Het Bankje

14 mrt 2021 · 7 keer gelezen · 0 keer geliket

A= Een man die ernstig ziek is geweest. Hij is recent ontslagen uit het ziekenhuis en is nu eindelijk aan de beterhand. Hij heeft op deze manier geleerd dat je moet leven in het moment.  Daarom spreekt hij erg veel een erg rechtuit.

B= Een ‘gewone’ vrouw, een beetje een grijs en terughoudend persoon die normaal nooit zomaar een gesprek zou aanknopen.  Ze is het niet gewend een compliment te krijgen en weet niet goed hoe ze hier mee om moet gaan.  Ze slalomt het hele gesprek tussen meegaan in het gesprek en afwerend reageren. 

 

B zit al op de bank.

A komt iets later aan en zet zich naast haar.

 

                                                   --------------------------------

 

A:        Prachtig weertje.  Nee?

B:         Mmm.

A:        Helderblauwe lucht, de zon die eerder verlegen schijnt vandaag.  En dat heerlijke briesje dat flirt met de dualiteit van:  ‘Doe ik nu die jas uit en verdraag ik het kippenvel?’ of  ‘Hou ik die jas aan en verdraag ik de zweetparel die over mijn flank naar beneden baant?’  Als u begrijpt wat ik bedoel?

B:         (afwezig) Mmm, ja.

A:        Maar als ik echt eerlijk ben, en vanaf heden ben ik dat permanent, vind ik u nog veel prachtiger dan heel dat zomers zonnetje en briesje bij elkaar.

B:         Excuseer, spreekt u tegen mij mijnheer?

A:        Ziet u nog iemand anders hier zitten misschien?

B:         Nee, ik dacht dat u met iemand aan het bellen was.

A:        Zie ik eruit als iemand die de hele dag in het publiek loopt te bellen?

B:         Euh …, eigenlijk wel ja.

A:        Wel, dat raadt u dan mis.

B:         Dat zou kunnen.  Ik ben wel eens meer mis.

A:        Ik gaf u net een compliment.  Heeft u het gehoord?

B:         Ja.

A:        Maar u verkiest om niet te reageren?

B:         Dat klopt.

A:        Waarom? Als ik zo vrij mag zijn.

B:         Omdat ik niet helemaal zeker ben of u het wel meent.

A:        Mevrouw, ik ben recent tot het inzien gekomen dat mijn tijd op deze zanderige  aardkluit veel te kort is om onwaarheden te spuien.  Daar kom je werkelijk nergens mee.

B:         Hoe bedoelt u ‘recent’?

A:        (zucht) Nu u het toch vraagt, ik was ziek, heel ziek.

B:         Maar nu niet meer?

A:        Ik heb gevochten, ben neergeslagen, door het stof gesleept en terug opgestaan. En na een eindeloos aantal dergelijke rondes heb ik uiteindelijk nipt gewonnen.

B:        Goed voor u.

A:        En u?  U ziet er, vergeef me m’n rechtdoorzeese tred, een beetje … ja ... verdrietig uit.

B:         Dat is ook zo.

A:        Mevrouw, geloof me, het leven is te kort om verdrietig te zijn.

B:         Heeft u dat ook recent ingezien of komt dat van een keukentegel?

A:        Ai, touché.

B:         Sorry, ik wou u niet … .  (zucht)  Als u het dan toch moet weten.  Ik ben eigenlijk al verdrietig zo lang ik het me kan herinneren.

A:        Maar dat is vreselijk.  Dat houdt toch geen mens vol?

B:         Voor mij is het … normaal, denk ik.

A:        Maar mevrouw, waarom bent u dan toch zo verdrietig?

B:         Mijnheer luister, ik zit hier gewoon op een bank en u stelt me allerlei vragen.  Wat moet ik daar …

A:        (onderbreekt)  Als u liever niet met me spreekt is dat ook goed hoor.  Dan draai ik me gewoon terug naar het verlegen zonnetje en laat ik u in u verdriet berusten.  Zegt u het maar.

B:         In mijn verdriet berusten?  Bent u psychiater misschien?  Krijg ik zo dadelijk uw kaartje?  En een rekening?  Of is de eerste consultatie op kosten van het huis?

A:        U beledigt mij.  Ik ben gewoon … begaan.

B:         (zucht) Sorry, nogmaals. Ik wou u niet zo …  Vergeef me, ik ben een beetje moe.

A:        Niet nodig.  Het is uw verdriet dat spreekt.  U moet het aanpakken mevrouw, bij de wortels vastgrijpen en uit de grond trekken.

B:         Mijn verdriet heeft geen duidelijke reden, het is er gewoon.  Net zoals u eerlijkheid: permanent.

A:        Ik weet zeker dat, als u mij de kans geeft, ik u …

B:         (onderbreekt hem) Zegt u dit tegen alle vrouwen die u op een bankje tegen komt?

A:        Nee, helemaal niet.  Dit is trouwens de eerste keer in meer dan een jaar tijd dat ik nog eens op een bankje zit.

B:         Sorry.

A:        U hoeft zich niet de hele tijd te excuseren. Het is uw schuld niet.  Het is gewoon, in een ziekenhuisbed kom je moeilijker mensen tegen om een doordeweeks praatje mee te slaan.  Laat staan zo een prachtige vrouw als u.

B:         Dit praatje is alles behalve doordeweeks mijnheer.  En u, als u dan echt geen psychiater bent, dan moet u zo ongeveer het prototype van een charmeur zijn.

A:        Ik?  Een charmeur?!  (lacht) Helemaal niet, ik observeer gewoon en ik benoem de dingen zoals ze zijn.

B:         Ah?  Een wetenschapper dus?

A:        Nee, eerder een realist met de ziel van een eeuwige romanticus.

B:         (lacht voorzichtig)  U weet het wel mooi te stellen.

A:        Mijn woorden zijn misschien mooi, maar u … ik val in herhaling: ‘U bent prachtig.’

B:         Ja, dat zei u inderdaad al.  En ik dank u.  Ik zou bijna geloven dat u het meent.  Maar vergis u niet, ik ben niet naïef.

A:        Hoe bedoelt u?

B:         U komt net uit het ziekenhuis.  Ik ben waarschijnlijk één van de eerste vrouwen die sindsdien uw pad kruist.  Natuurlijk vindt u mij prachtig.  U zou momenteel zelfs een gebochelde heks met het jicht in haar benen en een snor onder haar met steenpuisten geteisterde haakneus, prachtig noemen.

A:        (lacht) U weet het wel mooi te stellen.

B:         (lacht ook) Het zal weer het verdriet zijn dat spreekt zeker?

A:        Ik zeg u niets, maar euh, mijn observatievermogen maakt momenteel een vette aantekening met rode bic.

B:         Ah ja?  En wat noteert u dan misschien?

A:        Ik citeer;  Feit, dubbelpunt,  steller dezes heeft op vijf minuten tijd twee maal met overdonderend succes een elegante lach ontlokt uit de prachtige mond van zijn huidige gesprekspartner.

B:         (lacht)

A:        Doorhaling, backspace, correctie:  drie maal.

B:         Ja, ik geef het toe.  U bent hier goed in.  Ik ken u niet, maar u lijkt oprecht te zijn.

A:        Nogmaals, ik heb geen tijd en geen boodschap aan onwaarheden.

B:         Klopt, dat zei u al.  Sorry.

A:        Waarom zegt u eigenlijk de hele tijd ‘sorry’?  Is dat ook een aspect van uw permanente verdriet?

B:         Ik weet het niet.  Zou kunnen.

A:        Mijn moeder zei altijd:  ‘Sorry is een duur woord.  Ge moet u alleen excuseren als ge echt iets hebt misdaan. Anders gaan we failliet voor dat ge het weet.’

B:         Zei ze dat echt of hebt ge dat hier ter plaatse verzonnen?

A:        Euh …een beetje van allebei geloof ik.

B:         (lacht) Betrap ik u hier op een onwaarheid?

A:        Ja lap … nu zit ik vast.   Om een … euh …  lach op uw gezicht te krijgen, wil ik mijn heilige principes voor één keertje een beetje buigen.

B:         Ik voel me vereerd.

A:        Terecht.

 

Eventjes stil.

 

B:         Ik moet gaan nu.

A:        Nu al?

B:         Ik wil u bedanken voor deze niet alledaagse babbel.  Het was inderdaad te lang geleden dat ik nog eens elegant gelachen heb.

A:        Nu voel ik me op mijn beurt vereerd.

B:         (lacht)

A:        Wat brengt de dag u verder? Tenminste, als ik nogmaals rechtdoorzee mag zijn.

B:         Dat mag u.  Ik ga de kinderen van school halen. En ik moet nog langs de kramiek.

A:        Om dagelijks brood te kopen en die eeuwig hongerige monden te voeden?

B:         Zoiets ja.

A:        Gaat u door het park?

B:         Ja.

A:        Vindt u het ok als ik u vergezel?

B:         Dat kan.  Moet u ook die richting uit?

A:        Nee, helemaal niet.  Maar ik moet of wil momenteel nergens anders zijn.

B:         Dat is de realist of de romanticus die spreekt?

A:        Het park doorkruisen, dat moet zo een 10 minuutje wandelen zijn, niet?

B:         Euh ja, zoiets.

A:        Ik waag mij, met uw goedkeuring uiteraard, aan een nobele poging om binnen die 10 minuten de spreekwoordelijke badstop van uw verdriet te vinden, die vervolgens met een ferme ruk uit te trekken zodat de tranenvloed kan wegvloeien om zo meer ruimte te gunnen aan die prachtige, elegante lach van u.

B:         Dat gaat niet gemakkelijk zijn.  U bent gewaarschuwd.

A:        Mag ik desondanks toch proberen?

B:         (zucht) Ik weet het niet.

A:        Ik meen het hoor.

B:         Dat merk ik. … Ok dan, maar ik moet echt door nu.

A:        10 minuten en counting.  Mag ik u mijn ondersteunende arm aanbieden?

B:         Biedt u die aan elke vrouw aan?

A:        Als u nog veel dergelijke vragen gaat stellen, ga ik kostbare tijd verliezen hè.  Trouwens de kramiek gaat subiet sluiten en uw kinderen wachten.

B:         Sorry.

 

A en B staan recht en vertrekken door het park.

Het bankje blijft verlaten, maar tevreden achter.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

14 mrt 2021 · 7 keer gelezen · 0 keer geliket