Het postpakket

JokeG
21 mrt 2025 · 0 keer gelezen · 1 keer geliket

Hoofdstuk 1
Ieder dag rond elf uur kwam postbode Jan langs bij mijn
huis. Hij bezorgde ons dan onze brieven, kranten,
reclameblaadjes en – het leukste van al – postpakketjes.
Hoewel ze lang niet altijd voor mij waren bedoeld, vond
ik het heerlijk om de doos open te maken en er nadien
iets mee te knutselen. Onze hond had zo al vijf speelse
huisjes gekregen; één in de vorm van een raket, twee
‘gewone’ huisjes met een deurbel en bloembakken aan de
voorgevel, één in de vorm van een gsm met allerlei
knopjes en schuivers er op bevestigd en een laatste die
dienstdeed als brandweerkazerne. Die moest hij wel
delen met mijn brandweerauto’s – en poppetjes, waarbij
hij geregeld uit zijn slaap wakker schrok van luide
sirenes.
De andere opengemaakte dozen van de postpakketten
stonden her en der verspreid in het huis. Die hadden een
nieuwe opdracht gekregen als juwelenhouder in mijn
mams kamer, als sokkenmonstervanger in de badkamer
of als losse muntenverzamelaar in de inkomhal. Maar de
allerleukste creatie vond ik persoonlijk mijn eigen
speelkeuken!
Die stond naast de echte keuken en telkens wanneer één
van mijn ouders eten maakte, kookte ik lekker mee in
mijn zelfgemaakte kartonnen keukentje. Met opgerolde
gekleurde papieren kokers die dienstdeden als sausjes,
gele reepjes sponzen die frietjes moesten voorstellen en
confetti ’s voor de kruiden.
Ik vond het heerlijk om zo te knutselen. Maar het moest
wel altijd mijn idee zijn. Als mijn ouders met een
voorstel kwamen om iets te maken, keurde ik het steevast
af. Ik was immers de slimme van het gezin! Ik had de
goeie punten op school en won steeds met de spelletjes
die we speelden. Nee hoor, ik liet me niet van de wijs
brengen!

Die ene dag keek ik nog meer uit dan anders naar de
komst van postbode Jan. Want mijn moeder had een
nieuw koffiezetapparaat besteld, welke in een grote doos
geleverd zou worden. Daar kon ik me vast uren mee
bezig houden. Ik had al een heel lijstje vol ideeën in mijn
hoofd.
Ik stond bij het raam op de uitkijk. Wat duurde het
wachten lang! Nog vijf minuutjes en postbode Jan zou er
zijn! Ik schuifelde heen en weer van de spanning en
sprong enkele keren hoog in de lucht. De hond keek me
vreemd aan maar dat kon me echt niets schelen. Die wist
er ook helemaal niets van! Dat hij maar gewoon blij
mocht zijn met al de huisjes die ik voor hem maakte.
Nog twee minuten... ik hield het bijna niet meer en ging
snel nog even naar het toilet. Stel je voor dat ik net in
mijn broek plaste als postbode Jan voor de deur stond.
Misschien kwam die dan wel nooit meer terug! Nee nee,
dan mocht echt niet gebeuren!
Elf uur! De postauto kon ieder moment aanrijden! Oh, zo
spannend!
Maar... er kwam helemaal niets. De straat was nog net zo
leeg als ervoor; geen voorbijgangers met blaffende
honden, geen zwervende poezen in de voortuintjes en
ook geen postauto’s met postbode Jans erin!
De klok tikte genadeloos verder; vijf over elf. Dit was
vreemd. Postbode Jan was nog nooit te laat geweest! Was
hij ziek? Of misschien had hij zich wel verslapen?
Als de klok kwart over elf aanwees, voelde ik een lichte
paniek over me heen gaan. Dit was niet normaal! Maar
wat kon ik eraan doen? Ik kon hier toch het postkantoor
niet voor opbellen met de vraag waar die verdomde
postbode nu toch bleef? Nee, ik moest leren geduld te
hebben. Hij zou wel komen.
Ik hoopte maar dat mijn moeder een extra large
koffiezetapparaat had besteld! Dat mijn geduld werd
beloond!
Tegen half twaalf kwam hij dan eindelijk aan; de rood-
witte postauto met het gekende logo op. Postbode Jan
stapte uit, samen met een andere ongekende man.
Vreemd; normaal was hij altijd alleen. Maar misschien
had hij die dag wel zin in wat gezelschap? Zo heel de tijd
alleen op de baan zijn, was ook niet fijn.
Maar de mannen leken helemaal niets met elkaar te
hebben. Ze zeiden niets tegen elkaar en keken elkaar
amper aan. Daarbij had postbode Jan een erg bedrukt
gezicht. Ik had nog nooit eerder zijn fronsrimpels zo
aanwezig gezien. Meestal lachte hij en grapte erop los.
Maar die keer was er duidelijk iets anders aan hem!
Samen met de andere man ging hij naar de koffer van
zijn auto, haalde er een groot pakket uit (joepie!) en
stapte richting mijn huis. Nadat hij had aangebeld, duwde
hij het pakket in mijn handen, zonder me aan te kijken en
stapte weer weg. De andere man week geen meter van
zijn zijde. Verbaasd als ik was over hoe postbode Jan zich
gedroeg, wist ik niet wat te zeggen en keek de twee
mannen heel lang na. Ze stapten terug in de postauto en
reden zwijgend naar het volgende huis. Daar gebeurde
hetzelfde; bezorging van de post zonder een dag, zonder
gepraat, zonder aankijken. Dat was helemaal niet hoe ik
postbode Jan kende. Hier was duidelijk iets aan de hand!

“Nick?”, vroeg mijn moeder. “Wie was er aan de deur?”
Ja, wie nu? Wat een domme vraag. Mijn moeder wist als
geen ander dat ik enkel de deur opendeed voor de
postbode. Verder bleef ik er ver van weg want je wist
maar nooit wie er aan de andere kant stond. Ik had
genoeg griezelfilms gezien om dat te weten! Maar slim
als ik was, wist ik ook wel dat mijn moeder dit gewoon
vroeg om een gesprek aan te knopen.
“Postbode”, mompelde ik terug naar haar.
“Oh! Had hij mijn pakket mee?”
“Hmmm.”
“Maak maar open als je wilt!”
Ik sloot de deur en legde het grote pakket op de
keukentafel. Voorzichtig maakte ik met een schaar de
naden van de doos los en haalde er een zwarte koffiezet
uit, samen met heel wat isomochipjes. Ze vlogen over de
hele grond en ik raapte er enkele op om ze in een potje te
zetten in mijn kartonnen keukentje. Die konden later
goed dienstdoen als kroepoek of misschien wel bananen.
Dan moest ik ze enkel nog even geel kleuren.
Nadat de hele doos was leeggemaakt, nam ik ze mee naar
boven en smeet ik ze in een hoek van mijn kamer.
Op mijn bed vroeg ik me af wat er aan de hand was met
postbode Jan. Waarom zei hij me geen dag of vroeg hij
me niet hoe het ging met mijn nieuwe fiets die ik vorige
week voor mijn verjaardag had gekregen? Hij had hem
me zelf bezorgd en wist het dus heus wel goed genoeg!
Daarbij kleurden ballonnen en slingers ons huis van
buitenaf en het cijfer ‘acht’ hing tussen twee bomen van
onze voortuin te bengelen. Je kon er gewoon niet naast
kijken dat er iemand jarig was! En buiten enkele
denkbeeldige vriendjes en mijn trouwe hond Fibuks,
waren er geen andere kinderen bij mijn thuis. Het was
dus overduidelijk dat ik de jarige was! Al bleken
sommige mensen nog dommer te zijn dan ik soms dacht.
Maar niet Jan, die was nog best slim voor zijn leeftijd.
Natuurlijk niet zo slim als ik, dat kon ook niet.
Maar dat zou hij wel doorgehad hebben! Er was dan echt
iets aan de hand met hem! Zou zijn vrouw zwaar ziek
zijn geworden of - erger nog – hijzelf? En dan was die
man die met hem mee was misschien wel zijn dokter die
hem nauwlettend in de gaten hield? Dat moest het vast
wel geweest zijn!
Ik voelde de spanning in me weer langzaam naar beneden
glijden en sprong mijn bed weer af om de doos te grijpen.
Ik bekeek hem langs alle kanten en liet mijn fantasie de
vrije loop gaan. Een gevangenis voor mijn
schurkenpoppen? Of een legerbasis in de woestijn? Wat
zou ik er eens mee maken?
Maar op het moment dat ik de doos omdraaide om na te
gaan hoe stevig de bodem precies was, merkte ik er een
vastgekleefd briefje op. Het was een klein geel gestreept
briefje met slechts vier letters op. Maar wel vier letters
die mijn hele lijf deden beven. Die alle waakzaamheid in
mij liet stromen en me meteen in een speurneusrol zette.
“HELP!”, stond er geschreven.

Hoofdstuk 2
Na de onrustwekkende ontdekking van de letters op het
gele briefje, fietste ik meteen naar mijn beste vriend Lars.
Bij aankomst aan zijn huis, smeet ik mijn
spiksplinternieuwe fiets in de struiken en rende via de
achterdeur naar zijn kamer. Mijn voetstappen klonken als
een kudde olifanten en gonsden door het hele huis.
“Alles in orde, Nick?”, vroeg Lars mama, die me
bovenaan de trap tegenhield. Ze moet gezien hebben dat
er iets gaande was.
Ik was buiten adem van het hevige fietsen en geren en
probeerde me tussen haar door heen te wringen naar
Lars’ kamer.
“Ja ja”, hijgde ik, “gewoon een... schooldingetje.”
“Moet je daarom als een gek de trap op rennen?”
Lars moeder schudde haar hoofd, liet me door en ging
naar beneden. “Gekke kinderen toch.”
“Lars! Ik heb je hulp nodig!”, riep ik meteen toen ik zijn
kamer binnenging.

Lars lag languit op zijn bed met zijn ogen toe en een
zwarte hoofdtelefoon op zijn oren. Zijn dekbed lag
opgefrommeld aan het voeteinde en snoeppapiertjes
lagen ter hoogte van zijn kussensloop, die half uit het
kussen hing. Lars was nooit echt een Pietje precies
geweest, in tegenstelling tot mezelf. Ik kon me er vaak in
storen dat zijn gebruikte kousen nog lagen te stinken op
net hetzelfde plekje als een week ervoor. Of dat zijn
cursusblokken van de klas vol inktvlekken hingen of
strepen typex. Op dat vlak waren Lars en ik helemaal
verschillend - en uiteraard ook op gebied van
intelligentie. Ik bedoel; ik sorteerde mijn kledij in de kast
op kleur en wist precies waar alles lag in mijn kamer.
Zelfs het speelgoed dat ik als kleuter kreeg van mijn
grootouders, had een keurig plekje gekregen in de lade
onder mijn bed; netjes naast elkaar gelegd, stofvrij.
Ook op vlak van karaktertrekken hadden Lars en ik zo
onze verschillen. Ik hield van rust en dingen bijleren, hij
werd wild van ruige muziek en meisjes. Maar het was net
die combinatie dat ons “ons” maakte. Zijn losgeslagen
prepuberbrein in samenstelling met mijn afgebakend
nerdgehalte, zorgden voor heel wat hilariteit. Hij begreep
me en leerde me in contact komen met de buurmeisjes.
En ik leerde hem over ruimtefiguren en hielp hem met
zijn stemprojecten op school. Het klikte al meteen toen
we elkaar voor de eerste keer in de kleuterschool zagen.
We werden al gauw partners in crime en bezorgden de
juffen grijze haren toen we het ene duivelse plan na het
andere uitvoerden. Hij bedacht het kattenkwaad en ik
plande en organiseerde het zorgvuldig. Het paste perfect
in elkaar!
“Lars!”, riep ik wat luider, wetende dat hij me anders niet
zou horen door zijn luide muziek heen. Om niet nog een
keer te hoeven roepen, wiebelde ik ook meteen wat aan
zijn benen. Daarop verschoot hij en ontwaakte weer
stilaan uit zijn droomwereldje waar hij zonet verbleef.
“Heu...wat?”
“Lars, er is iets verschrikkelijks gebeurd! Postbode Jan is
in gevaar!”
Nadat ik hem over het gele briefje had verteld met de
zorgende boodschap op, zette hij zich recht uit zijn bed
en smeet zijn hoofdtelefoon van zich af.
“Meen je dat nu?”, vroeg hij vervolgens.
“Kijk dan!”. En ik liet hem het gele briefje zien.
“Wow, dit is groots, man!” Hij blies zijn adem zwaar uit
en liet zijn handen op zijn hoofd rustten. “Wat moeten we
nu doen?”
We lieten ons beiden op zijn bed zakken en zaten een
tijdlang zwijgend naast elkaar.

“We moeten het onze ouders vertellen!”; schreeuwde
Lars plots.
“Nee nee, niet doen! Die bellen dan vast meteen de
politie en je weet wat er dan kan gebeuren. Boeven
houden niet van politiemensen en schieten dan vaak het
slachtoffer zonder pardon neer! Nee, da’s geen goed idee!
Het is zelfs dom!”
“Maar wat moeten we dan?”
“Er zit maar één ding op; we moeten zelf op onderzoek
uit!”
“Maar hoe? We hebben niets om ons te beschermen! En
we weten niet eens waar te beginnen.”
“Daar heb je gelijk in. Hoewel ik alvast zou beginnen
met naar het postkantoor te gaan.”
“Om wat te doen?”
“We tekenen de man na op papier, die bij postbode Jan
was en vragen daar of ze hem kennen.”
“En dan?”
“Weet ik niet.”
Ik sloeg mijn handen op mijn benen en zuchtte.
“Misschien is het toch niet zo’n goed idee?”
Het was de eerste keer dat ik dat moest toegeven. Het
deed pijn en ik was wat beschaamd.
Lars leek dat wel in te zien en legde zijn armen om de
mijne, als troostend gebaar.
“Zullen we anders gewoon morgen even afwachten,
Nick?”, zei hij vervolgens rustig. “Misschien is het
briefje wel niet eens van hem?”
“Nee nee, hij gedroeg zich echt heel vreemd! Er is iets
aan de hand!”
“Oké, dan moeten we hem morgen alleen zien te spreken.
Ik kom morgenochtend naar jou toe tegen half elf en dan
wachten we die beide heren samen op. Als ze dan aan
komen stappen, probeer ik die andere man af te leiden en
kan jij intussen een praatje slaan met onze postbode.
Lijkt je dat wat?”
“Ja, ’s goed.”
“Top! Dan ga ik je nu terug weg moeten sturen, vrees ik.
‘k Heb zo afgesproken met Lieke van enkele huizen hier
verder.” Lars bloosde. “’k Denk dat ze ook op mij is...”
Ik zweeg en knikte zijn kant uit. Het had geen zin om er
verder wat van te zeggen want Lars was iedere keer
smoorverliefd en dacht telkens dat het voor altijd zou
duren. Om dan enkele dagen later boos en driftig zijn
voetbal tegen de muur te schoppen omdat één of ander
meisje het had uitgemaakt met hem.
Tja, iets met een reptielenbrein en oermenshandelingen
bij elkaar zeker? Een slimmerik als ik kon dat gewoon
niet bevatten. Ik hield me duidelijk met andere dingen
bezig.

De volgende dag stonden Lars en ik samen op de uitkijk.
Het was intussen weer elf uur gepasseerd. Net als de dag
ervoor was de postauto rijkelijk te laat. Opnieuw voelde
ik een zenuwslopend angstig gevoel door mijn aderen
gieren, bij iedere minuut die wegtikte. Mijn hart ging
sneller slaan en allerlei rampscenario’s speelden door
mijn hoofd. Lars keek me aan, knikte en staarde weer uit
het raam. Hij moet vast hetzelfde gevoeld hebben want
de ontelbare keren dat hij op zijn lip beet, kon ik niet
bijhouden. Gelukkig voor hem kwam de postauto net aan
voordat er stukjes vel van zijn lip loskwamen.
Alweer vergezelde de onbekende man postbode Jan. Dit
keer hield ik hem goed in de gaten en probeerde al zijn
uiterlijke kenmerken te onthouden; zwarte krullende
haren en een dikke opvallende snor boven zijn mond. Hij
droeg een jeansbroek met sportschoenen eronder en een
blauwe T-shirt met erboven een zwarte vest.
Lars rende naar de voordeur en trok me mee aan mijn
arm.
“Hou je aan het plan!”, zei hij vervolgens en rende de
twee mannen tegemoet.
“Hoi! Mag ik jullie wat vragen?”, vroeg hij toen hij naast
het duo stond.
Maar de onbekende man duwde Lars zacht aan de kant
en gebaarde dat hij door wou gaan.
“’t Duurt maar heel even! Ti’s voor ’t school!”, riep Lars
hen na.
Maar meneer snormans greep postbode Jan bij de arm en
begeleidde hem naar de koffer.
“Pak je spullen”, beval hij hem. En met de post in zijn
handen geprakt, stapte Jan met de andere man naar de
voordeur.
“’k Moet een interview doen over helden!”
Raak! Lars wist de man te interesseren! Hij draaide zich
om naar Lars, terwijl hij nog steeds de arm van Jan stevig
vasthield.
“Helden?”, knorde hij.
“Jaja, helden! Zoals u, toch? Iedere postbode is toch een
held? Niet dan? En zeker ééntje zoals u!”
De interesse groeide en de man stapte op Lars af. Dit was
mijn moment! Ik stapte naar postbode Jan toe en keek
hem aan. Er was een kort oogcontact waarop ik duidelijk
kon zien dat er iets grondig mis was! Jan keek me aan
met grote droevige, blauwe ogen terwijl de andere man
zich tot Lars richtte. Ik kon niets vragen aan Jan want de
andere man stond nog steeds naast hem en leek niet van
plan te zijn hem gauw los te laten. Dus stak ik mijn duim
naar hem op om op die manier te vragen of alles wel ok
was. Daar schudde hij kort “nee” op.
“Ik ben inderdaad een held, ja. Maar dat gaat jou
helemaal niets aan! Dus rot op met je schoolprojectje en
laat ons vooral met rust!”
Lars schrok van deze wrede reactie maar gaf het niet zo
gauw op en richtte zich verder tot Jan.
“En jij, Jan? Wil jij er wat over vertellen?”
Maar nog voor die arme man iets kon antwoorden, greep
de andere man in.
“Genoeg! Jan en ik moeten werken. Hier is je post en nu
ophoepelen maar!” en hij duwde de post in mijn handen.
Boos nam hij Jan weer mee naar de auto en reed weg.
Ditmaal snauwde hij iets naar de postbode en leek hem te
waarschuwen met een wijzend vingertje. Jan keek
schuldig naar beneden en reed weg.
“Zie je wel?”, schreeuwde ik naar Lars. “Er is iets niet
pluis!”
“Je hebt gelijk, Nick. Vlug, laten we hen volgen!”
En voordat ik nog maar een ander plan kon bedenken,
liepen Lars en ik achter de postauto aan, ons half
verstoppend achter geparkeerde auto’s. Althans dat was
het plan want na twee straten waren we zo moe geworden
dat we onze achtervolging moesten staken. Onze slechte
conditie was iets wat we wél gemeen hadden. Helaas.
“Nieuw... plan... nodig!”, hijgde Lars. “Morgen kleven
we... een tracer... onder de auto.”
“Tracer?”
“Je weet wel... zo’n ding waarop we ...op onze telefoon
kunnen zien...waar de auto naartoe...rijdt.”
“Juist ja! Maar heb jij dat dan liggen?”
“Geen zorgen. Ik vind...er wel één! Mijn vader is
toevallig...nog in het leger geweest...weet je nog wel? Ik
durf te wedden dat... ik vast wel zoiets vind... in zijn
spullen...op de zolder.”
“Zal hij er niet boos om worden?”
“Maakt niet uit! Onze postbode...heeft ons nodig en da’s
belangrijker dan...een straf! Maar euhm...”
“Wat?”
Lars blies nu rustig enkele keren in en uit en leek zijn
ademhaling terug te vinden.
“We moeten voorzichtig zijn. We kunnen niet nog eens
zo dicht in hun buurt komen. Dan zal die andere man vast
argwanend worden.”
“Je hebt gelijk, Lars! Wauw en ik die dacht dat je st....” Ik
slikte mijn woorden snel weer in.
“Wat zei je?”
“Niets hoor!”
“Oké. We spreken morgen af bij het huis van Lieke. Zij
kan de postbodes even aan de praat houden bij de deur en
dan kleven wij dat ding onder hun postauto.”
“Klinkt goed. Enkel is Lieke dan ook wel op de hoogte.”
“We kunnen dit heus niet alleen, hoor!”
“Ook waar. Oké, ’s goed. Tot morgen dan!”
“Morgen!”

En zogezegd zo gedaan. Lars en ik verstopten ons in de
grote struik die aan de oprit van Liekes huis stond en
wachtten de komst van de twee heren af. Toen die twee
naar de voordeur van Lieke stapten, rende we snel onze
schuilplaats uit, kleefden het ding onderaan de auto en
holden snel achter de grote eikenboom aan de overkant
van de straat.
Lieke vervulde op haar beurt haar taak; als eerste
treuzelde ze enorm om de deur open te doen zodat we al
zeker enkele minuten hadden gewonnen. Vervolgens
hielde ze de mannen aan de praat door niet meteen de
post te willen aannemen en een heus gesprek aan te gaan
over hoe moeilijk de wegenwerken verderop wel niet
voor de postbodes moeten zijn en dat ze er vast heel wat
vertraging door opliepen. Toen de tweede man nadien de
post gefrustreerd in haar handen duwde, schakelde ze
over op plan B en deed alsof ze hevige buikkrampen
kreeg. Postbode Jan wou haar te hulp schieten en bewoog
zich richting haar. Maar de man met de snor hield hem
tegen.
“Maar zie je dan niet dat ze pijn heeft?”, vroeg Jan hem.
“Kan me niet schelen, da’s niet onze taak. Dat ze maar
een dokter belt!”
“Toe nu! Help me even terug naar binnen!”, smeekte
Lieke hun.
Jan keek de man bezorgd aan en uiteindelijk leek hij toe
te geven. Ze namen haar vast en leidde haar weer naar
binnen waar ze enkele minuten verbleven.
Goed gedaan, Lieke!
Toen Jan en de andere man weer aan de postauto stonden,
zich klaarmakend om weer in te stappen, hoorden we nog
een bot gesprek tussen hen.
“Waag dat nooit meer, Jan! Of het zal je spijten!”
“Sorry, maar dat arme meisje...”
“Denk liever aan je eigen vrouw! Je kent de gevolgen als
de mensen onraad zouden krijgen! Net daarom maak jij
ook gewoon je ronde iedere dag af. Net zoals je anders
deed.”
“Ja sorry, ik...”
“Goed dat ik je in de gaten houd. Je zou allang iets
geprobeerd hebben!”
“Niet waar! Ik zou mijn vrouw nooit in gevaar brengen!”
“Hahaha”, lachte de andere gemeen. “Dat heb je anders
net gedaan!”
“Nee, asjeblieft!”
Maar nog voor Jan iets meer kon uitbrengen, gebaarde de
heer met de snor Jan om in te stappen. Even later reden
ze verder naar de andere huizen en maakten ze hun ronde
af.
“Heb je dat gehoord, Lars?”, vroeg ik.
“Ja! Maar kom, we moeten ons haasten naar huis om hun
verdere route te volgen.”
Lars en ik reden op onze fietsen snel naar mijn huis en
volgden postbode Jan met de schurk via de geplaatste
tracer op de auto. Tot onze grote verbazing stopte die bij
de oude textielfabriek, aan de rand van onze stad. Wat
hadden ze daar te zoeken? Hielden ze daar de vrouw van
Jan gevangen?
Lars en ik keken elkaar angstig aan en zonder één woord
te zeggen wisten we wat ons volgende plan was. We
maakten een survivalpakket klaar met boterhammen
pindakaas, een thermos warme chocolademelk, een
verrekijker, een fluitje, walkietalkies en een fototoestel.
Onze gsm’s lieten we met opzet thuis, voor het geval ze
onze signalen er zouden opvangen en dus meteen onze
komst zouden opmerken. Even later zaten we weer op
onze fietsen en reden we richting de oude fabriek. Klaar
om de rest van de dag te observeren op een verlaten
industrieterrein.

Hoofdstuk 3
De grond voor de fabriek was helemaal bedekt met
kiezels en grind. Ik herinner me open kniewonden toen
ik er met enkele vrienden van de school – waaronder
Lars - na schooltijd kwam fietsen. We mochten er niet
komen, glipten via een geheim weggetje langs de
omheining en reden zo snel als we konden het terrein op
en neer. Het spel bestond er dan in om zo lang mogelijk
onzichtbaar te zijn voor de bewakingsagenten van de
fabriek. Eén keer was ik bijna gewonnen – of tenminste
dat dacht ik – toen de anderen alweer richting omheining
fietsten en een brede donkere man me langs achteren van
mijn fiets greep. Die gaf me een hele uitbrander en
dreigde mijn moeder erbij te halen als hij me nog eens
zag. Zijn diepe, schorre stem moet ook bij de rest indruk
gemaakt hebben want vanaf die dag gingen we fietsen op
de heuvel van het gemeentelijk parkje. Dat was lang niet
zo spectaculair maar zo’n nare kleerkast van een man
wou je echt niet nog eens tegenkomen! Althans ik niet.
Lars misschien nog wel, hoewel hij er bij mijn weten ook
niet meer heen was gegaan sindsdien.

We schuilden achter de grote laurierstruik die aan de kant
van de omheining stond. Vandaar hadden we een goed
zicht op het terrein.
“Goed, ik ga naar binnen. Hou je walkietalkie bij de
hand”, zei Lars na een tijdje.
“Oké. Maar euh... wees voorzichtig!”
Lars keek me bang aan, knikte ter geruststelling en sloop
op handen en voeten richting de omheining. Hij had
gestreepte camouflagekleuren op zijn wang geschilderd,
droeg een bruine broek en groene trui.
“Van m’n vader geleerd”, had hij gezegd. “Zo zijn we
één met de natuur en vallen we niet op.”
Het kon me niet veel schelen, of het nu waar was of niet.
Ik was allang op van de zenuwen vanaf het moment dat
we die tracer op de auto moesten plaatsen. Het was
waarschijnlijk het spannendste moment uit mijn hele
leven!
Lars was nu voorbij de omheining en rende over het
grind richting de zijgevel waar open ramen met stukken
gebroken glas hem een ingang boden. Zijn voetstappen
schuurden over de grond, terwijl ik roerloos naar hem
keek vanuit onze schuilplaats. Als niemand hem maar zou zien!
Even later klom hij door het open raam naar binnen en
verdween in het grote grijze gebouw dat vol graffiti was
beklad.
“Lars?”, riep ik door de walkietalkie. “Alles in orde?”
Maar buiten geruis en gefluit van enkele roodborstjes in
de struik, hoorde ik niets.
“Lars?”, probeerde ik nog eens.
Gelukkig antwoordde hij die keer wel! Ik zou anders
zowaar een hartinfarct gekregen hebben! Het zweet liep
van me af en mijn blaas stond op springen van de
spanning!
“Ja? Alles in orde, hoor! Ik ga binnen op verkenning.
Niets meer zeggen nu!”
“Oké!”
De minuten streken voorbij. Tien minuten werden een
kwartier en die sloegen over tot een halfuur. Het was
zenuwslopend. Gelukkig lag het terrein er nog altijd
verlaten bij, op de postauto van postbode Jan na. Stel je
voor dat er nog meer criminelen kwamen aangereden,
terwijl Lars daarbinnen was! Dat betekende zijn
doodsvonnis!
Eindelijk zag ik Lars weer uit het raam aan de zijgevel
naar buiten klimmen. Hij keek nog even voorzichtig om
zich heen en rende me weer tegemoet.
In onze schuilplaats bij de struik, vertelde hij me alles
wat hij zag.
“Postbode Jan is daar, samen met zijn vrouw. Ze zitten
beiden vastgebonden aan een stoel met een blinddoek
om. Ik hoorde één van de boeven praten over het
bezorgen van een geheime brief. Postbode Jan heeft
welgeteld vier dagen om dit in orde te brengen, anders
gaat zijn vrouw eraan!”
“Wablieft?”, vroeg ik bezorgd en angstig tegelijk. Dit kon
niet waar zijn!
“Echt waar! En ze leken er niet mee te lachen! Ze lieten
hun blinkende messen zien terwijl ze deze boodschap aan
hen overbrachten!”
“Maar dan...wat moeten we doen?”
“Ik weet het niet, Nick. Misschien dat we toch maar beter
de politie bellen?”
“Hmmm, ik weet niet....”
“We kunnen dit heus niet alleen! Of wil jij ook eindigen
als appelmoes misschien?”
“Nee, zot!” En ongerust wreef ik over mijn benen, om ze
zo te beschermen voor mogelijke aankomende
messteken.
Er viel een stilte. De vogels in de struik floten vrolijk
verder, zich van geen kwaad bewust. Waren wij toen ook
maar in die heerlijke zorgeloze toestand. Maar er hing
ons een zwaar misdrijf boven het hoofd. Een moord! Ik
werd misselijk van die gedachte en schuifelde wat heen
en weer.
“Ssst, zit stil!”, gebood Lars me. “Straks verraden we ons
nog!”
“Sorry...”
“Oké”, ging Lars verder." Jan had vier dagen de tijd. We
hebben hem eergisteren gezien, toch?”
“Hmmm.”
“Dat wil zeggen dat hij nu nog twee dagen overheeft,
toch?”
“Denk het, ja.”
“Dan hebben we dus geen tijd te verliezen! Kom mee!”
En voor ik het goed en wel besefte zaten we alweer op
onze fiets, richting huis.
Daar tekende Lars een heel plan uit over wat een
ontsnappingsactie zou moeten voorstellen. Hij schetste
op een groot wit blad alle mogelijke in – en uitgangen
van de fabriek, de boeven die hij er zag en Jan met zijn
vrouw. Pijlen verwezen naar elkaar en duidde mogelijke
rampscenario’s aan zoals dat één van de boeven ons
zouden volgen doorheen het open raam aan de zijgevel of
– erger nog - onze schuilplaats zou ontdekken.
Ik was erg onder de indruk van zijn indrukwekkende en
gedetailleerde plan en voelde me er zelfs wat beschaamd
bij. Waarom kon ik zo geen plan bedenken? Ik was toch
de slimmerik van ons beiden? Maar nee, het enige wat ik
kon voelen was angst. Als een klein jochie dat maar al te
graag huilend om zijn moeder wou roepen! Lars
daarentegen was misschien wel minder slim maar hij had
wél het lef! Dat moest je hem wel nageven! Al was zijn
plan lang niet zo waterdicht...

“Dus jij wilt langs dat open raam hier opnieuw langs
binnen gaan, de boeven knock-out slagen met je
baseballknuppel, Jan en zijn vrouw losmaken en dan
samen met hen naar huis rennen?”
Het leek me te absurd voor woorden – en vooral héél
gevaarlijk – maar bij gebrek aan een beter idee volgde ik
Lars maar.
“Ja! Goed hé?”
“Hmmm...maar wat als...”
“Kom op, Nick! ’t Lukt vast wel! Morgen gaan we!”
Ik wist niet meer wat te zeggen en fietste naar huis. Het
was intussen al bijna na vijven en als ik niet op tijd was
voor het avondeten, zou mijn moeder vast onraad ruiken.
Maar ik was niet op mijn gemak. De hele avond knaagde
het hele idee van Lars aan me. Zouden we dit nu wel
doen? Zouden we toch niet beter de politie bellen? Maar
dat kon ik toch ook niet maken, nadat ik dat idee Lars
eerder had afgeraden? Hoe ongeloofwaardig zou ik dan
wel niet overkomen? Dan nam vast niemand me nog
serieus! Nee goed, we zouden het dan maar zo proberen.
Mijn hart bonsde in mijn keel toen ik die avond in mijn
bed lag. De avond voor het gevaarlijke ontsnappingsplan
van Jan en zijn vrouw in uitvoering werd gebracht.
Misschien wel de laatste avond van mijn bestaan, dacht
ik toen. De laatste avond met een nachtzoen van mijn
ouders. De laatste avond liggend in een heerlijk zacht en
warm bedje.
De tranen rolden over mijn wangen. Ik was doodsbang.
En huilend viel ik in slaap.

Hoofdstuk 4
Tring!!! De zoemer van de wekker maakte luid en schel
geluid. Het deed pijn aan mijn oren en uit gewoonte sloeg
ik mijn hand naar het ding om het zo af te zetten. Gelukt!
Nu kon ik lekker verder slapen, het was dan ook geen
school, toch? Was het niet zaterdag? Niets speciaals
gepland vandaag?
Ik deed mijn ogen weer dicht en probeerde lekker verder
te snoezen. Tot plots een beangstigende gedachte in mijn
hoofd speelde: vandaag was dé dag! De dag dat ik samen
met Lars postbode Jan en zijn vrouw zou bevrijden!
Natuurlijk! Ik had zo slecht geslapen van de zenuwen dat
mijn brein niet meer helder kon denken en zowaar de
hele missie scheen te vergeten.
Ik schudde mijn hoofd, in de hoop het zo weer wakker te
krijgen, schoot uit bed en kleedde me snel aan. Mijn
opzichtige gele trui liet ik bewust over de stoel hangen en
in plaats daarvan volgde ik Lars’ voorbeeld; bruine met
groene kledij. Vooral niets opvallends!
Na een vluchtig ontbijt en een snelle “dag” aan mijn
moeder, fietste ik richting Lars. Die stond me al op te
wachten in zijn voortuin, met zijn baseballknuppel in zijn
handen.
“Waar bleef je nu?”, vroeg hij knorrig.
“Ja nou... Ik ben er nu toch?”. Ik was wat op mijn tenen
getrapt maar kon Lars langs de andere kant ook geen
ongelijk geven. Het was ongehoord om te laat te komen
op zulk een belangrijke dag!
“Kom snel!”, riep hij vervolgens en we scheurden
richting de fabriek.
Daar aangekomen, deden we precies hetzelfde als de dag
ervoor; ik stond op de uitkijk in de grote laurierstruik en
Lars ging op pad. Enkel de walkietalkies vormden een
veilige verbinding tussen ons, verder was er overal
dreigend gevaar.
Lars was binnengegaan en net als eerder, ging de tijd
tergend voorbij.
Ik verwachtte ieder moment een verlossend bericht langs
de walkietalkie of het geruststellend beeld van Lars die
Jan en zijn vrouw voorleidde op de parking naar de
uitweg van het terrein.
Maar niets was minder waar!
Ik keek gespannen vanuit de schuilplaats naar de oude
fabriek tot plots twee stevige armen me op mijn
schouders vastgrepen! Ik verstijfde van angst!
“Zo zo”, klonk een bekende diepe schorre stem. De
armen trokken me recht en draaide me om. En toen zag
ik de man die me jaren geleden die stevige uitbrander had
gegeven. Hij was nog even breed als toen, met donkere
haren en donkerbruine ogen. Zijn gezicht vertoonde een
diep litteken – waarschijnlijk van een eerder gevecht – en
zijn witte tanden vormden een gemene grijns.
Ik wist niet wat te zeggen, kon ook geen woord
uitbrengen en liet me meenemen richting de fabriek. Het
ging allemaal zo snel! Ik had zelfs geen tijd om Lars te
waarschuwen!

Even later stond ik in een donkere, lege fabriekshal.
Grijze bakstenen muren met spinnenwebben in de
hoeken, gaven kilte af en vormden het decor van een
onheilspellende plaats. Een plaats waar een misdaad zou
gepleegd worden. Eéntje waar ik in mee speelde! Ik
huiverde en durfde haast niet te bewegen.
Plots zag ik Lars tevoorschijn komen, ook vastgehouden
door een breed figuur. Hij moest vast dezelfde angst
gevoeld hebben want de durfal die hij anders was, leek
helemaal te zijn verdwenen. Hij staarde naar de betonnen
grond waar hier en daar enkele barsten te zien waren en
liet zijn hoofd moedeloos zakken. Het leek alsof hij me
zelfs niet durfde aan te kijken!
“Hier heb ik de andere”, zei de brede man die me had
gevangengenomen.
“Mooi zo! Pottenkijkers kunnen we echt wel missen!”
Ik herkende de stem en toen de man die Lars vasthield
dichterbij kwam, herkende ik hem meteen; het was de
man die postbode Jan vergezelde op zijn dagelijkse
postronde!
“Maak ze maar meteen af”, gaf hij bevel aan mijn
bewaker. “Maar doe het onopvallend. Het laatste wat we
willen is nog meer sensatie!”
“Komt in orde, baas!”
En de man achter me maakte zijn rechterarm van me los,
greep me des te steviger beet met zijn linkerarm en trok
Lars uit de handen van Hendrik. Hij leidde ons naar een
andere donkere kamer, ergens helemaal achter in het
gebouw. Een kamer waar ik nog nooit eerder was
geweest, ook niet toen ik met de jongens me ging
verstoppen in de fabriek tijdens onze fietsavonturen op
het terrein.
Het was er nog killer dan in de hal waar we net waren.
We werden met onze ruggen tegen de muur gezet. Ik
greep zo snel als ik kon Lars vast en huilde. Lars huilde
met me mee. We wisten beiden dat dit het einde was. We
kwamen hier nooit meer levend uit!
De man lachte ons uit, nam zijn wapen uit zijn broekzak
tevoorschijn en maakte het klaar om te schieten.
Net zoals in de film of boeken die ik eerder las, gingen de
mooie momenten die ik beleefd had in mijn leven, in een
flits aan me voorbij. Als een soort sneltrein van
herinneringen. Alsof ze me wilden zeggen dat het goed
was zo, dat ik best een mooie tijd gehad heb en ik niet
bang hoefde te zijn. Maar ik was wèl bang! Doodsbang
zelfs! Was ik maar niet zo eigenwijs geweest en
toegestemd met Lars om de politie te bellen. Door mijn
stomheid bracht ik nu ook zijn leven in gevaar!
“Het spijt me, Lars!”, huilde ik. “Ik had naar je moeten
luisteren.”
Maar Lars zei niets, keek me zelfs niet aan en liet zijn
tranen de vrije loop.
Net op het moment dat de bandiet zijn pistool op ons
richtte, vloog de deur van het kleine kamertje wijd open.
“Handen omhoog!”, werd er luid geroepen.
Twee mannen in een donkerblauw uniform en met een
kepie op, kwamen de kamer binnen. De boef schrok,
draaide zich meteen om en liet zijn wapen vallen.
In een mum van tijd overmeesterde de politie de schurk
en nam hem gehandboeid mee.
“Alles ok, jongens?”, vroeg één van hen ons. Hij stapte
op ons af, maakte het touw achter onze rug los en leidde
ons weer naar buiten.
Nog wat verdwaasd van wat er net was gebeurd, en ook
half in shock, wist ik geen woord uit te brengen. Ik liet
alles maar gebeuren en volgde de blauwe uniformen met
Lars naast me.
Eénmaal buitengekomen op het grindterrein, zag ik een
viertal politieauto’s staan met hun blauwe zwaailichten
aan. Uit de verst geparkeerde auto stapten mijn ouders uit
en renden naar me toe. Ze omhelsden me hevig en aaiden
me over mijn hoofd. Ook Lars ouders waren aanwezig en
hem onderging hetzelfde liefdevolle lot.
“Och jongens, toch! We waren zo ongerust!” zei mijn
moeder uiteindelijk, met heel wat gesnotter erbij.
“Gelukkig had Lars een briefje op tafel gelegd dat we de
politie moesten bellen met het adres van de textielfabriek
erbij! Dat was héél slim van je, jongen! Wie weet wat er
anders was gebeurd!”
Zo! Toen snapte ik eindelijk hoe de vork in de steel zat!
Ik begreep plots hoe het kwam dat die politie daar ineens in dat kleine
donkere kamertje ons kon bevrijden van een vreselijke
dood.
Ik draaide me om naar Lars, huilde nog harder en
knuffelde mijn vriend als nooit tevoren.
“Sorry”, zei ik nogmaals. “Je bent duidelijk veel slimmer
dan ik!”
Lars lachte en legde zijn armen ook op mijn rug.
“Wist ik langer!”, plaagde hij me.
Ik moest meelachen, deels ook van ontlading natuurlijk
van de goede afloop.
“Vrienden?”, vroeg ik hem nog.
“Voor altijd!”
Even later werden ook Jan en zijn vrouw naar buiten
geleid door de politiemannen. En twee politievrouwen
brachten de schurken naar hun auto, die van daaruit
doorreed naar de gevangenis.
En zo zijn mijn vriend Lars en ik ontsnapt aan een
spannend maar gevaarlijk avontuur!

En vanaf die dag zette ik mijn trots opzij en luisterde
ik ook naar andere mensen hun goede raad. Want samen
weet je écht wel meer dan alleen!

EINDE

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

JokeG
21 mrt 2025 · 0 keer gelezen · 1 keer geliket