Lezen

hoarding disorder in fieri

in de reeks bijzondere verzamelingen vertelt raymond (90) in de krant over de 173 egeltjes in zijn twee vitrinekastjes én over dat ene egeltje in de tuin. zelf heb ik mijn verzameling speelkaarten, een slordige 150 boeken, onlangs verkocht aan een zestiger die vooral interesse in de jokers had, liefst van wat later carta mundi zou worden, dus vóór 1970. hij gaf me 40 euro en ik was ze kwijt. het kaderde allemaal in een grote opruimactie. er verdween vanalles uit huis met de bedoeling om ons bestaan 'lichter' te maken.  gisterenavond huilde de oudste omdat hij zijn aapje oe-oe miste, en zijn familie pieter konijn (zeven identitieke knuffeltjes uit zijn babytijd); hij was bang dat hij zijn andere knuffels op een keer ook zou moeten wegdoen. papa zorgt ervoor dat dat niet hoeft, troostte ik hem, maar ik dacht aan hoe hij over een jaar of vijf zes allicht zelf zijn pluchen verzameling zou wegdoen, misschien een paar houden omdat nostalgie nu eenmaal altijd om de hoek loert. dat kon hij zich nu niet voorstellen, maar dat had het leven voor hem nog in petto. hoe had ik ooit kunnen bevroeden dat ik tien grote bananendozen vol naar 'snuffel - antiquariaat en tweedehandsboeken' zou dragen. waarom moest het voor hem zo moeilijk zijn, vroeg mijn zoon, om dingen weg te doen. snoeppapiertjes dat ging nog, vervolgde hij, maar al de rest kon hij toch gerust bijhouden, dat moest toch niet weg. zijn moeder vloekte telkens als er in zijn broekzakken iets was achtergebleven, schroefjes, kastanjes, gras, stenen... dat de wasmachine terroriseerde. elke dag passeer ik langs de luikersteenweg een wit huis waar de spullen buiten gestapeld staan: fietsen, auto's, partijen dakpannen en bakstenen...  door de ramen zie ik hoe alles tot aan het plafond volgestouwd is; rechts onderaan het linkerraam een grote blauwe teddybeer. 

Hans Van Ham
4 0

Eikesvandekiekskes

Ik had ze genoemd naar de vriendinnen van mijn moeder. Lucy. Rita. Monique. Goede Lieve. Vier olijke dames in mijn tuin. Altijd druk. Altijd commentaar. Altijd honger. Ik vond dat geestig. Een klein eerbetoon. Tot die vier echte dames eens langskwamen. Koffie. Cake. Ge kent dat. Zo’n namiddag waarop de tijd een beetje stilvalt en iedereen tegelijk praat en toch hetzelfde verhaal vertelt. En ik — fier, onnozel — zeg: “Ja, en mijn kippen heten dus ook Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve.” Stilte. Lucy — de échte — kijkt mij aan. “Dat vind ik eigenlijk niet zo plezant,” zegt ze. Ik lach nog wat. Probeer te redden wat er te redden valt. “Maar allé Lucy, kippen zijn toch schoon beesten. Die geven terug. Dat is eigenlijk een compliment…” Maar ge voelt dat ge aan het zakken zijt. Sommige metaforen moet ge gewoon binnenhouden. Enfin. Ze liepen daar dus. Mijn vier. En ik had een systeem. Een geniaal systeem, vond ik zelf. Afvalverwerking èn eten. Ideaal! Maar kippen denken niet na over vraag en aanbod. Die hebben geen Excel. Geen grafiek. Geen besef van consumptie. Vier kippen is vier eieren per dag. Dat is achtentwintig per week. Dat is honderd twaalf per maand. Dat is… te veel ei voor een mens. Ge kunt uw best doen. Echt waar. Maar er zijn grenzen aan wat een lichaam aankan. Zelfs met pannenkoeken, cake en quarte quarts inbegrepen. En daar begint het. Daar is ze... De vraag: “Kundegij iets doen met eikes?” Want eieren blijven nooit liggen. Die moeten bewegen. Van mens naar mens. Van keuken naar keuken. Eieren. Dat is een project. En mijn ecologisch project draaide. Tot er op een dag… bezoek kwam. Laat ons zeggen dat de natuur ook haar eigen economie heeft. Zeven jaar later kan ik zeggen: de vriendinnen van mijn moeder zijn er nog altijd. Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve. Ze drinken nog koffie. Ze eten nog cake. Ze kijken nog altijd een beetje streng als ge iets zegt dat ge beter niet zegt. Mijn kippenvriendinnen zijn er niet meer. Maar de eieren wel. Ze komen nu van iemand anders. Iemand met hetzelfde probleem. Te veel kip. Te veel ei. En de vraag : “Zeg, kundegij iets doen met eikes?” En voor ge het weet zit ge daar terug. Aan tafel. Koffie. Cake. Dezelfde stemmen, dezelfde verhalen die al duizend keer verteld zijn en toch blijven plakken. En ergens in die cake — zacht, boterig, een beetje te veel van alles — zit een ei. Want eikes zijn meer dan ne merci uit de poep van een kip. Het is een beweging. Van mens naar mens. Van cake naar cake. Van moment naar moment. En misschien is dat het wel. Dat die kleine, banale eikesvandekiekskes er telkens opnieuw voor zorgen dat we blijven zitten. Nog een tas koffie. Nog een verhaal dat we eigenlijk al kennen maar toch nog eens willen horen.

Katrien Daniels
33 1

Bedorven

Vanwege mijn aangeboren onhandigheid doe ik het niet zo graag, een kar kopen. Je weet wel, aan de ingang van de supermarkt staan wriemelen met een muntstuk, het in zo'n rondje passen, dat metalen dingetje dichtschuiven en daarna een winkelwagentje losrukken uit het winkelwagentjestreintje. Altijd loopt er bij mij wel iets fout, of toch bijna. Deze keer dacht ik geen kleingeld bij te hebben. Gelukkig vond ik in een bijna vergeten uithoekje van mijn portefeuille nog een muntstuk van twee euro.  Twee euro is best veel, dacht ik bij mezelf. Het zou de eerste keer niet zijn dat ik bij het terugbrengen van zo'n boodschappenvoertuig problemen heb om het muntje er weer uit te krijgen, of het ding gewoon terug in het treintje schuif en het geleende bedrag vergeet te recupereren. Wie zonder verstrooidheid is, werpe de eerste steen. Of keitje. Of korreltje zout. Gezouten chips, niet vergeten straks. Gaat ook niet gebeuren. Ik ben een kei in winkelen. Samen met vrouw en oudste dochter ben ik er even tussenuit voor wat funshopping, winkelen terwijl je in principe niets nodig hebt. Dat klinkt misschien heel luxueus en welvarend, maar mijn gezinsleden en ik zijn al snel tevreden. We doen het in de grootste supermarkt in de buurt. Een totaalbeleving, want je vindt er zo ongeveer alles, ook kleding, elektronica, huishoudelijke apparaten, boeken ...  Desalniettemin stappen we een uurtje later buiten met een aantal nietigheden zoals speciale frisdrankjes die je in andere supermarkten nauwelijks kan vinden, een paar flesjes bier die je in principe overal kan krijgen (soms is de lust groter dan het karakter en dan kan je daar maar beter aan toegeven, anders word je sikkeneurig en gefrustreerd), een aantal snacks en chipsvariëteiten, een paar heerlijke kazen, wat druifjes, cocktailsaus en 'verse garnalen', volgens het etiket.  Altijd beter dan bedorven garnalen, grapte ik nog, want een beetje bedorven zijn we zelf al. Ontaard, decadent, slecht, verrot en corrupt in het algemeen Nederlands, maar in dit specifieke geval is het Nederlands een beetje te gemeen. In mijn dialect staat 'bedorven' voor 'verwend', dat klinkt al heel wat milder. Op de parking worden we aangeklampt door een vrouw van een jaar of dertig. Beetje angstaanjagend, want ze kwam werkelijk uit het niets tevoorschijn. Alsof ze zich vooraf achter een auto had verscholen. Bovendien, en nu stel ik me niet eens kritisch op, zag ze er nogal onverzorgd uit. Armetierig en onderkomen. Misschien hád ze geeneens een onderkomen. Haar lange donkerbruine haren waren volgens mij gewassen met oud frituurvet en haar tanden leken een samenraapsel van bruingele willekeurige stukjes en brokjes die me deden denken aan de onderste overblijfseltjes van een bijna opgevreten puntzak gekaramelliseerde popcorn. Ze rook bijzonder onfris en oogde vrij mollig in haar helrode fleece vest. 'Dag meneer, mag ik iets vragen?' Een mens zou geneigd zijn om nee te zeggen. Een vraag stellen om te vragen of je iets mag vragen ... Doet me denken aan mijn vroegere vriend Kris die op 'n avond in een discotheek plots gretig in de tieten van een meisje kneep en meteen daarna doodserieus vroeg of hij haar borsten eens mocht aanraken. Het leverde hem een paar flinke muilperen op. Van het meisje zelf én van haar vriend. Of hoe plots meteen plotsklaps werd. 'Ja,' zei ik kalm. Ze zit aan de drugs, dacht ik bij mezelf. Of aan de drank. Of allebei. Alhoewel, meestal zijn dat soort types nogal mager, op het uitgemergelde af. Eigenlijk vond ik het vreselijk dat ik zo dacht, maar ik dacht het wel zo, eerlijk waar. 'Heeft u misschien een klein centje voor mij, zodat ik straks misschien naar de winkel kan gaan om iets te kopen voor mijn twee kinderen?' 'Goh,' won ik tijd, nadenkend en smoesverzinnend tegen honderd per uur, 'ik betaal tegenwoordig altijd met de kaart. Cash geld heb ik niet op zak.' Schaam je, Danny, schaam je diep. Volgens mij zag ik zwart.  Ze keek naar mijn vrouw en die herhaalde min of meer wat ik had gelogen. 'Dat snap ik, meneer en mevrouw, maar ik zou al heel blij zijn met het centje dat u daarstraks in uw winkelwagentje hebt gestopt om het te gebruiken.' 'Haha! Dat is waar ook! Er zit nog twee euro in. Die mag je zo hebben.'  Ze bedankte me en trok het winkelwagentje uit mijn handen. Ineens leek ze erg gehaast. We keken haar heel eventjes na terwijl we onze luxeproductjes in de auto legden en net toen ik de koffer dichtklapte, stond ze alweer achter me. 'Nogmaals dank, meneer. Er zouden veel meer mensen moeten zijn zoals u. Dank u wel. U hebt een warm hart.' Ik glimlachte wat ongemakkelijk, knikte en stapte in. Met moeite, want alles wrong. Vooral in m'n hoofd. Hadden we haar niet beter meegenomen naar de winkel, haar eens onbezorgd laten kiezen wat ze nodig had en alles betaald? Mijn warme hart voelde als een ijskoude steen. Hoe ben ik zo geworden? Ligt het aan de wereld of aan mezelf? Mijn bijna kinderlijke naïviteit heeft door de jaren heen plaats gemaakt voor achterdocht en wantrouwen. Is deze vrouw werkelijk een radeloze moeder met twee hongerige kindjes of is ze alleenstaande en loopt ze zo dadelijk vrolijk en verslaafd de winkel binnen voor een bij elkaar gebedelde fles wodka? Ik zal het nooit weten. Twee euro armer, een schuldgevoel rijker. Het ene voel ik al wat meer dan het andere.

Danny Vandenberk
5 1

Zelfontwikkeling als de vruchtbaarste maatschappelijke interventie

Wat is jouw bijdrage aan de ‘maatschappij’? En wat houdt het juist in om een bijdrage te leveren? Ik zou denken dat het gaat over het maken van persoonlijke keuzes die ook een positieve invloed uitoefenen op het collectief. In het huidige mainstream narratief klinkt die bijdrage als een offer: persoonlijke energie en tijd die ten dienste staat van een collectief systeem. Het individu dat iets ‘inlevert’ en ‘opbrengt’; belastingen, diensten en goederen die de economie draaiende houden. Iedereen moet zijn steentje bijdragen. Welk steentje precies, dat moet je voor jezelf uitmaken, zolang je maar iets te dragen hebt. Wie niets bijdraagt profiteert. We hebben tegenwoordig te maken met een ‘solidaire afscheiding’. Juist omdat we het zogezegd voor een ander doen, verliezen we het contact met die ander. Klinkt dat bekend? Iedereen dient een offer te leveren door in zekere mate geoccupeerd te zijn met het bijdragen van zijn of haar steentje. Aan de toename van het fenomeen burn-out te merken, voelt het voor velen niet langer als een steentje, eerder als een blok aan hun been. Wat ooit een samenleving was, is een maatschappij geworden. Zoveel mensen die gebukt gaan onder hun werk- en levensritme en er tegelijk op toezien dat hun ‘maten’ het zeker niet beter hebben. De ‘maat’ in maatschappij verwijst nu naar een maatstaf waarmee het gewicht van jouw bijdrage wordt beoordeeld. De collectieve energie, die onder andere te lezen valt in reacties op sociale media, bevat veel bitterheid en afgunst. Als er bijvoorbeeld iemand aankondigt een camper te hebben gekocht en voortaan off-grid wil leven, dan wordt er spottend gewezen op de regels en verplichtingen die zo’n keuze bemoeilijken. Iemand die stiekem, of zeg maar onbewust, droomt van zo’n vrij leven, maar zichzelf diep heeft ingeprent dat zo’n levensstijl onmogelijk is, zal deze overtuiging ook op anderen projecteren. De beperkingen die mensen zichzelf opleggen, willen ze evenzeer een ander opleggen. Het gaat hier over beperkingen die aangeleerd en ingeprent zijn en dus in essentie niet eigen zijn. Het zijn in feite externe verhalen die zich zodanig prominent opdringen dat we ernaar zijn gaan leven. Ik zie hoe beperkingen die van ‘bovenaf’ komen, gestuurd door autoritaire krachten, eigen gemaakt en verdedigd worden alsof het gaat om een persoonlijke waarheid. Mensen die ontwaken uit deze massahypnose, en dat zijn er steeds meer, voelen hoe onnatuurlijk de druk is die het systeem uitoefent. Mensen blijven soms in een destructieve relatie omdat het alles is dat ze hebben en kennen. Het alternatief is het onzekere onbekende. Liever de voorspelbare ellende, dan een sprong in het ongewisse. De relatie die mensen met het huidige systeem hebben, zal niet zomaar opgegeven worden. Uit angst voor verlies van comfort en zekerheid. De polariteit van vandaag gaat over de kloof tussen mensen die de relatie reeds hebben opgegeven en mensen die ze nog hartstochtelijk verdedigen. Niet authentiek kunnen leven levert frustratie op, en die frustratie zorgt ervoor dat men het anderen ook niet gunt. Men zit geklemd in de klauwen van een systeem dat alles dat natuurlijk is op zijn kop zet, onder het mom van zekerheid en controle. Intuïtief weten en voelen we dat,  ons lichaam bezit die natuurlijke intelligentie waarmee we het onderscheid tussen ‘echt’ en ‘onnatuurlijk’ kunnen maken. Dat verklaart ook de enorme toename aan auto-immuunziekten en andere welvaartsziekten. Onze lichamen schreeuwen dat er iets niet klopt. Maar op rationeel vlak zitten we collectief met diepe indoctrinatie en hypnose. Wat nu als ‘normaal’ wordt geaccepteerd, wordt overeind gehouden met drogredeneringen en angst. Angst voor het mogelijke ongemak van verandering. De sociale zekerheid is al lang niet meer sociaal in een wereld waar mensen elkaar verklikken en benijden. De meerderheid doet exact wat het systeem (of de overheid) verlangt, wat een kernzaak is in het ontwerp van dat systeem. Want de motor of batterij van het systeem bestaat uit de mensen voor wie het ontworpen is. Terwijl er wordt geploeterd in de materie, schuift de energetische kant van de realiteit naar de achtergrond. Menselijke energie is niet enkel te vergelijken met een motor of batterij, maar ook met een antenne. De energie die we uitzenden als we een authentiek vrij leven leiden, heeft een heel andere frequentie dan wanneer we ons beperkt en geforceerd voelen. De vraag naar wat iemand bijdraagt aan het collectieve veld, link ik daarom aan de energie die iemand de ether inzendt en niet aan fysieke prestaties. Iemand die de natuurlijke voeling met zichzelf verliest door hard te werken en in te staan voor anderen, draagt vanuit dat opzicht minder bij aan het collectieve energieveld dan iemand die vanuit zelfzorg en dankbaarheid thuis op de sofa zit. Een zienswijze die op heel wat weerstand kan rekenen! Weerstand die het product is van een prestatiegerichte maatschappij en niet van een gezond functionerende samenleving. Wat mij betreft zijn de handelingen die we uitvoeren ondergeschikt aan de manier waarop ze uitgevoerd worden. In een natuurlijke samenleving primeert de trillingsfrequentie of gemoedstoestand waarin taken worden uitgevoerd en voelt het leveren van een bijdrage niet als een sleur of uitputtingsslag. En omdat we allemaal anders zijn, zou het dan ook meer dan normaal zijn dat er verschillende ritmes naast elkaar bestaan, in plaats van één algemene maatstaf te hanteren. Het collectieve veld is de co-creatie waar we allemaal mee te maken hebben en soms op botsen. Er is momenteel een omwenteling gaande waarbij de vorm van die co-creatie wordt herzien. De moeilijkheid is natuurlijk dat er meerdere krachten aan het werk zijn. En dat veel krachtbronnen zich niet bewust zijn van hun kracht. Ik ben erop uitgekomen dat zelfvertrouwen en eigenliefde de efficiëntste middelen zijn die iemand ter verzachting van de huidige co-creatie kan inzetten. En dat het belangrijk is om goed te onderscheiden welke intentie, en dus energie, elke persoonlijke keuze en handeling drijft. Want het is die energie die je bijdraagt aan het collectieve veld. Ik zou daarom bewuste zelfontwikkeling de vruchtbaarste maatschappelijke interventie noemen. Het is de basis die vereist is om ook in de praktische sociale wereld een positief verschil te kunnen maken. Schaamte, angsten en schuldgevoelens die gepaard gaan met het ‘uitvallen’ door burn-out of ziekte, horen bij een wereld die natuurlijke processen ridiculiseert, ontmoedigt en onderdrukt. Het is een geprogrammeerde respons met een lage trillingsfrequentie die indruist tegen onze ware aard en bovendien heling bemoeilijkt. Wie de wereld wil zuiveren van donkere vlekken, dient zichzelf aan te pakken. Een uitzuivering van de eigen beperkende overtuigingen is het meest waardevolle dat je aan het collectieve veld kunt schenken. Ik wens dat je je dit herinnert op een moment dat jouw kern om een ‘nee’ vraagt terwijl jouw persona zich verplicht voelt om ‘ja’ te zeggen, en omgekeerd.  www.karoliendeman.com    

KarolienDeman
14 2

Een Leven op de verkeerde rails

Soms, wanneer mijn gedachten zich in de schaduw van het bewustzijn verbergen, vraag ik me af of het de trein is die door het landschap schuift, of het landschap dat zich beweegt, geleid door de rails die zich ver onder de huid van de aarde verschuilen. Het is een vraag die zichzelf voortdurend herhaalt, zonder ooit een definitief antwoord te vinden. Het is niet zo dat ik onwetend ben, maar de kennis aan de oppervlakte is zo flinterdun dat ik me afvraag of het werkelijk de moeite waard is om te zoeken naar een antwoord dat er niet toe doet. Schuif ik door het leven? Of schuift het leven door mij? En waarheen schuiven de dingen? Vragen zijn mijn vervoersmiddel. Elke antwoord rijden ze voorbij. Zo ben ik geworden wat ik ben. Een lang verhaal zonder inhoud. Samen te vatten als: “Er was eens, en hij leefde ongelukkig en te lang.” De trein. Mijn eigen metronoom, de regelmaat van een leven dat zich in het ritme van de rails voortzet. Iedere ochtend weer, de vertrouwde rit van woonplaats naar werk, als een onvermijdelijk ritueel. Helaas bevindt deze metronoom zich in een andere dimensie van tijd, één die zich niet strikt aan het uurwerk houdt. Soms kom ik met een beetje geluk op de juiste bestemming aan, maar wanneer precies blijft altijd een verrassing. Gelukkig kruipt de trein altijd over dezelfde sporen, alsof dit de enige zekerheid is. Maar zelfs dat is betrekkelijk. En zo rijdt mijn leven voort. Een afgeleefde flat in Kortrijk. Een frustrerende job in Brussel. Mijn bestaan lijkt wel een… euh… trein. Waarin de bestemming niet altijd duidelijk is, maar de beweging nooit stopt. Hoe ik hier beland ben? Dat is een lang verhaal, en eerlijk gezegd, niet het soort verhaal dat de moeite waard is om te vertellen. De reflecties naar vroeger voelen als kleine wondjes die je vergeten bent, totdat je weer iets aanraakt en de pijn plotseling opkomt, scherp en ongemakkelijk. Het zijn de papiersneetjes van het leven – onmerkbaar, maar hardnekkig. Bespiegelingen vermijd ik. Wat laat een spiegel nu werkelijk zien? Alleen jezelf, en alles wat achter je ligt. Maar wat als je liever vooruit kijkt? Wat als er een spiegel was waarin je alles wat voor je ligt zou kunnen zien? Waar zou je dan staan? Een raam? Mijn ramen zijn stuk voor stuk verduisterd, reflecteren alleen de schemering van een leven dat niet altijd zichtbaar wil zijn. Trots, zelfvertrouwen, perspectief. Ik weet niet precies wat het is, maar het zijn geen vrienden van mij. Het leven leidt mij, en de mensen die zich rondom mij verzamelen – hoe miniem die groep ook is – sturen me verder, vaak tegen mijn wil. Ik volg, denk ik, niet omdat ik het wil, maar omdat ik het gevoel heb dat er geen andere keuze is. Een hond tegen wil en dank. Behalve dan dat ik zelf mijn poep zelf moet opruimen. Dwarrelen, ja, dat is wat ik doe. Al 26 jaar lang. Naar beneden, het grote smelten in. Het gevoel dat ik meer in de richting van iets verdwijn dan dat ik iets bereik. Gedachten zijn mijn schuilplaatsen. Daar is ruimte voor niemand anders, tenzij ik hen uitnodig. Alles kan er, maar niet alles mag. Het zijn geen eindeloze vlaktes die zich uitstrekken in de verte. Nee, mijn gedachten hebben grenzen. Variabele grenzen. Handig instelbare palen langs de weg die ik soms volg, maar die ook vaak in de weg staan. Ik breng veel tijd door in mijn gedachten, vaak zittend in een trein die wel rijdt, maar nooit weet waarheen. Mijn flat in Kortrijk, een bescheiden uitvalsbasis voor dit wankele bestaan, is niet veel meer dan een verzameling ruimte. Een piepkleine hal die rechtstreeks naar de woonkamer leidt, gevuld met meubels die niet meer van deze tijd zijn. Een bank die ooit comfortabel was, maar nu in een soort schrijnende leegte zit. De boekenkasten lijken zichzelf een rol toe te schrijven die ze niet kunnen vervullen, en de eettafel is het enige meubelstuk dat nog redelijk in harmonie is met de ruimte. De keuken, een open eiland zonder veel ziel, loopt door in de slaapkamer, die je alleen betreedt als het echt nodig is. En dan is er de badkamer, gescheiden van de woonkamer door een deur die net zo betekenisloos is als de kleur van de muren. Wat voor kleur? Een soort wit, maar je zou het niet kunnen zeggen. Het is kleurloos. Er is geen televisie, geen dressoir – ik heb nooit begrepen waarom mensen dressoirs nodig hebben. Twee grote ramen laten wat daglicht binnen, hoewel ik betwijfel of dit voldoende is om mijn bestaan echt te verlichten. Trots, dat ken ik niet. Maar ik houd mijn flat in een redelijke staat, opgeruimd. De bank is chaos, maar de rest is in enige mate in balans. Ik eet altijd aan de eettafel, nooit op de bank. Slapen doe ik in mijn bed, dat net genoeg ruimte biedt om tot rust te komen. De kleren die ik heb hangen netjes in de kast. Schoenen staan keurig in een rek. De enige uitzondering zijn de boeken. Die leg ik overal neer. Boeken zijn voor mij een soort gedachten die in papier gevangen zitten. Ze zijn alles, ze zijn evenwaardig aan mijn eigen reflecties. Ik leef er in. Mijn lichaam? Het krijgt de zorg die het nodig heeft, al is het niet veel. Ik wandel, ik loop. De lange afstanden, die is mijn ding. Niets valt te vergeleken met het gevoel dat ik krijg van een drie- of vier uur lange wandeling of looptocht. Terwijl mijn gedachten zich verliezen in de tijd, in de regen of zon, dat maakt niet uit. Beide kunnen naast elkaar bestaan. Denk ik. Er is zoveel waar ik van hou, maar het is niet altijd duidelijk waarom. Mijn begrip lijkt zo beperkt. Wat ik niet begrijp? Het dagelijkse ritueel van het woon-werkverkeer. Waarom blijf ik iedere dag opnieuw in die trein stappen? Wat bezielt me om deze absurditeit te herhalen? Dit, dit is mijn grootste raadsel. En dan, daar in Brussel, de stad die zichzelf met moeite bijeenhoudt, een oude man in een te strak wit hemd, altijd maar proberen te passen in het steeds kleinere jasje van de tijd. Brussel is een hutsepot zonder recept. Steeds maar hopen dat het ooit op smaak komt door er extra ingrediënten bij te gooien.

Piet V.
4 0

Sense of Purpose

Ik ben altijd zot geweest van muziek. In mijn tienerjaren, de vroege jaren tachtig, was ik van de post punk en de new wave. Ik was er helemaal door bezeten, ik kon er uren naar luisteren, mij uitleven op de dansvloer, en er troost in vinden. Muziek was kostbaar, een plaat kostte driehonderd frank. Ik kocht van mijn zakgeld alleen de allerbeste, andere muziek nam ik op cassettebandjes op : ik leende platen van vrienden of nam gewoon muziek op van de radio. De aanschaf van een vinylplaat was telkens een evenement. Met de trein naar Antwerpen, in de platenwinkel Brabo op de grote markt een paar fragmenten beluisteren met de koptelefoon en thuis het ritueel : ze uit de hoes halen, op de platendraaier leggen, de naald erop, een paar tikjes, de eerste noten … de hoes bewonderen met de foto’s, de teksten bestuderen. In december 1982 werd ik zeventien. Ik kreeg van mijn vriendinnen ‘A Kiss in the Dreamhouse’ van Siouxsie and the Banshees. Voor kerstmis kregen wij van onze ouders geld voor een cadeau dat we zelf mochten uitkiezen. Ik nam de bus naar Lier en kocht ‘From the Lions Mouth’ van the Sound, een Britse post punk band, die lovende kritieken kreeg, maar nooit echt is doorgebroken. Ik pakte de plaat in en legde ze onder de kerstboom. Het uitkijken naar het uiteindelijke moment waarop ik mijn cadeau eindelijk mocht uitpakken, maakten het extra waardevol.  Ik speelde ze tot ik elke noot, elke gitaarriff, elk baslijntje, alle lyrics vanbuiten kende. Ze staat nog in mijn platenkast, ik vind ze nog altijd even sterk. Toen ik ze onlangs nog eens speelde, kwamen de herinneringen terug en het gevoel dat ik toen had, dat ik moeilijk in woorden kan vatten. ‘From the Lions Mouth’ was de soundtrack van mijn laatste jaar menswetenschappen in het Instituut Heilig hart van Maria in Berlaar. Het nummer dat mij het meeste raakte was ‘Sense of Purpose’. Ik dacht dat het ging over weten wat je wil, een doel hebben in je leven maar ook over zingeving en engagement. ‘I'll take my life into my own hands  What are we going to do? I'm asking, I'm asking you!’   Dat was de vraag. Wat ging ik nu eigenlijk doen? Voor mijn klasgenoten was het duidelijk. ‘Ik ga studeren voor maatschappelijk werker.’ ‘Ik word onderwijzeres.’ Anderen werden kleuterleidster, nog iemand ging in de slagerij van haar vriend werken. Ik wist het niet. Engagement vond ik wel tof. Een van mijn vriendinnen noemde zich feministe en was sociaal geëngageerd. Voor abortus, tegen kernergie. Pacifist, anti-racist. Haar oudere zussen stemden PVDA. 'Dat is goed, hoor, Ilse, het communisme. Alles is van iedereen.' Ze gaf me een button die ik fier opspeldde. Mijn zus was niet onder de indruk. 'Wat is dat voor iets. Fascisme? Gooi maar snel weg!’  ‘Nee, kijk dan, destroy fascism.'   Op een dag werd er op de deur van ons klaslokaal geklopt. Een jonge vrouw stak haar hoofd binnen en vroeg of ze even mocht storen. De les onderbreken vonden wij altijd prima. Ze ging voor de klas staan en stak van wal. ‘Wie heeft er zin om volgend schooljaar naar het buitenland te gaan? Bij een gastgezin wonen en het laatste secundair overdoen?’ De helft van de klas was ze kwijt, de anderen luisterden, uit beleefdheid, met een half oor. Maar mij had ze meteen mee. Ik, die mijn tijd op de schoolbanken grotendeels doorbracht met uit het raam staren, dromen en in mijn hoofd ‘Sense of Purpose en ‘New Dark Age’ zingen, was een en al aandacht. Zo kwam het dat ik die avond thuiskwam met de vraag :  ‘Mag ik volgend schooljaar naar Australië gaan?’ Dit hadden mijn ouders niet zien aankomen.De volgende morgen kwam mijn moeder mijn kamer binnen en schoof de gordijnen open. 'Ik ga heel hard wenen maar je mag gaan.’ Mijn zussen, broers, klasgenoten, vonden het 'speciaal’. Onze klastitularis, mevrouw Broos, vond het een heel goed idee : ‘Je gaat uit je schulp moeten komen.’ Samen met mijn ouders ging ik naar een infomiddag van Youth For Understanding en de procedure werd in gang gezet : aanvraagformulieren, motivatiegesprekken. Wat eerst een ingeving was, werd nu een concreet plan. Het begrip comfortzone kende ik nog niet en als ik er al van had gehoord, weet ik niet of ik er wel uit wilde. Maar ik wilde geen saai leven onder de kerktoren, ik wilde de wijde wereld in. En wat ik daarna ging doen, dat zou ik dan toch zien? ‘Maar waarom wil je precies naar Noorwegen gaan?’ vroeg mijn vader. Australië bleek te ver, te ingewikkeld en te duur, het werd een Europees land en ik had een romantisch beeld van Noorwegen : fjorden, bergen, sneeuw en een leuke taal, met die streepjes en bolletjes. Terwijl de aanvraagprocedure liep en ik wachtte op een positief advies, ging het leven in de menswetenschappen zijn gangetje. Met mijn feministische vriendin ging ik naar de opening van Happy House, een club in Aarschot waar ik tot een kot in de nacht danste op 'Happy House' en op muziek van Echo and the Bunnymen, New Order en The Sisters of Mercy. Iedereen bewoog zich alsof hij vijf frank van de grond wilde oprapen. De houterigste hark transformeerde in stroboscooplicht tot een ster op de dansvloer. Op de driedaagse retraite staarden we samen met mevrouw Broos en een pater naar een kaars en moesten dan zeggen welke diepe gedachten en gevoelens er bij ons opkwamen. De uitslovers zagen warmte en liefde, een schitterende toekomst, de zon. Ik zag een brandende kaars. Optredens van The Cure en Siouxsie and The Banshees in zaal Lux in Herenthout, legendarisch! De bassen bonkten door mijn lijf en ik lag in bed met fluitende oren. Niemand droeg oordopjes. Een andere vriendin had een vriendje met een migratieachtergrond. Nadat in Lier een Marokkaanse jongen slaags was geraakt met een buitenwipper, die een paar tanden was kwijtgespeeld, raakte geen enkele ‘vreemde’ nog binnen in een Lierse discotheek. Niemand protesteerde. Wanneer ik me verdrietig en eenzaam voelde deed ik het licht uit en zette Joy Division op. 'Isolation', 'A Means to an End'. Op het einde van het schooljaar kladden we onze nylon schorten, die we over onze kleren moesten dragen, helemaal vol en gooiden ze in de vuilbak.  Toen kreeg ik het bericht dat ik was toegelaten en naar Noorwegen zou gaan. Met de opwinding sloeg ook de twijfel toe. Ga ik dat wel kunnen? Ik ben toch veel te verlegen, veel te stil? ‘Natuurlijk ga je dat kunnen,’ zei mijn moeder. Alle voorbereidingen werden getroffen, ik pakte mijn koffer en toen zei mijn vader : ‘ Als je nu eens gewoon thuisbleef?’ Met een bonzend hart stond ik op de luchthaven van Schiphol, samen met mijn ouders en mijn zus. Ik droeg mijn  jasje met de button ‘destroy fascism’ en op mijn handbagage kleefde een sticker : 'Atoomenergie? Nee bedankt!'. In mijn bagage had ik dertig cassettebandjes gestopt. Op een ervan had ik ‘Jeopardy’ van the Sound opgenomen. Het eerste nummer van de plaat is ‘I can’t escape myself'. Dat wist ik toen nog niet.                          

Ilse Janssens
0 0

wij die gezien willen worden

Wij, die gezien willen worden, worden dan uiteindelijk ook gezien,maar het is in de nasleep, de nauwe randzone erbuiten dat het schouwspel zich afspeelt.We moesten zeggenschap nemen over het keren van het tij en het is in die verstandhouding dat we dan ook reageren. Er is niets veranderd.Het werd zichtbaar.Het werd zichtbaar dat er niets veranderde. En zo ben je aanbeland bij het weerzien van een oude kameraad die net als jou, nog loopt te ijsberen in niemandsland. Wij hebben wat vreugde is.Wij hebben wat voortkomt uit vreugde.Maar wij hebben weinig aanleiding om aanstalten te maken.Maar er gebeurt te weinig in die toestand.  Wij, pijn, zien onszelf niet al te graag.Liever, slepen we verder onszelf de tijd in en ook altijd weer uit.Hier is de tijd blijven stilstaan en vernielen we ruimte. Het is simpel: zij die willen blijven zijn, blijven zijn. Zij die willen kunnen ontsnappen, zijn niet lang meer, en net dat is afhankelijkheid. Wij werden door de toestand verpletterd. Die verplettering levert ons gelukkig ook wat op:meer toestand.  Na x aantal jaar ben je 'volwassen' en wordt er geopperd dat wij niet gezien werden, maar niets is minder waar:wij die gezien wilden worden, werden dan ook gezien.In het oog van de toeschouwer is alles heerlijk melancholisch. Voor ons is het verpletterende besef dat we ouder worden een egoboost. Wanneer speelt de overgang zich af? Van jong naar oud, van slecht naar op z'n minst beter. Van afscheid tot weerzien. Toen we elkaar tegen het lijf liepen, versnelde de tijd en werd de ruimte ertussen zichtbaar. Was dat geluk hebben.  We werden gezien en dat was al waar het hem om te doen was.Tussen ochtendgloren en avondval heb je tijd. Tussen ruimte en persoon heb je tijd. Tussen mij en jou zat er veel tijd, zichzelf in slaap te wiegen, en wie had gedacht dat ik je zou treffen op de slechtst mogelijke moment? Wij zagen elkaar, deden niet meer dan iets optimistisch,alsof we elkaar daar verwacht hadden. Dit is de overgang naar het andere tijdperk.  Dit is leven in opperste glorie: afzien. 

Dries Verhaegen
14 1

Kruidvat

Waar liefdesverdriet precies begint, weet ik nog altijd niet. Het begint niet bij die ene zin. Niet bij “we zien elkaar beter even niet”. Dat is te netjes. Te laat ook. Dat is zoals in de geschiedenisles. Bij mevrouw Bracke. Mevrouw Bracke rook altijd naar Acqua di Giò. Fris, een beetje zwoel ook, alsof ze net van ergens kwam waar de zon scheen en de dingen helder waren. Ze stond vooraan in de klas, krijtje in de hand, en ze kon dat uitleggen alsof ze er zelf bij was geweest. Alsof ze persoonlijk had staan kijken in Sarajevo, die dag dat aartshertog Franz Ferdinand werd doodgeschoten door Gavrilo Princip. Maar ze begon daar nooit. Nee, ze begon met: “Kinderen, een oorlog begint nooit op één dag.” En dan vertelde ze over dat kruidvat. Over landen die elkaar niet vertrouwden. Over bondgenootschappen die eerder op ruzies leken. Over dingen die gezegd werden en dingen die vooral niet gezegd werden. Ze tekende pijlen op het bord. Veel pijlen. Te veel pijlen. En wij zaten daar en dachten: amai, dat komt hier niet goed. En dan, pas dan, kwam dat schot. De aanleiding. Niet de oorzaak. Bij ons was dat ook zo. Een broeiend kruidvat.Van alles wat er was maar niet gezegd werd.Halve zinnen die bleven hangen.Te lange interpretaties.Te veel gedacht vanuit ik en te weinig vanuit ons.(maar gij ook, hé. Zeker gij ook.) En dan dat kleine, bijna puberale verzet.Een beetje testen.Wat langer wegblijven.Iets “vergeten” te zeggen.Die rommel net groot genoeg maken om hem te voelen, maar niet groot genoeg om hem op te ruimen. En ergens daar, in dat spel van bijna’s en misschien’s, valt het schot. Niet in Sarajevo, maar in een berichtje.Jij die per se die andere moest kussen.Ik die daar een drama van maakte.Of die avond met te veel cava waarop ik te vaak zei dat “ze allemaal hetzelfde zijn”. En dan komt hij.De zin.Alsof hij niets met de rest te maken heeft.Alsof hij uit de lucht valt. “Misschien moeten we elkaar wat minder zien.” In een berichtje nog wel. Van u. Dat vond ik minder. Om niet te zeggen: degoutant. En nu zitten we elk op onze berg. Afstand. Even mezelf terug voelen, zeggen ze.Mijn vriendinnen knikken verstandig en zeggen dat het goed is. Dat ik beter verdien.Mijn kinderen kijken mij aan en zeggen dat ik mijn lat eens wat hoger moet leggen.Mijn zus zegt dat ik het misschien allemaal niet zo dramatisch moet bekijken.Buurman zegt dat elk einde een nieuw begin is.En de Flair zegt dat ik dringend iets moet doen aan mijn buikvet en dat ze daar een wandelapp voor hebben. Mijn kat kijkt naar mij en vraagt vooral hoe lang het nog gaat duren voor ze eten krijgt. En dat is misschien nog het eerlijkste van allemaal. Want op die berg moet ik ook eten. Zelf koken. Zelf zorgen. Zonder een berichtje dat “goedemorgen” zegt. Zonder een “x, ly” midden op de dag. Dat doet pijn. Dat is wat ze liefdesverdriet noemen. Maar het is ook gewoon dit: dat ge plots alleen zit met alles wat er daarvoor nog samen was. En soms denk ik terug aan mevrouw Bracke.Hoe ze daar stond, voor dat bord vol pijlen en spanningen en kleine dingen die te groot waren geworden. Ze heeft ons veel geleerd over oorlog. Over oorzaken en aanleidingen. Over hoe iets klein kan ontsporen in iets dat ge niet meer terug in uw handen krijgt. Maar over bergen heeft ze het eigenlijk nooit gehad. Behalve dan die ene keer, over Hannibal Barca die met olifanten over de Alpen trok. Maar dat was iets anders. Want daar ging iemand tenminste nog ergens naartoe. En wij… wij zitten gewoon elk op onze eigen berg.

Katrien Daniels
96 6
Tip

Een papa voor mij

Soms begint een verhaal met een naam die ge niet moet verzinnen. Emile. We zullen hem gewoon Emile noemen. Dat is het gemakkelijkst. Want zo heet hij ook. En zijn familienaam smaakt naar chocolade, maar als we daar nu op ingaan, geraken we nooit tot aan de bakker. Ik lag te slapen op de zetel. De avond hing nog in mijn mond. Rode wijn, een beetje te laat gaan slapen, een lichaam dat nog niet helemaal mee was met de ochtend. En dan voelde ik het. Geen geluid eerst, maar aanwezigheid. Zo’n kleine aanwezigheid die zich groot houdt. Hij kwam op zijn kousenvoeten naar mij geslopen. Half acht. En ja, het mocht. We hadden dat afgesproken. Wij twee. Naar de bakker. Zijn mama en zijn papa moesten dat niet weten. Ons geheimpje. Ik sprong recht. Jeans aan. Dikke trui. Geen spiegel, geen plan. Gewoon vertrekken. De kou in, de straat op, de Bredabaan over. Zo’n ochtend die nog niet beslist heeft wat ze wil zijn. Emile babbelde honderduit. Dat doet hij altijd. Emile heeft veel woorden. En hij deelt ze gul met mij. Over Louise in zijn klas. Over dat ze volgende week over het bos gaan leren. Over tekenen, dat hij dat graag doet, maar dat zijn zus dat eigenlijk beter kan. Dat laatste zei hij zachter. Alsof hij dat niet helemaal wilde weten. En dan werd het stil. Zijn handje in de mijne. Koude wind in ons gezicht. Auto’s die door plassen rijden. De geur van diesel in het ochtengloren zoals je dat alleen in de stad kan ruiken.  Ik voelde het nog voor hij het zei. Zo’n vraag die eerst in een lijf zit en dan pas in woorden. “Waarom heb jij geen papa, Katrien?” Het ging niet over mijn vader. Dat wist ik meteen. Het ging over een man. Over een plek naast mij. Over een leegte die blijkbaar zelfs voor kinderen zichtbaar is. “Ik had eens een papa,” zei ik.“Maar die woont nu in een ander huisje. Omdat hij me niet meer zo graag ziet.” “Ah,” zei Emile.“Oh jammer.” En we wandelden verder. Sommige dingen moet je gewoon naast u laten stappen. Hoe dichter we bij de bakker kwamen, hoe sneller hij ging. Hij geloofde volgens mij dat verdriet iets is dat ge kunt inhalen met suiker. Zijn woorden kwamen terug. Koeken met chocolade. Met crème. Met pecannoten. Hoeveel per persoon?  Of ik wel genoeg centen mee had? En of we het gingen doen zoals anders?  "Natuurlijk nemen we een geheime koek voor onszelf onderweg, Emile."  De bakkerij was warm. Vol volk. Zondagochtend in zijn meest eerlijke vorm: te veel mensen in te dikke jassen, kinderen met plakkerige neuzen, een rij die net traag vooruitgaat en veel geuren. Gelukkig kon die van 'vers gebak' die van 'nog niet gewassen' overstijgen.  Ik bestelde. En natuurlijk ook onze extra koek voor onderweg. We waren niet voor niets als eerste opgestaan. Buiten, ergens tussen deur en stoep, beet hij al zijn eerste stiekeme hap. Dat was echt ons moment.  En toen stopte hij. Hij keek mij aan. Serieus. Zoals alleen kinderen dat kunnen. Zonder ironie. Zonder reserve. “Ik vind het zo erg dat je geen papa hebt,” zei hij.“Maar weet je… als jij nu stopt met jarig zijn, en ik probeer elk jaar twee keer zo snel te groeien… dan kan ik toch jouw papa worden.” Ik zei hem dat dat misschien wel een idee was om over na te denken. Nu zijn we jaren later. De kleine Emile is verdwenen. Of nee, hij zit ergens verstopt in een jongen die plots schouders heeft. Blond. Knap. Waarschijnlijk al eens gekust. Misschien al eens zijn hart een beetje kwijtgespeeld. Ons groeiplan is mislukt. Ik ben blijven verjaren. Hij is niet snel genoeg gegroeid. Maar soms, als ik langs een bakker wandel op een zondagochtend, denk ik eraan. En vraag ik me af, heel even maar,  of hij nog altijd mijn papa wil zijn.

Katrien Daniels
154 11

Humoristische plantennamen

Als walvisolie uit walvissen wordt gehaald, waar wordt babyolie dan uit gehaald? Dit stond op een gelig A3 blad dat ik ooit in handen kreeg. Er stonden echt grappige vragen op die de lezer filosofisch deed nadenken en de betekenis van woorden totaal in de soep liet draaien.Het kip of het ei verhaal gecombineerd met absurde woorddefinities. Bij het lezen van plantennamen schiet er zo regelmatig ook een binnenpretje binnen. De laatste keer was ik syringa's aan het verplaatsen van tafels en riep ik naar mijn collega:"hier is een lamme tamme". Zijn gezicht sprak boekdelen toen hij dit hoorde maar al snel liet ik het kaartje zien waar Syringa Tamelan op stond. Hij was gelukkig flexibel om de humor ervan in te zien. De pauzes kwamen in onze richting en ik vroeg hem: "heeft Tom al gegeten?" Tom aat... Flauw? Dat dacht mijn collega ook! De eerste keer dat het begon was met Pinus. Ik denk niet dat de lezer ver moet nadenken wat hiervan te maken is. Als je nog twijfelt neem je maar een Pennisetum mee naar huis om te weten waar ik over spreek. Of de vrouwen kunnen Sagina er bij halen als ze willen.  Ondertussen begint mijn hoofd al spontaan associaties te leggen: Liquidambar: Amber is in bad geweest en nog nat Magnolia: ja, Nolia mag Forsythia: gespierde  Sythia Erica: Eric die liever vrouw wou zijn Alnus: een poepgaatje met een typfout Ostrya: struisvogel uit Oostenrijk  Hamamelis: Elis die pas  letters mama kent maar de volgorde nog niet juist heeft Cydonia: personage uit Suske en Wiske Pioen: wiskundig symbool voor uilskuikens  Rammenas: afwachten tot vuurtje uit is om dan het eindproduct weg te rammen  Volgende keer hoop ik dat als je in een tuincentrum komt, zelfs binnenpretjes krijgt. Er zijn veel mogelijkheden. Te veel om allemaal te noteren. Er mag wel wat meer gelachen worden want lachen is... Nee, niet gezond, maar het breder worden van je mond. Hoe poëtisch om af te sluiten.      

Edsauti
0 0

Relevant

“Ik lees uw teksten, hé,” zegt hij fier. Telkens weer opnieuw, alsof het een opdracht voor hem is. Ik weet het is zijn manier om van alles te zeggen: Dat het hem boeit. Dat hij mij wil lezen. Dat ik voor hem tel. Maar hij is en blijft mijn kritisch klankbord. “Ik vind ze altijd wel heel banaal, die teksten van je. Leuk en aangenaam, maar ook banaal.” Ik denk dat hij twee keer overdrijft. Met het woord 'altijd' sowieso. Met 'banaal' ook. Toch? Wat is dat eigenlijk, banaal. Een woord dat klinkt als een verwijt, maar verdacht dicht in de buurt komt van het leven zelf. Dus goed. Ik neem de uitdaging aan. Vandaag geen banaliteit. Vandaag relevantie. Een tekst die ertoe doet. Ik denk: ik graaf eens diep. Zieleroerselen. Oude kwetsuren. Verborgen verlangens. Dingen waarvan ik wakker lig. Onzekerheden die zich ’s nachts groter maken dan ze overdag durven zijn. Onuitgesproken liefdes die ergens tussen mijn ribben blijven hangen alsof ze nog altijd een kans hebben. Goed weggestoken kinderverdriet dat zich vastgezet heeft op plekken waar ik zelf niet meer goed bij kan. Op mijn ziel geplakt, zoals van die oude stickers die ge er nooit helemaal af krijgt. Maar ik ken hem. Hij gaat dat wegzetten als te emo. Goed voor de Flair. Zweverige vrouwenpraat. Te veel introspectie. Soit. Flair 2.0. En dus even banaal als de ‘voor’ en ‘na’. Dus ik draai het om. ik ga op zoek naar de grote dingen. Dingen waar écht over geschreven wordt. Zoals in de krant. Want wat in de media komt, dat zou per definitie toch relevant moeten zijn. Daar wordt over nagedacht. Daar zitten redacties op. Mensen die beslissen: dit doet ertoe. Dus ik laat me inspireren. Dat kan niet misgaan. Het eerste wat mij aankijkt is een quote van de nieuwste liefde van een bekende Vlaming. Ze zegt dat ze zijn enige liefde is. Dat ze werken aan monogamie. En dat het een beetje jammer is dat hij ondertussen een andere vrouw zwanger gemaakt heeft. Ik blijf daar even op hangen. Omdat jammer hier een woord is dat zich uitrekt tot iets dat eigenlijk niet meer in dat woord past. En ik vind jammer sowieso een woord waarvan ik het jammer vind dat het bestaat. Maar dat verdwijnt natuurlijk in het niets bij het verhaal van het komende bastaard kind. Ik klik verder. Een titel: Alveringem grijpt in. En ik zweer het u, heel even dacht ik dat Alveringem het middelpunt van de aarde was. Een plek waar alles samenkomt. Grote beslissingen. Kleine drama’s. Een centrum van het universum waar de dingen eindelijk zo scheef lopen dat — ja — dat de overheid móét ingrijpen. Maar het gaat over een jaagpad. Te veel valpartijen. Een vrouw met blauwe plekken als bewijs dat zelfs kleine wegen pijn kunnen doen. Ik klik verder. Wereldnieuws. Oorlogen. Namen die botsen als stenen.Leiders die dingen zeggen waar geen mens iets mee kan. Een staakt-het-vuren dat geen staakt-het-vuren is. Te groot. Te ver weg. Te weinig houvast. En dat is het moment waarop ik besef: het probleem is niet dat banaliteit klein is. Het probleem is dat sommige dingen zo groot zijn dat ge er niets meer mee kunt. Ge kunt daar geen verhaal van maken. Geen zin die ergens landt. Geen gedachte die ge even meeneemt terwijl ge een boterham smeert. En dus kom ik terug waar ik altijd uitkom... Bij mijn zalige banaliteitjes. Mijn kat die van de planten glijdt, zwaartekracht als een losse suggestie. Hij kijkt zelf ook even verbaasd, alsof hij niet goed begrijpt hoe hij daar ooit op geraakt is en nu gewoon meegaat in de logica van het vallen. Een stuk kaas dat plots smaakt naar de picknick van vorige week. Waarbij ge het gevoel had dat grote verhalen op kleine momenten worden geschreven. De geur van koffie die al even staat en toch nog goed genoeg is. Een bericht dat ge nog eens opnieuw leest, niet omdat er iets nieuws in staat, maar omdat ge hoopt dat er iets nieuws in zal staan. De sokken van uw zoon die in de zetel rondslingeren en die eigenlijk gewoon zeggen: maak u geen zorgen, moeder, volgende week is hij terug. Iemand die iets onnozels zegt, u doet lachen en dat die dan zegt: “Ge zijt zo schoon als ge lacht.” Dan denk ik: "Ja. Dat dus."

Katrien Daniels
61 1