Lezen

Het huis (the house), voorlopige titel

Hoofdstuk 1 **Trisha ** Het is donker.Ik hoor geluiden die ik niet maak. Geluiden die niet vreemd zijn voor mijn oren, niet meer. Gefluister, geschreeuw, het wiegen en wiebelen van de anderen. Maar ineens hoor ik een geluid dat ik al een tijdje niet meer gehoord heb. Geluid zou ik het niet noemen eerder een melodie. Melodieën heb ik niet meer gehoord sinds ik 10 was, en deze, dit specifieke nummer, was me bekend, te bekend. Een gehuil komt van beneden, Silva is de kat weer eens vergeten buiten te laten. Ik sta op en wandel de trap af,. De treden kraken. Als ik beneden kom zie ik het achterbakse wezen miauwen. Mijn zus had het arme beest op straat uitgehongerd en bijna dood gevonden. Ze nam hem mee naar huis en noemde hem Trevor. Ik vind het meer een naam voor een kikker. Mam vond het oké dat er een nieuw wezen in ons gezin kwam. Eerst vond ik het maar niets, maar toen ik zag hoe blij mijn zusje en broer ervan werden, heb ik Trevor in mijn hart gesloten. Maar het blijft nog altijd een mottig beest. Ik duw de deur open en Trevor glipt naar buiten. Mijn leven was basic, ik woonde en werkte in een klein dorpje, Savura. Ik werkte in de fabriek en babysitte op de buurtkinderen, ik woonde thuis bij mama, Silva en Arthur. Arthur... Vorig jaar zat ik nog op school.  Het was uiterst vredig, ...te vredig. Silva zat op school en werkte in mams wasserij, Arthur werkte in de mijnen, onderaan de berg Valer, onze grootste energiebron.Die ochtend veranderde alles. Het begon met een mededeling op het binnenplein. Raymond, onze burgemeester én sheriff, stond met spiekbriefjes voor de speakerdesk. Iedereen van het dorp, iedereen die ik ken, mevrouw Sneer, Sid, meneer Valk,... Iedereen was er. Buiten Ravi. Hem kan het niets schelen wat er gezegd of gedaan wordt in het dorp. Het verwonderde ons niet. Hij was er deze keer beter wel bij geweest. Raymond kuchte eens om de aandacht te krijgen, die hij eigenlijk al had, maar hij houdt ervan om wat extra te doen. 'Dus, de staat heeft, euhm, ja, heeft gezegd dat er een nieuwe regel komt, een grote verandering eigenlijk, die niemand van ons zou willen doorvoeren maar, ja , het moet...' Stotterde onze burgemeester, wat al een belletje zou moeten doen rinkelen, want Raymond was altijd al een vlotte prater geweest (daarom is hij ook burgemeester geworden). 'Raymond, vertel het nu gewoon!', riep Valk vanaf de zijlijn van het verhoogde stuk plein. 'Oké, oké. Dus de staat beveelt ons om de jeugd, en dan bedoel ik de afgestudeerden van 18 tot en met 22, weg te sturen om de staat te dienen. Meisjes en jongens worden verwacht tegen morgen om 8u hier te staan. Als je niet komt dan komen de mensen van de staat je halen en ik kan je niet beloven dat het niet hardhandig gaat verlopen. Je moest die mannen en vrouwen eens zien, spieren tot hier.’ Hij probeerde er een leuke twist aan te brengen wat niet echt lukt. Mijn moeder kwam bezorgd kijkend mijn kant op. Al voordat ze haar mond durfde open te doen om iets te zeggen, stelde ik haar gerust: 'Het komt goed, ze hebben niet gezegd hoelang, misschien ben ik maar een maandje weg. Ik kan dit wel en trouwens Arthur gaat ook, het enige waar jij je zorgen over moet maken is welk gerecht je moet maken voor onze kieskeurige Silva.' Mijn moeder keek al een stuk rustiger. 'Hé, Ray...' riep iemand vanuit de menigte. '... krijgen we hiervoor betaald?' 'Ja.' Gewoon ja? Dit vlakke antwoord verwachtte je niet van Raymond, meestal legt hij alles tot in de puntjes uit, ook al is het iets niet fijn. "Ravi" schoot het door mijn hoofd. Ravi is 1 jaar ouder dan mij en werkt samen met mijn broer in de mijnen, ik ken hem al heel mijn leven, maar we zijn pas later echt vrienden geworden, pas toen Andrea (Ravi en ik noemden haar altijd Dré) stierf aan een longinfectie. Ravi en ik zijn dichter naar elkaar gegroeid. We hebben elkaar gesteund doorheen die moeilijke periode. Andrea was mijn beste vriendin en klasgenoot sinds de peuterklas. Ik wist waar hij meestal uithing. Ik liep naar het bos dat de connectie tussen onze huizen maakt. Vroeger spraken we af na school in het bos op een plek waar alleen wij de weg naartoe kenden. Waar we zelf een tafel en stoelen hebben gemaakt uit hout en takken die we in het bos vonden. We hebben toen aan Ravi's vader twee zagen en een schuurmachine (en natuurlijk nog wat ander gerief) gevraagd.De bladeren ruisen boven mij door de wind, de takken onder mijn voeten knappen. Toen zijn familie in hongersnood belande zijn we samen ver in het bos gaan jagen op wild, wat eigenlijk verboden is maar het is beter dan verhongeren. Wij (mijn familie en ik) konden moeilijk extra eten kopen, omdat we namelijk zelf al weinig hadden. Zowat heel het dorp had voedselproblemen in die tijd. Gelukkig heeft de staat het opgelost. Ik kom aan onze tafel, maar loop nu naar links, verder het bos in.       Hoofdstuk 2 **Ravi** Er vallen bladeren naast me op de grond. Op een grond die al bezaaid is met bladeren. Mijn rug rust tegen de schors van de boom. Ik luister naar het tsjirpen van de vogels om me heen en de mysterieuze geluiden van de bosdieren in de buurt. Ik hoor takjes knakken achter me, te veel voor een dier, te weinig voor een mens die niet weet wat hij doet. 'Hey...', zeg ik bijna fluisterend om de rust om me heen niet te verstoren. 'Hey...', fluistert de, ‘o zo’, bekende stem. Ze komt naast me zitten. Ik verwachtte haar. Haar verontrustende woorden. Ik weet dat ze komen. Of ik nu wil of niet, ze praat. 'We moeten weg', zegt ze. 'Ze sturen ons weg, uit het dorp. Ergens naar toe. Je moet mee, geen keuze.' Ze stopt met praten en snikt. Haar hoofd zakt op mijn schouder. Ik voel mijn shirt nat worden. 'Ik ga en sta waar ik wil. Ik ga niet mee.' antwoord ik, misschien iets te fel, maar ze wist het al, ze wist dat ik dit ging zeggen. 'Je moet of ze rukken je hardhandig weg.' 'Laten ze me maar wegtrekken, mij krijgen ze niet.' 'Jawel hoor.' 'Neen' 'Ik ga mee, ik ga met je mee. We vertrekken nu.' 'Neen!' 'Jawel!' 'Wij blijven hier, in het bos, niemand die ons vindt'. 'En onze ouders dan?' 'Jij wou toch weg?' 'Voor maar even, tot de staat stopt met zoeken' 'Kan eeuwen duren' 'Zolang leven we niet' 'Weet ik' Trisha staat op, ze gaat voor me staan. 'Pak je spullen' zegt ze. Ik sta op en weet dat dit de laatste keer in het bos is. 'We gaan niet weg hé?' 'Neen, we doen mooi wat de staat zegt'. Wel ik niet, maar dat weet ze, ze weet dat ze me voor een lange tijd niet meer zal zien. Haar armen sluiten zich rond mijn nek. Mijn armen zoeken automatisch naar haar middel. We bewegen, we walsen op een muziek die alleen in ons hoofd bestaat. Zo staan we nog tot het schemert in het bos, onze thuis. Ik laat haar los, ze tilt haar hoofd op van mijn schouder. 'Morgen, zelfde plek, 6 uur.' Ze knikt als antwoord. Ik pak haar hand en leid haar naar onze tafel. Waar onze initialen zijn ingekerfd, niet op een romantische manier natuurlijk, ze is meer mijn zus dan mijn lief. We wandelen elk onze eigen weg, zoals het altijd al is geweest, maar niet altijd zo zal blijven. Mijn kleine Trish, zal weg zijn voor een lange tijd, misschien wel voor altijd... Geen takje knapt, geen blaadje ruist, de wind is gaan liggen en mijn voeten raken amper de grond als ik naar huis wandel. Ik ben altijd al beter geweest in het jagen op dieren en het sluipen als dieren. Je moet je verplaatsen in hun manier van denken, je moet je bewegen op hun manier, en je moet je zintuigen gebruiken alsof ze van hen zijn. Ik ben hier altijd al beter in geweest. Trisha vertrouwt mensen te snel. Ze verplaatst zich niet in hun manier van denken. Ik vertrouw niemand, behalve Trish. Mijn huis is verlicht, de haard brandt. Boter ligt op de mat voor de haard, haar oren gaan rechtop staan als ik de deur openduw. Ze staat op en loopt sloom mijn kant op. 'Ga maar terug liggen Boterbloempje', zeg ik sussend tegen de veel te oude hond. Ze gehoorzaamt en gaat liggen. Vroeger dacht ik dat ik met dieren kon praten en ik hun verstond als een stem in mijn hoofd, maar ik heb me dat zelf wijs gemaakt. Niemand kan dat, het zijn wezens, een ander ras, een andere taal. Een taal die een mens niet kan horen of begrijpen. Ik dacht ze te horen nadat Dré weg was, nadat ze niet meer in de zetel voor de haard lag toen ik thuis kwam, nadat we niet meer samen in het bos speelden, het was nadat haar longen het begaven. Boter is ouder dan mij, mijn vader nam haar mee toen zijn ouders stierven en ze geen thuis meer had. Hij kent haar al bijna zijn hele leven, maar kent haar niet zo goed als ik. Begrijp me niet verkeerd, hij houdt evenveel van het beest. Alleen kan ik gewoon beter met haar om. Moeder en vader snappen haar behoeftes niet, of wat ze wil doen. Ik wel, ik begrijp iedereen. Toen Trisha haar ouders scheidde, wist ik het ook. Ze ziet haar vader niet meer, hij wil hun niet. Hij wou hun nooit. Mijn moeder ligt in bed mijn vader zit te schrijven op zijn kamer, hij schrijft een roman. Hij wil hem ooit uitgeven. Waarschijnlijk heeft hij hem af nog voordat hij sterft. En anders maak ik hem af. Ik volg mijn vader: afgestudeerd, mijnen, verder studeren, schrijven, pensioen. Ook al zit ik nog maar in de tweede fase, ik weet tenminste wat ik wil doen. Schrijven. Ik word schrijver. Hij is goed met woorden, zeggen ze. Ik word schrijver.         Hoofdstuk 3 **Trisha** De zon schijnt door het raam, het licht laat warme lucht over mijn gezicht strelen. Het wekt me, licht, luchtig, natuurlijk. Mijn ogen openen zich en stellen zich open voor de wereld die komen moet. De wrede wereld die me wegstuurt van huis, naar ergens, ergens onbekend. Mijn voeten raken de houten vloer. De houten vloer waar ik al elke ochtend over heb gewandeld. Ik zit recht. Ik zit recht op het bed waar ik al elke nacht in heb geslapen, al 18 jaar lang.  Mijn kaken zijn nat en ik besef dan pas dat het van mijn eigen tranen is. Ik huil. Tranen vloeien vanuit mijn ogen over mijn wangen en uiteindelijk vindt het zich een weg naar mijn lakens, waar het neerstort. Waar mijn verdriet neerstort. Mijn moeder staat aan de deur van mijn slaapkamer. Haar gezicht staat sussend, begrijpend. Woorden moeten niet worden gebruikt in een situatie zoals deze. We hebben nooit al te veel woorden gebruikt om met elkaar te communiceren. Silva zit beneden aan de tafel en Arthur komt achter me aan als ik aangekleed de trap af kom. Trevor wrijft aan mijn been, hij weet het. Hij weet dat ik wegga. Misschien is hij toch niet zo'n vuil beest. Op het plein, staat iedere jong volwassene die ik ken. Behalve Ravi. Ik wist het. Mijn broer staat naast me. Ik voel zijn lichaam en aanwezigheid naast me. Raymond staat klaar. Ongeveer 10 mensen van de staat staan naast hem. Hij heeft niet overdreven over de spieren. Breed geschouderd, armen zo dik als een voetbal. 'Sid Ambers' Ray begint met namen overlopen. 'Ravi Gielen'. Het is stil. Ravi is hier niet. Ravi is hier nooit geweest en zal hier nooit zijn. 'Weet iemand waar Gielen is?'. Ik zeg niets. Ik blijf stil. Ik zal voor hem liegen, zoals ik gedaan heb toen ze de dorpelingen hebben ondervraagd over de jacht in het bos. Toen eten schaars was, toen Dré doodging. Mijn broer kijkt naar me. Ik zeg niets. De staat hun deurwaarders, wandelen in de richting van Sid. 'Ken je hem?' vraagt de vrouw die duidelijk leiding heeft. 'I-Ik ken hem van school...' 'Ik zweer het. I-I-Ik weet niet waar hij is.' Ze kijkt hem streng aan. 'Auto' zegt ze nors. Sid wandelt in de richting van de busjes die ons wegbrengen. Zo vraagt ze dezelfde vraag aan ieder van ons. 'Wat weet je over Gielen, Cooper.' Mijn gezicht staat neutraal. Ik kijk haar strak aan en zeg: 'Hij is mijn buurjongen, ik ben met hem naar school geweest en heb een hechte band met hem.' 'Weet je waar hij is, Cooper?' 'Nee, mevrouw dat weet ik niet.' Ze staart me aan, diep in mijn ogen. Ik voel mijn innerlijke krimpen.  Ze zet een stap dichter naar me toe en zegt: 'Waar is Gielen?' 'Geen idee', luid mijn antwoord.  Ze gelooft me niet, ik kan niet liegen, het lukt niet, ze gaan hem iets aandoen. De vrouw zet een stap naar achter en stuurt me het busje in. Het is gelukt. Ik ben veilig. Maar Ravi nog niet. Hij heeft zich altijd al goed verborgen gehouden. Ik ga hem nooit meer zien. Ik stap het busje in als één van de laatsten. Mijn broer gaat achter me zitten. Hij fluistert in mijn oor: 'Ik weet niet wat jullie van plan zijn, maar het is geen goed idee.' Als iedereen van het dorp verdeeld is in de busjes, kondigt de buschauffeur aan dat we niet vertrekken zonder Ravi en Henry Konner. Blijkbaar had hij hetzelfde idee als Ravi. Weglopen en verstoppen. Na een halfuurtje wachten in de bus zie ik een schim verschijnen in de verlaten straat. Het is Konner en iemand van de staat. De man heeft Konner vast aan zijn arm, Henry trekt zich weg en loopt nu samen met de man de straat door. Ik weet dat ik stiekem hoopte dat het Ravi was maar dat zou alleen maar slecht nieuws betekenen. Henry wordt naar onze bus gesleurd en stapt in. 'Ziezo, laten we vertrekken ik stuur patrouille om Ravi Gielen te zoeken. Hij kan dan later naar Raven worden gestuurd.' De vrouw knikt en beveelt de buschauffeur om de bus te starten. Mijn tas met spullen van thuis ligt aan mijn voeten. Dat is alles wat we mochten meenemen. Eén tas niet meer. Henry zit naast me. Hij heeft blauwe plekken op zijn blote armen. Hij heeft een schram op zijn gezicht. Hij kijkt sip, en vermoeid, doodmoe, moe van dit, moe van alle rotzooi waar een tiener door moet. Hij is 18. Net klaar met school. Had een toekomst. Nu niet meer. Net als ik. De weg is kapot. Dat voel je. Het busje hobbelt. Als je je hoofd wilt neerleggen om te rusten, word je heen en weer geschud. Ik vraag me af of ze het expres hebben gedaan of ze het ons expres moeilijk maken omdat wij in moeilijkheden zaten en ze ons hebben geholpen.  Nu willen ze hun hulp terug innen door ons mee te nemen.        Hoofdstuk 4 **Ravi** Het is donker. De nacht schrok me nooit af. Het nodigt je uit. Een zwarte wereld waar alles beter is en je de angst en nachtmerrie van de echte wereld niet ziet. De tas is zwaar. Het is de grootste tas in huis. Vol gestopt met eten en spullen. Ik ben meteen vertrokken na Trisha's nieuws. Ik werk niet mee met de staat. Ze hebben mij nooit geholpen, dus ik help hun niet. De houten tafel voelt ruw en nat onder mijn vingers als ik er langs loop. In de tafelpoot schuif ik een klein houten staafje uit en steek de brief in het gleufje. Ik wandel verder het bos in en verdwijn in de duisternis. Hij zal voor me zorgen. De nacht zal voor me zorgen.  Ik hoor geritsel en pak mijn boog. Hij staat strak gespannen nog voor het dier zijn volgende stap zet. Zijn poot hangend boven de grond klaar om weg te rennen. Rennen, rennen om niet gevangen te worden door zijn vijand. Hij zet zijn poot zachtjes neer. Ik laat de pijl los. Het hert ziet hem niet komen en als hij het al zag, was het te laat. De punt gaat recht door zijn oog, op weg naar de hersenen. Twee jaar geleden zou ik blij zijn als ik zo'n prooi vond. Toen de ziekte in de lucht hing. Toen Dré dood ging.  Er loopt een straaltje bloed uit zijn oog. Het sijpelt naar zijn kin en druipt verder in zijn hals. Ik sla hem over mijn schouder en draag hem naar een grote platte steen. Ik ga naast hem zitten. De steen is vochtig. Ik voel hoe het vocht zich in mijn broek verspreidt. Het stoort me niet. Het heeft me nooit gestoord. De natuur bedoel ik dan. Nee, de natuur heeft me nooit gestoord.  Als ik het mes uit mijn zak haal en het aan de buik van het dier zet, hoor ik alweer geritsel. Dit keer is het duidelijk geen dier. Het is onvoorzichtig. Het is onervaren. Het is niet Trisha. Waarom? Waarom denk ik aan Trisha. Ik weet dat ze meegaat, ik weet dat ze nu thuis haar zak is aan het inpakken. Niet om met me mee te gaan, maar om de staat te dienen. Ik sta op met mijn mes in mijn hand. Wachtend. Wachtend op de persoon in het bos. In ons bos. Van mij en Trisha. Links van mij. Daar is een jongen. Ik zie zijn rug naar me toegekeerd. Ik ben stil. Ik zet mijn voeten gecontroleerd neer zodat hij me niet merkt. Hij strompelt door. Maar als ik achter hem sta draait hij zich plots om. 'Hey!' roept Henry als mijn mes zijn keel bereikt. Ik haal het scherp voorwerp van zijn keel en kijk hoe een druppeltje bloed langs zijn keel naar beneden druipt.  Mijn ogen glijden langs zijn keel naar zijn ogen toe. Ze staan geschrokken maar zijn herkenbaar. Henry Konner. Hij was één van de jongens die me na de dood van Dré heeft gesteund, hij was de jongen die zijn lunch af en toe met me deelde, toen de hongersnood het ergste was. We hebben altijd hongersnood gehad. Of toch al sinds ik leef. Maar 2 jaar geleden was het het ergste.  'Wat doe jij hier?' vraagt Henry. 'Het is mijn bos, ik woon hier.' 'In een bos?' 'Nee, het bos hoort bij het huis, hoorde bij het huis.' 'Ah, ja dat is logischer.' 'Wat doe jij hiér?'  'Ik vlucht.' 'Ik ook.' Hij steekt een hand naar me uit. 'Bondgenoten?' 'Neen.' Ik weet niet waarom, maar de enige die ik nog vertrouw is Trisha. Henry is niet Trisha. Ik vertrouw Henry niet. Henry is lief, maar niet betrouwbaar.  'Ga weg' zeg ik, 'Het is hier nog altijd niet veilig.' 'Hoe bedoel je?' 'ik bedoel, zoals ik zeg. Het is hier nog altijd niet veilig ga door het woud tot je aan het einde komt, of je volgt gewoon water, waar water is zijn mensen. Zolang je maar naar het noorden gaat.' 'Hoe vind ik het noorden?' '...'  Ik kijk hem verwonderd aan. Hij weet niet hoe je het noorden vindt? Hoe heeft hij ooit de honger overleeft? Ik wandel weg. Ik weet niet waarom maar ik wordt heel moe van mensen die niet weten wat ze doen. Ik ga terug naar het hert en snij het in stukken. Henry zal zelf wel de weg vinden. Of niet, niet mijn probleem. Het hert ruikt naar zout en geroest ijzer. Vers bloed, het kan zo lekker ruiken, maar ook zo bitter ruiken. Ik haat bloed. Maar ik hou van de rode vloeistof in aderen. Zo lang het vloeit, niet als het opdroogt. Niet als het mensenbloed is. Ik pak een stenen potje waar ik de stukjes in steek. Het vel zal ik moeten laten drogen. Maar voor nu vouw ik het even op met de vieze zijde naar binnen. Ik wandel naar het noorden toe. Stap voor stap. Meter per meter.          Hoofdstuk 5 **Trisha** De bus stopt voor een groot huis. Of ja, als je het een huis kunt noemen, het is eerder een soort enorm herenhuis. Ik voel de motor van het busje ronken en beven. Henry staat op. Ik trek hem terug neer. 'Niet opstaan voor ze zeggen dat je mag opstaan. Wil je weer dat één van die mannen je mee sleurt?' Hij kijkt naar mij met een vragend gezicht, maar blijft toch maar mooi op zijn stoel zitten. De vrouw die de leiding heeft staat op van het zitje naast de chauffeur. 'Goed, jullie gaan allemaal één per één naar buiten waar jullie in een rij naast elkaar gaan staan. Een graaf zal jullie dan naar binnen begeleiden.' Ik stap als één van de laatsten uit en ga naast Henry staan. Wachtend op de anderen die uit het tweede busje stappen. We zijn blijkbaar niet het enige dorpje waar ze jongeren zijn komen ophalen. Een meisje met fel blauw haar stapt als eerste uit de bus. Waarna een breedgeschouderde jongen met blond haar dat langs de helft van zijn gezicht ligt uitstapt. De vrouw wandelt langs ons heen naar de zijkant van het gebouw, waar ze de hoek omdraait en verdwijnt. Ook de bus achter ons vertrekt. We staan alleen voor het enorme huis. Maar niet voor lang. Er komt een man naar buiten. Waarschijnlijk is hij een graaf. Zoals de vrouw zei. Hij stapt naar ons toe en stelt zich voor als Edgard Al, maar we moeten hem Graaf Al noemen.  Hij neemt ons mee door de massieve houten deuren, die leiden naar de inkomhal. De ruimte is groot, er hangen schilderijen die waarschijnlijk meer dan dubbel zo oud zijn als mij. Op het laatste kunstwerk staan er een vrouw van middelbare leeftijd en een meisje rond dezelfde leeftijd als mij, er staat maar één mannelijke figuur op het schilderij, hij staat wat afgezonderd van de vrouwen en kijkt nors. Hij is waarschijnlijk rond de veertig.  Graaf Al begeleidt ons door nog een deur, we komen in een andere gang die veel langer is dan de vorige. 'Meisjes mogen mij volgen naar boven. De jongens vinden hun naam hier op de deuren van jullie kamers, zet je tas en de rest van je bezittingen hier en rust uit.' Als ik door de gang wandel kijk ik naar elk naamkaartje van elke deur. Ik zou niet moeten kijken, hij komt niet en zal er nooit zijn. Naast de derde laatste deur staat zijn naam. "Raviero Herbert Gielen". We volgen Al naar boven via de trap aan het einde van de gang, hij toont ons welke tweede trap we nog kunnen gebruiken voor 's avonds zodat we niet langs de jongens kamers moeten. Ik kom bij één van de laatste deuren en ik zie dat mijn naam op een kaartje staat dat naast de deur hangt. "Katrisha Area Cooper". Ik haat het als mijn naam volledig is uitgeschreven. Ik duw de klink naar beneden en duw de deur open. Mijn kamer is klein, kleiner dan ik gewend ben. Mijn eenpersoonsbed staat tegen de muur, in de hoek. Voor mijn bed staat een kast. Ik heb zoveel mogelijk kleren van thuis proberen meenemen in mijn tas, het was niet nodig geweest want in de helft van de kast liggen er kleren van de staat: een donker blauwe jas, een donkere stoffen broek en een blauw T-shirt. In de onderste lade zit hetzelfde maar dan in het wit. Ik sta niet met wit. Er ligt een briefje op de blauwe kleren. "Doe deze kleren aan in de eerste week hier". Ik dump mijn tas in de hoek van de kamer naast het bureautje en trek met tegengoesting het blauwe klerensetje aan.  Er wordt luid op de deur geklopt. Gebonsd eerder.  Ik open de deur en zie dat iemand van deur tot deur gaat om er op te kloppen en ons mee te nemen naar de eetzaal. De eetzaal is immens groot met lange tafels, maar niet zo mooi als bij Harry Potter, meer een gevangenis gevoel. De tafels zijn blauw, of waren blauw, het is zo hard geblakerd en verbleekt dat je de kleur amper nog ziet. De man leidt ons naar de tweede rij tafels waar ik me neer zet aan het uiteinde. Ik ben niet de enige die zit maar wel de eerste die opstaat. Ik zag de blik op de man zijn gezicht, nog voor hij vroeg om terug op te staan stond ik daar al. 'Terug opstaan, luieriken! Het buffet is daar je mag gaan aanschuiven en een bord pakken.' Ik volgde de rest en pakte een bord. De kwak eten en het mini vleesje, stonk. Het is waarschijnlijk zo hard bewerkt dat het geen eten meer is. Ik zet me terug neer aan de tafel, maar ik raakt mijn voedsel nog niet aan. De hele zaal is stil, niemand durft zijn bord aan te raken, en degenen die dat wel doen krijgen boze gezichten te zien. Ik ben blij dat ik eten voor me heb liggen. Het is niet veel meer dan thuis, en ook niet veel beter om eerlijk te zijn maar ik heb ergere tijden meegemaakt. Er wandelt een vrouw binnen, de vrouw die ons het busje in heeft gestuurd. Ze schreeuwt ons een gebed toe, als ze klaar is zegt meer dan de helft van de zaal het na. Ik prevel wat. Iedereen in de zaal stort zich op het eten, of toch degenen die waarschijnlijk al langer hier zijn. De meiden aan mijn tafel wroeten wat in hun eten met hun vork. Behalve Suzy en ik. Ik neem grote happen en speel het flut eten naar binnen.  Ik ken Suzy niet goed. ik ken haar van zien. Ze zat een jaar hoger dan mij in de middelbare school. Ze is de laatste twee jaar niet meer naar school gekomen. Waarschijnlijk omdat ze thuis moest helpen. Veel mensen gaan weg van school omdat ze niet anders kunnen. Te weinig opbrengst uit het familie bedrijf, te weinig werknemers, te weinig eten. Zoveel redenen dat ik ze niet op één hand kan tellen.            Hoofdstuk 6 **Ravi**  Het regent. Mijn broek is doorweekt. Gelukkig zorgt mijn jas er nog voor dat de helft van mijn lichaam beschermd is. Het is al drie dagen geleden sinds ik ben vertrokken van huis. Sinds ik Trish niet meer heb gezien. Ik mis haar. Haar warm gezicht. Haar heldere lach. Mijn voet raakt een tak. Ik struikel en beland met mijn gezicht op de grond. Het mos kietelt mijn gezicht, de nattigheid streelt mijn neus, wangen en voorhoofd. Ik sta op. De geur van verse regen, de geur van de bomen die wordt versterkt door de tranen van de wolken.   Ik kom aan bij een meer, het meer waar Trish en ik soms naar toe gingen voor een paar dagen. Voor de dagen die we in honger leefden. Onze ouders wisten dat natuurlijk, soms gingen ze mee. Dréa is er ook eens geweest, het was één van de beste momenten uit mijn leven. Iedereen samen, zonder zorgen, als één familie, verbonden voor altijd.  Ons huisje staat er nog. Vervalen weliswaar, maar wel bewoonbaar. Alles is van beton. Zelfs de geïmproviseerde kachel. Er ligt een grote stapel brandhout naast de betonnen kachel. Het huisje is eenvoudig ingericht: een betonnen bankje, een bed zonder matras, een kachel, een werkbank met kastjes naast, een grote betonnen tafel en stoelen van gerot hout. Ik haal mijn matje uit de rugzak en rol het uit op het betonnen bed. Ik ben voorbereid. Dit was mijn plan. Ik ben veilig hier. Ik kijk eens rond. De deur en stoelen moeten vervangen worden en er moet eens goed gekuist worden. Ik sluit de deur en ga op het bed liggen. Mijn natte jas hangt aan het haakje aan de muur. Mijn tas ligt in de betonnen kast naast het bed.  Ik wordt wakker door het geluid van de tjirpende vogels. Ik gooi de stoelen uit het huis. Weg met die rotte dingen. Ik leg wat hout in de kachel en steek het aan met mijn vuurstenen. De deur laat ik nog even in zijn voegen, ik haal die er wel uit als ik een vervangstuk heb en het een zomerdag is. Ik haal een stuk hert uit mijn rugzak en rooster het boven het vuur. Eerst het eten dat ik vang, dat is vers, dan pas het eten uit blik dat ik mee heb van thuis. Uit een kastje aan de zijkant van de werkbank haal ik allerlei zagen,een hamer en nagels. Buiten zaag ik een paar stevige takken van een boom en ga ik aan de slag.  Mijn vader heeft me geleerd hoe ik allerlei houten meubels moet maken. Ik heb meegewerkt aan de tafel aan het begin van het bos. Ik heb het geheime schuifje gemaakt en geholpen met het installeren. Één van de stoelen is gemaakt door mij, de meest rechtse. Het vlechtwerk van de zitting vind ik het fijnste, het is rustgevend om de touwen te verbinden met elkaar. Als ik het kader van de zitting klaar heb begin ik met de leuning. De twee geschuurde takken maak ik vast aan de achterkant van de zitting, en ik start opnieuw met vlechten. De poten maak ik er vlug aan door ze in de holtes te duwen met een beetje houtlijm. Één op vier is klaar. Ik heb er maar twee nodig. Één voor mij en één als reserve. Of voor Trish als ze ooit ontsnapt en me weet te vinden. Als de staat weg is en dit drama voorbij is. Als er geen hongersnood meer is en als er geen interne oorlog meer woedt in de mensen van ons stadje. Als de zorgen voorbij zijn en de zon weer schijnt.  Ik zou hier niet over moeten denken, hopen. Hoop is een mooi woord voor een illusie in je hoofd. Mijn twee stoelen zijn klaar. Ik zet ze in de hoek van de kamer.  Ik heb met een steentje op de muur een lijstje gekrast. Alles wat ik deze maanden kan doen in het hutje. Het staat er niet in gekrast maar op gekrast, zoals krijt maar dan met het vuil van het steentje, zodat ik het kan uitvegen als ik er mee klaar ben.  Ik schiet wakker van een hard kletterend en bonkend geluid. Die verdomde deur slaat hard tekeer tegen het deurkozijn. De wind gaat door de deur heen en blaast deze bijna omver. Ik sta op en wakker het vuur terug aan. De warmte lacht me toe en streelt over mijn huid. Ik wandel naar buiten, waar een klein hokje staat met alle middelen die we hier hebben achter gelaten van de vorige crisis. Die Dré niet heeft overleefd... Ik haal er een grote plank uit en zet deze tegen het huisje. Met het potlood uit mijn tas teken ik de omtrek van de deur langs de binnenkant van het huisje op de plank. Ik maak ook van een paar takken een nieuw deurkozijn en haal de geroeste scharnieren uit de deur. Ik ben zo ongelooflijk blij dat mijn ouders dit hebben gebouwd en alles dat je nodig hebt om te overleven hier in kasten hebt staan. Wel op de ouderwetse manier maar dat maakt niet uit. Ik haal drie scharnieren uit een droog kastje in het hokje naast het betonnen huis.  Ik was drie jaar toen mijn ouders met de jeep van iemand uit het dorp alle betonnen onderdelen hier hebben neergezet en ze het hokje er naast hebben gebouwd. Het hokje is klein van binnen, je zou bijna denken dat er dubbele muren zijn, want het hokje ziet er drie keer groter uit langs buiten dan langs binnen. Bijna magisch.         Hoofdstuk 7 **Trisha** Alle meisjes zijn opgeroepen uit de eetzaal om zich te hergroeperen per dorp. Elk dorp heeft een taak, Savura staat in de keuken. Wat een fijne taak, zeg. Mijn hele leven is gewijd geweest aan jagen en overleven. Onderdrukken wie je bent en zorgen dat je sterker bent dan wat dan ook. Nu staan we hier in een keuken. De restjes van de honderden borden schoon te schrobben. Ik hààt de keuken, mijn moeder is goed in koken. Silva ook. Maar ik niet, ik behoor in het bos. Mijn taak is zorgen voor eten. Al van toen ik zes was. Toen papa wegging en ons in de steek liet. Hij had gelijk. Hij kon makkelijk een eigen leven opbouwen. Het enige wat in de weg stond waren wij. Zijn nieuwe job was belangrijker dan zijn familie. Hij beloofde ons te betalen, hij beloofde mama dat hij elke maand geld zou sturen. Hij deed het nooit. Hij had toch genoeg, hij kreeg een job bij de staat... Er spet een etensrestje op mijn gezicht. Het ruikt er muf. Het ruikt alsof er net iemand heeft overgegeven. Wat waarschijnlijk ook gebeurd is. Ik hààt de keuken. Iemand gilt. Er kruipt een viezig dik beest over de grond recht naar mijn voeten toe. Ik pak de rat op en houdt zijn kop strak vast zodat hij me niet kan bijten. Suzy duwt de deur voor me open zodat ik het beest buiten kan zetten. Het was plots heel stil in de keuken. Ik ga terug aan het wasbakje staan en was mijn handen. Gefluister. De meisjes rondom mij kijken me met afschuw aan. Alsof ik de rat was... Suzy komt naast me staan en duwt het meisje naast me aan de kant. 'Hey.', zegt ze simpel. Ik herhaalde haar antwoord: 'Hey.', Ik had niet echt een gespreksonderwerp. Ik had haar ook al een tijdje niet meer gezien. Het verwondert me dat ze me zelfs nog herkent. Het is niet alsof school zo een fijne periode was. Misschien was school wel beter dan werken in haar familiebedrijf, maar toch. 'Hoe gaat het met je bedrijf van je ouders?', vraag ik. ' Goed.', antwoordt ze. Duidelijk niet echt in voor een gesprek. Ik heb het gevoel alsof ze gewoon dicht bij mij wou staan omdat ik het enige meisje ben dat ze kent. Na de keukenshift was de hel nog niet voorbij. We worden naar de waskamer gestuurd. Of hoe dat ook heet. Daar stonden grote containers vol witte- en donker blauwe kleren. Deze moeten we sorteren en in de wasmachines steken. Dan moeten ze opgehangen worden aan de wasdraden die in de andere kamer hingen. Als ze droog zijn moet een groepje van meisjes ze elk in de juiste kamer gaan leggen. We worden verdeeld in verschillende groepjes. Ik zit met drie andere meisjes in de groep om de pas gewassen kleren in bundeltjes door te geven aan de andere meisjes die ze in de de droogkamer ophangen. Toen ik mijn eerste pakketje ging afgeven aan de andere groep wachtte Suzy me al op. 'Waar is Ravi?' 'Ravi is weg', antwoordde ik. 'Ja, maar waar is hij echt?' 'Ik weet het niet.' 'Dat weet je wel. Je bent de enige die altijd weet waar Ravi is.' 'Maar nu niet.' Ik vertrouw haar niet. Nog niet. 'Ik ga het aan niemand zeggen hoor. Ik ben gewoon benieuwd. En bang dat hem iets gaat overkomen.' 'Waarom geef je om hem, je kent hem niet eens.' 'Omdat hij me heeft ge-' 'Meisjes niet treuzelen!', roept de kokkin die we Magdalena mogen noemen. Ik wandel terug naar de waskamer, waar nog een stapel kleren klaar ligt. Als ik de droogkamer terug binnenga is Suzy net klaar met het laatste kledingstuk. Ze komt snel naar me toe gelopen. 'Ik geef om hem omdat hij om me heeft gegeven toen ik het moeilijk had. Toen ik niet meer naar school mocht. Toen mijn vader bijna al ons geld heeft verloren, door te wedden.' 'Je was arm? Zoals niets meer van geld?' 'Ja, het enige wat we hadden was ons huis. We hadden niet eens geld voor eten.' 'Wat heeft dat met Ravi te maken?' Magdalena keek afkeurend naar ons. 'Straks.', zei ik. Suzy knikt. Ik ga terug naar de waskamer voor de twee stapels die al klaarliggen. Ik knik even naar het meisje die een derde stapel neerlegt voor me. Ik geloof dat haar naam Vanessa is maar ik ben niet zeker meer. Suzy is nog even bezig met de kleren dus wandel ik al naar haar toe, maar een ander meisje komt naar me toe om de stapels over te nemen. Ik kijk haar nijdig aan en ze wandelt naar Vanessa die blijkbaar achter me aan is gekomen om zelf twee stapels af te leveren. Suzy hangt vliegensvlug haar laatste paar T-shirts op. 'Ravi heeft onze familie elke week een voedselpakket afgeleverd. Ik heb nooit de kans gehad om hem te bedanken. Door hem leven we nog. Vooral mijn broertje. Hij was nog maar vier en was compleet onderkoeld Ravi heeft ons extra brandhout gebracht en een deken. Hij wordt in mijn familie gezien als een held.' 'Oh...' 'Ik ben blij dat hij hier niet is, ik hoop dat hij veilig is...' 'Hij is waar het groen zich mengt met het blauw, waar hout wordt gezien als vriend en dieren als vijand of vriend.' ik knipoogde. Het was een oud versje dat op school werd aangeleerd aan de kleuters. Ze knikte als signaal van begrip. Ik wandel langzaam terug naar de waskamer. Vanessa komt naast me lopen en fluistert: 'Is het hert geland? Waar groen en blauw mengen, leeft de strijd van het overleven.' Ik knik. Vanessa's boodschap was makkelijk te ontcijferen. Ze vroeg zich af of Ravi in het bos weg was getrokken en de strijd tegen de staat in gang is gezet door deze stunt. Wel ik zou het niet meteen een rebellen actie noemen, omdat Ravi nu alleen is. Het is wel fijn om te weten dat er nog mensen zijn die het niet eens zijn met wat de staat beslist. Ze zeggen dat ze ons toch geholpen hebben? Of was dat allemaal bedrog?   Hoofdstuk 8 **Ravi** Het gefluit van de wind maakt me wakker. Het is ondertussen al vier dagen dat ik Trish niet heb gezien. Ik mis haar. Het is ondragelijk. Ik ben alleen. Ik was nooit bang om alleen te zijn. Tot nu. Totdat ik eenzaamheid leerde kennen. Compleet alleen zijn. Zelfs de dieren komen niet in de buurt van het betonnen huis. Het wordt tenslotte winter. Je voelt de ijzige koude aankomen. Je voelt hoe het bos zich voorbereidt op zijn ijskoude winterslaap. Als het winter is ben ik minder beschermd. Dan schijnt de zon tussen de takken door. Niet dat ze veel warmte afgeeft. maar als de zon me kan zien dan kan iedereen me zien.  Maar het is nog niet zo ver.  Ik wandel binnen in het hok om het hout te pakken, ik moet dringend de tafel herstellen en zie achterin tegen de muur een een hendeltje zitten. Het is een stalen stokje dat uit de muur steekt. Ik negeer het, ik heb geen tijd voor onnozelheden het is net zoals ik dacht dat dieren me verstonden en ik hun, dat is allemaal bullshit.  Ik ga terug het betonnen huis in. Op het moment dat ik binnenkom begint het te stortregenen. Het water loopt het huisje binnen. De deur sluit niet goed af  dus duw ik er een handdoek tegen. De handdoek is snel doorweekt en het water stroomt toch binnen. Ik duw er alles van stof tegen zodat het water stopt met stromen. Het water loopt toch nog binnen, ondertussen ligt er al een poeltje voor de deur. Ik maak het vuur aan. Zet de ketel erop en vul het met het regen dat binnen loopt via een scheurtje in het plafond. De emmer is al flink vol. Hij is nog zo goed als vol als het keteltje gevuld is.  Ik zet hem terug onder de scheur. Het water dat op de grond loopt gebruik ik om het huisje te dweilen. Doordat het water blijft binnen stromen moet ik niet veel dweilen, op de grond ligt ondertussen een laagje. De houten stoelen staan op tafel, het matje van voor het bed ligt opgerold op de kast, mijn schoenen staan in de voorraadkast en ik sta op het bed met mijn sokken in mijn hand. De dweil ligt zielig op de grond, horizontaal, zodat de steel moeilijk te pakken valt en ook helemaal nat is. Ik zit nu op mijn betonnen bed, door het vuile raam te kijken. Het raam heeft gordijnen waar gaten in zijn gegeten door de beestjes. In de zomer schijnt de zon er gewoon door. Nu, in de herfst, heb ik er niet zoveel last van. Ik ben toch al gewent om vroeg uit de veren te zijn. In de hongertijden hadden we niet veel, de gordijnen waren kapot en hingen half aan het boordje boven het raam. Ik werd altijd wakker door het licht om 5 uur. Dan zat ik te lezen. Soms was ik aan het jagen. Dan sloop ik uit het huis en kwam terug rond 9. Mijn moeder zat dan in de keuken en keek me leeg aan. Dré lag meestal nog te slapen, ze kwam bijna niet meer uit haar bed, en mijn vader had een kater. Het was voor de hele familie een moeilijke periode, maar mijn vader is niet vertrokken. Het kon erger, of dat dacht ik toch. Tot Andréa dood ging. Ik was weer eens gaan jagen en kwam net thuis met een grote vangst. Eindelijk had ik een hert geschoten. Herten waren al een jaar niet gezien in het bos. Ik was toen ook nog niet zo goed in jagen. De deur kraakte toen ik hem opende. Mijn moeder zat weer in de keuken. Ze was aan het huilen. Het is niet zo abnormaal als mijn moeder huilt. Maar ze huilde hysterisch. Mijn vader was ook op. Hij zat in de zetel over de kop van Boter te wrijven. Hij zag er nuchter uit. Triest. Ik had meteen door wat er aan de hand was. Ik was de trap op, sneller dan ik iemand het ooit heb zien doen. De deur van mijn zus haar kamer stond open en de zon scheen door de kapotte roze bloemetjes gordijnen. Ze lag stil in haar  bed, amper bedekt door lakens, ze waren rond de kamer gesmeten. Ze was wit en mooi, ze zag er als een klein engeltje uit . Het enige wat het beeld af deed was haar opengesperde ogen die angst en paniek uit straalde. Haar mond was een beetje open. Ik stortte neer naast haar bed. Ik maakte geen geluid. De tranen rolden over mijn wangen. Haar hand lag hard en koud in de mijne. Haar handen, die ooit zo zacht waren, die ooit nog rond mijn nek hingen in een tedere knuffel. Haar lippen die kusjes gaven, zo zacht als vlindervleugeltjes, zijn nu ijskoud en hard als steen. Ik lag half op haar bed, verslagen in een strijd die ik niet gevoerd heb, mijn zus was dood. Ik zou nooit meer vlinderkusjes krijgen, geen knuffels, geen lichte giecheltjes. Ik zat daar bijna de hele dag. Tot dat de begrafenisondernemers kwamen. Ze bedekten haar met een wit laken en legden haar op een brancard, ik wou ze tegen houden maar ze hadden me vast, ze trokken me weg bij haar. Mijn gezicht was nat van de tranen. Eens de auto vertrok trok ik me los. Ik rende, rende, en rende. Ik had de auto bijna ingehaald, toen er plots een auto tegen me aanreed. Auto’s werden zelden gebruikt, niemand had het geld daarvoor. Het was één van de eerste dingen die ze opgaven voor geld. De auto kwam hard tegen me aan. De bestuurder had geremd, maar het was al te laat. Ik rolde van de auto weg en eindigde op mijn buik. De man stapte uit. Ik bekeek de auto eens goed, geblindeerde ruiten, compleet zwart. De man raakte me aan maar ik stond sneller op. Ik besefte dat ik aan het lopen was als ik al meters had afgelegd en de auto niet meer vond. De doden worden weggevoerd uit het dorp naar een ander dorp om ze te begraven. Hier hebben ze geen plaats meer, mensen sterven sneller dan een eendagsvlieg. Ik stopte met lopen. Mijn benen waren moe. Ik zakte in, midden in de straat.  Mijn ogen huilden, mijn hart huilde. Bloed en tranen voegden zich samen. Trisha vond me op straat, over mijn knieën gebogen. Haar hand lag op mij schouder en wreef cirkels van mijn schouder tot aan het midden van mijn rug. Ze hielp me recht en droeg me naar haar huis. Haar moeder heeft me verzorgt, zonder vragen. Ik bewonderde de stilte van Trisha's moeder. Ze zat net als mij in haar hoofd. Je moet soms geen woorden gebruiken, om uit te drukken wat je bedoelt.     Hoofdstuk 9 **Trisha** Een week, één week zit ik hier al opgesloten. We doen niets anders dan klusjes en kuisen in dit huis. Het is verschrikkelijk. Ik ben gewend van te rennen en te jagen. Gewend van het opnemen van je omgeving en het altijd alert te zijn. Het is niet dat ik die laatste paar dingen heb opgegeven, maar het voelt niet fijn. Ik wil naar huis. Ik wil Ravi. Neen ik wil Ravi niet, ik wil hem niet hier, maar thuis. Veilig. Ik mis mijn zus. Ze was me er eentje. Ik heb Arthur nog niet eens gezien. Ik weet niet waar hij is of wat voor domme klusjes hij krijgt te doen. Ik zie hem in de eetzaal helemaal aan de andere kant. Want jongens mogen blijkbaar niet in contact komen met meisjes. We kunnen er precies zwanger van geraken als we ze nog maar aankijken. Het is belachelijk. Ik voel me belachelijk. In dit uniform, met de taken die we krijgen. Ik sta hier te walsen met de vrouw die ik nooit wou worden, maar hier zijn we dan. Ik zie Suzy af en toe eens. Ze slaapt in dezelfde gang als mij. We praten eens. Altijd maar oppervlakkig, voor als iemand ons hoort. We gebruiken een aantal sleutelwoorden, zoals tafel; voor Ravi uit te drukken, en poetsen; om aan te geven wanneer de situatie niet uitkomt. Het werkt. Op een bizarre manier, maar het werkt. Al zeven dagen. We krijgen wel eens de opmerking dat we te veel babbelen. Andere uit onze groep volgen ons. Alsof we hun voorbeeld zijn. Alsof we rebellen zijn die opkomen tegen hun toen-nog-leiders. Ik voel me geen rebel. Nog niet. Ik wil hier weg. Na mijn shift in de keuken stap ik richting mijn kamer. De voetstappen van een groep mensen drammen achter me. Vroeger was dat een teken dat je in de problemen zat maar nu heb ik geen flauw idee. Ze komen dichter, ik kijk achterom en zie een groep jongens die bezweet en vuil zijn. Ze zeggen geen woord, maar staan ook niet mooi in een rij. Ze kijken verslagen en triest. Wat ben ik blij dat Ravi hier niet is! Eens ik aan het einde van de gang van de jongens ben en ik mijn voet op de eerste trede zet gaat de eerste deur open, daarna volgen er meer. Eens ik boven ben geraakt hoor ik geen enkele deur meer alleen nog stromend water van hun douches. Ik loop de gang van de meisjes door tot aan mijn kamer. Mijn tas ligt onder mijn bureautje alsof het een dood dier is. Ik heb er nog niet eens naar gekeken na dat ik heb daar onder heb gesmeten de eerste dag dat ik hier aan kwam. Ik ben moe. Een halfuur heb ik als pauze, na vier uur werk wil je toch wat meer hoor. Je krijgt hier ook nooit echte rust. Mijn hoofd staat niet stil. Ik denk aan vroeger en ik denk aan Ravi. Is hij al gevonden? Is hij gezond? Is hij dood? Ik denk niet graag aan Ravi, alleen maar slechte dingen komen in me op. Ik stort me neer op het bed. Het plafond is grijs, alles hier is grijs, behalve de lakens, die zijn wit. Ik wil naar huis. “Kunnen we hier ontsnappen?” vraagt Suzy tussen het eten door. “Nee, onmogelijk, dit is een fort.” Het eten heeft geen smaak, dat heeft het al meer dan een week niet. “Maar is er geen mogelijkheid?” “Nope, nee, nietes.” “We hebben een plan nodig.” “En na het plan?” “Dan voeren we het uit!” “Gaat niet werken” “Wil je hier dan niet weg?” “Jawel, het is gewoon te gevaarlijk” Suzy laat haar haar over haar gezicht vallen en eet haar eten stilletjes verder op. Ik doe hetzelfde en zwijg. De andere meisjes zijn druk in gesprek over jongens en het zware werk, en over thuis, de thuis die ze verlieten. Of de verandering positief of negatief was, wie ze missen en wat ze nog wouden doen. Ik praat nooit tegen de andere meisjes. Ik zwijg. Elke dag snauwt er wel iemand naar je, wordt er geroepen, en moet je maar blijven werken. Ik wil naar huis. Volgens de meisjes worden de jongens binnen een maand op een missie gestuurd. Ze zijn al anderhalve week aan het trainen en moeten morgen een test afleggen. Als ze slagen gaan ze mee op missie. Slagen ze niet blijven ze hier en trainen ze verder. De laagste 10 krijgen een andere job. Ik vraag me af wat er nog te werken valt. Vroeger in ons dorp bestonden er vele jobs. Smid, houtbewerker, brandweerman, politie, mijnwerker, bakker, slager, werken in de bouw, gemeenteraad, ik zou kunnen doorgaan. Hier ben je of kokkin of poetsvrouw. En er komt nooit een eind aan.   Hoofdstuk 10 **Ravi** Ik heb al veel gedaan vandaag. Heb wat reparaties uitgevoerd. De schade van het water viel gelukkig mee. Nu ik klaar ben wandel ik terug naar het hutje. Vandaag wil ik weten wat dat hendeltje is. Het moet nù. Eerst bekijk ik het eens goed. het is van metaal en is niet erg lang, 10cm maximum. Het voelt koud als ik het aanraak. Het bevind zich tussen twee kasten en er staan dosen en tuinmateriaal onder de hendel. Ik raak het nog eens aan, neem het stevig in de hand en duw hem met een felle kracht naar beneden, hij zat goed vast geroest in de muur en ik moest stevig duwen om het naar beneden te krijgen. Ik voel iets trillen, niet gewoon iets, ik tril, de kamer trilt, alles trilt! De allergrootste kast langs de hendel schuift langzaam opzij. Opzij in een grote spleet in de muur die me nog niet was opgevallen. Het is donker achter de kast. Donker, kil en het stinkt. Het stinkt naar de oude kelder van mijn grootouders, die ik 1 keer in het jaar zie, zag. Ik wandel behoedzaam naar voren en voel langs de randen van de ingang. Net voor ik volledig langs alle randen ben geweest en ik het eigenlijk wou opgeven voel ik iets prikken onder mijn vingers. Een koud metalen knopje. Ik druk het in en een klein peertje gaat in. Het is nu geen groot gapend donker gat meer, maar een misterieuze gang die je weer naar de donkerte leid. Ik stap deze donkerte in, behoedzaam welliswaar. Ik tast mijn weg af. De muren voelen koud en hebben de structuur van een hoopje nat zand. Mijn versleten schoenen slenteren over de grond. Als ik naar boven kijk zie ik een schemering, nog een peertje, alleen werkt deze niet meer. Verder knipprt er eentje aan en af. Je hoort het zoemende geluid. Elke stap voelt verkeerd. Na een paar stappen zie ik een deur aan mijn rechterkant, de gang gaat wel nog verder, maar ik beslis om deze deur te openen. De kamer voelt nog veel koeler dan de gang. Ik ben al vanzelf aan het zoeken naar een metalen knopje en vind deze snel. Het peertje springt aan en ik zie langs elke muur een grote kast staan. Het zijn voorraad kasten, ik zou hier 5 jaar van kunnen leven. Snel maak ik een van de potten open. Ik ruik eraan. Het is een geweldige geur, de geur van frambosejam. Ik steek mijn vingers in de pot en lik ze volledig op. Wauw, wat heb ik deze smaak gemist. Ik heb al zeker 10 jaar geen zoetigheden geproefd. Ik sta versteld van deze kamers. Ik kijk verder in de gang en vind nog 3 kamers. Eén slaapkamer, het bed is volledig gestript maar in de kasten liggen comfortable dekens en kussens. Er is ook een badkamer met stromend water. Het water is wel koud maar daar kan ik zeker mee leven. De laatste kamer is een leef ruimte, met een keuken, tafel en een soort sofa. Dit herinner ik me niet meer. Ik ben hier super veilig. ik voel me zo gelukkig. Was Trisha hier maar. O, ik mis haar. Het is jammer dat er geen enkel raam in dit verborgen deel is. Ik voel me meteen al een beetje opgesloten. Het is wel beter dan het betonnen huisje. Ik wandel terug naar het deurgat en bekijk hoe ik deze geheime deur terug kan sluiten. Het hendeltje aan deze kant is identiek aan het hendeltje van de buitenkant. Ik trek eraan om zeker te zijn dat hij werkt. De kast schuift weer schurend terug op zijn plek. Het geluid is verschrikkelijk om aan te horen. Ik ga terug naar het betonnen huisje en pak mijn spullen. Mijn tas voelt zwaar wanneer ik er de ketel en alles wat in de kastjes lag er ook nog eens inprop. Voordat ik terug aan de hendel trek in de schuur neem ik nieuwe peertjes mee om de oude te vervangen. Ik voel me terug wat veiliger, ik heb zin in het eten vandaag. Wat een geweldige voorraadkast. Ik kan me me hier echt wel thuis maken! Het is nu de derde dag dat ik in de schuur woon. Het is er nog steeds kil, ookal steek ik het vuur aan in de woonkamer. De hitte komt niet tot in de slaapkamer. Ik ben koude gewend. Het was elke dag ijskoud in de winter thuis. Vandaag ga ik de kast in de slaapkamer eens bekijken. De lakens en het donsdeken waren makkelijk te vinden. Wat zou er nog inzitten? Het eerste wat ik eruit haal is een vers laken en kussenslopen. Er zijn 3 paar verschillende setjes voor het bed waarvan er één al op het bed ligt. Verder vind ik ook nog een doos. Een oude doos. Een doos vol spullen, spullen van de vorige eigenaars. Van mijn ouders. Ik vind brieven, en foto’s, en spullen, vanalles en nogwat. De doos ruikt een beetje. Ik haal er een foto uit en bekijk deze. Er staan 3 mensen op. Mijn moeder mijn vader en nog een andere persoon, ik herken deze persoon niet. Ze lachen. Ik lach. Ook haal ik een brief uit de grote muffe doos. Er staat: Lieve Beth, Het zijn nu al 10 dagen zonder jou. Ik mis Rudgard ook hoor, maar toch vooral jouw lach. Het zijn hier lange dagen, maar ik hou wel van het werk. Komen jullie eens langs? Ik heb wat hulp nodig met het beslissen van de naam. Wat dacht je van Raviero? Of eerder Andrea? Of misschien wel Bethany? Ha, Ha, wie weet? Nee, ik dacht eerder Raven. Wat vind je er van? Het is niet ver van jullie huis. Gewoon een bosje door. Ik weet dat jullie het druk hebben met de kindjes. Hou je taai! Ik heb het hier goed, maar dat dacht je waarschijnlijk al. Ik kan jammer genoeg geen eten sturen maar jullie hebben de voorraad, toch? Ik zal deze blijven aanvullen. Tot hoors, Anna       Hoofdstuk 11 **Trisha** Elke dag is hier het zelfde. Elke dag is hier het fucking zelfde. Ik haat het hier. Ik hat het hier zonder jou, Ravi. Blijf veilig, alsjeblieft. In de kantine komen de jongens terug van hun test. Welliswaar maar één derde. De rest is gebuisd. Zij moeten nog een test doen om te zien welke job hun het beste past. Waarom mogen zij kiezen? Waarom zit ik hier vast? Ik wil niet meer. Ik ben zo boos. Het is niet eerslijk. Wedde dat ik even sterk ben als de jongens die zijn toegelaten. Ik jaag en zog voor mijn familie al heel mijn leven. En nu? Waar zit ik nu? In een huis dienstmeisje te spelen! Ik sta op van de tafel en wandel naar de leidster nadat ze haar gebed heeft opgezegd. Ondrtussen ken ook ik het vanbuiten. Ik zeg het nooit mee. Ik hou mijn hoofd schuin en doe alsof ik iets zeg. Iedereen kijkt me aan alsof ik mezelf de dood opschrijf, terwijl ik naar de speakersdesk loop. Ik vraag rustig: ‘Zou ik met u kunnen spreken, alstublieft?’ Ze kijkt me met een gemene bik aan.’Als je niet blij bent met je werk spreek je maar je verantwoordelijke aan.’ Ze draait zich naar me weg, en focust op haar eten. Ik blijf staan en probeer opnieuw. ‘Dat is het nu juist, ik wil ook meedoen aan de trainingen van de jongens.’ De vrouw kijkt ondertussen kwaad naar mij. ‘Sorry, zou je wat luider willen spreken. Ik versta je niet goed. Je wilt mee trainen met de jongéns?’ dat laatste stuk roept ze bijna over de hele zaal. O, gaat u het zo spelen? Dan doe ik mee. Ik spreek luider en richt het dit keer niet aan haar maar aan de hele kantine: ‘Ik vind het niet oké dat alleen jongens worden gerecruteerd als soldaat. Ik vind dat vrouwen evenveel kracht en doorzettingsvermogen hebben als mannen. Het is niet eerlijk. Het is niet eerlijk dat wij rotzooi moeten opkuisen en zij hun spieren mogen rollen. Wij, vrouwen zijn sterk genoeg om te bepalen of we kunnen vechten of niet. Wij willen ook onze eigen job kunnen kiezen. Ik ben niet gemaakt om te poetsen, te koken, of te bakken!’ Iedereen in de zaal ziet me. Alle gezichten staren naar mij. De één verwonderd, de andere bang. Bang voor mij. Bang voor wat er gebeurd met mij nu. Word ik in een cel gegooid? Of misschien moet ik nu wel alle personlijke shit van deze vrouw beginnen opkuisen? De leidster spreek. Ze zegt: ‘Als jij zo graag wilt vechten mag je, maar dat betekend dat elke vrouw dat nu moet. Ook Michelle, of Linda, en natuurlijk ook de prachtvrouw Irene.’ Ze noemt deze vrouwen op omdat ze of zwanger zijn, of gekwetst, of zelfs een beperking hebben. Dat is niet eerlijk. Maar ze gaat verder: ‘Jullie mogen nu zelf ook je job test doen als je niet doorgaat naar het soldaten programma. Ik verwacht jullie hier in de kantine allemaal morgen ochten om 5u.’ Ik kijk naar haar. Ze kijkt naar de kantine zaal. Ik kijk naar de zaal. Ik kijk naar Suzy, naar Michelle, naar Linda en Irene. Ik voel me schuldig, maar ook sterk. ik heb gevochten en gewonnen. Of dat denk ik toch? In een oorlog verlies je ook mensen toch? Zo verloor ik Linda, Irene, en Michelle. Die ochtend stond ik klaar. Meer dan klaar. We vonden een nieuw setje kleding voor onze deur. Het is een zwarte. Een zwarte strechy broek en een zwart shirt met een V-hals. Ook was er een jasje bij, met en rits, en je raad het niet, hij was zwart. Alle meiden stonden in de kantine om iets voor 5. Moe en uitgeput van het afwassen van gisteren, het boenen van de vloeren en het afstoffen van de kasten. Dit gebouw is groot. Ik ben zelf nog maar alleen op de eerste verdieping geweest in deze 2 weken dat we hier al zijn. Ook het meisje met het rood haar staat in de kantine. Suzy staat naast me al de leidinggeefster ons commandeerd om op een lijn te staan. We volgen haar in een rij van twee naar het trainlokaal. Ik herken de weg. Ik let altijd goed op vanwaar de jongens komen en heb er zelfs al eens moeten poetsen. Dat was verschrikkelijk. er lag altijd overal bloed en zweet. Waarschijnlijk ook tranen en speeksel. Eigenlijk al het menselijk vloeistof dat je maar kan bedenken. De trainingzaal is groot. Overal liggen verschillende soorten matten. Ook zijn er klimrekken en bokken. Vanalles eigenlijk. 1 deel van de zaal staat vol met sporttoestellen. Alles is grijs, metalig of zwart. Er zijn langwerpige ramen helemaal bovenaan. Het brengt het vroege ochtend licht als strepen over de vloer. Ook wordt het plafond ondersteund door pilaren. Ze zijn gemaakt van metaal, denk ik?

Eowyn
0 0

16. Het Kleurloze Kasteel ( een vleugje romantiek en onschuld, nu het nog kan...)

'We mogen pas over drie uur gaan lossen, zo zijn de regels,' begon Serafijn opgewekt. Felix en Elion kreunden gelijktijdig. 'En tot die tijd,' ging Serafijn verder, alsof hij niks had gehoord. 'Worden we ondergebracht in een tent die normaal wordt toegewezen aan gasten. Ik heb mijn woord gegeven dat we heel voorzichtig zullen zijn en alles netjes houden.'  'Maak dat nu mee,' mompelde Elion. 'Ik kan wel een warme douche gebruiken.' 'Ja, zo zie je er ook uit,' antwoordde zijn echtgenoot gemoedelijk. 'Kom op, eens zien wat Trappendalers verstaan onder 'kamperen'. Ze volgden een pijl met als opschrift: camping gasten. 'Wel, dat is beter dan de doorsnee schuilwilg,' verzuchtte Moone. De witte tenten stonden wat afzijdig van het Domein, tussen oude bomen. Ze slenterden voorbij een rij bordjes, allemaal keurig naast het nieuwe pad in de grond geslagen. 'Respecteer de rust. Het Trappendal dankt u.' 'Respecteer de stilte. Het Trappendal dankt u evenzeer.' 'Geen hinder voor  acht uur. Het Trappendal dankt u voor uw begrip.' 'Boetes kunt u afhalen aan de balie. Het Trappendal dankt u voor de medewerking.' 'Typisch.' Elion draaide met zijn ogen. 'Stttt, de boetes van het Dal zijn torenhoog.' De vier vrienden slopen onhoorbaar langs verschillende tenten, alleen Dot trok zich er niks van aan en klotste vrolijk door het natte gras. 'Nummer 4 en 5 zijn voor ons, om 15u moeten we eruit.' Serafijn dempte automatisch zijn stem. Voor twee tenten stond een rood plaatje: dit was hun stek, voor eventjes toch. Elions ogen schitterden van ongeloof toen hij zijn hoofd binnen stak in tent vier, die hij tijdelijk met Serafijn zou delen. Zijn voeten zakten weg in een hoog, sneeuwwit tapijt. Hij trok zijn schoenen uit, gooide ze aan de kant en dropte zijn rugzak naast de tentflap.  De tent ademde luxe en rust uit. Hij draaide zich om, waar hij Felix in min of meer dezelfde positie betrapte, in de ingang van tent vijf. Zijn broer trok zijn bemodderde schoenen uit en zette ze netjes voor de ingang. Moone borstelde Dot, de stier nestelde zich voor beide tenten. Zijn zachte, bruine ogen zochten de vier vrienden en hij snoof zachtjes.  Elion wierp zijn huisdier een strenge blik toe. 'Waag het niet om weg te slenteren, pluizenbol, ik kom je niet zoeken. Ik ben met vakantie,' gromde hij zacht. Dot wiebelde verontwaardigd met zijn oor en sloot prompt zijn ogen. 'Oh, niet gaan dreigen, broertje,' fluisterde Felix. 'Tot straks, ontbijt rond 8u30, in onze tent, goed?' Hij en Moone doken tent vijf binnen. Hun verbaasde uitroepen waren tot ver te horen. Elion kon het zelf met moeite geloven: zoveel luxe had hij nog nooit bij elkaar gezien. Er stond een gigantisch bed, pal in het midden, met sneeuwwitte lakens, onbeschaamd met hem te flirten. 'Later, schoonheid,' grinnikte Elion, die toch al even op de rand ging zitten. De regen tikte gemoedelijk op het zeil zodat hij plots het idee kreeg dat de wereld daarbuiten niet langer bestond. Het Trappendal keek niet op een cent meer of minder om hun gasten te verwennen: ze hadden de moeite genomen om de tenten al op te warmen en Elion pelde zich uit zijn natte trui en shirt. Iets vroeg zijn onmiddellijk aandacht: iets wat hij alleen kende uit boeken. 'Zie dat eens.´ Hij sloop naar de kraaknette, helderwitte stenen kuip en bestudeerde het grondig: hij rook eraan, klopte op de rand, onderwierp de kraan aan een uitgebreide inspectie en dat leidde maar tot één conclusie: het was een gigantische badkuip. Wit, op pootjes en klaar om helemaal gevuld te worden.  'We kunnen er samen in,' zei hij verrukt, waarop Serafijn een onbestemd geluidje maakte dat zowat van alles kon betekenen. De Donderklif had geen bad en dit exemplaar kwam zo uit een catalogus gekropen. Zijn verwachtingen waren torenhoog. Hij draaide de warmwaterkraan helemaal open. Een wolk hete stoom steeg op en vulde in een mum van tijd de tent. Elion zette de achterflap op een kier, liet de wolk naar buiten en snoof de frisse buitenlucht op.Zijn blik gleed over de tenten naar de schemer achter de camping en hij bleef roerloos staan: dit was een ander aspect van het Domein. De nacht liep op zijn einde en de wereld bereidde zich voor op een nieuwe dag. Alles volgde het ritme van een diepe, slaperige ademhaling, Elion verwachtte iedere moment de tevreden geeuw te horen van het Domein dat zich uitrekte en zich nog eens omdraaide.  'Serafijn, is dat niet vreemd,' wees hij. 'De boomgaard staat in bloei, in september.' Duizenden witte bloesems lichtten op in het licht van de maan. Het spektakel benam hem de adem. De combinatie van maanlicht en zachte regen, zorgde ervoor dat het gebied ondergedompeld leek in zilverwitte druppels. 'Azamerik of niet, met zo'n zicht wil ik wel vaker wakker worden.' 'Ik ook,' beaamde Serafijn, met een kras in zijn stem.  Elion draaide zich verbaasd om. Serafijn zette voorzichtig zijn rugzak neer, zonder zijn ogen van Elion te halen. De kleur ervan benam Elion de adem en verhitte zijn bloed tot hij het wel heel erg warm had. Zijn brilglazen besloegen bij de snel oprukkende blos. Serafijn glimlachte fijntjes, wat het er helemaal niet beter op maakte.  'Ik had het over de omgeving.' Elion stak zijn hand in het badwater, gromde goedkeurend en stroopte zijn doorweekte jeans van zijn lijf. 'Ik niet.' Serafijns blik dwaalde loom door de tent, niet bijster onder de indruk van al die luxe tot zijn ogen op Elion bleven rusten. 'Meer heb ik niet nodig. Wat vind jij daar zo magisch buiten?' Serafijns armen vleiden zich rond Elions middel toen hij achter hem kwam staan. Elion wees naar de boomgaard ondanks de intenste schoonheid van al die vrolijke witte bloesems, bezorgde het hem een kleine prik van onrust. 'Het is september,' herhaalde hij zacht. 'En alles bloeit hier en... ow... euh...dat is best fijn.' Zijn stem haperde en wat hij ook wilde zeggen over bloesems en boomgaarden, was niet langer prioriteit.  'Afgeleid?' Serafijns vingers volgden dromerig de lijnen van littekens tussen Elions navel en kruis. 'Een beetje,' gaf Elion toe terwijl zijn bloed nu toch langzaam het kookpunt bereikte en hij zich stiekem afvroeg of er een boete stond op romantiek in de ochtend. 'Maar hou vooral niet op, ik betaal die wel.'  'Waar heb jij het nu over?' 'Nergens over,' zuchtte Elion. 'Is het niet mooi daarbuiten?' 'Het is inderdaad een adembenemend zicht,' bevestigde Serafijn zachtjes. Elion leunde zwaar, met geloken ogen, tegen hem aan. 'Het water wordt koud,' mompelde hij van ergens tussen de gewone en de zevende hemel in.  'Als jij hier naakt tegen me aan staat te schurken en zo zacht staat te kreunen, lief, zal dat bad toch nog even moeten wachten,' fluisterde Serafijn in zijn hals terwijl hij met zijn voet de kraan dichtduwde. 'Het bed ziet er ook heel aanlokkelijk uit.' Waarmee hij Elion heel snel overtuigde om zijn gedachten te verleggen van het bad naar het bed. Hij maakte zich, met lichte tegenzin, want hij stond op het punt zalig weg te drijven, los uit Serafijns armen en keurde zijn lief grondig. 'Hmmm,' bromde Elion. Serafijn schonk hem een scheef lachje en Elion koesterde zich één tel in de onvoorwaardelijke liefde, Serafijns ogen hadden de kleur van vloeibare honing. Zijn hart roffelde snel.  'Bad zal inderdaad moeten wachten, jij ziet er verdomd sexy uit. Wat was dat woord dat je zonet gebruikte voor dat bed?' 'Aanlokkelijk,' wist Serafijn nog net uit te brengen. Ze kwamen te laat voor het ontbijt. Serafijn gleed geluidloos, met rode wangen en een zachte warme gloed in zijn ogen, op het dikke tapijt tegenover Moone.  'Gaat het wel met je, Serafijn?' vroeg Moone, terwijl ze hem een stomp gaf. 'Je zit te dromen.' 'O ja, absoluut,' antwoordde Serafijn verstrooid. Elion beet op zijn lip om niet te lachen. Hij voelde zich heerlijk, vrolijk en een beetje licht in het hoofd. Hij prutste zonder nadenken aan het bandje om zijn pols: vrijen hield altijd een risico in, de doorn verschoof al eens, wat hem een slaperig gevoel bezorgde tot in de kern van zijn lijf. Hij schoof het netjes terug op zijn plek. Ze pakten hun ontbijt uit: Serafijn en Felix sleepten een grote kist naar binnen en onder het slaken van een vrolijke 'tadaaaa' zwaaide Felix die open. Elion kon zijn geluk niet, hij schepte zijn bord vol tot er geen één druif meer bij kon en stortte zich uitgehongerd op zijn ontbijt.  'Mwwwwwheeeeeeeuuuuuuuu!'   De tent daverde en schudde onder het oorverdovende geloei. Elions kop thee glipte uit zijn handen. De vlek breidde zich snel uit op het dure tapijt.'Dot!' brulde hij boos. 'Kijk wat je nu gedaan hebt!'  Het bleef akelig stil,  er volgde zelfs geen klein verontschuldigend loeitje. Moone stak haar hoofd naar buiten, drie tellen later was ze terug. 'Euh, hij is weg.' Haar drie vrienden gaapten haar verbouwereerd aan.  'Hoezo weg, hij is lomp en groot. Wat bedoel je met weg?' Elion krabbelde verschrikt overeind. De plek waar Dot een dutje had gedaan was leeg, op een keurige stukje plat gelegen gras na. 

Kat.
0 0

14. Het kleurloze Kasteel, hoofdstuk II

'Nee, meneer, ik luister wel degelijk naar u. Ik heb de laatste veertig minuten niet anders gedaan! Wij zijn twee dagen onderweg geweest, we willen ons opfrissen en misschien wat slapen, het was een zware tocht...' Tot hun stomme verbazing verhief Serafijn plots zijn stem, na een discussie van meer dan veertig minuten, was de maat vol. Elion geloofde zijn oren niet: Serafijns Energie uitte zich niet in knetter maar in een bijzondere karaktertrek. Serafijns geduld was legendarisch, net zoals zijn gebrek aan zenuwen. Hij begreep Volk, waardoor hij één van de meest geliefde burgers van Grensstad was. Zijn geduld verliezen stond niet in zijn woordenboek, of zo had Elion gedacht. Zijn mondhoeken krulden omhoog in een lachje. 'Hij is dus niet onfeilbaar,' zei hij tevreden, met één oog op de man die erin geslaagd was Serafijn uit zijn kot te lokken. 'Knap werk, kerel. Zelfs ik slaag daar niet in.' 'Ik ga best eens luisteren voordat Serafijn helemaal ontploft.' Moone voegde zich aan Serafijns zijde.  Toen Serafijn eergisteren, zo tussen pot en pint, doodleuk had verkondigd dat De Donderklif bier zou leveren aan het Kleurloze Domein voor één of ander Grote Opening, was Elion van zijn barkruk gedonderd, waar hij een schitterende blauwe plek aan had overgehouden. Hij had de tijd niet gekregen om protest aan te tekenen. ´Zie me hier nu staan voor een gesloten poort.´ Elion geeuwde ongegeneerd: het was pas vijf uur in de ochtend, nog aardedonker en de vermoeidheid pulseerde in zijn botten. Zo voor dag en dauw opstaan stond onderaan zijn lijstje van 'dingen die ik graag doe.' Hij wist, heel zeker, dat de zon ook kon opkomen zonder dat hij daarvan getuige moest zijn. Hij vleide zijn armen op Dots rug en legde zijn hoofd er boven op. De stier rook naar kampvuur, gras en Dot. Elions ogen gleden dicht, Dot was heerlijk warm en... 'Wat lees je?' Elion wipte overeind van schrik en keek zijn broer duister aan. Felix deed geen moeite om de zweem van afkeur op zijn gezicht te verstoppen. Hij zag er zoals altijd fris uitgeslapen uit, merkte Elion, een beetje jaloers op. 'O, dat. Het is een artikel over het Kleurloze Domein, iets wat Adam voor me achterliet in Oudpark. Zelfs mensen schrijven over die plek.' Hij zette een onschuldig gezicht op, wat zijn effect miste door zijn roodomrande ogen van een nijpend slaaptekort. 'Je ziet er weer bijzonder fris uit,' gromde zijn broer zonder acht te slaan op Elions uitleg.  'Bedankt.' Felix zuchtte diep: 'Ik had gehoopt dat de ironische toon duidelijk was.' 'Die was duidelijk,' geeuwde Elion. 'Ik ben alleen te moe om iets gevat te verzinnen.' Hij verschoof zijn gewicht van zijn hielen naar zijn krukken. 'Denk je dat we een plek krijgen om even te crashen?' Beide jongemannen draaiden hun hoofd richting de vastberaden Trappendaler.  'Nee, er zijn geen plaatsen voorzien voor de leveranciers,' wist Felix. 'Er wordt verwacht dat wij het bier afleveren en rechtsomkeer maken. Daarom maakt Serafijn zich daar zo kwaad. Jij moet even rust krijgen voordat we terugkeren, je kunt echt geen vier nachten na elkaar op een matje slapen. Serafijn wilde een bed voor je regelen en dat is niet naar de zin van die vent daar. Je staat geseind als lid van de Liga.' Het was gewoon een vaststelling. Elion schonk zijn broer een scheve blik, merkte niets spottends op in zijn gezicht en humde dan maar bevestigend.  'Mag ik ook eens zien, geef dat eens hier.' Elion overhandigde zijn broer het tijdschrift. Felix trok grote ogen. 'Dat is het Kleurloze Kasteel,' mompelde hij ongelovig. 'Zo zag het er dus uit in de negende eeuw?' 'Hmmm, ja. Ze hebben het nagemaakt, helemaal, tot in de puntjes correct.' Elion keek zijn broer vrolijk aan in de hoop iets over te brengen van zijn eigen enthousiasme.  'Vriend van jou?' Felix knikte naar de verdomd knappe acteur. 'Was dat maar waar.' Elion voelde hoe hij een kleur kreeg. 'Eerlijk, ik heb geen idee wie dat is maar hier staat dat hij Kobé de slotensmid speelt in de film. Ik was al verzot op Kobé toen hij nog afgebeeld werd als een oudere, kalende man met een buikje. Hij was al mijn held maar nu ben ik verliefd.' 'Snap ik, helemaal jouw type. Hij ziet er een beetje uit als één van Alex' boefjes.' Felix haalde nonchalant zijn schouders op. 'Hoe komt die in een boekje van Adam, ik dacht dat Volk een soort geheim was bij de mensen.' Elion knipperde verbluft met zijn ogen.  'Hij is niet echt van het Volk, Felix. Vorige pagina, dat is dezelfde man.' Felix draaide gehoorzaam een bladzijde terug. Zijn ogen werden groot van ongeloof. 'Kan niet,' zei hij kortaf.    ( Zo, Alice, deeltje 13 en 14 zijn de eerste drie pagina's van het eerste echte hoofdstuk. Nog wat rustig, van hier gaat het alleen maar vooruit maar ik moest even kaderen zodat ik straks geen dingen uit het niks tevoorschijn tover)

Kat.
1 2

Drie regenwormen en hun vlooien

Er zijn eens drie regenwormen – er zijn er natuurlijk veel meer, wel miljoenen, maar wij beperken ons tot deze drie: Jan, Pier en Tetting. Het zijn drie broertjes – of zusjes, wie zal het zeggen bij regenwormen – en ze wonen samen onder de grond. Ze hebben voor zichzelf een heel comfortabel onderkomen ingericht: een holletje onder een gazon met op de grond zacht mos, de muren geïsoleerd met karton en stro en daarvoor een gemetste muur van steentjes die ze een voor een naar hun hol gebracht hebben. Het is dus heel stevig en zeker bestand tegen wolven, want dat sprookje kennen ze.  Op een dag brengt een van hen – ik geloof dat het Tetting is – een stuk vacht van een konijn mee. De gezinsgenoten zijn er heel blij mee. Ze proberen het zo goed en zo kwaad als dat gaat op de grond te leggen en vleien zich dan behaaglijk neer. Ze krullen van genot op de warme, zachte pels.  Hun geluk is echter van korte duur. In de vacht blijken vlooien te wonen. Nu valt hun haarloze lichaam niet zo in de smaak bij de vlooien, maar af en toe krijgen ze toch een ferme beet. Unaniem besluiten ze de vacht met vlooien buiten bij de voordeur te leggen. De vlooien mogen er blijven als huisdier, als ze maar niet binnen komen. De parasieten vinden het allemaal prima en gaan gewoon door met vermenigvuldigen. Af en toe zet een worm een emmertje bloed voor hen klaar bij de deur.  Dat emmertje is niet zo onschuldig, het verspreidt een geur die de plaatselijke mol aantrekt. Hongerig en lomp als hij is, graaft hij zich een weg naar het hol, gaat daarbij dwars door de gemetste muur en vult ineens de hele de huiskamer. De drie wormen schrikken zich een hoedje. Ze haasten zich naar de voordeur, trekken die stevig achter hen dicht en kruipen in paniek onder de vacht die buiten in een hoekje ligt. Intussen snuffelt de blinde mol zich suf, zonder pardon duwt hij de voordeur uit z’n hengsels en vindt uiteindelijk de vacht. Sidderend van angst kruipen de wormen dicht bij elkaar. De mol woelt verwoed in de vacht, maar dat is zonder de vlooien gerekend. Blij met deze nieuwe, levende vacht bespringen ze massaal de mol en bijten hem de oren van het lijf. De mol weet niet waar hij het heeft, op slag is zijn honger verdwenen. Zo snel mogelijk graaft hij een gang naar de oppervlakte, naar het keurige gazon waar hij een hoopje aarde achterlaat. De les is deze: elke molshoop heeft een verhaal.

VeerleDosogne
15 2

Elisabeth en de zeven trollen

Zeven trollen wonen in een gat in de grond, onder een steegje in Gent. De trap naar beneden bevindt zich op het einde van een smalle, modderige gang tussen twee huizen. Het is er donker en muf, maar dat ligt vooral aan het gebrek aan ramen. Zo moeten eeuwenoude grafkamers eruitzien. Maar eigenlijk is het best gezellig, als je ermee rekening houdt dat er alleen mannen wonen. Ze leven van het doorverkopen van wat ze op straat vinden. Het hele hol staat vol oude fietsen, kasten, wankele tafels, stoelen, gebroken bloempotten…, alles bedekt met een dikke laag stof. Zonder uitzondering zijn ze lelijk: lang vettig haar, onverzorgde baarden, een mond vol gele en zwarte afgebroken tanden, grote neuzen met een puist op, korte beentjes, kleren vuil en versleten… Op een zondag zijn zes van de zeven trollen naar het EK voetbal aan het kijken op een heel smerig, stoffig tv’tje dat op een wankel kastje staat. Ze zitten braafjes naast elkaar in een fluwelen, aftandse zetel waar een vreemd geurtje aan zit. Aan de eettafel onder een luster vol spinnenwebben zit de zevende trol in een sprookjesboek te bladeren: Sneeuwwitje en de zeven dwergen van de gebroeders Grimm. “Hey, mannen!” roept hij enthousiast. “Ssst!” sissen de andere trollen. De boekentrol negeert het gesis grotendeels en gaat iets stiller verder. “Ik lees hier net over zeven dwergen die zich ontfermden over een prinses. Ze woonde bij hen in en deed het huishouden: wassen, strijken, koken, poetsen...” Geïnteresseerd kijken een paar trollen op. “Hè?” “Ik lees hier dat ze in ruil voor onderdak het huishouden van de dwergen deed,” herhaalt boekentrol iets luider. De hoofdtrol spitst de oren, denkt even na en zet de tv uit. “We moeten ook een prinses hebben,” besluit hij. “Vergadering!” Wat later staan ze met z’n zevenen rond de tafel. Er ligt een kaart van de stad op, een opengevouwen krant en nog wat papieren. Een van de trollen maakt ijverig aantekeningen in een notitieblok. “Welke prinses kennen we?” “Elisabeth natuurlijk, de oudste dochter van koning Filip.” “Ja, ze is perfect: jong, knap, blond, verstandig.” “Goed, Elisabeth dus,” vat de hoofdtrol samen. “Maar hoe krijgen we haar hier?” Na veel vijven en zessen besluiten de trollen dat ze Elisabeth zullen ontvoeren wanneer die binnen een paar maanden een bezoek aan het UZ Gent brengt, aan de afdeling die haar naam draagt. Dat weten ze uit de krant. Er moet een tunnel gegraven worden en een valluik geïnstalleerd vlak bij de ingang van het gebouw. De volgende dag al gaan de trollen dapper aan de slag. In de Gamma halen ze pneumatische hamers, beiteltjes, pikhouwelen, een kleine graafmachine en kruiwagens en vol goede moed beginnen ze aan de graafwerken. Maandenlang kappen ze geduldig een tunnel onder Gent, door grond, beton, rioolpijpen en bakstenen richting UZ Gent. Hun huis is niet om aan te zien: overal ligt stof, aarde en puin. Maar dat is maar tijdelijk, daar zijn ze van overtuigd. Eindelijk is het valluik bij de ingang van het Kinderziekenhuis Prinses Elisabeth operationeel. Er hangt een camera die elke beweging volgt en doorstuurt naar de computer van de hoofdtrol. En dan is het eindelijk zover. Op de aangekondigde dag trapt Elisabeth helemaal volgens plan op het luik. Ze valt naar beneden, op de draagberrie die de trollen hadden klaargezet. Vliegensvlug spurten ze door de tunnel naar haar toe en met z’n zevenen dragen ze de prinses naar hun hol. Ze installeren haar op een matras in het kamertje dat ze voorzien hadden. Ze brengen haar eten, drinken, zelfs frietjes met stoofvleessaus, maar Elisabeth wordt niet wakker. Bij de val heeft ze haar hoofd gestoten. Er komt een dokter aan te pas. Die raadt een kuur in Zwitserland aan. Schone, heldere lucht, rust en veel licht, dat heeft ze nodig. Het zou ons te ver leiden hoe, maar de trollen slagen erin Elisabeth naar Zwitserland te brengen. De dokter had gelijk. Na een paar dagen in de gezonde berglucht knippert de prinses met haar ogen. De trollen zijn uitzinnig van vreugde. Snel regelen ze haar terugkeer. Ze trekken hun beste kleren aan om haar welkom te heten in hun hol. Ze duwen de tegenstribbelende prinses door de voordeur en doen die snel weer op slot. Dit hadden ze helemaal niet zien aankomen: Elisabeth wil absoluut niet in hun hol blijven. De prinses roept, tiert, gilt en schreeuwt alles bij elkaar, gooit met borden, meubels, zelfs de tv sneuvelt. Hij valt in brokken en stukken op de grond. Een dag en een nacht houden de trollen het vol met de furie, dan nemen ze maatregelen. Een van hen bereidt een kalmerend drankje: melk met honing en een wit poeder uit een zakje. Wanneer Elisabeth eindelijk slaapt op haar matras, neemt een trol een hamertje en slaat er hard mee op haar hoofd, voor de zekerheid. Bewusteloos dragen ze haar naar buiten en leggen haar in het Citadelpark, in de kiosk. Dan snellen ze terug naar hun hol. Opgelucht trekken ze de voordeur achter zich dicht. Met z’n zevenen ploffen ze neer in de zetel. Verweesd staren ze naar het stof, de aarde en het puin om hen heen. Hier komt voorlopig geen vrouw meer binnen, denk ik.

VeerleDosogne
3 1

Choco Prince

Er heerst onrust in de koekjesrayons. Het begon in de Colruyt in Anderlecht. De koekjesrayons bulken van de chocoprinsen, maar er is geen prinses in de buurt. Waarom zouden de prinsen zich dan goed houden, op hun uiterlijk letten, galant blijven? Er zijn toch geen prinsessen om te imponeren. ’s Nachts breken de prinsen uit hun verpakking, ze komen samen in groepjes en houden verhitte discussies. Al snel verspreidt de onrust zich over het hele land. Bij een nationale bijeenkomst in de Delhaize in Aalst, waar zeker 900 prinsen op aanwezig zijn, neemt een oude prins van bijna 70 het woord: “We moeten de fabriek van LU bestormen en onze grieven overmaken. WIJ WILLEN PRINSESSENKOEKJES!” “WIJ WILLEN PRINSESSENKOEKJES!” scandeert de hele groep en uitgelaten rollen ze naar de hoofdzetel van LU in Herentals. In de LU-fabriek schrikken ze van de woedende menigte koekjes op de parking. Het management roept een spoedoverleg bijeen. Twee prinsen – de oude rakker van 70 en zijn broer – worden afgevaardigd. In een haastig geïmproviseerd vergaderlokaal luisteren de managers van LU aandachtig naar de grieven van de prinsen. “En hoe moet die prinses er dan uit zien?” vragen ze tenslotte. De twee prinsen kijken elkaar aan: daar weten ze het antwoord niet op. Ze beseffen dat ze niet goed voorbereid zijn. “Pas als jullie een goed beeld hebben van hoe een prinsessenkoek er moet uitzien, kunnen we een voorstel voorleggen aan het bestuur in Frankrijk.” Met die woorden belanden de prinsen weer op de parking. De twee prinsen brengen de anderen op de hoogte en sturen hen weg met een opdracht: een profiel samenstellen van de ideale prinses.  In alle koekjesrayons van het hele land wordt ‘s nachts druk vergaderd door de chocoprinsen. “Ze moet blond zijn,” zegt de een. “Voor mij liever een brunette,” reageert een ander. “Met chocola!” “Vanille!” “Misschien met karamel of met aardbei?” “Met nootjes?” “Er moet pak aan zijn.” “Ik heb liever klein en fijn!” Hele nachten door vliegen de ideeën over en weer. De prinsen geraken er niet uit. Zo komt het dat er tot op vandaag nog steeds geen prinsessenkoekjes in de rekken liggen. Noodgedwongen moeten kleine meisjes prinsen eten. Ook alle andere mensen die niet op prinsen vallen, hebben weinig alternatieven. Intussen worden de prinsen oud, cynisch en slap. De tijd dringt!  

VeerleDosogne
4 1

De valse bakker

Onze bakker is een echte bakker, laat daar geen twijfel over bestaan. Hij is vals in de betekenis van ‘gemeen’. Hij heeft weinig vrienden, of beter: geen. Met zijn familie heeft hij gebroken, feestjes kent hij niet, alleen hard werken 7 dagen op 7. Vrije tijd is tijdverlies, dat is zijn devies. Hij woont in een statig herenhuis middenin de stad, waarvan de luiken altijd gesloten zijn. ’s Avonds doet hij er de boekhouding aan de keukentafel, bij het licht van een enkel peertje. Ondertussen eet hij de onverkochte koffiekoeken van de dag op. Hij heeft een marktkraam op wielen en daarmee doet hij verschillende markten aan. Hij verkoopt er dure zuurdesembroden, broodpudding en verschillende croissants. Zijn specialiteit is echter gelukskoekjes. Of beter: ongelukskoekjes. In sommige koekjes zitten boodschappen als ‘Licht aan het eind van de tunnel kan ook een aanstormende trein zijn’ of ‘Alles komt goed, maar misschien maak je het niet meer mee’. Geloof me, een dergelijke spreuk in een koekje kan een verder gezellige avond helemaal verpesten. En daar vindt onze bakker een geweldig genoegen in. Voor de productie van zijn marchandise heeft hij een eigen bakkerij, ondergebracht in een stalen loods diep verborgen in een donker bos. Er werken tien kinderen die hij lokte met de belofte dat ze zoveel koekjes mochten eten als ze konden. Eenmaal binnen gooide hij de zware, gewapende deur achter hen dicht. Ze zaten voorgoed gevangen. De meesten werken er al drie jaar zonder het daglicht te zien. Elke avond steekt de bakker de sleutel in het meerpuntsslot. De kinderen gaan dan netjes naast elkaar staan zonder een woord te zeggen, kijken strak voor zich uit en worden geïnspecteerd op netheid en hygiëne. De gemene bakker weegt vervolgens de productie van de dag. Die moet altijd meer zijn dan die van de dag ervoor. Zo niet, zwaait er wat. Straffen variëren van een dag geen eten voor de hele groep, werken in het donker of zonder verwarming… Tot op een dag een van de ‘kinderen’ er genoeg van heeft. Het is geen kind maar een volwassene met dwerggroei en hij heeft de buik vol van deze slavenarbeid. Toevallig of niet heet hij William. “Luister,” spreekt hij de groep toe als de bakker weer vertrokken is. “We hoeven dit niet langer te pikken. Als de baas morgen komt, dan benaderen we hem met zijn allen van achteren, we werken hem op de grond en rollen hem in dit tapijt hier.” Hij wijst naar de smoezelige vuilloopmat die bij de deur ligt. Zo gezegd, zo gedaan. De volgende dag omsingelen de kinderen de obese man, worstelen tot hij op de grond valt en rollen hem dan stevig in de mat. De bakker kan geen hand voor de ogen meer zien - wat best akelig is, want zo ziet hij niet wat op hem afkomt… Hij krijgt een harde klap op zijn hoofd. Even ziet hij sterretjes, dan wordt het hem helemaal zwart voor de ogen. Wanneer hij weer bij bewustzijn komt, ligt hij op de vloer van de koelcel in de loods. Hij is helemaal naakt. Ogenblikkelijk begint hij te bibberen. Intussen hebben de kinderen de deur van de loods opengemaakt en ze zijn allemaal haastig en uitgelaten vertrokken, juichend en joelend. Na jaren opsluiting kunnen ze eindelijk naar huis. Als bij wonder vinden ze allemaal hun ouders terug. Het weerzien is blij, er vloeien ook traantjes, maar dat zijn er van geluk. Intussen zit de bakker zit nog steeds in de donkere cel en bonkt op de deur: “Help!” “Doe open!” “Jullie mogen gaan!” Maar er is niemand meer die hem hoort. Uitgeput zakt hij op de vloer en begint weer te bibberen. In de rekken zoekt hij op de tast naar iets dat hem warm kan houden. Hij vindt bladerdeeg, verpakt in karton. Eerst bedekt hij zich met vellen bladerdeeg, hij maakt er een dekentje van. Hij bibbert nog steeds. Vervolgens probeert hij het karton erop te leggen, wat niet lukt, het schuift steeds maar van hem af. Hij zoekt verder en vindt een emmer abrikozenconfituur. Daarmee zal het karton wel blijven plakken, denkt hij hardop. Het bladerdeeg strijkt hij in met de confituur en daarop legt hij het karton. Het werkt. Het karton blijft liggen, maar nu plakt hij zelf ook van kop tot teen. Kortom, het is daar een doffe ellende in de koelcel, in de loods, in het bos. Eerst valt de elektriciteit uit in de loods. De koelcel warmt langzaam op. Dan komt een dakplaat los en waait weg, vervolgens een zijpaneel… Niemand heeft de bakker nog gezien. Niemand mist hem ook, toch niet echt. Is hij ontsnapt, heeft een verdwaalde wandelaar hem gevonden, verblijft hij nu in Spanje of Argentinië of zit hij nog steeds in de cel? Niemand die het weet…

VeerleDosogne
5 1

Kabouter Niet-zo-lui

Het is herfst. Als bij wonder verschijnen her en der paddenstoelen en met de paddenstoelen ook de kabouters. (Als de paddenstoelen weer verdwijnen, gaan de kabouters ondergronds, waar ze leven in holen en gangen – een feit dat weinig bekend is, denk ik. Ze hebben er een hele infrastructuur, compleet met sporthal en olympisch zwembad, wat een enorme verspilling is, want kabouters doen niet aan sport. Daarvoor zijn hun armen en benen te kort. Petanquen doen ze wel, maar er zijn dan weer geen petanquebanen voorzien. Typisch. Maar hier gaan we verder niet op in.) Terug naar het herfstbos. De mooiste paddenstoelen zijn in geen tijd ingenomen door de meest ijverige kabouters. Wie niet zo snel is, moet het stellen met wat overblijft, zo ook onze kabouter Lui. Kabouter Lui, een gepensioneerd postbode, neemt zijn intrek in een gebroken exemplaar. Het dak is niet helemaal waterdicht, maar dat lost hij op met een plastic potje dat hij gevonden heeft in een gracht. Niet ver van zijn paddenstoel is een put in de grond, niet groot, maar wel diep. De eerste nacht in zijn nieuw verblijf, komt er een reetje in klem te zitten. Het heeft zijn achterpootje gebroken en jammert uren aan een stuk. Tot Lui het niet meer kan aanhoren. In zijn pyjama trekt hij het diertje uit de put, verbindt zijn pootje en legt het dan onder een boom beschut met wat takken en bladeren. “Ik word hier zo moe van!” en Lui valt ter plekke in slaap. De volgende morgen wordt Lui wakker van de regen. Het reetje ligt er nog steeds, kletsnat nu. “Het kan hier niet in de regen blijven,” besluit Lui en begint te graven. Er ontstaan kamers en gangen onder de grond, een mini- ziekenhuis met consultatieruimte, een ICU en een ziekenboeg, ingenieus verwarmd door een convector met buizenstelsel.  Het kost wat moeite, maar Lui slaagt erin het reetje in zijn ziekenhuis te slepen, waar het warm en droog ligt. De ziekenboeg is meteen gevuld. Moe maar tevreden overschouwt kabouter Lui zijn harde werk. Tijd voor een dutje. Het nieuws over het nieuwe ziekenhuis doet snel de ronde en de volgende dag meldt een regenworm met een rood hoedje zich aan. Het puntje van zijn staart is geraakt door een ploegschaar en hangt nog met een velletje vast. Dat wordt een amputatie, zegt dokter Lui ferm. Kabouter Lui heeft geen idee hoe dat moet, maar YouTube weet raad. Ik bespaar u de bloederige details, maar even later ligt de regenworm in bed met zijn achtereind in de witte zwachtels. De operatie is voortreffelijk verlopen. De een na de andere patiënt komt langs en Lui loopt zich de benen onder het lijf om hen allemaal zo goed mogelijk te helpen. Intussen investeren zijn buren in zonnepanelen, schuttingen, carports en auto’s.  Tot op een dag de aarde trilt, het ziekenhuis instort, de paddenstoelen scheuren… Sommige kabouter slaan in paniek op de vlucht, hun SUV’s volgeladen. Andere raken verpletterd onder het puin. Een bulldozer maakt het hele dorp met de grond gelijk. Dit is een woonuitbreidingsgebied. Er is een vergunning om hier een wijk met 600 nieuwe huizen te bouwen. Voor mensen.

VeerleDosogne
2 1

Smurfin #Too

“Dat was de LAATSTE keer,” roept Smurfin woedend wanneer ze haar roze voordeur toegooit achter Grote Smurf. Bijna alle dagen wordt ze lastig gevallen. Of ze nu naar de bakker gaat, de apotheker, de slager of de buurtwinkel, altijd voelt ze wel een hand op haar bil, haar borst, een smurf die ‘per ongeluk’ tegen haar op botst… Soms bellen ze aan, soms staat er een hele rij wachtende smurfen voor haar voordeur, velen met een bijna smekende blik in de ogen. Ze heeft er genoeg van. Wie heeft dit bedacht zeg, één vrouw in een wereld droppen waar uitsluitend mannen wonen? Ze besluit actie te ondernemen. Wat kan ze doen? Bij Grote Smurf haar beklag doen? Per slot van rekening heeft hij haar dit uiterlijk gegeven. Helaas is hij zelf voor haar gevallen. Rik Devillé lijkt haar een veiliger optie. Hij luistert geduldig naar haar verhaal, maar kan haar niet helpen. Smurfen zijn geen geestelijken. Hij verwijst haar door naar tekenaar Peyo. Ze is tenslotte ontsproten aan zijn brein. Peyo luistert aandachtig en stelt voor een dorp te creëren met alleen maar vrouwelijke smurfen. Dat lijkt Smurfin wel wat. Opgelucht en blij gaat ze terug naar huis. Wat blijkt? Haar roze huisje is plots omgeven door keurige huisjes en villa’s met nette gazonnetjes en dito bloemperkjes. Ze herkent het dorp haast niet meer. De rivier die door het dorp stroomt, is geel en smaakt naar Fanta. De meeste bomen zijn van chocolade, inclusief de bladeren. In de hoofdstraat opent een beautyshop de deuren, daarna nog een, een nagelsalon, een tearoom die heel elegante gebakjes aanbiedt, een chique kledingzaak, een wolwinkel, een naaishop, een yoga- en dansstudio. Voor Smurfin is het nu een belevenis om door de hoofstraat te lopen. Ze weet niet wat eerst gedaan. In een mum van tijd maakt ze tientallen vriendinnen. Ze spreken af op terrasjes en kletsen erop los. Maar dan pakken de eerste wolken zich samen. Het begint met een roddel. De borsten van Sassette zouden niet echt zijn. Waarop wordt gezegd dat Juliette ergens een onecht kind verborgen houdt. Cosette zou ‘s nachts stiekem naar het mannendorp gaan, een riskante onderneming want daarvoor moet een bergketen en een ravijn getrotseerd worden. Hele groepen smurfinnen praten niet meer met elkaar, er vliegt al eens een scheldwoord over en weer. In het kapsalon wordt het haar van Cosette ‘per ongeluk’ paars gekleurd… De gemoedelijke sfeer in het dorp is ronduit toxisch geworden. Smurfin durft haast de deur niet meer uit. Wanneer in de tearoom een discussie escaleert – eerst wordt er met taartjes gegooid, vervolgens met handtassen gemept tot tenslotte de plukken haar in het rond vliegen – is het voor Smurfin welletjes.  Weer zoekt ze Peyo op en schetst hem de situatie. De tekenaar zit met de handen in haar. Hij weet het ook niet meer, hij is immers geen psycholoog. “Het enige wat ik kan doen is de twee dorpen samenvoegen en zien wat dan gebeurt.” Zo gezegd zo gedaan. Hij tekent een weg door de bergen, een brug over de ravijn en verbindt zo de twee dorpen. Vervolgens verschijnen de eerste mannelijke smurfen. Er opent een bruine kroeg waar hardrockmuziek weerklinkt, gevolgd door een elektronicazaak en een kampeerwinkel. Wat verder verschijnt de eerste garage en een doe-het-zelfmarkt. Er wordt al eens een smurf verliefd op een smurfin en omgekeerd. Er wordt getrouwd, kleine smurfjes worden geboren. De gemoederen zijn bedaard, het evenwicht is hersteld – toch voor de cisgenders onder de smurfen. Smurfin kan eindelijk in alle rust het verhaal verlaten. Ze verhuist naar de paddenstoel van kabouter Wesley, een goeie vriend. Ze leidt er nog een lang, onbezorgd bestaan en lacht zich te pletter met zijn avonturen.    

VeerleDosogne
7 1

12. Het kleurloze Kasteel (🤞)

'Ik heb het Putvolk gezien.' Hij beschreef in geuren en kleuren zijn ontmoeting met Lafyra, zijn vlucht uit het kasteel, die hem rechtstreeks naar Orfà leidde. 'Ze zag me wel zitten,' eindigde hij met een vrolijke noot zijn relaas.  'Wauw, dat klinkt als een geweldige ervaring,' lachte Alex. 'Jammer dat ik er niet bij was. Vertel ik aan Serafijn dat je hem ingeruild hebt voor een Putmeisje?' Alex deed hard zijn best de toon luchtig te houden, het brak Elions hart.  'Hoeft niet, hij vindt wel iemand anders. Hij en ik... het zit er toch niet in. Serafijn trouwt een respectabel man, geen smokkelaar van de Liga.' Elion staarde met wijdopen ogen naar het plafond.  'Denk ik niet, zoals die barman naar je kijkt, zit je geborgen voor de rest van jouw dagen... wel, ik bedoel...' Alex ademde beverig uit. 'Hoe dan ook, ik word niet de boodschapper van jouw overlijden. Ik kan me de blik op zijn gezicht al voorstellen. Om nog niet te spreken over jouw kleine broer!' Zijn ogen werden groot van ontzetting.'Nee hoor, dat kan je mij niet aandoen. Ik kan Felix toch niet gaan vertellen dat jij niet meer terugkomt?' 'Je hebt nog tijd om iets voor te bereiden, ik help je wel. Straks, nu wil ik slapen,' mompelde Elion. De hitte trok hard aan zijn ruggengraat. Hij lag doodstil, in een wanhopige poging het beest tussen zijn ingewanden in slaap te sussen. Als hij zijn ogen sloot, dan kon hij het zien: loerend naar zijn zwaar pompende hart, met zijn klauwen diep in Elions vlees geslagen. Alex leunde, met zijn handen diep in zijn zakken, tegen de deur en greep vervolgens zijn jas. 'Vergeet het,' onderbrak hij de sombere stemming. 'Echt, ik ga hier niet staan toekijken hoe jij crepeert. Je hebt nog wel enkele uren, ga verdomme niet dood. Ik ga hulp halen.' 'Nee, niet weggaan! Ik wil niet alleen blijven, Alex, wacht op mij, ik ga mee !' Elion veerde overeind, sprong van het bed en klapte dubbel. Alex duwde het vuilbakje met zijn voet zijn kant uit, net op tijd: Elions ingewanden maakten een dubbele salto en de pijn greep hem bij het strot. Toen hij uitgekotst was, was hij alleen. De stilte in de kamer bezorgde hem een enorm gevoel van eenzaamheid. Er zou niemand echt om hem treuren, als Alex er ook al vandoor muisde, dacht hij droevig. 'Hoi.' Elion opende één oog. 'Schuif eens wat op, dan kom ik erbij. Ben je ziek?' Een koele vinger streek het haar uit zijn bezwete gezicht. 'Je gloeit.' 'Hallo niet bestaande Serafijn. Ik ga dood, steenspoorvergifting. Het doet pijn.' 'Arme jongen, dat is inderdaad een rottige manier om dood te gaan. Ik had niet gedacht dat jouw dag zo zou eindigen.' 'Ik ook niet. Het moest een standaardinbraak worden. Cornélia vilt me.' 'Hmmm, ik vrees dat ze de kans niet meer krijgt, lief.' 'Bedankt, ik dacht dat jij tactvoller was.' Elion keek hem met gloeiende ogen aan. 'Ik ben hier niet, Elion, dat weet je goed genoeg. Maar laat dat de pret niet bederven.' Serafijn trok zijn schoenen uit, schopte ze tegen de muur en knoopte, met één oog op Elion, zijn hemd los. 'Je staart, lief.' 'Ik mag, ik ga dood. Staren mag als je dood gaat, zeker weten. Niet te snel, Serafijn,' fluisterde Elion dankbaar voor deze speling van zijn brein. Serafijns strakke lijf benam hem de adem en verzette toch even zijn gedachten.  'Niet te snel wat?' Serafijn schonk hem een half glimlachje. 'Niet te snel uitkleden, ik wil... o, niet weer!' Hij dook snel naar het vuilbakje en ging minuten later, hijgend en klam van het koude zweet weer liggen. 'Ik wil kijken.' 'Je wilt dat ik voor je strip?' Serafijn schoot in de lach. 'Niet waar, wil dat je jou heel langzaam uitkleedt en mij laat toekijken,' fluisterde Elion, met zijn ogen stijf dicht. Het beest in zijn buik rekte zich genietend uit en likte loom zijn lippen. Elion schoof dat beeld aan de kant en concentreerde zich op lief. 'Dat, Elion, is de definitie van strippen, ik hou het voor een andere keer, beloofd. Dan doe ik ook een gepast muziekje. Maak plaats, jongen.' Serafijn kwam naast hem liggen. Elion vleide zich tegen hem aan. Hij tekende met zijn vinger krulletjes op Serafijn buik en sloot zijn ogen. Dit was af, meer mocht hij niet eisen, dacht hij doezelig.  'Vertel me over de stoel, die was mooi. Kunnen we hem in De Donderklif zetten, bij de haard ofzo. Hij was eenzaam.' 'Het is een troon, zou Felix zeggen,' begon Serafijn zacht. 'Stoelen zijn voor het gewone volk, tronen zijn voor koninklijke achtersten. De Vlameiktroon gaat al eeuwen... Elion? Hé, lief, wakker blijven. Elion? Elion! Help, iemand? HELP!'   The end Hallo Dit is ons eerste hoofdstuk, opgedeeld in twaalf stukjes. Nu stop ik met droppen. De tekst is hier speciaal achtergelaten voor de andere helft van het duo: Alice, die intstaat voor de illustraties die u kon terugvinden bij de tekstjes. Azertyfactor was onze ontmoetingsplaats. Hartelijk bedankt om ons een plaats te gunnen op het forum: tussen de gedichten, de poëzie en betekenisvolle teksten viel ik een beetje uit de boot met een verhaal over een dief, een spookkasteel en magie, maar ik ben blij dat het kon en mocht. Schrijven voor 'onbekenden' vergroot de druk om het op zijn minst zo goed mogelijk te doen. 'Het Kleurloze Kasteel' wordt afgewerkt en dan zien we wel weer. We verkochten ons eerste en enige projectje Oudpark voor het goede doel. Misschien wordt dit ook de missie voor Azamerik en co... Ik wens iedereen nog heel veel schrijfplezier, Met vriendelijke groeten, Kat.      

Kat.
8 1

11. Het Kleurloze Kasteel

Elion overwoog of het de moeite waard was om terug te keren om de buit op te halen. Maar hij was toch al hopeloos te laat, het kon best wachten tot morgen. De straf zou er niet lichter of zwaarder op worden, dacht hij moedeloos. Cornélia hield niet van laatkomers. 'Morgen lukt even goed, dan zijn we met twee,' mompelde hij. Dat vooruitzicht, dat zijn vriend en partner in crime, hem morgen kon vergezellen, stemde hem iets vrolijker. In daglicht en in gezelschap van Alex, zou een bezoekje aan het Kleurloze Domein aanvoelen als een wandeling in het park. Elion hervatte met hernieuwde moed de terugtocht. Hij veegde zonder nadenken het zweet van zijn gezicht. Het was een snikhete nacht, zo leek het hem. Hij was er niet treurig om, na al die regen voelde opwarmen zalig. 'Ow...' Hij verstrakte toen een pijnlijke kramp door zijn buik schoot. Hij verweet, bij de volgende kramp, zijn ontbijt, want hij had nog niks anders gehad. 'Slechte melk,' mompelde hij toen zijn maag hard samentrok. Hij stommelde naar de berm, klapte dubbel en kotste, in één hete brij, het betreffende ontbijt weer uit. Hijgend bleef hij staan. Zijn oren ronkten diep en hij kreeg met moeite zijn zicht nog scherp. Er bekroop hem een onbekende angst. Hij draaide zich om, in de richting van het kasteel, maar dat was al lang niet meer te zien. De weg naar het gehucht waar ze verbleven was lang, om de haverklap werd hij overvallen door buikpijn, die hem letterlijk op zijn knieën dwong, met zijn armen stevig rond zijn buik geslagen.  Het liep al tegen de ochtend toen Elion zichzelf de trap opsleepte van de herberg, waar niemand van de vroege aanwezige gasten, druk bezig met het wegwerken van hun ontbijt, ook maar omkeek of vragen stelde. De barman, een jonge, slungelige knaap met hoogstens drie levensjaren meer op de teller dan Elion maar met de heldere blik van iemand die pas de wereld ziet, volgde hem met argusogen. Onzeker of hij misschien beleefd moest polsen naar Elions welzijn. 'Het is die smokkelaar van de Liga, hoort bij die knappe vent uit kamer zeven. Laten lopen,' bromde de waardin, met een boze blik op Elion. 'Waag het niet om dood te gaan in het bed, kereltje, dat zorgt voor gedoe.' Elion negeerde de opmerking en slofte uitgeteld door de gang, tot aan de zevende deur. Hij klopte aan en zonk, met zijn rug tegen de tegenovergestelde muur, op de grond. Op het einde van de gang sloeg snel een deur dicht. Hij kroop op zijn knieën en kotste smurrie en bloed uit op het mottige tapijt in de gang. Daarna ramde hij zijn vuist opnieuw op de deur. 'Ik kom, maak je niet druk.' De deur werd op een kier gezet. 'Waar heb jij zo lang uitgehangen,' sprak zijn leermeester zacht. 'Ik heb me ongerust gemaakt en... ' Zijn blik viel op Elion. 'Ik voel me niet goed.' Elion strompelde, in één lijn langs Alex, naar de vuilbak, zeeg op zijn knieën en kotste tot hij uitgeput was. Zijn vriend staarde hem verbijsterd aan. 'Dat lijkt me licht uitgedrukt,' mompelde hij voordat hij de deur dicht smeet, net op tijd om de schelle stem van de huishoudster buiten te sluiten, die liep te krijsen over het braaksel op haar 'dure' tapijt. Elion had een hele weg lopen piekeren over zijn plotse, snel opkomende misselijkheid. Hij had, doorsnee, een maag van beton. 'Steenspoor,' kraste hij. Alex ogen werden groot van afgrijzen. Steenspoor was een veelvoorkomende plant in oude gebouwen en al giftig voor wie er ook maar verkeerd naar keek. En de plant groeide bijzonder goed, in de vochtige, donkere wachttoren van het kasteel. Elion voelde zich ellendig en dat verbeterde niet onder Alex' geschokte blik.  'Kijk niet zo.' Hij sloeg zijn hand voor zijn mond maar kon het niet tegenhouden. Hete smurrie spoot langs zijn neus en mond naar buiten tot de tranen in zijn ogen stonden. Hij had anderen zien creperen door steenspoor en hij was niet gebleven tot het einde.  'Je bent gaan dolen in het Kasteel. Hoeveel keer moet jou iets gezegd worden voordat je luistert?' Elion schrok van de toon in Alex' stem.  'Het was niet vrijwillig.' Hij stroopte zijn doorweekte plunje van zijn verhitte lijf en ging languit op het bed liggen. Hij was buiten adem, alsof hij tien kilometer had gerend. Alex keek, van op de rand van het bed, wantrouwig toe. 'Lafyra wachtte me op, ik kon geen kant op. Getver, het doet pijn, Alex.'  Elion staarde met doffe ogen naar het plafond. Hij zou doodgaan in een mottige hotelkamer, negentien jaar jong, ver van huis en zonder de goede zorgen van zijn pleegmoeder. Hij veegde zijn neus af aan de rug van zijn hand. 'Ik ben bang, ik wil naar huis. Ik wil naar Egga.' 'Jah, ik ook.' Alex trok hem stevig tegen zich aan. Elion barstte in tranen uit, niet langer in staat zich dapper te houden.  'Sttt, jochie, stttt, het komt wel goed,' mompelde Alex in zijn haar, evenzeer om zichzelf te kalmeren. ´Leugenaar.´ Beide vrienden omklemden elkaar in een stevige omhelzing. Elion haalde diep adem en kreeg zichzelf weer in de hand toen doordrong dat Alex trilde als een rietje. Steenspoorvergifting was geen pretje. Niet voor de gedoemde en misschien nog minder voor diegene die niets meer kon doen dan wegmuizen of toekijken. ´Het spijt me,´ zei hij kleintjes. Alex gromde iets, kwam van het bed en ramde zijn vuist tegen de arme muur.  'Hé, kan het daar wat stiller, ja?' blafte een norse stem. 'De kuisvrouw,' giechelde Elion plots. Hij tuurde met een rood, vlekkerig gezicht naar zijn vriend en veegde verlegen zijn wangen droog. Alex lachte niet.  'Bedankt voor de huilbui,' zei Elion met een manhaftige poging tot een glimlach. 'Die had ik nodig en.... oooooo, wanneer houdt het op?' Zijn organen losten op, letterlijk. 'Laat maar, ik hoef geen antwoord. Het joch is al dood, dat bedoelde die ouwe heks dus, ik haat het dat ze gelijk heeft.' 'Heks?' Alex trok grote ogen en de bedrukte blik maakte plaats voor eentje van opperste verbazing. 'Over welke heks heb jij het?' 'Wordt nog één keertje vervolgd)

Kat.
4 1

10. Het Kleurloze Kasteel.

Elion tuurde nieuwsgierig langs Blauwoog naar de duisternis, hopend op één of andere Volkminnende redder die een goed woordje voor hem zou doen.  Hij liet zijn idee snel varen: de omstaanders schoven eerbiedig opzij. Blauwoog slaakte een diepe zucht: 'Glimlachen, jongen, de inspectie is er. Gegroet Kè.' Zijn gezicht vertrok van ergernis. 'Dit is Elion, hij komt hier al jaren. Lafyra vroeg om zijn hart...' 'Tssss, ik weet wie hij is. De dief, het uitschot.' Dieven waren niet geliefd, niet in Grensstad, niet in het Trappendal. Ze werden geduld zolang ze het leven van anderen niet al te moeilijk maakten. Elion verkilde bij de pure weerzin in de toon, als dikke stroop kleefde het aan zijn botten. Zelfs Hector, hoofd van de Wacht, bracht het op om beleefd te blijven. HIj kon zich niet verroeren, hij gaapte haar met open mond aan. Het wezen, een andere term kon hij niet direct verzinnen, schuifelde met verbazingwekkende snelheid op hem af. Heks, dacht Elion geschrokken, het woord schoot door hem heen en paste haar als een goed stel schoenen. Heks. Putheks. 'Ik ruik zijn angst en iets.... scherps. Heb je stuiterkruid gebruikt?' Het klonk als een zweepslag. Hij knikte, niet in staat zijn blik af te wenden van diegene die voor hem stond. Hij was doodsbang maar dat had niks te maken met het uitslurpen van zijn hart of het openbreken van zijn borstkas.  'Oh, een verslaafde. Goed werk, Blauwoog,' beet ze Blauwoog toe. Ze scharrelde razendsnel door de modder. Elion zette geschrokken een stap naar achter toen ze pal voor hem bleef staan. Ze rook naar oude, natte kleren. 'Tssss, taai joch.' Het zweet op zijn lijf verdampte in een tel zodat hij huiverde van de plotste kou. Ze sjorde zonder waarschuwing Elions doorweekte shirt omhoog waarna ze haar neus tegen zijn huid drukte en diep snuffelde. Elion hield zijn adem in. Hij balde zijn handen tot vuisten. 'Handen af,' zei hij, heel zacht en heel langzaam. De heks liet hem verbaasd los. 'Het spreekt, kijk eens aan. Wat een lef, boefje. Jij bent niet in de positie om...'  De knetter vlocht zich ongevraagd tussen zijn vingers. Ze liet hem los, schuifelde achteruit en monterde hem van kop tot teen. 'Ongeschikt, ie is al dood. Afvoeren. Jammer, hij heeft een sterke Energie maar we leveren geen vergiftigd hart af aan de baas, Blauwoog. Voor je het weet ziet Lafyra het als een aanslag.' Ze schonk Blauwoog een intense blik. 'Of was dat jouw plan?' 'Nee, Kè, dat was niet mijn plan,' zuchtte Blauwoog gelaten. 'Stuiterkuid in zijn bloed is niet zo erg.' 'Doe wat ik je zeg, dump hem. Hij haalt de ochtend niet. Hij mag niet creperen op het domein. Afvoeren.' Ze loerde met één oog, zo groot als een speldenkop naar Elion en haar gezicht spleet open in een tandloze grijns. 'Het Kasteel kent meer gevaren dan Azamerik alleen.' 'Wat?' Elion trok boos zijn shirt omlaag en hield de randen stevig vast. 'Ik voel me prima, ouwe heks!' Ze gniffelde. 'Je bent al dood, je weet het alleen nog niet. Wegwezen, boefje, jouw aanwezigheid hier brengt iedereen in gevaar. Orfà, hou op met huilen, onnozel wicht. Breng hem weg voordat het Kasteel er lucht van krijgt.' Ze maakte met haar ringvinger, die niet paste bij de rest van de hand, een draaibeweging in de lucht. Nog voordat Elion kon knipperen was hij opnieuw alleen met het meisje Orfà. 'Ik breng je naar de poort.' Ze draaide zich om en beende de nacht in. Elion greep zijn mes en holde haar, nog steeds een beetje onvast op zijn benen, achterna. Het meisje wachtte hem op en paste haar tempo aan. Ze loerde naar hem, hij voelde haar blik op zijn gezicht.  'Wat?' bromde hij ongemakkelijk. 'Kijk niet zo.'  Orfà gidste hem langs paden waarvan hij het bestaan niet eens vermoedde. Hij rook water en viste de plattegrond van het domein uit zijn geest.  'Vijver,' mompelde hij, toen hij kikkers hoorde kwaken. Orfà keek verrast op bij het geluid. 'Dat is nieuw, die kikkers. Er leeft hier al jaren niks meer.' Ze keek hem nieuwsgierig aan en haakte haar arm door die van hem. Elion gruwde, haar huid was kil en klam maar hij was dankbaar voor de steun. Zijn schedel barstte, hij hoorde het kraken. 'Kè heeft gelijk, je haalt de ochtend niet. Ik vind het echt jammer.' Kraak.... kraaaak Ze draaiden zich pijlsnel om, dat was niet het geluid van zijn barstende koppijn. Elions mes lag al in zijn hand.  De struiken kwamen met afgrijselijk veel lawaai tot leven en spogen armen en benen uit. Tientallen kromgetrokken figuren kropen, zonder zich iets aan te trekken van de doornen, van achter de haag. Hun ogen gefixeerd op Elions wild pompende hart. Orfà schoof voor hem. 'Hij is niet eetbaar,' riep ze luid. 'Die jongen ziet er heel smakelijk uit. Geef hem af. Hij zit tjsokvol Energie. O, wat een mooie kijkers. Ik kan wel een nieuw stel gebruiken.'  'O, goeie genade, stopt het dan nooit,' kreunde Elion. 'Laatste dag, ga er voor... ik vermoord hem.' Doelend op zijn voormalige leermeester, beste vriend en de man die hem had aangespoord om deze opdracht nog af te werken. De nacht werd aan stukken gescheurd door een rauwe kreet die diende als zijn startsignaal. Elion schoot de duisternis in, hij hield zich strak aan het plan in zijn hoofd. Vijver schuin achter hem, poort op pakweg 500 meter voor hem. Hij gaf alles wat hij nog had, struikelde en hoorde de bende lachen, met Orfà's geschrokken gegil er bovenop. Elion krabbelde overeind: een sprint van 500 meter leek hem eindeloos. Orfà haalde hem luttele tellen later in. Ze greep hem bij zijn hand en sleurde hem vooruit, ze was veel sneller dan hij. Achter hen onplofte het struikgewas: een heel bataljon Putters zette brullend en joelend de achtervolging in. 'Energie is hier geliefd,' hijgde Orfà. Elion knikte stom, hij had geen adem genoeg om iets te zeggen. Zijn longen stonden op barsten en hij zag niks anders dan gekleurde vlekken. Hij besefte dat rondrennen na zo'n val niet bijster slim was: hij stond hier op het punt van zijn sus te gaan! Elion wierp een blik over zijn schouder: het was ruim voldoende om hem vooruit te stuwen. Ze zwaaiden met rieken en knuppels in zijn richting. Orfà remde bruusk af bij een hoge, metalen poort met messcherpe pinnen boven iedere spijler. De poort zat op slot. Elion verwonderde zich één tel over het pracht van de sloten maar besefte al snel dat hij die niet kon kraken in de luttele seconden voorsprong die hij maar had. 'Wat sta je daar te gapen!' gilde Orfà. 'Klimmen, idioot, klimmen. Je moet erover. Pas op voor die pinnen, die rijten je open alsof.... aaaaaaah!' Ze kregen haar eerst te pakken. Elion bleef niet staan kijken: hij trok zich op en klom over de poort, er zorgvuldig oplettend dat hij zich niet sneed aan de pieken. Sommige dingen vroegen tijd, dacht hij wazig.  Hij nam drie hartslagen de tijd om op adem te komen, zocht zijn mes en draaide zich behoedzaam om. Niks. Niemand. 'Orfà? Orfàààààààà!' Elion tuurde door de spijlers. De stilte was oorverdovend. Hij hief zijn hoofd, zocht drie sterren tegen de hemel en besefte dat de nacht er bijna op zat. Hij was hondsmoe.  'Getver, ik hoop dat ze ok is,' fluisterde Elion verbijsterd. Hij zette een stap achteruit, drukte zijn hand tegen zijn buik om de pijn daar te sussen en draaide zich besluiteloos om. Richting pad dat hem naar de herberg zou brengen, waar Alex op hem wachtte en hij een bed had voor de nacht. Pas vele meters verderop drong het door: zijn rugzak lag nog bij de Put.   (Wordt vervolgd, nog voor twee deeltjes.)  

Kat.
14 1

9. Het Kleurloze Kasteel.

'Ooit stonden de jonge mannen  aan te schuiven om hun Energie aan Azamerik te geven, het is een hele eer. Energie is leven,' zei de vriendelijke stem dromerig.  'Energie is leven!' brulde de rest gehoorzaam, zo hard dat Elion ervan schrok. 'U en ik lazen een ander geschiedenisboek, meneer. Ik kan me niet voorstellen dat het helemaal vrijwillig gebeurde. Azamerik ronselde gewoon zijn maaltijden, zo stond het in mijn boek ' sputterde hij tegen, met de nadruk op 'mijn'.  'Trouwens, ik gaf mijn hart al weg aan een barman.' Deze opmerking zorgde voor enige beroering in de groep. Ze mompelden ongerust. 'Lafyra beticht ons van samenwerken met Volk als hij geen hart heeft, Blauwoog,' fezelde een geknakte gestalte bang. Blauwoog bukte zich en drukte zijn oor tegen Elions borst. 'Ik hoor het kloppen,' stelde hij tevreden vast. 'Niet liegen, jonge dief, dat is niet netjes.' 'Ik bedoelde alleen dat ik verliefd... oh, laat maar,' mompelde Elion onthutst. Het begon hem langzaam te dagen dat de groep het meende. Lafyra de waanzinnige sleep waarschijnlijk al haar hellebaard. Hij kende de beelden uit de boeken, van de krijsende slachtoffers op haar slachtbank en hoe ze met één houw hun borstkas brak. Hij zette het beeld snel van zich af... Er zat een vervelend misselijk gevoel in zijn buik, een pijnlijk heet knopje, net onder zijn middenrif. 'Kijk niet zo bang, er is niks om je zorgen over te maken. En als je heel eerlijk bent, Elion, heb je het toch ook een beetje aan jezelf te danken: de borden aan de poort zijn daar gezet met een reden. Kan jij lezen?' sprak Blauwoog vaderlijk. Elion knikte schoorvoetend.  'Dan is het arrogant om te denken dat die waarschuwingen niet voor jou gelden. Waar kwam je voor?' Blauwoog tuurde in de rugzak. Zijn gezicht vertrok in een komische grimas van pure verbazing. Elion schoot in de lach, hij kon het niet helpen. Zijn hoofdpijn explodeerde met een knal, alsof zijn ogen zo uit hun kassen plopten. Hij drukte zijn hand tegen zijn hoofd in de hoop zijn hersenen op hun plek te houden. 'Wat moet jij met een schedel?'  'Niks, het was mijn opdracht.' Cornélia onder ogen moeten komen met lege handen klonk hem even afgrijselijk in de oren als zijn hart uitgerukt worden. Blauwoog streek in gedachten verzonken langs de stoppels op zijn wangen.  ´Ik ken het lichaam dat erbij hoorde, enkele maanden terug liep het nog vrolijk rond.'  'Ie is pas dood?' hakkelde Elion ontzet, zonder zijn blik van zijn rugzak te halen. 'Hoe dan?' 'Precies zoals dat beeld in jouw hoofd, jochie. Lafyra kreeg hem te pakken. Niet iedereen kent de sluiproutes. Hij liet zich vangen, in vol daglicht. Doodsbang was die stumperd, doodsbang was hij.' Blauwoog schudde droevig zijn hoofd. 'Enkele uren laten vonden we zijn lichaam, zonder hoofd, terug in de Put. Zijn ledematen zijn intussen verdeeld.' Blauwoog wees gul naar de verzamelde Putters, de bevestigend maar met gepaste droefheid knikten.  Elions blik gleed omlaag. Zijn adem stokte in zijn keel toen hij haastig een stap naar voor zette. Hij stond op een massagraf... hij had altijd gedacht dat de laatste dode van eeuwen geleden dateerde. Hij had het mis. De groep Putvolk gniffelde vrolijk om zijn weerzin. De modder zoog zich gretig vast aan zijn schoenen.  'Het was een architect van het Trappendal.' Blauwoog krabde in zijn haar. 'Geen idee wat die hier deed.´ Het was een vraag, alle ogen keken Elion verwachtingsvol aan.  ´Kweenie, ik ben geen Trappendaler, ik woon in Grensstad. Leverde u hem ook uit?' Elion likte zijn droge lippen, de angst zat als een stevig klompje in zijn onderbuik.  'Ja, het is onze plicht om indringers af te geven.' Blauwoogs gezicht vertrok in een gekwelde grimas. 'Ik wou dat het niet zo was. Jij klimt wel uit de Put, Elion. Je kijkt koppig genoeg. Kom, Lafyra de Waanzinnige verwacht je.' 'Laat hem los, Blauwoog,' blafte een hese stem uit de duisternis.    (Wordt vervolgd, nog een stukje of drie. Bedankt om te lezen!)  

Kat.
0 0

8. Het Kleurloze Kasteel

Eén welgemikte stomp in zijn zij maakte brutaal een eind aan zijn vechtlust. Hij snakte naar adem, verloor zijn mes in de modder en gleed uit. Handen grepen naar hem, trokken hem uit de Put en pootten hem op zijn knieën in het midden van de kring. Zijn armen werden nogal ruw op zijn rug getrokken en daar gehouden.  'Bravo. Flink gevochten.' Er werd geklapt. Munten gingen over van de ene hand naar de ander, hij had het duidelijk goed gedaan.  'Laat me gaan!' brieste Elion, die ondanks zijn netelige situatie zijn oog strak op zijn innerlijk klok hield en zijn tijd snel ingekort zag. Cornélia zou het vlees van zijn botten ranselen als hij de afspraak miste. Hij schudde de druppels uit zijn haar, wat niks veranderde aan zijn beeld en het leverde hem alleen een barstende koppijn op. Ze waren allemaal, zonder uitzondering, groter dan hem. Mensen, ooit eens, zo vermoedde hij. Ook al zou geen mens hen nog als soortgenoot erkennen.  Restjes van de Put. Zijn ontzetting won het van zijn woede.  'Het spijt me,' mompelde hij, zonder te weten waarom. Dit volk, samengesteld uit ledematen en onderdelen van diegene die op de tafel stierven, of in de kooien, of aan de galg of... 'Jaja, er waren veel manieren,' onderbrak de beleefde stem hem kortaf. De spreker drong door de verwrongen lijven van zijn soortgenoten en nam pal voor Elion plaats. De benen een beetje uit elkaar, de voeten stevig in de modder. Elion keek op, hij kon niet anders en stelde zijn blik wat scherper. 'Je kent de verhalen, jonge dief. Jouw gezicht spreekt boekdelen. Het is Energie als dat van jou die ons voedt. We zien hier talloze verdwaalde sukkelaars met een verstofte vorm van magie maar jij weet er wel weg mee, is het niet? Energie is leven!' 'Energie is leven!' brulden de anderen gehoorzaam, zodat Elion stomverbaasd opkeek. 'Zet die leuze op een t-shirt en laat mij gaan, mijn Energie is verziekt door stuiterkruid,' stelde hij vriendelijk voor, met een kalmte die helemaal niet bij zijn wild kloppende hart paste. 'Ik heb een verslavingsprobleem, beweert mijn vriend. Ik heb waardeloos bloed, ik zweer het.' 'Jouw vriend heeft gelijk, ik ruik het stuiterkruid tot hier. Maar dat is niets meer dan een extra smaakje, maak je geen zorgen.' Tot zijn verbazing lieten zijn twee bewakers hem plots los. Elion wreef misnoegd over zijn pijnlijke polsen. De man hurkte voor hem neer, zijn misvormde opnieuw samengestelde gezicht op nog geen drie centimeter van Elion. Hij staarde gefascineerd naar de puzzel. Hij voelde vooral medelijden met de verwrongen figuren, niemand koos voor deze manier van leven.  'O wauw,' mompelde hij. Hij stak, zonder nadenken zijn hand uit. Zijn vingers gleden onderzoekend over het misvormde gezicht. De man grinnikte. 'Jij weet er ook wel iets van.' Hij greep Elions hand en knikte naar de vermiste vinger. 'Diefstal?' 'Hmmm, de eerste en de laatste keer dat ik betrapt werd.' Elion haalde nonchalant zijn schouders op. Hij trok zijn hand terug met het gevoel van de kouwe, taaie huid nog in zijn vingertoppen. 'Jij bent een uitermate vreemde jongen,' rommelde de man. 'Ik zag nog nooit blauwe ogen,' weerlegde Elion ademloos. Iedereen die hij kende had grijze ogen, typerend voor het Volk. Alleen zijn kleine broer had een stel groene. 'Ze zijn mooi, wel, uw rechteroog is mooi.' Het andere zakte een beetje door en was waterig. 'Blauwoog, om u te dienen,' grinnikte de man. Hij neeg het hoofd in een galant gebaar.  'Echt?' Elion giechelde opgelaten. 'U kon niets beter verzinnen dan dat?' 'Heel vreemde jongen,' herhaalde de man met een lach.  'Dit is mijn laatste job,' deelde Elion plots mee met het idee dat praten hem uitstel kon geven. 'Typisch dat die in het honderd moet lopen. Een burgerlijk leven is me niet gegund.' Zolang hij maar kletste, kwam alles goed. Hij knikte naar de rugzak. 'Het was een opdracht van het Trappendal, weet u. En mijn bazin is echt...' Blauwoog schonk hem een droeve blik. Elion viel stil, zijn hoofdpijn had helse proporties aangenomen, hij kon met moeite nog helder denken. 'Ik heet Elion.' Hij stak zijn hand uit. Hij wilde al helemaal niet naamloos doodgaan.  'Ik weet wie je bent, Elion de Dief,' herhaalde de man tot zijn verlegenheid. 'Je hebt hier een reputatie.'  'Ik voel me vereerd.' Elion keek de man strak aan. 'Mag ik dan nu gaan? Ik ben al veel te laat.' Hij raapte zijn rugzak op, trok zijn doorweekte shirt recht en glimlachte verontschuldigend. 'Kunt u gewoon niet doen alsof u mij niet hebt gezien? Ik vertel het heus niet verder.' 'Sorry, jochie, dat gaat zomaar niet. Ik zal jouw bezoekjes missen.'  Er kriebelde een ongemakkelijk idee, ergens helemaal achteraan zijn schedel. Blauwoog meende het! Dit was voor echt. Hij veegde zijn bezwete handpalmen af aan zijn vuile broek. 'Meneer De Boze verwacht je intussen. Je bent gezien door Lafyra, er is geen ontkomen meer aan. Maak dit niet moeilijker dan dat het al is.' Blauwoog zuchtte verslagen: 'Ik hou er niet van om jongeren over te dragen.' 'Doe het dan niet,' stelde Elion haastig voor. 'Ik wil uw nachtrust niet verpesten. Ik zweer dat ik nooit meer terugkom. Ik wil naar huis, meneer.' De tranen sprongen ongevraagd in zijn ogen en hij veegde ze met een vuile hand weg. 'Ik wil naar huis.' 'Daar had je iets eerder aan moeten denken, lieve jongen. Lafyra duldt geen vuile vlekken op haar meubels.' Blauwoog zijn goede oog vulde zich met oprechte warmte. 'Jij hebt zeker weten vlekken gemaakt. Bloed maakt vlekken die niet meer uitgaan. Dus je begrijpt dat ik je moet aangeven.' 'Maar... voor wat bloedvlekken?' (Wordt misschien vervolgd... deel 1 is bijna rond, bedankt voor uw aandacht.)

Kat.
2 1

De Reis van Aurion en de Sterren tranen 

In een mystiek woud genaamd Sylvana woonde een jonge elf genaamd Aurion.  Hij onderscheidde zich van zijn soortgenoten door de gave van het begrijpen van de fluisterende stemmen van de bomen en de taal van dieren.  Deze bijzondere gave vulde zijn dagen met verwondering en nieuwsgierigheid, en het was deze nieuwsgierigheid die hem op een onvergetelijk avontuur zou sturen. Op een stralende ochtend, toen het zonlicht door de dichte bladeren van Sylvana sijpelde, hoorde Aurion een fluistering in de wind.  Een oude wilg, met zijn takken als kronkelende armen, vertelde hem over een lang vergeten schat diep verborgen in het hart van het betoverde woud.  Het was een kristal, bekend als de "Sterrentranen," die de verstoorde harmonie van de natuur kon herstellen.  De roep van het avontuur weerklonk in Aurions hart, en vastberaden besloot hij op reis te gaan. Zijn eerste metgezel was een wijze havik genaamd Lyra, die hoog in de toppen van Sylvana haar nest had gebouwd en de eeuwenoude verhalen van het woud kende. Samen begonnen ze aan een reis die hen door weelderige valleien, langs kabbelende beekjes en over met dauw bedekte bergkammen voerde.  Onderweg voegde zich een nieuwsgierige wasbeer genaamd Thistle bij hun gezelschap, aangetrokken door de onverklaarbare energie die Aerion met zich meebracht. Terwijl ze dieper het woud in trokken, ontmoetten ze magische wezens die hen hielpen of hen op de proef stelden.  Soms leken de bomen zelf te spreken, hun bladeren ritselden met geheimen en wijsheid.  Elke uitdaging, elke ontmoeting, versterkte de band tussen de reisgenoten en voedde de vastberadenheid van Aerion om de Sterrentranen te vinden. Na dagen van reizen bereikten ze een betoverend meer, omringd door nachtbloemen die alleen in het maanlicht openden en een bedwelmende geur verspreidden. In het midden van het meer doemde een eiland op, omringd door een zachte gloed.  Op dat eiland stond de legendarische Zilverlinde, die met haar takken naar de sterren reikte en de bewaker was van de Sterrentranen. De boom begroette hen met een zachte bries en onthulde dat alleen een zuiver hart de Sterrentranen kon aanraken. Aurion, gedreven door zijn diepe liefde voor Sylvana, strekte voorzichtig zijn hand uit naar de glinsterende kristallen.  Op het moment dat zijn vingers de Sterrentranen aanraakten, verspreidde een stralend licht zich door het woud, verdreef de duisternis en herstelde de natuurlijke balans. Met de Sterrentranen veiliggesteld, keerden Aurion en zijn metgezellen terug naar hun elfendorp als helden. Sylvana, die eerder in een sluier van somberheid was gehuld, begon weer op te leven.  De nachtbloemen bloeiden met nieuwe pracht, en de dieren leken te dansen van vreugde. Aerion besefte dat zelfs de kleinste wezens, met moed, vastberadenheid en de steun van vrienden, een wereld van verschil konden maken. Het verhaal van Aurion, de elf met de gave van de taal der bomen, verspreidde zich als een zachte bries door Sylvana en werd een legende van moed, vriendschap en de eeuwige kracht van de natuur, doorgegeven van generatie op generatie, als een bron van inspiratie voor alle bewoners van het magische woud.  En zo leefde het verhaal voort, als een lied gezongen door de bladeren van de eeuwige bomen, vastgelegd in de geschiedenis van Sylvana.    

BrameetHam
5 0

7. Het Kleurloze Kasteel

'Je had best eerder mogen komen, je bent knap,' ritselde het stemmetje opgelaten. 'Mag ik dat zeggen of breng ik je nu in verlegenheid?' 'Euh...' Elion wist helemaal niet meer hoe hij het had. Hij drukte zijn hand bezorgd tegen de schijnende bult achter zijn oor. 'Dat mag, vermoed ik. Bedankt.' 'Ik heet Orfà, trouwens,' ging het vrolijk verder. ' En jij? We kunnen beter vrienden worden, nu je hier bent.' 'Uw dienaar, Orfà, ik heet Elion.' Hij maakte een lichte buiging waarop ze giechelde. 'Dit was bijzonder verrassend en vleiend maar ik moet echt weg. Mijn bazin slaat me halfdood als ik te laat kom.' Hij knipte met zijn vingers. De knetter vormde een kring van vonkjes. Elion kneep zijn ogen tot fijne kiertjes: daar, net buiten zijn knetter, stond een lange donkere figuur naar hem te kijken. Ze was akelig mager en in een vormeloze jurk gehuld. Haar lange, bleke ledematen hadden een huidskleur die hij alleen kende uit verhalen: wit met blauwachtige vlekken op de huid.  Hij hapte naar adem. Putvolk. Het woord hamerde pijnlijk aan de binnenkant van zijn schedel.  'O,' kirde Orfà opgewonden zonder zich iets aan te trekken van zijn blik. 'Jij bent de Knetterdief.' 'De wat?' Hij trok grote ogen.  'De Knetterdief! Het is de Knetterdief! Hierheen, ik heb de Knetterdief!' 'Stttt, Orfà, alsjeblieft, niet zo luid,' piepte Elion angstig. Hij keek omlaag en zijn hart miste een tel of drie: hij stond pal op de Put.  Alle bloed trok uit zijn wangen: aan de rand van de modderpoel, onttrokken aan het zicht door de gietende regen, herkende hij de vage omtrekken van de typische, uit afval opgetrokken hutten. Hij kon zichzelf wel slaan, in al zijn haast had hij dit detail over het hoofd gezien. De bult op zijn hoofd pulseerde zachtjes mee op het snelle roffelen van zijn hart, het maakte hem een beetje misselijk.  'Ik ruik bloed.' Zijn nieuwe kennisje snuffelde overdreven. 'Ben je gewond?' 'Nee, alleen wat gedeukt. Ik ben gevallen en tegen een stoel geknald. Er zit een gat in mijn hoofd,' antwoordde Elion zonder erbij stil te staan. Egga moest er zeker naar kijken, dacht hij. Hij zou een uitbrander krijgen, ze was een overbezorgde moeder, maar daarna misschien chocomelk, gevolgd een heerlijk warm bad. 'Misschien kan ik voor zonsopgang nog naar De Donderklif,' maakte hij het rijtje van leuke vooruitzichten af. Hij glimlachte bij het idee van Serafijns handen onder zijn hemd, zijn stem in zijn haren, die hem zou vertellen dat hij Elion gemist had en... BENG  Hij veerde plots recht, brutaal uit de roes gewekt. 'Wat was dat?' Elion wreef ruw over zijn gezicht om bij de les te blijven, wegdromen op de Put was een superslecht idee! Hij kon jammer genoeg geen enkel goed idee bedenken. Er volgde een twee luide knal en hij hopte geschrokken op: het was het geluid van een dichtslaande deur.  En nog ene. En nog ene. Elion wenste dat hij kon oplossen in de regen, zachtjes verdwijnen zonder sporen na te laten. 'Orfà, alsjeblieft, laat me gaan. Ik doe alles wat je wil maar laat me gaan,' smeekte hij, intussen een beetje wanhopig, er leek geen einde te komen aan deze nacht. 'Niet bang zijn.' Ze klonk oprecht bezorgd. 'Het doet geen pijn. Lafyra weet hoe het moet, ze doet het al eeuwen.'  Hij kon zijn eigen angst ruiken, scherp en nieuw. Ze keek hem met grote, droeve ogen aan. 'Ik hoop dat ze je daarna in het graf gooit. Volk met een sterk gestel klimt er meestal weer uit als Lafyra genoeg heeft overgelaten, Elion de dief.' De nonchalante toon joeg pijnlijke rillingen langs zijn rug. 'Dan word je eentje van ons.' Ze wees naar de grond onder zijn voeten. Elion opende zijn mond, vond niet genoeg speeksels om een geluid de maken en klapte het weer dicht. 'Het is zo slecht nog niet. Je mag bij mij wonen tot je een eigen stekje gemaakt hebt.' Aan de rand van de Put, net buiten de kring van zijn knetter, doken steeds meer reusachtige, kromgetrokken figuren op tot ze in een kring rond de modderpoel stonden, rond hem. Ze droegen dikke stokken, hooivorken en kapmessen. Elion tastte naar zijn eigen mes, woog het in zijn hand en zette zich schrap. De misselijkheid golfde door zijn lijf en hij klemde zijn kaken op elkaar om niet toe te geven aan de angst.  'Laat me door,' snauwde hij, zwaaiend met zijn mes, met een dapperheid die hij helemaal niet voelde.  'Kijk eens aan. Volk kruipt meestal huilend en jammerend in elkaar. Dus jij bent het diefje. Hoe oud ben je, jochie?' Het was een verrassend beschaafde stem die het woord nam. Elions ogen gleden over de groep, hij had geen idee wie gesproken had. Tientallen gezichten loerden naar hem, hongerig. Gretig, alsof ze zijn lichaamsdelen al aan het verdelen waren. De ene zijn ogen, de ander zijn pink... 'Oud genoeg om geen jochie meer genoemd te worden,´ bromde Elion ´n beetje gekwest. ´Kom maar op!' Hij keek hen uitdagend aan. 'Je hebt de snotneus gehoord, pak' em.' Ze stormden, dwars door zijn kring van licht naar voor om zich als één man bovenop hem te storten. Elion vocht, schreeuwde, stampte, stak waar hij kon maar was helemaal niet opgewassen tegen hun enthousiasme. Orfà gilde geschrokken maar ze was dan ook de enige. Er werd gejoeld en gelachen. Hij verweerde zich met alles wat hij nog in zich had, niet van plan hier op zijn bek te gaan terwijl er in zijn ooghoeken weddenschappen werden afgesloten of hij het al dan niet nog een minuut zou volhouden. 'Maak er een eind aan. En neem die rugzak mee, wat hij ook gestolen heeft, we brengen het terug,' beval de zachte stem, niet onvriendelijk. 'Lafyra de Waanzinnige verwacht hem.'   (Wordt, overmorgen, vervolgd)

Kat.
2 1

6. Het Kleurloze Kasteel

Hij hurkte neer op de bovenste trede, met zijn armen gestrekt boven zijn hoofd en veerde plots overeind. Boven hem knalden de planken uit elkaar. Elion stootte een kreet van vreugde uit en wrong zich door het versplinterde hout een weg naar buiten. Hij stond op de oude wachttoren en de regen sloeg hem in het gezicht.  Piep.... krak....piep... krak... piep... Hij spitste zijn oren: er hing een metalen kooi, droevig heen en weer te schommelen in de wind. In de kooi lagen de restanten van de laatste pechvogel, die er duidelijk langzaam in was vergaan. Elion wierp een opgejaagde blik naar het luik.  'Sorry maat,' fluisterde hij. Hij klom op de muur, balanceerde op de houten balk waar de kooi met ringen aan was vastgemaakt en ging boven op de kooi zitten. De wind rukte aan zijn vel. Hij zette zich schrap, bestudeerde de ringen en besloot dat die hem wel zouden houden. Hij bond zijn touw rond de spijlen van de kooi, trok zijn handschoenen weer aan en sloeg zijn voeten rond het touw. 'Hier gaan we.' Hij gleed langzaam naar beneden, voorbij de dievenkooi, waar een schedel hem stomverbaasd aangaapte. 'Dief!'  Hij keek als gestoken op. Het zweet gutste van zijn gezicht en vermengde zich met de regen tot zijn ogen prikten van het water, maar niet voordat hij de donkere figuur boven op de muur had gezien. Hij schatte de afstand tot de grond en besloot dat het niks uitmaakte, hij stortte liever te pletter dan te eindigen op de snijtafel. Hij liet los en landde onhandig op zijn voeten waarbij de zompige bodem gelukkig de grootste klap opving.  'DIEF!' Elion vloog ervandoor, het Kleurloze Domein over, dwars door beekjes en velden zonder zich echt te bekommeren om zoiets onbenulligs als richting. Hij sprong over een grachtje, schatte de afstand verkeerd in waardoor hij pardoes op zijn rug in de modder belandde. 'Jakkes!' Elion spoog de drek uit. Hij onderschepte zijn muts, die als een dood diertje ronddobberde en gebruikte hem om zijn ogen uit te wrijven. 'Mijn rugzak!' Elion kroop op handen en knieën door het beekje en tastte blind in het rond. 'Waar is die rugzak?' Hij ploeterde nerveus rond en vond de rugzak wat verderop, dobberend tegen de rand. Hij kreunde van opluchting, hij kon en mocht Cornélia niet onder ogen komen zonder buit. Elion frunnikte nerveus met de slotjes. Hij tuurde in de rugzak: de schedel lachte hem toe, veilig in zijn nestje van Elions trui. Die had het duidelijk naar zijn zin.  'O goeie genade, doe dat nooit meer.' Elion keek de schedel bestraffend aan en snoerde de rugzak stevig dicht. Hij klauterde uit het beekje, druipend tot en met. Elion trok met een zucht zijn shirt uit en wrong die goed uit. De regen beukte nu op hem neer. Hij staarde dwaas naar het natte shirt en trok het huiverend weer aan. Hij was verkleumd tot op het bot. 'Waar ben je mee bezig, het regent, idioot, het wordt zo weer nat.' De hoofdpijn knetterde aan de binnenkant van zijn schedel. Hij drukte behoedzaam tegen de jaap achter zijn oor en keek beteuterd naar het bloed aan zijn vingertoppen. 'Ik heb koud,' klaagde hij, tegen niemand in het bijzonder. 'Waarom regent het nooit met lekker warm water?' 'Ik zal het navragen.' Hij dook pijlsnel in elkaar, speurde de omgeving af maar het was onmogelijk om scherp te zien.  'Wie is daar?' Hij schraapte zijn keel, verjoeg de kikker die er zat en vroeg het nogmaals, op vastere toon. 'Warme regen, leuk idee, ik zal het navragen,' herhaalde het stemmetje vrolijk.  Elion grabbelde naar de rugzak.  'Niet weggaan, dief. Bezoek is hier zeldzaam. En je bent leuk om naar te kijken als je jouw shirt uittrekt. Doe nog eens.' Elion verslikte zich, zijn angst maakte plaats voor het gevoel dat hij in het ootje werd genomen.  'Ik heb een afspraak.' Hij toverde een glimlach op zijn gezicht, als hij dan toch communiceerde met onzichtbare of niet aanwezige aanwezigheden, kon hij beter vriendelijk voor de dag komen. Hij zou zweren dat hij iemand diep hoorde zuchten, van dat zwijmelend zuchten. Zijn wantrouwen groeide. 'Niemand verlaat de Put, schatje,' gniffelde de wind. 'Toch niet in één geheel. Volk of mens?' 'Euhm... ik wist niet dat er opties waren.' De vraag zorgde voor een kortsluiting in zijn brein. 'Natuurlijk wel. We krijgen hier van soorten. Je ziet er Volk uit, ik herken de huidskleur en dan dat rode haar, zo grappig. Heeft al het Volk rood haar of alleen jij?' 'Euh...' Elion trok verlegen aan een lok die vanonder zijn muts kwam gekropen. 'Er zullen er nog wel zijn.' 'Ben je hier uit de buurt, zoals die andere?'  'Nee, niet echt. Luister... wacht even, welke andere?' Elion wreef ruw over zijn gezicht om alert te blijven. 'Bedoel je de concurrent, want die is nog binnen. Zal wel dood zijn intussen.' Alle haartjes op zijn lijf stonden overeind. Hij slikte moeilijk en negeerde het beeld dat zich ongevraagd aan hem opdrong. 'Niet mijn schuld, toch?' 'Dacht ik al,' ging het onverstoorbaar verder, zonder zich iets aan te trekken van Elions gebrabbel. 'Je bent een beetje klein en mager voor een Trappendaler. Die dwalen hier de laatste tijd regelmatig rond. Maar jou heb ik nog nooit gezien. Ben je nieuw?' 'Nee, ik ken de weg. Ik laat me meestal niet zien,' bromde hij. Hij rechtte zijn rug in een poging er enkele centimeters bij te doen. 'Vandaag is gewoon geen goede dag. Ik ben geen Trappendaler dus mag ik nu gaan?' 'O, natuurlijk niet,' lachte het stemmetje. 'Je bent er pas...' (Wordt vervolgd, anderhalve pagina per keer)

Kat.
14 2

5. Het Kleurloze Kasteel.

En hoewel hij, volgens de verhalen en getuigenissen een drukbezet spook was, had Elion nog nooit zijn pad gekruist. Hij gleed van de stoel en sloop geluidloos naar de hoge, robuuste vitrinekast. Ze stond plompverloren in het midden van de zaal. De opdracht was simpel: kast openbreken, ding ophalen, kast afsluiten, wegwezen en pakje afleveren op de ontmoetingsplek. Hij slenterde met een kennersoog rond de kast en viste zijn spullen uit de rugzak.  De vlameik verspreidde nog steeds een aangename gloed wat hem genoeg licht bezorgde, iets waar Elion bijzonder dankbaar voor was. Hij knipoogde naar de stoel voordat hij zich op het slot toelegde. Zijn vingers zochten naar de handtekening van de smid. Elion kende zijn sloten: het was vakliteratuur en hij was dol op de puzzels. Hij wiste het zweet uit zijn ogen en zette zich aan het werk: hier was hij goed in, glimlachte hij bij zichzelf. Maar hij slaakte een zucht van opluchting toen het slot openklikte, hij brak al jaren in en voor het eerst besloop hem het bijzonder onaangename gevoel dat hij niet alleen was. Hij gluurde snel over zijn schouder waar hij min of meer de concurrent verwachtte. 'Waar is die gast gebleven?' Hij veegde zijn bezwete handen af aan zijn broek. De kastdeuren waren zwaar: donker glas in loden kaders. 'O, dat is onverwachts,' fluisterde hij, met een vriendschappelijk blik op de vlameik. 'Kijk eens aan.'  Op iedere plank stonden er een aantal schedels keurig uitgestald, ze staarden hem aan met hun lege kassen, de ene hoopvol, de ander vol verwijt. 'De derde op de derde schap is mijn opdracht.' Zijn vingertoppen lieten smerige, bloederige afdrukken na op het witte bot. 'Sorry daarvoor, ik ben Elion. Ik breng je naar huis.' Hij trok zijn trui uit, wikkelde de schedel er stevig in en stopte het pakje in zijn rugzak. Daarna sloot hij de kast weer af. 'Tot later. Licht me nog even bij tot ik weg ben, goed?' Hij salueerde naar de stoel, raapte het gevallen touw op en propte dat eveneens in zijn ruzak. Daarna koos hij dezelfde richting als waarin Niet Aanwezige Serafijn was verdwenen. Elion begon te rennen, zijn innerlijk klok vertelde hem, nogal opdringerig, dat zijn tijd erop zat. 'Dief!' De muren kraakten onder de brul. Elions hart sprong tot in zijn keel. De angst gierde door zijn lijf. Het stuwde hem vooruit, langs de vlameik, dieper de donkere buik van het Kasteel in waar licht een onbekend fenomeen was. De duisternis was compleet. Hij vloog, met bonkende hoofdpijn, door gangen en kleine kamers en struikelde over de gebarsten tegels. Hij belandde plat op zijn buik op de grond, vervloekte alle tegelleggers en krabbelde overeind. Hij was zijn richting kwijt. Er was alleen zwart, de geur van stof en zijn eigen dreunende hartslag. Elion aarzelde slechts één tel. KNIP De knetter sputterde onwillig. Daar in de hoek van de nauwe gang waarin hij gestrand was, zat een deur. Of er had een deur gezeten, er bleven slechts enkele planken over. Elion kreunde van opluchting en koos zonder aarzelen voor het ongastvrije deurgat. Hij gooide zijn rugzak over één schouder en sloeg er beschermend zijn armen omheen. Als de buit brak, kon hij zijn geld wel vergeten. Dief! Het rolde als een donderslag langs de muren. Elion kromp in elkaar toen het geluid hem bereikte. Het sloeg letterlijk de lucht uit zijn lijf. Hij schopte tegen de losse planken en wurmde zich door het gat. De lucht rook vochtig en zuur. Elion ademde zwaar, het zweet droop van zijn gezicht en prikte in zijn ogen. Hij gluurde, vanuit zijn plekje achter de deur. Er was niks te zien. 'Rustig maar,' prevelde hij, met zijn ene hand op zijn borst gedrukt. Zijn hart ging wild tekeer.  Hij haalde het plan van het Kasteel voor de geest en kwam tot de conclusie dat hij in één van de wachttorens stond. Hij holde de trap op, het was een eindeloze stenen draaitrap. De wanden en onregelmatige treden waren begroeid met weelderige klimplanten. Hij vocht zichzelf een weg naar boven, grommend van inspanning en frustratie toen zijn voet voor de zoveelste maal bleef hangen. 'Uit mijn weg,' siste hij nijdig. De plant had er geen oren naar: hoe hoger hij klom, hoe moeilijker het werd. Eénmaal boven wachtte hem een grote ontgoocheling: de trap eindigde zo goed als tegen het houten plafond. Er was geen uitweg. 'Getver!' Elion keek in paniek rond. Zijn knetter vulde de ruimte rond de bovenste treden. Hij spitste zijn oren: het regende buiten, hij hoorde het zachte tikken, vlak boven zijn hoofd. Elion hief zijn hoofd op en grijnsde breed. Boven hem sloten de oude, rotte planken niet zo goed aan. Hij volgde met zijn vingers de groeven tussen het hout en begon te wrikken maar hield daar al snel mee op. Hij spitste zijn oren. Onder hem klonken lichte, snelle voetstappen. Iemand rende de trap op, ongehinderd door welke plant dan ook. Elion hield zich doodstil. Zijn ogen flitsten over de trap waarop hij koortsachtig aan de planken begon te sjorren. ´Komaan, komaan...´ smeekte hij wanhopig. 'Dief!' Elions keel snoerde dicht van angst: Azamerik was, zo had hij in Tras gelezen, verzot op de laatste hartklop van een door Energie doordrenkt hart. Elions hart was nu vooral doordrongen van paniek, wat waarschijnlijk ook heerlijk smaakte voor een hongerig spook. 'Ik heb daar geen zin in,' fluisterde hij tegen Niet Aanwezige Serafijn, die nonchalant met zijn handen in zijn zakken, tegen de muur geleund stond.  'Dan zorg je beter dat je wegkomt, lief,' glimlachte hij. 'Ze komt eraan.' (Wordt vervolgd)

Kat.
9 1

4. Het Kleurloze Kasteel.

Elion lachte breed: 'Ik doe die klim al jaren, ik val niet.' 'Goed, je kreeg wat hulp maar dat is mijn punt niet. Je kunt niet doodgaan op deze plek. Buiten wacht de Put op jou en eerlijk,' Serafijn kwam soepel overeind en kuste hem. 'Ik zal het niet waarderen als één of andere samengestelde kerel jouw lichaam verminkt omdat die nood heeft aan een nieuwe navel of linkerhand. Ik ben op beide lichaamsdelen gesteld.' Elions wenkbrauwen schoten verbaasd de hoogte in. Hij had nog niet aan de Put gedacht. Hij keek Serafijn meewarig aan. 'De Put bestaat niet meer,' zei hij op belerende toon. 'Er worden echt geen lichamen meer gedumpt. Heb jij niet opgelet in de les?' 'Wat ben jij toch naïef, best charmant maar een gevaarlijke combinatie met jouw levensstijl, jongen.' Er speelde een glimlach rond Serafijns mond. 'Niemand zal je terugvinden als Azamerik jouw lijk in dat massagraf dropt. Hou je ogen open, lief, de huisspoken roeren zich. Wel, ik moet nu weg en jij hebt trouwens een taak te volbrengen.' 'Weg? Kan je niet blijven? Je kunt niet in onheilspellende raadsels uitbarsten en dan verdwijnen,' piepte Elion nerveus. 'Toch wel, wees voorzichtig, ik verwacht je thuis deze avond. Liefst in één geheel.' Serafijn slenterde de ruimte in, door een oude, scheefhangende deur in de hoek van de zaal. Elion keek hem wazig na. De pijn bonkte, recht in het midden van zijn schedel. 'Auw.' Hij kwam enkele tellen later bij, languit op de koude tegels van het Kleurloze Kasteel, verstrengeld met zijn touw. Hij rook bloed en tastte voorzichtig aan de pijnlijk schrijnende bult, net achter zijn oor. 'Auw,' kermde hij nogmaals, voor de zekerheid. Er zat bloed aan zijn vingers, er zat bloed in zijn hals en op zijn trui maar hij leefde, al de rest was bijzaak. Hij zocht zijn muts in zijn rugzak en schoof die behoedzaam over zijn gekneusde hoofd. Egga zou hem wel oplappen. Elion kroop overeind, de wereld deinde op en neer en hij stak zijn hand uit, op zoek naar houvast. Hij vond het, in de vorm van een stevig aanvoelend stuk hout. Het spon als een tevreden das onder zijn aanraking. Zijn handen gleden onzeker over het hout, tot hij de vorm herkende. Stoel, het was een stoel. 'Wie zet die hier nu ook in het midden, dat is toch geen plek,' mompelde hij. De stoel knorde zachtjes. Elions mond viel open van ongeloof toen de nerven in het hout vurig oplichtten. Hij schoof onzeker achteruit, spiedde links en rechts op zoek naar de niet aanwezige Serafijn die zou verkondigen dat dit ook niet echt was. Geen Serafijn. Elion kon het niet laten, hij stak zijn hand uit en legde die op het zitvlak. Hij had hitte verwacht, een steekvlam of iets in de die aard maar er gebeurde niks, op het zachte, vriendelijke snorren van het hout na. 'Vlameik,' prevelde hij, zwaar onder de indruk. Levende vlameik bestond al eeuwen niet meer, zo had hij toch op school geleerd. Zijn gezicht bloeide open in een brede lach. 'Zo mooi.' Hij spoog op zijn shirt en probeerde met het natte hoekje de bloedvlekken die zijn vingers hadden achtergelaten weg te schrobben. Hij maakte het alleen maar erger en keek nerveus naar de vegen op het hout. Hij zette behoedzaam een stapje dichterbij en drukte zijn oor tegen het hout. Het ronkte.Het snorde. Het fluisterde zijn naam, hij wist het zeker. De stoel zat heerlijk comfortabel, de nerven in het hout gloeiden en het voelde als een warm bad na een zware dag. Elion zakte onderuit, nestelde zich tegen de leuning en... Hé, niet slapen, lief, je hebt nog zeven minuten, steek er wat vaart achter.' Niet Aanwezige Serafijn zat onaangekondigd op de armleuning van de stoel. Elion schonk hem een duistere blik. 'Juist. Kast zoeken, slot kraken, ding ophalen en wegwezen. Ik heb hoofdpijn,' klaagde hij. Hij sloot een poosje zijn ogen om er aan te ontsnappen. 'Elion!' Hij kon zich niet meer herinneren dat hij was gaan zitten. Hij sperde geschrokken zijn ogen wijd open en keek op, plots op zijn hoede. Hoog in de nok van het dak, onzichtbaar in de duisternis, lag de balk. Iemand had geprobeerd hem te vermoorden. En die iemand liep hier hoogstwaarschijnlijk ook nog ergens rond. 'Gestoorde gek,' mompelde Elion, nog steeds verontwaardigd. Het was nog nooit bij hem opgekomen om de concurrentie uit de weg te ruimen. Hij ging rechtop zitten en keek aandachtig rond. De Grote zaal was bijzonder sober ingericht om een Grote zaal te zijn. Het Kleurloze kasteel was, volgens Tras, het laatste wisselkind, de handleiding voor dieven en smokkelaars, het meest drukbespookte spookkasteel ter wereld. De schrijver had natuurlijk geen enkel woord neergepend over hoe je moest omgaan met die spoken. Elion schoof de gedachten aan de laatste kasteelheer resoluut aan de kant: Azamerik de Boze was op nogal bloederige wijze aan zijn einde gekomen, meerdere malen, zo vertelden de naslagwerken. En hoewel hij, volgens de verhalen en getuigenissen een drukbezet spook was, had Elion nog nooit zijn pad gekruist...   (Wordt vervolgd)

Kat.
3 1

3. Het Kleurloze Kasteel

Knip De knetter, zijn vorm van Energie verlichtte nauwelijks één donkere hoek maar dat was meer dan genoeg. Hij keek op, wreef stevig in zijn ogen maar het beeld veranderde niet: pal boven hem, recht op de balk, precies op de plek waar hij enkele hartslagen eerder had gezeten, wiegden twee voeten heen en weer. Het drong bijzonder snel tot hem door: concurrentie!   En hij hing meters boven de grond, in een bijzonder nadelige positie. Elion sloeg zijn benen rond het touw en begon verwoed te klimmen.  'Hé! Blijf van dat touw... Waaaaa!' Hij zakte prompt nog eens een meter naar omlaag en het koude zweet brak hem uit. Wie het ook was, was overeind gekomen en leunde nonchalant tegen de pilaar, een diepe kap hulde het gezicht in duisternis. 'Komaan, we kunnen de buit gewoon verdelen, ik neem niks mee, ik heb een specifieke opdracht. Wat beneden ligt, is voor jou,' zei Elion zo rustig mogelijk. '….isssssssssss al van mij,' sliste de stem. 'Wat?' Hij zette zich schrap. 'Als je ook voor De Liga werkt, dan kunnen we wel iets... Oooooo!' Hij zakte nog eens een halve meter waarop zijn gegil beantwoord werd met een zacht, gemeen gniffelen. Elion dwong zichzelf tot kalmte en stuurde de knetter naar beneden. De grond was nog heel ver weg. De figuur op de balk, Elion kon onmogelijk zien of het een man of een vrouw was, hield het touw moeiteloos in één hand. 'Komaan, we kunnen toch iets regelen? Dit is nergens voor nodig,' smeekte hij wanhopig. 'Laat me alsjeblief niet... Aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaahhhhhhhh!' Elion viel met een ijzingwekkende kreet de duisternis in. Hij smakte hard tegen een meubelstuk voordat hij de grond raakte. De pijn schoot door zijn schouder en hoofd alvorens het zich verspreidde in zijn hele lijf. Witheet en aan een rotvaart. Hij hoorde ergens iemand jammeren, het was een bijzonder triestig geluidje dat hem vaag deed denken aan de verloren gelopen pup van een donkerdas. Hij had het beestje in zijn trui gewikkeld. Cornélia had het daarna in een emmer verdronken. Zo klonk het. Zo klonk hij, besefte Elion en hij klemde zijn kaken op elkaar. Zijn knetter doofde uit.  'Auw.' Hij hees zich op zijn knieën overeind en wreef in zijn ogen. Het was aardedonker.  'Smeerlap! Lafaard! Laat jouw gezicht zien, klootzak! Ik had wel dood kunnen zijn!' brulde hij boos naar boven, ziekelijk opgelucht dat hij niks gebroken had. Hij bleef nog een hele poos razen en schreeuwen, tot zijn handen ophielden met trillen en kreeg toen pas aandacht voor zijn omgeving. Tot zijn grote verbazing brandde er een gezellig licht in de zaal, die netjes was aangekleed en knusjes bemeubeld. Hij zou durven zweren dat hij enkele meubelstukken herkende uit zijn favoriete kroeg. Elion kwam overeind, trok zijn overige handschoen uit en draaide een toertje rond zijn as. 'Euh, hallo? Is er hier iemand?' 'Natuurlijk niet, al eeuwen niet meer. Je bent met je hoofd tegen de stoel geslagen,' sprak een warme stem. Er zat een jongeman in kleermakerszit op het tapijt. 'O, hey. Ik wist niet...' Elion krabde verward in zijn haar. 'Ik wist niet dat jij hier ook was, Serafijn.' De jongeman schonk hem een scheef lachje waarvan Elions bloed tintelde.  'Ik ben hier niet, niet echt.' Serafijn was de barman van Elions favoriete herberg, wat hem al tot uitstekend gezelschap maakte maar minstens zo belangrijk: Elion had de eer en het genoegen om hem zijn lief te mogen noemen, tot op heden één van de betere beslissingen in zijn leven. Serafijn droeg nog steeds dezelfde kleren als gisteravond: een bijzonder goed zittend hemd, met de mouwen opgestroopt en het bovenste knoopje open. Hij zag er heel smakelijk uit, een beetje verhit, haar in de war van het zweet en met glinsterende ogen. Hij rook naar bier, de geur van de haard in De Donderklif en naar een vleugje zweet. Ook precies zoals gisterenavond.  'Ik ben in de war,' gaf Elion schoorvoetend toe. 'Wat doe jij hier?'  'Ik ben hier niet, Elion, wees redelijk. Donkere, gevaarlijke plekken zijn meer jouw ding.' Serafijn wees naar boven. 'Je bent gevallen en van je sus gegaan. En dan droom je mij erbij, ik voel me vereerd.' Elion lachte breed: 'Ik doe die klim al jaren, ik val niet.' 'Goed, je kreeg wat hulp maar dat is mijn punt niet. Je kunt niet doodgaan op deze plek... (Wordt vervolgd...)

Kat.
11 1