Het Julesboek

25 jul 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Lief herstelt van de griep. Gedachteloos begint ze aan de dringende klusjes. Terwijl ze een bord in de vaatwasser zet, dwaalt haar blik naar het raam. De zon valt precies zoals toen, die middag dat hij haar belde vanuit Nairobi. Jules. Ze glimlacht flauwtjes bij de herinnering aan zijn stem, warm, een tikje hees, altijd een beetje gehaast.

Na zijn reis naar Kenia had hij gebeld: hij lag in het ziekenhuis met een longontsteking. Ze had hem toen gezegd dat hij beter voor zichzelf moest zorgen. Daarna hadden ze nog één keer kort contact. Sindsdien bleef het stil. Geen telefoontje. Geen teken van leven. Zoals altijd wanneer hij te lang niets van zich laat horen, voelt ze de neiging om zijn naam te googelen. 

Een lichte onrust kruipt onder haar huid. Het is niet de eerste keer dat hij verdwijnt, maar dit voelt anders. Zonder erbij na te denken opent ze haar computer en tikt ze zijn naam in. De eerste links zijn vertrouwd: sociale media, zijn bedrijf. Dan valt haar oog op een link naar een begrafenisondernemer. Ze aarzelt. Klikt. Zijn gezicht verschijnt op het scherm, de glimlach die ze zo goed kent. Onder de foto twee datums: de eerste is zijn geboortedag en de tweede? Een duisternis opent zich in haar hoofd.

NEE!

Dat kan niet. Dat mag niet. De geluidloze kreet vult haar lichaam. Maar de rouwbrief laat geen ruimte voor twijfel: hij is dood. En de uitvaart heeft al plaatsgevonden. Haar mentor, haar geliefde: gestorven.

...

Ze plant het al weken, maar het lukt haar slechts vandaag. Ze opent het schrift dat ze Het Julesboek noemt. Het ligt geduldig te wachten. Ze wil schrijven, in de hoop dat het helpt. Misschien doet het dat niet. Maar ze verlangt ernaar om terug te gaan naar wat er was. Naar hem. Naar alles.

Ze is moe. Onzeglijk moe. En toch, ze moet het doen. Waarom? Dat weet ze niet. Of misschien wel: omdat ze bang is dat het anders verdwijnt. Bang om verder te gaan zonder hem. Tweeënveertig jaar lang was hij er altijd, aan de andere kant van de telefoon, in haar dagen, in haar toekomst. Nu alleen nog in haar geheugen.

Ze begint Het Julesboek met haar dierbaarste herinnering. Ze aarzelt, maar weet: dit is het juiste vertrekpunt. Tijdens de zomer van het vorige jaar bleef haar telefoon lang stil. Ze had het er moeilijk mee. De gedachte dat er iets kon zijn gebeurd, benauwde haar dan. Toen ze hem vertelde dat ze dacht uit zijn gedachten te verdwijnen, antwoordde hij:

‘O, maar dat zal nooit gebeuren. Je bent een deel van mijn leven!’

Ze hoorde het in zijn stem: warm, breekbaar, oprecht.

Ze schrijft het op, langzaam, want elke letter is heilig. Die ene zin is het mooiste wat hij haar ooit heeft gezegd, en tegelijk de laatste uiting van genegenheid die ze van hem zal krijgen. Ze leest de zin opnieuw, fluistert hem in de hoop hem zo weer terug te roepen.

...

Plots lawaai op straat – een claxon, stemmen die elkaar luid toeroepen – doet haar opschrikken uit haar gedachten en haar blik valt op zijn foto met de hond.

Ze vond die foto, niet op zijn Facebookaccount dat zijn vrouw beheerde, maar op de LinkedInpagina van zijn bedrijf. Ze vermoedt dat hij die zelf heeft geplaatst, een beeld dat hij koos en koesterde. Waarschijnlijk is hij gemaakt net voor hij zijn hond, die aan kanker leed, liet inslapen.

De straatgeluiden vervagen als zijn blik haar raakt: somber, door verdriet getekend.

Het is geen pose, geen officiële weergave voor de buitenwereld, maar een weergave van de man die zij werkelijk kende. Veel meer dan de gladde foto op het rouwbericht toont dit beeld de ware Jules: ernstig, zwaarmoedig, en onmiskenbaar zichzelf.

Hij kijkt haar aan. Alleen haar, alsof hij bij haar steun en troost zoekt voor de pijn. 

Ze houdt van die foto. Misschien omdat hij niets verborg, geen rol speelde, maar zichtbaar, één laatste keer, zijn hond die hem dierbaar was, koesterde.

...

Sinds ze het schrift begon te vullen, sluipt er langzaam vrede in haar.

En dan, onverwacht, droomt ze voor het eerst sinds zijn dood over hem.

Ze zijn in een station. Ze staan dicht bij elkaar, hand in hand. Hij vertrekt. Ze wil hem nog een kus geven, maar hij weigert, zonder verklaring, alleen die afwijzing.

Hij verdwijnt in de mensenmassa, maar hun handen blijven verstrengeld.

Als ze wakker wordt, is ze niet triest.

Maar nu ze eraan terugdenkt, rollen de tranen over haar wangen. Hun verstrengelde handen voor een band die zelfs zijn dood niet kan verbreken. De geweigerde kus voor alles wat onuitgesproken is gebleven, voor het ongrijpbare en het treurige in hun relatie.

Er is zoveel ongezegd, onbegrepen en onbevestigd gebleven. Zoals dat moment van afwijzing bij een afscheid, juist zoals in haar droom. Ze wilde hem omarmen, maar hij duwde haar resoluut weg, zonder uitleg. En zij, uit trots of uit gewoonte, stelde geen vragen.

Hij gaf zelden uitleg. Misschien dacht hij dat zwijgen volstond, dat zij hem ook wel begreep. ‘Je intuïtie is goed.’ Maar dat was niet genoeg, niet altijd.

...

Ze slaat Het Julesboek open. Even blijft haar pen boven de bladzijde hangen. Dan schrijft ze, niet over zijn dood, maar over hoe hij ooit in een restaurant sprak met een ober die zichtbaar stotterde, zonder één keer ongeduldig te worden. 

Eerst vreest ze dat de bron snel zal opdrogen, dat ze te weinig van hem weet om een heel schrift te vullen. Maar de herinneringen dienen zich ongevraagd aan. Een vleugje van een bepaalde geur, een liedje op de radio dat ze jaren niet heeft gehoord, of het ritme van een voorbijganger; het zijn kleine haakjes waar een heel beeld aan vasthangt. Ze noteert ze zorgvuldig, met een bijna religieuze precisie.

Ze herinnert zich hoe hij de rechterkant van het bed opeiste, de eerste keer al, alsof die plek altijd al op hem had gewacht. Hij hield van blauw, de kleur van de diepzee en de avondlucht, al zag ze hem er zelden in. Zelfs de kleur van zijn auto was niet van hem; die keuze had hij aan zijn vrouw gelaten, een compromis dat hij nooit hardop toelichtte. Voor haar bleef blauw aan hem kleven, een echo van de blauwe oliejas en sjaal waar ze als tiener van droomde.

Zijn auto was zijn tweede thuis, een rijdend eiland van privacy en vrijheid. Als hij haar onderweg belde, hoorde ze op de achtergrond vaak Radio Nostalgie. Op regenachtige dagen vormden de ritmische, droge tikken van de ruitenwissers de soundtrack van hun gesprek. Het was een geluid dat haar maag deed samentrekken; ze hoorde de snelheid van de wagen in de herhaling van de slag, de kwetsbaarheid van zijn bestaan op dat natte asfalt.

Hij kon urenlang genieten van de absurde kronkels van Kamagurka, maar bleef onvermurwbaar nuchter als het op lichamen aankwam. ‘Zonde om te beschadigen,’ zei hij over tatoeages, terwijl hij met een afkeurende blik naar een voorbijganger keek. Ze ziet zijn gezicht weer voor zich: die eigenwijze trek om zijn mond, de nuchterheid die haar soms irriteerde, maar haar ook rust gaf.

Officieel interesseerde voetbal hem niet, maar ze glimlachte toen ze hem eens betrapte. Terwijl ze tegenover hem zat, zag ze zijn ogen over haar hoofd naar de televisie glippen. Toen Zidane scoorde, bevroor hij; hij hield even op met kauwen, zijn aandacht volledig opgeëist door de herhaling van het doelpunt, totdat hij besefte dat ze naar hem keek.

Met chocolade en kreeft kon ze hem verleiden, al vermoedde ze dat de kreeft vooral zijn hang naar status streelde. Eigenlijk hield hij meer van paling in ’t groen, biechtte hij ooit op. Luikse wafels vond hij een volwaardig ontbijt. De lege verpakkingen bleven meestal dagen op de achterbank liggen.

...

Ze had gedacht dat het verdriet zacht zou uitdoven, als een lamp die langzaam minder licht geeft. Maar soms komt er iets anders onder vandaan. Geen verdriet. Geen verlangen. Wel woede. Het overvalt haar onverwacht. Terwijl ze boodschappen doet. Terwijl ze een glas afdroogt. Terwijl ze in bed ligt en naar het plafond staart. Dan voelt ze het plots in haar borst omhoogschieten: een harde, hete golf.

Hoe heeft hij haar zo kunnen achterlaten? Niet door te sterven, daar kon hij niets aan doen, maar door niets achter te laten. Geen bericht. Geen naam van een vertrouwenspersoon. Geen brief. Geen enkel teken dat zei: als er iets gebeurt, laat haar weten dat ze belangrijk was. Alsof zij moest verdwijnen op hetzelfde moment als hij.

Ze probeert mild te blijven. Ze weet hoe bang hij was voor confrontaties, voor ingewikkelde emoties, voor alles wat mensen dwingt kleur te bekennen. Maar soms denkt ze: nee. Nee, dit was niet alleen angst. Dit was ook lafheid. Hij liet haar achter in een niemandsland.

Zijn vrouw kreeg bloemen, rituelen, steunbetuigingen, een overlijdensbericht. Zijn dochter kreeg herinneringen die openlijk gedeeld mochten worden. Zijn vrienden spraken over zijn verdiensten. Zelfs verre kennissen mochten zeggen dat ze hem misten.

En zij? Zij moest doen alsof er niets was gebeurd. Alsof de man die haar jarenlang had opgebeld, vastgehouden, gekust, beluisterd, nooit werkelijk had bestaan. Dat onrecht brandt soms feller dan het gemis zelf.

Ze begrijpt nu waarom geheime geliefden in romans zo vaak eindigen als schimmen. Niet omdat hun liefde minder echt was, maar omdat niemand hun verdriet wil erkennen. De wereld verdraagt het bestaan van zulke relaties zolang iedereen zwijgt. Maar zodra er gerouwd moet worden, vallen ze buiten het verhaal.

Terwijl ze weet hoe vaak zulke liefdes voorkomen. Niet alleen vluchtige affaires of bedrog uit verveling, maar hechte verbondenheid. Mensen die elkaar vinden op een plek waar hun leven tekortschiet. Mensen die jarenlang een tweede waarheid meedragen naast hun officiële bestaan. Ze heeft het rondom zich gezien, vaker dan mensen durven toe te geven. Er wordt over gefluisterd, nooit openlijk gesproken. Alsof liefde alleen waardigheid verdient wanneer ze administratief correct is. Dat maakt haar kwaad. Alsof haar verdriet minder zuiver zou zijn omdat hij een trouwring droeg. Alsof zorg, tederheid, verlangen en intimiteit alleen tellen binnen de grenzen die anderen aanvaardbaar vinden.

Ze loopt door de woonkamer terwijl de woede door haar heen jaagt. Haar adem zit hoog. Ze blijft staan bij zijn foto.

‘Je had me niet zo mogen achterlaten,’ zegt ze, hardop nu.

De woorden blijven in de kamer hangen. Voor het eerst slikt ze hen niet terug in. En toch voelt haar boosheid niet eenvoudig. Want onder dat alles blijft liefde liggen. Dat maakt het juist zo moeilijk te dragen. Ze kan hem niet haten. Zelfs in haar woede beschermt ze hem.

Ze gaat zitten en kijkt opnieuw naar zijn gezicht. Misschien, denkt ze, is dat het laatste wat ze nog moet leren: dat liefde niet verdwijnt wanneer woede verschijnt. Dat beide naast elkaar kunnen bestaan. Zoals verdriet en dankbaarheid. Zoals gemis en opluchting.

Ze ademt diep in. Ja. Ze is boos op hem. Maar misschien nog het meest op een wereld waarin iemand intens bemind kan worden en toch officieel niemand blijkt te zijn.

...

De wekelijkse markt golft van de mensen, badend in het zonlicht. De lucht ruikt naar vers fruit, warme wafels en het zoute spoor van kazen. Ze wandelt erdoor, geen haast in haar tred, geen lijstje in haar hand, enkel groenten en wat kaas; meer vraagt de dag niet van haar.

Dan vangt haar oog terloops iets op: ‘Gratis koffie tot 11 uur.’ De woorden staan op een wit bord naast een foodtruck. Ze glimlacht. Waarom niet? De geur van gemalen bonen omarmt haar. Even later staat ze, met een dampende cappuccino in de hand, aan een partytafel. Ze neemt een slok. Het schuim blijft even aan haar bovenlip hangen. Ze lacht, een diep lachje van binnenuit. Een paar voorbijgangers vangen dat lachje op en geven haar er één terug. Slok na slok drinkt ze haar beker leeg. Met een zucht van genoegen dumpt ze hem en wandelt verder naar de kaaskraam. 

De zon speelt over haar vingers. Wanneer ze later, met haar tas halfvol, haar straat inloopt, valt de stilte weer om haar heen. Ze merkt dat ze haar schouders minder hoog optrekt. Ze blijft even staan kijken naar een vrouw die haar hond uitlaat. Wanneer ze verder stapt, hoort ze in het ritme van haar voetstappen haar eigen hartslag, rustig en vastberaden.

...

Ze wandelt langs het water tot ze bij een bankje komt. Ze gaat zitten en sluit de ogen. Eindelijk rust, vanbinnen en vanbuiten. Het voert haar terug naar die keer toen ze hier ook zat. In de verte zag ze een groepje mensen naderen.

Jules!

Ze herkende zijn korte, blonde haar en zijn manier van stappen. Gedachten schoten door haar hoofd. Moest ze omkeren, zich verstoppen, of gewoon blijven zitten en hem en zijn gezelschap negeren? Ze hoopte dat hij het was, en vreesde het tegelijk.

Toen de groep haar passeerde, zag ze dat hij het niet was. De dubbelganger groette vriendelijk. Haar benen voelden slap aan. De teleurstelling stak feller dan de verademing.

Nu ze opnieuw op dat bankje zit, voelt ze vooral opluchting. Om hem voorbij te laten gaan, zomaar alsof hij niets betekende, dat zou ondraaglijk zijn geweest. En hij? Ze beseft hoe beheerst hij zou hebben gegroet, hoe hij gewoon zou zijn doorgelopen. Dat inzicht snijdt vlijmscherp, maar ze vlucht niet langer voor de pijn.

...

Ze sluit Het Julesboek af en laat haar hand nog even op de kaft rusten.  Ze schreef hoe haar begrip groeide, langzaam maar zeker, en begreep wie hij voor haar was. Wat haar geheugen haar misschien ooit zal ontnemen, heeft ze nu vastgelegd.

Onwillekeurig vraagt ze zich af wat hij van haar herinneringsboek zou hebben gevonden. Ze weet wel dat hij het nooit zal lezen, maar de vraag blijft hangen. Zou hij zich herkennen? Of zou hij zijn wenkbrauwen fronsen en zeggen: ‘Wat haal jij je toch allemaal in je hoofd?’ Ze heeft geen antwoord. Het beeld dat zij van hem draagt, is genoeg.

De bladzijden zijn gevuld met fragmenten: zinnen die ze hem hoorde zeggen, momenten die ze samen beleefden, gedachten die pas na zijn dood vorm kregen. Sommige passages zijn helder, andere rafelig. Maar ze zijn van haar.

Ze haalt diep adem en houdt het boek dat ze alleen voor zichzelf bedoelde losjes in haar handen. Maar nu voelt ze iets verschuiven. Misschien mag het ook zichtbaar worden. Niet voor iedereen, maar voor wie het wil openen. Ze herleest de passage over hun eerste ruzie. Hoe hij haar aankeek met dat scheve lachje: ‘Onze eerste ruzie.’ Ze glimlacht terug, nu, alleen. Dan legt ze het boek rustig neer.

...

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

25 jul 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket