin niet verantwoordelijk voor de inhoud van de reclameboodschappen. We doen er alles aan om te vermijden dat dit nog eens gebeurt. We zijn echter niet verantwoordelijk voor de inhoud van de reclameboodschappen.

Elisabeth Leysen
0 0

Link naar webpagina + tekst bij expo (afstudeerproject academie).

(1) http://www.geel.be/sherborne/default.aspx?id=3576   (2)     Eerst leerden we over licht. Het licht in een gaatjescamera en het licht in de doka. We leerden ook dat een fotograaf moet bewegen. Geen voyeuristische strooptochten meer met een zoomlens. Dichter bij het onderwerp moesten we komen. Daar stond ik met mijn camera, midden in de gebeurtenissen. Ik merkte tot mijn grote opluchting dat een fotograaf na een tijd onzichtbaar wordt.   Dan kwamen de studiosessies. Met een lichtmeter en softboxen. Mijn eerste model was een teddybeer. Teddyberen wachten vriendelijk tot het technisch helemaal goed zit met de lichtmeter en de softboxen. Een echt model laten wachten, dat durfde ik niet. Mijn eerste portretten waren onderbelicht en niet echt scherp. Ik durfde het model niet de tijd vragen die ik nodig had om scherp te stellen en goed te belichten. Nu weet ik dat wachten goed is. Wachten levert die afwezige blik op die me zo intrigeert.   De studiosessies werden heel intiem, met thema's als sensualiteit en mannelijkheid. Ik schrok van de aantrekkingskracht van het model. Misschien was ik te dichtbij gekomen. Misschien moest ik maar weer middeleeuwse heiligenbeelden fotograferen. Ik ging op zoek naar literatuur over de relatie tussen een kunstenaar en zijn model. Ik vond antwoorden in de psychoanalyse, in een tekst van Slavoj Zizek over het sublieme bij David Lynch. Het model als subliem object. Ik was niet te dicht bij het model gekomen. Ik was heel dicht bij mijn eigen verlangens gekomen.   Ik leerde nog dichterbij komen, bijna zo dicht als de fotograaf in Blow-Up van Antonioni. Ik vond inspiratie bij Henri Cartier-Bresson en ging op zoek naar de “innerlijke stilte” van de man voor mijn camera. Mijn model was niet langer een model. Fotograferen was niet langer fotograferen. Fotograferen werd tijd nemen. En kijken. Ik keek naar de man en fotografeerde. In het halfduister van zijn appartement, in het nachtelijk licht van de Brusselse metro, in zijn auto onderweg in een tunnel, op de festivalweide van Leffingeleuren en in de luwte van een zestiende eeuwse overdekte binnenplaats, waar we helemaal alleen waren, op wat verloren Japanse toeristen na.   Ik kreeg genoeg van het gedoe met computers en printers en ging weer analoog werken. De oude Yashica van mijn vader werd mijn vaste camera. Middenformaat. De man voor mijn camera ging vaak duiken in de buurt van de haven. Ik ging mee en fotografeerde, tot ik goed met de Yashica overweg kon en weer helemaal onzichtbaar was geworden. Je wordt heel snel onzichtbaar met een oude Yashica.   Ik ontdekte dat ik een slechte kopie van een goede foto veel sterker vond dan het origineel. Ik wilde weer onscherpe en slecht belichte beelden maken. Als ik wilde tonen wat er echt was, dan moest ik ruimte laten voor het onzichtbare, het donkere. Ik vond steun bij fotografen en filmmakers. Robert Frank, Sarah Moon, Julien Coulommier, Sakiko Nomura, Masao Yamamaoto, Watabe Yukichi, Moï Wer, Peter Lindbergh, Cy Twombly, Daido Moriyama. Ik creëerde afstand, liet de man voor mijn camera een masker dragen en fotografeerde alleen nog zijn schaduw. Ik kopieerde het beeld tot er niet veel meer van overbleef. De afstand maakte de nabijheid alleen maar groter. Of het gebrek eraan. Mijn beelden gaan over nabijheid en de onmogelijkheid daartoe. Ze gaan over hunkeren. En gemis.                                                                                                                    

Elisabeth Leysen
0 0