Lezen

IA: schrijf een verhaal stijl tom lanoye over lgbtq en de verhouding tussen de kunstenaar VERF ED Wil je dat de focus meer verschuift naar de interne worsteling van de kunstenaar met zijn eigen 'porno-erotische' oeuvre?

De echte tragedie van de schepper is niet dat de buitenwereld hem niet begrijpt, maar dat hij zijn eigen creaties met een mengeling van wellust en diepe walging gadeslaat. In de klamme schemering van zijn atelier zat Verf Ed voor zijn nieuwste, monumentale doek. De rest van de Antwerpse avant-garde had zich allang teruggetrokken in de drankgelegenheden rond de Melkmarkt, maar Ed bleef achter. Alleen met de demonen die hij zelf met dikke klodders olieverf en acryl op het linnen had gekwast.Het schilderij was een orgastische explosie van verstrengelde lichamen, getekend in rauwe, expressionistische lijnen die het midden hielden tussen de pure geilheid van de straat en de sacrale ernst van een barok altaarstuk. Voor de buitenwacht—en voor de luidruchtige LGBTQIA+-beweging waarvan hij tegen wil en dank de visuele profeet was geworden—gold dit werk als een politiek manifest. Een breekijzer om de burgerlijke moraal mee te verbrijzelen.Maar in de stilte van de nacht, wanneer de adrenaline van de barricades was uitgewerkt, staarde Ed naar zijn eigen 'porno-erotische' oeuvre en voelde hij de koude klauwen van de twijfel. Was dit wel de revolutie? Of was hij louter zijn eigen obsessies aan het sublimeren voor de voyeuristische blik van een publiek dat kickte op het schandaal?"Esthetische pornografie," fluisterde hij tegen zichzelf, zijn stem heser dan normaal door de dampen van de tinner. Hij keek naar een specifiek fragment op het doek: twee mannen, abstract maar onmiskenbaar verstrengeld in een daad van pure, dierlijke overgave. "Ze noemen het kunst omdat ik er goudverf overheen heb gesmeten. Ze noemen het politiek omdat het schuurt met de parochie. Maar als een heteroseksuele schilder dit deed, was het een vulgair bananendoos-cliché."De interne worsteling vrat aan hem. Ed wist dat zijn kunst de beweging de nodige tanden gaf. Het gaf gezicht aan de weerspannigheid van een generatie die weigerde nog langer discreet te zijn. Maar de grens tussen bevrijdende erotiek en de totale commercialisering van de homoseksuele lust was flinterdun. Hij voelde zich soms een pooier van zijn eigen fantasieën, een man die de rauwe intimiteit van de slaapkamer omsmeedde tot een exhibitionistisch spektakel om de burgerij te epateren—of erger nog, om zijn eigen diepgewortelde eenzaamheid te maskeren.Hij hief zijn kwast, zwaar van de gitzwarte teer, klaar om de expliciete details van het centrale figuur met één brute veeg uit te wissen. De neiging om zichzelf te censureren, niet uit angst voor de rijkswacht of de wet, maar uit pure artistieke schaamte, was overweldigend. Zijn hand trilde.Toen dacht hij aan de jonge Lanoye, die hem die middag nog met die scherpe, ironische blik had geobserveerd. “Ed,” had die gezegd, “de enige zonde in de kunst is de lafheid. Als je bang bent dat het porno is, schilder het dan nóg groter. Maak de porno zo monumentaal dat ze er wel een filosofie achter móeten zoeken.”Ed lachte, een bittere, schallende kreet die tegen de muren van het lege atelier botste. Hij liet de zwarte verf niet over de lichamen vloeien, maar zette juist een felle, neonroze highlight op de meest provocerende curve van het doek. Het was een gevecht met zijn eigen moraal, een dagelijkse autopsie op zijn eigen begeerte. Hij was de kunstenaar die gevangen zat in zijn eigen vlees, gedoemd om de lust te transformeren tot een politiek slagveld, zelfs als het hem vanbinnen verscheurde. Nu de interne worsteling met het porno-erotische werk centraal staat, kunnen we het verhaal nog verder toespitsen. Laat maar weten of je geïnteresseerd bent om:Een confrontatie te schrijven waarin een conservatieve criticus of een preutse activist van de vroege beweging hem beschuldigt van pure vulgariteit?Te focussen op een specifiek schilderij uit zijn collectie en de technische, fysieke strijd die hij levert met de verf op dat doek?

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
1 0

IA: schrijf een verhaal stijl tom lanoye over lgbtq en de verhouding tussen de kunstenaar VERF ED

De ranzige geur van versgespoten lak en het bittere aroma van goedkope acryl hingen die avond als een wolk van subversie in het atelier. Het was het gezegende jaar 1979, de vroege schemering van een decennium waarin we de straat op moesten om ons luidruchtig te manifesteren, ver weg van de pluche salons van de kleinburgerij die ons het liefst onzichtbaar hield. We waren bijeengekomen in de creatieve chaos van Verf Ed—zelfverklaard interdisciplinair artiest, nèn tjolder, nèn trotse prutser, maar bovenal de visuele architect van onze naderende revolutie.Daar stond hij, Ed, met vlekken op zijn overal die de topografie van zijn getormenteerde ziel weerspiegelden. In zijn hand hield hij geen fijne marterharen penseel om brave stillevens voor de Antwerpse bourgeoisie te schilderen, maar een brede, druipende kwast vol gitzwarte teer en neonroze pigmenten. Rondom hem stonden de betalende geldschieters en de spirituele paria’s van zijn nieuwste, megalomane LGBTQIA+-concept: Christopher Street 1979."Kijk naar dit doek!" brulde Ed, terwijl hij met een theatraal gebaar een klodder verf op het spierwitte linnen smeet. De spatten vlogen in het rond, rakelings langs de onberispelijk gestreken hemden van de toeschouwers. "De bourgeoisie snakt naar decoratie! Ze willen kunst die past bij het behangpapier van hun steriele salons! Maar ware kunst moet schuren, godverdomme! Het moet de rijke, corrupte kleinburgerij van hun ivoren voetstuk sleuren! Onze lichamen, onze seksualiteit, dat is geen discrete zonde voor de achterkamers. Dat is een politiek manifest op canvas!"Aan de rand van het atelier, nippend van een glas lauwe, zurige witte wijn, stond de jonge Lanoye toe te kijken. Met zijn ziekenfondsbrilletje en zijn toen al veel te grote mond observeerde hij de dynamiek tussen de schilder en zijn publiek. Onder de aanwezigen bevonden zich de fine fleur van de opkomende Vlaamse avant-garde: theatermakers in spe, dwarse intellectuelen en extravagante nachtvlinders die hun intrek hadden genomen in de underground van de Cinderella's Ballroom. Ze knikten instemmend, gevangen door het brute charisma van de man die weigerde om zich aan te passen aan de wetten van de markt."Ed, jongen," smaalde een van de aanwezige critici, een man wiens das zo strak zat dat het zijn artistieke bloedsomloop leek te stremmen. "Je politiseert de esthetiek. Kunst hoort universeel te zijn, los te staan van de vleselijke lusten en de politieke waan van de dag. Wat heeft deze smiechtige homoseksualiteit te zoeken in een galerie?"Ed keerde zich om, de kwast geheven als een zwaard waarmee hij de reactionaire draak van de moraal eigenhandig wilde villen. "Universeel?!" sneerde hij, zijn stem overslaand van een mengeling van sarcasme en heilige woede. "Uw universum is een gevangenis van heteronormatieve middelmaat! Als een kunstenaar zijn eigen begeerte, zijn eigen politieke strijd om te mógen bestaan niet in de verf gooit, dan maakt hij geen kunst, dan maakt hij behangpapier! Christopher Street is geen gril, het is een opeising van de publieke ruimte. Wij schilderen de revolutie met de kleuren van onze eigen schaamte en onze eigen triomf!"De verhouding tussen de kunstenaar en de politieke strijd was die avond glashelder: de kunst was niet het instrument van de revolutie, de kunst was de revolutie zelf. Elke streek van de kwast was een weigering om te zwijgen, een weerspannige daad van een bende creatieve vogelvrijen die weigerden om te smeken om tolerantie, maar die hun recht op existentie opeisten met de rauwe, stinkende realiteit van vloeibaar pigment. Als je wilt, kunnen we deze artistieke confrontatie nog verder inkleuren. Laat me maar weten:Moeten we de dynamiek met andere specifieke figuren uit de Antwerpse underground van 1979 (zoals de stamgasten van Cinderella's Ballroom) verder uitwerken?Wil je dat de focus meer verschuift naar de interne worsteling van de kunstenaar met zijn eigen 'porno-erotische' oeuvre?Zullen we de sprong maken naar hoe deze kunstvorm later botste met de opkomende aids-crisis in de jaren tachtig?   AI kan fouten maken, dus dubbelcheck de reacties      

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
0 0

Tweezaam

Gisteren voelde ik me zo eenzaam dat ik iets deed wat ik normaal gesproken nooit zou doen, namelijk een artikel lezen over eenzaamheid.  Een van de ondertitels was: 'Op zoek gaan naar jezelf in vijf stappen'. Vijf? Daar wordt mijn stappenteller niet vrolijk van, dacht ik onmiddellijk. Ik gooide het glanzende gezondheidsmagazine weer op het salontafeltje en trok mijn stoute schoenen aan. Niet dat ik iets moedigs zou gaan doen. Vanochtend stonden ze in de weg, ik haspelde erover en bezeerde mijn dikke teen.  Wat later wandelde ik de straat uit in de richting van de bibliotheek. Daar kon ik, in bij benadering 6.000 stappen, immers op zoek gaan naar mezelf, want met wat geluk zou ik er tussen de duizenden boeken wel een paar vinden die ik zelf geschreven heb.  Zeven verschillende zou ik er in theorie kunnen aantreffen, want zoveel literaire werkjes omvat mijn oeuvre inmiddels. Na pakweg 4.500 stappen hoopte ik dat ik er helemaal geen zou vinden, want dat zou dan betekenen dat al mijn boeken ontleend waren. God, wat klonk dat in m'n hoofd weer contradictorisch. Ontlenen lijkt daar net het tegenovergestelde van lenen. Iets terugbrengen. En dan nog zoiets tegenstrijdigs: duizenden stappen lopen om je eigen boeken te lenen of te ontlenen om dan blij te zijn dat er geen meer ligt? De gedachte alleen al maakte me eenzaam.  Lenen-ontlenen. Misschien kwam het wel door die film van eergisteren. Je weet wel, die van die eeuwige vrijgezel annex playboy. Natuurlijk niet ik, want ik neem vrouwen altijd heel serieus en bovendien had ik maar een kwartiertje gekeken, zonder de titel te kennen. In elk geval had ik gezien en gehoord hoe het hoofdpersonage tegen zichzelf zei: 'Haar zou ik wel doen.' Heel even veronderstelde ik verkeerdelijk dat hij bij het plaatselijke centrum voor volwassenenonderwijs het volgen van een kappersopleiding ambieerde, maar hij had het dus over goedkope geslachtsgemeenschap hebben met de blonde vrouw die wat verderop, ik geef het toe, best sexy stond te wezen.  Hoe dan ook, na het opvallend vlot verleiden en mee naar huis nemen van de dame in kwestie en het kortstondige betekenisloze gerampetamp, vroeg de playboy zich bijna meteen af hoe hij zich zo snel mogelijk van het nog recupererende mokkel kon ontdoen. Ont-doen.  Doen en ontdoen. Naar analogie met lenen en ontlenen. Laat het los. Aha, de bibliotheekmedewerkster. Ik was er dus. Ze lachte me toe. Een gek lachje, zo'n beetje zwevend tussen vriendelijk, mysterieus en zoekend. Twijfelend. Zo'n glimlach van iemand die me herkent en niet meteen weet te plaatsen. Een lachje naar iemand die een leuke herinnering oproept. Of beeldde ik het me in? Ik liet het zo. Goed voor m'n onbestaande zelfvertrouwen. Mijn meest recente boek stond pal tegenover de onthaalbalie op prominente wijze uitgestald tussen de 'nieuwe aanwinsten'. Ik liep ernaartoe, aaide het uitvoerig en besnuffelde het daarna even. Dat is een reflex. Beetje beschamend toch wel, die gewoonte. Zeker niet rondkijken of iemand het gezien had. Zeker niet.  Ik keek naar m'n stoute schoenen en wandelde snel voorbij de onthaalbalie in de richting van de romans, zonder iemand aan te kijken. Gegrinnik. Damesgegrinnik. Dat heb IK weer. Die bibliotheekmedewerkster zal haar collega aangestoten hebben en samen hebben ze gezien hoe ik m'n eigen boek stond te strelen. Om door de grond te zakken. Ik durfde pas weer op te kijken toen ik bijna bij de letter 'P' was. Een eindje verderop stonden twee vrouwen. Ze babbelden naar mijn bibliotheekgevoel erg luid.  'Moet je zeker eens lezen, dit! Dit verhaaltje gaat bijvoorbeeld over een dementerende man die samen met hem in het ziekenhuis ligt. Hilarisch! Tegelijkertijd heeft het ook iets tragisch, maar alles is o zo komisch beschreven. Neem ineens het boek mee, je gaat er geen spijt van krijgen. Ik pak die dikke blauwe hier, van dezelfde schrijver. Lachen is gezond!' De twee vrouwen stapten in mijn richting. Ik kon amper nog ademen toen ik zag dat de ene al stappend de achterflap van mijn 'Heerlijk eerlijk' las en de andere met een grote glimlach mijn 'Kleine stukjes geluk' tegen haar borst drukte. Ik draaide me om en huppelde een eindje voor hen op in de richting van de uitgang. Onderweg knikte ik grijnzend naar de bibliotheekmedewerksters. Wat waren ze serieus en wat keken ze ernstig.  Opnieuw dat dubbele. Moest ik maar snel weer de oude worden, bevrijd van twijfels en onzekerheid, of voelde ik me plots als nieuw?  In elk geval leek het alsof ik mijn eenzaamheid net had ontleend. Teruggebracht naar de bib. Je vindt er flarden van in mijn overgebleven boeken. Ik laat ze achter me. Steeds verder.  

Danny Vandenberk
7 0

Leren lezen.

COBRA COPENHAGEN BRUSSEL AMSTERDAM  Het begon allemaal waar ik toen woonde.Ik woonde niet in een grote stad.Ik woonde niet in een kleine stad.Ik woonde niet in een groot dorp.Ik woonde niet in een klein dorpje.Ik woonde op de grens van twee onooglijke dorpjes.Nu beschouwd ik het als een fantastische plek om als kind te woonen.Buiten tientallen cafés waar de buurt tijdens hun schare vrije tijd elkaar opzochten was er niks. De boerderij waar we als kinderen in het hooi speelden. De straat.Op die plaats zette mijn grootvader, een overlevende van de eerste Wereld oorlog,  mij op zijn knieën.Hij toonde met zijn vinger de tekst boven het stripverhaal in de krant. ZONDER HANDEN ZONDER TANDEN. Het kapoentje. Waarschijnlijk was ik zo nieuwsgierig dat ik alles wat ik vond probeerde te lezen.De non die mij moest leren lezen vond het nogal vervelend want ik kon al lezen.Het ergste was ik werd ver gehouden van boeken.Een van de dingen die ik toen als kind deed: ik las advertenties in de krant en ik schreef ernaar. Ik leerde als ik naar een ambassade van een land schreef ik massaal informatie van die landen toegestuurd kreeg. Zo stond  er op een dag een vertegenwoordiger van bakkerij producten voor de deur en die vroeg aan mijn moeder of ze een bakkerij wou beginnen.Het verschrikking was, ik mocht geen  boeken lezen. Op een dag, toen mijn moeder ontdekte dat  ik een boek lag te lezen, scheurde ze het boek en stak het in brand in ons tuintje. Want op die plaats waar ik woonde was het enige haalbare arbeider worden. Zodanig sjokte ik op 14 jarige leeftijd het fabriek binnen.  Ondertussen heb ik menig bibliotheek uitgelezen. Van Asimof, dunas, de hobits, Don Quichot en vooral het leven van Miguel de Cervantes naar mijn nieuwe ontdekking. In Antwerpen waren er boeken winketjes waar voor enkele franken een vloed aan tweedehandse boek te koop waren. Mijn nieuwe ontdekking Bart Van Loo. Door zijn Napoleon begreep ik eindelijk de Franse revolutie. De Bourgondiërs en stoute schoenen lees ik in een ruk uit. Hij is overal, toevallig deed ik de radio aan en wie hoorde ik den bart. Nu reis ik in zijn MIJN FRANKRIJK. Hem achterna.DANK U BART VOOR ZOVEEL LEES WEELDE. ************************************ De symptomen zijn duidelijk. Zodra je aan een goede Dumas begonnen bent, valt die moeilijk opzij te leggen. Als je dat nillens willens toch moet doen, kijk je de hele tijd uit naar het moment dat je de roman, weer ter hand kunt nemen. Eenmaal opnieuw vertrokken begin je na verloop van tijd halve zinnen over te slaan, en lijkt het nu en dan of je over je ogen struikel. Niet zelden bedek je met je rechterhand de volgende bladzijde om je voor valsspelerij te behoeden. Spreek gerust van acute literaire verliefdheid, vlinders in de buik, buikliteratuur. Een boek verslinden, heet zoiets dan clichématig. Bart Van LooIn Mijn Frankrijk. Over Alexander Dumas

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
2 0

Kamer der onschuld

  Kamer der onschuld Augustus ’26 Na de onschuldige kinderjaren verlieten we de gehuurde pastorijwoning voor ons nieuwe eigen huis. Niet zonder er met spijt een deel van onze ziel achter te laten: stuk gesjotte ballen, geknipte haren, bloed aan de schommel, de zang van de nachtegaal en de ochtendlijke geur van oude rozen. “Zelf gebouwd, met deze verweerde handen,” zei vader fier. Je kwam het huis, ons nieuwe huis, binnen via de hal: een drieletterwoord dat een veel te groot woord was voor een kleine ruimte, met een opvallend matglazen rond raam. Trots was mijn vader op deze ronde vindingrijkheid aan zijn tekentafel als ongediplomeerd architect. In deze entreeruimte, die altijd een spoor van javelgeur had, trof je twee toegang keuzes via twee deuren. Deur één liep naar een tussenruimte. Hier werd gewassen, geschoren en geweckt. Een opslagplaats voor het zevenkoppige gezin. De toegang tot de zomerkleuren en de geurexplosie van het hemelrijk van ingemaakte boontjes, bloedrode tomaten, zoete, al wat overrijpe appels en nog zoetere aardbeienconfituur. Het werk van moeders zucht en liefde en vaders vlucht in de tuin. Rondom hingen vaalgele muurasten, een veel te luide kling knalde bij het openen. De weg naar chocolade en koekjes liep over een geluidsbarrière. Het trucje voor hongerige jonge magen was om ze ’s nachts te openen met een handdoek als geluidsdemper, met daarbij het risico op de toorn Gods in de gedaante van moeder. Wegwezen dus. De andere deur, als nep geschilderd duur mahoniehout, liep naar een veel geheimzinniger plaats: een tempel van wijsheid. De ontvangstplek, maar vooral de werkruimte van mijn oudste broer, leraar aan het college in Oostende. Hij bleef lang thuis wonen en laveerde er, als zinzoeker, lokale organisator, sponsor en heimelijke activist, tussen een verborgen en een openbaar leven — niet altijd en toen zeker nog niet met veel woorden. Een ruimte met muren in vale pastelkleuren, reproducties van Venetiaanse kanalen en Van Goghs zonnebloemen aan de wanden. Bemeubeld met gele en grijze, zacht zittende designkuipzetels en een muur vullende boekenkast met niet-schuivende glazen schuifdeuren. Daarin vond de gedrukte wereldwijsheid een gestolde plek. Verder een gigantisch bureau, in de hoek een moderne platenspeler en, als een vloek in de kerk, een oud, door houtworm aangetast boekenkastje met geribbelde groene ruitjes op slot zonder aanwezige sleutel. Een kast op slot verbergt geheimen dacht ik. Het avontuur lonkte hier voor een zestienjarige op verboden terrein. Ik kon in deze kamer mijn plekje veroveren, als slimme leerling en nieuwsgierige puber had ik een voetje voor.  Ik trotseerde de bedwelmende sigarenrook van would-be Havanna’s en kleine, naar honing ruikende Hofnar-cigarillo’s in ruil voor Bach, stapels voor volwassen voorbehouden lectuur en de vele jaargangen van kunst- en politieke tijdschriften.  Meer dan trotseren: de walmen van sigaren, vermengd met cederhout, uit deze fumoir werden in mijn herinnering gegrift, onuitwisbaar. Alleen als grote broer er ook was, mocht ik binnen om er stil te lezen, raad te vragen en mee te luisteren naar het diep aanstrijken van sonore snaren door Pieter Wispelwey, de opzwepende klanksymfonie van Tubular Bells en zeker het dreigende onweer uit Nacht en ontij, waarbij alle duivels en heksen door de kamer tolden.   Nooit alleen binnengaan was de boodschap. Het werd een rekbaar begrip. Ik vond er al snel ook zo de weg, niet altijd uit eigen beweging. Kwam de pastoor jaarlijks op huisbezoek, dan werd hij ontvangen in deze kamer. Kwamen de kinderen vriendelijk goedendagzeggen. De pastoor zijn zurige ademtocht van ongepoetste tanden, zoete muskaatwijn en goedkope sigaren plofte in je gezicht. Maar de weg lag open, op zoek naar de sleutel van de in boenwas gezette boekenkast. Door zorgvuldige observatie vooraf was die sleutel makkelijk te vinden: in de onderste schuif, in het oude sigarenkistje. Het slot kraakte. De scharnieren slaakten waarschuwende kreetjes. Maar de kast ging open. De bevrijding lag nabij. “Het rode boekje voor scholieren” nam ik uit de kast in mijn hand. Ik zwaaide ermee, net als de oude Mao, en bladerde snel door naar de pagina’s en de eerste les seksuele opvoeding. Het papier voelde korrelig en droog. De latere liefde was roomzacht en vochtig omhelzend.

Marcel Ravan
0 0

Consolatio

En dan is het tijd om terug te keren naar de basis de écriture automatique  de kleren die je nooit passen omdat je ze niet zelf gekozen hebt uit armoede uit dadenarmoede de achterafjes en jaloers zijn op zij die wel een stijl en persoonlijkheid hebben en ruggengraat zo zie ik mezelf als een soort Talented Mr. Ripley een eeuwige parasiet op de goegemeente onterecht verontwaardigd omdat de nieuwe alliantie 'sine labore nihil' zegt wie heeft mijn H afgepakt dan ikzelf mijn brein dat als een hamster vastzit in een permanente lus rotatie na rotatie geef me dan eindelijk die wondermedicatie elektrocuteer die hersenen om ze de shock te geven die nodig is zal ik dan eindelijk mijn stulpje het uitzicht kunnen geven dat ik zelden voor ogen heb een gefaalde man zijn boos op de kapitalistische maatschappij maar wel weten wie Diogenes is rijkelijk laat komt de juiste diagnose hufter yoga-snuiver desolaat helaas een ruïne aan dromen naar Kaapverdië met H op een zeilschip walvissen zien en zelf walrussen worden en vooral lijf bloed, slijm, vlies, pees zonder ziel puur ontbindende materie fragiel maar tegelijkertijd robuust en angst paniek die je verlamt geen greintje energie of ondernemingszin de wens niet meer af te zien terug levenskwaliteit hebben terug genieten dansen lezen zwemmen lachen levenslust hebben veerkracht  niet hyperbewust niet hypergefocust geobsedeerd compulsief wanhopig vast in die loop en zij ook die geprogrammeerde mallemolen stilzitten op school huiswerk maken constant leerzaam geest zijn geen lichaam van buiten leren taken proefwerken overhoringen rapporten schema's audits diagnoses in plaats van zoals Jan Yoors mee te gaan met de zigeuners naar Spanje gaan en flamenco-gitaar leren golfsurfen in Hossegor Comanche worden peyote gebruiken in plaats van ssri's ayahuasca in plaats van neuroleptica pfft, maar de natuur is ook een beertje met een meterslange lintworm uit zijn aars schimmels en pantoffeldiertjes virussen en bacteriën  de builenpest en braaksel stank en walging en noodweer en wanhoop en eenzaamheid en afzien  creperen, godverdomme, zielskreten en demonische bezetenheid en zenuwen die tilt slaan en leven dat afhankelijk is van jou en het meest pijnlijke is niet meer kunnen zorgen niet meer uit je bed geraken de vechtjas die je nooit geweest ben heeft zijn strijdbaarheid verloren wat rest is slechts willen slapen nooit meer wakker worden geen schoonheid meer kunnen zien omdat die van de ziel is en de ziel bestaat niet enkel het organische vergankelijke rest je en de honger de straat de dakloosheid de schurft de pus de zweren gangreen verongelijktheid vlijt samenzweerderigheid energie losgekoppeld zijn van de bron des levens  nimmer tijdloos steeds dichter bij het ontbinden tegen wil en dank en verder weg van H die hopelijk wel haar roeping vindt en ver weg blijft van Babylon en body dismorphia maar de pulp is overal op het vermaledijde internet immer geroezemoes en lelijkheid waar zijn de engelen de bazuinen de glorie Gods heroin chic de God molecule  de rust de aanvaarding de troost niet la nausée maar ambrozijn en godennectar honing en wijn wierook en mirre en liefde die onvergankelijk is onsterfelijk waar zijn de profeten waar is de hoop die schrijvers sowieso al minder kennen ontsnappen aan de vaart der volkeren gletsjers die niet smelten krioelende rivieren voorspoed weldadigheid een ander soort rijkdom  en vreugdevuren en H die gibbert  die klaterende schaterlach en ik die schrijft en niet zozeer de wereld doorziet  maar worstelt meer moet dat soms niet zijn   Saxon - Ride like the wind  

Kameraad 60
2 0

De papieren man

Ik moest nog snel wat schoolmateriaal gaan kopen, zodat mijn zoon na de les Plastische Opvoeding met een tekening kon thuiskomen in plaats van een aantekening. Het ging om tekenpapier en een kaft. Mijn vrouw had me de details doorgestuurd in een berichtje en ook waar ik deze spullen zou vinden: in de Schleiper, een winkel in de Joodse wijk. Ik was nog nooit in deze winkel geweest, maar toen ik zag waar de gps me liet stoppen, besefte ik dat ik er natuurlijk al talloze keren voorbij was gereden. Ik zette mijn fiets tegen de gevel en maakte hem met een dik slot vast aan de tralie van een kelderraam, dat op een kier stond. Even bleef ik staan. Er steeg een rotte lucht op, oud stof en zure melk. De wind speelde met de vuilwitte resten van wat ooit gordijnen waren. Ik keek nieuwsgierig en met weerzin naar binnen, maar ik kon in de duisternis daarbinnen niets herkennen waar mijn reeds op hol geslagen fantasie een kluif aan had. De ingang was aan de achterkant. Met mijn telefoon in de hand wilde ik iemand aanspreken zodat ik snel kon vinden wat ik zocht: een blok tekenpapier van het merk Steinbach, 270 x 360 mm, gewicht: 250 gram, en een tekenkaft van 28 x 38 cm. Er stond een oude dame aan de kassa die kennelijk hardhorig was en vermoedelijk om die reden haar vriendin had meegenomen. De jongeman achter de kassa stelde een vraag over hun aankoop, maar beide dames reageerden niet. Hij herhaalde wat hij zei, luider, waarop de vriendin nu wel iets had opgepikt, maar opnieuw vroeg wat hij had gezegd. ‘WILT U EEN TASJE MISSCHIEN?’ riep de jongen uit volle borst, toch nog zijn gezicht in de plooi houdend om beleefd te blijven. Daarna herhaalde het tafereel zich tussen de hardhorige dame en haar nog harderhorige vriendin. Een andere medewerker kwam me verlossen en vroeg wat ze voor me kon betekenen. Ik toonde haar wat ik zocht en ze sprak op omineuze wijze: ‘U zal zich hiervoor naar de kelder moeten begeven’. De kelder? Waar dat vieze gordijntje hing? Ik liep in de richting die ze had aangewezen. ‘U zult op het einde van de gang een trap naar beneden zien, achter de hoek.’ Ik rekende erop binnen tien minuten weer buiten te zijn, maar ik vertraagde onderweg naar de trap mijn pas bij het zien van al dat knutsel- en tekengerief. Links en rechts van mij smeekten kalligrafiepennen, scratch art en Japanse aquarelverf om door mij gekocht te worden. Opeens wilde ik een atelier bezitten en de hele dag schilderen en tekenen. Toen ik eindelijk bij de hoek was, zag ik de trap. Per trede die ik afdaalde, klonken de geluiden van de winkel steeds gedempter en werd de geur van onbeschreven papier steeds sterker. Ik kwam in een grote ruimte die ingedeeld was in verschillende gangen. Ik moest om een of andere reden aan een kleine universiteitsbibliotheek denken. Aan de overkant zat een man, verscholen achter een opvallend laag bureau. Hij boog zich wat voorover om me te kunnen zien, maar werd gehinderd door de kasten tussen ons in. Toen ik naderbij kwam, keek hij me aan. Eindelijk is er iemand, moet hij gedacht hebben. ‘Het is hier wel heel rustig hé’, sprak ik onbevangen, tezelfdertijd bedenkend dat ik in zijn situatie altijd muziek zou opzetten. ‘Ja, meestal is het hier wel kalmer dan boven‘. Hij sprak dat laatste woord uit alsof er twee dimensies bestonden. Hij vroeg wat ik nodig had en ik toonde hem mijn screenshot. Hij wreef verlekkerd in zijn handen: hij wist waar alles stond. Ondertussen zocht ik naar dat griezelige raampje maar kon het niet vinden. Toen hij me heel gezwind de kaft en het papier had overhandigd, bedankte ik hem en vond het een beetje sneu dat ik hem nu niets meer kon vragen. Het gebrek aan een radio maakte de stilte tussen ons niet draaglijker. ‘Soms is het hier heel druk hoor!’ zei hij. Ik knikte gretig en maakte aanstalten om te vertrekken. Hij zei: ‘Misschien tot nog eens hé’. Ik wist niet goed of ik hem een hand moest geven.

Lennart Vanstaen
0 0

Serendipiteit in de kelder

Ik heb het altijd al gehad: wanneer er gewerkt wordt in mijn directe omgeving, word ook ik door die werkmicrobe gebeten. Daarom schrijf ik graag in volle cafés en koffiebars, waar mensen aan hun laptop zitten of een interessante conversatie hebben over wilde plannen. Toen ik gisteren dus met volle overgave en zonder pauze de kelder was aan het opruimen, had ik dat voornamelijk te danken aan het feit dat heden mijn dak wordt gerenoveerd. En ook wel een beetje omdat de kinderen naar Disneyland zijn met de grootouders. Ik wilde net schrijven 'Ken je dat? Je had tien jaar geleden een plan met een kamer en een hoop spullen maar er is nog steeds niets aan veranderd', maar ik dacht, wat als mijn lezers dat niet kennen? Dan ontmasker ik mezelf als schaamteloze huiseigenaar die al tien jaar niets aan zijn kelder heeft gedaan. En dat zou ook niet waar zijn. Het punt is dat ik al snel merkte dat ik rommel van de ene plek naar de andere bracht. Dat is niet opruimen, dat is rommel verplaatsen. Wanneer ik verzamelingen oude rugzakken, reisspullen, tekeningen, cd’s en hopen schoolmateriaal van de slaapkamers in de bureau had gezet, gaf me dat een euforisch gevoel. Eindelijk! Een jaar later zag ik de staat van de bureau en werd er depressief van. Dus maakte ik de omgekeerde beweging. Zo verplaatsen spullen zich telkens. Van slaapkamers naar bureau, van woonkamer naar keuken of berging en weer terug. Een verdieping lager gebeurt hetzelfde: van het keldergedeelte naar de garage, of van de garage naar het tuinkot en dan een tijd later weer naar de kelder. En het was daar dat ik gisteren was aan het zweten. Goedgeluimd en gesteund door de opzwepende ritmes van Halcyon Digest van Deerhunter, had ik al behoorlijk wat werk verzet. Bouwafval zoals stenen en halve buizen had ik vooraan gezet om de volgende dag naar het containerpark te brengen. Voor tuinmateriaal zoals tuingaas, allerlei plantenpotjes en spades voorzag ik een aparte plek. Maar het leukste aan opruimen, zeker na een lange tijd, is dat je dingen terugvindt. Zo vond ik naast tientallen spinnen ook een plat bordeaux schaaltje dat uitstekend kon dienen als asbak voor mijn rokende vrienden die ik vaak een geïmproviseerd exemplaar moet geven. Ik vond ook enkele cd’s van een handboek Nederlands voor anderstaligen uit 2019 en honderden geplastificeerde didactische kaarten met overdreven emoties (bang, moe, triest), de delen van een Vlaamse woning met verdacht veel kamers (de berging, het balkon, de tuin, de garage, het terras, de kelder, de zolder, de woonkamer, de eetkamer…) en de ongelooflijke variëteit aan activiteiten van de Belg (opa leest een krant, moeder strijkt de was, Jan speelt voetbal). Toen ik de barbecue aan het afstoffen was – ik was ook helemaal vergeten dat ik er een had want we barbecueën nooit – vond ik een verkleurd papier onder het deksel. ‘Bedankt voor je bestelling, Gilbert Vanstaen, we gaan meteen voor jou aan de slag!’ Is het toeval dat ik dit vond net na wat ik enkele dagen geleden heb geschreven? Volgende week doen we barbecue.

Lennart Vanstaen
1 0

Mr. Bean en ik

Plots verscheen Mr. Bean op de Deense hotel-tv. In koor riepen mijn kinderen enthousiast zijn naam. Alsof je in een ver, vreemd land opeens een stuk Belgische chocolade ziet liggen in de rekken van een lokale krantenboer. Wanneer de aflevering uit was, klonk de droevige eindgeneriek. Dat pakt me altijd. Dan word ik meteen naar mijn jeugd gekatapulteerd, op de bruinleren divan van mijn grootvaders villa in ’s-Gravenwezel. Mijn grootvader was een man van vele talenten. Hij had lang voor ESSO gewerkt en voer als kapitein zijn hele leven naar Afrika op grote schepen. In zijn typische jaren ‘70 villa hingen dan ook allerlei maritieme parafernalia, zoals zonnewijzers, scheepsknopen, kompassen en uiteraard foto’s van zijn schip, De Mercator. Hij mocht daar gretig over vertellen, maar deed ook uit de doeken hoe kwik in een thermometer werkte of hoe je eigenhandig een binnenzwembad graaft. Het maakte niet uit wat het was, ik wilde graag alles begrijpen. We gingen niet vaak op bezoek, een aantal keer per jaar. Ik herinner me vrijwel nooit slecht weer, dus ik vermoed dat we vaker in de lente of zomer gingen. Wat ik als kind leuk vond, was dat onze bezoekjes in ’s-Gravenwezel altijd op dezelfde manier verliepen. Wanneer we arriveerden, stonden dezelfde hapjes klaar: kaasblokjes met mosterd, mini-uitjes en augurkjes, kerstomaatjes, schijfjes chorizo, druppelpaprika en natuurlijk kaviaar. Eerst dronk ik cola of ice-tea, later champagne. Na deze amuse-bouche stak hij plichtsbewust de barbecue aan, waarnaar veel aandacht uitging. Wat valt er nu telkens weer te zeggen over hete kolen, dacht ik. Later vermoedde ik dat het een ijsbreker vormde tussen hem en zijn zoon. Als de barbecue eenmaal op gang was, en wij waren uitgevoetbald, stonden we al als katten aan de glazen deur van het zwembadhuis te krabben, dat achteraan in de tuin stond. Daarbij moest en zou mijn grootvader ons eerst informeren over de water- en omgevingstemperatuur, die hij in het woonhuis kon aflezen. Rond 16u gingen we aan tafel. Ik vond dat vreemd. ‘Opa eet gewoon vroeger, omdat hij vroeger gaat slapen en vroeger opstaat. Veel oudere mensen doen dat zo. Elke ochtend om 6u zwemt hij voor het ontbijt’, zei mijn moeder.   Er volgde steevast ijs met fruit (vanille of mokka) waarna de volwassen mensen nog wat zouden napraten bij de koffie. Soms gingen we weer voetballen, maar vaker vroegen we om tv te kijken. ‘Deze keer moet jij het vragen’. Een van ons drie trok aan het kortste eind. Wie verloor, durfde ook wel eens zeggen: Lennart wil iets vragen, opa.’ Op Ketnet was er op dat uur meestal niets meer te zien dat mijn jongste broer ook leuk vond. Daarom vroegen we om een film. Maar opa had geen tekenfilms, alleen Mr. Bean. ‘Ken je dat niet? Dat is heel grappig.’ Mijn moeder gaf haar goedkeuring. Al snel werd het me duidelijk dat Mr. Bean ook vaak niet leek te begrijpen hoe de zaken in elkaar zaten. Routine en voorspelbaarheid gaven hem houvast. Hij dacht over de dingen na op een andere manier. Hij deed niet zomaar wat iedereen deed. Ik vond dat inspirerend, of hoopgevend. Ook al lachte iedereen hem uit. Over de begin- en eindgeneriek (een soort zoeklicht schijnt vanuit de hemel op een verlaten straat in Londen en een seconde later valt Mr. Bean als een afgedankte alien uit een UFO), had ik toen veel vragen. ‘Mr. Bean is een alien, iemand van een andere planeet’, verklaarde mijn moeder. Iemand van een andere planeet. Dat zeiden mijn ouders ook wel eens tegen mij. Mensen vroegen of ik soms van een andere planeet kwam wanneer ik weer eens iets vreemds deed. Sindsdien heb ik te doen met Mr. Bean. Maar het engelengezang brengt troost. Ook al zingen ze letterlijk: ‘Hier is de man, die een boon is.’

Lennart Vanstaen
0 0

Pompoenmensen

Vandaag wil ik het hebben over de pompoen. Ja, de pompoen. Want een courgette, daar valt weinig over te vertellen. Een courgette kent haar plaats. Mes erop, schijfjes, klaar. Een tomaat geeft zich zelfs iets te gemakkelijk. Een champignon kunt ge met één hand klein krijgen. Maar een pompoen? Een pompoen is een middeleeuws fort. Ge snijdt hem niet. Ge neemt hem in. Hij ligt op uw aanrecht, rond en ongenaakbaar, met denkbeeldige kantelen en een slotgracht errond. Ge haalt uw grootste mes boven. Dat mes waarvan ge bij het uitpakken dacht: waarvoor heeft een normaal mens dit nodig? Hiervoor dus. Ge zet de punt erin. Duwt. Wringt. Vloekt. Op den duur hangt ge met uw volledige lichaamsgewicht boven het aanrecht, in een houding waarvan uw kinesist later zal zeggen dat het zo niet bedoeld is. De pompoen geeft geen krimp. Ik vermoed zelfs dat hij ervan geniet. En dan heeft hij ook nog een imagoprobleem. Vanaf oktober wordt de pompoen collectief veroordeeld tot twee carrières: soep of Halloween. Ofwel koken we hem plat, zetten er de staafmixer in en gieten er room bij. Ofwel hollen we hem uit, geven hem drie driehoeken en een slecht gebit en zetten hem aan de voordeur. Wat een vernedering. Heel uw zomer hebt ge op een veld liggen rijpen. Zon gepakt. Regen doorstaan. Met uw gat in de aarde gelegen. Vol smaak en grootse plannen. Komt er iemand met een Action-mesje ogen in u snijden. Terwijl er zoveel meer in zit. Ge moet er alleen door geraken. Want de pompoen heeft iets van een grumpy old man. Zo eentje die de wereld met enig wantrouwen bekijkt en niet van plan is daar voor uw plezier verandering in te brengen. Een mening heeft hij altijd klaar. Liefst kort, krachtig en zonder overbodige verpakking. Nuance wordt beschouwd als tijdverlies, diplomatie als een overbodige luxe. Ge kunt daartegen argumenteren, maar ge kunt evengoed tegen een pompoen beginnen praten. Die luistert ongeveer even aandachtig. En op zo'n moment denkt ge: waarom heb ik in godsnaam niet gewoon een courgette gekocht? Toch zit er iets fascinerends in dat stugge karakter. Niet alles moet onmiddellijk toegankelijk zijn. Sommige dingen hebben nu eenmaal een dikke schil, een eigen gebruiksaanwijzing en weinig belangstelling voor uw goede bedoelingen. Ge kunt blijven duwen, trekken en peuteren, maar daar wordt niemand zachter van. Integendeel. Voor ge het weet gaat de ophaalbrug omhoog en staat er boven op de kantelen kokende olie klaar. Ge moet weten waar de kleine poortjes zitten. Een pompoen moet ge roosteren. Olijfolie. Peper. Zout. Tijm. Rozemarijn. Een beetje masseren. Niet te bruusk. De oven in. En wachten. De randen worden donker en kleverig. De suikers karamelliseren. Het vruchtvlees wordt zacht en zoet. Aards. Nootachtig. Warm. Pompoen smaakt naar grond waar de zon nog in zit. De laatste jaren ben ik van die aardse smaken gaan houden. Paddenstoelen. Knolselder. Boter die bruin mag worden. Pompoen met zwarte randjes. Smaken die niet meteen hun beste beentje voorzetten, maar langzaam binnenkomen en blijven hangen. En ik hou ook van mensen die zich niet zomaar laten kruiden. Die niet bij de eerste kennismaking hun volledige binnenkant op tafel gooien. Geen grote verklaringen, geen emotionele ontboezemingen en al zeker geen demonstraties van kwetsbaarheid op een bergtop in een linnen broek. God verhoede. Soms zit de zachtheid in iets kleins. Een onverwachte grap. Een ogenblik van aandacht. Een gebaar dat nergens om vraagt. Een beetje warmte die er plots blijkt te zijn en even snel weer verdwijnt, alsof iemand vergeten was de ophaalbrug op te halen. En dan denkt ge dat ge binnen zijt. Dat ge de slotgracht overgestoken hebt en eindelijk aan de andere kant van die vervloekte muur geraakt zijt. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Want soms staat ge daar met al uw goede bedoelingen, uw geduld, uw olijfolie en uw grootste mes en geraakt ge nog altijd geen centimeter verder. Ge kunt masseren tot uw armen eraf vallen, kruiden tot ge naar een Provençaalse markt ruikt en wachten tot de oven het begeeft. Maar een pompoen die niet wil, die wil niet. En op den duur moet ge u toch eens afvragen of al dat gewrik nog wel de moeite loont. Of ge niet meer energie in dat oranje kreng steekt dan ge er ooit aan smaak zult uithalen. Want niet achter iedere dikke schil zit goudgeel vruchtvlees. Soms zit er gewoon een heleboel niks achter. Of iets wat zo bitter is dat zelfs een halve kilo boter er geen redden meer aan heeft. En misschien is dat ook iets wat ge moet leren. Dat ge niet alles moet openbreken. Niet iedere ophaalbrug moet neerlaten. Niet iedere grumpy old man moet ontdooien. Sommige smaken hebben tijd nodig, maar tijd alleen maakt iets nog niet lekker. Sommige pompoenen moet ge gewoon pompoen laten. Die vragen erom tot een smakeloze soep gemixt te worden. Of uitgehold, met drie driehoeken en een mottig gebit aan de voordeur gezet te worden. Een beetje assorti met plastieken doodskoppen en chemische spinnenwebben. Ge houdt die echt letterlijk beter buiten.

Katrien Daniels
58 3

Ik hang

Wat als je blijft hangen, ergens tussenin? Wat als je struikelt over de drempel van de deur waar je door wil. Wat als je je droom voor je ziet vliegen en je kan er net niet bij?   Op dat moment, zie je net iets meer, net iets meer dan de rest. Je kan terugkeren en erover vertellen in het verleden, of de ervaring meenemen en er nieuwe paden mee leggen. Paden die steviger, mooier en dragend zijn. Soms stappen er mensen met je mee. Mensen die bruggen helpen bouwen, zelfs helpen rouwen en je naar boven hijsen met touwen. En dan is er dankbaarheid, die dankbaarheid brengt licht op je pad.   Wat als je ziet, dat mensen blijven hangen, ergens tussenin? Dan kan je ze lezen, tussen de lijnen. Kan je ze voelen, tussen stilte en spraak. Dan kan je ze laten zien, wat er nog bestaat.   “Wat is er?”   Een niet- afgelijnde vraag. Want er is iets, tussen goed en kwaad, tussen zwart en wit, tussen liefde en haat, …   Als je ooit bent blijven hangen, tussen leven en dood, dan wordt tijd relatief. Negativiteit een dief. Want, wat is het mooi, als je niet meer moest blijven hangen. Als je terug mocht verlangen.   Wat is het mooi om zonnestralen in regendruppels te zien schijnen, om mist te zien verdwijnen, om vogels te zien landen, ouderen elkaar te zien dragen op handen. Om naar luchtschilderijen te staren en Kunst te mogen ervaren.   Een kunstenaar bouwt aan paden, voor zichzelf maar ook voor de ander. De kunstenaar voelt, verft, tekent, behandelt, boetseert, schuurt, … de werken. Werken die jou kunnen meetrekken in een diepere dimensie. Waar je verhalen in voelt. Soms is het mogelijk om de werken te horen, te ruiken, en niet gewoon te bekijken maar te zien.   Ikzelf schrijf graag bij Kunst, want zoals bij velen, maakt het veel los.   Kunst lijkt de donkere lagen weg te schuren, zodat het licht er terug op kan vallen. Zo raakt het ook onze ziel.   Je zou het kunnen zien als het neerslaan van muurtjes die die oppervlakkigheid beschermen en dan precies weten waar je je vinger op moet leggen. Het doorzien van pijnpunten en erop duwen tot het licht erdoor komt. Tot je eruit leert en een prachtig pad bouwt. Tot je ook je droom najaagt, ongeacht de rugzak die je draagt.         In 2018 begon ik aan de opleiding fotografie en koppelde poëzie aan mijn beelden bij een eindwerk. Vanaf 2024 kreeg dit concept een diepere dynamiek door poëzie aan andermans Kunst/beelden te koppelen. ©Griet Decabooter (mei 2026/revised okt.'26)

Troja!
7 1

Scheur de speldenprik open en voel doorheen de sluier

Als ik denk aan mijn spirituele capaciteiten als oneindig lichtwezen en die vergelijk met mijn gewaarwordingen als vergankelijk mens, dan lijk ik zo goed als blind, doof en gevoelloos door het leven te gaan. En dat voor een hooggevoelig mens! Oké, ik overdrijf, ik zie, hoor en voel wel wat, maar er zit ook wat tussen. Een laag die tegenwerkt en afleidt. Iets dat mij de focus en helderheid ontneemt. Ik gluur en tast dan doorheen een dikke sluier en tracht in te schatten waar ik mee te maken heb. Ik herinner me dat de sluier tijdens mijn kindertijd dun en soepel was. Het was vanzelfsprekend dat ik erdoorheen kon zien, ermee kon spelen en dansen. Maar synchroon met het volwassen worden werd die grens naar andere dimensies steeds stugger en dikker. Het was alsof de materiële wereld als een verstikkende modder door mijn personage geabsorbeerd werd, met een alarm slaand spijsverteringsstelsel als gevolg. Ik kon en wou die zwaarte niet verteren. De wijsheid van mijn lichaam stuurde me telkens weer op pad. Weer scherper voelen en zien doorheen de sluier der vergetelheid, gecombineerd met onvoorwaardelijke eigenliefde: dat bleek mijn formule te zijn om gezond te kunnen functioneren in deze realiteit. Het antwoord vinden was gemakkelijker dan de uitvoering ervan. Dat werd een proces van zoeken, vinden, twijfelen, loslaten, vergeten, opnieuw zoeken, hervinden en zo nog even voort. De functie van de sluier is om (gedeeltelijk) te vergeten. Maar daar bovenop is er nog een onnatuurlijk mechanisme van afleiding werkzaam. Hard werken en geld tellen om te overleven, dat is bijvoorbeeld afleiding. Materiële overvloed en een oneindige stroom aan vermakelijke prikkels ook. Het comfort dat we ervaren, gespeld tussen handhaving en dreigementen van verlies, wil ons doen vergeten dat er überhaupt een sluier is. Gehechtheid aan materie reduceert lichtwezens tot slaven die energie, tijd en aandacht inleveren. Het pretendeert dat de fysieke praktische realiteit alles is wat we hebben en dat al het onzichtbare en mysterieuze wetenschappelijk en rationeel te verklaren is. Er heerst een soort van arrogante hoogmoed die woorden als ‘mysterie’ en ‘magie’ weglacht, om elke deur naar een spirituele ervaring (of herinnering) gesloten te houden. Deze fysieke realiteit is nochtans nog minder dan een speldenprik groot ten opzichte van de oneindige veelzijdigheid van andere ervaringsvormen, werelden en dimensies. Een speldenprik die we ten volle uitvergroot ervaren, alsof er inderdaad niets anders is. De sluier gaat in essentie over ‘doen alsof’. Een deel wordt afgedekt, zodat de levenservaring scherper en intenser naar voren komt. Als bij een theaterstuk waarin we mens-zijn spelen. De hele ervaring van het hebben van een lichaam en vanuit dat perspectief andere zielen en hun lichaam te ontmoeten, is op zich iets wonderlijks. Iets waarvan ik me wel kan voorstellen dat ik er vrijwillig voor zou kiezen. Daarom voelt deze bestaansvorm ook niet helemaal als onnatuurlijk. Het is de programmering die overheen dat bestaan wordt gelegd, wat ik de matrix noem, die onnatuurlijk en verstorend werkt. Die programmering maakt de sluier zodanig hard en ondoordringbaar dat ze een kasteelmuur lijkt geworden. Of de wand van een grot, om nog eens aan Plato’s allegorie te refereren. Je kan naar de wand zitten staren, niet zien, horen of voelen wat er zich daarbuiten bevindt, maar daarbij wel het vermoeden of een intuïtief gevoel hebben dat er meer is dan wat zich binnen de grenzen van de grot bevindt. Er zijn ook velen die de grot volledig ontkennen en de beperkte illusie als absoluut waar beschouwen. Hun bewustzijn beweegt dan enkel binnen de reikwijdte van de speldenprik. Ik werd steeds zieker naarmate mijn perceptie doorheen de sluier troebeler werd. Helder kunnen waarnemen en voelen wat er achter de verschijningsvormen beweegt, bleek een noodzaak. Een breder bewustzijn bracht mij een betere gezondheid, en omgekeerd, dat is hoe de dingen voor mij werken. Het verbaasde me dan ook om zoveel mensen onbewust en blind, maar in een schijnbaar blakende gezondheid, door het leven te zien razen. Hoe deden zij dat dan? Waarom kregen zij geen auto-immuunziekte? Hoe verschilde hun innerlijke wereld van de mijne? Die auto-immuunziekte leek op maat gemaakt voor mij; het schudde me telkens weer hardhandig wakker als ik vergat te voelen in die diepere lagen. Daarmee werd het ook meer dan duidelijk dat een oppervlakkig leven in de grot geen optie was voor mij, toch niet als ik gezond wilde zijn. Mijn lichaam liet geen speling om af te dwalen of spiritueel in te dommelen. Het motiveerde me om mijn bewustzijn te blijven verruimen. De moeilijkheid is dat het sociale systeem waarin een kind hier opgroeit ontworpen lijkt om de sluier alleen maar te verharden. Omgaan met de weelderige gevoelswereld en de connectie met onzichtbare sferen komen meestal niet aan bod in de opvoeding van vandaag. Integendeel, alles leidt af in de richting van de speldenprik. We leren ons blindstaren op illusies. Wie zichzelf wil uitzuiveren van alle aangeleerde beperkende patronen en de sluier weer transparanter wil maken, dient zichzelf te ontkoppelen van die illusies. Spiritualiteit wordt tegenwoordig niet alleen onderdrukt, maar ook geconsumeerd en opgeslokt door een commerciële mindset. Wat volgens mij ook een strategie is om de geloofwaardigheid en natuurlijke kracht van spirituele gewaarwordingen doorheen de sluier te verstoren. De drempel werd zogezegd verlaagd, nu iedereen zich in de naam van eigenliefde een btw-nummer kan aanvragen en zich vervolgens sjamaan of healer kan noemen. Het gaat hier echter over het vervangen van de ene illusie door een andere. Omringd door de geur van gebrande salie, met pluimen in het haar en kristallen rond de nek, ontwaakt er niets anders dan een ego in een nieuw jasje. Dit is als het decoreren van de grot. Objecten, rituelen en woorden zijn hol zolang er geen transcendentaal gevoel in zit. Het echte werk zit in het verruimen van de gevoelswereld. En in het dragen van epistemologische verantwoordelijkheid; een levenswerk waarbij je onderzoekt wat waarheid inhoudt. Ik hoor geregeld mensen in al hun kwetsbare eerlijkheid en twijfel zeggen dat ze niets voelen. Er wordt hen bijvoorbeeld verteld dat er iets te voelen valt; een sfeer op een plek of de uitstraling van een object of persoon. Ze ontvangen die informatie dan rationeel, maar weten niet hoe ze kunnen overschakelen naar de andere kant van de medaille, namelijk naar het gevoelsmatige. Ze zijn het verleerd, vergeten en werden ook niet omringd door mensen die hen daarin inspireerden. Maar de wil, of het steeds luider klinkende verlangen van de ziel om zich uit te strekken naar een ruimer bewustzijnsveld, maakt wel dat er stappen van ontwikkeling worden gezet. Op momenten dat de zwaarte van het materieel bestaan als dood gewicht op mijn schouders hangt, vervloek ik die sluier wel eens. Het vraagt dan zoveel moeite, focus en zelfvertrouwen om een glimp van het spirituele bestaan achter de sluier te kunnen opvangen. Ik voel me op die momenten zo gevangen en beperkt in de materie. Elke dag voel ik de zwaarte trekken, en elke dag vergt het een zekere discipline en doorzettingsvermogen om daar bovenuit te stijgen. Om de sluier transparant te houden. Om helder te blijven zien, horen en voelen. Het is ook een kwestie van keuzes maken: ga ik in op de lokroep van het materiële comfort, of wijk ik af van het voorspelbare geplaveide pad? De speldenprik is een scheur geworden en ik heb begrepen dat de sluier als één geheel met mijn bewustzijn mee beweegt. Ik ben de sluier die mezelf verhult, evenals ik het licht ben dat mijn ware zelf openbaart. Het licht- en schaduwspel dat plaatsvindt tussen beide zijn de bewegingen van mijn leven.www.karoliendeman.com Foto door Lieven Herreman

KarolienDeman
0 0

Nog een pareltje

Ik ben iemand die haar geschreven zinnen meticuleus afweegt in een weegschaaltje dat het evenwicht zoekt tussen rationele aarde en intuïtieve wind. Een deel van de inspiratie komt vanuit mijn aardse ervaring en een ander deel wordt mij, rechtsboven, ingeblazen. Het snijpunt tussen beide tracht ik zo scherp en esthetisch mogelijk vorm te geven. Hier haal ik een gevoel uit dat als een soort van vreugde kan worden omschreven. Of ‘vervulling’ is misschien nog treffender. Het is geen uitgesproken gevoel, maar mocht ik de drang om te schrijven negeren, dan zou er in mij wel iets gaan schreeuwen. De zinnen die het halen, groeien bovenop een kerkhof van gewiste woorden. Ik durf wel eens afdwalen, met als gevolg dat hele blokken tekst worden gesloopt. Zonder mededogen of een gevoel van spijt, snij ik die zijsprongen eraf. ‘To the point blijven, Karolien!’ Maan ik mezelf dan aan, al spreek ik mezelf nooit aan met mijn naam. Net zoals ik mijn lief nooit bij zijn naam noem, want dat zou alleen maar betekenen dat er iets ernstig aan de hand is. Onze namen zijn voor de buitenwereld, voor elkaar zijn we het naamloze alles. Dat was nu een kleine zijsprong die ik eraan laat hangen. Het kan sympathiek zijn als er zijwaartse bewegingen van de maker zichtbaar blijven in het resultaat. Maar ik vind wel dat er een lijn in het algehele resultaat moet zitten. Gestroomlijnde samenhang met een nog zichtbare toets van de hand van de meester. Ik schrijf zoals ik schilder: fotorealistisch zonder de textuur van de penseelstreken te verliezen.   Het lezen van een ‘goede tekst’ is als een zachte vacht waar je met een voldoeninggevend gevoel van begin tot eind overheen streelt. Hij neemt je mee in een bepaalde richting. Het is een belangeloze beweging die je zin na zin afloopt. Het is de vrije wil die zich laat leiden door iets dat herkenbaar voelt, maar dat tegelijk toch vreemd is. En daardoor blijf je doorgaan. Wie ben ik om te bepalen wat een ‘goede tekst’ is, hoor ik mijn innerlijke zelfsloper opperen. We kunnen ignorant gaan lullen dat dit een subjectief waardeoordeel is, maar als we eerlijk en zelfbewust durven zijn, dan is literaire kwaliteit echt wel voelbaar. Zeker nu er een overload aan vluchtig in elkaar geflanste, AI-gegeneerde bagger overheerst, is het een zeldzame verademing om nog eens een authentiek gesculpteerd pareltje te vinden. Iets waar echt tijd voor werd genomen en verankerd zit in een doorleefde kern.   De troebele waters van het internet leveren meer bijvangst dan vette vis. De mening van de menigte is als ruis waarin niets wezenlijks blijft hangen. Nu de toegang tot zelfverheerlijking werd vergroot, iedereen een platform heeft om zich op te etaleren en ook de drempel om een boek uit te brengen werd verlaagd, is er een oververzadiging die mij wel eens demotiveert. Waarom zou ik daar nog iets aan toevoegen? Wat maakt mij anders? Er is ook nog de door de veelheid aangetaste focus van de lezer. Teksten langer dan 500 woorden zijn voor de constant geëntertainde massa een te hoge horde. Poëzie vindt men hapklaar het mooist en wordt liefst diagonaal gelezen. Alles scrolt voorbij op een oneindige loopband van korte impulsen, als tijdelijkheid die in herhaling valt. Steeds hetzelfde telkens anders gebracht. Het brengt stagnatie zonder werkelijk ergens bij stil te staan. En toch gooi ik mijn parels in een oceaan van zwijnen. Ze verdwijnen tussen de knorrende commotie. Het doet me denken aan ‘guerrilla gardening’, waarbij je bloemenzaad in het rond gooit op kleurloze plekken in de veronderstelling dat er wel enkele zaadjes zullen ontkiemen. In de veelheid aan beton zal er wel ergens een zacht kiertje zijn waarin een zaadje kan nestelen. Leuk als dat zo zou zijn, maar ook geen must. Want al deze woorden hebben hun plaatsje gevonden, deze tekst is geschreven. En dat is waar het om ging. Al wat er eventueel uit volgt zijn extraatjes, maar geen noodzaak. De noodzaak werd bij deze vervuld.www.karoliendeman.comFoto door Lieven Herreman

KarolienDeman
3 1

Lieve "N"

Ik wil geen beuzak zijn, maar soms lijk je op die ene +1 die meekomt naar een feestje waar niemand op jou zit te wachten. Die persoon die niet beseft dat het de anderen niet meer interesseert wat je te vertellen hebt, en onverstoorbaar door blijft leuteren. Waarom wring je je er soms zo tussen en ben je er anders niet? Het is de onvoorspelbaarheid die me zo onrustig stemt.   De zon en de bloemen mogen elkaar beroeren zonder jouw regels, maar de pad en de stoel lijken jou nodig te hebben. Ben je een verbinder of een stoorzender? Ik weet het soms ook niet. Kan de pan de koek niet bakken zonder jouw hulp, (en waarom vroeger dan wel?) alsof je een blokje vetstof bent. Heb je iets gedaan om hen afhankelijk van jou te maken of ben je hen in de weg gaan staan?   Pas op, ik wil je heus niet kwetsen. Soms heb je de kracht met zo weinig verandering een heel concept op zijn kop te zetten en blijft er ineens niemand meer over of is er plots niets meer aan de hand. En ik besef ook dat we je soms wat stiefmoederlijk behandelen wanneer we je aan het einde van een gewoon gewoon plots late(n) valle(n), kan je me vertellen waar je dan naartoe gaat?  Nergens.   Is dat waarom je soms in paren reist? Waarom jullie met z’n tweetjes in mijn naam huizen en andere klanken daarmee een kopje kleiner maken? Het is geen oordeel, gewoon een vraag. Ik probeer je te begrijpen zodat ik de fout niet meer maak. Je voor lief te nemen, in een hoekje gesmeten.   Als er één iets is dat je niet mag vergeten... Je hebt een gave, een talent waarin niemand je kan evenaren: die om woorden, zinnen en zinsdelen aan elkaar te rijgen.  Want alleen jij bent al genoeg  om werelden aan elkaar te hangen N [en] dat is een kracht als geen ander.

annakdotes
6 0