Lezen

onderhuids 2

  De vrouw kwam echt niet terug. Daar was ik van overtuigd toen ik al een week op het gras voor het apartment wachtte. Iets anders kon ik het niet noemen. Soms glipte ik naar binnen en stal net genoeg geld van mijn ouders om batterijen te kopen. Dubbel A. Die stak ik dan in mijn gameboy en kon ik verder spelen. Er lag wel altijd ergens wat geld. Ik zocht in jassen en lades en als die bronnen uitgeput waren durfde ik zelfs in de spaarpot te graaien. Het was een kleine porseleinen pot waar wisselgeld zat om brood te kopen. Ik hield van het gevoel een zak vol kleingeld te hebben. Als een zak steentjes voor een ballon drukte me het op de aarde. Is geld niet de ultieme geluksbrenger? Ik keek af en toe op en inspecteerde de passerende wagens. Geen enkele sportwagen voldeed aan de criteria. Soms kwam een vriend. Die gooide zijn bmx op de grond en zette zich langs me. Hij speelde ook op de gameboy maar zei nooit veel. Om kwart voor zes stapte hij op en verdween uit mijn blikveld. Om zes uur ging ik naar huis. Ik telde nog steeds de trappen. En ik bekeek nog steeds aandachtig de tekening die ik aan de deur had geplakt. Eens ik zeker was dat die echt van mij was, ging ik naar binnen. Soms stelde ik me voor dat er zo een andere tekening geplakt was tegen een deur dat veel op de onze leek. En iemand dat veel op me leek maar niet was, deed hetzelfde. Ik denk dat ik uiteindelijk iets van de vrouw had vernomen. Of misschien toch een echo van haar. Toen ik ging fietsen zag ik een auto. Hij lag verlaten op een parking. Op de ruit stond een vuil papiertje. En ik voelde iets. Het leek wel of mijn geest zich terugtrok naar een donker hoekje in mijn hoofd. Ik zag mijn eigen hand in de felle middagzon grijpen naar het papiertje. Mijn handen opende voorzichtig het vermorzeld papiertje en zette het voor mijn ogen."Sorry voor de krassen."Meer stond er niet op, maar ik stelde me voor hoe het meisje met de sportwagen hier langs was gekomen. Hoe ze snel een brief achterliet. Pas nadat ik fantaseerde over hoe ze het briefje schreef, kwam ik terug tot mezelf.  Ik zat weer in mijn lijf. Ik opende en sloot mijn ogen, mijn handen. Ik sloot mijn mond. Alsof ik bang was mezelf uit te ademen. Tot ik als een lege schelp zou achterblijven naast de verlaten wagen. Misschien stootte ooit wel iemand tegen me aan, en propte dan een papiertje in mijn mond. "Sorry voor de krassen."

Stelselmatig
3 0

In het spoor van verwondering

"Snel, klauter omhoog.” kirde ze. Enthousiast bewoog ze en wees, op een manier dat ze niet naar beneden tuimelde. Ze leidde enkel met haar scherpzinnige blikken en handgebaren haar broer de weg naar de top. Die bereikte hij verbazingwekkend snel voor een zevenjarig ukkie. Hij zette zich voorzichtig naast zijn zus neer. Hoog verstopt in de toppen zaten ze veilig, leunend tegen de ruwe stam van de zomereik. Reikhalzend tuurden ze over de boomkruinen, naar het uitgestrekte landschap dat zich voor hun ogen kenbaar maakte. Het betoverde hen. “Welke geheimen verbergt dit allemaal?”, dacht Simon bedeesd, al speelde er een kleine grijns om zijn lippen, die volledig wees op een naderend avontuur. Hasse liet haar blik meevoeren, mee met de pikzwarte raaf, die zich loom liet meedrijven op de warme luchtstroom. Het vloog haast tegen de late zomerzon aan, maakte haar kinderlijke fantasie haar wijs. “Psst!”, een hand zwaaide voor haar ogen. Simon haalde haar uit haar dagdromen. “Hasse, kijk.”, fluisterde hij haar toe, zijn pientere ogen straalden.  Simon wees trillend van opwinding naar een plek vlak onder hen. Hasse’s ogen scanden de dichtbegroeide omgeving en reikten naar de open vlakte verderop. Rechts van haar zag ze een frivool fladderende vlinder. Een bont zandoogje, wist ze. Het vloog lustig in het rond, tot het landde verder weg.  Toen zag ze het. Simon’s ogen kleurden in allerlei tinten, vol verwondering. Daar liep het. Een schim, struinend doorheen de bomen, geen acht werpend op de twee mensenkinderen hoog verstopt in het nog dunne bladerdek. Het wurmde zich elegant door de lage begroeiing. Doorheen de duinen versnelde het van tempo. Alsof het zich haastte om de laatste toegangspoort die de weg tussen land en zee scheidde te bereiken. Sporen waren het enige wat het achterliet, ook al verdwenen deze al even snel als ze achtergelaten werden. De scherpe zeewind kende geen genade en nam alles wat op haar pad kwam met zich mee. Als een wervelwind belicht door de al laagstaande avondzon stuwde het de schim vooruit. Dat gaf het een verbazingwekkende kracht, of zo leek het toch voor Hasse en Simon. Of gaf het hen juist moed? Hasse zag hoe haar anders zo voorzichtige broer haast als een zwaluw naar beneden vloog. Een donkerbruine bos krullen was het laatste wat ze van hem zag. “Simon, wacht toch!”, maakte ze haar boos.  Met een laatste blik naar de hemel gericht, zag ze hoe een buizerd hoog boven haar zweefde. Het was alsof de roofvogel haar het vertrouwen gaf dat ze juist in dit onzekere moment nodig had. Met een lynx-achtige sprong, waarvan ze zelf niet wist dat ze deze bezat, landde ze op de zanderige ondergrond. Ze rende en rende, door de duinen die haar stevig vertraagden. Toch, was ze sneller dan ze ooit had durven dromen. Simon rende vrolijk verder. Hij had een doel, even vergat hij zelfs dat hij een zus had. Tot ze lachend en brutaal grijnzend hem voorbij stormde.   “Ik ben sneller, haha. Bedankt om me te vergeten.”, lichtjes nijdig stak ze haar tong uit en weg was ze. Simon remde zijn snelheid af en staarde licht beteuterd voor zich uit. Hij zag nog net hoe een paar stevige kuiten de heuvelachtige duin omhoog renden. “Pfff.”, hij wiebelde en viel. Een tapijt van lamsoor ving hem op. Met een knikje bedankte hij de zoutminners in stilte.  Eénmaal de top van de torenhoge duin bereikt, zag hij zijn zus rustig en dromerig voor zich uit staren. Puffend kwam hij tot bij haar en ze gebood hem om naast haar te komen zitten, zonder haar blik af te wenden van datgene wat Simon niet meer opmerkte. Tot hij keek en zag.  De schim liep op een draf langs de kustlijn. Het liep synchroon met de gloeiende zon, die verdween in de golven van de kalme zee. Ook al kwam de zeespiegel hoger dan ooit en hielden de dijken voorlopig stand, deze twee kinderen die opgegroeid waren in de buurt van het Zwin Landschapspark waren gewend aan de extremen waar ze werden aan blootgesteld. Toch, wie goed keek, zag in de verte - en overal - tekenen van een duurzame vooruitgang en ook vandaag, liet de biodiversiteit het niet afweten. Broer en zus zaten zo een hele tijd, naast elkaar leunend, tot de schim enkel nog maar een vage vlek was. Het donker viel, de sterren kwamen op en zij waren verzonken in het moment en in de gedachte dat wat ze vandaag hadden meegemaakt wel heel bijzonder was.

Zonsondergangdromen
35 0

Prinses Poezenpoot II

Mama’s maken heel veel fouten, vindt Flo. Het is haar een raadsel waar ze hun mamadiploma behaald hebben. Wie maakt er nu spruitjes voor lunch, en nog wel op een zondag? Met een boos gezicht prikt ze in haar aardappelen. “Op zondag horen we pannenkoeken te eten!” roept ze luid. “Niet zeuren,” zegt mama Anke vanuit de keuken, “je eet morgen op school al pannenkoeken.” Daar fleurt Flo van op. “Echt waar? Waarom?” “Omdat het knutselmiddag is,” zegt mama Stien, “jullie gaan pannenkoeken eten en zeepjes maken.” Ze fronst. “Niet tegelijk, hoop ik.” Sem giechelt. Flo is haar slechte humeur meteen helemaal vergeten. “Joepie, knutselmiddag! Toevallig zijn knutselmiddagen mijn favoriete dagen van de wéreld.” “Maar ze zijn nog leuker als je je spruitjes opeet,” merkt mama op. Flo trekt een gezicht. Nee, de mama’s begrijpen er helemaal niets van. Even later stormt ze de schuur binnen. “Goeiedag allemaal!” roept ze. “Ik ga morgen zeepjes maken!” Kling klang kling kletter! Prinses Poezenpoot en Gravin Gromsnuit komen meteen tevoorschijn. “Zeepjes? Wij willen ook zeepjes maken!” “Ja,” knikt de Gravin, “het is niet eerlijk dat jij elke dag leuke dingen mag doen op school, Flo. Wij zitten hier maar!” “Kunnen jullie niet naar de poezenschool?” Flo krabt in haar krullen. “De poezenschool! Dat kunnen wij allemaal al.” Prinses Poezenpoot likt verveeld aan haar pootje. “Maar zeepjes maken, dàt kunnen we niet. Dat willen we leren!” De volgende dag wipt Flo ongeduldig heen en weer aan haar schoolbank. Sommen maken, letters schrijven… Niks aan! “Wanneer is het zeepjestijd?” flapt ze eruit. De juf lacht. “Goed, Flo, je hebt gelijk. We beginnen eraan!” Al snel is de hele klas in rep en roer. Drieëntwintig kinderen die zeepjes maken, dat brengt wat chaos met zich mee. Al snel zijn alle tafels bedekt met roze, groene en gele spatten zeepsop. “Doe wel een beetje rustig,” waarschuwt de juf, “ik kan jullie vast horen tot aan de andere kant van de school!” “Ach juf,” zegt Emin, een kleine jongen met grote bruine ogen, “dat geeft toch niet! Dan weet de hele school hoe leuk het hier is!” Flo grijnst. Maar dan ziet ze iets aan het raam. Wat is dat? Het lijkt wel… een poezenpoot! Snel wrikt ze het raam open. Ja hoor: in de struiken voor de school zitten Prinses Poezenpoot en Gravin Gromsnuit. Ze zien er heel erg trots uit. “Wat doen jullie hier?” vraagt Flo geschrokken. “Dit is geen poezenschool!” “Wij zijn ook een beetje mensenkinderen,” de prinses stopt haar neus in de lucht, “en wij willen zeepjes leren maken!” Flo zucht. Ze kijkt naar de drukte in de klas. Zou het heel erg opvallen als ze de prinses en de gravin naar binnen smokkelt? Flo’s jas ligt onder haar tafeltje. Er zit een grote bobbel onder. De bobbel giechelt en hobbelt zo hard als hij kan. Flo heeft al wel drie keer gevraagd om stil te zijn, maar het helpt niks. Dan ontsnapt er plots een zeepbel aan de bobbel. En nog één. En nog één! Al snel zweven er zoveel zeepbellen door de klas dat de kinderen elkaar niet meer kunnen zien. “Nu zijn we de schuimklas!” gilt Emin, “veel beter dan de eendjesklas!” “Rustig, rustig,” probeert de juf, maar iedereen gilt en spattert erop los. Flo duikt onder haar bank. “Wat doen jullie nu? Heel de klas hangt vol zeepsop!” Prinses Poezenpoot snuift. “Ik kan er toch ook niks aan doen. Er komt de hele tijd zeep op mijn pootje, en die moet ik eraf likken. Daar komen bellen van.” “Stop er maar snel mee,” zegt Flo, maar daar wil de prinses niks van weten. “Poezen hebben geen zeep aan hun pootjes! Weet je wel hoe vies dat smaakt? Ik doe het niet voor mijn plezier, hoor!” De zeepbellen komen nu al bijna tot het plafond. Straks stromen ze de klas uit, de hele school onder! Zelfs juf kijkt nu ongerust in het rond. Zo meteen ontdekt ze de poezen, en dan zit Flo in de problemen! Ze denkt hard na. “Sorry poezen,” zegt ze dan, “dit is geen poezenschool. Kom maar eens terug als we gaan rekenen over visvijvers of blikjes kattenvoer!” Zonder op antwoord te wachten, grabbelt ze haar jas en loopt ermee naar het raam. De poezen zeuren de hele weg, maar Flo kiepert hen zò naar buiten. Al snel lossen de zeepbellen op, en wordt het weer rustig in de klas. “Zo,” juf haalt opgelucht adem, “dan is het nu tijd voor koek en fruit.” “Juf, kijk!” Kleine Emin wijst naar het raam. “Een bellenspoor!” Even later staan drieëntwintig kinderen met hun neus aan het raam geplakt. Allemaal kijken ze verwonderd naar het zeepbellenspoor, dat slingerend wegloopt van de school. Niemand weet hoe het komt, behalve Flo. Die giechelt zich een ongeluk!

Anke Vandoolaeghe
16 1

Prinses Poezenpoot I

Het is koud in Flo’s tuin. Heel koud. Bibberkoud! Zelfs met een muts en een sjaal rilt ze nog. Mama zei nog: je kan beter binnen blijven, Flo. Je vriest nog vast aan de grond. Flo hoopt maar dat het een grapje is. Ze heeft geen zin om vast te vriezen. Stel je voor! Dan moet ze in mama Stiens moestuin staan, en wachten tot die haar komt plukken in de lente. Nee hoor! Ze stapt zo snel ze kan naar de schuur. In de schuur is altijd avontuur. Daar wonen Flo’s beste vrienden! De poort kraakt en piept. Flo moet hard duwen, maar ze kan het wel. Eerst is er niet veel te zien. Het is donker en er ligt heel veel rommel. In de hoek staan twee ronde vuilnisbakken. “Ik ben het!” roept Flo. Klang kling kletter, het deksel van de eerste vuilnisbak klettert op de grond. “Ik heb eten mee!” Kling klang kletter, het deksel van de tweede vuilnisbak valt ook. Er komt een meisje uit de eerste vuilnisbak geklauterd. “Hehe,” zegt ze, “dat werd tijd. Ik dacht al dat je niet meer kwam!” “Niet zeuren hoor.” Flo zet een brooddoos op tafel. “Ik heb boterhammen met choco voor jullie!” “Boterhammen met choco?” Een tweede gezicht schiet omhoog uit de andere vuilnisbak. “Jammie, ik houd van boterhammen met choco!” Het meisje uit de tweede vuilnisbak ziet er een beetje gek uit. Ze heeft lang haar, donkere ogen en... een poezensnuit!  Flo schrikt er niet meer van. Ze kent Gravin Gromsnuit al lang. Het eerste meisje trekt een vies gezicht. “Bah, choco! Ik wil geen choco!” Lenig springt ze uit haar vuilnisbak. Je ziet niet meteen dat ze er anders uitziet: ze heeft een gewone snoet, twee benen, één arm... en één poezenpoot. Flo zucht. Prinses Poezenpoot heeft weer een van haar poezenbuien. Dan wil ze nooit eten wat Flo haar brengt. “Ik kan toch geen stukje vis voor jullie bakken. Dan weten de mama’s meteen dat jullie hier wonen. Dan gaan ze zeuren over kattenhaar op mijn trui, of poezenplas op mijn schoenen.” Gravin Gromsnuit trekt haar neus op. “Poezenplas op je schoenen! Niet van ons, hoor! Wij zijn nette poezen!” Flo smakt met haar lippen. “Oké, geen vis dan. Ik wil... een boterham met salami! Een lekker vleesje, jammie.” “Er is geen vlees in huis,” protesteert Flo, “enkel soms een stukje kip of vis. Zeker geen salami.” Prinses Poezenpoot haalt haar schouders op. Met haar poot tikt ze tegen de brooddoos. Die klettert op de grond. “Dan niet. Dan eten we maar niks.” “Tot we verhongeren,” jammert Gravin Gromsnuit, “heel zielig hier in de koude schuur...” Ze rilt, en er rolt een traan uit haar oog. Hij blijft hangen in haar snuit. Flo is een beetje boos. De koude schuur? Ze heeft speciaal de beste dekentjes uit de sofa gehaald voor haar vriendinnen! En gisteren heeft ze hen haar wanten nog gebracht. Toen mama Anke dat ontdekte, was er een heel gezeur. “Nu moeten we alwéér nieuwe wanten voor je kopen, Flo,” had ze gezegd, “dat is al je derde paar deze winter!” Alsof Flo er aan kan doen dat haar wanten steeds kwijt gaan. Ze vinden het vast gewoon niet leuk om een hele dag aan de kapstok te hangen op school. Flo zou ook op avontuur gaan als zìj dat moest doen. Prinses Poezenpoot geeft Gravin Gromsnuit een duw. “Je moet niet zo zielig doen. Flo vindt het helemaal niet erg dat wij hier verhongeren. Dat zie je toch zo?” “Oké, oké,” zegt Flo snel, “ik zal wel salami voor jullie halen.” “Joepie!” De poezen springen rondjes door de schuur. De prinses likt tevreden aan haar poezenpoot, en de gravin geeft Flo een kopje. “Ga nu maar meteen,” zegt ze, “dan kunnen we daarna een kamp bouwen in de tuin.”   “Ha, Flo,” zegt mama Stien als Flo uit de tuin komt, “voeten vegen hoor! Je laarsjes hangen vol modder.” Flo zegt niks. Ze hoort het maar half. Haar hoofd zit vol met het plannetje dat ze bedacht heeft: een boterhamplannetje voor de gravin en de prinses. Ze hoopt maar dat het haar lukt! “Heb je fijn gespeeld?” Mama Stien geeft Flo een aai over haar bol. “Weer een kamp gebouwd?” “Mag ik met Sem naar de winkel?” vraagt Flo. “Naar de winkel?” Mama Stien denkt er even over na. “Weet je de weg?” “Ja hoor! Aan de kerk naar links.” Flo hupst op en neer. Hopelijk mag het! “Goed dan.” Mama Stien neemt haar tas. “Hier heb je een beetje geld. Ga je broer maar halen.” “Joepie!” Flo huppelt de trap op. “Seeeeeem! We gaan naar de winkel!”

Anke Vandoolaeghe
11 1

Afscheid van de vlinder

Op een mooie lentemorgen in mei, zat de vlinder op de tak van de berkenboom. “Dag vlinder!”, zei de eekhoorn. “Wat ben jij er al vroeg, vandaag!” “Ja,”, zei de vlinder, “dat komt omdat ik wegga vandaag.” Met grote ogen keek de eekhoorn de vlinder aan. “Hoezo, weg?” De vlinder sprong wat dichterbij. “Ja, weg! Is dat zo vreemd misschien?” De eekhoorn dacht na, hij was nog nooit weg geweest. Misschien was het inderdaad niet zo vreemd. “Maar, waar is weg dan?”, vroeg hij. De vlinder dacht even na. “Weg, dat is voor iedereen op een andere plek. Voor een ooievaar is weg veel verder dan voor een kleine mus. Maar weg is altijd verder dan thuis.” De eekhoorn keek de vlinder aan en dacht na. Waar zou weg voor hem zijn? Misschien aan de andere kant van het grote berkenbos? Of nog veel verder, over de heuvel, achter de horizon of daar waar de zon ondergaat? De eekhoorn begreep wel dat hij de vlinder dan niet meer zo vaak zou zien! “En waarom ga je dan weg?”, vroeg hij. “Enkele dagen geleden, was ik nog een rups,”, zei de vlinder. “Toen ik nog een rups was, kon ik enkel kruipen zo ver ik kon. Nu heb ik vleugels en kan ik vliegen zover als ik wil! Niets houdt me nog tegen om mijn vleugels uit te spreiden en weg te vliegen. Het is tijd voor mij om een andere richting uit te vliegen!” “Maar ga ik je dan nog eens zien?”, vroeg de eekhoorn en hij keek de vlinder met grote ogen aan. Hij dacht aan al die keren dat ze samen waren. De eekhoorn en de vlinder konden uren samen doorbrengen, zonder zich te vervelen of ruzie te maken. De ene dag keken ze samen naar de zonsondergang of aten ze samen nootjes en blaadjes. “Weggaan is niet voor altijd,”, zei de vlinder.  “Want weggaan is geen afscheid. Als je weggaat, kan je altijd nog eens terugkomen. Als je weggaat, zal je altijd ergens vertrekken. Maar waar ik vertrek, bij jou, weet ik, dat ik altijd welkom zal zijn.” En zo zaten ze samen, in stilte, en keken naar de zon die boven de toppen van de berkenbomen uitkwam en het hele bos vulde met een schitterend wit licht.

IngridB
19 1

De vallei van de mist. Een hedendaags Japans sprookje

Hoofdstuk 1 Sunday, Monday , Tuesday, Wednesday , Thursday , Friday , Saturday. These are the days of the week, zing ik. Het is een Engels liedje dat ik in de kindergarten heb geleerd. Ik zing het altijd voor ik opsta. Ik ga later over de wereld reizen. Dan kan ik maar beter zo vroeg mogelijk beginnen met Engelse woordjes oefenen. Zondag, maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, za-ter-dag. Dat zijn de dagen van de week. Ik ga verre landen bezoeken, interessante mensen ontmoeten. Daarvoor heb ik Engels nodig en geld. Ik heb een spaarvarken waar ik de muntjes indoe die ik van mama en papa krijg als ik goede cijfers haal. Mijn eerste varken is bijna vol. Ik moet niet vergeten voor mijn verjaardag een nieuw spaarvarken te vragen. En geld! Als ik klaar ben met school heb ik hopelijk genoeg varkens bij elkaar gespaard voor mijn reis. Ik kijk op mijn mobiel. Het is nog vroeg. Ik kan nog even blijven liggen. Ik heb mijn rugzak gisteravond al ingepakt. Hij puilt uit als de buik van een hond die elk moment kan bevallen. Alle meisjes op school hebben een rode rugzak. De jongens een zwarte. We hebben de rugzak in bruikleen. Dus ik zorg goed voor hem. Eigenlijk had ik liever een zwarte gehad. Ik hou meer van zwart dan van rood. Op de eerste schooldag zei de meester dat ik best een zwarte rugzak mocht kiezen. Maar ik ben een meisje. Ik wil niet uit de toon vallen. Dus ik nam de rode. Ik win altijd met handje drukken van de jongens in de klas. Dan maakt het niet uit welke kleur je rugzak is. Ik ben een stoer meisje dat van zwart houdt, met een rode rugzak. Door de kier van het gordijn gluurt de zon naar binnen. Hij is altijd als tweede wakker. Eerst wordt oma wakker. Dan de zon. Dan mijn ouders. Ik sta als laatste op. Als ik voor de derde keer de dagen van de week wil neuriën gaat de wekker van mijn mobiel af. Als een soldaat die zijn uniform wil aantrekken, schiet ik uit bed. Maar tot mijn verbijstering zie ik dat mijn stoel leeg is. Mama legt elke avond mijn uniform klaar. Als ik opsta, kan ik hem dan gelijk aan. Mijn uniform is netjes gestreken en ruikt naar een wei vol viooltjes. Maar nu ligt hij er niet. Ik kijk naar de lege stoel alsof mijn uniform is ontsnapt. In paniek loop ik naar de slaapkamer van mijn ouders. Ze slapen. Nu raak ik nog meer in paniek. Wat is er aan de hand? Ik durf ze niet wakker te maken. Mama heeft een lach op haar gezicht. Papa snurkt als een stoomtrein. Snel ren ik naar beneden. De keuken in. Daar is oma bezig met aardappelen schillen. ‘Oma redt me!’ Oma kijkt me verbaasd aan.  ‘Heb je een geest gezien?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Waarom slapen papa en mama nog?’ Ze kijkt naar de grote klok die als een boos oog boven de ijskast hangt. ‘Goh, is het al zo laat!’ Ik kijk op de kalender naast de ijskast. Maandag 23 november staat rood aangegeven. Normaal hou ik meer van zwart, maar niet voor de dagen van de week. Een rode dag betekent namelijk dat we vrij zijn. Nu snap ik waarom papa en mama nog slapen. ‘Vandaag is door de kalender uitgeroepen tot Dag van de arbeid,’ lees ik hardop. ‘Goh!’ zegt oma. Ze kijkt nooit naar de kalender. In haar leven zijn alle dagen eender.  ‘We zijn vrij. Geweldig toch, oma?’ Oma stopt ineens met schillen. ‘Welke dag is het vandaag, zei je?’ ‘23 november.’ Haar ogen lichten op. ‘Vandaag is mijn broer jarig!’   Hoofdstuk 2 Ik wist niet dat oma een broer had. Ze kijkt geschrokken. Alsof ze iets is vergeten. Zoals het gas uitzetten. De laatste tijd vergeet oma wel vaker dingen. Maar niet dat haar broer jarig is. Dat wist ik zelfs niet. ‘Waar woont je broer?’ ‘In de vallei van de mist.’ Dat klinkt heel ver en mysterieus. Geen wonder dat ik haar broer nog nooit gezien heb. ‘Je moet hem deze enveloppe brengen.’ Ze vist een enveloppe uit haar schortzak. ‘Die ben ik vergeten te posten.’ ‘Een verjaardagsbrief?’ Ze knikt. Ik ben vrij, dus ik kan die enveloppe wel even brengen. Ik ben reuze benieuwd naar die broer van haar. ‘Hoe kom ik in de vallei van de mist?’ ‘Er gaat een trein naar de vallei. Ik breng je naar het station.’ Ze kijkt naar de klok. ‘We moeten nu gaan.’ ‘Nu! Maar ik heb nog niet ontbeten.’ Mijn maag knort. Hij heeft nog geen zin om te vertrekken. Oma schudt haar hoofd. 'Daar is geen tijd voor!' Ze wijst dat ik naar mijn kamer moet om me om te kleden. 'Anders ben je te laat,' Er gaat maar een trein naar de vallei van de mist. Hij vertrekt over een half uur.’ Dat klinkt reuze spannend. Ik ren snel naar boven om me aan te kleden. Ik trek mijn lievelingsjeans aan en mijn lieveling t-shirt. Op het shirt staat een doodskop. Een doodskop die lacht.  Hoofdstuk 3  Bij het station koopt oma een kaartje. ‘De vallei van de mist is de laatste halte. Als je aankomt, vraag je bij de man van het station naar mijn broer. Hij zal je de weg welwijzen.’ Ik wil oma nog zoveel dingen vragen. Hoe laat gaat de trein terug? Hoe heet haar broer? Hoe oud is haar broer? Woont hij alleen. Is hij aardig? Maar de conducteur blaast op zijn fluitje. Oma duwt me de trein in en stopt me snel wat eten toe. Ik kan oma nog net op tijd een kus geven op haar wang. Zoals papa zijn hanko in het rode kussentje drukt voordat hij mijn rapport afstempelt. ‘Snel, je moet gaan!’ ‘De trein gaat vertrekken! Alle reizigers instappen.’ Ik kijk links en rechts op het perron. Ik ben de enige reiziger. Het is de dag van de Arbeid. Mensen liggen nog te slapen.  Als ik zit, klappen de deuren dicht. De trein zet zich in beweging. Ik wuif naar oma. Als ze niet meer is dan een klein stipje is, stop ik met zwaaien. De trein rijdt langs groentevelden. Ik zie blauwe handschoenen op stokken die de vogels moeten weghouden van de groenten. Het lijkt wel alsof de handschoenen naar me zwaaien. Ik zwaai terug.  De trein rijdt langs rijstvelden. De planten zijn onder water. De velden lijken op zwembaden. Ik wuif naar de velden. We rijden door donkere, kronkelende tunnels die als aders door de bergen lopen. Als we de berg uitbreiden toetert de conducteur. De landschappen wisselen elkaar af. Ik dompel in. Als ik wakker word, zie ik dat de trein stilstaat. ‘De vallei van de mist!’ roept de conducteur af. ‘Dit is het eindstation.’ We zijn er! Ik stap uit. Tot mijn verbazing zie ik dat hierna geen spoor meer is. Alsof een kind een treinbaan aan het bouwen was, maar er ineens achterkwam dat hij niet voldoende stukken had om verder te bouwen. De trein kan niet verder.  Hij zal straks dezelfde weg terugrijden. Ik stap uit.  Ik voel in mijn jaszak naar mijn kaartje. Niemand is mijn kaartje komen knippen, realiseer ik.  Het perron is helemaal verlaten. Een eekhoorn springt voor mijn voeten het perron over. Plots houdt hij halte. Hij draait zijn kopje en staart me met glazige ogen aan alsof hij denkt:  ‘He, een mens? Wat doet die hier? Terwijl het  Van op veilige afstand wacht hij af wat ik ga doen. Ik buk en voel in mijn jaszak. Daar zitten de koekjes die oma me heeft toegestopt. Ik doe mijn handpalm open. De eekhoorn hopt naar me toe. Hij snuffelt aan mijn vingers. Dan pakt  hij een amandel in zijn handjes en knabbelt er aan. ‘Een tamme eekhoorn!’ denk ik verbaasd. Ik hem nog nooit een tamme eekhoorn gezien. Ik heb nog nooit een beest met zijn handen zien eten. Net als een mens! Als de eekhoorn klaar is met eten, hopt hij vrolijk verder. Ik loop door naar de gate. Er is maar een gate. Op een druk station zou dat een vreselijke opstopping veroorzaken. Maar hier  niet. De trein die aankomt is dezelfde trein die later vertrekt. Mensen komen en vertrekken nooit tegelijk. Ik gooi mijn kaartje in de gleuf. De gleuf slikt mijn kaartje in. Dat is schrikken. Oma heeft een enkeltje gekocht. Tot mijn schrik besef ik ineens dat ik geen geld heb meegenomen. Hoe koop ik nu een retourtje? Hoe kom ik ooit weer thuis? Ik voel in mijn jaszak. Daar ligt de enveloppe voor oma’s broer. Die helpt me vast. Ik voel in mijn jaszak waar mijn mobiel altijd zit. Daar voel ik alleen de brief. Ook dat nog! Ik heb mijn mobiel thuis laten liggen. (wordt vervolgd)

Margaretha Juta
0 0

Het meisje dat geluk wou vasthouden

Er was eens een meisje dat geluk wou vasthouden.   Ze vond vele sprankeltjes geluk. Sneeuw. Een regenboog in de zee. Knisperend haardvuur. Stokrozen. Veel likes op facebook. De smaak van foelie in peperkoek. Ze wist dat van haar oma, zij was ook een sprankel.   Ze had al eens geprobeerd om die sprankeltjes te bewaren, in een potje. Maar dat lukte niet goed. Wanneer ze diep viel, vulde haar hart zich met leegte. De sprankeltjes verdwenen. Vooral op ijzig koude decemberdagen, zonder sneeuw. Als ze naar het nieuws keek. Wanneer haar vriendin meer volgers had. Als ze bleef scrollen op haar smartphone. Wanneer ze zich slecht voelde, en ze zag hoe gelukkig anderen waren, was dat niet zo smart van haar. Ze vroeg zich af hoe ze geluk kon vasthouden. Op een nacht droomde ze dat ze een prinses was, die maar niet wilde wakker worden. Tot er plots een kikker haar wakker kuste. Die kikker kwaakte nog net voor haar ontwaken: “Ga bij de ochtendstond naar het bos, daar zal je antwoorden vinden op jouw vraag, kwaak.” Ze ging die morgen, voor dag en dauw, naar het bos. De zon kwam op, de maan wou nog niet gaan. Ze kwam een wezeltje tegen. Die vroeg haar: “Waar ga je naartoe, zo alleen?” “Ik ben op zoek hoe ik geluk kan vasthouden”, antwoordde ze. Het wezeltje keek haar een beetje verdwaasd aan. “Als jij dat weet, mag je het mij komen vertellen.” Dat stelde het meisje eigenlijk wel gerust, dat er nog een wezentje was dat het niet wist. Het pad kronkelde verder. Er kwam naast haar een lief heksje, met een rood kapje, vliegen. Ze leek wel te klein voor die grote bezemsteel. “Waar ga je naartoe?” vroeg het heksje. “Ik ben op zoek hoe ik geluk kan vasthouden.” “Ik kan je helpen,” zei het heksje. “Als je hoofd aan het dwalen is, zing dan dit versje. Het tovert jouw zorgen weg: Iene miene kou, ik hou van jou Ieze wieze wij, het spijt mij Iene miene kief, vergeef me alsjeblief Ieze wieze wel, dank je wel” En poef! Het heksje vloog bliksemsnel weer weg. “Dat moet ik onthouden!” zei ze tegen zichzelf.   Ineens kwam er pimpelmeesje op haar schouder zitten. Het had onderweg haar vraag gehoord, en zei: “In je hart liggen antwoorden, niet in je hoofd.” Het meisje wou een selfie nemen, wie zou anders geloven dat er een pimpelmeesje op haar schouder kwam zitten? “Maak maar een foto met je hoofd. En volg je hart!”, tweette het pimpelmeesje nog. Wat was die lief.   Op de kruising van twee weggetjes stond ze stil. Plots bengelde er een kruisspin boven haar hoofd, die zei: “Doe toch niet zo onnozel! Meisjes zoals jij, die moeten ze een veeg uit de pan geven.” “En waarom dan wel?!” Ze was altijd bang geweest van spinnen, maar deze maakte haar gewoon boos. “Omdat meisjes zoals jij nooit content zijn. Dan hebben ze alles, moeten ze nog klagen.”   Ze maakte dat ze zo snel ze kon wegkwam, weg van de stomme spin. Ze was in de war, struikelde over een steen en bleef even op de grond liggen. Toen kwam er vanachter een paddenstoel, een kikkertje tevoorschijn. Net het kikkertje uit mijn droom, dacht ze. “Wat zie jij er bezorgd uit. Kom, geef mij een kus, dan geef ik het antwoord op jouw vraag!” Ze vond het wel grappig, maar geloofde het niet. “Nee, ik geloof niet in sprookjes,” zei ze al lachend. “Kwaak”, zei het kikkertje, “ik heb toch maar lekker een lach om je mond getoverd.”   Toen zag ze een uil op een tak zitten, die zei:  “We denken over geluk als over een schat vol goud. Dat we pas gelukkig zullen zijn, als we die hebben gevonden. Maar weet je eigenlijk dat je elke dag al goud vasthoudt?” “Maar waarom weet ik dat niet?”, zei ze vol ongeloof. “Omdat je er niet altijd aan denkt. En soms moet je geluk kunnen laten vliegen. Als een ballon. Het maakt dan heus wel iemand anders gelukkig.” “Maar ik weet niet of het nog zal terugkomen. Dan moet ik huilen.” “Je mag ook verdriet hebben, meisje, om wat niet meer is. Dat hoort erbij. En weet dan dat er altijd hoop is.” “Hoop?” “Ja, erin vertrouwen dat het leven nog altijd iets in petto heeft. De sneeuw, die smelt. De bloem, verwelkt. Niets is voor altijd. Toch komt alles altijd terug. Weet je, boven de wolken schijnt toch ook nog de zon?” Wat een wijze uil, mijmerde ze.   Ze stond recht en ging verder. Om de hoek zag ze uit het niets een peperkoeken huisje verschijnen. Het was net groot genoeg voor haar om erin te passen. Er lag papier op tafel, en een pen. In een kooi zat een gele kanarie. Het haardvuur knisperde. Dit moet magie zijn, dacht ze.   Ze zette zich aan het tafeltje en begon te schrijven. Ze schreef de woorden neer, nog voor ze ze bedacht. “Liefste diertjes en heksje, jullie waren mijn sprankeltjes goud vandaag. Ik heb gelachen. En lachen is goud waard. Ik heb me goed gevoeld door pure eerlijkheid. Ik ontdekte dat verdriet en geluk er altijd zullen zijn. En hoop, als je erop vertrouwt. Jij was niet leuk, spin. Maar door jou besef ik nog meer welke leuke wezentjes ik vandaag ontmoette. Ik vergeef je, zoals het lief heksje me leerde.   En kikker, het spijt me dat ik jou niet geloofde. Heel misschien, bestaan sprookjes wel, en ben jij wel mijn prins.”   Dan zette ze het kooitje open. De kanarie vloog weg. Ze liet het deurtje openstaan. Dit ga ik aan wezeltje vertellen. Want zo alleen met dit mooie verhaal, is ook maar alleen, dacht ze.   Ze ging naar wezeltje, en kuste onderweg naar huis, het kikkertje. En ze leefden nog lang, en af en toe, gelukkig.      

CasaSara
30 1

Die dag op Krubbo

“Astriebo, waar ben je?” “Hier, Zdragjebo, achter het smukdra.”“Waarom verstop je je daar? Ben je bang van iets?”“Neen, wat is er op Krubbo  om bang van te zijn? Ik speel enkel een spelletje met je. Het smukdra is ideaal om te verdwijnen en toch lijkt het totaal transparant.”“Kom nu maar achter dat scherm vandaan, ik praat liever met zichtbare wezens.”Dat smukdra-ding is wel geinig,  als je achter het scherm staat ben je totaal onzichtbaar. Astriebo houdt vol dat het van een andere planeet afkomstig is, maar hij weet niet dewelke. Keuze zat, want naast de blauwe, die het verst  van ons verwijderd is, heb je de rooie, de melkwitte en nog een twintigtal andere gevaarten in de ruimte, die net als Krubbo de naam planeet meekregen. De oudere Krubbonoren beweren dat onze lichtjarenverre oorsprong zou te vinden zijn op het minuscule blauwe bolletje.“Weet jij naar hoeveel planeten wij kunnen reizen, Astriebo?”“Neen, geen idee maar die groene, Waldbrow, daar wil ik met jou wel eens op vakantie.”“Dat kan, met de Holostar. Die reist naar vijf planeten.  De andere zijn te ver verwijderd.”“Zdragjebo, jij weet zoveel.  Als je op school een spreekbeurt moet geven over een onbekende bezoeker aan onze planeet. Wat zou je hem vertellen?”“Dan zou ik beginnen met Noz, de grote vuurbol, die Krubbo verlicht en verwarmt.  Verder zou ik spreken over de bevolking die in ronde metaalachtige sferen woont die ingedeeld zijn in een soort honingraten. Elke bewoner heeft zo een eigen kleine ruimte waarin hij slaapt en eet.  Uit een kraantje, gekoppeld aan een buizenstelsel komt een krachtig brouwsel.  Daar voeden wij ons mee. In een ruimte in het midden van de bol komen familieleden en vrienden samen om te praten of spelletjes te spelen.”“Heb jij een favoriet spelletje, Zdragjebo?”“Zeker, dat is ‘Mens erger je niet’, maar ik zou aan de bezoeker ook nog zeggen dat er naast de individuele bollen nog grotere bollen zijn waarin bijvoorbeeld onze school is ondergebracht  of waar allerlei groepsactiviteiten doorgaan.”“Ga je hem ook iets vertellen over Oerkabbo,  die grote vlakte waar dingen uit de ruimte vallen en waar wij op woensdagnamiddag dikwijls gaan spelen?”“Misschien houden we dat beter geheim. Wie weet waar een vreemdeling zoal op uit is? Mijn broer heeft eergisteren een rood stuk metaal gevonden met als opschrift: ‘Tesla Roadster’. Hij gaat het naar het museum brengen.”“Bedoel je dat museum waar ook die gouden plaat wordt getoond met die rare geluiden?”“Precies. Naar het schijnt zijn die geluiden wezens die praten.  Er staat ergens ‘Akkadisch tot Zweeds’ op vermeld. Dat zouden talen zijn.”“Is er tussen dat gebrabbel ook iets dat de Krubbonoren verstaan?”“Er is één passage die wij allemaal vlot verstaan: ‘Hartelijke groeten aan iedereen’.” (English version: see Bedtime.com)

Vic de Bourg
28 2

Rouw-Rauw

Wanneer je konijn sterft dan kan je hem nog zoveel strelen als je wil. Je legt hem in een doosje, schikt zijn pootjes en zijn oren netjes, aait zijn vacht en doet het doosje dicht. Je graaft een put, legt de doos voorzichtig neer, staat recht en vouwt plechtig je handen. Je denkt nog eens aan je konijntje, ziet hem nog huppelen in het gras. De gedachte aan zijn snuffelend neusje toveren een glimlach op je gezicht. Je bedekt de doos met aarde en plaatst op het bergje zand een paar mooie keien, een houten kruis en strooit wat bloemetjes in het rond. Je schildert de naam van je konijn op het kruis. Af en toe kniel je nog wel eens neer bij het graf en druppen je tranen als regen op het gras. Een andere keer vertel je enthousiast dat je die dag tot in de top van de boom durfde klimmen. Wanneer je opa sterft is alles anders; en toch ook weer hetzelfde. Er is een kist, een put in het zand en er zijn bloemen. Maar je krijgt je opa niet meer te zien en een aai over zijn kale hoofd, of nog eens op zoek gaan in zijn vestzak naar snoep, kan niet meer. In de kerk is het koud, er is rook en het ruikt raar. Iedereen kijkt treurig naar de grond en er is niemand die naar je grap over opa wil luisteren. De glimlach rond je mond sterft snel weg en je maakt je zo klein mogelijk. Straks zal je je konijn nog eens bezoeken en hem vertellen hoe erg je opa mist. Je zet het kruis terug recht en schildert de letters opa erbij. Wanneer je dan in de bomen klimt zal hij je ook kunnen zien en zal je naar hem wuiven.  

jessy hamvas
2 0

En toen was de wereld van mij.

Knallen regenen uit de lucht zoals vuurwerk en veroorzaken een schoolplein vol geschreeuw. Ik kijk naar rechts als ook Aisha het uitroept. Er steekt een pijl uit haar rug. Om mij heen vallen nog meer mensen om. Bloed stroomt over Aisha’s rug. Ik hurk om een kleiner doelwit te vormen en ga beschermend voor Aisha zitten. Geen EHBO training bereid je voor om een pijl uit iemands rug te verwijderen. Ik breek de pijl zo kort mogelijk af en gooi het uiteinde opzij. Voorzichtig til ik Aisha op, ervoor zorgend dat de kop van de pijl niet verder in haar rug kan komen. Warm bloed druipt langzaam op mijn kleding en maakt mijn handen plakkerig. Ik ren de school in en sluit ons op in een leeg lokaal. Met grote ogen draai ik mij naar mijn vriendin toe. We zijn ook zo verdomd kwetsbaar. Onze rug en buik en nek en hoofd zijn allemaal niet bedekt. Geen wonder dat ze deze menigte als doelwit hebben gekozen. Aisha kijkt mij bang aan. Ik schud mijn hoofd.  “Daar kan niets aan gedaan worden,” zeg ik. Even fronst ze, dan kijkt ze paniekerig mijn kant op.  “En nu?” fluistert ze. Ze heeft niet lang meer. Ik pluk takken van de kamerplant die in de hoek staat en schuif tafels tegen elkaar. Ik leg haar op de tafels en leg het groene boeket in haar handen. Haar pupillen vullen haar hele irissen.  “Ga ik... Dood?” vraagt ze. Dan hoest ze en spuugt ze bloed uit. De tafels zijn rood en plakkerig. Ik knik.  “Mijn ouders…” zegt ze. Ik knik weer. “Ik zal het zeggen. Ik zal zeggen dat je van ze houdt.” Ze sluit even haar ogen en probeert dan nog een keer diep adem te halen, maar het lukt niet.  “Dag Aisha,” zeg ik en ik loop het lokaal weer uit. Het is hem gelukt. Ik ga meteen door naar buiten. Het is chaos. Bosjes mensen staan bij elkaar te huilen, wie niet dood is, is wel gewond. Ik trek mijn schouders op en loop tussen de menigte door. Voor deze ene keer krijg ik geen rare blikken. Ze merken mij niet eens op. Mooizo. Een schaduw valt over de tieners. Ik kijk omhoog en glimlach naar de donkerrode gloed. Ik wist het. Ik fluit en de draak land op de weg. Nu zien mijn schoolgenoten hem wel. Ik ga op de nek van de draak zitten. We stijgen op en gaan richting het bos, naar Blake.  “Dus je hebt hem, het vingertopje,” zeg ik. Hij knikt en laat een sleutelhanger voor mijn neus op en neer slingeren. Het is een 3D geprinte vingerafdruk, gemaakt van zacht rubber. Mijn moeders vingerafdruk, voor altijd in een sleutelhanger veranderd.  “We moeten gaan,” zegt Blake nors en hij kijkt mij even aan. Ik kijk boos terug. “De machine staat in het bos, de vingerafdruk was inderdaad hetgeen dat de machine kon activeren,” zegt hij dan. Ik knik gerustgesteld en volg hem naar de draak. Als we eenmaal vliegen grijnst hij zijn gele, scheve tanden bloot. Ik schuif zo ver mogelijk van zijn dikke lijf vandaan en adem door mijn mond om zijn geur niet in te ademen.  “Op naar de baas,” mompelt hij.  “Ik ben de baas,” zeg ik. Hij vloekt en ik glimlach. Ik klop op de flank van de draak. Ze zullen denken dat ik mezelf niet ben, dat een heks uit de tijdreis in mijn plaats is teruggegaan. Die pap en mam, ze zullen het hópen.  We gaan naar het geheime lab. Het lab van mijn ouders, waar ze zich verdiepen in tijdreizen. Nog geen verdwaalde stofkorrel zou binnen kunnen komen. Zelfs journalisten wagen het niet om in de buurt te komen, bang voor de camera’s. Weten mijn ouders veel dat de beveiliging één gat heeft: mij. Weten zij veel dat ik, hun bloedeigen dochter, al de geheime informatie steel. Het lab moet nu leeg zijn, iedereen zal op de sprookjesfiguren af zijn gegaan die ik heb losgelaten met mijn tijdmachine. Mijn ouders zullen voorlopig druk bezig zijn en niet aan hun eigen tijdmachine denken.  Blake gooit de sleutelhanger naar mij. Ik haal een steen uit de muur, doe de geheime deur open, wandel de gang in en loop op de verroeste stoel af. Ik draai hem om en duw mijn moeders vingertop tegen de poot. De stoel zegt bliep bliep. Ik zucht. De namaak vingerafdruk werkt. Een geheime deur in de wand gaat open en de nepdeur verder in de gang licht kort groen op. Ik knipper om te wennen aan de felle tl buizen. Dan sla ik rechtsaf, linksaf, derde rechtsaf en ik ben op bekend terrein. Ik loop langs mijn vaders kantoor, langs mijn moeders lab en ik passeer de bibliotheek. Dan kom ik in het verborgen trappenhuis. Een herinnering kruipt omhoog en ik glimlach.  “Het zou heel veel betekenen als je dit doet.” Vlinders vulden mijn buik. Ik moest bijna overgeven van geluk. Hoe kunnen ze zo dom zijn? Dit was fantastisch. Het was onecht. Mijn ouders wilde mij als proefpersoon naar het verleden sturen. Omdat ik hun project zo interessant vond. Ze moesten eens weten. Ze moesten eens weten dat ik hun tijdmachine precies had nagebouwd. En nu zou ik leren hoe ik hem moest gebruiken. De tijd was aangebroken. Ik stapte de machine in, op weg om een heksenjacht mee te maken.  Alles gebeurde precies zoals in de geschiedenisboeken stond. Het was vlak en de figuren hadden een vaag randje. Ik kon de papier pagina's bijna zien. Het hele kwartier dat ik er was heb ik mij doodgeërgerd aan mijn ouders domheid. Dit was geen tijdreizen. Dit was VR, natuurlijk veel gaver dan VR, maar het zou pas echt gaaf zijn als het andersom kon. En met andere boeken.  Daar staat hij, de originele tijdmachine. Of beter gezegd: de originele ultra-VR-machine. Want wat hadden pap en mam nou gedaan? Ze hadden een nieuwe dimensie gecreëerd waar woorden uit boeken, waar verhalen tot leven komen. Zoiets als je verbeelding. En verbeelding bestaat al, hoe kúnnen ze dit een doorbraak noemen? Wat ik heb gedaan is pas revolutionair. Ik plug een usb stick in het ding en duw Blake aan de kant. Meteen komen er trollen, draken en andere monsters uitgekropen. Mijn programma werkt. Ridders, bewapende oermensen en afrikaanse legers stromen weg en vernielen het hele gebouw. De codes die ik geschreven heb zetten jou niet in een boek of verhaal, maar zetten de letters om tot levende wezens uit de boeken en verhalen. Ik draai mij om naar Blake. “En nu?” vraagt hij. Ik grijns.  “Fase twee,” zeg ik. Ik loop naar buiten, het dak op, de politie heeft ons al omsingeld. Helicopters vullen de lucht. Overal om mij en Blake zie ik rode en blauwe zwaailichten. Ik laat een harde boer en fluit dan op mijn vingers. Mijn leger komt eraan, mijn draak, pratende leeuwen, echte heksen, oeroude tovenaars. Ze vegen de blauwe pakjes zo omver.  Pap en mams eigen creatie heeft al hun werk vernietigd. Nu ligt de wereld aan mijn voeten. 

Ellis
10 1

Helvetia

“Wat zeg je daar opa, dit is toch het Engelse volkslied maar jij zingt iets dat op Duits gelijkt.““Klopt, jongen, ik zing: Rufst du, mein Vaterland?Sieh uns mit Herz und Hand,All dir geweihtHeil dir, Helvetia!Hast noch der Söhne ja,Wie sie Sankt Jakob sah,Freudvoll zum Streit! Weet je, die tekst ken ik al van mijn veertiende, toen ik net zo oud was als jij nu bent en telkens ik het ‘God save the Queen’ hoor zing ik die tekst. Ik hoorde hem voor het eerst op een vakantiekamp in het bergdorpje Melchtal  in Zwitserland waar een lokaal koor voor ons optrad. Sindsdien raakt het riedeltje niet meer uit mijn hoofd. Later hoorde ik dat het er tot 1961 het nationale volkslied was.”“Nou, dat is allemaal heel lang geleden, opa. Vertel eens over dat kamp.”“We waren met honderden kinderen. Ieder van ons had dezelfde kartonnen valies met onze naam en adres erop.”“Kartonnen valiezen, opa, weet je dat zeker?”“En of, enkele jaren geleden haalde op eBay zo een valiesje de prijs van 58 euro. Kan je nagaan als je weet dat om en bij het miljoen kinderen zo een ‘doos’ kregen om op vakantie te gaan.”“Zwitserland, daar ben ik nog nooit geweest. Gingen jullie dan met het vliegtuig?”“Neen, met de trein, een nachttrein, want we denderden de hele nacht door en ’s morgens vroeg kwamen we toe. Wij wisten niet waar eerst kijken: eindeloze weiden met honderden koeien en daarboven de hoge bergen en een staalblauwe hemel.”“Heb je daar dan bergen beklommen?”“Echt bergbeklimmen kon je het niet noemen, maar wij hebben wel eens een zware bergtocht gemaakt waarbij we over grote rotsblokken moesten klimmen om op de bergtop te raken.”“Hoe was het daarboven, opa?”“Dat, jongen, kan ik haast niet beschrijven. Het was oogverblindend. Ik denk niet dat ik sedertdien nog ooit zo ontroerd werd door een landschap. Zo ver je kon kijken waren besneeuwde bergtoppen en toch was het hartje zomer. Vanuit de bergen kwam een lichte bries. De lucht was zo puur. Ik denk dat ik toen mijn longen voor de rest van mijn leven heb volgezogen. ”“Waarom zijn jou ogen plots zo vochtig, opa, ween jij?”“Ach, jongen, ik had het toen en heb het nog steeds. Als iets zo adembenemend mooi is dat het je de keel snoert, zijn tranen nabij. ““Zullen wij samen eens naar Zwitserland gaan, opa?”“Misschien, jongen, misschien.”

Vic de Bourg
33 2

Het perron

Verbaasd kijk ik je aan. Haast was ik je voorbijgelopen. Mijn hoofd draait zich om en kijkt je na. Nooit gedacht dat ik jou nog zou tegenkomen.         Je staat op het perron de krant te lezen. Ik stap de trein uit en onze blikken kruisen. Je glimlacht. Er gaat een schok door me heen. “Nina!” roep je en mijn hoofd draait met je voetstappen mee. Je omhelst haar. . Ik loop naast Marie en Amber, slechts een paar meters van je verwijderd. Mijn gedachten wijken steeds verder af, maar belanden telkens terug bij jou. Die kriebels in mijn buik. Het is al zo lang geleden dat ik die nog gevoeld heb. Mijn ogen prikken in je rug. Jij hebt niets door. Wanneer ik per ongeluk je arm raak, verplicht ik mezelf om je niet aan te kijken. In plaats daarvan vlucht ik de klas in. De volgende ochtend ben je er weer. Op hetzelfde perron. Ik herken je van in de verte. Speciaal voor jou ben ik deze ochtend vroeger opgestaan. Ik loop de trappen af en pak de metro. Al lezend neem ik de roltrap. Ik kom steeds dichter en dichterbij. Je kijkt me aan en glimlacht. Ik sta naast je. Samen lezen we de krant. Ieder voor zich, maar af en toe wijkt mijn blik stiekem af. Dan draai ik mijn hoofd en kijk ik je onderzoekend aan. Tot jij ook maar de kleinste beweging maakt. Snel wend ik mijn blik af. Je mag niets doorhebben. Ik wil dit moment niet verpesten. Je zou eens moeten weten. Helemaal overrompeld draai ik me nog één keer om. Onze blikken kruisen. Dan weet ik het. Ik heb me nooit iets ingebeeld. Als ik toen initiatief genomen had, wie weet. Je loopt hand in hand. Ik zie het gezicht van je vriendin niet goed, maar jij ziet er gelukkig uit. Zo te zien verbeeldde ik me niets. Blijkbaar val je ook op meisjes. Achter me is iemand serieus aan het werk met een drilboor. Ik trek mijn wenkbrauwen op, maar zeg niets. Zwijgend kijk ik de mensen om me heen aan. Mijn blik is gericht op de roltrap, hopend dat jij zo dadelijk in mijn gezichtsbeeld komt. Ik begin de hoop al bijna op te geven. Dan verschijn je, appel in de ene hand, krant in de andere. Je ziet me, maar gaat niet op je vaste plekje staan. Je komt zo dicht bij me staan, dat er slechts een millimeter tussen ons overblijft. Ik hoor je zachtjes ademen en kijk hoe je wolkjes blaast in de koude lucht. Iets zeggen doe ik niet. Ik sluit mijn ogen en geniet van je nabijheid. Onze schouders raken elkaar net niet aan. Ik kan je bijna voelen. Jij zegt niets. In stilte zoek ik naar de juiste woorden. In mijn gedachten gaat alles goed. De realiteit is, ik vind de moed niet om je aan te spreken. Dat je zo dicht bij me staat, is toeval. De trein komt aan. We gaan elk onze eigen weg. Jij met Nina. Ik met Amber en Marie. De laatste schooldag. Een grote kans dat ik je vandaag voor het laatst zie. Nog één keer hef ik mijn hoofd omhoog en draai ik me om, klaar om jouw blik op te vangen. Je ziet me niet. Ik kijk hoe je in de mensenmassa verdwijnt. Somber zet ik een stap achteruit wanneer de trein over het perron raast en zachtjes tot stilstand komt. Zonder om te kijken stap ik de trein op en vind een plekje in de achterste wagon. Viel jij ook op mij? Ik weet het nog steeds niet. Ik hoef het niet te weten. Alleen, die ene dag. Toen was je zo dichtbij. Met een glimlach stap ik de trein op.

Anna De Kinder
1 1

Katoennatie

De tweede job die haar werd aangeboden was die van orderpicker.Ella had hier nog nooit eerder van gehoord, maar de jongen van het uitzendkantoor had het erg leuk omschreven.“Als je graag actief bezig bent, de handen uit de mouwen kan steken en te vinden bent voor een beetje competitiegevoel, zal je t reuze naar je zin hebben” had ie gezegd.Met het gevriesdroogde gelatineverhaal nog glibberig koud navoelend in haar achterhoofd en nek, verheugde ze zich enorm.Om kwart na vijf s morgens moest ze aan het interimkantoor staan waar een speciaal busje voor mensen zonder vervoer haar en de anderen voor de ochtendshift op zou pikken. Van zes tot 14 zou ze dan in de hallen van katoennatie worden voorgesteld aan de wondere wereld van de orderpickingbussiness. De jongen had niet gelogen.. Actief was het zeker. Al leek hij er een heel andere smaak op na te houden wat betreft situaties die het je naar de zin moeten maken. Je hebt een hal van 200 op 300 meter, ingedeeld in gangen. Elke gang was voorzien van een gangnummer, binnen die gang had je rijen, 300 meter lange rijen, met vier op elkaar bevestigde rekken. Op elk rek was plaats voor drie dozen. Elk afzonderlijke plaats voor zo’n doos had een locatienaam, die bestond uit: het gangnummer, de rijnummer, de hoogte letter, en tot slot de romeins geformuleerde doosplaats.Bijvoorbeeld : 19-34-A-III Tot dusver de uitleg over wat een locatie is.Vervolgens kreeg je een sticker en een scanner in de handen geduwd en een kartonnen doos. Ella herinderde zich die eerste sticker nog goed, met een enthousiaste nieuwgierigheid, ging ze de gangen in , vond de juiste doos, haalde er het correct aantal op de sticker vermelde , platsicverpakt items uit. Scande de locatie, vervolgens de sticker. Stopte de items in de doos en liep trots terug naar de instructeur. “Heel goed” zei die. Hij gaf Ella een kar met daarop 8 lege dozen, draaide zich vervolgens om en gaf haar een bundel van 250 stickers. Hij wees naar een groot digitaal uithangbord waarop allerlei rode en groene nummers stonden te verspringen. Jou scannummer is 078. Zorg dat je groen blijft staan.Volle dozen zet je af aan de pakplaats, de stickers van de gescande items leg je er bovenin, nieuwe dozen haal je aan gang 1.Om de grap compleet te maken voegde hij daaraan toe, als je niet te veel tijd wilt verliezen met nieuwe stickers ophalen kan je best telkens een nieuw stapeltje meenemen als je voorbij het kantoortje komt…Ella had de man misbegrepen, wat haar als grapje overkwam bleek bittere ernst. Van zodra het ijna zes uur was, stond de ruimte tussen de gangen en de paktafels vol met orderpickers en hun karren, die vergelijkbaar met eens trijdvaardigheid van woeste vikingen, voorbereidingen stonden te treffen voor de aanval. In de voorlinie zag je de ervaren lieden rllen ductape over hun polsen wringen om deze steeds voorradig te hebben,aan de ijzeren bars werden kartonnen ophangingen geimproviseerd om scanners of pennen in kwijt te kunnen. En van hen vouwd zijn stikers zo dat deze in zigzagbeweging plaat konden houden in een gleuf van de kartonnen plaat die aand e voorzijde van zijn kar was gemonteerd met behulp van spanbandjes. Een vrouw van midveertig had een touw rond haar nek met daaraan een pen, alcoholstift en een cuttermes. Scanners werden overal voor gebruik ingesteld wat een druk gebliep-bliep door de hallen liet klinken. Wat Ella vrijwel onmiddellijk opviel was dat de duidelijk voelbare opbouowende spanning niet naar de gangen werd gericht , maar naar elkaar. Het werd haar duidelijk dat ze iets mistte. De enorme luidspreker maakte een hoorngeluid. Als ratten die op de vlucht sloegen voor een tsunami vlogend e karren de gangen in. Het digitale bord, dat dezelfde grootte had van schermen die vertrek- en aankomsttijden aangeven in vliegvelden, gaf een vijftigtal nummers weer.. Hoewel er nog geen minuut gewerkt was, stonden er toch al een stuk of tien nummers in het rood. Ella zou later leren dat de gemiddelde snelheid als noemer werd gebruikt, aardoor trager werken, voor een veel realistischer tempozou hebben gezorgd. Hoe sneller iedereen werkte, hoe hoger alsud het tempo dat moest worden behaald en behouden. Al gauw werd Ella duidelijk waar al die voorbereiding toe diende. Het zou fantastisch zijn geweest moesten de orders zo gerangschikt zijn dat ze op de weg van de gangen waren afgestemd, maar dat was niet het geval. Vermelde de eerste sticker 34-19a-II moest je voor het tweede order naar locatie 1-15b-III en terug naar 29-46a-II. Een tweede factor, die eigen haar uittrekkende frustratie veroorzaakte, was de totale onmogelijkheid om mekaar te kunnen kruisen.. De gangen waren namelijk net twaalf centimeter smaller dan twee karren naast elkaar, waardoor er dus telkens achetr- of vooruit moet worden gemanouevreerd door één van de twee karren, in gangen waar standaard vijf karren tegelijk in en uit reden. Het wasd niet anders te beschrijven of mee te vergelijken, apocalyptische chaos , waar de gangen en dozen werden aangevallen als waren het waterkonvooienin een gebied dat maandenlange extreme droogte had gekend;  EDlla sloeg alles gade met een ongeloof dat haar deed vergeten haar mond te sluiten, waardoor ze al gapendmet verstomming geslagen aan de kant sto nd me haar lege kar. Een man die er werkelijk uitzag alsof hij in maanden geen water had gezien, vloog met zijn kar Ella's neus voorbij, miste de afslag voorde gang die hij in moest, en belande door het te zware gewicht van zijn al volgeladen kar tegen te willen houden met zijn gezicht een van de betonnen constructie palen die het dak van de enorme hal ondersteunden. Rchtstrompelend met eenzelfde overschot aan resultaatmissende bewegigen als die van een op hol geslagen kat die van richting wil verwisselen op een zonet geboende vloer , kwam het individu recht, met een verwilderde blik die deed denken aan zombiefilms. In één vloeiende beweging snoot hij het bloed uit zijn neus op de grond, dij hij afveegde met zijn mouw terwijl hij met zijn andere hand een kokertje losdraaide dat hij voor het andere neusgat hield. De inhoud ervan osnuivend met eenzelfde dramatische hulpeloosheid als die van een atmapatient die net op tijd zijn terugvindt, herstelde de man van de paniek die hem eerder had bevangen en even plotseling als de man was gecraht , was hij terug uit Ella's gezichtsveld , op weg naar diens volgende order. De schim die zonet voorrang hadf gegeven aan het ophalen van zeventien decathlon riemen , boven het verzorgen van zijn gebroken neus, heete Danny. Maar zijn gedrag had hem de alliterernde bijnaam Danny Dyson opgeleverd. Ella dacht aanvankelijk dat dit lag aan de slecht geette tattoos in zijn gezicht, als verwijzing naar Mike Tyson, de bokser maar na een week legde de vrouw met het handige nekkoord haar uit dat het verwees naar Dyson, de stofzuiger die niets aan zuigkracht verliest. Een andere collega coegde daar nog aan toe " vaccumvolk... hooveren alles op in hun snuit" waarna voor Ella pas duidelijk wrd wat er in dat kokertje had gezeten. Hoe kon ze dat nu niet eerder gesnapt hebben. Het ge bruik van speed was helemaal niet zo ongewoon, zou later blijken. Wat aanvankelijk leek op een tot leven gekomen scene uit een film, verloor al snel die het eerst op Ella had gehad, na het om de iedere gang herhaald te zien. Niemand werd orderpicker uit overtuiging, of omdat dat deel uitmaakte van een oude kinderwens.  Het door consulent Hanz uitegelegde " competitiegevoel" dreef vele oudere pickers ot hun grenzen, maar de kokertjes sped hielpen hen er enkele meters over heen. Wat complete waanzin leek op Ellas eerste dag, bleek uiteindelijk kwestie van gewenning. Na drie weken lukte het haar om geen o ngewenste aandacht op de hals te halen door rood te staanen vloog ook zij als een hondsdole rat met groene score door de hallen me zeven katonnen dozen. Een vriendelijke jongen uit een andere hal had haar geholpen met de gouden tip om één van de onderste dozen te vullen met stenen. het gewicht ervan liet dan toe om op de kar te gaan staan en waardoorze, zichzelf afduwend zoals bij een step, al rijdens langere afstanden kon afleggen. Ze lerde ook dat als je een uur vroeger kwam, je het enorme voordeel had om je orders per gang te kunnen sorteren en ook zij liep nu met een schrijf- en snijdgereihangkoord rond haar nek. Wanneer je scannummer in een van de vijf bivenste van het scorebord verscheen, moest je gaan roken. Stiekem weliswaar maar de al langer werkendn hadden begrepen hoe het tempo werd bepaald voor de dag erop, en dit was de belangrijkste van vele tegenmaatregelen die door de werknemers het leven werden ingeroepen. Met een zelfde elegantie als die van ee n gemidddelde dokwerker , hoorde Ella zichzelfdoor de gangen " 75 Op rop" roepen, als melding aan orderpicker 75 , voor diens top 5 weergave tot ergens uit die gangen iemand "OWKEEEEJ3 TERUGBRULDE; Wat op het eerste gezicht een geniale zet leek , had in werkelijkheid een tegenovergesteld effect . nieuwelingen die nog niet gebrieft waren over de achterliggende reden , interpreteerden dit fenomeen als het bestaan van een wedtsridj die gretig werd aangegaan door de nietsvermoedende idioten, die het horen scanderen van hun scannummer als doel stelden en zich niet zomaar van hun troon wilde laten stoten; De enige twee die zich niet lieten opjagen en met het grootste plezier kwamen werken waren karim en Mamhud, de twee marokkaanse broertjes die zoals het ware zakenlui betaamt, opportuniteiten zien waar anderen problemen opmerken, en intussen een heel erg uitgebreid klantenbestand hadden opgeblouwd vopr hun handeltje in filmkokertjes vol speed.  Vooral hun briljante zet om om enkele van de aalverantwoordelijken tot hun "intieme vriendnkring  te rekenene, die logischerwijs aan vriendeprijs werden verder geholpen , maakte dat geen van beide zich moesten druk maken in scanscores. Beide hadden iedere dag opnieuw de pech een toestel te krijgen waarvan de resultaten niet op he bord verschenen. Its waar het duo, dat steevats samen ergens tegnaan leunend stond te lachen, vaak over graptentegen de al zwetend voorbijvliegende pickers. "Komaan ze Danny! zotten belg, ge sta bijna eerst" of " Als mijne scanner het nu eens zou doen he , ik ou u zo voorbijsteken" Waarop de andere dan antwoorde: " Nee Karim, ge moet den Danny niet onderschatten, dat is de slimste hier, he Danny? "  Hilariteit die iederen ontging , simpleweg omdat niemand de ijd had om met iets anders bezig te zijn dan met locaties , scanningen, items , replenish, items, tellen, sluiproutes bedenken, en bovenal score halen. Mdt elk mogelijk op te noemen, maffiafilm als voorbeeld en de inhoudelijke dialogen overnemend en uitstrooiend als bijbelse preken, was het de twee Am capones geluklt om al die opgedane hollywood wijsheden in de praktijk te den slagen;  Ze regeerden hun microwereldje als ware godfathers van de katoennatie. Als letterlijke verdelers en heersres , waren ze net zoals de untouchables, ongenaakbaar .Niets bracht hen van hun stuk . Althans Totaan matteo..

Esje Volter
2 0

Interimjob / patéfabriek

Het vinden van werk was een rotjob op zich. Misschien was dat niet voor iedereen zo.Toen Ella op haar 18 rotsvast overtuigd van eigen kunde, wilde bewijzen dat wat haar ontbrak aan getuigschriften of diploma’s gemakkelijk kon worden gecompenseerd met logisch inzicht , hard werk en intellect, kwam ze al snel tot de conclusie, dat ze niet de enige kandidaat was met dat profiel. Haar eerste tewerkstelling was een patéfabriek.Een grauw roodbruin complex van industriële gebouwen dat van kilometers ver te ruiken was.Een vreemd geconstrueerd pand met betonnen vloeren die schuin afliepen om alle “ongewenste” vleesvloeistoffen tweemaal daags weg te spoelen via een systeem van sproeiers die aan het plafond of de tegenovergestelde muur waren bevestigd. Hiervoor werd niet enkel water gebruikt maar ook een toegevoegde chemische extra stof die even penetrant geurde als de excreties die ze weg diende te spoelen.Werknemers liepen allemaal in dezelfde vormeloze papierachtige uniformen, met enkel dat verschil dat er drie kleuren waren om de verschillende soorten werknemers van elkaar te onderscheiden.De blauwen waren degene die het rauwe vlees behandelden. Dit was het meest bloederige werk.De gelen waren de kokers of mengers, die bovenaan ketels zo hoog dat er trappen omheen werden gebouwd, moesten instaan voor een correcte afweging en verhouding van enorme porties vlees en kruiden. de witten waren de afwerkers. Ella’s job bestond erin om aan  de band waar porseleinen met paté gevulde potjes voorzien werden van een anderhalve centimeter dikke laag gelatine, de bramen gemorste gelatine weg te vegen met een alcohol bevochtigde doek. Doordat de gelatine onmiddellijk gevriesdroogd werd, was deze niet meer lopend en kwam hij gemakkelijk los, maar het tempo van de lijn liet niet toe om alle bramen netjes in de vuilbak te werpen.Met zes andere wit geklede interimmers die aan een tempo bedoeld voor 8 personen stonden te vegen alsof hun leven ervan afhing, vlogen d bramen gelatine in het rond, tegen elkanders gezicht, in de kraag van niet volledig toegeknoopte vesten en in de boord van hun schoenen. Wanneer een van de zes de tijd nam één van die ongewenste verloren bramen te verwijderen, liep de gehele band vol met potjes.. die doordat ze niet onmiddellijk waren afgeveegd, bramen kregen die veel moeilijker te verwijderen waren, waardoor er niets anders opzat dan ze met je nagels af te krabben.  Na amper drie uur was ze gaan lopen, dit tot grote teleurstelling van het interimkantoor dat haar, ongeschoolde snotneus zonder enige andere werkervaring, de kans gegeven had ergens te beginnen waar ze nadien zelfs kans had op vaste indienstname.Na een fikse aanbrander dat dergelijke egoïstische beslissingen niet enkel weerslag hadden op Ella zelf maar ook op de samenwerking tussen het uitzendkantoor en de fabriek, werd haar aangeraden naar een ander interimkantoor te gaan.

Esje Volter
15 0