Het feest voor Tony

15 feb 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Sheaboter trekt bijtjes aan, merk ik. Ze zoomen gedurig rond mijn benen en scheren af en toe zacht langs mijn nek. Telkens schrik ik op en sla het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op mijn gezicht en eigenlijk is het kleed dat ik draag te warm. Ik hoor alleen maar natuur, de haan die vooraan in de straat, zo’n anderhalve kilometer voorop, kraait, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch ben ik ongemakkelijk. Omdat ik iets zou moeten maar het niet aan het doen ben. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ik wil terugdenken aan het feest van mama.

 

De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel we van alle genodigden het korst bij wonen, komen we toch laat aan. We parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. Ook wij zijn blij hen terug te zien. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ik spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ik niet meteen kan plaatsen. Ik feliciteer eerst Tony, en werk dan de ronde af waarin hij staat: Vera, Francine en Erik, iemand die ik niet ken en die zich als Nicole voorstelt. ‘Door jou heb ik ‘Het achtste leven voor Brilka’ gelezen’ zegt ze, ‘en het was fan-tas-tisch’. Juist, mama had me inspiratie gevraagd en ik had dàt boek getipt.

De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ik ben trots op mijn kinderen, het zijn fijne, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter mijn rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen.

Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het is fijn om deze mensen terug te zien. Altijd. Marc kent bijna iedereen. Ik merk dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ik weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ik krijg een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mijn moeder. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ik zie aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ik vraag me telkens opnieuw af of het aan mij ligt dat ik de kakafonie van geluiden niet goed verdraag of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles te goed te willen doen. Ik spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij ons te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze ons uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules -  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeft ze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken en door er met ons over te praten, ze mentaal proeven én verbeteren, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan -  de dag zelf -  alles vlot laten verlopen. Zij is maître d’orcheste en ze is de beste in haar vak.

 

Ik zie vanuit mijn ooghoek dat het zover is. Tony heeft Marc beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Marc weet dat ik Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vind, daarvan heb ik hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ik me kon herinneren – mijn hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden wij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Wij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat wij zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij ons op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde ons. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en wij begrepen daar de zin niet van. Wat ik daarentegen wel wonderlijk aan hem vond, was dat hij zijn leven aan jaartallen ophing als in: ‘In 74, toen ik als arts in opleiding stage liep in Egypte en bijna werd opgegeten door een krokodil in de Nijl’, terwijl ik mijn jonge leven aan geen enkel jaartal behalve mijn geboortejaar kon vastknopen. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleen geweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Hij is altijd verliefd geweest op mijn moeder – of dat beweerde zij toch -  maar dat belette hem niet om ook te koketteren met de andere vrouwen van hun vriendenkring. Mietje bijvoorbeeld, waar ik intussen mee sta te babbelen. Ze is niets veranderd in die vijfendertig jaren. Nog altijd een bloedmooie brunette met een fragiel Limburgs accent. Haar woorden weloverwogen gekozen. Lange haren in een paardenstraat, kastanjebruine ogen, een smal gezicht met zachte gelaatstrekken. Gracieuze, slanke vingers, maar ook knokig dankzij het minutieuze werk als juwelenontwerpster. Ze vertelt over David, over Jo en Sara, en haar kleinkinderen. Hoe Jo en David zo ondernemend zijn, en het harde leven van Sara als alleenstaande moeder en onderzoeker. Dat ze alle drie een zeilboot hebben en nog vaak allemaal samen met haar en Harry gaan zeilen. En dat ze geen juwelen meer maakt omdat ze geen eigen atelier meer heeft. In vijf, zes zinnen is een heel leven bijgepraat. Ondertussen eet ik onophoudelijk kaaskoekjes, nootjes en de hapjes die worden rondgebracht. Ik kan er niet vanaf blijven en voel me al snel verzadigd. Anso komt erbij staan. Ze moet net toegekomen zijn. Ze ziet er moe uit, maar ze straalt. Ze heeft nog maar pas een restaurant geopend en je ziet aan haar dat ze fysiek bijna geen marge meer heeft. Ze is graatmager en ze is de enige van ons drie die altijd al last heeft gehad van migraine. Ze staat heel scherp. Maar ik zie dat zij hier ook van geniet. Al die vrienden samen.

 

Een aantal mensen die ik nog niet had gegroet, lopen nu richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monster ik de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ik roep hen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop in de tuin en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. We hebben er nu 34, waarvan 27 kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens mij doet het mijn vader denken aan het utopisch samenleven in een bucolische tuin zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn.  Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten die kippen wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mijn moeder, die hem gedurig commandeert.

 

Ik hoor nu een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche.  Mijn mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind – ook de jurken en de haartooi van de genodigden lijken nu overgeleverd aan de grillen van de wind– en er zijn regendruppels gesignaleerd. We horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes -  behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan.

 

Ik zoek mijn man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Ze praten over Genk. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Bovendien is ze van Waterschei en ik weet nu dat Marc haar over het huis in de Stalenstraat heeft gevraagd. Maar deze keer moet ze het antwoord schuldig blijven. De cité kent ze als haar broekzak maar het huis achterin kent ze niet. Ik heb Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen, én ze kent echt veel van culturele geschiedenis. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk. Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Ik kijk vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar ons wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ik kijk of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkelt die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Liefst samen met Thierry. Ik denk dat papa in Leuven bewust het gezelschap van die mannen zocht, om zijn stille kant in evenwicht te brengen.

Het is het type mannen waarbij de mop altijd om de hoek ligt en zelden mislukt omdat ze die zo weten te orkestreren dat je gedwongen wordt te lachen. Als je dat maar mondjesmaat doet is het ook niet erg omdat niemand harder lacht dan zijzelf. Bij Thierry kondigde de anekdote zich meestal met een ‘weet ge’ aan, waarbij hij op dat eigenste ogenblik energiek naar voren boog in zijn stoel, de broek van fijn corduroy wat omhoogtrekkend zodat de kous aan de enkel zichtbaar werd, en zijn toehoorders op die manier in het verhaal trok. Wanneer hij zeker was van ieders aandacht, begon hij luid articulerend en met die geknepen, nasale A, - zo eigen aan het Antwerpen van de rand- van wal te steken, de armen wijd gesticulerend en met een al licht triomfantelijke lach om zijn mond; Naarmate de pointe vorderde en de aandacht van deze of gene toehoorder wat verslapte, begon hij luider te praten, zwiepte af en toe naar achter en dan terug naar voren in zijn stoel, opdat zijn woorden met nog meer kracht als een katapult de arena in werden geknald, terwijl hij een hinnikend geluid voortbracht, - de lach - langzaam sneller en sneller tot bij de laatste zin, waarna hij een abrupte, dramatische stilte liet vallen, om dan in een kamervullende, onbedaarlijke bulderlach te ontploffen, met wijdopen mond en met de sterk uitpuilende ogen vol tranen en waarbij iedereen, in het bijzonder het mannelijk deel van het gezelschap inviel, zowaar omwille van de anekdote zelf maar nog veel meer om Thierry als persoon en de geschiedenis die ze samen hadden geschreven. En omdat ze hem dankbaar waren, deze theatrale verschijning die op dit soort gelegenheden hun garantie was om even te ontsnappen aan de routine van elke dag. Ik vond het toen, lang geleden, wonderlijk dat grote mensen dingen konden vertellen die zoveel plezier ontketenden, waar ik helemaal niets van snapte.

Maar Benny was dus alleen komen te staan en had ook zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van mijn vader. Ik weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat mijn beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in me zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is me nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ik denk dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.

 

Ik zoek de blik van mijn man. Hij staat te praten met Harry. Ik merk dat hij door wil. Ik zou liever blijven maar hij wil een toertje gaan doen in de omgeving. Huizen kijken. Dat doen we graag, het is een soort van ‘gezamenlijk project’, soms denk ik dat het een surrogaat is voor de verstandhouding die we niet hebben. En bij elk mooi huis dat we zien, prikt hij ook de mogelijke droom die eraan vasthangt onmiddellijk kapot. We ontdekken die middag Vechmaal, een dorpje op een kwartier van mijn ouders maar nog steeds in het heuvelrijke Haspengouw.  We onthouden het voor een volgende wandeling. Drie uur later keren we weer. Het is een prachtig tafereel. Nu zitten ze wel onder de pergola. De zon komt van de andere kant, lager, gloedrijker, minder fel. Een geanimeerde bende, onderuit geschoven, de flessen wijn bijna leeg, en daarachter onze kinderen. Ze voetballen met Liliana. Ik neem wat van het dessertenbuffet en vul ook een bordje voor Linda. Ze is in de keuken en wast de laatste borden af. Alles is proper. Ze loopt wat gebukt, ziet er moe uit. We zitten samen op het terras voor de keuken. Ook daar schijnt de zon nu. ‘Hoelang ben je nu bij ons?’, vraag ik. ‘Van toen Thomas geboren is. Ka kwam hier werken in het atelier en ik gaf Thomas het flesje.’ Thomas is 19 geworden dit jaar. Ik zie dat mijn jongste in zijn ogen wrijft. Onze kinderen zijn moe. We stappen op.

 

Aan dat feest wilde ik denken. Het was vorig weekend, en ik ben trots op mijn ouders, om te zien hoe die hele bende waar ik mee opgroeide er nog is, hoe heel hun levens zijn verknoopt en er ondanks alle hindernissen die hun paden hebben gekruist nog steeds vriendschap is en een drang om de dagen samen door te brengen. En tegelijkertijd voel ik me ellendig omdat ik dat zelf niet heb weten te creëren.

 

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

15 feb 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket