Lezen

Van slag

Wat er toch allemaal is gebeurd, hij kan het niet begrijpen. Eerst was het baasje ziek en mocht hij niet naar boven. Het vrouwtje zei dat het baasje moest slapen en als hij weer beter was, mocht hij weer spelen. Maar toen gingen ze samen weg. Nou gebeurt dat natuurlijk wel vaker, maar nu kwam het vrouwtje alleen terug. Dat was raar. Ze rook trouwens ook heel raar. Heel vies. ’s Avonds was het baasje nog niet thuis. Hij hield zich maar stilletjes want hij zag dat het vrouwtje best zenuwachtig was. De dag erna moest hij ’s middags op het huis passen. “Ik ga naar het baasje Stef.” Hij kroop op de bank. Saai. Het vrouwtje was best lang weg maar ze kwam weer alleen thuis. Waar zou het baasje toch zijn? Het vrouwtje rook wel een beetje naar hem. Maar ook had ze weer dat vieze luchtje bij zich. Toen ze bijna naar bed ging, ging de telefoon. Hij snapte niet wat er gezegd was maar hij zag wel dat het vrouwtje vreselijk van slag was. Ze deed heel snel haar jas aan, pakte haar spullen bij elkaar en riep van afstand naar hem. “Dag Stef”. Dat deed ze nooit. Hij kreeg altijd nog een knuffel. Toen ze na een paar uur terugkwam ging ze aan tafel zitten en zei niks. Ze zat te bibberen. Hij ging maar eens even op schoot zitten. Dat helpt, dat weet hij uit ervaring. Op zondag is er iets gebeurd wat hij niet precies kan plaatsen maar het is wel heel erg. Het vrouwtje is nog maar alleen, het baasje was heel ziek en nu is hij er niet meer zeggen ze. Maar waar is hij dan? Hij werd er zelf ook heel naar van. Hij wist niet precies wat hij moest doen. Er waren ook allemaal mensen in huis. Hij kende die mensen wel maar nu deden ze toch anders. Hij probeerde ze allemaal te troosten en daar werd hij toch wel heel moe van. Een paar dagen later mocht hij mee. Ze gingen naar een heel raar en groot gebouw. Het rook er ook niet goed. In een klein kamertje stond een grote kist. En daar lag het baasje in. Hij keek en snoof en snoof. En toen wist hij het. Het enige dat hij kan doen is het vrouwtje troosten. Lekker bij haar op schoot kruipen. Of tegen haar been aan gaan zitten. Hij merkt dat ze dat fijn vindt. En hij zelf ook. Want hij mist het baasje wel.      

Machteld
0 0

Groeipijnen

Soms ben ik zo bang dat ik mezelf niet meer zal terugvinden. Voor ik kinderen had was ik zorgeloos, chaotisch en een kritische denker. Nu ben ik voortdurend overbezorgd, krijg ik zelfs de meest simpele gedachten niet op een rijtje en ben ik meer uptight dan de gemiddelde Karen. Een broek met een vlek die er maar niet uit geraakt kan de hele nacht door mijn hoofd spoken maar voor discussies over vrijheid van meningsuiting lijk ik geen energie meer te hebben. En dat terwijl ik gezworen had dat het moederschap me niet zou veranderen…  Het idee dat het moederschap je niet zal veranderen is bullshit. Het is een loze belofte die menig moeder zichzelf en haar omgeving wijsmaakt. Het moederschap is niet iets wat je er zo maar even bij neemt. De vraag is niet of kinderen in je leven passen maar of je bereid bent om het leven dat je kende en alles dat je was op te geven voor je kinderen. Die oneindige moederliefde reduceert je leven tot zorg dragen. Dat is alles. De rest is bijkomstig. Ik heb het hier niet over een bewuste keuze om je kinderen voorop te stellen. Het gaat automatisch. Je lijf veranderd je geest. Al wat je was is nu moeder.  Ik hou van mijn kinderen zoals ik nog nooit van iets of iemand gehouden heb maar ik hou ook van de persoon die ik was en ik vind het moeilijk om haar los te laten. Ik ben geen geboren moeder. Ik moet nog groeien in mijn nieuwe ik en vandaag zijn die groeipijnen net iets pijnlijker dan anders. Ik koos voor het moederschap en zei vaarwel tegen mijn zorgeloosheid en scherpe geest.  Kiezen is verliezen maar met die kinderhandjes in de mijne voel ik me toch altijd een winnaar. 

OliviaKort
1 0

Zwarte engelen (fragment uit Niadela)

Dit is mijn vertaling uit het Spaans van het hoofdstuk "Dag 33. juli. ZWARTE ENGELEN" uit het boek Niadela door Beatriz Montañez. Een inleiding kan je lezen op www.rafelkath.wordpress.com.   Het is half zes in de namiddag. Er is een begrafenisceremonie aan de gang en ik kijk toe. Het feit dat er geen mens in de buurt is, zal ervoor zorgen dat ik me dit voor altijd zal herinneren. Wij beschouwen onszelf in het dierenrijk als bijzonder, maar het merendeel van onze handelingen is vergelijkbaar met die van de andere wezens waarmee we deze vruchtbare en geduldige aarde delen. Trachten de dood te begrijpen is er daar één van. Vandaag werd ik opnieuw gewekt door het gekras van de kraaien. Het was heel vroeg. Dat zag ik omdat het licht amper het houten latwerk van een van de kleine raampjes van de kamer raakte. Ik viel weer in slaap. Toen ik opnieuw wakker werd, krasten ze nog steeds. Ik luisterde aandachtig. Het waren klaagliederen van ontgoocheling en wanhoop. Grillig, als een gekarteld mes. Een donker, decadent geluid, verspreid door de harde bron van hun zwarte bek. Ik liep naar buiten en keek om me heen. Een zoveelste zomerdag, maar over het vandaag ongeïnspireerde gezang van de andere vogels heen hing het striemende geschreeuw van tientallen kraaien. Het kunnen er meer of minder geweest zijn, hun aantal was onduidelijk. De echo van de klip dronk en braakte hun gejammer. Ik begon aan mijn taken rondom het huis zonder dat het krassen ook maar een ogenblik ophield. Ik las, at en schreef de aantekeningen van mijn wandelingen van de vorige dag over in het net. Op het koertje plantte ik zaden van aromatische kruiden naast de stenen muur, waar de wespen hun nesten ondergronds in de schaduw hadden gebouwd. Een vlucht houtduiven bevlekte de hemel, oneindig en bleek op deze zomernamiddag. De mees kwam terug naar de koer. Vanop een dunne tak in de sierheester sloeg hij mijn graafwerk gade, onrustige pupillen onder een zwart maskertje. Hij vloog op en even later glansde zijn gele borst tussen de groene bladeren van de moerbeiboom. Rond een uur of vijf kon ik het afgrijselijke krijsen niet langer verdragen. Het zette zich als koolstofdeeltjes in de warme lucht en veranderde het landschap in een duistere vallei. Wandelend onder de zon ging ik op weg, op zoek naar het koor van zwarte engelen. Normaal gezien heerst er op dit uur van de dag stilte. Het enige wat je hoort is het dunne stroompje water en modder waarin de rivier veranderd is, dat niet meer ruist als water maar ijlt als een moeras. De lucht brandt en trekt aan je vel. Op deze uren ziet alles er onschuldig uit, als opgebaarde doden. Ik steek de rivier over en stap het bos in. De loodblauwe schaduwen van eiken en populieren liggen als bevroren plassen over een dorstige huid. Ik volg de stemmen; ze zijn nu dichtbij; ik hoor ze om mee heen, boven me, aan mijn linker,- en rechterzijde. Ik ben omsingeld. Mijn ingewanden trillen, verkrampen. Er staat een licht briesje, aangeslagen door de vleugels van de kraaien. Ik zie een zwarte vlek op de grond en stap er naartoe. Het is het dode lichaam van een jonge kraai. De vleugels lijken gebroken, ze liggen in een vreemde positie. Onder het verpletterde kopje van het dier zie ik bloed. Twee volwassen kraaien vliegen op en komen in de buurt zitten. Ze krijsen en kijken toe terwijl ik de vleugels openvouw, die een spanwijdte hebben van bijna anderhalve meter. De kraaien bekijken me, kokend van woede. In hun ogen van zwart porselein zie ik een ondoordringbare pijn. Ik kijk omhoog, zoek het koor dat hen vergezelt en dan wordt plots de dag duister en veranderen de bomen in donkere schaduwen. Op elke tak zit een kraai die de vleugels opent en schreeuwt. De dag is nacht geworden. Ze fladderen heen en weer tussen de bomen, zwarte hagelstenen, wolken die een aankomende storm in zich dragen. Het regent krassende keelgeluiden die doorsijpelen tot in mijn ruggenmerg. Alles lijkt onwerkelijk. Wanneer ik dichter bij het lichaam kom, roepen ze luider. Net voordat het verdriet me tot tranen dwingt vliegen ze allemaal tegelijk op, de hemel besmettend met onheilspellende vlekken. De echo van hun stemmen klimt op tegen de klip en achtervolgt hen. Ik kijk hen na tot ze veranderen in stippen die scherpe kleuren weerkaatsen onder de stralende zon. Vaarwel, vaarwel... Precies op dat moment besef ik dat ik nooit de gelegenheid heb gehad om afscheid te nemen van mijn vader. De dagen volgend op zijn dood brachten we door bij een vriendin van de familie. Noch aan mij, noch aan mijn broers werd verteld op welke dag hij begraven werd. We keerden naar huis terug alsof er niets gebeurd was. Zijn spullen: de rubberen werklaarzen onder de kapstok, zijn portefeuille op de marmeren tafel in de inkomhal, zijn kleren in de kleerkast, zijn bord op tafel bij elke maaltijd, objecten die nog heel lang in ons leven aanwezig bleven. Gedurende vele jaren –teveel jaren- sprak thuis niemand over hem. Ik ga mijn familie bij elkaar brengen bij het graf van mijn vader en we gaan afscheid van hem nemen. Het maakt niet uit dat er bijna veertig jaar verstreken is. Wat telt, is de handeling.  

Kathleen Verbiest
51 0

Als een elf in een trollenwereld

Als ik mij in de grote krioelende buitenwereld begeef, moet ik scheef lopen. Een beetje gebukt ook en eigenlijk zou ik afgezien van mijn mond ook mijn neus moeten bedekken. Maar dat laatste laat ik, als een stille act van rebellie, achterwege. Het meest waardevolle deel van mezelf blijft thuis en ik handel zo snel mogelijk af wat er op het programma staat. De bevoorrading gebeurt efficiënt en compact, ik laat geen vuil water insijpelen. Maar spetters of soms zelfs een douche kan ik niet vermijden. Eenmaal weer thuis, in de veilige zone, veranker ik mezelf aan de fundering. Echte ontlading is een herinnering, ik rust in tijdelijke simulaties. Ik leef als een elf in een trollenwereld. Alles is bedekt met een laagje gif en ik herken mijn eigen spiegelbeeld niet. Het is wel degelijk hier dat ik moet zijn, het constante geschraap van mijn bestaan tegen de puntige wanden van de omgeving vormt geen bewijs van een vergissing. Mijn wonden worden open gehouden, doch zijn klein genoeg om er niet van te sterven. Het lijden is met de tijd redelijker geworden, alsook ben ik mijn magische kracht steeds beter gaan beheersen. Tijd en mogelijkheden werden mij gul bedeeld, om het ontdekken en ontplooien van mijn vleugels een kans te geven. Ik kan niet zeggen dat ik het gevoel heb er alleen voor te staan, ik hoor het gejuich aan de zijlijn zachtjes rinkelen. Ontroerd door vederlichte aanmoedigende strelingen reik ik met mijn armen naar boven, waar mijn smekende blik botst op de onbewogen bevestiging dat het hier beneden is dat ik moet blijven. Hier vindt de ervaring plaats waar ik met een gedempte kreun van tegenzin en inspanning mijn kamp opsla en enkele hoeken vanuit strategische plaatsen belicht. Vanzelfsprekend, als van nature, doemt de mogelijkheid om te vluchten voor mijn zwevende voeten op. Ik manoeuvreer errond, steeds behendiger in het vermijden van een val. De duisternis is mijn huisgenoot en tevens het dichtstbijzijnde vehikel dat altijd paraat staat om mij weg te voeren. Terug naar het beginpunt, zonder mededogen mij het uitzicht op een verlossende exit ontziend. De wereld en ik, we oefenen invloed uit op elkaar. Een wisselwerking waarbij de schaalverhoudingen op de mesthoop van misleiding en ontmoediging worden gegooid. Mijn blik glijdt door een steeds groter wordend venster dat enkel op de binnenkant uitkijkt en mij alles laat zien dat ik even vergeten moest om aan te sterken. De schaamte voor mijn authentieke kleuren brokkelt verder af, ik doe zelfs geen moeite meer om het gruis onder het tapijt der betamelijkheid te vegen. Ik heb de mogelijkheid dat ik waanzinnig zou worden, steeds in mijn achterhoofd laten leven. Als een toevluchtsoord waar de spanning van rond mijn middel valt en ik schouderophalend mijn ongeschonden waarheid terugvind.   https://www.karoliendeman.com/blog/2021/11/15/als-een-elf-in-een-trollenwereld

KarolienDeman
7 0

De bladblazer

Voor veel mensen is werken in de tuin een hobby. Je kunt er je energie en je creativiteit in kwijt. En als het goed gaat, heb je in de zomer veel eer van je werk. Er bestaat ook een heel regiment aan gereedschappen waar mee je je kunt uitleven. Maar een van de meest verfoeide tuingereedschappen is toch wel de bladblazer. Waar je vroeger nog mannen vol trots het apparaat ter hand zag nemen, hoor je nu enkel maar klachten. Het is tegenwoordig not done om op zaterdagmorgen als een echte hero de tuin in te trekken en meer dan 100 decibel te produceren. Je krijgt de hele goegemeente over je heen. En terecht natuurlijk ook wel, zaterdagmorgen is bij uitstek de ochtend om heerlijk langzaam wakker te worden met een croissantje en een bakje koffie. En daar hoort geen geloei bij. Nu vind ik het gebruik van een bladblazer sowieso wel eens te ver gaan. In sommige tuinen lijkt wel geen sprake meer van seizoenen. Nergens ligt een blaadje. Ik kan me voorstellen dat je het blad van je gazon wilt hebben, dat geeft maar plekken, maar in de tuin verder mag het toch wel blijven liggen? Sommige mensen gaan de herfst te lijf met een energie waar je bang van wordt. Terwijl allerlei dieren heerlijk scharrelen door al dat dorre blad. Bovendien ruikt het ook lekker. Natuurlijk, naar rottend en afstervend blad, maar het is toch de geur van de herfst. En waarom zou je die wegblazen. Straks als het winter wordt, wordt het nog kaal genoeg. Gelukkig komt er in de strijd tegen de bladblazer hulp uit onverwachte hoek. Er is nl. onderzoek gedaan in het kader van het milieu. En wat blijkt? Bladblazers blazen giftige stoffen als stikstofdioxiden en fijnstof de lucht in, schadelijk voor mens en klimaat. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat viertakt- en tweetakt-varianten van de bladblazer meer verontreinigende stoffen uitstoten dan een Ford F-150 SVT Raptor, een pick-up met een gewicht van bijna 3000 kilo. Oei, en die wil je niet op je rug hebben hangen. Dus zit er volgens mij maar één ding op. Terug naar de ouderwetse bladhark. Ik zie mijn vader nog ijverig aan het werk. Al het blad op een grote hoop harken en dan in de (toen nog) vuilnisbak. Nu moet dat natuurlijk in de groencontainer of naar het depot, maar daar hadden ze al die jaren geleden nog niet van gehoord. Het maakte ook geluid, die hark, vooral als je over grind of tegels ging. Maar het maakte geen lawaai. En als hij even niet keek, banjerden wij vrolijk door de bladerenheuvel. Natuurlijk hielpen we naderhand wel met opruimen. Dat was niet meer dan eerlijk.        

Machteld
0 0

Azuren roes

Er volgt weer een bocht. Door die slippartij een tiental jaren geleden spannen al mijn spieren op als hij weer eens voorbij steekt op die bochtige baan langs rode rotsen die opduiken uit de nachtelijke zee.  Als we eruit vliegen belanden we op die witte muur bedenk ik, maar dat gaat na al mijn verzoeken en aanwijzingen nog steeds niet door zijn hoofd. De kinderen zouden dan eindelijk weten waar de airbags uit tevoorschijn komen grap ik in gedachten. En ik, ik zou er niks van merken.  Sinds onze lange wandeling langs het strand en door de jachthaven zit ik in een roes en ben ik weer overal en nergens in tijd en ruimte. Als de koude wind me wegbrengt naar de schapenstal waar de herder en ik 5 jaar geleden in enkele tellen oogcontact een jeugdige zomerliefde herbeleefden, als het gefluit, gekraak en geklingel tussen de boten me 35 jaar jonger maken en me wandelend aan de zijde van mijn vader marine verhalen laten beluisteren, dan brengt het contact met die muur me vast naar nog ongrijpbaardere dromen en herinner ik me wellicht nog vaag een compleet gevoel vooraleer de lichten van de ambulance mijn licht doven.  Ik denk aan de twee vrouwen, elk met twee kinderen, die tegen een muur reden om zich van t leven te beroven, de ene overleefde het niet maar de kinderen wel, de andere overleefde t wel maar één van de kinderen niet. Het andere kind werd mijn liefje toen we 14 waren, maar hij haalde de 40 niet, ik wel. En ik ben er elke dag blij om. Het enige waar ik spijt van heb is dat ik dat liefje niet nog meer liefde gaf, want nu kan het niet meer. Gelukkig scheren we de witte muur voorbij. Ik zie de Poolster nog steeds. En rechts een laatste streepje donkeroranje gloed boven de heuvels. Weer een bocht. Nu duiken de twee heuvels vol lichtjes op, witte, gele en groene. Ook hij houdt van lichtjes bedenk ik. En van snuisteren en de juiste golflengte. Zelf onze stappen zijn op elkaar afgestemd. Daar dacht ik ook aan tussen de boten, aan mijn nieuwe liefde die met mooie liedjes en vleugjes magie uit de lucht kwam gevallen en me voorzichtig mee in de wolken tilde. Dat is het heerlijke aan de duister die langzaam valt en een snijdende wind die je verhindert te praten. Het maakt gedachtenloopjes mogelijk naar geliefden die waren en geliefden die komen, naar overal en nergens. Weer een bocht en weer een klein strandje. Het licht van de auto maakt de pikzwarte zee heel even terug azurblauw. En denken dat ik een hekel had aan deze azurkust als kind. Misschien door het geslenter of door de sfeer van geheimen die we van thuis meezeulden of door de voor mij verwarrende toestand van miljonairsvillas en overvolle terrassen terwijl clochards tussen palmbomen schuilden voor de mistral of eerste wintervorst. Ik weet het nog steeds niet, maar ik herinner me dat ik ook dan vaak in een roes ging. Op de radio klinkt je t'aimais, je t'aime, je t'aimerai. Ik kan niet meezingen, want mn stem is weer weg. Het komt nu steeds vaker voor dagen zonder stem en nachtelijk hoesten.Thuis neem ik direct hoestsiroop en een glas wijn na het eten of omgekeerd, denk ik, als een verslaafde. Verslaafd ben ik zeker, aan de liefde en aan de roes van de azurkust, waar alle tijden door elkaar lopen, mijn hart onderweg is en mijn hoofd op hol, naar overal en nergens.

Fien SB
18 1

De wielrenner die geen wielrenner was

Het is niet dat ik per definitie tegendraads ben, al lijkt dat soms zo. Ik ben de draad gewoon zo nu en dan even kwijt. Tegenwoordig stap ik dan naar buiten en marcheer mijn vaste wandeltraject, dat mij 10000 eenheden oplevert op mijn stappenteller. Het overkomt me wel eens dat ik me pas na 5000 stappen realiseer wat ik aan het doen ben, omdat mijn brein overactief of gefocust is. Het is een instinct. Geen zoeken naar die draad, niet aan het kortste eind trekken of een gevoel dat mijn leven aan een zijden draadje hangt. Nee, het is een glad strijken van innerlijke plooien, terwijl mijn voorhoofd gefronst is als dat van een Shar-Pei. Vandaag is het anders. Ik heb mijn gedachten behoorlijk op een rijtje, maar ik had behoefte aan lichaamsbeweging. Een deel van mijn route loopt over een fietspad. Fietsers zijn gekke wezens. De meesten vinden het ongehoord dat een wandelaar het lef heeft om zich op hun territorium te begeven. Vaak komen ze van de andere richting en spugen ze een tiental meter voor ze je kruisen. Ze knikken niet, maar ze grommen. Als wandelaar ben je een hindernis. Hinder. Een minderwaardig onderkruipsel. Een obstakel. Als amateurwielrenners in groep rijden, bellen de twee koplopers. Ze doen dat ook bij een vluchtheuvel of een bocht. Het is een waarschuwing voor de rest van het pelotonnetje, maar als wandelaar kan je het ook interpreteren als: ‘Ga opzij, minderwaardige sterveling!’ In elk passerend wielergroepje zit er wel een rochelaar of een spuwer. Fietstoeristen of recreanten zijn anders. Ze dragen meestal een deftige broek en een hemdje met korte mouwen en hebben hun vrouw naast zich als fietsgezel. Ze zijn hoffelijk en vriendelijk. Ze lachen, knikken en wensen je een goede ochtend, middag of avond, naargelang het dagmoment. Ze zijn zich bewust van tijd en ruimte, streven geen hoge doelen na en voeren entertainende gesprekjes terwijl ze zich op sportieve wijze voortbewegen, vaak op weg naar een gezellig terrasje of een bankje in het bos. Op zo een bankje zag ik een eenzame wielrenner zitten. Hij was zeker zestig, maar hij zag er opvallend professioneel en strak uit. Hij droeg een blits koerspakje, een gele bandana en een trendy zonnebril. Een type dat je niet zo snel op een bankje ziet zitten, maar dat je doorgaans al spugend en rochelend tegenkomt, zwetend als een rund en sakkerend op alles wat hem tijd kan kosten. Ik zag hem en hij zag mij. Ik knikte en lachte. Mij kan je moeilijk beschuldigen van overdreven sociaal gedrag, maar als voorbijganger ben ik best sympathiek. Elegant veel minder. Ik heb allerminst een sierlijke tred en bovendien had ik last van een pijntje in mijn achillespees. Om eerlijk te zijn was ik zelf aan het twijfelen om eventjes te gaan verpozen op het dichtstbijzijnde rustplekje, al is zoiets totaal tegen mijn natuur, want op dat vlak gun ik mezelf weinig. Terwijl ik zo gezwind als ik kon doorstapte, na mijn lachje en mijn knikje, riep de bandana: ‘Het is er warm aan hé, vriend!’ Makkelijk te verklaren is het niet, maar nu ik erover nadenk was het misschien zijn zachte stemgeluid en zijn joviale glimlach die mij deden besluiten om halt te houden, meer nog, terug te draaien om mij tegenover hem te zetten. Er stonden immers twee bankjes. Ik zuchtte en wist mezelf niet direct een houding te geven toen ik ging zitten. Ik checkte mijn stappenteller: 9875 stappen. ‘Je mankte, jongen. Je bent toch niet gekwetst of verloren gelopen of zo?’ Zijn gelaatsuitdrukking kon ik niet zien, noch interpreteren. Zijn zonnebril was gigantisch, maar zijn stem gaf me direct een gerust gevoel. Als lezer moet je weten dat ik mezelf constant als een achttienjarige voel, terwijl ik momenteel zevenenveertig lentes tel. De man was misschien vijfenzestig, maar na een paar woorden voelde hij aan als de opa die ik nooit gekend had. Zoals iedereen heb ik nochtans twee grootvaders, maar die van mij heb ik nimmer mogen kennen. ‘Totaal niet. Ik loop sowieso stuntelig, maar nu heb ik ook nog eens last van mijn achillespees. Maakt niks uit. Ik ken dit parcours als mijn broekzak. Nog 3200 stappen en dan ben ik thuis. Komt helemaal goed.’ Dat klonk misschien opschepperig of zo, maar ik wilde niet dat deze mens zich over mij zorgen zou maken. Ik doe dat op automatische piloot als ik zorgzame types tegenkom. Dan zwak ik af. Ik wil nooit een last zijn. ‘Mooi zo, je hebt karakter en je bent goed voorbereid’, zei hij zachtjes. Hij nam zijn zonnebril af en trok de bandana van zijn hoofd. Zo kaal als een biljartbal, maar daar schrok ik veel minder van dan van de diepe, donkere groeven onder zijn groengrijze ogen. Zelf hield ik mijn zonnebril op. ’t Is er een op sterkte, dus zonder zou ik zintuiglijk nogal gehandicapt zijn. Hij bleef me aankijken. Ik voelde me niet ongemakkelijk. Raar. ‘Hoe heet je?’ ‘Danny.’ ‘Aangenaam, Danny. Ik ben Emiel. Mijn vrouw is drie maanden geleden gestorven. Hoe, wat, waar en waarom maakt niet veel uit, maar ik hield zielsveel van haar. Ze hield van fietsen. Ik veel minder, maar ik fietste met haar mee. Altijd. We maakten er gezellige tochtjes van. Lekker babbelen al peddelend, een hapje eten, iets drinken en weer thuiskomen. Voetjes omhoog en samen televisie kijken. Ze was mijn alles, Danny. Mijn alles. Nu fiets ik nog steeds. Uit gewoonte. Mijn twee dochters kochten een racefiets en een complete wieleruitrusting voor me. Met de beste bedoelingen, het zijn twee enorme schatten, maar ik ga er de brui aan geven. Dit werkt gewoon niet.’ Hij zweeg en tuurde naar het fietspad, waar toevallig een ouder koppeltje passeerde. Ze lachten en praatten. Ik zag hem kijken, voelde zijn pijn en wist wat hij dacht, maar het vreemde was dat zijn trieste gezicht in een mum van tijd omgeplooid was naar een vriendelijke en joviale gelaatsexpressie. Het was geen façade, het was gemeend. Hij genoot van het geluk van een ander, ondanks de pijn die hij duidelijk nog altijd voelde. Zijn hoofd zat vol herinneringen die alleen hij nog kende. Ik liet hem nog een minuutje nagenieten en zei toen: ‘Je bent een mooi mens, Emiel. Als je het niet erg vindt, ga ik wat over je schrijven.’ Hij hield zijn lippen samengeperst, maar zijn ogen waren vol liefde. Na een paar seconden zei hij: ‘Je doet maar, jongen. Ik ben net zo min een lezer als een fietser. Fijn je te leren kennen.’ Hij stapte op zijn spiksplinternieuwe fiets en reed langzaam in de richting die ik niet uit moest. Ik keek hem na tot hij helemaal uit mijn gezichtsveld verdwenen was. Mijn stappenteller telde nog steeds 9875 stappen, maar dat leek ineens totaal onbelangrijk. Ik hoop Emiel ooit nog eens tegen te komen, al denk ik niet dat dat nog op of langs een fietspad zal zijn.  

Danny Vandenberk
6 0

van binnen naar buiten

Jij kan niets veranderen aan jou. Tenminste, dat zou zo moeten zijn. Voor dit stukje tekst - dat in een soort van oprechtheid zich ingewikkeld heeft - had ik muziek nodig. Voor jou draait het erom jezelf voorop te plaatsen, en ik die jou meemaak: eindelijk maak ik iets mee dat volstrekt normaal is. 'The soundtrack to my life' horen.  Je bent pas zinvol omwille van een ellendige ervaring zoals verlies, maar wat verlies je?; zoals pijn, maar wie is degene die nog pijn heeft? De wereld is op een vreemde manier gestopt met op iets te lijken en laat een verveelde indruk na. Ik kan nog zo mijn best doen, maar niets schijnt maakbaar te zijn dus verdwijnt het momentum altijd wel ergens.  Ik zweer af dat liefde draait om delen, en laat het me vervolgens op gebruiken. Ik doe alles altijd bewust, ook al weet ik dat dat nefast is. Autisme doet je nadenken, zonder dat je iets weet.Je ogen staren me aan maar later zou nog duidelijk worden dat dat mijn eigen blik was die terugstaart naar wat er nu nog van mij overblijft. Ik doe wat moet of eindelijk kan, niet na (gelukkig zijn); ik doe het omgekeerde maar dan op een overtuigde manier (oncontroleerbaar zijn). Ik doe het niet graag, maar maak het wel telkens mee. Ik heb een totaal volmaakt verlangen naar het exterieur van Dries. En dit verdomd stukje tekst dat op een gedicht wil lijken. Een geparafraseerd gedicht is geen gedicht maar een analyse.  Laten we ophouden bij genoeg.  Zorgeloosheid tot iets logisch maken, het zal nooit lukken zonder waanzin.  Vind me terug, zodat ik het niet zelf hoef te doen.

Dries Verhaegen
72 0