Het gesprek

Kristien
29 nov 2016 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

De wind blies haar haar alle kanten op. Irritante wind! Stomme haren, storend in haar gezicht. Ze was zenuwachtig. Nog een uur en ze zou hem eindelijk terugzien. Eindelijk wilde hij weer praten, met haar en met niemand anders. Ze las om de tijd te doden. De woorden drongen niet meer echt tot haar door. Maar ze las toch verder. Het boek ging over ‘graag zien, hoe je uw relatie sterk houdt’.
Misschien kon ze hier nog wat informatie uit opsteken die ze kon gebruiken straks bij het gesprek. Dus las ze verder.

 

Vijf voor. Snel nog even het wc passeren en naar de plaats van afspraak. Ze wilde zeker niet te laat zijn. Dat zou typisch zijn voor haar. Weeral te laat. Deze keer ging dat niet gebeuren. Stipt op tijd stond ze er. Ze was voorbereid. Haar gsm op vliegtuigstand, in de rugzak, rugzak in de fietszak. Ze was onbereikbaar vanaf nu. Anders dan normaal. Waar hij zich steeds aan stoorde, dat ze steeds bereikbaar was, voor iedereen. Nu dus niet. Nu even niet. Nu enkel hij en zij en niemand anders.
Ohja, en de hond.

 

Hij was laat. Ze nam haar rugzak terug uit de fietszak, gsm uit de rugzak en zette haar gsm terug aan. Misschien had hij al gestuurd en had ze dat nu niet gekregen, misschien ging hij nog later zijn, misschien was er iets gebeurd, misschien had hij afgezegd, gevraagd om het te verplaatsen, misschien… Ah! Daar is hij! Ze moest lachen. Ze moest zich inhouden om niet te lachen. Een warm gevoel, ze ontdooide. Zo blij om hem te zien, zo vertrouwd hem te zien sukkelen met de fiets en de hondenbak erachteraan.
“Mijn twee mannen”, dacht ze. Maar ze slikte haar tong in en haar lippen werden terug hard.
Ze begroette de hond, uitvoerig. Lang geleden. Dan hem, ongemakkelijk. Gelukkig nam hij haar meteen in zijn armen. Hij wist wel wat te doen, of volgde zijn impulsen. De spanning steeg, in haar borst en haar schouders. Ze wilde zo graag ontspannen, ontdooien, plooien, helemaal terug knuffelen, maar ze hield zich stijf. Het was nog niet besproken, het kon nog niet. Nu nog even niet.

 

Of we nog ergens iets kunnen eten, vroeg hij. De spanning nam toe, ze voelde het in haar lijf. Zij had speciaal op voorhand gegeten. Ze had net gegeten. Ze had net gegeten, zodat ze meteen konden doorgaan naar de hondenwei, zodat ze niet eerst ongemakkelijk moesten neerzitten aan een tafeltje omringd door mensen en in elkaars ogen kijkend. Ongemakkelijk. “Oké” Honger is een akelig beestje, dus “oké, we zullen eerst nog even iets eten en drinken”.

Ze gingen meteen zitten bij het eerste het beste dat ze zagen. Hij bestelde eten en drinken, zij enkel drinken. Ze wist niet goed wat te zeggen, maar ze haatte de stilte. Ze vroeg hoe zijn weekend was, hoe het met de hond was, hoe het eten was,… Ze vroeg dingen die niet relevant waren, aan de buitenkant speelde. Spanning liep op, weer voelde ze dit in haar lijf. De wc, de wc was haar uitweg. Altijd al geweest eigenlijk. Haar eigen plekje, waar niemand haar stoort. Hier kon ze even zijn. Ze liet de spanning los en de tranen volgden meteen. Zucht. Ogen afvegen en weer naar hem.
De rest van zijn eten was om mee te nemen, ze konden vertrekken. De hond bood afleiding op de roltrappen.

“Hoe voelt ge u?” Hij vertelde. Hij was boos geweest, had alles opgeschreven in een brief. Zeer ongewoon voor hem. Hij ging de brief niet afgeven, hij was gekalmeerd nu. Het was beter. Hij wilde haar verhaal horen. Zij vertelde. Ze moest wenen. Ze weende snel. Ze weende om de spanning te bevrijden, weg uit haar lichaam. Ze weende en vertelde en schaamde en voelde schuld. Ze deelde en hield zich dan weer in. Ze vond de woorden niet, aarzelde, probeerde te voelen.
Hij begreep haar eerst niet. Dacht dat het enkel om de uitleg rond de zatte kus ging, niet over meer. Dacht dat alles anders was gelopen. En kon het abstracte niet volgen. Hij had nood aan concreetheid, aan 1 + 2 = 3. Zij kon hem dat niet bieden. Zij dacht veel en chaotisch en abstract. Dit viel niet te lijmen. Eerst leek het weer te blokkeren, te stagneren.

 

De hond in het water bracht ruimte en adem. Blote voeten want het gras was bezaaid met plassen regen. Elk liepen ze aan een kant van het water, het water dat tussen hen lag, de weg naar elkaar splitste. De hond liep ertussen heen en weer, door het water. Probeerde voor verbinding te zorgen.
De verbinding die zij zochten, maar zo moeilijk konden vinden.
Dat beeld hielp. Het werd concreter.

Ze hield niet van die stiltes. Er waren dan te veel gedachten en na een tijdje kon ze die niet meer delen. Ze wist dan niet meer hoe. Ze wilde zijn hand vastnemen, hem licht aanraken met haar vingertoppen, de verbinding letterlijk voelen. Ze hield zich in. Misschien was dat niet zo’n goed idee om nu te doen. Hij deed het wel. Hij deed het in haar plaats. Hij trok haar tegen zich aan. “Meisje toch”.

Heel even was het er weer. De verbinding, de connectie. Ze keken naar de hond die in het water plonsde en voor de allereerste keer zwom. Beiden met trots. Ze lachten. Het lachen bracht hen dichter bij elkaar. Samen. Het voelde alsof er niets aan de hand was, alsof alles nog was als daarvoor, alsof alles beter was dan ervoor, alsof alles was zoals het was ‘Oké’.
Hij keek naar haar, ze durfde niet goed terug te kijken. Gelukkig was ze kleiner. Ze dook weg in zijn borstkas, begroef haar neus in zijn oksel. Hij tilde haar kin op. Nu moest ze wel kijken. Ze zag zijn gezicht, zo mooi en zacht. Hij kuste haar. Ze kusten. Zacht. Het was met een dubbel gevoel. Ze wist niet wat ze voelde. Ze dacht. “Denken is misschien geen goed teken”, dacht ze.

 

Zijn zus belde. Hij nam op. Haar gsm stond nog uit, zat in de rugzak, uit de fietszak op haar rug, zij was voorbereid. De spanning kwam terug. Ze voelde het in haar schouders. Ze kromp ineen. Hij was boos, lastig. Ze voelde zijn ambetant zijn in haar lichaam. Ze wilde zich onzichtbaar maken, zorgen dat hij niet nog meer zou ontploffen. Ze wist dat ze iets moest zeggen. Ze moest iets zeggen als ze het anders wou. Ze benoemde het. Die spanning, het ambetant worden van hem, de zwaarte.
Hier ging het om, ze wisten het weer. Ze waren het alweer vergeten door de zachtheid, liefheid, humor en verbinding van de dag. Maar dit, deze spanning, die zwaarte, dat is wat hun relatie de laatste tijd was. Hier wilden ze allebei van weg. Hier liep het telkens mis. “Maken we elkaar wel echt gelukkig?” vroeg ze, maar beiden wisten ze het antwoord niet.

 

Ze willen ervoor gaan, maar hebben de energie niet meer om te vechten. Toch niet nu, niet nu onmiddellijk. Ze nemen terug afscheid. Weer ongemakkelijk. Het is beter nog wat te ademen, elk op zichzelf, even apart. Hij wilt haar meenemen, in hun bed leggen, naast elkaar leven. Zij wilt meegaan, de avond samen eindigen. Maar ze zijn nu slimmer dan alle keren hiervoor. Ze nemen afscheid. Elk hun eigen we. Ze zien het nog. Ze ademen nu eerst even. Dan zien ze nog. Ze zien het nog, we zien wel. Ze voelen het nog even na en gingen nu elk hun eigen weg.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

Kristien
29 nov 2016 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket