Lezen

Geluid in de schoorsteen

Het was een ijskoude, sfeervolle winteravond. Buiten gierde de wind om het huis en dwarrelden er dikke sneeuwvlokken naar beneden. Binnen was het juist heerlijk warm en gezellig. Sam en Beer zaten in hun pyjama voor de open haard. Ze vierden hun eigen kleine winterfeestje. Er stond een grote mok warme melk met een dikke laag slagroom op tafel, omringd door een schaal vol zelfgebakken kerstkoekjes. Net toen Sam een hap wilde nemen van een koekje in de vorm van een kerstboom, klonk er een angstaanjagend geluid uit de schoorsteen.KRAK! BOEM! SKIEEP-SKIEEP-FLAP! Sam liet zijn koekje van schrik in de melk vallen. "Beer... hoorde je dat?" fluisterde hij met grote ogen.Beer kroop dicht tegen Sam aan en hield zijn pluche oren vast. "Ja! Het komt uit de haard! Zou... zou het de Kerstman zijn die veel te vroeg is en klem is komen te zitten met zijn dikke buik?""Of een hongerig, harig schoorsteenmonster dat dol is op kerstkoekjes en warme melk?" beefde Sam. Het geluid werd steeds luider. KRAB-KRAB-KRAB. De spanning was om te snijden. Plotseling viel er met een enorme PLOF een gigantische wolk van zwart roet en as uit de schoorsteenopening, recht op het tapijt. Sam en Beer hielden hun adem in en deden een stap achteruit. Toen de zwarte stofwolk een beetje optrok, zagen ze een gedaante zitten. Het wezen was van top tot teen gitzwart. Zelfs de ogen waren nauwelijks te zien. Maar het wezen droeg geen rode kerstmanjas en het had ook geen monsterlijke klauwen. In plaats daarvan hield het een grote, felroze plumeau en een plumeauborstel vast. Het zwarte figuurtje knipperde met zijn ogen en schudde zichzelf uit, waardoor er nog een extra wolk roet door de kamer vloog. Hatsjoe!"Karel?!" riep Sam verbaasd.Het zwarte wezen glimlachte, waardoor er een rij witte tanden zichtbaar werd. "Hallo jongens! Ik dacht: het is winter, we stoken de open haard vaak op, dus de schoorsteen moet blinkend schoon zijn voor de gezelligheid. Ik ben via het dak naar binnen geklommen!" "Je bent helemaal zwart, Karel!" lachte Beer, wiens pluche buik weer ontspande. "Je lijkt wel een levend stuk steenkool!"Karel keek naar zijn eigen groene pootjes, die nu pikzwart waren. "Ah, een kleine beroepsdeformatie van een topassistent. Maar kijk eens hoe mooi schoon het daarboven nu is!" Hij liep direct naar de tafel, liet een zwart roetspoor achter op het kleed en nam een grote slok warme melk. Binnen een minuut had hij een witte melksnor over zijn zwarte gezicht.

Deejay
0 0

Metselen

In de achtertuin was het een drukte van jewelste. Meneer Metsel, een echte bouwer met een feloranje helm en een gereedschapsriem, was op bezoek. Hij had een grote kruiwagen vol met zware, rode bakstenen bij zich en een glanzende troffel. Sam en Beer stonden er met grote ogen naar te kijken. "Kijk eens jongens," zei meneer Metsel trots, terwijl hij op een baksteen tikte. "Als je deze recht op elkaar stapelt, kun je van alles maken. Wat zouden jullie willen bouwen?"Sam sprong in de lucht. "Wij gaan een reusachtig ridderkasteel metselen! Met een ophaalbrug en kantelen om te verdedigen!""Nee, een herrie-toren!" juichte Beer, die dol was op muziek. "Een hele hoge toren waar we bovenin op trommels kunnen slaan zodat de hele buurt het hoort!" Meneer Metsel knikte enthousiast. "Goed plan. Laten we beginnen. Ik ga het cement mengen om de stenen aan elkaar te lijmen." Hij liep naar zijn kruiwagen, maar bleef toen plotseling verbaasd staan. Hij krabde op zijn oranje helm. "Hé... dat is vreemd. Mijn grote zak met cementpoeder is weg. Ik weet zeker dat ik hem hier had neergezet."Zonder cement konden de stenen niet blijven plakken. Sam en Beer zochten achter de struiken en onder de tuintafel, maar de zak was spoorloos verdwenen. De hele bouwdag dreigde in het water te vallen. "Geen paniek! De assistent-bouwer is hier!" klonk een luide stem.Karel de Kikker kwam vrolijk de veranda op gehuppeld. Hij droeg een omgekeerd bloempotje als bouwhelm en sleepte een enorme, loodzware plastic emmer met zich mee. Toen hij bij de stapel bakstenen stilstond, liet hij de emmer met een luide PLONS zakken. Er steeg een heerlijke, zoete geur op in de tuin. Meneer Metsel keek in de emmer en trok een wenkbrauw op. "Karel... is dat wat ik denk dat het is?""Pindakaas!" riep Karel trots, terwijl hij een grote klodder met zijn poot omhoogschepte. "Met extra stukjes noot voor de stevigheid! Ik vond het cementpoeder veel te saai en grijs. Pindakaas plakt ook supergoed aan je gehemelte, dus waarom niet aan bakstenen?" Sam en Beer moesten giechelen. Meneer Metsel bekeek de dikke, kleverige substantie, haalde zijn schouders op en zei: "Nou ja, we kunnen het proberen!"Met de troffel smeerden ze dikke lagen pindakaas tussen de rode stenen. Binnen een uur stond er een prachtig, klein kasteeltje in de tuin. Het was misschien niet stormbestendig, maar het rook wel ongelooflijk lekker en de vogeltjes in de tuin hadden er wekenlang plezier van.

Deejay
0 0

Verjaardag

De hele huiskamer hing vol met kleurrijke slingers en ballonnen. Sam was vandaag jarig en hij droeg een glanzende, gouden feesthoed. Beer had speciaal voor de gelegenheid zijn netste rode strikje omgeknoopt. Alles was perfect, op één heel belangrijk ding na. "De slingers hangen en de liedjes zijn gezongen," zei Sam, terwijl hij op de klok keek. "Maar waar blijft de verjaardagstaart?"Beer zuchtte en schudde zijn hoofd. "Karel had beloofd om de taart uit de keuken te halen. Dat is al twintig minuten geleden. Als assistent is hij soms een beetje... traag." Plotseling hoorden ze een vreemd, schurend geluid in de gang. Schuif... bonk... piep...De keukendeur vloog open en er rolde een enorme, vierkante kartonnen doos de kamer in. De doos was ingepakt in glanzend cadeaupapier, maar hij gedroeg zich helemaal niet als een normaal cadeau. De doos begon te trillen, maakte een sprongetje in de lucht en stuiterde toen wild in de rondte. "Zou de bakker de taart in een springende doos hebben gestopt?" vroeg Beer verbaasd, terwijl hij snel achter de bank sprong om dekking te zoeken.BOEM! De zijkanten van de doos klapten met een luide knal uit elkaar. Een enorme wolk van roze en witte slagroom vloog door de kamer. Midden in de ravage zat Karel de Kikker. Hij zat werkelijk van top tot teen onder de slagroom. Er plakte zelfs een grote, rode marasquin-kers precies tussen zijn twee grote kikkerogen. In zijn poot hield hij een leeg taartplateau vast. Er lag alleen nog één klein kruimeltje chocolade op."Gefeliciteerd met je verjaardag, Sam!" riep Karel met een overvolle mond. Hij slikte moeizaam en nam een diepe teug lucht. "De taart was écht heel erg lekker. Ik moest hem onderweg testen om te kijken of de bakker wel genoeg suiker had gebruikt. Pure plicht als assistent!" Sam en Beer keken naar Karel, toen naar de muren vol roze slagroom spatten, en barstten toen in lachen uit. Gelukkig was Beer een slimme knuffel: hij had in de keuken nog een enorme stapel pannenkoeken verstopt. Zo werd het alsnog een heerlijk feestje.

Deejay
0 0

Op bezoek

Het was een rustige middag in de huiskamer. Sam zat op het tapijt met zijn houten trein te spelen, terwijl Beer met zijn pluche pootjes probeerde een ingewikkelde puzzel op te lossen. Plotseling klonk er een luide, plechtige klop op de voordeur. BOEM-BOEM-BOEM! "Snel, Beer! Dat moet oom Jan zijn!" riep Sam enthousiast. "Zet de grote theepot maar alvast klaar, dan pak ik de speculaasjes!"Beer hobbelde haastig naar de keuken. Maar nog voordat Sam de deurklink kon vastpakken, zwaaide de voordeur al krakend open. Er stapte een figuur naar binnen, maar het zag er heel vreemd uit. Oom Jan droeg altijd een nette jas, maar deze bezoeker was heel klein. Sterker nog, de bezoeker bestond bijna volledig uit een reusachtige, zwarte cilinderhoed die over de vloer schoof. Onder de rand van de hoed klonk plotseling een heel on-oom-achtig geluid: Hihihi! Giechel-de-giechel! De hoed begon wild heen en weer te rennen en botste pardoes tegen de salontafel."Help, Sam! Een wandelende, spionerende hoed!" riep Beer, die net met de theepot de kamer in kwam lopen. Hij was zo geschrokken dat de theekopjes rammelden op zijn dienblad. Net op dat moment stapte de échte oom Jan lachend door de openstaande voordeur. "Ik ben dan wel mijn hoed kwijt, maar ik geloof niet dat ik zó klein ben geworden, Beer!"FLOP! De reusachtige hoed viel achterover op het tapijt. Er kwamen twee grote, glanzende kikkerogen tevoorschijn, gevolgd door een brede, groene snuit. Het was Karel de Kikker, hun inwonende vriend en assistent. Hij had een paar oude schoenen van oom Jan aangetrokken en de hoed over zijn hele lijf getrokken. "Ik ben de assistent-oom!" riep Karel trots, terwijl hij wild met zijn groene kikkerpootjes zwaaide. "Ik kwam de kwaliteit van de speculaasjes controleren!"Oom Jan moest zo hard lachen dat zijn dikke buik ervan schudde. Hij pakte Karel op en zette hem op de beste stoel. Karel kreeg als allereerste een koekje, dat hij in één grote hap doorslikte. 

Deejay
0 0

De piraat die haar portemonnee kwijt was

Jos is het liefst piraat. Piraten zijn stoer en huilen nooit. Maar vandaag rolt er een traan uit haar oog. Een traan als een parel. Jos is haar portemonnee kwijt. Ze is heel verdrietig. Hoe moet dat nu als ze boodschappen gaat doen met mama? Piraten hebben een portemonnee nodig om hun geld in te doen. ‘We kopen wel een nieuwe portemonnee op de kermis,’ zegt mama. Daar hebben ze vast kinderportemonnees!’ ‘Kermis!’ Jos springt een gat in de lucht. Ze is haar verdriet onmiddellijk vergeten. Ze is dol op de kermis. ‘Gaan we echt naar de kermis?’ Haar ogen glinsteren als twee goudstukken. Mama knikt. ‘Het is kermis op het plein waar we altijd boodschappen doen. ‘Allemachtig, waarachtig,’ roept Jos. Ze pakt wat muntjes uit haar spaarvarkentje. ‘Voor mijn nieuwe portemonnee,’ zegt ze. Na het ontbijt doet Jos haar mooiste bandana om. De zwarte met allemaal doodskoppen op. Dan pakt ze haar lievelingszwaard uit de paraplubak. Ze kijkt in de spiegel. ‘Piraat Jos is er helemaal klaar voor!’ Ze knipoogt naar haar stoere spiegelbeeld. ‘Zal ik misshien ook mijn ogenlapje opdoen?’ Haar spiegelbeeld knipoogt terug. ‘Nee, beter niet. Dan zie je niks. En dan vind je geen portemonnee!’ Jos springt achterop bij mama op de fiets. Met één hand zwaait ze met het zwaard. Met de andere hand houdt ze haar muntjes stevig vast. Gelukig maar fietst mama. Jos vindt het reuze spannend. ‘Is de kermis al in zicht?’ ‘Daar!’ Mama wijst met één hand. Met de andere hand houdt ze het stuur vast. ‘Pas op mama! Een auto!’ roept Jos. Een auto zoeft voorbij. Snel pakt mama het stuur goed vast. Jos kijkt naar de plek waar mama heeft gewezen. Maar ze ziet helemaal niks. ‘Waar dan?’ ‘Daar! Achter dat grote gebouw,’ roept mama. Deze keer laat mama het stuur niet los. Jos ziet een groot gebouw. Dat is het zwembad, waar ze zwemles heeft. Ze is dol op zwemmen. Piraten moeten goed kunnen zwemmen. Bij het zwembad, neemt mama een scherpe bocht. Dan ziet Jos een draaimolen. ‘Kermis in zicht!’ roept ze blij. Er zijn heel veel mensen en er klinkt vrolijke muziek. Mama maakt de fiets aan een paaltje vast. Zoals een kapitein zijn boot aanmeert. Jos rent naar de grote tent met autootjes en bromfietsen. Uit de luidsprekers klinkt dansmuziek. Jos danst met mama op de klanken van de muziek. Ze wiebelen met hun kont en zwaaien met hun armen. Piraten zijn dol op feest vieren. Voor even vergeet Jos haar zorgen. ‘Wil je ook op een auto?’ vraagt mama. ‘Nee, zegt Jos. Ik hou niet van auto’s, maar ik wil wel dansen.’ En ze draait rond, net als de auto’s, en ze springt een paar keer in de lucht. Dat kunnen auto’s niet! ‘Gaan we nu een portemonneetje zoeken voor mijn geld?’ vraagt ze als de muziek stopt en de kinderen uitstappen. De hele tijd heeft ze haar geld stevig vastgeklemd gehouden in haar hand. Ze is moe. Haar vingers doen pijn. Alsof ze ook hebben gedanst. ‘Goed plan,’ zegt mama en ze lopen naar een kraampje met oude spulletjes. Jos kijkt met grote ogen naar al die schatten. Jos ziet poppen zonder kleren, vazen zonder bloemen, knikkers in alle kleuren van de regenboog en nog veel meer. Maar, hoe goed ze ook kijkt, tussen de schatten is geen portemonnee. Dan vraagt mama aan de verkoopster of ze misschien een portemonnee heeft. ‘Het is voor mijn dochter, de piraat.’ De verkoopster glimlacht naar Jos en zoekt tussen de spullen. ‘Hier heb ik er één, zegt ze alsof ze een schat heeft opgegraven. Maar dan kijkt ze sip. ‘Oh, nee, het is geen portemonnee, maar een brillenkoker! Ik moet hoognodig een bril!’ Ze doet de brillenkoker open. Hij is leeg. ‘Maar hier heb ik wel een pistool!’ De vrouw pakt een groene, plastic waterpistool.’ ‘Ik heb al een zwaard,’ zegt Jos. En ze zwaait met haar houten zwaard. ‘Jammer dan,’ zegt de vrouw. Jos en mama lopen naar de volgende kraam. ‘Hier hebben ze geen portemonnee, alleen enge foto’s van de boze wolf,’ zegt Jos. Ze wijst naar de platen die als de was aan een waslijn hangen. ‘Dat is niet de boze wolf, maar een hele grote hond, zegt mama die naar de grootste plaat wijst. ‘Voor de grote hond hoef je niet bang te zijn,’ zegt de verkoopster. ‘Ik ben nergens bang voor. Ik ben een piraat,’ zegt Jos en ze zwaait met haar zwaard. De vrouw frost met haar voorhoofd. ‘Maar je moet juist bang zijn! Kijk, er staat: pas op voor de hond!’ zegt ze tegen Jos. ‘Vallen ze mensen aan?’ vraagt Jos. ‘Ze blaffen als ze een dief zien. Die platen zijn om dieven weg te jagen.’ ‘Ik ben niet bang voor dieven!’ zegt Jos. ‘Als een dief bij ons komt, jaag ik hem weg, hé mama?’ Mama knikt. ‘Piraten zijn niet bang voor dieven! Ook als ze geen hond hebben.’ Jos zwaait naar de boze honden met haar zwaard! ‘Ik ben nergens bang voor! Ook niet voor dieven!’ Plots ziet Jos een lachende matroos op een raam. Hij houdt het stuur van een schip vast en knipoogt naar haar. ‘Kijk, de winkel met de matroos,’ zegt Jos. ‘Misschien hebben ze daar een portemonnee!’ Mama slaat zichzelf op het voorhoofd. ‘Wat slim van je!’ ‘Kom we gaan daar naar toe,’ zegt Jos. Mama tikt met haar hand tegen haar slaap: ‘Ajaj piraat!’ Jos glundert. Ze is blij dat ze haar ooglapje thuis heeft gelaten. Anders had ze de matroos misshien niet gezien. Nu moeten ze toch snel een portemonneetje vinden. Want ze heeft kramp in haar hand van de hele tijd het geld vasthouden. Ze geeft geen kik. Echte piraten houden zich sterk. Altijd. Maar ze is het wel zat. Ze stappen de winkel van de matroos binnen. Mama vraagt aan de verkoopster: verkopen jullie ook portemonnees? De verkoopster knikt en loopt met Jos en mama naar achteren. Daar doet ze een grote doos open. Het lijkt wel een verborgen schat. Ze haalt er een portemonnee uit. Ze doet de portemonnee open. Maar dan roept ze teleurgesteld: Oh, nee, het is geen portemonnee! Het is een pennenkoker! Sorry, we hebben alleen pennenkokers. Teleurgesteld lopen mama en Jos de winkel uit. Jos kijkt sip naar de matroos. Hij knipoogt naar haar. Alsof hij wil zeggen: Niet verdrietig zijn. Blijven zoeken! Zeelui geven nooit op! Je zult gauw een portemonnee vinden. Jos geeft stiekem een knipoog terug. ‘Ik zal niet opgeven!’ mompelt ze tegen de matroos. ‘Echte piraten geven nooit op!’ Mama zucht. ‘Ik had niet gedacht dat het zo moeilijk zou zijn om een portemonneetje te vinden,’ zegt ze. ‘Wat nu?’ Jos’ vingers zijn stijf en verkrampt. Ze houdt het geld stevig vast in haar handpalm. Ze is bang dat ze haar geld zal verliezen. Maar veel langer moet het niet duren. Ze moeten nu snel een portemonnee vinden. Een hand is niet gemaakt om geld in te bewaren. Een jaszak of broekzak wel, maar die heeft ze niet. Anders had ze daar haar geld wel in gestopt. Straks valt het geld uit haar hand. Het geld geven aan mama wil ze ook niet. Het is haar geld. Ze wil het zelf bewaren. Het is haar schat. Dan komen ze bij een draaimolen. Jos houdt niet van auto’s, maar wel van fietsen. Ze wil heel graag op de fiets van de draaimolen. Maar met het geld in haar hand kan ze het stuur van de fiets niet vasthouden. Haar muntjes zullen één voor één op de grond vallen. En fietsen met één hand zoals mama of zelfs zonder handen zoals de buurjongen, dat is niet slim. Dat is heel gevaarlijk! Het bewijs: De buurjongen heeft al een keer zijn arm gebroken. Ze wil geen piraat worden met een houten arm of been. ‘Stop het geld dan toch in je broekzak,’ zegt mama. Maar Jos heeft een zwarte joggingbroek aan en die heeft geen zakken. Ze heeft nu spijt dat ze geen andere broek heeft aangetrokken. Een broek met zakken. Ook al zit die minder lekker. En ziet die er minder stoer uit. ‘Mijn broek is zakloos,’ bromt Jos tegen mama. ‘Zakloos?’ Mama moet lachen. Jos vindt het helemaal niet grappig. Ze kijkt nors. ‘Wil je dan misschien touwtje trekken,’ vraagt mama lief. Ze wijst naar een kraam waar je touwtje kan trekken. ‘Ja!’ Dat wil Jos wel! Mama zet Jos op de brede toonbank. Jos legt het zwaard naast zich neer. Terwijl Jos naar de enorme bos touwen kijkt, geeft mama wat geld aan de vrouw van de kraam. ‘Je mag maar een touwtje trekken,’ zegt de kraamvrouw streng. Jos tuurt naar de kluwen touwen en denkt: Maar een touwtje? Oei, dat is moeilijk. Er zijn zoveel touwtjes. Hoe weet ik welke ik moet trekken? Alle touwtjes lijken op elkaar. Ze komen allemaal bij elkaar in één grote lus. Aan de lus hangt een grote staart. De staart ligt als een hondenstaart op de toonbank. Gelukkig zonder hond. Een hond die dieven moet wegjagen. Jos ademt diep in, legt haar geld in een hoopje naast haar zwaard. Dan trekt ze aan een touwtje boven de lus. ‘Goed gedaan,’ klapt mama in haar handen De vrouw van de kraam pakt het touw en trekt er hard aan. De prijs springt als een kikker omhoog. ‘Je hebt een tamboerijn gewonnen!’ zegt de kraamvrouw. Ze maakt de tamboerijn los en geeft hem aan Jos. Jos slaat met de palm van haar hand op de tamboerijn. De belletjes aan de zijkant rinkelen. Ze lacht. Ze is blij met haar nieuwe schat. Maar dan komt een ander meisje met haar moeder langs de kraam. Het meisje ziet Jos muziek maken met haar tamboerijn. ‘Ik wil ook touwtje trekken,’ zeurt ze tegen haar moeder. Die wordt nooit piraat, denkt Jos. De moeder zet het meisje op de toonbank. Naast Jos. ‘Je mag drie keer trekken! zegt de moeder toegefelijk tegen het meisje. Het meisje trekt niet één, niet twee, maar wel drie keer. Ze wint niet één, niet twee, maar wel drie schatten. Er gebeurt er iets geks. Jos kan haar ogen niet geloven. Aan het derde touw bungelt een roze portemonnee. ‘Die had jij moeten winnen,’ zegt mama verbaasd. Jos trekt haar schouders op. Ze zegt: De portemonnee is van het meisje. Het tamboerijntje is van mij. Ik hoef het geld niet meer. Aan mijn tamboerijn zitten muntjes die muziek maken. Dat is veel leuker dan echt geld. Ze legt haar losse muntjes in de tamboerijn en geeft het geld als op een schaaltje, aan mama. ‘De muntjes mag jij hebben,’ zegt ze. ‘Omdat ik aan het touw mocht trekken.’ Mama pakt de muntjes. ‘Bedankt! Je bent de liefste  piraat van de wereld!’ Haar ogen glinsteren. ‘Weet je wat! Met het geld trakteer ik je op iets lekkers!’ Dat laat mama zich geen twee keer zeggen. Ze zet Jos op de grond. ‘Wat eten piraten?’ ‘Broodje haring,’ zegt Jos. Ze is dol op haring. ‘Met heel veel uitjes…’ ‘Goed plan!’ Ze gaan naar de visboer en eten een broodje haring. Als ze klaar zijn, likt Jos haar vingers af. Dan trommelt Jos op haar tamboerijn en mama doet mee met haar portemonnee. De visboer lacht. Als ze naar huis fietsen, geeft Jos de zeeman op het raam nog snel een knipoog. Bedankt zeeman! Dankzij jou heb ik een prachtige schat gevonden. Als ik groot ben word ik een beroemde piraat en vind ik nog veel meer schatten. Ik ga heel veel oefenen. En ze zwaait met haar zwaard in de lucht. ‘Enteren!’ roept ze tegen mama als die het kruispunt over fietst. Door oranje. En een stukje door rood. ‘Mama! Niet zo gevaarlijk doen!’ roept Jos.  

Margaretha Juta
0 0
Tip

Ribbedebiewoep

Binnenkijken Doe jij dat ooit? Bij mensen naar binnen kijken? In hun huis? ‘s Avonds bijvoorbeeld, als je met je ouders en met de hond nog een stukje gaat wandelen.  Zeker in de winter geeft je dat een warm gevoel. Het stadje Peperbus lijkt wel gemaakt om bij de huizen naar binnen te gluren. Heel wat huizen hebben een trap aan de straatkant, waardoor je iets naar boven moet kijken om in de woonkamer te kijken. Op de een of andere manier stralen die huizen en woonkamers een gezellige warmte uit. Je ziet er de mensen samen aan tafel zitten voor het avondeten. Of ze zitten bij de open haard. Met een boek of met de krant. Of ze kijken naar tv. Allemaal tegelijk op de bank. In al die huizen lijkt het wel hemels warm. Dat is het ook in het huis van Robin, waar hij samen met zijn mama en papa woont. Laten we maar even naar binnen kijken. Papiertjes Robin zit in een hoekje van de woonkamer. Het is een gewone huiskamer met een tv die niet aanstaat, een salontafeltje en een grote bank.  Zijn mama Tamara staat in de keuken. Ze is nog wat aan het rommelen. Davy, de papa van Robin, leest de krant aan de keukentafel. “Sssst”, zegt Tamara tegen Davy. Wat raar is, want hij zegt helemaal niets. “Robin zegt iets. Hoor jij wat hij zegt?" "Och, hij is gewoon wat aan het spelen", antwoordt Davy. "Zeg, moet je hier horen wat de minister …" "Nee, ssst, effe. Hij zegt precies van die rare woorden.” "Och, dat doen de ministers ook. En die staan ermee zelfs in de krant", knipoogt Davy. "Ik ga even kijken", zegt Tamara en ze loopt op haar tenen naar de woonkamer. Ze kijkt heel voorzichtig om de hoek van de keuken met de woonkamer, net zoals iemand doet die verstoppertje speelt. Robin zit met allerlei papiertjes voor zich op de grond, net voor de bank. Hij schuift met de papiertjes heen en weer, legt ze tegen elkaar en schuift ze daarna terug uiteen, bijna alsof hij een puzzel maakt. "Toch even dichterbij gaan luisteren", zegt ze bij zichzelf en ze kruipt op haar knieën tot achter de bank.  “Poetpriet, proetproet, woepprot, poertroet, ribbedebiewoep”, hoorde ze Robin zeggen. Bij dat laatste woord neemt hij een nieuw papiertje en hij schrijft daar iets op. Geen spelletje Tamara kruipt op haar knieën terug naar de keuken tot bij papa. Hij kijkt naar beneden en begint te lachen. “Wat nu? Is er iets in je rug geschoten? Of denk je dat er ergens geld ligt? Hahahaha.” “Sssst toch. Dadelijk hoort hij ons. Robin zegt heel rare woorden. Hoor je het? Nu zegt hij het opnieuw. Ribbedebiewoep. Wat is in hemelsnaam ribbedebiewoep?” Tamara staat ondertussen terug recht. “Ik ga toch even bellen naar de mama van Marieke, zijn vriendinnetje. Hij zit in het vierde leerjaar. Hij is al bijna 10 jaar, toch geen peuter meer.” “Je moet niet zo hard van stapel lopen”, zegt Davy. “Het is wellicht een of ander spelletje.” Maar als we ook zouden binnenkijken bij Marieke, krijgen we daar hetzelfde tafereel te zien. Ze zit in de woonkamer en zegt woorden als “Trafipoeps” en “Trommelstopper”. De mama en papa van Marieke staan erbij en kijken ernaar.  Ook bij Mehmet is het krek hetzelfde. Net als bij Greetje, Anna, Ali en Jimmy. Alle kinderen van de klas spreken onverstaanbare woorden en de ouders weten niet wat te doen. Het lijkt wel alsof ze allemaal zijn getroffen door een epidemie waarbij alle gewone woorden zijn verdwenen. Het gaat elke dag van kwaad naar erger. De kinderen blijven rare woorden zeggen en ze weigeren te zeggen wat ze betekenen als hun ouders het vragen.  De ouders zijn ongerust en worden zelfs een beetje boos op de school. Ze moeten die woorden toch ergens vandaan hebben gehaald? De mama van Robin zegt zelfs dat ze spijt heeft dat ze Robin naar de school ‘Veerkracht’ heeft gestuurd. Er zijn immers nog scholen in Peperbus. Enkele mama’s en papa’s steken de hoofden bij elkaar en besluiten naar de school te stappen. Maar zowel bij juf Sandra als bij de directeur van ‘Veerkracht’ krijgen ze geen gehoor. “We hebben op dit moment hiervoor geen tijd. Het heeft geen zin dat jullie zich zorgen maken.” Dat is hun antwoord. Dat korte antwoord maakt het nog erger. Daarom vraagt Tamara aan haar man om er een stukje over te schrijven in de krant. Maar ook hij heeft er nog steeds geen oren naar.  “Ik zei het toch. Het is wellicht een spelletje. Laat die kinderen toch doen”, zegt hij. Verlegen De mama van Robin is vooral ongerust omdat ze weet dat Robin enorm verlegen is. Ze heeft er samen met haar man de juf al eens op aangesproken.  Als je Robin zo ziet zitten, kan je er niets aan zien. Gewoon een jongen van 10 jaar die vrolijk speelt. Een jongen die thuis honderduit vertelt over zijn avonturen in de klas en op school. Daarom vindt zijn mama het zo onbegrijpelijk dat hij in de klas niet uit zijn woorden komt. Thuis stromen de zinnen en woorden eruit, net zoals het water van een waterval.   Maar dat is wellicht de reden. In de school kropt hij ze op, zodat ze er thuis uitvloeien. Zijn mama denkt dat hij zich dan voelt zoals een vulkaan die op uitbarsten staat. In de klas vindt Robin het verschrikkelijk. Je kan dan niet gewoon maar zitten en luisteren. Soms moet je aan het bord komen en een antwoord op de vraag van de juf geven. Alleen bij zijn goede vrienden en vriendinnen heeft hij het niet. Bij hen is hij niet verlegen. Hij weet ook niet waar die verlegenheid vandaan komt. Net daarom vindt hij het zo erg. Hij vindt er zelf geen oplossing voor en blijkbaar kan niemand hem helpen. In de klas hoopt hij altijd dat de juf hem niet aanduidt om aan het bord een oefening te maken. Dan kijkt hij naar beneden en doet hij alsof hij iets op een blad schrijft. “Kies iemand anders. Kies iemand anders. Kies iemand anders”, fluistert hij dan bijna onhoorbaar.  Maar dat helpt natuurlijk niet. “Robin, je moet niet doen alsof je mij niet hebt gehoord”, zegt de juf. “Leg die pen maar neer en kom naar het bord. Er is geen enkele reden om zo verlegen te zijn.” Dit maakt het voor Robin nog erger. Hij zit dan met een soort van steen in zijn maag waardoor het lijkt alsof die steen zijn stem blokkeert. En dan begint hij altijd te blozen, waardoor ook de anderen het zien. Hij krijgt een hoofd zo rood een tomaat, zo rood als de truitjes van zijn favoriete voetbalclub, zo rood als bloed. Alles wat je maar kan bedenken dat rood is. En dan wordt het nog erger en erger.  “Och, ik moest vroeger ook altijd blozen”, heeft zijn papa ooit gezegd. “Daar groei je wel uit. Het heeft er mee te maken dat er op dat moment te veel bloed naar jouw hoofd stroomt”.  Bloed of niet, Robin vindt het verschrikkelijk. “Ik durfde in de klas ook niet naar het bord te komen. Maar kijk nu. Ik moet ooit lezingen geven over mijn werk bij de krant. Dan sta ik voor een groep van vijftig mensen. Of voor niemand, dat is ook al ooit gebeurd”, lacht Davy. “Ik wil maar zeggen Robin, dat komt wel goed.” Om hem van dat gevoel af te helpen hebben zijn ouders hem naar de lessen ‘Woord’ gestuurd. Dat is een afdeling bij de kunstacademie waar kinderen gedichten voordragen of toneel spelen. Volgens zijn ouders is het iets voor hem, omdat hij toch graag boeken leest en hij vindt het altijd zeer leuk als mama of papa hem ’s avond voorlazen.  Als hij op het podium een gedicht moet voordragen, zou dat kunnen helpen om van zijn verlegenheid af te geraken. Dat is het idee.  Maar die lessen ‘Woord’ maken het alleen maar erger voor Robin. Die juf roept om de haverklap iemand naar voor om iets voor te dragen. Dan krijgt Robin buikpijn en weet hij niet waar kruipen met zijn rood hoofd.  “Het is gewoon wat podiumangst”, zegt de juf. “Daar helpen we je wel vanaf. Hoe meer je dit doet, hoe sneller je er vanaf bent.” Maar het werkt voor geen meter.  Protest Omdat Robin in de woonkamer van die rare woorden blijft zeggen wordt zijn mama alsmaar ongeruster. Elke avond zit hij met de papiertjes te schuiven en leest hij de gekke woorden op zijn papiertjes luidop voor. “Ribbedebiewoep” zit er telkens tussen. De andere gekke woorden wijzigen telkens.  Davy blijft zeggen dat het een spelletje is.  Maar de mama van Robin laat zich niet zomaar afschepen. “Wat denkt juf Sandra wel. Wij sturen onze kinderen naar ‘De Veerkracht’ om hen te leren rekenen en te lezen, maar zij komen met van die gekke woorden naar huis. Dat trekt toch op niks. Wacht maar. Hier laten we het niet bij.” De boze mama’s en papa’s beleggen een vergadering en richten vervolgens een ‘Comité van bezorgde ouders’ op. Ze maken spandoeken en op een ochtend staan ze voor de schoolpoort van ‘De Veerkracht’. Ze blijven maar dezelfde leuze roepen. “Echte woorden voor onze kinderen, of wij gaan het verhinderen”.  Die leuze is natuurlijk veel te lang. Sommige van de ouders kunnen de tekst niet onthouden en daarom begrijpen de omstaanders totaal niet wat ze roepen.  Er hebben zich heel wat mensen verzameld aan de schoolpoort. Roepers en kijkers. Ze blijven er een hele week staan. ’ In de tussentijd gaan ze werken of koffie drinken en beramen ze andere plannen. Zo stappen naar de pers en zelfs de lokale televisie komt filmen. Maar het is slechts een klein item in het nieuws. De directeur van de school zegt dat de ouders zich zorgen maken om niks.  “Het is gewoon een initiatief van juf Sandra, om creatief met letters en woorden te leren omgaan. Dat is toch de bedoeling van naar school gaan, niet? Dat ze de alle letters leren gebruiken.” Ook de mama van Robin mag reageren voor de camera. “Ik vind het toch maar gek”, zegt ze. “In plaats van echte woorden te leren, of werkwoorden te vervoegen, hoor ik onze zoon ’s avonds alleen maar brabbeltaal zeggen. Het lijkt wel alsof hij plots niet meer kan spreken. En het ergste is dat we helemaal geen uitleg krijgen van de juf of van de school. Maar we laten het hier niet bij, zolang we geen duidelijk antwoord krijgen.” Zo lanceert de papa van Greetje tijdens een vergadering met het ‘Comité van bezorgde ouders’ het voorstel om naar de minister van onderwijs te stappen. Dit kan zo toch niet verder? Ze zijn het er allemaal mee eens.  Op een maandagochtend nemen ze vanuit het stadje Peperbus de trein naar de hoofdstad. De spandoeken gaan mee en ze hebben heel wat bekijks in de trein. Als ze uit het station stappen en de weg naar het kantoor van de minister zoeken, houden ze hun spandoeken omhoog en roepen ze hun leuze. De mensen begrijpen er niets van. Ze denken dat ze een andere taal spreken. “Echte woorden voor onze kinderen, of wij gaan het verhinderen”, roepen ze door elkaar.  Sommige ouders kunnen de leuze gewoon niet onthouden en die roepen zo maar wat. Het lijkt wel een carnavalsstoet.  Bij de minister Eenmaal bij het kantoor van de minister, geraken ze maar met veel moeite voorbij het onthaal. Ze hebben immers geen afspraak. Daar had niemand aan gedacht. Gelukkig is de minister wel in zijn kantoor.  “Hij heeft over een half uurtje een persconferentie”, zegt de man aan het onthaal. “Ik zal vragen of hij jullie nu al even kan zien.” Hij staart verbaasd naar de groep ouders, terwijl ze samen de trap opgaan met hun spandoeken.  Op de tweede verdieping bij het kantoor van de minister is er opnieuw een onthaalbalie. De mevrouw heeft de boodschap al doorgekregen van haar collega op het gelijkvloers.  “Het is vervelend dat jullie geen afspraak hebben”, zegt ze. “Maar de minister heeft een uitzondering gemaakt. Hij ontvangt jullie over vijf minuten. Maar hij heeft niet veel tijd, want er is nog een persconferentie.” In de wachtzaal overlegt het comité nog even wie het woord mag voeren. Maar vooraleer ze iets beslist hebben, stapt de minister al uit zijn kantoor. Ze kennen hem van tv. In het echt ziet hij precies kleiner uit. De minister staat bekend voor het feit dat hij vaak andere brillen draagt. De ene bril is al opvallender dan de andere. “Misschien doet hij dat om er slim uit te zien als minister van onderwijs”, zegt een van de mama’s.  Die dag heeft hij een blauw rond brilletje op zijn neus gezet.  “Dag allemaal”, zegt hij. “Waarmee kan ik jullie helpen? Ik zie precies dat er iets op jullie lever ligt. Pas op, ik heb wel maar twintig minuten tijd, dan begint de persconferentie. Kom maar binnen.” “Ik luister”, zegt hij in zijn kantoor, waar hij ondertussen achter zijn bureau zit. Hij zet daarbij zijn bril af, alsof hij zonder die bril beter kon horen. De ouders beginnen opnieuw door elkaar te praten. De minister verstaat er geen woord van. “Stop, stop, stop!”, roept hij luid. “Eén iemand neemt het woord en vertelt me wat er aan de hand is. Mevrouw, u daar”, wijst hij naar de mama van Robin. “Vertelt u me waarom jullie hier zijn.” Tamara vertelt de hele geschiedenis. Dat ze haar zoon in een hoekje van de kamer vreemde woorden hoorde zeggen. Dat de andere kinderen het ook deden en dat ze op de school ‘De Veerkracht’ niet naar hen wilden luisteren. “Daarom komen we naar u”, besluit ze. “Dit kan toch niet de bedoeling zijn van ons onderwijs.” De minister glimlacht. En het blijft niet bij glimlachen. Plots begint hij keihard te schaterlachen. De ouders kijken elkaar aan.  “Hij is gek”, zegt de mama van Robin. De mevrouw van het onthaal op de tweede verdieping komt het kantoor van de minister binnen en kijkt naar haar baas, die nu op zijn knieën zit en op de grond timmert met zijn vuisten.De persconferentie “Mijnheer de minister”, zegt de secretaresse, terwijl ze haar baas rechtop helpt. “Gaat het?” “Of het gaat?”, vraagt hij, de tranen van het lachen uit zijn ogen vegend. “Het gaat prima. Dit is toch helemaal de bedoeling.” “Ahum” zegt hij, terwijl hij zijn knieën afstofte met zijn beide handen, alsof het tapijt heel erg vuil is. “Excuseer me beste mensen. Jullie denken wellicht dat ik niet goed snik ben. Excuses. Maar ik ga het jullie allemaal vertellen. Of nee wacht. Het kan nog gemakkelijker. Komen jullie anders gewoon maar mee naar de persconferentie.” “Welke persconferentie?”, vragen de ouders in koor. Nu lukt het hen plots wel om gelijktijdig iets zeggen. “Geen paniek”, antwoordt de minister. “De perszaal ligt hiernaast. Jullie kunnen gewoon in het publiek zitten. Dadelijk wordt alles duidelijk.” De ouders zitten er als geslagen honden bij. Alsof ze plots gehypnotiseerd zijn en niet meer kunnen bewegen.  De mama van Robin slaakt plots een luide kreet. Alsof ze een geest in de conferentiezaal ziet.  De andere ouders kijken haar verschrikt aan.  “Dddd… dat is mijn man”, stamelt ze. En ze wijst naar haar man in de conferentiezaal. “Wat doet hij hier?” Ze loopt recht op haar man af. De andere ouders, alsof de betovering door een hypnotiseur is verbroken, staan ook recht en volgen de mama van Robin. Maar als ze de binnenkwamen horen ze de minister luid kuchen. “Ahum, ahum.” Ribbedebiewoep “Dag allemaal. Beste journalisten, mensen uit het onderwijs en ook beste ouders. Waarbij een aantal bezorgde ouders heb ik begrepen. Van harte welkom op dit persmoment voor de feestelijke voorstelling van Ribbedebiewoep.” De mama van Robin weet niet waar kijken. Ze kan net een gil onderdrukken. Ribbedebiewoep. Dat is toch het gekke woord dat Robin thuis altijd zegt. Waar gaat dit in hemelsnaam over? Ze tikt op de schouders van haar man. Ze is achter hem gaan zitten om uitleg te vragen. Waarom is hij hier en waar gaat dit allemaal over?   “Psst”, zegt ze. “Wat doe jij hier? En ribbedebiewoep, dat is toch dat woord dat Robin altijd zegt?” “Ssst, stil even”, zegt haar man. “Het wordt allemaal duidelijk.” “En waarom weet ik hier niets van?”, vraagt ze. “Omdat jij het te druk hebt met betogen, spandoeken en onverstaanbare slogans”. Stil nu even.” De minister vervolgt met zijn toespraak. Nu ziet de mama van Robin pas wie naast de minister zit.  “Daar, dat is juf Sandra”, zegt ze terwijl ze de mama van Marieke aanstoot. “Wat doet juf Sandra hier? Ik snap er niets van.” De minister kijkt boos naar de achterste rijen van de conferentiezaal, waar de ouders zitten. “Mag ik even stilte?”, zegt hij. “Ik wil om te beginnen graag iemand voorstellen. Hier naast me zit juf Sandra. Ze geeft les in het vierde leerjaar in de lagere school ‘De Veerkracht’, niet zo ver hier vandaan in het stadje Peperbus. Toen we een oproep deden voor dit project was ze meteen bereid om mee te doen met haar klas.” “Maar misschien ga ik nu iets te snel. Laat me eerst het project toelichten. Van leerkrachten overal in het land kregen we alarmsignalen dat er heel wat kinderen en jongeren niet goed in hun vel zaten. Het was heel gek, bijna zoals een virus dat zich over het land verspreidde.” “Dingetjes waarmee ze niet bij hun ouders terecht kunnen, want die hebben het ook druk. Kinderen die bijvoorbeeld onzeker zijn. Of kinderen die ongerust zijn over het klimaat of de zuivere lucht. Ik vergelijk het een beetje met vroeger. Ik was in mijn jonge jaren voor ‘de bom’, omdat er tijdens de koude oorlog die constante dreiging was dat ofwel Rusland ofwel Amerika een kernbom zou gooien. Wij lagen er letterlijk tussenin. Zoals een kind dat tussen bekvechtende ouders zit.” “Maar toen mochten kinderen er niet ongerust over zijn. En mocht je er met volwassenen niet over spreken. Zo leek het toch. Gelukkig kan dat nu wel.” “Ik heb het vervolgens besproken met heel wat slimme mensen uit het onderwijs en we besloten om een oproep te doen bij de scholen. Want zeg nu zelf, de kinderen zitten vaak in de klas. Eigenlijk zien ze de juf of de meester en hun vriendjes meer dan hun ouders. Maar zowel de school als de ouders zijn belangrijk als een kind zich niet goed voelt. Dat was dan ook de bedoeling van het project. Beide partijen moesten betrokken zijn.” “En dan geef ik nu graag het woord aan juf Sandra. Want zij kan natuurlijk het best vertellen hoe ze dit in haar klas heeft aangepakt.” “Dag allemaal”, zegt juf Sandra. “Maar ik stel voor dat ik dit niet alleen doe. Want ik heb nog heel wat mensen meegebracht. Het zijn allemaal jonge mensen. Kom maar binnen.” Plots gaat er achteraan in de zaal een deur open. De mama van Robin slaakt opnieuw een luide gil. Alle aanwezigen kijken haar aan.  Plots ziet ze Robin en zijn klasgenootjes de zaal binnenkomen. Hij zwaait meteen naar zijn mama. “Ik denk dat ik dadelijk ga flauwvallen”, fluistert ze in het oor van haar man. “Wat doen onze Robin hier?” “Je hebt een stukje gemist”, zegt Davy. “Toen jij voltijds aan het protesteren was. Stil nu even. Het wordt allemaal duidelijk.” Terug in de tijd “Laat me jullie even meenemen”, zegt juf Sandra. “Terug in de tijd.” Na die zin richt ze een toestelletje op het presentiescherm. Daar stond eerst de naam van de minister, maar nu verschijnt er een foto. Het is een foto van de klas van Robin. “Dit is onze klas in lagere school De Veerkracht”, zegt juf Sandra. “Ze zijn daarnet allemaal binnengekomen en ze zitten hier op de eerste rij.” “Toen ik over de oproep van de minister hoorde, was ik meteen geïnteresseerd”. Af en toe drukt ze op het toestelletje en telkens verschijnt er een nieuwe foto. “Kijk, dit is Robin en naast hem zit Marieke”, zegt ze.  De mama van Robin stoot haar man aan. Ze is ondertussen naast hem gaan zitten. "Onze Robin”, fluistert ze. Robin op de eerste rij heeft ondertussen een hoofd zo rood als een ondergaande zon in het midden van de zomer. Juf Sandra gaat verder. “Net als alle kinderen en alle volwassenen hebben zij iets waarmee ze worstelen. Ik heb Robin gevraagd of ik mag vertellen waar hij wel eens mee verveeld zit. Dat mocht.” Robin glimlacht naar Marieke die naast hem zat. Zijn hoofd werd zo mogelijk nog roder. Alsof het bijna ging ontploffen. “Robin is wel eens verlegen”, zegt de juf. “Als ik hem vraag om aan het bord iets uit te leggen, kruipt hij het liefst volledig in zijn bank en als het even kan kruipt hij er pas ’s avonds terug uit.”  Robin moet er op de eerste rij zelf mee lachen. Net als zijn klasgenoten. “Het is maar een voorbeeldje”, zegt Juf Sandra. “Een voorbeeld van iets waarmee kinderen soms zitten. Dan kan iets kleins lijken, maar voor de kinderen is het iets heel groot. Ze mogen er niet mee blijven zitten. De ouders van Robin hebben me er wel eens over aangesproken, wat ik zeer knap vond van hen.” Nu krijgt de mama van Robin een kleurtje en de papa van Robin geeft haar een knipoog.  “Ik dacht er verder over na en ik kwam uit bij iets waar we in de school ontzettend veel mee bezig zijn. En dat is taal. Woorden en zinnen. Als kinderen met iets zitten, moeten ze dat kunnen uiten. Ze moeten het kunnen vertellen. En dat doe je natuurlijk met woorden.” “Woorden zijn enorm belangrijk. Ze zorgen ervoor dat we elkaar kunnen begrijpen. Maar als je ergens mee zit, heb je altijd moeilijk om het uit te leggen. Omdat je wellicht denkt dat de anderen het niet zullen begrijpen. Toen kwam ik op een idee. Er zijn ook onbestaande woorden. Al kan dat eigenlijk niet, want door een onbestaand woord uit te spreken, bestaat het meteen. Zo hebben piepjonge tweelingen een hele aparte woordenschat, omdat ze als peuter altijd bij elkaar zijn. Met die rare woorden verstaan ze elkaar prima. Maar voor de andere mensen betekenen die woorden niets.” “Zo zie je maar, ook woorden die op het eerste gehoor raar klinken, kunnen best een betekenis hebben.” “Het idee was dat iedereen voor zichzelf een bijzonder woord zou hebben, om bij mij of bij de vriendjes en vriendinnetjes aan te duiden dat ze ergens mee zitten en dat ze erover willen vertellen. Het is een woord voor hen alleen. Zij zijn de eigenaar van dat woord, zoals ze ook de eigenaar zijn van hun gevoelens. Ik gaf de kinderen de opdracht om die woorden zelf te verzinnen. En dat is wonderwel gelukt.” “Kijk, dit zijn alle woorden van de kinderen”.  Juf Sandra drukt op de knop en er verschijnen wel 20 woorden op het scherm. Net zoveel als er leerlingen in de klas zitten. Je kan er geen touw aan vastknopen. Het waren allemaal niet-bestaande woorden. ‘Rimpeldepimpel’, staat er. ‘Kabriekziestan’, ‘Ribbedebiewoep’ en veel meer gekke woorden. Plotseling neemt de minister opnieuw het woord. “We vonden dit een prachtig idee van juf Sandra. Ze had het helemaal uitgewerkt, uitgebouwd en ze heeft er zelfs psychologen over aangesproken. Daarom maken we van deze actie onze nationale campagne. En een campagne moet natuurlijk een naam hebben. Nietwaar juf Sandra?” “Inderdaad”, zegt de juf. “We hebben met de klas beslist om er één woord uit te pikken. De kinderen mochten een uitleg geven over hun woord en vervolgens werd er gestemd. Ze mochten natuurlijk niet voor zichzelf stemmen. Vrijwel alle stemmen gingen naar één woord. Naar één leerling. En die wil ik hier graag op het podium uitnodigen. Kom maar Robin.” De mama van Robin laat opnieuw een gil horen. Deze is nog luider dan de voorgaande gillen. De gil is wellicht in het hele gebouw te horen. Iedereen kijkt haar aan, waardoor ze opnieuw een kleurtje krijgt. Op het podium Dat de mama van Robin een gil laat horen heeft meerdere redenen. Ze gilt natuurlijk van het schrikken, omdat haar zoon Robin het podium op moest. Maar ook omdat ze totaal fout zit met haar idee over die rare woorden.  De mensen kijken haar nog even aan, maar vervolgens richten ze hun ogen al snel op het podium. Want daar stapt iemand op het podium. Het is Robin. Hij zet zich naast juf Sandra. “Dag Robin”, zegt de minister. “Wat fijn dat je hier bent. Want in heel het land is binnenkort jouw woord te zien. Maar ik laat juffrouw Sandra enkele vragen aan  jou stellen.” “Dat klopt”, vervolgt juf Sandra. “Overal ziet met binnenkort jouw woord.” Daarna klikt ze opnieuw op het toestelletje en er verschijnt – heel groot – een woord op het scherm. ‘Ribbedebiewoep’ stond er. “Ribbedebiewoep”, leest juf Sandra. “Je hebt het bij ons in de klas al verteld. Maar nu mag jij ook even zeggen waarom dit jouw woord is.” “Tja”, begint Robin ietwat stamelend en verlegen. “Hoe kan ik dat uitleggen?” “Ik ben gewoon wat beginnen puzzelen met letters en woorden. Maar tegelijk dacht ik erover na waar het over moest gaan. Ik ben soms euh … nogal verlegen …euh.” “Dat zou je toch niet zeggen Robin”, onderbreekt de minister hem. “Maar sorry dat ik je onderbreek. Ga vooral verder Robin.” “Tja, euh. Het woord moest dus daar ergens over gaan. Als de juf me naar het bord vraagt, zou ik gewoon weg willen. Snel de klas uit. En ribbedebie is een ander woord voor ‘weg zijn’. ‘Ik ben ribbedebie’, heb ik mama ooit horen zeggen, toen ze naar de winkel moest.” “En die woep dan op het einde?”, vraagt juf Sandra. “Euh … ik weet niet of ik dat moet zeggen, maar ik had eerst ‘poep’ op het einde staan. Het werd dan ‘ribbedebiepoep’. Dat vond ik wel grappig.” En inderdaad, de kinderen op de eerste rij, maar ook alle andere mensen in de perszaal beginnen luid te lachen. Ook de mama en papa van Robin moeten ermee lachen. Net als de andere ouders. Robin wordt weer zo rood als een overrijpe tomaat. “Maar poep zou wellicht niet mogen, daarom heb ik gewoon een andere letter genomen. Ribbedebiewoep.” “En is het een woord dat jou helpt?”, vraagt juf Sandra. “Als je nu iets moet zeggen, zoals nu, helpt het dan?” “Ik heb het daarnet wel honderd keer gefluisterd”, zegt Robin, waarna de zaal weeral begint te lachen. “Maar het woord is natuurlijk maar een woord. Maar ik weet dat ik het liefst weg of ‘ribbedebie’ zou zijn, als de juf me vraagt om hier te komen zitten. Dat heb ik nog altijd.” “Hoe blij ben je nu dat jouw woord uitgekozen wordt voor het hele land?” “Euh, heel blij denk ik. Het is allemaal een beetje gek en snel gebeurd. Ik heb het ook maar wat bij elkaar gepuzzeld.” “Dank je wel Robin”, zegt de juf. “Dan stel ….” Plots ziet ze dat iemand in de zaal zijn hand omhoog steekt. Het is de papa van Robin.  “Ik zie dat er iemand een vraag heeft. Ik denk dat het iemand van de pers is. Zegt u het maar.” “Dank je wel”, zegt de papa van Robin. “Ik ben Davy Vanlangendonk, van de Nieuwe Krant. Ik heb een vraagje voor Robin.” Hij zegt er niet bij dat hij de papa van Robin is, maar hij ziet wel dat Robin hem vanop het podium een knipoog geeft. Daar ziet hij ook dat zijn vrouw naast hem opnieuw een rode kleur krijgt. Het lijkt wel alsof ze die verlegenheid van Robin heeft overgenomen. “Robin, nu binnenkort heel het land jouw geheim woord kent, is het natuurlijk geen geheim woord meer zijn. Moet je dan op zoek naar een ander geheim woord?” “Tja”, zegt Robin aarzelend. “Een ander woord ga ik zeker niet zoeken. Dit woord is misschien geen geheim woord meer. Maar het is nog altijd ‘mijn’ woord. En dat is het belangrijkste. Bij iemand anders zou dit woord wellicht niet helpen.” “Oké”, zegt de juf, die duidelijk niet had gerekend op vragen van de pers. “Dan ga…” “En ik heb tenslotte nog een vraag voor u, als dat nog mag?”, neemt Davy opnieuw het woord. “Euh, ik denk het wel. Als het met dit initiatief te maken heeft natuurlijk”, antwoordt de juf.  Ze vreest een beetje dat het over de actie van de mama van Robin en de andere ouders gaat. “Natuurlijk”, zegt Davy. “Ik heb gewoon nog een vraag voor het stuk in de krant. Hebt u eigenlijk ook zelf een geheim woord? En zo ja, hebt u dat met anderen gedeeld?” “Oké, die vraag had ik niet verwacht”, lacht ze. “Maar het is wel een goede vraag. Ik heb inderdaad een geheim woord dat ik met de kinderen heb gedeeld. En ik weet dat ze het geheim worden. Want zij vertrouwen mij hierin, dus ik moet hen ook vertrouwen. Als ik ‘mijn’ woord uitspreek weten ze dat er iets op mijn lever ligt.” “Oké, geen vragen meer? Dan gaan we verder. Want we hebben voor deze campagne nog een slagzin aan het woord van Robin toegevoegd. Kijk maar.” Op het scherm verschijnt nu onder ‘Ribbedebiewoep’ de zin ‘We nemen het samen onder de loep’. “Loep is misschien geen gemakkelijk woord”, zegt de juf. “Dat is een vergrootglas. Die die uitdrukking betekent dat we het probleempje samen gaan bekijken.” “En daar stopt het niet. Want de leerlingen uit mijn klas hebben er ook nog een gedichtje bij gemaakt. Nietwaar? Zeggen jullie het samen op?” De juf laat een nieuwe dia op het scherm komen en daarop staat het gedicht. Robin en zijn klasgenootjes lezen het samen voor. “Weet je even niet hoe het moet?Gebruik dan een woord zoals geen een.Een woord voor jou alleen.Een woord zoals ribbedebiewoep.Dan nemen we het probleem samen onder de loep.” “Zo voeren we de campagne in het hele land”, zegt de minister. “We nodigen alle scholen en klassen uit om met dit project aan de slag te gaan. En de uitleg die Robin daarnet aan zijn woord gaf, wordt mee opgenomen in het verhaal van de campagne. En daar mag hij best trots op zijn. En het verdient een applaus, denken jullie niet?” Na het applaus Nadat het applaus was uitgedoofd, bedankt de minister iedereen voor hun aanwezigheid. Een aantal fotografen gingen naar het podium en namen foto’s van de minister, juf Sandra en de kinderen.  “Hoe wist jij hier nu van?”, vraagt Tamara aan Davy. “Je hebt me er helemaal niets van gezegd.” “Ik zei het toch al. Jij had het te druk met betogen. Er zat begin deze week een brief in de agenda van Robin. Daarin werd heel wat uitgelegd en er zat meteen een uitnodiging bij om naar deze persvoorstelling te komen. Trouwens, bij de krant wisten ze er ook van. Ze hadden ook een uitnodiging voor deze persconferentie ontvangen. Ik heb maar meteen aangeboden om er een artikel over te schrijven. Onze fotograaf staat nu voor het podium. Ik dadelijk onze Robin nog even interviewen. Als hij me te woord wil staan natuurlijk. Hahahahahaha.”  Al lachend stapt Davy naar het podium, Tamara alleen achterlatend. De dag erna staat het artikel inderdaad in de krant. Robin is blij dat het een foto in zwart-wit was, zodat je zijn rode kleur niet ziet. Hij wordt bijna een nationale beroemdheid. Want er is ook een tv-ploeg van het kinderjournaal aanwezig.  Heel wat scholen in het land nemen het Ribbedebiewoep-project over. In sommige scholen is het een succes. In andere scholen moet het nog groeien, want als je het niet serieus neemt, werkt het natuurlijk voor geen meter. Het gebeurt niet vaak, maar als Robin thuis ‘Ribbedebiewoep’ zegt, dan weten zijn mama of papa dat ze een praatje moeten maken.  Voor het overige gaat alles zijn gangetje in het gezin van Robin.  Nog eens binnenkijken Zullen we nog even binnenkijken bij Robin thuis? In het huis met de trapjes? Zoals we dit verhaal zijn begonnen?   Kijk, daar zit zijn papa. Hij leest de krant, zoals gewoonlijk, maar misschien is hij er wel bij in slaap gevallen. Robin en zijn mama zitten samen op de bank en kijken naar tv. Het is een programma waarbij ze op het einde een woord moeten raden. Hoe meer rijen met blokjes de kandidaat heeft verzameld met het computerspelletje, hoe meer letters de kandidaat heeft. Dan is het makkelijker om het woord te raden. Ook nu raden ze samen naar het woord. Er staat al een i, een r en een e. Het is telkens een woord van acht letters. “Dan kan het nooit ribbedebiewoep zijn”, zegt Robin. “Want dat zijn meer letters. En dat is ook geen echt woord. Of wel mama?” Plots horen ze een gebrom van achter de krant die op het hoofd van papa ligt. “Hij snurkt”, zegt mama, waarna hij precies opnieuw iets zegt. De krant waait omhoog. “Hij zegt precies ‘minister’”, zegt Robin. “Misschien droomt hij nog over onze samenkomst bij de minister. Of wacht even …. Nee, hahahahaha.” “Wat is er?”, zegt mama. “Dat is natuurlijk het woord dat ze op tv zoeken”, zegt Robin. “Kijk maar.” En jawel, ook de kandidaat vindt het achtletterwoord. Het is inderdaad ‘minister’. “Niet te geloven toch hè”, zegt mama.    Einde  

Rudi Lavreysen
60 2

Het verhaal van grote beer die plots niet meer kon lachen

1. De nieuwe dieren van het bos vertellen het verhaal nog altijd. Het is heel wat jaren geleden gebeurd. De dieren van toen hadden nog nooit zoiets meegemaakt. Het begon allemaal op een mooie zondag in oktober. Ze hadden eerst gepicknickt en daarna gevoetbald op de grote weide in het midden van het bos. 2. Het was niet dat grote beer de wedstrijd had verloren. Nee, hij had als doelman zelfs enkele prachtige reddingen gemaakt. Na de wedstrijd werd hij door alle dieren op handen gedragen. Ook op die van de tegenstander. Maar de volgende dag gebeurde er iets raar. Beer kon plots niet meer lachen. 3. Muis zag snel dat er iets scheelde met haar grote vriend. Ze was, zoals elke maandag, naar het huis van beer getrippeld, om samen op verkenning te gaan in het bos. Op zoek naar heel wat lekkers. Oktober was ideaal om paddenstoelen te plukken. Daar waren ze allebei zot op. 4. "Ben je klaar grote beer? Ik kan de paddenstoelen al bijna ruiken", zei muis, waarna ze haar neusje in de lucht stak. Maar het enige wat beer zei was 'Hmmm'. "Wat hmmm?", zei muis. "Is dat het enige dat je kan zeggen?" "Hm hm", zei beer opnieuw. Muis besteedde er niet te veel aandacht aan. Ze dacht dat het wel zou beteren als ze de eerste paddenstoelen hadden ontdekt. Maar het beterde niet. Beer had wel twintig keer 'hm' gezegd, maar geen enkele keer gelachen. En beer lachte graag, dat wisten alle dieren. 5. Omdat dieren niet goed kunnen zwijgen, wisten binnen de kortste keren alle dieren dat er iets scheelde met grote beer. Op dinsdag kwam meneer de hert langs. Hij wist hoe hij beer aan het lachen kon krijgen. "Zeg beer, weet je nog? Dat ik bij boer Vanspringel met mijn gewei in het hek vastzat? Ik kon nog maar net op tijd ontsnappen. Hij liep naar buiten met zijn geweer, maar struikelde over de mat en schoot de lamp stuk. Hahahahahaha." "Hm", zei grote beer, terwijl meneer de hert op de grond lag van het lachen. 6. Op woensdag bracht konijn een bezoekje. "Beer kan niet meer lachen? Wacht maar", had hij vooraf gezegd. Grote beer had nog maar net een kopje thee uitgeschonken en konijn begon hem te kietelen. Niet alleen met zijn pootjes, maar ook met zijn grote oren. Beer keek konijn aan alsof hij niet snapte wat er gebeurde. Vroeger zou hij al na twee seconden plat hebben gelegen van het lachen.  7. Op donderdag stond het wilde zwijn aan het huis van beer. Hij had al een paar keer met zijn poten op de deur geklopt, maar er kwam geen reactie. Ook niet toen hij een paar keer luid had geknord. De volgende dag, op vrijdag dus, stond het wilde zwijn er opnieuw. Nu deed grote beer wel open, maar hij nodigde zwijn niet uit om binnen te komen. "Zeg beer", begon zwijn op de drempel van het huis. "Ik ken nog een leuke mop. Het is groen en het komt van een berg af. Wat zou dat ...". Zonder af te wachten wat zwijn nog ging zeggen, gooide beer de deur dicht. Zwijn zat er bijna met zijn neus tussen. 8. De dieren wisten niet wat ze moesten doen om beer aan het lachen te krijgen. Het enige wat misschien zou helpen, was naar de dokter gaan. Maar bij dokter de vos konden ze pas op maandag terecht. In het weekend ontving hij geen patiënten. De dieren probeerden beer op zaterdag en zondag nog mee naar het grote veld te nemen, om een balletje te trappen, maar hij deed de deur niet open.  De dieren hadden beslist dat muis op maandag mee zou gaan naar de dokter. Als ze hem meekreeg natuurlijk. Dat lukte wonderwel. Beer slofte als een mak lammetje achter muis aan. Muis meende nog te vragen of hij zijn poten kon opheffen, maar dat deed hij toch maar niet.  Na een half uurtje kwam beer terug naar buiten. Muis lag onder een boom te wachten. Er was geen beterschap te zien. Hij slofte hij zo mogelijk nog erger. 9. De dieren wisten niet wat aanvangen. Het mocht zeker niet te lang blijven duren. Dat wisten ze wel.  Er ging een week voorbij, maar muis ging toch opnieuw met beer naar de dokter. Door het sloffen zorgde hij voor een enorme stofwolk op het bospad. Net zoals wanneer boer Vanspringel er met zijn tractor reed.  Terwijl beer bij dokter de vos naar binnen was, verzamelden ineens alle dieren van het bos, plus de dieren van het andere bos, bij de boom waar muis zat.  Voor de vogels hoog in de bomen was het een prachtig beeld, al die dieren samen.  10. Maar er gebeurde nog iets wonderlijk. Dokter de vos nam beer plots mee naar het raam van zijn dokterspraktijk. Vanwaar ze stonden, konden de dieren het goed zien. Dokter de vos stond op een stoel en had zijn ene poot op de schouders van beer liggen. Met zijn andere poot wees hij naar buiten, waar alle dieren stonden. "En nu allemaal zwaaien en juichen", riep muis plots. Het gaf een enorme herrie en van al die zwaaiende dieren ontstond er een grote wind. De vogels vlogen in de lucht en begonnen te kwetteren. En daarna, alle dieren zagen het, verscheen er een glimlach op het gezicht van grote beer. Alle dieren begonnen luid te klappen.  11. Op de terugweg wandelde beer in het midden van de grote groep dieren, alsof ze hem extra wilden beschermen. Hij slofte niet meer. Ze gingen rechtstreeks naar de weide voor een wedstrijdje tegen de dieren van het andere bos. De dag erna ging muis terug naar dokter de vos. Niet omdat ze ziek was, maar ze was nieuwsgierig.  “Wat was er nu met beer aan de hand dokter?” "Het ligt aan oktober", zei dokter de vos.  12. "Hoezo oktober? Daar kan je toch niet ziek van worden", zei muis.  "Toch wel", antwoordde dokter de vos. "Het is nu herfst. De bladeren beginnen van de bomen te vallen. Beer had verdriet omdat er weer een jaar voorbij is. Dieren kunnen om heel wat zaken verdriet hebben. Omdat ze een wedstrijd hebben verloren of omdat ze aan hun overleden oma denken."  "Dat klopt", zei muis, "dat heb ik ook ooit." "Daarom vroeg ik je om met alle dieren naar hier te komen. Je kan verdriet niet wegen, maar het is altijd te zwaar om alleen te dragen", zo eindigde de dokter. Daar moest muis even over nadenken. Maar hij vertelde het snel aan alle dieren. Want zoals je weet kunnen dieren niet goed zwijgen.  En daarom vertellen de nieuwe dieren van het bos dit verhaal nog altijd. (einde)

Rudi Lavreysen
19 0

Eddy de slimme kip

1. "Jij bent de domste kip aller tijden",  zei Boer Balthazar vaak tegen Eddy. Als je vaak hetzelfde hoort, denk je soms dat het waar is. Niemand hoort graag dat hij dom is.  Maar het klopt niet, want kippen zijn slimme dieren. Wist je dat?  Uitspraken zoals ‘kieken zonder kop’ of ‘dom kieken’ slaan nergens op. We kunnen je alvast één reden geven waarom Eddy zeker geen domkop was. Eddy begreep heel wat woorden in mensentaal. Wat? Wist je niet dat kippen woorden kunnen begrijpen? Echt wel. Ze kunnen zelfs spreken. 2. Als je al een woord aan het gekakel of het getok van kippen zou moeten geven, dan is het ‘kips’. Pas op, dat is geen ‘haans’, want dat is de taal van de hanen. En het is helemaal anders dan het ‘konijns’. Daar moet je al goede oren voor hebben, want ze spreken heel stilletjes. Daarom zijn ze uitgerust met een goed stel oorflappen. Net zoals de hazen. Maar die taal is weer anders.  Het komt eenvoudigweg hier op neer: in het dierenrijk heeft elk dier een andere taal. Net zoals de mensen heel wat verschillende talen hebben.  3. Telkens als boer Balthazar van zijn werk in de hoofdstad thuiskwam, want hij was geen voltijdse boer, trok hij meteen zijn werkpak uit om andere kleren aan te doen.  En telkens voerde hij hetzelfde gesprek met zijn spiegel. “Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is…”  Nee nee, wees gerust, boer Baltazar ging niet dat beroemde zinnetje uit het sprookje over Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen zeggen. Al scheelde het niet veel. Kijk maar wat hij had aangetrokken. Het was geen werkbroek, maar een koerskostuum. Een rennerspak.  4. “Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is de beste wielrenner van het land?”, zei hij telkens voor de spiegel. Vroeger wilde hij altijd wielrenner worden, maar na een val in een plaatselijke kermiskoers durfde hij met zijn fiets niet meer te racen op de straat. Net voor de aankomst van de wedstrijd staken een tiental kippen en een haan de straat over en Balthazar kon ze niet ontwijken. Hij tuimelde op de grond en hield er heel wat breuken aan over. De kippen en de haan waren ongedeerd. Ook al nam hij het de kippen niet persoonlijk kwalijk – hij kende ze tenslotte niet en de boer had het poortje laten openstaan – toch bleven die overstekende kippen altijd ergens in zijn achterhoofd zitten. Het is dan ook bijzonder dat hij later zelf kippen ging houden. Maar hier dacht hij niet veel over na.  5. Waar hij wel over nadacht, toen hij de kippen kocht, was de namen van de kippen. Want die moesten allemaal de naam van een wielrenner hebben. Balthazar was nog altijd, ondanks die val, zot van de koers. De eigenschappen van de wielrenners naar wie hij ze had genoemd, zag je terug bij de kippen. Zo was Fons een heel bescheiden kip. Roger was een echt haantje de voorste. Wilfried was de snelste van alle kippen en durfde al eens een grap uithalen met de andere kippen. Fransesco was wereldkampioen eieren leggen en Joop liep altijd achter een andere kip aan. Meestal deed ze dat bij Eddy, die werd er soms wat zenuwachtig van. 6. Maar die originele namen was dan ook het enige goede dat hij had gedaan voor zijn kippen. Als hij in zijn wielertenue naar het kippenhok liep, hoorden de kippen hem al van ver afkomen met die koersschoenen. Tok, tok, tok, tok, tok. De kippen kenden het geluid als geen ander. Vooral omdat na het getok van zijn koersschoenen het trappen met diezelfde schoenen volgde. Hij trapte naar elke kip die voor zijn voeten liep. En de kippen wisten dat de blokjes onder de schoenen serieus pijn deden. Hij had nog nooit een kip geraakt, hoe hard hij ook zijn best deed. En dat maakte hem nog kwader. “Ik ben de baas”, riep hij dan. “Jullie moeten eieren leggen. Veel eieren.” “Jij bent de domste kip ter wereld”, zei boer Balthazar telkens tegen Eddy.  Maar Eddy wist beter. Hij was heus niet dom. De andere kippen bewonderden haar zelfs. Bovendien keek ze boer Balthazar altijd op een bijzondere manier aan. En Balthazar voelde dat.  7. Balthazar wist ook niet wat slimme mensen hadden ontdekt, want in de krant las hij alleen de uitslagen van de wielerwedstrijd. Zo had hij niet gelezen over de ontdekking dat kippen 24 verschillende toks of klanken hebben. Met die klanken maken ze zich verstaanbaar voor elkaar. Een haan is zelfs nog slimmer. Als hij een oogje heeft op een bepaalde kip, klinkt zijn kukeleku helemaal anders. Scherper ook. 8. Zo ging het elke dag. Als boer Balthazar niet aan het werk was in de hoofdstad, fietste hij in de keuken op de rollen en ging een paar keer per dag naar de kippen. En telkens riep hij naar de kippen. Van ‘domme kippen’ tot ‘jullie moeten veel eieren leggen’.  Maar op een dag gebeurde er iets dat afweek van het gebeuren van elke dag. Het was een zomerse zaterdagavond en Boer Balthazar keek in de keuken naar het tv-toestel op het aanrecht, terwijl hij op de rollen fietste. In het programma werd een boerin aan een boer gekoppeld. De boer moest een boerin kiezen uit een aantal kandidaten. Het was de laatste aflevering van het seizoen. Op het einde van de aflevering vertelde de presentator dat ze volgend seizoen de rollen zouden omdraaien. Een boerin ging dan op zoek naar een boer. En die boerin was Veroniek. “Hallo, ik ben Veroniek”, zei ze. “Ik ben op zoek naar een sportieve boer, die goed met dieren kan opschieten. Zelf heb ik heel wat kippen en ander pluimvee. Ben jij sportief? Zie je graag kippen? Misschien ben jij dan wel de boer waar ik naar op zoek ben.” 9. Balthazar was meteen verliefd. Hij was zo van slag dat hij plotsklaps stopte met fietsen. Maar op de rollen mag je niet zomaar stoppen. Elke wielrenner weet dat, want dan verlies je je evenwicht. Ook Balthazar wist dat, maar daar stond hij niet bij stil. Of juist wel. Toen hij stilstond tuimelde hij op de keukenvloer, net zo hard als tijdens de kermiskoers toen hij de kippen probeerde te ontwijken. Drie huizen verder hadden ze de ‘boenk’ gehoord. Gelukkig had hij nu niets gebroken. “Veroniek, ik hou van je”, zei Balthazar terwijl hij op de grond lag, maar op de tv was het programma al afgelopen en de weervrouw kwam in beeld.  10. De kippen hadden door de open keukendeur gehoord wat er zich in de keuken afspeelde en kwamen niet meer bij van het lachen.   “Ja kipjes”, zei hij. “Binnenkort woon ik hier niet meer alleen, maar samen met Veroniekske.”  Hierna begint hij plots te zingen. “Veroniekske, Veroniekske, jij bent echt mijn lievelingskiekske.” Hij zong het wel twintig keer na elkaar. De kippen maakten ondertussen zo een lawaai van het lachen dat de buren over de schutting keken om te zien wat er aan de hand was. Maar Balthazar begon meteen met het schrijven van een brief naar Veroniek. Dat hadden ze op het einde van het programma gezegd, als oproep aan mogelijke kandidaten. 11. Elke dag wachtte Balthazar de postbode op. Hij vertrok speciaal later naar zijn werk. “Is er een brief voor mij postbode?”, riep hij telkens naar de postbode, terwijl die nog een paar huizen verder stond. Maar het waren telkens betalingen. Balthazer keek uit naar het antwoord van Veroniek. Een keer was hij zelfs de postbode achterna gefietst, omdat Balthazar net te laat buiten was. De postbode had zelfs schrik van Baltahazar, omdat die maar bleef roepen. “Een brief, een brief, van mijn lief.” Balthazar kon de postbode niet inhalen, want die was ook een amateurwielrenner. Tot die ene dag, eind augustus. De postbode overhandigde Balthazar een brief. Hij had de hoop bijna opgegeven. Aan de envelop kon hij meteen zien dat de brief van Veroniek was. Ook omdat haar naam op de achterzijde stond. 12. Na de brief ging alles in een sneltreinvaart voor boer Balthazar. Hij had nog heel wat werk vooraleer de tv-ploeg bij hem kwam filmen.  Hij begon aan een grote schoonmaakbeurt, zowel het huis als het kippenhok. Hij kocht een nieuw kostuum en stond daarmee elke dag een paar keer voor de spiegel. En tenslotte oefende hij een recept om Veroniek aan te bieden als ze naar hem thuis kwam.   Bij de tv-kok had hij een interessant gerecht gezien. Een quiche met spinazie, prei en paprika. Het zag er geweldig lekker uit. Op tv dan toch. En terwijl hij poetste of aan koken was, zong hij het hetzelfde liedje: “Veroniekske, Veroniekske, jij bent echt mijn lievelingskiekske.” 13. De dag van de opnames begon perfect. Veroniek kwam samen met de regisseur en de camermensen aangereden en het was meteen een vrolijke boel. Veroniek was nog mooier dan Balthazar had gedacht. Ze had een bloemetjesjurk aan en daaronder droeg ze witte sneakers. Ze had bijna een punkkapsel. Helemaal anders dan op tv, toen ze nog lange blonde haren had. Maar dit was nog mooier. Zoiets mooi had Balthazar nog nooit gezien. “Ik geef jullie eerst een rondleiding”, zei Balthazar. “Dit zijn mijn kippen. Die daar is Eddy. En daarachter Joop. En dat is Wilfried, die is altijd het snelst als ik eten breng. De schavuit.” “Wat een bijzondere namen”, zei Veroniek. “Ja, het zijn allemaal namen van wielrenners”, zei Balthazar. “Wielrenners van vroeger. Omdat ik zelf nog heb gekoerst vond ik dat wel leuk. Op de een of andere manier passen hun namen bij de kippen.” 14. Net toen Balthazar en Veroniek zich aan tafel hadden gezet, en ze amper een eerste hap van de quiche hadden genomen, begonnen de kippen plots te kakelen. Allemaal tegelijk, zeer luid en in dezelfde toon. Ook Veroniek had het gehoord. “Zeg Balthazar, dit is voortreffelijke quiche”, zei ze. ”Dat heb je in je brief niet geschreven, dat je ook lekker kan koken.” “En wat kakelen je kippen toch mooi”, zei ze. “Precies allemaal in dezelfde maat. Zoiets mooi heb ik nog nooit gehoord. Het lijkt wel een liedje. Heb jij ze dat geleerd? Ik val van de ene verbazing in de andere.” Maar de kippen kakelden niet zomaar. Ze hadden iets voorbereid.  15. Balthazar herkende het meteen. Ze kakelden op de toon van het liedje dat hij de laatste tijd altijd zong. “Veroniekske, Veroniekske, jij ben mijn lievelingskiekske.” Hij kookte meteen van woede. Zijn hoofd was als een ballon die ontplofte. Alleen vlogen er gelukkig geen stukjes neus of oren in het rond. “Verdomde kippen, ik doe ze in de soep”, grommelde hij. Omdat hij nog op een stukje quiche aan het knauwen was, verstond Veroniek niet wat hij zei. Maar er vlogen wel stukjes prei en paprika uit zijn mond. “Pardon, excuseer me even”, zei Balthazar met een rood aangelopen hoofd. Dat verstond ze wel. 16. Hij bulderde als een woeste stier naar buiten en rende recht naar het kippenhok. Hij liep zelfs met zijn hoofd naar beneden, net zoals een stier dat doet als hij aanvalt. “Waar zitten jullie? Dekselse kippen”, riep hij. Hij zag geen enkele kip. Maar toch hoorde hij ze nog kakelen op de toon van het liedje. Eigenlijk had hij totaal geen reden om zo naar buiten te stormen, want Veroniek vond het prachtig. Zingende kippen. Wie had dat ooit gehoord? Balthazar moest wel een echte bijzondere boer zijn, dat hij hen dat had geleerd.  Haar hart klopte alsmaar sneller voor Balthazar. Maar daar dacht Balthazar niet over na. Want hij meende dat de kippen hem een hak probeerden te zetten.  Daar had hij gelijk in. En daar had Eddy ook op gerekend. Ze had een plannetje beraamd waarbij het etentje met Veroniek vast en zeker zou mislukken. Als wraak voor al die keren dat hij ‘domme kippen’ had geroepen en naar hen had getrapt met zijn koersschoenen. 17. Eddy stond samen met de andere kippen en de haan achter het kippenhok opgesteld. Net zoals de kippen in de kermiskoers, waar Balthazar jaren geleden over was gevallen met zijn koersfiets, kwamen ze plots tevoorschijn. Heel stilletjes, zonder te zingen. Ze vlogen vooruit. Zoals echte renners in de sprint van een koers. Eddy op kop, daar achter Joop, Wilfried en alle anderen. Ze liepen zo snel dat Balthazar ze niet had gezien. Ze kwamen uit het niets tevoorschijn en Balthazar nam een tuimel zoals je nog nooit een turner heb zien doen. Hij maakte wel drie salto’s. Maar zijn landing was niet zoals een turner. Hij zou er geen punten voor krijgen. Hij landde niet op zijn voeten, maar plat op zijn buik, volop in de kippenstront. De kippen hadden dat allemaal mooi bij elkaar gelegd. Dat was ook een heel werk geweest. “Eendracht maakt macht”, zei Eddy. “En een heleboel stront”, voegde Wilfried er nog aan toen, die altijd in was voor een grapje.  18. Zijn gezicht, het mooie pak, zijn schoenen, alles hing vol kippenstront. De kippen keken er even naar en verdwenen, terwijl ze opnieuw ‘Veroniekske, Veroniekske’ kakelden, terug in het kippenhoek. Je kan je wel voorstellen hoe Baltazar de keuken in kwam.  De geur was niet te harden.  Veroniek sloeg meteen haar handen voor haar haar mond en meteen snel naar haar neus. Wat een stank. De kippen waren buiten ondertussen opnieuw aan het zingen. Ze kakelden zo luid dat de buren opnieuw kwamen kijken. “Wat is er toch bij Balthazar aan de hand?”, zei de buurvrouw. “Het lijkt wel of de kippen zingen en er staat een tv-ploeg voor de deur.” 19. Balthazar had zich ondertussen wat gewassen en zette zich terug bij Veroniek aan tafel. De quiche was ondertussen koud geworden.  “Zal ik deze even voor jou opwarmen?”, vroeg Veronique. “Nee, laat maar”, antwoordde Balthazar. “Mijn honger is over.” “Maar dan moet je me wel even vertellen wat er daarnet is gebeurd”, zei Veronique. “Waarom werd je zo kwaad op de kippen, terwijl die toch fantastisch mooi kakelen. Het lijkt wel een liedje.” 20. En Balthazar begon te vertellen. Over zijn jongensdromen, dat hij altijd wielrenner had willen worden. Dat hij het niet onaardig deed bij de wedstrijden voor de jeugd, dat hij echt gebeten was door de wielersport, maar ook dat hij tijdens een kermiswedstrijd heel erg was gevallen, over de kippen die de straat overstaken en dat hij daarna niet meer op de weg durfde te fietsen.  Dat hij dan maar ambtenaar in de hoofdstad was geworden, maar dat hij nog altijd een passie voor wielrennen had. En dat hij thuis veel fietste op de rollen en naar de wedstrijden op televisie keek. En dat hij de kippen namen van wielrenners had gegeven. “Maar dat had ik je al verteld”, zei hij. 21. En daarna brak Balthazar. Niet in twee, zodat er twee Balthazars waren, maar hij brak van spijt en verdriet. Hij barste in tranen uit. Hij legde zijn hoofd op tafel en hij begon te snikken. De camera bleef ondertussen maar draaien, want ze wisten dat ze nu wel een heel bijzondere aflevering aan het opnemen waren. Maar dat was zonder Veroniek gerekend. Ze vroeg aan de regisseur om naar buiten te gaan. “Dit moeten jullie niet opnemen”, zei ze. De regisseur protesteerde nog. “Maar wacht eens even Veroniek”, zei hij. “Wij maken hier het programma, en ik vind dat we dit ook moeten opnemen. Dit staat zelfs in het contract.” “Contract of niet, zonder mij heb je helemaal geen programma”, zei Veroniek fel. “Het stopt hier. Ik roep wel als jullie terug binnen mogen.” 22. Daar zaten Veroniek en Balthazar. Hij had ondertussen zijn tranen afgeveegd en Veroniek had haar hand om zijn arm gelegd. “Ik vrees dat jouw val van vroeger in de kermiskoers toch iets meer teweeg heeft gebracht dan je zelf denkt”, zei ze. “Onbewust was je al die jaren heel erg kwaad op de kippen. Ook al denk je zelf misschien van niet. Omdat je de kippen van die kermiskoers niet meer ziet, verplaats je je woede op je eigen kippen. Misschien is het zelfs beter dat je geen kippen houdt. Want die beestjes kunnen er niets aan doen”, zei ze. “Misschien heb je wel gelijk”, zei Balthazar. “Misschien …” “Misschien moet jij eens een keer bij mij op bezoek komen”, zei ze. “En laat ons die hele tv-uitzending maar vergeten.” “Misschien is dat wel het beste”, zuchtte Balthazar. “Misschien moeten we dat doen.” 23. En zo gebeurde het. Veroniek stuurde de tv-ploeg naar huis. Er waren immers altijd reserveboeren die ze konden opbellen. Wat er allemaal was gebeurd, kon niet uitgezonden worden. De tv-zender wilde het juist wel uitzenden, want zoiets lokte veel kijkers. Maar voor Veroniek was het welletjes geweest. Balthazar was duidelijk nog gekwetst van het voorval met de kippen in de kermiskoers. Niet gekwetst aan zijn knieën of schouders, maar wel in zijn hoofd en aan zijn hart.  Diep vanbinnen was hij dat nooit vergeten en nam hij het de kippen kwalijk dat ze zijn koersambities hadden gedwarsboomd.  24. “Veroniekske, Veroniekske, jij bent mijn lievelingskiekske”, zong Veroniek in haar tuin. De kippen kakelden vrolijk mee op de melodie. Het waren trouwens heel wat kippen die het liedje kakelden. Wel een stuk of dertig. Ook Eddy, Joop, Roger, Wilfried en alle andere kippen van boer Balthazar scharrelden er rond. Ze waren niet langer bij Balthzar, want op een dag had hij ze meegenomen naar Veroniek. Na de mislukte tv-opnames waren ze elkaar blijven zien en een tijdje later werden ze de beste vrienden. Veroniek had aan het programma geen ‘vaste boer’ overgehouden.  Wel een goede vriendschap met Balthazar, waarmee ze alsmaar beter kon opschieten. Ze keek er telkens naar uit als hij had laten weten dat hij naar de boerderij van Veroniek kwam. Als Balthazar bij Veroniek met zijn rennersfiets achterom kwam gefietst, begonnen zijn kippen spontaan het liedje te kakelen. Ze waren hem niet vergeten. Veroniek wist dan dat Balthazar was gearriveerd en ze zong vrolijk mee. Balthazar had haar immers na een tijdje wel verteld over het liedje en Veroniek vond dat geweldig grappig. Als Balthazar de kippen het liedje hoorde zingen, moest hij zelf ook lachen. Het hele voorval met de kippen tijdens de opnames van het programma was hij zo goed al vergeten. Ook aan de val over de kippen tijdens de kermiskoers dacht hij nog maar zelden. Eddy, Wilfried en de andere kippen renden meteen naar het hek van het kippenren als ze hem zagen. Alsof ze hem wilden begroeten.  “Dag Eddy”, zei Balthazar dan. “Hoe gaat het met jou?” Einde

Rudi Lavreysen
0 1

Klavertje en Strohalmpje

Klavertje, een stevige jongen en zijn pienter zusje Strohalmpje mogen vandaag samen in het bos gaan wandelen. De twee kinderen zijn even oud. Ze zijn op dezelfde dag geboren als broer en zus. Ze zijn zowat onafscheidelijk. Tot nu hebben ze altijd naast elkaar mogen zitten in de klas. Dat vinden ze zeer prettig. Tijdens de speeltijd speelt hij wel liever met de jongens, zij vinden meisjes soms te flauw. En zij speelt liever met de meisjes, zij vinden de jongens soms te bruut. Wanneer de speeltijd gedaan is en wanneer ze naar huis mogen, blijven ze wel heel graag samen. Deze woensdagmiddag mogen ze voor de eerste keer alleen naar oma en opa, die aan de andere kant van het bos wonen. Samen met hun papa en mama zijn ze er al veel geweest. Omdat het niet echt ver is, en het bos zo mooi is om wandelen, gaan ze meestal deze zelfde weg.   Omdat ze lief en dapper zijn geweest vandaag, mogen ze van mama er samen op uit. Wanneer ze dan vanavond terug zijn, zal mama iets lekkers voor hen maken. Met verlangen kijken ze uit naar de pannenkoeken die mama zal bakken. Dat is hun lievelingseten, daarom weten ze dat mama dit voor hen gaat klaarmaken. Voor Klavertje zal mama zijn geliefkoosde confituur van blauwe bessen klaarzetten. En voor Strohalmpje zal dat een banaan met bruine suiker zijn. Hun vermoeden vertellen ze elkaar graag terwijl ze met dromende ogen verder stappen. De vele keren dat ze met mama en papa deze weg liepen, hebben ze altijd goed opgelet. Bomen en planten staan er heel veel in het mooie bos en ze wilden het verschil leren kennen. Daar had papa iets op gevonden. Hij nam altijd een boek over bomen en planten mee. Daar staan mooie prenten in. Elke wandeling stopte hij bij een andere boom en las voor wat het boek over die boom te vertellen heeft. En dat was heel veel. Veel te veel om dat allemaal ineens voor te lezen, en dan nog te onthouden ook. Papa moest toegeven dat ook hij daar problemen mee had. Daarom vertelde hij de tweede keer bij eenzelfde boom niet alles meer. Eerst vroeg hij hen of ze iets hadden onthouden. Natuurlijk was dat niet zo. Papa werd daar niet boos voor, hij keek niet zo sip als de leerkracht in de school wanneer ze een antwoord niet wisten. Papa was zo eerlijk om de test voor zichzelf te doen. Hij dacht na wat hij nog wist, zei dat eerst en ging dan toch in het boek kijken of het wel juist was. Niet altijd was dat zo. Klavertje en Strohalmpje lachten dan wel eens, maar ze wisten dat het langer zou duren vooraleer zij alles zouden onthouden. Na de test las papa het eerste feit dat in het boek stond. Wanneer het over de schors van de boom ging, streelden ze die met drie om te voelen hoe puntig, vlak, grof of generfd ze was. Ook mama deed af en toe mee en stelde dan ook vragen als: ‘Hoe kan ik nu weten dat dit een grove schors is, of dat het de vele nerven zijn die ik nu voel?’ Dan trokken ze samen op onderzoek door te voelen, te ruiken, dingen die ze dachten te zien te benoemen en samen kwamen ze tot een besluit en werden wijzer. Zo onthielden ze natuurlijk ook makkelijker welke eigenschap die boom had. De volgende keer was het niet alleen het kenmerk dat ze wisten, ook dikwijls wat en wie er iets speciaal over verteld had. Zo hadden ze die termen beter begrepen. Wanneer een blad werd beschreven moest papa altijd proberen twee van de laagst hangende takken te halen. Natuurlijk ging dit niet bij de grote bomen. Dan gingen ze onder de boom op zoek naar het meest volmaakte blad. Ook die werden dan bekeken, bevoeld en ook meegenomen. Een hele verzameling ervan hadden ze elk in een plakboek. Strohalmpje had daar steeds de bijzonderheden bij geschreven. Om het juist te hebben, schreef ze alles over uit het boek van papa. Klavertje vond dat flauw. Hij schreef hooguit de naam van de boom bij het blad. Je ziet toch hoe het blad eruit ziet, vond hij. Strohalmpje liet hem in zijn koppigheid. Zij wist de kleur nog van het blad want ze had het opgeschreven. In het boek van Klavertje zaten alleen bruingedroogde bladeren waar hij niet meer van wist of die groen waren geweest of die niet iets geler of roder van kleur waren wanneer ze nog aan de boom hingen. Koppig als hij is, vroeg hij nooit of Strohalmpje het niet wilde vertellen. Hij zou de volgende keer bij het blad goed naar de kleur kijken, dan zou hij het wel onthouden. Het ging natuurlijk niet alleen over de kleur van het blad. Hoe groot het kon worden, zagen zij aan hun exemplaar. En welke vorm het had, konden ze meestal ook nog wel zien. Toch was dat niet altijd meer zo bij een uitgedroogd blad. Ook daar had Strohalmpje de oplossing voor. Zij was met een groene, iets dikkere stift, rond het blad gelopen en had de vorm hierdoor echt vastgelegd. Wanneer het blad niet echt groen was had ze in de voorraad stiften die ze ook voor de school gebruikten, de kleur die het dichtstbij was, gezocht en had daarmee de omtrek getekend. Wanneer Klavertje haar zo bezig zag, schudde hij zijn hoofd. Zijn zus was altijd zeer geconcentreerd bezig, de tong dikwijls tussen de lippen. Zijn gedachten zaten al bij het spel dat hij wilde spelen. Verstrooid antwoordde zij wel, terwijl ze verder bleef werken om de informatie zo volledig mogelijk over te schrijven en het blad te tekenen. Tot ergernis van Klavertje, die het allemaal overdreven vond en wou beginnen spelen, kon zij tot een half uur bezig zijn. Dan werd hij boos en begon allerlei verwijten naar haar te roepen. Strohalmpje trok haar schouders op en werkte aandachtig verder. ‘s Avonds kon ze haar nieuwe pagina’s aan papa tonen. Die was dan heel fier maar wist wel dat hij haar niet extra in de bloemetjes mocht zetten. Klavertje zou dat uiterst kwalijk nemen en zich enkele dagen zo koppig en vervelend gedragen dat het plezier uit heel het huis zou verdwijnen. Daarom gaf hij Strohalmpje alleen maar een verdoken knipoog. Zij was daar zeer tevreden mee en wist zeer goed dat het meer betekende dan het leek. Klavertje had dit gezien, op school gaf hij haar de volgende dag ook een knipoog. Gelukkig dat ze broer en zus zijn, de leraar had even geglimlacht en verder niet gereageerd.   Nu liepen ze samen in het bos op weg naar opa en oma. Het was de allereerste keer dat zij deze weg alleen aflegden. Wolven waren er niet, dat wisten ze. Als er toch één zou opdagen zouden ze aan zijn staart en oren trekken. Dat hadden ze afgesproken. Wanneer ze dan voldoende hard trokken, zou de bedrieger wel tevoorschijn komen. Dan konden ze hard lachen. Dat hadden ze ook gedaan toen ze die afspraak maakten. Klavertje zou aan het dak van het huis gaan voelen of het van peperkoek was. Ze kregen bijna buikkrampen van het lachen. Welgemutst waren ze vertrokken. Aan de eerste boom die ze zich herinnerde, bleef Strohalmpje staan. ‘Wat zou papa nu te verklaren hebben over deze boom? Is dit geen tamme kastanje? Ik herinner mij dat je dat kan zien aan die lange bladeren met puntige uitsteeksels aan de nerven. Was dat niet zo, Klavertje?’ Het is toch niet makkelijk zoveel te onthouden. Ook op de school krijgen ze elke dag weer wat nieuws te horen, soms heel veel zelfs. Papa heeft hen wel gezegd dat zijn vertellingen hen wel van pas zullen komen wanneer de natuurlessen hierover zullen gaan. ‘Ja, ik weet dat nog goed. Zeker omdat we hier met papa en mama kastanjes konden rapen. Weet je nog dat we er warme konden eten bij die man met zijn zinken schotel?’ ‘Dat was lekker. Maar de puree die mama met onze oogst gemaakt heeft, was ook heel lekker. Mmm, gaan we wat kastanjes rapen? Dan maken opa en oma daar misschien ook iets lekker mee.’ ‘Zotteke, zie je er nu liggen? Dat is niet het hele jaar dat je die kan rapen, dat heeft pap toen ook gezegd. En daarbij, we mogen onderweg voor niets of niemand stoppen. We moeten zo snel mogelijk doorgaan, dat heeft mama heel duidelijk bevolen.’ ‘Ja ja, ik weet het. Toch zouden ze dat leuk vinden, denk ik.’ ‘Ach kom, er valt toch niets te rapen. En we gaan niet meer aan een boom vertellen wat we erover weten!’ Samen huppelden ze nu in de grote laan. Tijd om rond te kijken gunden ze zich niet meer, tot …   Niet ver weg van de laan waren vreemde bewegingen achter een grote boom. Ze konden niet goed zien wat er was. Zo te zien waren het vier figuren, meer konden ze nu nog niet zien. ‘Wat doen die nu?’ Strohalmpje was perplex blijven stilstaan. Af en toe schudde ze haar hoofd terwijl ze zich kleiner maakte. Tussen haar wimpers door hield ze de bezigheden in het oog. ‘Als ze mijn ogen niet kunnen zien, weten ze niet dat ik al hun bewegingen volg.’ fluistert ze. Klavertje had de opgewonden vraag van haar wel gehoord maar niet goed verstaan. Ook haar laatste verzuchting was niet tot hem doorgedrongen. Toen hij merkte dat ze achterbleef, volgde hij haar blik. Ook hij schudde zijn hoofd. Samen tuurden ze naar de vreemde bewegingen van dat viertal. Ze keken elkaar licht verbaasd aan. Strohalmpje herhaalde met een zucht: ‘Wat doen die nu?’ Klavertje bleef sprakeloos turen. Met de neus bijna in de grond leken een man en drie kinderen als sprinkhanen te bewegen en zo rondom te speuren. Met de neuzen dichtbij de grond leken ze bladeren voorzichtig opzij te schuiven. ‘Die mensen doen raar, wat zouden die daar zoeken? Hebben ze zelf iets verloren of zo?’ ‘We moeten voortmaken, we mogen ons niet laten afleiden. Dat zei mama, dus we maken voort.’ ‘Dan zullen we dat aan papa moeten vragen wanneer we hier de volgende keer voorbij komen. Kom we spoeden ons verder. Oma mag niet ongerust zijn.’  

Luc Van Roosbroeck
0 0

De ladder naar de zon

Personages: Victor De laddermaker De visschoonmaakster De vetervrouw De sokkenruiker De centenpoetser De bewijzer De proever De soepzever De grote letterlezer De boekenzoeker De vuile brillenpoetser De vleugelmaker 1. Victor had al veel gehoord over de zon. Iemand had hem zelfs verteld dat de zon een vuurbal was.  Dat leek hem straf. Maar misschien zou het kunnen. Hoe kon hij dat nu zeker weten?  “Ik kan naar de zon klimmen”, zei Victor. “Dan weet ik het meteen. Als ik wil weten of de pudding van mama lekker is, moet ik die gewoon proeven. Dat is ongeveer hetzelfde.” Met een lange ladder zou het moeten lukken. Want hij zag de zon met het blote oog aan de hemel staan. Maar voor een ladder heb je veel hout en spijkers nodig. Plus een zaag en een hamer. Dat had Victor allemaal niet. 2. Gelukkig was er een laddermaker in het dorp van Victor. Je had er nog meer bijzondere beroepen. Zoals een visschoonmaakster. Veel mensen eten graag vis, maar ze maken die niet graag schoon. Er was ook een vetervrouw. Ze deed de veters in schoenen, want dat is best moeilijk. Ze hielp je ook met het strikken van de veters.  Je had ook een sokkenruiker. Hij rook aan je sokken en wist dan te zeggen of ze gewassen moesten worden.  Als je in het dorp iets wilde worden, dan kon het ook.  3. “Dag laddermaker, kan je voor mij een ladder naar de zon bouwen?”, vroeg Victor.  “Heb je centen?”, antwoordde de laddermaker.  “Nee, kan ik die zelf maken?” “Nee, dat kan niet, maar je kan wel naar de centenpoetser gaan. Sommige mensen vinden het vies om geld vast te nemen, omdat het al door veel handen is gegaan. Deze mevrouw poetst de centen, maar sommige centen krijgt ze niet meer zuiver. Misschien krijg je die van haar. Voor mij is dat oké.” 4. Het gezicht van de centenpoetser zat vol zwarte vegen. Ze leek wel een mijnwerker die net uit een steenkoolmijn kwam. Ze veegde met haar hand over haar gezicht, maar toen werd het nog zwarter. “Ik kan je enkele zwarte centen geven”, zei ze. “Maar ik moet een bewijs hebben.” “Een bewijs?” “Ja, dat je ter goeder trouw bent.” “Wat betekent dat?” “Gewoon, dat ik je kan vertrouwen.” “Maar hoe kan ik een bewijs krijgen?”, vroeg Victor. Nu moest hij weer ergens naartoe.  “Ah, dat krijg je bij de bewijzer. Die kan je een bewijs afleveren.”  5. De bewijzer zat achter zijn bureau. Hij droeg een net pak en keek boven zijn bril uit.  “Je moet eerst een proef volbrengen”, zei de man met een zware stem. “Breng je die tot een goede einde, dan krijg je een bewijs. Maar daarvoor moet je naar de proever.” “De proever? Moet ik daar iets proeven?” “Dat mag ik nog niet zeggen”, zei de bewijzer. “Dat hoor je bij de proever.” 6. Bij de proever rook het lekker. Het leek wel of hij in een restaurant binnenstapte. Hij droeg een grote geruite keukenschort. “Je moet deze soep blind proeven”, zei hij. “Als je weet welke soep het is, kan je terug naar de bewijzer. Ik geef je al een tip. Het is soep met balletjes.” “Maar ik lust geen balletjes”, zei Victor. “Ah, dan moet je eerst naar de soepzever”, antwoordde de proever. “Die zeeft de balletjes uit de soep.” Victor dacht na. Misschien moet ik ze toch proeven. Dat is tijd gespaard. Wie weet waar stuurt die soepzever me naartoe? Victor kreeg een blinddoek om en hij wist het meteen. “Kervelsoep”, riep hij. “Het is kervelsoep met balletjes.” “Heel goed”, zei de proever. “Vertel dat aan de bewijzer en je krijgt een bewijs.” 7. “Hier is je bewijs”, zei de bewijzer nadat Victor had gezegd dat het kervelsoep met balletjes was. Hij plaatste een grote stempel op het document. “Dat lijkt me in orde te zijn”, zei de centenpoetser terwijl ze naar het bewijs keek. “Ik heb hier nog enkele zwarte centen liggen. Die krijg je mee.” “Zo zo, kijk eens aan, zwart geld”, zei de laddermaker. “Daarmee kunnen we een ladder bouwen.” “Mag ik helpen?”, vroeg Victor. “Nee, daarvoor moet je eerst een cursus volgen”, kreeg hij al als antwoord. “Maar je mag wel het materiaal aangeven.” 8. Een week later was de ladder klaar.  Of ze hoog genoeg was, wist de laddermaker niet. Niemand had ooit zo hoog geklommen met een ladder. Samen schoven ze de ladder uit elkaar. Victor begon te klimmen. Wat was het hoog. Hij kreeg het al warm. Maar de ladder was niet hoog genoeg. “Kom maar terug naar beneden”, riep de laddermaker luid.  9. “Het is gewoon veel te hoog”, zei de laddermaker. “Is er nog iets anders dat je wil ontdekken. Nu hebben we die ladder toch. Niet de maan ofzo, iets dat minder hoog is.” “Nee, niet echt. Maar nu weet ik nog niet of de zon een vuurbal is. “ “Misschien moet je naar de grote letterlezer”, zei de laddermaker. “Die heeft alle boeken gelezen. Of toch veel. Ze heeft vast en zeker ergens in een boek staan of de zon een vuurbal is.” “Weet je die wonen?”, vroeg Victor. “Nee, maar ik heb dat wel ergens opgeschreven. Hier is het. Wacht, ik kan het niet lezen. Mijn bril hangt vol stof en houtschilfers. Ga jij voor mij snel naar de vuile brillenpoetser?”  “De vuile brillenpoetser? Geef het papiertje maar aan mij”, zei Victor. “Ik kan het zo ook lezen.” 10. Niet lang daarna zat hij bij de grote letterlezer. Wat had ze veel boeken. “Of de maan of een vuurbal is?”, zei ze. “Dat moet ergens in een boek staan. Maar dan moet ik eerst de boekenzoeker roepen. Geen paniek. Die werkt hier.”  Ze floot luid op haar vingers. Een paar seconden later stond de boekenzoeker er. Een niet al te grote man in een korte broek met renschoenen. Alsof hij aan de start van een marathon stond. Hij had het boek supersnel gevonden. 11. “Even kijken”, zei de grote letterlezer terwijl ze in het boek bladerde.  “Nee, het is geen vuurbal. Maar het is er wel vijfduizendvijfhonderd graden warm. Dan raad ik je aan om er zeker niet dichtbij te komen. Mocht je dat van plan zijn.” Victor dacht even na over de ladder. Maar goed dat het niet was gelukt. Want stel dat je er geraakt, dan brandt de ladder meteen op. Wat een dom idee was het toch geweest. Maar wacht eens. Hij wist nu dat het geen vuurbal was, maar wat was het dan wel?  Was er geen vleugelmaker in het dorp? Nee, dat ging ook niet. De grote letterlezer had gelijk. Vijfduizendvijfhonderd graden, dat is behoorlijk warm. Een stuk warmer dan op een hete zomerdag.  “Nee, natuurlijk niet”, zei Victor. “Dat ben ik niet van plan. Daar moet je goed gek voor zijn.” “Of niet?”   (einde)

Rudi Lavreysen
0 0

Het weerzien

‘Hoe zat dat weer Whimsyridge? Die musketiers waren die nu met drie of met vier?’‘Tja, Tinkervoet, ze waren eerst met drie en later kwam er een vierde bij.’‘Wij zijn met zijn vijven en samen kunnen wij alles aan: één voor allen, allen voor één!’De vijf kabouters zijn op zoek naar de Kabouterberg.Brimwick is de stille bewaker van het bos,  altijd op hun hoede zijn de geheimzinnige en slimme Fizzlewhisk en Mosglimmer , de wijze Whimsyridge zit vol eeuwenoude geheimen en de speelse Tinkervoet zit vol kattekwaad en durft je wel eens te bedriegen. Ze hebben in een atlas gezocht naar bergen die met K beginnen. De K2 is het niet, die ligt ver weg in Azië.  In hun bosrijke streek zijn er twee bergen die in aanmerking komen, maar hun namen zijn enkel aangeduid met K’berg.  ‘Hier moet het zijn’, roept Tinkervoet als ze de berg opstappen.‘Dit is vreemd, wat doen al die bordjes hier met namen op en hier en daar staat er zelfs een kruisje?’Brimwick herkent meteen deze plakkaatjes.‘Dit zijn graven van dieren, die heb ik al meermaals gezien in bossen. Welke namen staan er op?’Mosglimmer leest voor: ‘Snuffel, Witvachtje, Pip, Pluisje, Vlekje en hier is zelfs een Nijntje.’Whimsyridge weet meteen wat er fout is.‘Dit is niet de Kabouterberg maar de Konijnenberg natuurlijk’, zegt hij wijselijk.Ze moeten verder op zoek,  maar weten niet welk gevaar  er dreigt op deze Konijnenberg . Aan het andere eind van de heuvel lopen vier wanstaltige gedaanten. Dit zijn beslist niet de Vier Musketiers.  Het zijn trollen.Blargfang staat bekend als de nachtmerrie voor alle reizigers, Blarglurk is een vraatzuchtige veelvraat, Grisjthar stinkt uren in de wind en Tork irriteert iedereen door zijn gesnuffel aan alles en nog wat.‘Laten we hopen dat er nog wat verse kadavertjes te vinden zijn’, smakt Blarglurk. Viesgroen speeksel druipt daarbij uit zijn mond.‘Lekkere konijnenboutjes, ze zijn nog beter als ze enkele dagen oud zijn‘, kwijlt Grisjthar.Van mensen die wild eten is geweten dat ze het vlees eerst laten ‘besterven’. Fizzlewhisk is van oudsher op zijn hoede en heeft rare geluiden gehoord. Hij raadt de groep aan om zich te verschuilen.  Maar goed ook, op veilige afstand merken ze hoe de vier trollen zich een weg banen door het struikgewas. Met zijn gesnuffel heeft Tork al snel de plaatsen gevonden waar nieuwe konijnen begraven liggen. Met hun handen als schoppen delven de trollen de lijken op die ze gulzig opsmikkelen. Telkens ze er een hebben opgegraven maken ze de kuil weer dicht en plaatsen het naamplaatje terug. Zo weet niemand dat de dieren verdwenen zijn. Tinkervoet walgt zodanig van de stank die Grisjthar verspreidt dat hij plots moet overgeven. De trollen horen zijn gekokhals en komen op de groep kabouters af.‘Zo, kijk hier, hier liggen nog wat toetjes in het struikgewas’, grinnikt Blarglurk. ‘Laat ons met rust, jullie buiken puilen al uit van al dat gefret. Wij zijn verdwaald en zoeken de Kabouterberg. Ik herken je, Blargfang en weet dat je veel reist. Jij weet beslist welke richting we uit moeten?’‘Kijk eens aan,’  zegt Blargfang ‘als dat Whimsyridge niet is, ouwe rakker, wij hebben elkaar al eens eerder ontmoet maar waar ben ik vergeten. Natuurlijk laten we jullie gaan. Oude kabouters smaken daarenboven niet, geef ons maar jong mensenvlees, zoals de kindertjes op de Kabouterberg. Die ligt hier niet ver vandaan. Een paar uurtjes stappen in noordoostelijke richting, dat wordt minstens een halve dag trotten met die korte beentjes van jullie. Haha…!’ Het kaboutervolkje maakt zich snel uit de voeten…

Vic de Bourg
11 1

Aan alle prinsen en prinsessen!

Hallo jij daar, prins of prinses van dit vreemde land! Je denkt nu vast: 'heeft die kromme heks het tegen mij?'. Wel, het lot heeft bepaald dat jij en ik aartsvijanden zijn. Wat houdt dat in? Dat ik jou ga opsporen, vinden en vervolgens de pijp uit laten gaan. Maar ach, het lot is slechteriken als ik meestal niet gunstig gezind. Daarom ga ik sluw te werk. Maar oeps, ik mag natuurlijk niet verklappen hoe ik dat ga doen. Kom eens even wat dichter. Dan vertel ik je meer over wie ik ben. Ik ben Syrah, Syrah de Slimme, ook wel de Laffe. Maar... vooral De Slimme! Ik zwiep graag met m'n bezemsteel door de lucht en kakel dan wel eens als een klein heksje. Verder leerde ik op de heksenacademie exact hoe ik dit plan moet uitvoeren. De heksenacademie, vraag je. Dat is de plaats waar heksen groot en klein, jong en oud, leren hoe een goede, of eerder slechte heks te zijn. Je leert er de kneepjes van het heksenvak! Maar, hé, kom nou nog even wat dichter, want ik moet je nog zoveel meer vertellen. Weet je, toen ik jou voor het eerst zag, haatte ik je al, ik wist dat je m'n vijand was en daar kon ik niet met leven, met jou! Jij had vast hetzelfde gevoel toen je mij voor het eerst tegenkwam. Daar ben ik driehonderd procent zeker van. Nu, neem gerust even een drankje, misschien die thee die ik je nu even door dit blad heen ga aanrijken. Mijn favoriete huisbereide thee. Wat? Of ik hem vergiftigd heb? Hoe durf je! Ik ben een eerlijke heks, ik zou nooit liegen over iemand vergiftigen. Of toch? He he. Jij bent een prins, of prinses, en ik - ik ben gewoon een kromme, bepukkelde heks. En dat is waarom we aartsvijanden zijn. Heksen en zij van koninklijke afkomst, tja, dat werkt gewoon niet. Dat is sinds het begin der tijden al zo. Weet je nog Sneeuwwitje en haar stiefmoeder, die ook een heks was? Of Doornroosje en haar boze heks? Elke prins of prinses heeft zo'n aartsvijand en ik ben de jouwe. Maar laat ons nu maar ophouden met deze dans. Hij heeft lang genoeg geduurd. En ik ben klaar om toe te happen? Kom nog even net ietsje dichter. Ja, goed zo! Je bent nieuwsgierig waar dit verhaal naartoe gaat, niet? Ik zal het je zo zeggen, want onze dans is bijna gedaan. Deze dans van aantrekken en ontwijken, aanraken en dan weer wegduwen. Ik hou ervan m'n prooi de stuipen op het lijf te jagen. Zachtjes te aaien om dan te doen schrikken. HA! Wat een feest, wat een feest, want jij... Jij bent er GEWEEST! Ik hap toe, maar ach, wat een pech, dat blad hier raak ik niet voorbij, dus loop je weg. Maar prinsje of prinsesje in die wereld voorbij dit blad, hou je klaar, want 's nachts verschijn ik weer op je pad! Dus hou je stil en verstop je goed, want Syrah de Slimme weet heus wel hoe ze uit dit blad raken moet! Maar voor nu ben je dus nog even veilig. Wat zal ik je missen, mijn aartsvijand, want heksen kunnen niet rusten tot hun koninklijke tegenpool de laatste adem heeft geblazen en de ochtend niet meer ziet. Dus slaap zacht, tot morgen, of toch niet!

Soetkindb
2 1

ik lees met Mees -- fiets

  Dit is mijn dorphier is mijn straatin die straat staat mijn huisin dit huis woon ik   dit is meesmees haar jurk is roosmees is zes jaarmees zit in mijn klasik speel vaak met mees   in ons dorp is een bosin het bos staat een hutnaast die hut zit ikmijn fiets is meeik maak me klaar   daar is mees-dag mees!mees zit op haar fietshaar fiets heeft een belTING TING doet de bel-ben je klaar?helm op en hupik ga meemee met mees   ik weet een spelwe doen een koersik rij een toerzo snel ik kanen dan mag mees1      -      2      -      3      -      START   ik rij mijn toerdoor het bosnaar de wegen weer naar de hutik ben snel   nu mag meesmees is ook snelze kent mijn toer:door het bosweer naar de wegen dan    - BOEM-   daar is een puteen put in het bosen daar ligt meesnaast haar fiets   mees weentmees heeft pijnpijn aan haar kniemees huiltze wint nietik troost haarde pijn gaat weg   mees staat ophaar jurk is viesmees wil geen koers meermees wil naar huis   daar is mijn huisen daar is mijn tuinmet een boomen nog een boomen aan de kant een haagik zet mijn fiets wegmees doet dat ook   ik weet nog een spelmees kent het ook-wat zie ik in de wolk?ik lig op het grasmees ookik kijk en zeg-het is een bolmees gilt-ik zie een bal   nu mag meesmees kijkt en toont-het is lang-een slangik zie de slang ook   nu mag ik weer-ik zie,    ik zie...dat is gekik weet niet wat ik zieik toon het aan meesmees is blij-ik zie,    ik zie,wat jij niet zieteen wielen nog een wielen een stuur-ik zie een fietseen fiets in een wolk   mees kijkt naar mij-ik weet van wie die fiets is-ik niet-het is jouw fietshoe weet mees dat?-die fiets heeft geen belja, dat is waarnet als mijn fiets   ik kijk en ziebal, slang, fietsen meeswie ben ik? WOLF

Rosemarijntje
7 1

ik lees met Mees -- buik-boek

Dit is de straat van Mees. Daar staat haar huis. Ik stap er heen. Ik ben er zó. Ik slaap daar straks. Mees is blij. Mee is blij. Ze zwaait al. Ze lacht naar mij. Ik hou van Mees. Mees ziet mij ook graag. -        Dag Mees, hier ben ik weer! -        Wat wil je doen? -        Ik weet een leuk spel: jij beeldt iets uit en ik raad wat. -        Of we doen gek.  -        Dat is ook tof. -        Ik zet een hoed op met een bloem. En ik draag een strik om mijn hals. -        Oh, en ik verf je neus rood! -        Wat kies jij? Een pruik? Dat klinkt leuk! Mees neemt mijn hand en trekt me mee de trap op. Ik ken de weg. Haar bed staat links. Het is groot en paars. Pop wacht op ons. Ze zit al klaar. Naast het bed staat een kist. Ik zie de hoed met de bloem. Mees zet hem op. Ik zoek iets voor mij. Ik kies een rok en trek hem aan. De sjaal sla ik om me heen.Na een uur zijn we klaar. Gek doen is leuk en fijn met twee. Het maakt ons moe. Mees wenkt naar me en sluipt de trap af. Ik glip mee het huis uit. Ik weet dat het mag. “Kom”, zegt Mees, “We gaan naar de bib.”Het is niet ver. We gaan te voet. De bib is groot. Rij na rij. Kast naast kast. Rek naast rek. Mees kiest een boek. Een boek met een draak. Op de kaft staat ook een man met een zwaard.Ik zoek nog. Ik wil ook een boek. Ik sla een gang in. Ik kijk in het rek naast het raam. Ik vind een boek dat me leuk lijkt. Het noemt “ In de buik”. We gaan naar huis. Elk met ons boek. Mees zit op haar bed. Ze lees uit haar boek. Ze leest luid. Zo hoor ik het ook. “De man gilt. De draak spuwt vuur. De man is bang.” Ik hou niet van dit boek. Het is voor mij te eng. Mees snapt het en knikt. “Lees jij maar uit jouw boek.”Ik zit naast Mees op het bed en start. -        Dit is mam en dit is pap. Pap heeft een snor. Die prikt.Mam haar buik is bol. Het lijkt wel op een ton. In die buik zwemt mijn zus. Ze is nog klein. Eerst was ze zo klein als een noot of een druif. Dan zo groot als een kool. Ze groeit snel. En toch te traag. Want ik wacht niet graag. Dus ik geef de buik een kus. SMAK.Soms voel ik mijn zus. Het lijkt of ze schopt naar mij. Ze rolt in de buik. Ik kan dat zien. “Hé”, zegt Mees, “Dat lijkt op jou! Jij krijgt ook een zus!”Dat is waar! Ik lach mee met Mees. Dit boek is leuk. Ik sta in het boek. En mijn zus ook. Ik lees nog meer. Niet luid, wel stil. Ik zoek de naam van mijn zus. Zou die hier in staan? Dan roept Roos. Roos is de mam van Mees. Het licht moet uit. Het is al laat. Het is tijd voor bed. Die nacht droom ik van pret met Mees. En ook van mijn zus. Ik hou nu al van mijn zus. Ik wil dat ze uit de buik komt.

Rosemarijntje
1 0