Lezen

De piraat die haar portemonnee kwijt was

Jos is het liefst piraat. Piraten zijn stoer en huilen nooit. Maar vandaag rolt er een traan uit haar oog. Een traan als een parel. Jos is haar portemonnee kwijt. Ze is heel verdrietig. Hoe moet dat nu als ze boodschappen gaat doen met mama? Piraten hebben een portemonnee nodig om hun geld in te doen. ‘We kopen wel een nieuwe portemonnee op de kermis,’ zegt mama. Daar hebben ze vast kinderportemonnees!’ ‘Kermis!’ Jos springt een gat in de lucht. Ze is haar verdriet onmiddellijk vergeten. Ze is dol op de kermis. ‘Gaan we echt naar de kermis?’ Haar ogen glinsteren als twee goudstukken. Mama knikt. ‘Het is kermis op het plein waar we altijd boodschappen doen. ‘Allemachtig, waarachtig,’ roept Jos. Ze pakt wat muntjes uit haar spaarvarkentje. ‘Voor mijn nieuwe portemonnee,’ zegt ze. Na het ontbijt doet Jos haar mooiste bandana om. De zwarte met allemaal doodskoppen op. Dan pakt ze haar lievelingszwaard uit de paraplubak. Ze kijkt in de spiegel. ‘Piraat Jos is er helemaal klaar voor!’ Ze knipoogt naar haar stoere spiegelbeeld. ‘Zal ik misshien ook mijn ogenlapje opdoen?’ Haar spiegelbeeld knipoogt terug. ‘Nee, beter niet. Dan zie je niks. En dan vind je geen portemonnee!’ Jos springt achterop bij mama op de fiets. Met één hand zwaait ze met het zwaard. Met de andere hand houdt ze haar muntjes stevig vast. Gelukig maar fietst mama. Jos vindt het reuze spannend. ‘Is de kermis al in zicht?’ ‘Daar!’ Mama wijst met één hand. Met de andere hand houdt ze het stuur vast. ‘Pas op mama! Een auto!’ roept Jos. Een auto zoeft voorbij. Snel pakt mama het stuur goed vast. Jos kijkt naar de plek waar mama heeft gewezen. Maar ze ziet helemaal niks. ‘Waar dan?’ ‘Daar! Achter dat grote gebouw,’ roept mama. Deze keer laat mama het stuur niet los. Jos ziet een groot gebouw. Dat is het zwembad, waar ze zwemles heeft. Ze is dol op zwemmen. Piraten moeten goed kunnen zwemmen. Bij het zwembad, neemt mama een scherpe bocht. Dan ziet Jos een draaimolen. ‘Kermis in zicht!’ roept ze blij. Er zijn heel veel mensen en er klinkt vrolijke muziek. Mama maakt de fiets aan een paaltje vast. Zoals een kapitein zijn boot aanmeert. Jos rent naar de grote tent met autootjes en bromfietsen. Uit de luidsprekers klinkt dansmuziek. Jos danst met mama op de klanken van de muziek. Ze wiebelen met hun kont en zwaaien met hun armen. Piraten zijn dol op feest vieren. Voor even vergeet Jos haar zorgen. ‘Wil je ook op een auto?’ vraagt mama. ‘Nee, zegt Jos. Ik hou niet van auto’s, maar ik wil wel dansen.’ En ze draait rond, net als de auto’s, en ze springt een paar keer in de lucht. Dat kunnen auto’s niet! ‘Gaan we nu een portemonneetje zoeken voor mijn geld?’ vraagt ze als de muziek stopt en de kinderen uitstappen. De hele tijd heeft ze haar geld stevig vastgeklemd gehouden in haar hand. Ze is moe. Haar vingers doen pijn. Alsof ze ook hebben gedanst. ‘Goed plan,’ zegt mama en ze lopen naar een kraampje met oude spulletjes. Jos kijkt met grote ogen naar al die schatten. Jos ziet poppen zonder kleren, vazen zonder bloemen, knikkers in alle kleuren van de regenboog en nog veel meer. Maar, hoe goed ze ook kijkt, tussen de schatten is geen portemonnee. Dan vraagt mama aan de verkoopster of ze misschien een portemonnee heeft. ‘Het is voor mijn dochter, de piraat.’ De verkoopster glimlacht naar Jos en zoekt tussen de spullen. ‘Hier heb ik er één, zegt ze alsof ze een schat heeft opgegraven. Maar dan kijkt ze sip. ‘Oh, nee, het is geen portemonnee, maar een brillenkoker! Ik moet hoognodig een bril!’ Ze doet de brillenkoker open. Hij is leeg. ‘Maar hier heb ik wel een pistool!’ De vrouw pakt een groene, plastic waterpistool.’ ‘Ik heb al een zwaard,’ zegt Jos. En ze zwaait met haar houten zwaard. ‘Jammer dan,’ zegt de vrouw. Jos en mama lopen naar de volgende kraam. ‘Hier hebben ze geen portemonnee, alleen enge foto’s van de boze wolf,’ zegt Jos. Ze wijst naar de platen die als de was aan een waslijn hangen. ‘Dat is niet de boze wolf, maar een hele grote hond, zegt mama die naar de grootste plaat wijst. ‘Voor de grote hond hoef je niet bang te zijn,’ zegt de verkoopster. ‘Ik ben nergens bang voor. Ik ben een piraat,’ zegt Jos en ze zwaait met haar zwaard. De vrouw frost met haar voorhoofd. ‘Maar je moet juist bang zijn! Kijk, er staat: pas op voor de hond!’ zegt ze tegen Jos. ‘Vallen ze mensen aan?’ vraagt Jos. ‘Ze blaffen als ze een dief zien. Die platen zijn om dieven weg te jagen.’ ‘Ik ben niet bang voor dieven!’ zegt Jos. ‘Als een dief bij ons komt, jaag ik hem weg, hé mama?’ Mama knikt. ‘Piraten zijn niet bang voor dieven! Ook als ze geen hond hebben.’ Jos zwaait naar de boze honden met haar zwaard! ‘Ik ben nergens bang voor! Ook niet voor dieven!’ Plots ziet Jos een lachende matroos op een raam. Hij houdt het stuur van een schip vast en knipoogt naar haar. ‘Kijk, de winkel met de matroos,’ zegt Jos. ‘Misschien hebben ze daar een portemonnee!’ Mama slaat zichzelf op het voorhoofd. ‘Wat slim van je!’ ‘Kom we gaan daar naar toe,’ zegt Jos. Mama tikt met haar hand tegen haar slaap: ‘Ajaj piraat!’ Jos glundert. Ze is blij dat ze haar ooglapje thuis heeft gelaten. Anders had ze de matroos misshien niet gezien. Nu moeten ze toch snel een portemonneetje vinden. Want ze heeft kramp in haar hand van de hele tijd het geld vasthouden. Ze geeft geen kik. Echte piraten houden zich sterk. Altijd. Maar ze is het wel zat. Ze stappen de winkel van de matroos binnen. Mama vraagt aan de verkoopster: verkopen jullie ook portemonnees? De verkoopster knikt en loopt met Jos en mama naar achteren. Daar doet ze een grote doos open. Het lijkt wel een verborgen schat. Ze haalt er een portemonnee uit. Ze doet de portemonnee open. Maar dan roept ze teleurgesteld: Oh, nee, het is geen portemonnee! Het is een pennenkoker! Sorry, we hebben alleen pennenkokers. Teleurgesteld lopen mama en Jos de winkel uit. Jos kijkt sip naar de matroos. Hij knipoogt naar haar. Alsof hij wil zeggen: Niet verdrietig zijn. Blijven zoeken! Zeelui geven nooit op! Je zult gauw een portemonnee vinden. Jos geeft stiekem een knipoog terug. ‘Ik zal niet opgeven!’ mompelt ze tegen de matroos. ‘Echte piraten geven nooit op!’ Mama zucht. ‘Ik had niet gedacht dat het zo moeilijk zou zijn om een portemonneetje te vinden,’ zegt ze. ‘Wat nu?’ Jos’ vingers zijn stijf en verkrampt. Ze houdt het geld stevig vast in haar handpalm. Ze is bang dat ze haar geld zal verliezen. Maar veel langer moet het niet duren. Ze moeten nu snel een portemonnee vinden. Een hand is niet gemaakt om geld in te bewaren. Een jaszak of broekzak wel, maar die heeft ze niet. Anders had ze daar haar geld wel in gestopt. Straks valt het geld uit haar hand. Het geld geven aan mama wil ze ook niet. Het is haar geld. Ze wil het zelf bewaren. Het is haar schat. Dan komen ze bij een draaimolen. Jos houdt niet van auto’s, maar wel van fietsen. Ze wil heel graag op de fiets van de draaimolen. Maar met het geld in haar hand kan ze het stuur van de fiets niet vasthouden. Haar muntjes zullen één voor één op de grond vallen. En fietsen met één hand zoals mama of zelfs zonder handen zoals de buurjongen, dat is niet slim. Dat is heel gevaarlijk! Het bewijs: De buurjongen heeft al een keer zijn arm gebroken. Ze wil geen piraat worden met een houten arm of been. ‘Stop het geld dan toch in je broekzak,’ zegt mama. Maar Jos heeft een zwarte joggingbroek aan en die heeft geen zakken. Ze heeft nu spijt dat ze geen andere broek heeft aangetrokken. Een broek met zakken. Ook al zit die minder lekker. En ziet die er minder stoer uit. ‘Mijn broek is zakloos,’ bromt Jos tegen mama. ‘Zakloos?’ Mama moet lachen. Jos vindt het helemaal niet grappig. Ze kijkt nors. ‘Wil je dan misschien touwtje trekken,’ vraagt mama lief. Ze wijst naar een kraam waar je touwtje kan trekken. ‘Ja!’ Dat wil Jos wel! Mama zet Jos op de brede toonbank. Jos legt het zwaard naast zich neer. Terwijl Jos naar de enorme bos touwen kijkt, geeft mama wat geld aan de vrouw van de kraam. ‘Je mag maar een touwtje trekken,’ zegt de kraamvrouw streng. Jos tuurt naar de kluwen touwen en denkt: Maar een touwtje? Oei, dat is moeilijk. Er zijn zoveel touwtjes. Hoe weet ik welke ik moet trekken? Alle touwtjes lijken op elkaar. Ze komen allemaal bij elkaar in één grote lus. Aan de lus hangt een grote staart. De staart ligt als een hondenstaart op de toonbank. Gelukkig zonder hond. Een hond die dieven moet wegjagen. Jos ademt diep in, legt haar geld in een hoopje naast haar zwaard. Dan trekt ze aan een touwtje boven de lus. ‘Goed gedaan,’ klapt mama in haar handen De vrouw van de kraam pakt het touw en trekt er hard aan. De prijs springt als een kikker omhoog. ‘Je hebt een tamboerijn gewonnen!’ zegt de kraamvrouw. Ze maakt de tamboerijn los en geeft hem aan Jos. Jos slaat met de palm van haar hand op de tamboerijn. De belletjes aan de zijkant rinkelen. Ze lacht. Ze is blij met haar nieuwe schat. Maar dan komt een ander meisje met haar moeder langs de kraam. Het meisje ziet Jos muziek maken met haar tamboerijn. ‘Ik wil ook touwtje trekken,’ zeurt ze tegen haar moeder. Die wordt nooit piraat, denkt Jos. De moeder zet het meisje op de toonbank. Naast Jos. ‘Je mag drie keer trekken! zegt de moeder toegefelijk tegen het meisje. Het meisje trekt niet één, niet twee, maar wel drie keer. Ze wint niet één, niet twee, maar wel drie schatten. Er gebeurt er iets geks. Jos kan haar ogen niet geloven. Aan het derde touw bungelt een roze portemonnee. ‘Die had jij moeten winnen,’ zegt mama verbaasd. Jos trekt haar schouders op. Ze zegt: De portemonnee is van het meisje. Het tamboerijntje is van mij. Ik hoef het geld niet meer. Aan mijn tamboerijn zitten muntjes die muziek maken. Dat is veel leuker dan echt geld. Ze legt haar losse muntjes in de tamboerijn en geeft het geld als op een schaaltje, aan mama. ‘De muntjes mag jij hebben,’ zegt ze. ‘Omdat ik aan het touw mocht trekken.’ Mama pakt de muntjes. ‘Bedankt! Je bent de liefste  piraat van de wereld!’ Haar ogen glinsteren. ‘Weet je wat! Met het geld trakteer ik je op iets lekkers!’ Dat laat mama zich geen twee keer zeggen. Ze zet Jos op de grond. ‘Wat eten piraten?’ ‘Broodje haring,’ zegt Jos. Ze is dol op haring. ‘Met heel veel uitjes…’ ‘Goed plan!’ Ze gaan naar de visboer en eten een broodje haring. Als ze klaar zijn, likt Jos haar vingers af. Dan trommelt Jos op haar tamboerijn en mama doet mee met haar portemonnee. De visboer lacht. Als ze naar huis fietsen, geeft Jos de zeeman op het raam nog snel een knipoog. Bedankt zeeman! Dankzij jou heb ik een prachtige schat gevonden. Als ik groot ben word ik een beroemde piraat en vind ik nog veel meer schatten. Ik ga heel veel oefenen. En ze zwaait met haar zwaard in de lucht. ‘Enteren!’ roept ze tegen mama als die het kruispunt over fietst. Door oranje. En een stukje door rood. ‘Mama! Niet zo gevaarlijk doen!’ roept Jos.  

Margaretha Juta
0 0
Tip

Ribbedebiewoep

Binnenkijken Doe jij dat ooit? Bij mensen naar binnen kijken? In hun huis? ‘s Avonds bijvoorbeeld, als je met je ouders en met de hond nog een stukje gaat wandelen.  Zeker in de winter geeft je dat een warm gevoel. Het stadje Peperbus lijkt wel gemaakt om bij de huizen naar binnen te gluren. Heel wat huizen hebben een trap aan de straatkant, waardoor je iets naar boven moet kijken om in de woonkamer te kijken. Op de een of andere manier stralen die huizen en woonkamers een gezellige warmte uit. Je ziet er de mensen samen aan tafel zitten voor het avondeten. Of ze zitten bij de open haard. Met een boek of met de krant. Of ze kijken naar tv. Allemaal tegelijk op de bank. In al die huizen lijkt het wel hemels warm. Dat is het ook in het huis van Robin, waar hij samen met zijn mama en papa woont. Laten we maar even naar binnen kijken. Papiertjes Robin zit in een hoekje van de woonkamer. Het is een gewone huiskamer met een tv die niet aanstaat, een salontafeltje en een grote bank.  Zijn mama Tamara staat in de keuken. Ze is nog wat aan het rommelen. Davy, de papa van Robin, leest de krant aan de keukentafel. “Sssst”, zegt Tamara tegen Davy. Wat raar is, want hij zegt helemaal niets. “Robin zegt iets. Hoor jij wat hij zegt?" "Och, hij is gewoon wat aan het spelen", antwoordt Davy. "Zeg, moet je hier horen wat de minister …" "Nee, ssst, effe. Hij zegt precies van die rare woorden.” "Och, dat doen de ministers ook. En die staan ermee zelfs in de krant", knipoogt Davy. "Ik ga even kijken", zegt Tamara en ze loopt op haar tenen naar de woonkamer. Ze kijkt heel voorzichtig om de hoek van de keuken met de woonkamer, net zoals iemand doet die verstoppertje speelt. Robin zit met allerlei papiertjes voor zich op de grond, net voor de bank. Hij schuift met de papiertjes heen en weer, legt ze tegen elkaar en schuift ze daarna terug uiteen, bijna alsof hij een puzzel maakt. "Toch even dichterbij gaan luisteren", zegt ze bij zichzelf en ze kruipt op haar knieën tot achter de bank.  “Poetpriet, proetproet, woepprot, poertroet, ribbedebiewoep”, hoorde ze Robin zeggen. Bij dat laatste woord neemt hij een nieuw papiertje en hij schrijft daar iets op. Geen spelletje Tamara kruipt op haar knieën terug naar de keuken tot bij papa. Hij kijkt naar beneden en begint te lachen. “Wat nu? Is er iets in je rug geschoten? Of denk je dat er ergens geld ligt? Hahahaha.” “Sssst toch. Dadelijk hoort hij ons. Robin zegt heel rare woorden. Hoor je het? Nu zegt hij het opnieuw. Ribbedebiewoep. Wat is in hemelsnaam ribbedebiewoep?” Tamara staat ondertussen terug recht. “Ik ga toch even bellen naar de mama van Marieke, zijn vriendinnetje. Hij zit in het vierde leerjaar. Hij is al bijna 10 jaar, toch geen peuter meer.” “Je moet niet zo hard van stapel lopen”, zegt Davy. “Het is wellicht een of ander spelletje.” Maar als we ook zouden binnenkijken bij Marieke, krijgen we daar hetzelfde tafereel te zien. Ze zit in de woonkamer en zegt woorden als “Trafipoeps” en “Trommelstopper”. De mama en papa van Marieke staan erbij en kijken ernaar.  Ook bij Mehmet is het krek hetzelfde. Net als bij Greetje, Anna, Ali en Jimmy. Alle kinderen van de klas spreken onverstaanbare woorden en de ouders weten niet wat te doen. Het lijkt wel alsof ze allemaal zijn getroffen door een epidemie waarbij alle gewone woorden zijn verdwenen. Het gaat elke dag van kwaad naar erger. De kinderen blijven rare woorden zeggen en ze weigeren te zeggen wat ze betekenen als hun ouders het vragen.  De ouders zijn ongerust en worden zelfs een beetje boos op de school. Ze moeten die woorden toch ergens vandaan hebben gehaald? De mama van Robin zegt zelfs dat ze spijt heeft dat ze Robin naar de school ‘Veerkracht’ heeft gestuurd. Er zijn immers nog scholen in Peperbus. Enkele mama’s en papa’s steken de hoofden bij elkaar en besluiten naar de school te stappen. Maar zowel bij juf Sandra als bij de directeur van ‘Veerkracht’ krijgen ze geen gehoor. “We hebben op dit moment hiervoor geen tijd. Het heeft geen zin dat jullie zich zorgen maken.” Dat is hun antwoord. Dat korte antwoord maakt het nog erger. Daarom vraagt Tamara aan haar man om er een stukje over te schrijven in de krant. Maar ook hij heeft er nog steeds geen oren naar.  “Ik zei het toch. Het is wellicht een spelletje. Laat die kinderen toch doen”, zegt hij. Verlegen De mama van Robin is vooral ongerust omdat ze weet dat Robin enorm verlegen is. Ze heeft er samen met haar man de juf al eens op aangesproken.  Als je Robin zo ziet zitten, kan je er niets aan zien. Gewoon een jongen van 10 jaar die vrolijk speelt. Een jongen die thuis honderduit vertelt over zijn avonturen in de klas en op school. Daarom vindt zijn mama het zo onbegrijpelijk dat hij in de klas niet uit zijn woorden komt. Thuis stromen de zinnen en woorden eruit, net zoals het water van een waterval.   Maar dat is wellicht de reden. In de school kropt hij ze op, zodat ze er thuis uitvloeien. Zijn mama denkt dat hij zich dan voelt zoals een vulkaan die op uitbarsten staat. In de klas vindt Robin het verschrikkelijk. Je kan dan niet gewoon maar zitten en luisteren. Soms moet je aan het bord komen en een antwoord op de vraag van de juf geven. Alleen bij zijn goede vrienden en vriendinnen heeft hij het niet. Bij hen is hij niet verlegen. Hij weet ook niet waar die verlegenheid vandaan komt. Net daarom vindt hij het zo erg. Hij vindt er zelf geen oplossing voor en blijkbaar kan niemand hem helpen. In de klas hoopt hij altijd dat de juf hem niet aanduidt om aan het bord een oefening te maken. Dan kijkt hij naar beneden en doet hij alsof hij iets op een blad schrijft. “Kies iemand anders. Kies iemand anders. Kies iemand anders”, fluistert hij dan bijna onhoorbaar.  Maar dat helpt natuurlijk niet. “Robin, je moet niet doen alsof je mij niet hebt gehoord”, zegt de juf. “Leg die pen maar neer en kom naar het bord. Er is geen enkele reden om zo verlegen te zijn.” Dit maakt het voor Robin nog erger. Hij zit dan met een soort van steen in zijn maag waardoor het lijkt alsof die steen zijn stem blokkeert. En dan begint hij altijd te blozen, waardoor ook de anderen het zien. Hij krijgt een hoofd zo rood een tomaat, zo rood als de truitjes van zijn favoriete voetbalclub, zo rood als bloed. Alles wat je maar kan bedenken dat rood is. En dan wordt het nog erger en erger.  “Och, ik moest vroeger ook altijd blozen”, heeft zijn papa ooit gezegd. “Daar groei je wel uit. Het heeft er mee te maken dat er op dat moment te veel bloed naar jouw hoofd stroomt”.  Bloed of niet, Robin vindt het verschrikkelijk. “Ik durfde in de klas ook niet naar het bord te komen. Maar kijk nu. Ik moet ooit lezingen geven over mijn werk bij de krant. Dan sta ik voor een groep van vijftig mensen. Of voor niemand, dat is ook al ooit gebeurd”, lacht Davy. “Ik wil maar zeggen Robin, dat komt wel goed.” Om hem van dat gevoel af te helpen hebben zijn ouders hem naar de lessen ‘Woord’ gestuurd. Dat is een afdeling bij de kunstacademie waar kinderen gedichten voordragen of toneel spelen. Volgens zijn ouders is het iets voor hem, omdat hij toch graag boeken leest en hij vindt het altijd zeer leuk als mama of papa hem ’s avond voorlazen.  Als hij op het podium een gedicht moet voordragen, zou dat kunnen helpen om van zijn verlegenheid af te geraken. Dat is het idee.  Maar die lessen ‘Woord’ maken het alleen maar erger voor Robin. Die juf roept om de haverklap iemand naar voor om iets voor te dragen. Dan krijgt Robin buikpijn en weet hij niet waar kruipen met zijn rood hoofd.  “Het is gewoon wat podiumangst”, zegt de juf. “Daar helpen we je wel vanaf. Hoe meer je dit doet, hoe sneller je er vanaf bent.” Maar het werkt voor geen meter.  Protest Omdat Robin in de woonkamer van die rare woorden blijft zeggen wordt zijn mama alsmaar ongeruster. Elke avond zit hij met de papiertjes te schuiven en leest hij de gekke woorden op zijn papiertjes luidop voor. “Ribbedebiewoep” zit er telkens tussen. De andere gekke woorden wijzigen telkens.  Davy blijft zeggen dat het een spelletje is.  Maar de mama van Robin laat zich niet zomaar afschepen. “Wat denkt juf Sandra wel. Wij sturen onze kinderen naar ‘De Veerkracht’ om hen te leren rekenen en te lezen, maar zij komen met van die gekke woorden naar huis. Dat trekt toch op niks. Wacht maar. Hier laten we het niet bij.” De boze mama’s en papa’s beleggen een vergadering en richten vervolgens een ‘Comité van bezorgde ouders’ op. Ze maken spandoeken en op een ochtend staan ze voor de schoolpoort van ‘De Veerkracht’. Ze blijven maar dezelfde leuze roepen. “Echte woorden voor onze kinderen, of wij gaan het verhinderen”.  Die leuze is natuurlijk veel te lang. Sommige van de ouders kunnen de tekst niet onthouden en daarom begrijpen de omstaanders totaal niet wat ze roepen.  Er hebben zich heel wat mensen verzameld aan de schoolpoort. Roepers en kijkers. Ze blijven er een hele week staan. ’ In de tussentijd gaan ze werken of koffie drinken en beramen ze andere plannen. Zo stappen naar de pers en zelfs de lokale televisie komt filmen. Maar het is slechts een klein item in het nieuws. De directeur van de school zegt dat de ouders zich zorgen maken om niks.  “Het is gewoon een initiatief van juf Sandra, om creatief met letters en woorden te leren omgaan. Dat is toch de bedoeling van naar school gaan, niet? Dat ze de alle letters leren gebruiken.” Ook de mama van Robin mag reageren voor de camera. “Ik vind het toch maar gek”, zegt ze. “In plaats van echte woorden te leren, of werkwoorden te vervoegen, hoor ik onze zoon ’s avonds alleen maar brabbeltaal zeggen. Het lijkt wel alsof hij plots niet meer kan spreken. En het ergste is dat we helemaal geen uitleg krijgen van de juf of van de school. Maar we laten het hier niet bij, zolang we geen duidelijk antwoord krijgen.” Zo lanceert de papa van Greetje tijdens een vergadering met het ‘Comité van bezorgde ouders’ het voorstel om naar de minister van onderwijs te stappen. Dit kan zo toch niet verder? Ze zijn het er allemaal mee eens.  Op een maandagochtend nemen ze vanuit het stadje Peperbus de trein naar de hoofdstad. De spandoeken gaan mee en ze hebben heel wat bekijks in de trein. Als ze uit het station stappen en de weg naar het kantoor van de minister zoeken, houden ze hun spandoeken omhoog en roepen ze hun leuze. De mensen begrijpen er niets van. Ze denken dat ze een andere taal spreken. “Echte woorden voor onze kinderen, of wij gaan het verhinderen”, roepen ze door elkaar.  Sommige ouders kunnen de leuze gewoon niet onthouden en die roepen zo maar wat. Het lijkt wel een carnavalsstoet.  Bij de minister Eenmaal bij het kantoor van de minister, geraken ze maar met veel moeite voorbij het onthaal. Ze hebben immers geen afspraak. Daar had niemand aan gedacht. Gelukkig is de minister wel in zijn kantoor.  “Hij heeft over een half uurtje een persconferentie”, zegt de man aan het onthaal. “Ik zal vragen of hij jullie nu al even kan zien.” Hij staart verbaasd naar de groep ouders, terwijl ze samen de trap opgaan met hun spandoeken.  Op de tweede verdieping bij het kantoor van de minister is er opnieuw een onthaalbalie. De mevrouw heeft de boodschap al doorgekregen van haar collega op het gelijkvloers.  “Het is vervelend dat jullie geen afspraak hebben”, zegt ze. “Maar de minister heeft een uitzondering gemaakt. Hij ontvangt jullie over vijf minuten. Maar hij heeft niet veel tijd, want er is nog een persconferentie.” In de wachtzaal overlegt het comité nog even wie het woord mag voeren. Maar vooraleer ze iets beslist hebben, stapt de minister al uit zijn kantoor. Ze kennen hem van tv. In het echt ziet hij precies kleiner uit. De minister staat bekend voor het feit dat hij vaak andere brillen draagt. De ene bril is al opvallender dan de andere. “Misschien doet hij dat om er slim uit te zien als minister van onderwijs”, zegt een van de mama’s.  Die dag heeft hij een blauw rond brilletje op zijn neus gezet.  “Dag allemaal”, zegt hij. “Waarmee kan ik jullie helpen? Ik zie precies dat er iets op jullie lever ligt. Pas op, ik heb wel maar twintig minuten tijd, dan begint de persconferentie. Kom maar binnen.” “Ik luister”, zegt hij in zijn kantoor, waar hij ondertussen achter zijn bureau zit. Hij zet daarbij zijn bril af, alsof hij zonder die bril beter kon horen. De ouders beginnen opnieuw door elkaar te praten. De minister verstaat er geen woord van. “Stop, stop, stop!”, roept hij luid. “Eén iemand neemt het woord en vertelt me wat er aan de hand is. Mevrouw, u daar”, wijst hij naar de mama van Robin. “Vertelt u me waarom jullie hier zijn.” Tamara vertelt de hele geschiedenis. Dat ze haar zoon in een hoekje van de kamer vreemde woorden hoorde zeggen. Dat de andere kinderen het ook deden en dat ze op de school ‘De Veerkracht’ niet naar hen wilden luisteren. “Daarom komen we naar u”, besluit ze. “Dit kan toch niet de bedoeling zijn van ons onderwijs.” De minister glimlacht. En het blijft niet bij glimlachen. Plots begint hij keihard te schaterlachen. De ouders kijken elkaar aan.  “Hij is gek”, zegt de mama van Robin. De mevrouw van het onthaal op de tweede verdieping komt het kantoor van de minister binnen en kijkt naar haar baas, die nu op zijn knieën zit en op de grond timmert met zijn vuisten.De persconferentie “Mijnheer de minister”, zegt de secretaresse, terwijl ze haar baas rechtop helpt. “Gaat het?” “Of het gaat?”, vraagt hij, de tranen van het lachen uit zijn ogen vegend. “Het gaat prima. Dit is toch helemaal de bedoeling.” “Ahum” zegt hij, terwijl hij zijn knieën afstofte met zijn beide handen, alsof het tapijt heel erg vuil is. “Excuseer me beste mensen. Jullie denken wellicht dat ik niet goed snik ben. Excuses. Maar ik ga het jullie allemaal vertellen. Of nee wacht. Het kan nog gemakkelijker. Komen jullie anders gewoon maar mee naar de persconferentie.” “Welke persconferentie?”, vragen de ouders in koor. Nu lukt het hen plots wel om gelijktijdig iets zeggen. “Geen paniek”, antwoordt de minister. “De perszaal ligt hiernaast. Jullie kunnen gewoon in het publiek zitten. Dadelijk wordt alles duidelijk.” De ouders zitten er als geslagen honden bij. Alsof ze plots gehypnotiseerd zijn en niet meer kunnen bewegen.  De mama van Robin slaakt plots een luide kreet. Alsof ze een geest in de conferentiezaal ziet.  De andere ouders kijken haar verschrikt aan.  “Dddd… dat is mijn man”, stamelt ze. En ze wijst naar haar man in de conferentiezaal. “Wat doet hij hier?” Ze loopt recht op haar man af. De andere ouders, alsof de betovering door een hypnotiseur is verbroken, staan ook recht en volgen de mama van Robin. Maar als ze de binnenkwamen horen ze de minister luid kuchen. “Ahum, ahum.” Ribbedebiewoep “Dag allemaal. Beste journalisten, mensen uit het onderwijs en ook beste ouders. Waarbij een aantal bezorgde ouders heb ik begrepen. Van harte welkom op dit persmoment voor de feestelijke voorstelling van Ribbedebiewoep.” De mama van Robin weet niet waar kijken. Ze kan net een gil onderdrukken. Ribbedebiewoep. Dat is toch het gekke woord dat Robin thuis altijd zegt. Waar gaat dit in hemelsnaam over? Ze tikt op de schouders van haar man. Ze is achter hem gaan zitten om uitleg te vragen. Waarom is hij hier en waar gaat dit allemaal over?   “Psst”, zegt ze. “Wat doe jij hier? En ribbedebiewoep, dat is toch dat woord dat Robin altijd zegt?” “Ssst, stil even”, zegt haar man. “Het wordt allemaal duidelijk.” “En waarom weet ik hier niets van?”, vraagt ze. “Omdat jij het te druk hebt met betogen, spandoeken en onverstaanbare slogans”. Stil nu even.” De minister vervolgt met zijn toespraak. Nu ziet de mama van Robin pas wie naast de minister zit.  “Daar, dat is juf Sandra”, zegt ze terwijl ze de mama van Marieke aanstoot. “Wat doet juf Sandra hier? Ik snap er niets van.” De minister kijkt boos naar de achterste rijen van de conferentiezaal, waar de ouders zitten. “Mag ik even stilte?”, zegt hij. “Ik wil om te beginnen graag iemand voorstellen. Hier naast me zit juf Sandra. Ze geeft les in het vierde leerjaar in de lagere school ‘De Veerkracht’, niet zo ver hier vandaan in het stadje Peperbus. Toen we een oproep deden voor dit project was ze meteen bereid om mee te doen met haar klas.” “Maar misschien ga ik nu iets te snel. Laat me eerst het project toelichten. Van leerkrachten overal in het land kregen we alarmsignalen dat er heel wat kinderen en jongeren niet goed in hun vel zaten. Het was heel gek, bijna zoals een virus dat zich over het land verspreidde.” “Dingetjes waarmee ze niet bij hun ouders terecht kunnen, want die hebben het ook druk. Kinderen die bijvoorbeeld onzeker zijn. Of kinderen die ongerust zijn over het klimaat of de zuivere lucht. Ik vergelijk het een beetje met vroeger. Ik was in mijn jonge jaren voor ‘de bom’, omdat er tijdens de koude oorlog die constante dreiging was dat ofwel Rusland ofwel Amerika een kernbom zou gooien. Wij lagen er letterlijk tussenin. Zoals een kind dat tussen bekvechtende ouders zit.” “Maar toen mochten kinderen er niet ongerust over zijn. En mocht je er met volwassenen niet over spreken. Zo leek het toch. Gelukkig kan dat nu wel.” “Ik heb het vervolgens besproken met heel wat slimme mensen uit het onderwijs en we besloten om een oproep te doen bij de scholen. Want zeg nu zelf, de kinderen zitten vaak in de klas. Eigenlijk zien ze de juf of de meester en hun vriendjes meer dan hun ouders. Maar zowel de school als de ouders zijn belangrijk als een kind zich niet goed voelt. Dat was dan ook de bedoeling van het project. Beide partijen moesten betrokken zijn.” “En dan geef ik nu graag het woord aan juf Sandra. Want zij kan natuurlijk het best vertellen hoe ze dit in haar klas heeft aangepakt.” “Dag allemaal”, zegt juf Sandra. “Maar ik stel voor dat ik dit niet alleen doe. Want ik heb nog heel wat mensen meegebracht. Het zijn allemaal jonge mensen. Kom maar binnen.” Plots gaat er achteraan in de zaal een deur open. De mama van Robin slaakt opnieuw een luide gil. Alle aanwezigen kijken haar aan.  Plots ziet ze Robin en zijn klasgenootjes de zaal binnenkomen. Hij zwaait meteen naar zijn mama. “Ik denk dat ik dadelijk ga flauwvallen”, fluistert ze in het oor van haar man. “Wat doen onze Robin hier?” “Je hebt een stukje gemist”, zegt Davy. “Toen jij voltijds aan het protesteren was. Stil nu even. Het wordt allemaal duidelijk.” Terug in de tijd “Laat me jullie even meenemen”, zegt juf Sandra. “Terug in de tijd.” Na die zin richt ze een toestelletje op het presentiescherm. Daar stond eerst de naam van de minister, maar nu verschijnt er een foto. Het is een foto van de klas van Robin. “Dit is onze klas in lagere school De Veerkracht”, zegt juf Sandra. “Ze zijn daarnet allemaal binnengekomen en ze zitten hier op de eerste rij.” “Toen ik over de oproep van de minister hoorde, was ik meteen geïnteresseerd”. Af en toe drukt ze op het toestelletje en telkens verschijnt er een nieuwe foto. “Kijk, dit is Robin en naast hem zit Marieke”, zegt ze.  De mama van Robin stoot haar man aan. Ze is ondertussen naast hem gaan zitten. "Onze Robin”, fluistert ze. Robin op de eerste rij heeft ondertussen een hoofd zo rood als een ondergaande zon in het midden van de zomer. Juf Sandra gaat verder. “Net als alle kinderen en alle volwassenen hebben zij iets waarmee ze worstelen. Ik heb Robin gevraagd of ik mag vertellen waar hij wel eens mee verveeld zit. Dat mocht.” Robin glimlacht naar Marieke die naast hem zat. Zijn hoofd werd zo mogelijk nog roder. Alsof het bijna ging ontploffen. “Robin is wel eens verlegen”, zegt de juf. “Als ik hem vraag om aan het bord iets uit te leggen, kruipt hij het liefst volledig in zijn bank en als het even kan kruipt hij er pas ’s avonds terug uit.”  Robin moet er op de eerste rij zelf mee lachen. Net als zijn klasgenoten. “Het is maar een voorbeeldje”, zegt Juf Sandra. “Een voorbeeld van iets waarmee kinderen soms zitten. Dan kan iets kleins lijken, maar voor de kinderen is het iets heel groot. Ze mogen er niet mee blijven zitten. De ouders van Robin hebben me er wel eens over aangesproken, wat ik zeer knap vond van hen.” Nu krijgt de mama van Robin een kleurtje en de papa van Robin geeft haar een knipoog.  “Ik dacht er verder over na en ik kwam uit bij iets waar we in de school ontzettend veel mee bezig zijn. En dat is taal. Woorden en zinnen. Als kinderen met iets zitten, moeten ze dat kunnen uiten. Ze moeten het kunnen vertellen. En dat doe je natuurlijk met woorden.” “Woorden zijn enorm belangrijk. Ze zorgen ervoor dat we elkaar kunnen begrijpen. Maar als je ergens mee zit, heb je altijd moeilijk om het uit te leggen. Omdat je wellicht denkt dat de anderen het niet zullen begrijpen. Toen kwam ik op een idee. Er zijn ook onbestaande woorden. Al kan dat eigenlijk niet, want door een onbestaand woord uit te spreken, bestaat het meteen. Zo hebben piepjonge tweelingen een hele aparte woordenschat, omdat ze als peuter altijd bij elkaar zijn. Met die rare woorden verstaan ze elkaar prima. Maar voor de andere mensen betekenen die woorden niets.” “Zo zie je maar, ook woorden die op het eerste gehoor raar klinken, kunnen best een betekenis hebben.” “Het idee was dat iedereen voor zichzelf een bijzonder woord zou hebben, om bij mij of bij de vriendjes en vriendinnetjes aan te duiden dat ze ergens mee zitten en dat ze erover willen vertellen. Het is een woord voor hen alleen. Zij zijn de eigenaar van dat woord, zoals ze ook de eigenaar zijn van hun gevoelens. Ik gaf de kinderen de opdracht om die woorden zelf te verzinnen. En dat is wonderwel gelukt.” “Kijk, dit zijn alle woorden van de kinderen”.  Juf Sandra drukt op de knop en er verschijnen wel 20 woorden op het scherm. Net zoveel als er leerlingen in de klas zitten. Je kan er geen touw aan vastknopen. Het waren allemaal niet-bestaande woorden. ‘Rimpeldepimpel’, staat er. ‘Kabriekziestan’, ‘Ribbedebiewoep’ en veel meer gekke woorden. Plotseling neemt de minister opnieuw het woord. “We vonden dit een prachtig idee van juf Sandra. Ze had het helemaal uitgewerkt, uitgebouwd en ze heeft er zelfs psychologen over aangesproken. Daarom maken we van deze actie onze nationale campagne. En een campagne moet natuurlijk een naam hebben. Nietwaar juf Sandra?” “Inderdaad”, zegt de juf. “We hebben met de klas beslist om er één woord uit te pikken. De kinderen mochten een uitleg geven over hun woord en vervolgens werd er gestemd. Ze mochten natuurlijk niet voor zichzelf stemmen. Vrijwel alle stemmen gingen naar één woord. Naar één leerling. En die wil ik hier graag op het podium uitnodigen. Kom maar Robin.” De mama van Robin laat opnieuw een gil horen. Deze is nog luider dan de voorgaande gillen. De gil is wellicht in het hele gebouw te horen. Iedereen kijkt haar aan, waardoor ze opnieuw een kleurtje krijgt. Op het podium Dat de mama van Robin een gil laat horen heeft meerdere redenen. Ze gilt natuurlijk van het schrikken, omdat haar zoon Robin het podium op moest. Maar ook omdat ze totaal fout zit met haar idee over die rare woorden.  De mensen kijken haar nog even aan, maar vervolgens richten ze hun ogen al snel op het podium. Want daar stapt iemand op het podium. Het is Robin. Hij zet zich naast juf Sandra. “Dag Robin”, zegt de minister. “Wat fijn dat je hier bent. Want in heel het land is binnenkort jouw woord te zien. Maar ik laat juffrouw Sandra enkele vragen aan  jou stellen.” “Dat klopt”, vervolgt juf Sandra. “Overal ziet met binnenkort jouw woord.” Daarna klikt ze opnieuw op het toestelletje en er verschijnt – heel groot – een woord op het scherm. ‘Ribbedebiewoep’ stond er. “Ribbedebiewoep”, leest juf Sandra. “Je hebt het bij ons in de klas al verteld. Maar nu mag jij ook even zeggen waarom dit jouw woord is.” “Tja”, begint Robin ietwat stamelend en verlegen. “Hoe kan ik dat uitleggen?” “Ik ben gewoon wat beginnen puzzelen met letters en woorden. Maar tegelijk dacht ik erover na waar het over moest gaan. Ik ben soms euh … nogal verlegen …euh.” “Dat zou je toch niet zeggen Robin”, onderbreekt de minister hem. “Maar sorry dat ik je onderbreek. Ga vooral verder Robin.” “Tja, euh. Het woord moest dus daar ergens over gaan. Als de juf me naar het bord vraagt, zou ik gewoon weg willen. Snel de klas uit. En ribbedebie is een ander woord voor ‘weg zijn’. ‘Ik ben ribbedebie’, heb ik mama ooit horen zeggen, toen ze naar de winkel moest.” “En die woep dan op het einde?”, vraagt juf Sandra. “Euh … ik weet niet of ik dat moet zeggen, maar ik had eerst ‘poep’ op het einde staan. Het werd dan ‘ribbedebiepoep’. Dat vond ik wel grappig.” En inderdaad, de kinderen op de eerste rij, maar ook alle andere mensen in de perszaal beginnen luid te lachen. Ook de mama en papa van Robin moeten ermee lachen. Net als de andere ouders. Robin wordt weer zo rood als een overrijpe tomaat. “Maar poep zou wellicht niet mogen, daarom heb ik gewoon een andere letter genomen. Ribbedebiewoep.” “En is het een woord dat jou helpt?”, vraagt juf Sandra. “Als je nu iets moet zeggen, zoals nu, helpt het dan?” “Ik heb het daarnet wel honderd keer gefluisterd”, zegt Robin, waarna de zaal weeral begint te lachen. “Maar het woord is natuurlijk maar een woord. Maar ik weet dat ik het liefst weg of ‘ribbedebie’ zou zijn, als de juf me vraagt om hier te komen zitten. Dat heb ik nog altijd.” “Hoe blij ben je nu dat jouw woord uitgekozen wordt voor het hele land?” “Euh, heel blij denk ik. Het is allemaal een beetje gek en snel gebeurd. Ik heb het ook maar wat bij elkaar gepuzzeld.” “Dank je wel Robin”, zegt de juf. “Dan stel ….” Plots ziet ze dat iemand in de zaal zijn hand omhoog steekt. Het is de papa van Robin.  “Ik zie dat er iemand een vraag heeft. Ik denk dat het iemand van de pers is. Zegt u het maar.” “Dank je wel”, zegt de papa van Robin. “Ik ben Davy Vanlangendonk, van de Nieuwe Krant. Ik heb een vraagje voor Robin.” Hij zegt er niet bij dat hij de papa van Robin is, maar hij ziet wel dat Robin hem vanop het podium een knipoog geeft. Daar ziet hij ook dat zijn vrouw naast hem opnieuw een rode kleur krijgt. Het lijkt wel alsof ze die verlegenheid van Robin heeft overgenomen. “Robin, nu binnenkort heel het land jouw geheim woord kent, is het natuurlijk geen geheim woord meer zijn. Moet je dan op zoek naar een ander geheim woord?” “Tja”, zegt Robin aarzelend. “Een ander woord ga ik zeker niet zoeken. Dit woord is misschien geen geheim woord meer. Maar het is nog altijd ‘mijn’ woord. En dat is het belangrijkste. Bij iemand anders zou dit woord wellicht niet helpen.” “Oké”, zegt de juf, die duidelijk niet had gerekend op vragen van de pers. “Dan ga…” “En ik heb tenslotte nog een vraag voor u, als dat nog mag?”, neemt Davy opnieuw het woord. “Euh, ik denk het wel. Als het met dit initiatief te maken heeft natuurlijk”, antwoordt de juf.  Ze vreest een beetje dat het over de actie van de mama van Robin en de andere ouders gaat. “Natuurlijk”, zegt Davy. “Ik heb gewoon nog een vraag voor het stuk in de krant. Hebt u eigenlijk ook zelf een geheim woord? En zo ja, hebt u dat met anderen gedeeld?” “Oké, die vraag had ik niet verwacht”, lacht ze. “Maar het is wel een goede vraag. Ik heb inderdaad een geheim woord dat ik met de kinderen heb gedeeld. En ik weet dat ze het geheim worden. Want zij vertrouwen mij hierin, dus ik moet hen ook vertrouwen. Als ik ‘mijn’ woord uitspreek weten ze dat er iets op mijn lever ligt.” “Oké, geen vragen meer? Dan gaan we verder. Want we hebben voor deze campagne nog een slagzin aan het woord van Robin toegevoegd. Kijk maar.” Op het scherm verschijnt nu onder ‘Ribbedebiewoep’ de zin ‘We nemen het samen onder de loep’. “Loep is misschien geen gemakkelijk woord”, zegt de juf. “Dat is een vergrootglas. Die die uitdrukking betekent dat we het probleempje samen gaan bekijken.” “En daar stopt het niet. Want de leerlingen uit mijn klas hebben er ook nog een gedichtje bij gemaakt. Nietwaar? Zeggen jullie het samen op?” De juf laat een nieuwe dia op het scherm komen en daarop staat het gedicht. Robin en zijn klasgenootjes lezen het samen voor. “Weet je even niet hoe het moet?Gebruik dan een woord zoals geen een.Een woord voor jou alleen.Een woord zoals ribbedebiewoep.Dan nemen we het probleem samen onder de loep.” “Zo voeren we de campagne in het hele land”, zegt de minister. “We nodigen alle scholen en klassen uit om met dit project aan de slag te gaan. En de uitleg die Robin daarnet aan zijn woord gaf, wordt mee opgenomen in het verhaal van de campagne. En daar mag hij best trots op zijn. En het verdient een applaus, denken jullie niet?” Na het applaus Nadat het applaus was uitgedoofd, bedankt de minister iedereen voor hun aanwezigheid. Een aantal fotografen gingen naar het podium en namen foto’s van de minister, juf Sandra en de kinderen.  “Hoe wist jij hier nu van?”, vraagt Tamara aan Davy. “Je hebt me er helemaal niets van gezegd.” “Ik zei het toch al. Jij had het te druk met betogen. Er zat begin deze week een brief in de agenda van Robin. Daarin werd heel wat uitgelegd en er zat meteen een uitnodiging bij om naar deze persvoorstelling te komen. Trouwens, bij de krant wisten ze er ook van. Ze hadden ook een uitnodiging voor deze persconferentie ontvangen. Ik heb maar meteen aangeboden om er een artikel over te schrijven. Onze fotograaf staat nu voor het podium. Ik dadelijk onze Robin nog even interviewen. Als hij me te woord wil staan natuurlijk. Hahahahahaha.”  Al lachend stapt Davy naar het podium, Tamara alleen achterlatend. De dag erna staat het artikel inderdaad in de krant. Robin is blij dat het een foto in zwart-wit was, zodat je zijn rode kleur niet ziet. Hij wordt bijna een nationale beroemdheid. Want er is ook een tv-ploeg van het kinderjournaal aanwezig.  Heel wat scholen in het land nemen het Ribbedebiewoep-project over. In sommige scholen is het een succes. In andere scholen moet het nog groeien, want als je het niet serieus neemt, werkt het natuurlijk voor geen meter. Het gebeurt niet vaak, maar als Robin thuis ‘Ribbedebiewoep’ zegt, dan weten zijn mama of papa dat ze een praatje moeten maken.  Voor het overige gaat alles zijn gangetje in het gezin van Robin.  Nog eens binnenkijken Zullen we nog even binnenkijken bij Robin thuis? In het huis met de trapjes? Zoals we dit verhaal zijn begonnen?   Kijk, daar zit zijn papa. Hij leest de krant, zoals gewoonlijk, maar misschien is hij er wel bij in slaap gevallen. Robin en zijn mama zitten samen op de bank en kijken naar tv. Het is een programma waarbij ze op het einde een woord moeten raden. Hoe meer rijen met blokjes de kandidaat heeft verzameld met het computerspelletje, hoe meer letters de kandidaat heeft. Dan is het makkelijker om het woord te raden. Ook nu raden ze samen naar het woord. Er staat al een i, een r en een e. Het is telkens een woord van acht letters. “Dan kan het nooit ribbedebiewoep zijn”, zegt Robin. “Want dat zijn meer letters. En dat is ook geen echt woord. Of wel mama?” Plots horen ze een gebrom van achter de krant die op het hoofd van papa ligt. “Hij snurkt”, zegt mama, waarna hij precies opnieuw iets zegt. De krant waait omhoog. “Hij zegt precies ‘minister’”, zegt Robin. “Misschien droomt hij nog over onze samenkomst bij de minister. Of wacht even …. Nee, hahahahaha.” “Wat is er?”, zegt mama. “Dat is natuurlijk het woord dat ze op tv zoeken”, zegt Robin. “Kijk maar.” En jawel, ook de kandidaat vindt het achtletterwoord. Het is inderdaad ‘minister’. “Niet te geloven toch hè”, zegt mama.    Einde  

Rudi Lavreysen
60 2

Het verhaal van grote beer die plots niet meer kon lachen

1. De nieuwe dieren van het bos vertellen het verhaal nog altijd. Het is heel wat jaren geleden gebeurd. De dieren van toen hadden nog nooit zoiets meegemaakt. Het begon allemaal op een mooie zondag in oktober. Ze hadden eerst gepicknickt en daarna gevoetbald op de grote weide in het midden van het bos. 2. Het was niet dat grote beer de wedstrijd had verloren. Nee, hij had als doelman zelfs enkele prachtige reddingen gemaakt. Na de wedstrijd werd hij door alle dieren op handen gedragen. Ook op die van de tegenstander. Maar de volgende dag gebeurde er iets raar. Beer kon plots niet meer lachen. 3. Muis zag snel dat er iets scheelde met haar grote vriend. Ze was, zoals elke maandag, naar het huis van beer getrippeld, om samen op verkenning te gaan in het bos. Op zoek naar heel wat lekkers. Oktober was ideaal om paddenstoelen te plukken. Daar waren ze allebei zot op. 4. "Ben je klaar grote beer? Ik kan de paddenstoelen al bijna ruiken", zei muis, waarna ze haar neusje in de lucht stak. Maar het enige wat beer zei was 'Hmmm'. "Wat hmmm?", zei muis. "Is dat het enige dat je kan zeggen?" "Hm hm", zei beer opnieuw. Muis besteedde er niet te veel aandacht aan. Ze dacht dat het wel zou beteren als ze de eerste paddenstoelen hadden ontdekt. Maar het beterde niet. Beer had wel twintig keer 'hm' gezegd, maar geen enkele keer gelachen. En beer lachte graag, dat wisten alle dieren. 5. Omdat dieren niet goed kunnen zwijgen, wisten binnen de kortste keren alle dieren dat er iets scheelde met grote beer. Op dinsdag kwam meneer de hert langs. Hij wist hoe hij beer aan het lachen kon krijgen. "Zeg beer, weet je nog? Dat ik bij boer Vanspringel met mijn gewei in het hek vastzat? Ik kon nog maar net op tijd ontsnappen. Hij liep naar buiten met zijn geweer, maar struikelde over de mat en schoot de lamp stuk. Hahahahahaha." "Hm", zei grote beer, terwijl meneer de hert op de grond lag van het lachen. 6. Op woensdag bracht konijn een bezoekje. "Beer kan niet meer lachen? Wacht maar", had hij vooraf gezegd. Grote beer had nog maar net een kopje thee uitgeschonken en konijn begon hem te kietelen. Niet alleen met zijn pootjes, maar ook met zijn grote oren. Beer keek konijn aan alsof hij niet snapte wat er gebeurde. Vroeger zou hij al na twee seconden plat hebben gelegen van het lachen.  7. Op donderdag stond het wilde zwijn aan het huis van beer. Hij had al een paar keer met zijn poten op de deur geklopt, maar er kwam geen reactie. Ook niet toen hij een paar keer luid had geknord. De volgende dag, op vrijdag dus, stond het wilde zwijn er opnieuw. Nu deed grote beer wel open, maar hij nodigde zwijn niet uit om binnen te komen. "Zeg beer", begon zwijn op de drempel van het huis. "Ik ken nog een leuke mop. Het is groen en het komt van een berg af. Wat zou dat ...". Zonder af te wachten wat zwijn nog ging zeggen, gooide beer de deur dicht. Zwijn zat er bijna met zijn neus tussen. 8. De dieren wisten niet wat ze moesten doen om beer aan het lachen te krijgen. Het enige wat misschien zou helpen, was naar de dokter gaan. Maar bij dokter de vos konden ze pas op maandag terecht. In het weekend ontving hij geen patiënten. De dieren probeerden beer op zaterdag en zondag nog mee naar het grote veld te nemen, om een balletje te trappen, maar hij deed de deur niet open.  De dieren hadden beslist dat muis op maandag mee zou gaan naar de dokter. Als ze hem meekreeg natuurlijk. Dat lukte wonderwel. Beer slofte als een mak lammetje achter muis aan. Muis meende nog te vragen of hij zijn poten kon opheffen, maar dat deed hij toch maar niet.  Na een half uurtje kwam beer terug naar buiten. Muis lag onder een boom te wachten. Er was geen beterschap te zien. Hij slofte hij zo mogelijk nog erger. 9. De dieren wisten niet wat aanvangen. Het mocht zeker niet te lang blijven duren. Dat wisten ze wel.  Er ging een week voorbij, maar muis ging toch opnieuw met beer naar de dokter. Door het sloffen zorgde hij voor een enorme stofwolk op het bospad. Net zoals wanneer boer Vanspringel er met zijn tractor reed.  Terwijl beer bij dokter de vos naar binnen was, verzamelden ineens alle dieren van het bos, plus de dieren van het andere bos, bij de boom waar muis zat.  Voor de vogels hoog in de bomen was het een prachtig beeld, al die dieren samen.  10. Maar er gebeurde nog iets wonderlijk. Dokter de vos nam beer plots mee naar het raam van zijn dokterspraktijk. Vanwaar ze stonden, konden de dieren het goed zien. Dokter de vos stond op een stoel en had zijn ene poot op de schouders van beer liggen. Met zijn andere poot wees hij naar buiten, waar alle dieren stonden. "En nu allemaal zwaaien en juichen", riep muis plots. Het gaf een enorme herrie en van al die zwaaiende dieren ontstond er een grote wind. De vogels vlogen in de lucht en begonnen te kwetteren. En daarna, alle dieren zagen het, verscheen er een glimlach op het gezicht van grote beer. Alle dieren begonnen luid te klappen.  11. Op de terugweg wandelde beer in het midden van de grote groep dieren, alsof ze hem extra wilden beschermen. Hij slofte niet meer. Ze gingen rechtstreeks naar de weide voor een wedstrijdje tegen de dieren van het andere bos. De dag erna ging muis terug naar dokter de vos. Niet omdat ze ziek was, maar ze was nieuwsgierig.  “Wat was er nu met beer aan de hand dokter?” "Het ligt aan oktober", zei dokter de vos.  12. "Hoezo oktober? Daar kan je toch niet ziek van worden", zei muis.  "Toch wel", antwoordde dokter de vos. "Het is nu herfst. De bladeren beginnen van de bomen te vallen. Beer had verdriet omdat er weer een jaar voorbij is. Dieren kunnen om heel wat zaken verdriet hebben. Omdat ze een wedstrijd hebben verloren of omdat ze aan hun overleden oma denken."  "Dat klopt", zei muis, "dat heb ik ook ooit." "Daarom vroeg ik je om met alle dieren naar hier te komen. Je kan verdriet niet wegen, maar het is altijd te zwaar om alleen te dragen", zo eindigde de dokter. Daar moest muis even over nadenken. Maar hij vertelde het snel aan alle dieren. Want zoals je weet kunnen dieren niet goed zwijgen.  En daarom vertellen de nieuwe dieren van het bos dit verhaal nog altijd. (einde)

Rudi Lavreysen
19 0

Eddy de slimme kip

1. "Jij bent de domste kip aller tijden",  zei Boer Balthazar vaak tegen Eddy. Als je vaak hetzelfde hoort, denk je soms dat het waar is. Niemand hoort graag dat hij dom is.  Maar het klopt niet, want kippen zijn slimme dieren. Wist je dat?  Uitspraken zoals ‘kieken zonder kop’ of ‘dom kieken’ slaan nergens op. We kunnen je alvast één reden geven waarom Eddy zeker geen domkop was. Eddy begreep heel wat woorden in mensentaal. Wat? Wist je niet dat kippen woorden kunnen begrijpen? Echt wel. Ze kunnen zelfs spreken. 2. Als je al een woord aan het gekakel of het getok van kippen zou moeten geven, dan is het ‘kips’. Pas op, dat is geen ‘haans’, want dat is de taal van de hanen. En het is helemaal anders dan het ‘konijns’. Daar moet je al goede oren voor hebben, want ze spreken heel stilletjes. Daarom zijn ze uitgerust met een goed stel oorflappen. Net zoals de hazen. Maar die taal is weer anders.  Het komt eenvoudigweg hier op neer: in het dierenrijk heeft elk dier een andere taal. Net zoals de mensen heel wat verschillende talen hebben.  3. Telkens als boer Balthazar van zijn werk in de hoofdstad thuiskwam, want hij was geen voltijdse boer, trok hij meteen zijn werkpak uit om andere kleren aan te doen.  En telkens voerde hij hetzelfde gesprek met zijn spiegel. “Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is…”  Nee nee, wees gerust, boer Baltazar ging niet dat beroemde zinnetje uit het sprookje over Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen zeggen. Al scheelde het niet veel. Kijk maar wat hij had aangetrokken. Het was geen werkbroek, maar een koerskostuum. Een rennerspak.  4. “Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is de beste wielrenner van het land?”, zei hij telkens voor de spiegel. Vroeger wilde hij altijd wielrenner worden, maar na een val in een plaatselijke kermiskoers durfde hij met zijn fiets niet meer te racen op de straat. Net voor de aankomst van de wedstrijd staken een tiental kippen en een haan de straat over en Balthazar kon ze niet ontwijken. Hij tuimelde op de grond en hield er heel wat breuken aan over. De kippen en de haan waren ongedeerd. Ook al nam hij het de kippen niet persoonlijk kwalijk – hij kende ze tenslotte niet en de boer had het poortje laten openstaan – toch bleven die overstekende kippen altijd ergens in zijn achterhoofd zitten. Het is dan ook bijzonder dat hij later zelf kippen ging houden. Maar hier dacht hij niet veel over na.  5. Waar hij wel over nadacht, toen hij de kippen kocht, was de namen van de kippen. Want die moesten allemaal de naam van een wielrenner hebben. Balthazar was nog altijd, ondanks die val, zot van de koers. De eigenschappen van de wielrenners naar wie hij ze had genoemd, zag je terug bij de kippen. Zo was Fons een heel bescheiden kip. Roger was een echt haantje de voorste. Wilfried was de snelste van alle kippen en durfde al eens een grap uithalen met de andere kippen. Fransesco was wereldkampioen eieren leggen en Joop liep altijd achter een andere kip aan. Meestal deed ze dat bij Eddy, die werd er soms wat zenuwachtig van. 6. Maar die originele namen was dan ook het enige goede dat hij had gedaan voor zijn kippen. Als hij in zijn wielertenue naar het kippenhok liep, hoorden de kippen hem al van ver afkomen met die koersschoenen. Tok, tok, tok, tok, tok. De kippen kenden het geluid als geen ander. Vooral omdat na het getok van zijn koersschoenen het trappen met diezelfde schoenen volgde. Hij trapte naar elke kip die voor zijn voeten liep. En de kippen wisten dat de blokjes onder de schoenen serieus pijn deden. Hij had nog nooit een kip geraakt, hoe hard hij ook zijn best deed. En dat maakte hem nog kwader. “Ik ben de baas”, riep hij dan. “Jullie moeten eieren leggen. Veel eieren.” “Jij bent de domste kip ter wereld”, zei boer Balthazar telkens tegen Eddy.  Maar Eddy wist beter. Hij was heus niet dom. De andere kippen bewonderden haar zelfs. Bovendien keek ze boer Balthazar altijd op een bijzondere manier aan. En Balthazar voelde dat.  7. Balthazar wist ook niet wat slimme mensen hadden ontdekt, want in de krant las hij alleen de uitslagen van de wielerwedstrijd. Zo had hij niet gelezen over de ontdekking dat kippen 24 verschillende toks of klanken hebben. Met die klanken maken ze zich verstaanbaar voor elkaar. Een haan is zelfs nog slimmer. Als hij een oogje heeft op een bepaalde kip, klinkt zijn kukeleku helemaal anders. Scherper ook. 8. Zo ging het elke dag. Als boer Balthazar niet aan het werk was in de hoofdstad, fietste hij in de keuken op de rollen en ging een paar keer per dag naar de kippen. En telkens riep hij naar de kippen. Van ‘domme kippen’ tot ‘jullie moeten veel eieren leggen’.  Maar op een dag gebeurde er iets dat afweek van het gebeuren van elke dag. Het was een zomerse zaterdagavond en Boer Balthazar keek in de keuken naar het tv-toestel op het aanrecht, terwijl hij op de rollen fietste. In het programma werd een boerin aan een boer gekoppeld. De boer moest een boerin kiezen uit een aantal kandidaten. Het was de laatste aflevering van het seizoen. Op het einde van de aflevering vertelde de presentator dat ze volgend seizoen de rollen zouden omdraaien. Een boerin ging dan op zoek naar een boer. En die boerin was Veroniek. “Hallo, ik ben Veroniek”, zei ze. “Ik ben op zoek naar een sportieve boer, die goed met dieren kan opschieten. Zelf heb ik heel wat kippen en ander pluimvee. Ben jij sportief? Zie je graag kippen? Misschien ben jij dan wel de boer waar ik naar op zoek ben.” 9. Balthazar was meteen verliefd. Hij was zo van slag dat hij plotsklaps stopte met fietsen. Maar op de rollen mag je niet zomaar stoppen. Elke wielrenner weet dat, want dan verlies je je evenwicht. Ook Balthazar wist dat, maar daar stond hij niet bij stil. Of juist wel. Toen hij stilstond tuimelde hij op de keukenvloer, net zo hard als tijdens de kermiskoers toen hij de kippen probeerde te ontwijken. Drie huizen verder hadden ze de ‘boenk’ gehoord. Gelukkig had hij nu niets gebroken. “Veroniek, ik hou van je”, zei Balthazar terwijl hij op de grond lag, maar op de tv was het programma al afgelopen en de weervrouw kwam in beeld.  10. De kippen hadden door de open keukendeur gehoord wat er zich in de keuken afspeelde en kwamen niet meer bij van het lachen.   “Ja kipjes”, zei hij. “Binnenkort woon ik hier niet meer alleen, maar samen met Veroniekske.”  Hierna begint hij plots te zingen. “Veroniekske, Veroniekske, jij bent echt mijn lievelingskiekske.” Hij zong het wel twintig keer na elkaar. De kippen maakten ondertussen zo een lawaai van het lachen dat de buren over de schutting keken om te zien wat er aan de hand was. Maar Balthazar begon meteen met het schrijven van een brief naar Veroniek. Dat hadden ze op het einde van het programma gezegd, als oproep aan mogelijke kandidaten. 11. Elke dag wachtte Balthazar de postbode op. Hij vertrok speciaal later naar zijn werk. “Is er een brief voor mij postbode?”, riep hij telkens naar de postbode, terwijl die nog een paar huizen verder stond. Maar het waren telkens betalingen. Balthazer keek uit naar het antwoord van Veroniek. Een keer was hij zelfs de postbode achterna gefietst, omdat Balthazar net te laat buiten was. De postbode had zelfs schrik van Baltahazar, omdat die maar bleef roepen. “Een brief, een brief, van mijn lief.” Balthazar kon de postbode niet inhalen, want die was ook een amateurwielrenner. Tot die ene dag, eind augustus. De postbode overhandigde Balthazar een brief. Hij had de hoop bijna opgegeven. Aan de envelop kon hij meteen zien dat de brief van Veroniek was. Ook omdat haar naam op de achterzijde stond. 12. Na de brief ging alles in een sneltreinvaart voor boer Balthazar. Hij had nog heel wat werk vooraleer de tv-ploeg bij hem kwam filmen.  Hij begon aan een grote schoonmaakbeurt, zowel het huis als het kippenhok. Hij kocht een nieuw kostuum en stond daarmee elke dag een paar keer voor de spiegel. En tenslotte oefende hij een recept om Veroniek aan te bieden als ze naar hem thuis kwam.   Bij de tv-kok had hij een interessant gerecht gezien. Een quiche met spinazie, prei en paprika. Het zag er geweldig lekker uit. Op tv dan toch. En terwijl hij poetste of aan koken was, zong hij het hetzelfde liedje: “Veroniekske, Veroniekske, jij bent echt mijn lievelingskiekske.” 13. De dag van de opnames begon perfect. Veroniek kwam samen met de regisseur en de camermensen aangereden en het was meteen een vrolijke boel. Veroniek was nog mooier dan Balthazar had gedacht. Ze had een bloemetjesjurk aan en daaronder droeg ze witte sneakers. Ze had bijna een punkkapsel. Helemaal anders dan op tv, toen ze nog lange blonde haren had. Maar dit was nog mooier. Zoiets mooi had Balthazar nog nooit gezien. “Ik geef jullie eerst een rondleiding”, zei Balthazar. “Dit zijn mijn kippen. Die daar is Eddy. En daarachter Joop. En dat is Wilfried, die is altijd het snelst als ik eten breng. De schavuit.” “Wat een bijzondere namen”, zei Veroniek. “Ja, het zijn allemaal namen van wielrenners”, zei Balthazar. “Wielrenners van vroeger. Omdat ik zelf nog heb gekoerst vond ik dat wel leuk. Op de een of andere manier passen hun namen bij de kippen.” 14. Net toen Balthazar en Veroniek zich aan tafel hadden gezet, en ze amper een eerste hap van de quiche hadden genomen, begonnen de kippen plots te kakelen. Allemaal tegelijk, zeer luid en in dezelfde toon. Ook Veroniek had het gehoord. “Zeg Balthazar, dit is voortreffelijke quiche”, zei ze. ”Dat heb je in je brief niet geschreven, dat je ook lekker kan koken.” “En wat kakelen je kippen toch mooi”, zei ze. “Precies allemaal in dezelfde maat. Zoiets mooi heb ik nog nooit gehoord. Het lijkt wel een liedje. Heb jij ze dat geleerd? Ik val van de ene verbazing in de andere.” Maar de kippen kakelden niet zomaar. Ze hadden iets voorbereid.  15. Balthazar herkende het meteen. Ze kakelden op de toon van het liedje dat hij de laatste tijd altijd zong. “Veroniekske, Veroniekske, jij ben mijn lievelingskiekske.” Hij kookte meteen van woede. Zijn hoofd was als een ballon die ontplofte. Alleen vlogen er gelukkig geen stukjes neus of oren in het rond. “Verdomde kippen, ik doe ze in de soep”, grommelde hij. Omdat hij nog op een stukje quiche aan het knauwen was, verstond Veroniek niet wat hij zei. Maar er vlogen wel stukjes prei en paprika uit zijn mond. “Pardon, excuseer me even”, zei Balthazar met een rood aangelopen hoofd. Dat verstond ze wel. 16. Hij bulderde als een woeste stier naar buiten en rende recht naar het kippenhok. Hij liep zelfs met zijn hoofd naar beneden, net zoals een stier dat doet als hij aanvalt. “Waar zitten jullie? Dekselse kippen”, riep hij. Hij zag geen enkele kip. Maar toch hoorde hij ze nog kakelen op de toon van het liedje. Eigenlijk had hij totaal geen reden om zo naar buiten te stormen, want Veroniek vond het prachtig. Zingende kippen. Wie had dat ooit gehoord? Balthazar moest wel een echte bijzondere boer zijn, dat hij hen dat had geleerd.  Haar hart klopte alsmaar sneller voor Balthazar. Maar daar dacht Balthazar niet over na. Want hij meende dat de kippen hem een hak probeerden te zetten.  Daar had hij gelijk in. En daar had Eddy ook op gerekend. Ze had een plannetje beraamd waarbij het etentje met Veroniek vast en zeker zou mislukken. Als wraak voor al die keren dat hij ‘domme kippen’ had geroepen en naar hen had getrapt met zijn koersschoenen. 17. Eddy stond samen met de andere kippen en de haan achter het kippenhok opgesteld. Net zoals de kippen in de kermiskoers, waar Balthazar jaren geleden over was gevallen met zijn koersfiets, kwamen ze plots tevoorschijn. Heel stilletjes, zonder te zingen. Ze vlogen vooruit. Zoals echte renners in de sprint van een koers. Eddy op kop, daar achter Joop, Wilfried en alle anderen. Ze liepen zo snel dat Balthazar ze niet had gezien. Ze kwamen uit het niets tevoorschijn en Balthazar nam een tuimel zoals je nog nooit een turner heb zien doen. Hij maakte wel drie salto’s. Maar zijn landing was niet zoals een turner. Hij zou er geen punten voor krijgen. Hij landde niet op zijn voeten, maar plat op zijn buik, volop in de kippenstront. De kippen hadden dat allemaal mooi bij elkaar gelegd. Dat was ook een heel werk geweest. “Eendracht maakt macht”, zei Eddy. “En een heleboel stront”, voegde Wilfried er nog aan toen, die altijd in was voor een grapje.  18. Zijn gezicht, het mooie pak, zijn schoenen, alles hing vol kippenstront. De kippen keken er even naar en verdwenen, terwijl ze opnieuw ‘Veroniekske, Veroniekske’ kakelden, terug in het kippenhoek. Je kan je wel voorstellen hoe Baltazar de keuken in kwam.  De geur was niet te harden.  Veroniek sloeg meteen haar handen voor haar haar mond en meteen snel naar haar neus. Wat een stank. De kippen waren buiten ondertussen opnieuw aan het zingen. Ze kakelden zo luid dat de buren opnieuw kwamen kijken. “Wat is er toch bij Balthazar aan de hand?”, zei de buurvrouw. “Het lijkt wel of de kippen zingen en er staat een tv-ploeg voor de deur.” 19. Balthazar had zich ondertussen wat gewassen en zette zich terug bij Veroniek aan tafel. De quiche was ondertussen koud geworden.  “Zal ik deze even voor jou opwarmen?”, vroeg Veronique. “Nee, laat maar”, antwoordde Balthazar. “Mijn honger is over.” “Maar dan moet je me wel even vertellen wat er daarnet is gebeurd”, zei Veronique. “Waarom werd je zo kwaad op de kippen, terwijl die toch fantastisch mooi kakelen. Het lijkt wel een liedje.” 20. En Balthazar begon te vertellen. Over zijn jongensdromen, dat hij altijd wielrenner had willen worden. Dat hij het niet onaardig deed bij de wedstrijden voor de jeugd, dat hij echt gebeten was door de wielersport, maar ook dat hij tijdens een kermiswedstrijd heel erg was gevallen, over de kippen die de straat overstaken en dat hij daarna niet meer op de weg durfde te fietsen.  Dat hij dan maar ambtenaar in de hoofdstad was geworden, maar dat hij nog altijd een passie voor wielrennen had. En dat hij thuis veel fietste op de rollen en naar de wedstrijden op televisie keek. En dat hij de kippen namen van wielrenners had gegeven. “Maar dat had ik je al verteld”, zei hij. 21. En daarna brak Balthazar. Niet in twee, zodat er twee Balthazars waren, maar hij brak van spijt en verdriet. Hij barste in tranen uit. Hij legde zijn hoofd op tafel en hij begon te snikken. De camera bleef ondertussen maar draaien, want ze wisten dat ze nu wel een heel bijzondere aflevering aan het opnemen waren. Maar dat was zonder Veroniek gerekend. Ze vroeg aan de regisseur om naar buiten te gaan. “Dit moeten jullie niet opnemen”, zei ze. De regisseur protesteerde nog. “Maar wacht eens even Veroniek”, zei hij. “Wij maken hier het programma, en ik vind dat we dit ook moeten opnemen. Dit staat zelfs in het contract.” “Contract of niet, zonder mij heb je helemaal geen programma”, zei Veroniek fel. “Het stopt hier. Ik roep wel als jullie terug binnen mogen.” 22. Daar zaten Veroniek en Balthazar. Hij had ondertussen zijn tranen afgeveegd en Veroniek had haar hand om zijn arm gelegd. “Ik vrees dat jouw val van vroeger in de kermiskoers toch iets meer teweeg heeft gebracht dan je zelf denkt”, zei ze. “Onbewust was je al die jaren heel erg kwaad op de kippen. Ook al denk je zelf misschien van niet. Omdat je de kippen van die kermiskoers niet meer ziet, verplaats je je woede op je eigen kippen. Misschien is het zelfs beter dat je geen kippen houdt. Want die beestjes kunnen er niets aan doen”, zei ze. “Misschien heb je wel gelijk”, zei Balthazar. “Misschien …” “Misschien moet jij eens een keer bij mij op bezoek komen”, zei ze. “En laat ons die hele tv-uitzending maar vergeten.” “Misschien is dat wel het beste”, zuchtte Balthazar. “Misschien moeten we dat doen.” 23. En zo gebeurde het. Veroniek stuurde de tv-ploeg naar huis. Er waren immers altijd reserveboeren die ze konden opbellen. Wat er allemaal was gebeurd, kon niet uitgezonden worden. De tv-zender wilde het juist wel uitzenden, want zoiets lokte veel kijkers. Maar voor Veroniek was het welletjes geweest. Balthazar was duidelijk nog gekwetst van het voorval met de kippen in de kermiskoers. Niet gekwetst aan zijn knieën of schouders, maar wel in zijn hoofd en aan zijn hart.  Diep vanbinnen was hij dat nooit vergeten en nam hij het de kippen kwalijk dat ze zijn koersambities hadden gedwarsboomd.  24. “Veroniekske, Veroniekske, jij bent mijn lievelingskiekske”, zong Veroniek in haar tuin. De kippen kakelden vrolijk mee op de melodie. Het waren trouwens heel wat kippen die het liedje kakelden. Wel een stuk of dertig. Ook Eddy, Joop, Roger, Wilfried en alle andere kippen van boer Balthazar scharrelden er rond. Ze waren niet langer bij Balthzar, want op een dag had hij ze meegenomen naar Veroniek. Na de mislukte tv-opnames waren ze elkaar blijven zien en een tijdje later werden ze de beste vrienden. Veroniek had aan het programma geen ‘vaste boer’ overgehouden.  Wel een goede vriendschap met Balthazar, waarmee ze alsmaar beter kon opschieten. Ze keek er telkens naar uit als hij had laten weten dat hij naar de boerderij van Veroniek kwam. Als Balthazar bij Veroniek met zijn rennersfiets achterom kwam gefietst, begonnen zijn kippen spontaan het liedje te kakelen. Ze waren hem niet vergeten. Veroniek wist dan dat Balthazar was gearriveerd en ze zong vrolijk mee. Balthazar had haar immers na een tijdje wel verteld over het liedje en Veroniek vond dat geweldig grappig. Als Balthazar de kippen het liedje hoorde zingen, moest hij zelf ook lachen. Het hele voorval met de kippen tijdens de opnames van het programma was hij zo goed al vergeten. Ook aan de val over de kippen tijdens de kermiskoers dacht hij nog maar zelden. Eddy, Wilfried en de andere kippen renden meteen naar het hek van het kippenren als ze hem zagen. Alsof ze hem wilden begroeten.  “Dag Eddy”, zei Balthazar dan. “Hoe gaat het met jou?” Einde

Rudi Lavreysen
0 1

Klavertje en Strohalmpje

Klavertje, een stevige jongen en zijn pienter zusje Strohalmpje mogen vandaag samen in het bos gaan wandelen. De twee kinderen zijn even oud. Ze zijn op dezelfde dag geboren als broer en zus. Ze zijn zowat onafscheidelijk. Tot nu hebben ze altijd naast elkaar mogen zitten in de klas. Dat vinden ze zeer prettig. Tijdens de speeltijd speelt hij wel liever met de jongens, zij vinden meisjes soms te flauw. En zij speelt liever met de meisjes, zij vinden de jongens soms te bruut. Wanneer de speeltijd gedaan is en wanneer ze naar huis mogen, blijven ze wel heel graag samen. Deze woensdagmiddag mogen ze voor de eerste keer alleen naar oma en opa, die aan de andere kant van het bos wonen. Samen met hun papa en mama zijn ze er al veel geweest. Omdat het niet echt ver is, en het bos zo mooi is om wandelen, gaan ze meestal deze zelfde weg.   Omdat ze lief en dapper zijn geweest vandaag, mogen ze van mama er samen op uit. Wanneer ze dan vanavond terug zijn, zal mama iets lekkers voor hen maken. Met verlangen kijken ze uit naar de pannenkoeken die mama zal bakken. Dat is hun lievelingseten, daarom weten ze dat mama dit voor hen gaat klaarmaken. Voor Klavertje zal mama zijn geliefkoosde confituur van blauwe bessen klaarzetten. En voor Strohalmpje zal dat een banaan met bruine suiker zijn. Hun vermoeden vertellen ze elkaar graag terwijl ze met dromende ogen verder stappen. De vele keren dat ze met mama en papa deze weg liepen, hebben ze altijd goed opgelet. Bomen en planten staan er heel veel in het mooie bos en ze wilden het verschil leren kennen. Daar had papa iets op gevonden. Hij nam altijd een boek over bomen en planten mee. Daar staan mooie prenten in. Elke wandeling stopte hij bij een andere boom en las voor wat het boek over die boom te vertellen heeft. En dat was heel veel. Veel te veel om dat allemaal ineens voor te lezen, en dan nog te onthouden ook. Papa moest toegeven dat ook hij daar problemen mee had. Daarom vertelde hij de tweede keer bij eenzelfde boom niet alles meer. Eerst vroeg hij hen of ze iets hadden onthouden. Natuurlijk was dat niet zo. Papa werd daar niet boos voor, hij keek niet zo sip als de leerkracht in de school wanneer ze een antwoord niet wisten. Papa was zo eerlijk om de test voor zichzelf te doen. Hij dacht na wat hij nog wist, zei dat eerst en ging dan toch in het boek kijken of het wel juist was. Niet altijd was dat zo. Klavertje en Strohalmpje lachten dan wel eens, maar ze wisten dat het langer zou duren vooraleer zij alles zouden onthouden. Na de test las papa het eerste feit dat in het boek stond. Wanneer het over de schors van de boom ging, streelden ze die met drie om te voelen hoe puntig, vlak, grof of generfd ze was. Ook mama deed af en toe mee en stelde dan ook vragen als: ‘Hoe kan ik nu weten dat dit een grove schors is, of dat het de vele nerven zijn die ik nu voel?’ Dan trokken ze samen op onderzoek door te voelen, te ruiken, dingen die ze dachten te zien te benoemen en samen kwamen ze tot een besluit en werden wijzer. Zo onthielden ze natuurlijk ook makkelijker welke eigenschap die boom had. De volgende keer was het niet alleen het kenmerk dat ze wisten, ook dikwijls wat en wie er iets speciaal over verteld had. Zo hadden ze die termen beter begrepen. Wanneer een blad werd beschreven moest papa altijd proberen twee van de laagst hangende takken te halen. Natuurlijk ging dit niet bij de grote bomen. Dan gingen ze onder de boom op zoek naar het meest volmaakte blad. Ook die werden dan bekeken, bevoeld en ook meegenomen. Een hele verzameling ervan hadden ze elk in een plakboek. Strohalmpje had daar steeds de bijzonderheden bij geschreven. Om het juist te hebben, schreef ze alles over uit het boek van papa. Klavertje vond dat flauw. Hij schreef hooguit de naam van de boom bij het blad. Je ziet toch hoe het blad eruit ziet, vond hij. Strohalmpje liet hem in zijn koppigheid. Zij wist de kleur nog van het blad want ze had het opgeschreven. In het boek van Klavertje zaten alleen bruingedroogde bladeren waar hij niet meer van wist of die groen waren geweest of die niet iets geler of roder van kleur waren wanneer ze nog aan de boom hingen. Koppig als hij is, vroeg hij nooit of Strohalmpje het niet wilde vertellen. Hij zou de volgende keer bij het blad goed naar de kleur kijken, dan zou hij het wel onthouden. Het ging natuurlijk niet alleen over de kleur van het blad. Hoe groot het kon worden, zagen zij aan hun exemplaar. En welke vorm het had, konden ze meestal ook nog wel zien. Toch was dat niet altijd meer zo bij een uitgedroogd blad. Ook daar had Strohalmpje de oplossing voor. Zij was met een groene, iets dikkere stift, rond het blad gelopen en had de vorm hierdoor echt vastgelegd. Wanneer het blad niet echt groen was had ze in de voorraad stiften die ze ook voor de school gebruikten, de kleur die het dichtstbij was, gezocht en had daarmee de omtrek getekend. Wanneer Klavertje haar zo bezig zag, schudde hij zijn hoofd. Zijn zus was altijd zeer geconcentreerd bezig, de tong dikwijls tussen de lippen. Zijn gedachten zaten al bij het spel dat hij wilde spelen. Verstrooid antwoordde zij wel, terwijl ze verder bleef werken om de informatie zo volledig mogelijk over te schrijven en het blad te tekenen. Tot ergernis van Klavertje, die het allemaal overdreven vond en wou beginnen spelen, kon zij tot een half uur bezig zijn. Dan werd hij boos en begon allerlei verwijten naar haar te roepen. Strohalmpje trok haar schouders op en werkte aandachtig verder. ‘s Avonds kon ze haar nieuwe pagina’s aan papa tonen. Die was dan heel fier maar wist wel dat hij haar niet extra in de bloemetjes mocht zetten. Klavertje zou dat uiterst kwalijk nemen en zich enkele dagen zo koppig en vervelend gedragen dat het plezier uit heel het huis zou verdwijnen. Daarom gaf hij Strohalmpje alleen maar een verdoken knipoog. Zij was daar zeer tevreden mee en wist zeer goed dat het meer betekende dan het leek. Klavertje had dit gezien, op school gaf hij haar de volgende dag ook een knipoog. Gelukkig dat ze broer en zus zijn, de leraar had even geglimlacht en verder niet gereageerd.   Nu liepen ze samen in het bos op weg naar opa en oma. Het was de allereerste keer dat zij deze weg alleen aflegden. Wolven waren er niet, dat wisten ze. Als er toch één zou opdagen zouden ze aan zijn staart en oren trekken. Dat hadden ze afgesproken. Wanneer ze dan voldoende hard trokken, zou de bedrieger wel tevoorschijn komen. Dan konden ze hard lachen. Dat hadden ze ook gedaan toen ze die afspraak maakten. Klavertje zou aan het dak van het huis gaan voelen of het van peperkoek was. Ze kregen bijna buikkrampen van het lachen. Welgemutst waren ze vertrokken. Aan de eerste boom die ze zich herinnerde, bleef Strohalmpje staan. ‘Wat zou papa nu te verklaren hebben over deze boom? Is dit geen tamme kastanje? Ik herinner mij dat je dat kan zien aan die lange bladeren met puntige uitsteeksels aan de nerven. Was dat niet zo, Klavertje?’ Het is toch niet makkelijk zoveel te onthouden. Ook op de school krijgen ze elke dag weer wat nieuws te horen, soms heel veel zelfs. Papa heeft hen wel gezegd dat zijn vertellingen hen wel van pas zullen komen wanneer de natuurlessen hierover zullen gaan. ‘Ja, ik weet dat nog goed. Zeker omdat we hier met papa en mama kastanjes konden rapen. Weet je nog dat we er warme konden eten bij die man met zijn zinken schotel?’ ‘Dat was lekker. Maar de puree die mama met onze oogst gemaakt heeft, was ook heel lekker. Mmm, gaan we wat kastanjes rapen? Dan maken opa en oma daar misschien ook iets lekker mee.’ ‘Zotteke, zie je er nu liggen? Dat is niet het hele jaar dat je die kan rapen, dat heeft pap toen ook gezegd. En daarbij, we mogen onderweg voor niets of niemand stoppen. We moeten zo snel mogelijk doorgaan, dat heeft mama heel duidelijk bevolen.’ ‘Ja ja, ik weet het. Toch zouden ze dat leuk vinden, denk ik.’ ‘Ach kom, er valt toch niets te rapen. En we gaan niet meer aan een boom vertellen wat we erover weten!’ Samen huppelden ze nu in de grote laan. Tijd om rond te kijken gunden ze zich niet meer, tot …   Niet ver weg van de laan waren vreemde bewegingen achter een grote boom. Ze konden niet goed zien wat er was. Zo te zien waren het vier figuren, meer konden ze nu nog niet zien. ‘Wat doen die nu?’ Strohalmpje was perplex blijven stilstaan. Af en toe schudde ze haar hoofd terwijl ze zich kleiner maakte. Tussen haar wimpers door hield ze de bezigheden in het oog. ‘Als ze mijn ogen niet kunnen zien, weten ze niet dat ik al hun bewegingen volg.’ fluistert ze. Klavertje had de opgewonden vraag van haar wel gehoord maar niet goed verstaan. Ook haar laatste verzuchting was niet tot hem doorgedrongen. Toen hij merkte dat ze achterbleef, volgde hij haar blik. Ook hij schudde zijn hoofd. Samen tuurden ze naar de vreemde bewegingen van dat viertal. Ze keken elkaar licht verbaasd aan. Strohalmpje herhaalde met een zucht: ‘Wat doen die nu?’ Klavertje bleef sprakeloos turen. Met de neus bijna in de grond leken een man en drie kinderen als sprinkhanen te bewegen en zo rondom te speuren. Met de neuzen dichtbij de grond leken ze bladeren voorzichtig opzij te schuiven. ‘Die mensen doen raar, wat zouden die daar zoeken? Hebben ze zelf iets verloren of zo?’ ‘We moeten voortmaken, we mogen ons niet laten afleiden. Dat zei mama, dus we maken voort.’ ‘Dan zullen we dat aan papa moeten vragen wanneer we hier de volgende keer voorbij komen. Kom we spoeden ons verder. Oma mag niet ongerust zijn.’  

Luc Van Roosbroeck
0 0

De ladder naar de zon

Personages: Victor De laddermaker De visschoonmaakster De vetervrouw De sokkenruiker De centenpoetser De bewijzer De proever De soepzever De grote letterlezer De boekenzoeker De vuile brillenpoetser De vleugelmaker 1. Victor had al veel gehoord over de zon. Iemand had hem zelfs verteld dat de zon een vuurbal was.  Dat leek hem straf. Maar misschien zou het kunnen. Hoe kon hij dat nu zeker weten?  “Ik kan naar de zon klimmen”, zei Victor. “Dan weet ik het meteen. Als ik wil weten of de pudding van mama lekker is, moet ik die gewoon proeven. Dat is ongeveer hetzelfde.” Met een lange ladder zou het moeten lukken. Want hij zag de zon met het blote oog aan de hemel staan. Maar voor een ladder heb je veel hout en spijkers nodig. Plus een zaag en een hamer. Dat had Victor allemaal niet. 2. Gelukkig was er een laddermaker in het dorp van Victor. Je had er nog meer bijzondere beroepen. Zoals een visschoonmaakster. Veel mensen eten graag vis, maar ze maken die niet graag schoon. Er was ook een vetervrouw. Ze deed de veters in schoenen, want dat is best moeilijk. Ze hielp je ook met het strikken van de veters.  Je had ook een sokkenruiker. Hij rook aan je sokken en wist dan te zeggen of ze gewassen moesten worden.  Als je in het dorp iets wilde worden, dan kon het ook.  3. “Dag laddermaker, kan je voor mij een ladder naar de zon bouwen?”, vroeg Victor.  “Heb je centen?”, antwoordde de laddermaker.  “Nee, kan ik die zelf maken?” “Nee, dat kan niet, maar je kan wel naar de centenpoetser gaan. Sommige mensen vinden het vies om geld vast te nemen, omdat het al door veel handen is gegaan. Deze mevrouw poetst de centen, maar sommige centen krijgt ze niet meer zuiver. Misschien krijg je die van haar. Voor mij is dat oké.” 4. Het gezicht van de centenpoetser zat vol zwarte vegen. Ze leek wel een mijnwerker die net uit een steenkoolmijn kwam. Ze veegde met haar hand over haar gezicht, maar toen werd het nog zwarter. “Ik kan je enkele zwarte centen geven”, zei ze. “Maar ik moet een bewijs hebben.” “Een bewijs?” “Ja, dat je ter goeder trouw bent.” “Wat betekent dat?” “Gewoon, dat ik je kan vertrouwen.” “Maar hoe kan ik een bewijs krijgen?”, vroeg Victor. Nu moest hij weer ergens naartoe.  “Ah, dat krijg je bij de bewijzer. Die kan je een bewijs afleveren.”  5. De bewijzer zat achter zijn bureau. Hij droeg een net pak en keek boven zijn bril uit.  “Je moet eerst een proef volbrengen”, zei de man met een zware stem. “Breng je die tot een goede einde, dan krijg je een bewijs. Maar daarvoor moet je naar de proever.” “De proever? Moet ik daar iets proeven?” “Dat mag ik nog niet zeggen”, zei de bewijzer. “Dat hoor je bij de proever.” 6. Bij de proever rook het lekker. Het leek wel of hij in een restaurant binnenstapte. Hij droeg een grote geruite keukenschort. “Je moet deze soep blind proeven”, zei hij. “Als je weet welke soep het is, kan je terug naar de bewijzer. Ik geef je al een tip. Het is soep met balletjes.” “Maar ik lust geen balletjes”, zei Victor. “Ah, dan moet je eerst naar de soepzever”, antwoordde de proever. “Die zeeft de balletjes uit de soep.” Victor dacht na. Misschien moet ik ze toch proeven. Dat is tijd gespaard. Wie weet waar stuurt die soepzever me naartoe? Victor kreeg een blinddoek om en hij wist het meteen. “Kervelsoep”, riep hij. “Het is kervelsoep met balletjes.” “Heel goed”, zei de proever. “Vertel dat aan de bewijzer en je krijgt een bewijs.” 7. “Hier is je bewijs”, zei de bewijzer nadat Victor had gezegd dat het kervelsoep met balletjes was. Hij plaatste een grote stempel op het document. “Dat lijkt me in orde te zijn”, zei de centenpoetser terwijl ze naar het bewijs keek. “Ik heb hier nog enkele zwarte centen liggen. Die krijg je mee.” “Zo zo, kijk eens aan, zwart geld”, zei de laddermaker. “Daarmee kunnen we een ladder bouwen.” “Mag ik helpen?”, vroeg Victor. “Nee, daarvoor moet je eerst een cursus volgen”, kreeg hij al als antwoord. “Maar je mag wel het materiaal aangeven.” 8. Een week later was de ladder klaar.  Of ze hoog genoeg was, wist de laddermaker niet. Niemand had ooit zo hoog geklommen met een ladder. Samen schoven ze de ladder uit elkaar. Victor begon te klimmen. Wat was het hoog. Hij kreeg het al warm. Maar de ladder was niet hoog genoeg. “Kom maar terug naar beneden”, riep de laddermaker luid.  9. “Het is gewoon veel te hoog”, zei de laddermaker. “Is er nog iets anders dat je wil ontdekken. Nu hebben we die ladder toch. Niet de maan ofzo, iets dat minder hoog is.” “Nee, niet echt. Maar nu weet ik nog niet of de zon een vuurbal is. “ “Misschien moet je naar de grote letterlezer”, zei de laddermaker. “Die heeft alle boeken gelezen. Of toch veel. Ze heeft vast en zeker ergens in een boek staan of de zon een vuurbal is.” “Weet je die wonen?”, vroeg Victor. “Nee, maar ik heb dat wel ergens opgeschreven. Hier is het. Wacht, ik kan het niet lezen. Mijn bril hangt vol stof en houtschilfers. Ga jij voor mij snel naar de vuile brillenpoetser?”  “De vuile brillenpoetser? Geef het papiertje maar aan mij”, zei Victor. “Ik kan het zo ook lezen.” 10. Niet lang daarna zat hij bij de grote letterlezer. Wat had ze veel boeken. “Of de maan of een vuurbal is?”, zei ze. “Dat moet ergens in een boek staan. Maar dan moet ik eerst de boekenzoeker roepen. Geen paniek. Die werkt hier.”  Ze floot luid op haar vingers. Een paar seconden later stond de boekenzoeker er. Een niet al te grote man in een korte broek met renschoenen. Alsof hij aan de start van een marathon stond. Hij had het boek supersnel gevonden. 11. “Even kijken”, zei de grote letterlezer terwijl ze in het boek bladerde.  “Nee, het is geen vuurbal. Maar het is er wel vijfduizendvijfhonderd graden warm. Dan raad ik je aan om er zeker niet dichtbij te komen. Mocht je dat van plan zijn.” Victor dacht even na over de ladder. Maar goed dat het niet was gelukt. Want stel dat je er geraakt, dan brandt de ladder meteen op. Wat een dom idee was het toch geweest. Maar wacht eens. Hij wist nu dat het geen vuurbal was, maar wat was het dan wel?  Was er geen vleugelmaker in het dorp? Nee, dat ging ook niet. De grote letterlezer had gelijk. Vijfduizendvijfhonderd graden, dat is behoorlijk warm. Een stuk warmer dan op een hete zomerdag.  “Nee, natuurlijk niet”, zei Victor. “Dat ben ik niet van plan. Daar moet je goed gek voor zijn.” “Of niet?”   (einde)

Rudi Lavreysen
0 0

Het weerzien

‘Hoe zat dat weer Whimsyridge? Die musketiers waren die nu met drie of met vier?’‘Tja, Tinkervoet, ze waren eerst met drie en later kwam er een vierde bij.’‘Wij zijn met zijn vijven en samen kunnen wij alles aan: één voor allen, allen voor één!’De vijf kabouters zijn op zoek naar de Kabouterberg.Brimwick is de stille bewaker van het bos,  altijd op hun hoede zijn de geheimzinnige en slimme Fizzlewhisk en Mosglimmer , de wijze Whimsyridge zit vol eeuwenoude geheimen en de speelse Tinkervoet zit vol kattekwaad en durft je wel eens te bedriegen. Ze hebben in een atlas gezocht naar bergen die met K beginnen. De K2 is het niet, die ligt ver weg in Azië.  In hun bosrijke streek zijn er twee bergen die in aanmerking komen, maar hun namen zijn enkel aangeduid met K’berg.  ‘Hier moet het zijn’, roept Tinkervoet als ze de berg opstappen.‘Dit is vreemd, wat doen al die bordjes hier met namen op en hier en daar staat er zelfs een kruisje?’Brimwick herkent meteen deze plakkaatjes.‘Dit zijn graven van dieren, die heb ik al meermaals gezien in bossen. Welke namen staan er op?’Mosglimmer leest voor: ‘Snuffel, Witvachtje, Pip, Pluisje, Vlekje en hier is zelfs een Nijntje.’Whimsyridge weet meteen wat er fout is.‘Dit is niet de Kabouterberg maar de Konijnenberg natuurlijk’, zegt hij wijselijk.Ze moeten verder op zoek,  maar weten niet welk gevaar  er dreigt op deze Konijnenberg . Aan het andere eind van de heuvel lopen vier wanstaltige gedaanten. Dit zijn beslist niet de Vier Musketiers.  Het zijn trollen.Blargfang staat bekend als de nachtmerrie voor alle reizigers, Blarglurk is een vraatzuchtige veelvraat, Grisjthar stinkt uren in de wind en Tork irriteert iedereen door zijn gesnuffel aan alles en nog wat.‘Laten we hopen dat er nog wat verse kadavertjes te vinden zijn’, smakt Blarglurk. Viesgroen speeksel druipt daarbij uit zijn mond.‘Lekkere konijnenboutjes, ze zijn nog beter als ze enkele dagen oud zijn‘, kwijlt Grisjthar.Van mensen die wild eten is geweten dat ze het vlees eerst laten ‘besterven’. Fizzlewhisk is van oudsher op zijn hoede en heeft rare geluiden gehoord. Hij raadt de groep aan om zich te verschuilen.  Maar goed ook, op veilige afstand merken ze hoe de vier trollen zich een weg banen door het struikgewas. Met zijn gesnuffel heeft Tork al snel de plaatsen gevonden waar nieuwe konijnen begraven liggen. Met hun handen als schoppen delven de trollen de lijken op die ze gulzig opsmikkelen. Telkens ze er een hebben opgegraven maken ze de kuil weer dicht en plaatsen het naamplaatje terug. Zo weet niemand dat de dieren verdwenen zijn. Tinkervoet walgt zodanig van de stank die Grisjthar verspreidt dat hij plots moet overgeven. De trollen horen zijn gekokhals en komen op de groep kabouters af.‘Zo, kijk hier, hier liggen nog wat toetjes in het struikgewas’, grinnikt Blarglurk. ‘Laat ons met rust, jullie buiken puilen al uit van al dat gefret. Wij zijn verdwaald en zoeken de Kabouterberg. Ik herken je, Blargfang en weet dat je veel reist. Jij weet beslist welke richting we uit moeten?’‘Kijk eens aan,’  zegt Blargfang ‘als dat Whimsyridge niet is, ouwe rakker, wij hebben elkaar al eens eerder ontmoet maar waar ben ik vergeten. Natuurlijk laten we jullie gaan. Oude kabouters smaken daarenboven niet, geef ons maar jong mensenvlees, zoals de kindertjes op de Kabouterberg. Die ligt hier niet ver vandaan. Een paar uurtjes stappen in noordoostelijke richting, dat wordt minstens een halve dag trotten met die korte beentjes van jullie. Haha…!’ Het kaboutervolkje maakt zich snel uit de voeten…

Vic de Bourg
11 1

Aan alle prinsen en prinsessen!

Hallo jij daar, prins of prinses van dit vreemde land! Je denkt nu vast: 'heeft die kromme heks het tegen mij?'. Wel, het lot heeft bepaald dat jij en ik aartsvijanden zijn. Wat houdt dat in? Dat ik jou ga opsporen, vinden en vervolgens de pijp uit laten gaan. Maar ach, het lot is slechteriken als ik meestal niet gunstig gezind. Daarom ga ik sluw te werk. Maar oeps, ik mag natuurlijk niet verklappen hoe ik dat ga doen. Kom eens even wat dichter. Dan vertel ik je meer over wie ik ben. Ik ben Syrah, Syrah de Slimme, ook wel de Laffe. Maar... vooral De Slimme! Ik zwiep graag met m'n bezemsteel door de lucht en kakel dan wel eens als een klein heksje. Verder leerde ik op de heksenacademie exact hoe ik dit plan moet uitvoeren. De heksenacademie, vraag je. Dat is de plaats waar heksen groot en klein, jong en oud, leren hoe een goede, of eerder slechte heks te zijn. Je leert er de kneepjes van het heksenvak! Maar, hé, kom nou nog even wat dichter, want ik moet je nog zoveel meer vertellen. Weet je, toen ik jou voor het eerst zag, haatte ik je al, ik wist dat je m'n vijand was en daar kon ik niet met leven, met jou! Jij had vast hetzelfde gevoel toen je mij voor het eerst tegenkwam. Daar ben ik driehonderd procent zeker van. Nu, neem gerust even een drankje, misschien die thee die ik je nu even door dit blad heen ga aanrijken. Mijn favoriete huisbereide thee. Wat? Of ik hem vergiftigd heb? Hoe durf je! Ik ben een eerlijke heks, ik zou nooit liegen over iemand vergiftigen. Of toch? He he. Jij bent een prins, of prinses, en ik - ik ben gewoon een kromme, bepukkelde heks. En dat is waarom we aartsvijanden zijn. Heksen en zij van koninklijke afkomst, tja, dat werkt gewoon niet. Dat is sinds het begin der tijden al zo. Weet je nog Sneeuwwitje en haar stiefmoeder, die ook een heks was? Of Doornroosje en haar boze heks? Elke prins of prinses heeft zo'n aartsvijand en ik ben de jouwe. Maar laat ons nu maar ophouden met deze dans. Hij heeft lang genoeg geduurd. En ik ben klaar om toe te happen? Kom nog even net ietsje dichter. Ja, goed zo! Je bent nieuwsgierig waar dit verhaal naartoe gaat, niet? Ik zal het je zo zeggen, want onze dans is bijna gedaan. Deze dans van aantrekken en ontwijken, aanraken en dan weer wegduwen. Ik hou ervan m'n prooi de stuipen op het lijf te jagen. Zachtjes te aaien om dan te doen schrikken. HA! Wat een feest, wat een feest, want jij... Jij bent er GEWEEST! Ik hap toe, maar ach, wat een pech, dat blad hier raak ik niet voorbij, dus loop je weg. Maar prinsje of prinsesje in die wereld voorbij dit blad, hou je klaar, want 's nachts verschijn ik weer op je pad! Dus hou je stil en verstop je goed, want Syrah de Slimme weet heus wel hoe ze uit dit blad raken moet! Maar voor nu ben je dus nog even veilig. Wat zal ik je missen, mijn aartsvijand, want heksen kunnen niet rusten tot hun koninklijke tegenpool de laatste adem heeft geblazen en de ochtend niet meer ziet. Dus slaap zacht, tot morgen, of toch niet!

Soetkindb
2 1

ik lees met Mees -- fiets

  Dit is mijn dorphier is mijn straatin die straat staat mijn huisin dit huis woon ik   dit is meesmees haar jurk is roosmees is zes jaarmees zit in mijn klasik speel vaak met mees   in ons dorp is een bosin het bos staat een hutnaast die hut zit ikmijn fiets is meeik maak me klaar   daar is mees-dag mees!mees zit op haar fietshaar fiets heeft een belTING TING doet de bel-ben je klaar?helm op en hupik ga meemee met mees   ik weet een spelwe doen een koersik rij een toerzo snel ik kanen dan mag mees1      -      2      -      3      -      START   ik rij mijn toerdoor het bosnaar de wegen weer naar de hutik ben snel   nu mag meesmees is ook snelze kent mijn toer:door het bosweer naar de wegen dan    - BOEM-   daar is een puteen put in het bosen daar ligt meesnaast haar fiets   mees weentmees heeft pijnpijn aan haar kniemees huiltze wint nietik troost haarde pijn gaat weg   mees staat ophaar jurk is viesmees wil geen koers meermees wil naar huis   daar is mijn huisen daar is mijn tuinmet een boomen nog een boomen aan de kant een haagik zet mijn fiets wegmees doet dat ook   ik weet nog een spelmees kent het ook-wat zie ik in de wolk?ik lig op het grasmees ookik kijk en zeg-het is een bolmees gilt-ik zie een bal   nu mag meesmees kijkt en toont-het is lang-een slangik zie de slang ook   nu mag ik weer-ik zie,    ik zie...dat is gekik weet niet wat ik zieik toon het aan meesmees is blij-ik zie,    ik zie,wat jij niet zieteen wielen nog een wielen een stuur-ik zie een fietseen fiets in een wolk   mees kijkt naar mij-ik weet van wie die fiets is-ik niet-het is jouw fietshoe weet mees dat?-die fiets heeft geen belja, dat is waarnet als mijn fiets   ik kijk en ziebal, slang, fietsen meeswie ben ik? WOLF

Rosemarijntje
7 1

ik lees met Mees -- buik-boek

Dit is de straat van Mees. Daar staat haar huis. Ik stap er heen. Ik ben er zó. Ik slaap daar straks. Mees is blij. Mee is blij. Ze zwaait al. Ze lacht naar mij. Ik hou van Mees. Mees ziet mij ook graag. -        Dag Mees, hier ben ik weer! -        Wat wil je doen? -        Ik weet een leuk spel: jij beeldt iets uit en ik raad wat. -        Of we doen gek.  -        Dat is ook tof. -        Ik zet een hoed op met een bloem. En ik draag een strik om mijn hals. -        Oh, en ik verf je neus rood! -        Wat kies jij? Een pruik? Dat klinkt leuk! Mees neemt mijn hand en trekt me mee de trap op. Ik ken de weg. Haar bed staat links. Het is groot en paars. Pop wacht op ons. Ze zit al klaar. Naast het bed staat een kist. Ik zie de hoed met de bloem. Mees zet hem op. Ik zoek iets voor mij. Ik kies een rok en trek hem aan. De sjaal sla ik om me heen.Na een uur zijn we klaar. Gek doen is leuk en fijn met twee. Het maakt ons moe. Mees wenkt naar me en sluipt de trap af. Ik glip mee het huis uit. Ik weet dat het mag. “Kom”, zegt Mees, “We gaan naar de bib.”Het is niet ver. We gaan te voet. De bib is groot. Rij na rij. Kast naast kast. Rek naast rek. Mees kiest een boek. Een boek met een draak. Op de kaft staat ook een man met een zwaard.Ik zoek nog. Ik wil ook een boek. Ik sla een gang in. Ik kijk in het rek naast het raam. Ik vind een boek dat me leuk lijkt. Het noemt “ In de buik”. We gaan naar huis. Elk met ons boek. Mees zit op haar bed. Ze lees uit haar boek. Ze leest luid. Zo hoor ik het ook. “De man gilt. De draak spuwt vuur. De man is bang.” Ik hou niet van dit boek. Het is voor mij te eng. Mees snapt het en knikt. “Lees jij maar uit jouw boek.”Ik zit naast Mees op het bed en start. -        Dit is mam en dit is pap. Pap heeft een snor. Die prikt.Mam haar buik is bol. Het lijkt wel op een ton. In die buik zwemt mijn zus. Ze is nog klein. Eerst was ze zo klein als een noot of een druif. Dan zo groot als een kool. Ze groeit snel. En toch te traag. Want ik wacht niet graag. Dus ik geef de buik een kus. SMAK.Soms voel ik mijn zus. Het lijkt of ze schopt naar mij. Ze rolt in de buik. Ik kan dat zien. “Hé”, zegt Mees, “Dat lijkt op jou! Jij krijgt ook een zus!”Dat is waar! Ik lach mee met Mees. Dit boek is leuk. Ik sta in het boek. En mijn zus ook. Ik lees nog meer. Niet luid, wel stil. Ik zoek de naam van mijn zus. Zou die hier in staan? Dan roept Roos. Roos is de mam van Mees. Het licht moet uit. Het is al laat. Het is tijd voor bed. Die nacht droom ik van pret met Mees. En ook van mijn zus. Ik hou nu al van mijn zus. Ik wil dat ze uit de buik komt.

Rosemarijntje
1 0

Proxx: Het Waterrijk

Hoofdstuk 1: De gestolen bubbel“Uwe majesteit, alles is in orde. De bubbel is nog veilig, het plein is volledig vol en iedereen wacht op het zien van uw dochter.”Maria knikte als antwoord naar haar lijfwacht. “Dank je, Pascal. Neem even een kleine pauze. Tony neemt het wel even over van je.” Pascal, een donkergrijze platvis, knikte en wandelde de troonkamer uit en werd al snel vervangen door een bruine platvis, Tony. Hij was een iets wat oudere vis, maar hield van zijn job. “Uwe majesteit, het is tijd.” Maria knikte en stond op. Ze volgde Tony naar het balkon dat uitkeek op het waterrijk en de menigte die zich verzameld had. De juichende vissen en waternimfen werden stil. “Mijn vrienden, familie. Welkom. Ik zou jullie willen bedanken voor jullie komst. Zoals jullie weten zal er spoedig een troonopvolgster zijn die het van me zal overnemen. Het is een moment van zowel vreugde als verdriet, want het markeert het einde van een tijdperk waarin ik deze kroon droeg met trots en vastberadenheid.Toen ik mijn plaats op de troon innam, was ik misschien niet klaar voor de verantwoordelijkheid die het met zich meebracht. Maar ik leerde dat leiderschap niet gaat over macht, maar over het dienen van de volgelingen die je hebt beloofd te beschermen. Het gaat niet over de rijkdom van de kroon, maar over de kracht die je vindt in de eenheid van je volk.Vandaag is een moment van overgang, maar ook van hoop. Het is met een hart vol trots en liefde dat ik jullie mijn opvolgster voorstel, de toekomst van ons koninkrijk. Mijn dochter, het nieuwe licht van ons volk, die geboren is uit de oceaan zelf.Zij is nog jong, maar haar ziel is sterk. Haar ogen weerspiegelen de diepste wateren van ons rijk, en haar stem zal de bries van de zee volgen. Haar pad is dat van de oceaan: een pad van mysteries, van kracht en van vreugde. Ze is een dochter van het water, verbonden met alle wezens die onder het oppervlak leven – de vissen, de nimfen, de zeemonsters die ons rijk in al zijn glorie bevolken.Met haar aan de helm zal de zee niet langer slechts een kracht zijn om te vrezen, maar een bron van inspiratie. Mijn dochter, die zich met wijsheid en moed zal tonen, zal in alles de balans bewaren hier in de oceaan. Ze zal ons leiden met een hart vol compassie, een geest vol vastberadenheid, en een ziel geworteld in de diepste oceanen.In deze tijd van verandering wil ik jullie geruststellen: de toekomst is in goede handen. De zee, die alles omhelst, zal haar leiden. Jullie zullen haar pad volgen, zoals jullie het mijne volgden. Haar leiderschap zal niet van mij zijn, maar van ons allen. Want het volk van de oceaan en het land is één, en in dat eenheid vinden we onze ware kracht.Laat ons niet in angst staan voor wat komt, maar in vertrouwen en vastberadenheid. De toekomst is als de oceaan: soms kalm en vredig, soms woelig en onvoorspelbaar. Maar met de juiste koers zullen we altijd blijven drijven, altijd vooruit.Laten we deze dag niet enkel zien als een afscheid, maar als een nieuw begin. De kracht ligt in jullie handen. De verantwoordelijkheid ligt bij jullie. En ik ben er trots op dat ik heb mogen dienen. Moge onze toekomst helder zijn en ons pad recht.”Terwijl koningin Maria haar emotionele speech gaf aan het zeevolk, ging Pascal de bubbel met de nieuwe prinses halen. Als een waternimf geboren wordt, wordt deze omhuld door een bubbel die de baby beschermd en warmte biedt. Pascal wandelde de kamer binnen en deed het licht aan. Zijn ogen vielen op het open raam. “Had ik die niet gesloten?” vroeg Pascal zich af. Hij liet een kreet horen, waardoor andere wachters naar hem toe renden. “Pascal, wat is het probleem? We hoorden je schreeuwen…” De wachter werden stil, paniek duidelijk in hun ogen. De bubbel met de nieuwe prinses was weg. Gestolen.“Verwittig de koningin. Er is geen reden tot paniek. De dader kan niet ver zijn. Wie dit op zijn geweten heeft zal hard gestraft worden,” zei Pascal streng tegen de andere wachters. Ze knikten en één van hen zwom naar de koningin. “Uh, uwe majesteit? We hebben een klein probleem,” fluisterde hij in haar oor. Maria stopte haar speech en keek de wachter aan.“Hoe bedoelt u?” “Geen paniek, mevrouw Maria. Mijn collega’s doen er alles aan om haar te vinden. Het lijkt erop dat er bij u ingebroken is.” De koningin keek vol angst terug naar het publiek vooraleer de wachter haar mee nam naar binnen. “U neemt mij te zeggen dat iemand ingebroken heeft en mijn kind gekidnapt heeft? Wie doet nu zo iets? Ze is nog maar een baby!” De koningin huilde. “We doen er alles aan om haar zo spoedig mogelijk terug te vinden.”Buiten was de menigte van vissen en waternimfen bezorgd. “Wat zou er zijn, denk je?” vroeg een kabeljauw. “Geen idee, maar het zag er niet goed uit. Heb je gezien hoe haar gezicht veranderde?” vroeg een waternimf.Vele vragen kwamen naar boven over wat er aan de hand zou zijn. “Wat als de koningin gewoon de rest van haar speech vergeten is en de wachters hebben haar script gevonden?” Enkele lachten met de grap van de zwaardvis. “Nee, ik denk dat dit is wat er aan de hand is. Het zag er wel nog serieus uit,” antwoorde een andere waternimf. Er was duidelijk lichte paniek bij de menigte. Hun koningin werd niet zomaar terug naar binnen begeleid door enkele van haar lijfwachters als het niets ernstigs zou zijn.Stevige voetstappen van 2 waternimfen renden door de hal, tot ze de troonkamer bereikten. Pascal, Tony en de koningin keken beide mannen aan. “Uwe majesteit, wij hebben uw oproep gehoord,” zei de groene waternimf. “En we zijn hier om u te vermelden dat vandaag onze vrije dag is…maar we een uitzondering maken voor u, gezien de ernst van de situatie,” zei de tweede, gele waternimf. “Ah, de gebroeders Oscar en Paul,” zei de koningin. Oscar en Paul waren zeer bekend in het waterrijk om het obsessie met de mens “Sherlock”. Zo erg zelfs dat ze dezelfde job op hun genomen hebben. Ze waren erg goed in hun vak. Alles wat vermist was, werd teruggevonden. Tenminste, als het niet ging over eten."En jullie zijn zeker dat jullie mijn 2 kilo zeekraal zullen vinden? Ik weet enkel dat de dief die richting uit ging," zei een jonge waternimf tegen de twee broers, haar stem trilde van ongeduld. Haar handen kniknepen om de mand met zeesterren die ze droeg, terwijl ze haar ogen op de horizon fixeerden."Geen zorgen, jongedame," antwoordde Paul met een geruststellende glimlach. "Uw eten zal zo spoedig mogelijk bij u terug zijn."Oscar knikte vastbesloten. "We zullen de dader vinden en de zeekraal veilig terugbrengen."De waternimf keek hen nog een keer van top tot teen aan, alsof ze hen zonder woorden beoordeelde. "Ik vertrouw jullie. Maar wees snel," zei ze voordat ze zich omdraaide en in de schaduw van de rotsen verdween.Zonder verdere woorden doken de broers het koele, diepe water in, hun ademhaling al rustig en kalm, hun ogen scherp op de omgeving. Het onderwaterbos van zeewier was dicht begroeid, de paden werden moeilijker en de rotsen lagen overal in de weg. Maar ze volgden de aanwijzingen van de nimf, tot ze een oud, gezonken schip bereikten. De boeg was bedekt met een dikke laag zeepokken, en de zeewier slierten lagen over het wrak als een bed van roestige veren."Je denkt niet serieus dat iemand hier zijn buit heeft verborgen, hè?" vroeg Oscar, zijn stem klonk een beetje sceptisch terwijl hij door de roestige planken van het schip ploeterde."Dit is de perfecte plek om iets te verstoppen. Als iemand weet hoe je een schip kunt verstoppen, is het wel iemand die zich met diefstal bezighoudt," antwoordde Paul. "Blijf zoeken."En daar, in de schaduw van een instortende mast, vonden ze de dief. Hij was niet bepaald de grootste of de snelste, maar zijn tas zat vol met wat duidelijk de gestolen zeekraal moest zijn."Aha!" riep Paul, zijn ogen glinsterend van vastberadenheid. "We hebben je!"De dief probeerde te vluchten, maar de broers waren snel. Ze omsingelden hem, bonden hem vast en namen de tas met zeekraal in beslag."Je zult niet ver komen," zei Oscar met een grijns. "Het is tijd om terug te keren."De broers zwommen een tijdje in stilte, hun ogen gericht op het pad terug. Maar na een tijdje voelde Oscar een lichte rammeling in zijn maag. "Hé, Paul... van dat onderzoeken heb ik eigenlijk wel een beetje honger gekregen," zei hij, terwijl hij zijn handen door het water bewoog.Paul keek naar zijn broer en rolde met zijn ogen. "Jij niet alleen, broer. We hebben hard gewerkt."Ze vonden een rustige plek tussen de rotsen, waar het water kalm was en het zonlicht door de wateroppervlakte scheen. Ze hadden de tas met zeekraal bij zich, en hoewel het misschien geen royale maaltijd was, was het genoeg om even hun honger te stillen."Waarom wachten? We hebben het verdiend," zei Oscar, terwijl hij een hand vol zeekraal naar zijn mond bracht. Paul volgde zijn voorbeeld, en binnen een paar minuten waren ze de hele tas door aan het werken. Het was misschien niet ideaal, maar het smaakte goed genoeg voor hen.Ze gingen pas verder toen de tas leeg was en hun honger gestild was.Toen ze uiteindelijk terugkwamen bij de jonge waternimf, stond ze daar, duidelijk nerveus en vol verwachting. Maar zodra ze hen zag aankomen, viel haar blik meteen op de lege tas in hun handen, en haar gezicht veranderde onmiddellijk van bezorgd naar woedend. "Wat... wat hebben jullie gedaan?" vroeg ze, haar stem scherp van ongenoegen.Oscar zuchtte en maakte een verontschuldigende gebaar. "Jongedame, we hebben goed nieuws… en niet zo’n goed nieuws.""Het goede nieuws," zei Paul, "is dat de dader is gearresteerd en achter tralies wordt gezet.""Het slechte nieuws," vervolgde Oscar, zijn ogen ontwijkend, "is dat we op weg naar u… een beetje honger kregen."De nimf fronste, haar lippen trilden van frustratie. "Je hebt wat gegeten?" zei ze, haar stem veel strakker dan tevoren. "Mijn zeekraal?"Oscar probeerde het goed te maken. "Het was gewoon een beetje… je weet wel, een noodzaak. We hadden echt geen andere keus."De waternimf keek hen met een blik die scherp genoeg was om schelpen in het water te laten barsten. "Jullie twee..." Ze sloeg haar handen in het water, wat een plas schuim deed opborrelen. "Ik had speciaal voor die zeekraal gezorgd!"Oscar krabde ongemakkelijk achter zijn oor. "We weten het, we weten het. Het was fout van ons. Maar hé, we hebben de dief wel gevangen, toch?"Oscar glimlachte bij de oude herinnering en nam een blad zeewier en een kleine tritonshoornschelp en begon met schrijven. “Dus, we zijn op zoek naar een lichtblauwe bubbel met een baby.”“Een koninklijke baby,” verbeterde Paul hem. “En meneer Pascal, u kwam in deze kamer en zag dat het raam open stond?” Pascal knikte op de vraag van Oscar. “Interessant,” antwoorde hij en schreef dit neer op het stuk zeewier. “Was het enkel de baby die gestolen werd, of zijn er andere voorwerpen ook vermist? Want dat rekenen we apart op onze factuur,” grapte Oscar. De koningin lachte niet. Haar blik ijzig en killig. “Nee. Enkel mijn kind is verdwenen,” antwoorde ze de twee broers serieus. Ook dat werd genoteerd. Terwijl Oscar de notities schreef ging Paul kijken bij het raam. “Ah! Het raam is open getrokken.” Zijn broer schreef ook dat op. “En schrijf ook op dat het glas uit het raam weg is, vermoedelijk door de dader.”Ook dat schreef de broer neer. Al snel had Oscar alles neergeschreven op het stuk zeewier. “Zoals ik het zo een beetje bekijk…” startte Paul en keek naar Pascal en de koningin. “…zijn jullie de pineut. Maar! We doen ons best voor u, majesteit.”Oscar stak zijn schrijfschelp weg en at het zeewier waar de notities op geschreven stonden op. “Laten we gelijk van start gaan. De dader kan niet ver zijn gekomen.”Terwijl de twee broers door het opengebroken raam zwommen, op zoek naar de dader, zuchtte Pascal. “We zijn verdoemd.”   Hoofdstuk 2: De zoektocht“Wie steelt er nu een baby? Ze krijsen, ze huilen en ze stoppen niet als je het hen vraagt,” zei Oscar tegen zijn broer. “En het ergste van alles, als ze een boodschap doen kuisen ze het zelf niet op.” Beide broers draaiden met hun ogen. Het was duidelijk dat ze de zoektocht niet naar hun zin deden, maar het betaalde wel goed. “Wel goed dat de koningin ons dubbel betaald ervoor,” zei Paul met een kleine lach.“Ach, al bij al is het zo erg nog niet. Kijk eens om je heen in wat voor een pracht we zoeken.” De omgeving was gevuld met vervuild water, afval, enkele botten en hier en daar een brokstuk. “Niets verontrustends aan,” zei Oscar sarcastisch voor hij stopte in zijn voetsporen. “Oh, en laten we niet vergeten dat dit de favoriete plek is van de Kraken. Echt, we moeten hem een naam geven…”Paul bleef stil staan. “Ja, we hebben ver genoeg gezocht, we gaan maar weer eens terug.” Zijn broer draaide hem om en keek hem aan. “Maar we zijn hier pas. Denk aan het geld, Paul.” “Maar,” startte Paul. “Kom nu toch,” antwoorde zijn broer hem.Paul wees naar waar hij iets zag bewegen in het donker. Ook Oscar keek naar waar zijn broer wees en nam enkele stappen terug. “Oh….hallo daar Henry,” zei Oscar bang en ging naast zijn broer staan. “Henry?” vroeg Paul zijn broer.“Ja. Ik dacht, geef ik hem nou maar de naam Henry.” Paul draaide met zijn ogen en antwoordde. “Ik denk dat we het geld mogen vergeten.”“Denk je? Tussen leven en kraken voer worden weet ik wel wat ik kies hoor…” zei Oscar bang. Het bewegend dier kwam langzaam dichterbij en bewoog al dansend over het zeebed. Een grote schaduw van het dier viel over hen en ze slikten in angst. “Ik denk dat we maar eens moeten gaan,” zei Oscar en nam een stap achteruit.Ook zijn broer knikte en volgde hem. Iets later verdween de grote schaduw kwam het dier in zicht.Een kleine octopus.“Ah, die is zo schattig!” Paul ging naar de kleine octopus en aaide hem. “Kijk dan toch! Dit is toch totaal niet gevaarlijk,” vroeg Oscar en ging ook op zijn knieën zitten om het dier te aaien.“Ik denk dat ik jou Henry De Kleine noem.” Zijn broer keek hem aan. “Serieus? Naar dat zeemonster,” vroeg Paul aan zijn broer.“Maar kijk dan toch!” riep Oscar met een brede lach.“Hij is zo schattig! Maar serieus? Henry De Kleine?” zei Paul serieus tegen zijn broer.“Hé, ik zag hem eerst, dus ik mag hem noemen.”“Maar wie zegt er dat het een jongen is, hm? Het kan ook een meisje zijn.” Paul gaf een kleine tik tegen het achterhoofd van Oscar. “Dan is het Henrina De Kleine.” Oscar lachtte. Al snel had de kleine octopus Oscar geadopteerd in plaats van andersom. Paul merkte al snel het grotere dier op die snel hun richting uitkwam. Oscar had de grote overlappende schaduw die over hem viel nog niet opgemerkt, en bleef de kleine octopus aaien.  “Wie is een flinke octopus? Jij! Ja jij!”Paul zag een beweging hun richting uitkomen. “Oscar…”Zijn broer keek op en zag de beweging nu ook. Hij liet de kleine octopus met rust en focuste. “Uh…nog een kleine octopus?”“Geen idee,” zei Paul, maar hij was op zijn hoede. Twee rode ogen keken hun aan en met een kreet renden beide broers weg. Oscar keerde nog even terug om de kleine octopus op te nemen om er dan terug schreeuwend vandoor te gaan.“Waarom heb je die kleine nu mee?!” riep Paul in volle paniek “Geen idee!” riep Oscar terug naar zijn broer. “Wat als dat het kind van dat monster is?! Wat dan?!” riep Paul zijn broer achterna.“Dan hebben we toch een baby vast?! Is dat niet waar we ook naar op zoek zijn?!”Paul stopte en keek zijn broer aan met een serieuze blik. “Maat, serieus? Ziet dit er uit als een bubbel? Ziet het er uit als een nimf? Nee? Zet het dan terug!” Door het hysterisch geroep van Paul kwam de kraken alsmaar dichter en dichter. Oscar zette de kleine octopus terug neer en zette het op een lopen. Achter hen konden ze het gelach van een kind horen. “Hé, denk je dat-“ “Kijk uit!” riep Paul naar zijn broer als een tentakel hem probeerde te pakken. Oscar kon net de tentakel ontwijken. “Nee, maar hoorde je dat net ook?” “Wat?!” Het was duidelijk dat zijn broer niet echt blij was hoe de situatie uit de hand gelopen is. “Dat gelach. Denk je dat Henrina ons uitlacht?” vroeg Oscar opeens serieus.“Doe niet zo onnozel! Het is een vis!” “Het is een G.O.W! Groot ongewerveld weekdier-“ Oscar corrigeerde zijn broer.Beide broers hadden het territorium van de kraken, die zij “Henry” noemden, verlaten en kwamen terug op adem.“Ik zweer het je, ik hoorde gelach.” Oscar bleef maar aanhalen dat hij het gelach van een kind hoorde. “Och, man. Je beeld het je gewoon in. Net als die keer dat je zweerde dat de held zeehond Rompus jou naam noemde wanneer hij zei dat iemand hem gered had van Bruno de Witte.”“Oké, ik geef toe….ik had dat verhaal wat veranderd om er goed uit te zien en over te komen dat ik een witte haai aankan,” vertelde Oscar als excuus.“Maar dat is het hem juist. Het is nooit gebeurd. Dat komt vanuit een film die de mensen gemaakt hebben voor hun guppy’s over hoe zij denken dat onze wereld eruit zien. Ooit al eens een carwash gezien hier? Wat is dat zelfs? Is het een dier? Een mensensoort?”Oscar keek zijn broer raar aan. “Hoe weet jij waar die film over gaat?”“Euh….een gokje? Kijk, het maakt niet uit hoe ik het weet. Het feit alleen al dat ik het weet-““Hé kijk daar. Een kleine.” Oscar onderbrak zijn broer en wees naar wat eruit zag als een kleine vis die net uit een pikdonkere kloof tussen twee hoge rotsen in het water zwom. Paul zuchtte. “Wat heeft dat nu weer te maken met-““Alles,” zei Oscar fluisterend en zwom naar de kloof. Zijn broer volgde hem. “Os, heb je wel enig idee welke kloof dit is?”Oscar zwom de kloof in. Paul riep hem nogmaals achterna. “Oscar, kom nou gewoon terug! Het is te gevaarlijk! Dat is de kloof van-““Van Leviathan, weet ik!” riep de andere broer terug. De kloof van Leviathan, gekend door twee uitstekende rotsen die leken op schedels. Dat alleen was al een stille waarschuwing. Wie betreed keert niet meer terug. Het water, in tegenstelling tot wat erbuiten was, was pikzwart. Het was als een doolhof in het donker waar enkel geluid je enige navigatiemogelijkheid is… alsook was het de slaapplaats van het oudste zeemonster. “Oscar! Keer toch terug, man!” smeekte Paul. “Ik weet wat ik doe hoor! Maak je nou geen zorgen,” riep Oscar terug en zwom dieper de kloof in. Paul, vanop het oppervlak van de kloof, schudde zijn hoofd. “Vader zei ons vroeger dat één van ons een genie is… en de ander is een banale clown. En ik begin stillaan te begrijpen wie wie is.”Paul’s stem werd alsmaar stiller en stiller, terwijl Oscar bleef praten tegen zichzelf. Er is geen zekerheid of het spreken tegen zichzelf hem een genie maakt om de weg terug te vinden… of een complete gestoorde malloot. “For every mile I walk, every race I lost-“ Hij begon het lied die gezongen werd door een mens genaamd Natalia op het oppervlak te zingen, tot een gegrom hem tot stilte bracht.“Niet jou smaak? Nou, smaken verschillen.” Opnieuw klonk een diepe grom. “Doe niet zo. Shark-ira heeft ook zo haar minpunten.” Shark-ira, een vrouwelijke haai die, in plaats van jagen op eten, het leven doorgaat als een zingende haai. “Als ik mezelf wil zijn, doe ik mee met de meerminnen. Pas dan ben ik wie ik ben,” zei de zingende haai ooit in een interview. Oscar begreep er niets van. Het bleek een trend te zijn, kennelijk. Hij wist nog dat hij de grap aanhaalde bij het interview door te zeggen “En ik voel me als een mens maar je ziet mij niet met voetkleren lopen,” waardoor hij kwade blikken kreeg van enkele andere zeedieren. Hij begreep er niets van, nu nog steeds niet. Het gegrom klonk nogmaals. “Hoe kan ik dat nou weten? Ik ben er zelf naar op zoek.” Een geheime gave van Oscar waar zijn broer niet vanaf weet is dat hij de taal van de oudste zeedieren geleerd heeft en het dus vloeiend verstaat. “Als je haar ook zoekt, waarom help je me dan niet?”Net buiten de kloof was Paul aan het ijsberen. “Tuurlijk! Laten we de kloof van Leviathan ingaan! Niets mis mee! Enkel dat we opgeslorpt worden door het donkere gat daarbeneden!” Paul liet een zucht horen. “Hé, vergeet het maar dat ik je kom zoeken! Hoor je me?! We hebben een job om te doen! Een goed betaalde job!”Hij riep in de kloof, maar er kwam geen antwoord voor een lange duur. Dat was tot Oscar terug opzwom. “Hé, je gelooft het nooit!”“Vergeet het! Ik ga de kloof niet in-“ riep Paul naar zijn broer.“Leviathan weet waar de baby is.” Dit zorgde ervoor dat Paul zweeg. “Wat…?” Paul keek zijn broer stomverbaasd aan. Zei hei nu net-“Ja! Leviathan-“ “Leviathan is onze god! Een mythe! Een verhaal dat ze aan guppy’s vertellen om hier weg te blijven omdat, wie erin gaat, er niet meer uitkomt. Leviathan bestaat niet. Hier een kleine geschiedenisles voor je. Punt één: Zeemonsters, behalve de Kraken, zijn uitgestorven samen met hun soortgenoten op het land. Punt twee: Leviathan heeft een enorme grootte, waarvoor deze kloof te klein is. En punt drie…“ Oscar zette een brede glimlach op. “Waarom lach je zo? Je lacht nooit zo. Stop daarmee-“ maar Paul werd onderbroken door een grote snoet die uit het donkere water omhoog kwam.“Wat op de donkerste plek in de zeven zeeën is dat?!” Oscar bleef zijn glimlach behouden. “Dat, mijn broer, is Leviathan.” Paul keek hem met een open mond aan. “Oh mijn Leviathan-“ Paul bewonderde de gigantische kop. “Exact! En hij weet waar de baby is. Of niet soms, vriend?” Het gigantische lichaam van Leviathan kwam nu helemaal tevoorschijn. Een lang, zwart lichaam met schubben zo sterk dat zelfs de sterkste wapens van het paleis het niet konden doordringen zwom de kloof uit. Vier grote ogen draaiden Paul’s richting uit en keken hem aan. Rond zijn hals had Leviathan zeven tentakels, één voor iedere zee. De twee grote tanden die uitstaken uit zijn mond waren de lengte van vier nimfen als die op elkaars schouders zouden staan. Leviathan gebruikte zijn volledige lichaamslengte om de kloof uit te komen.Wanneer zijn staart eindelijk, na een lange tijd wachten, de kloof uit was, merkte Paul al snel op dat iets of iemand de staart van Leviathan vasthield. Hij keek wat beter en keek zijn broer aan met grote ogen. Zelfs zijn snor strekte volledig uit.“Os,” begon Paul voor hij onderbroken werd door een diepe lange grom van Leviathan. “Kijk naar zijn staart.”Oscar luisterde naar het gegrom en keek zijn broer aan. Hij streelde over zijn stoppelbaard. “Leviathan zegt dat je hem gewekt hebt en dat je spijt zult hebben…”Leviathan gromde opnieuw, waardoor Oscar zichzelf corrigeerde. “Ah, mijn excuses. Hij zei dat we beiden zullen spijt hebben en beide zeven jaar ongeluk.”Paul wees naar de staart van Leviathan. “Os, kijk naar zijn staart…” Oscar keek naar de staart van het gigantisch zeemonster dat nu boven hem zwom. “Hé, daar hangt iemand aan. Het lijkt erop dat het Leviathan niet veel kan schelen.” Oscar riep naar de zeegod. “Levi! Er hangt iemand aan je staart!” Paul sloeg zijn hand in zijn gezicht vooraleer hij zijn broer bij de schouders nam en door elkaar schudde. “Dat is de prinses, jij malloot!”Leviathan pikte het geluid van het gelach van een kind op en met een soepele beweging sloeg hij zijn staart op en neer. De prinses verloor haar grip op de staart van het zeemonster en vloog het zeewier bos in.Beide broers slaakten een kreet. Paul was de eerste die zo snel als hij kon richting het zeewier bos zwom. Het lag op enkele kilometers van de kloof van Leviathan.Oscar volgde zijn broer, maar keerde snel even terug naar de nu kwade zeegod Leviathan. “Ons excuses, meneer Leviathan. Het was onze bedoeling niet om u te wekken uit uw zomerslaap. Maar we zijn op een missie. Een zeer speciale en dringende missie. We zoeken de dochter van koningin Maria Aqua die eigenlijk aan uw staart hing. U euh… gaat ons toch niet echt zeven jaar ongeluk toebrengen?”Leviathan richtte zijn vier ogen op Oscar en liet een grom horen. “Ah, u bent maar aan het dollen. Ik houd van uw humor, heer Leviathan. Het was een eer u te ontmoeten.”Paul riep hem achterna vanop een afstand. Oscar zwom zo snel als hij kon naar zijn broer en volgde hem het zeewier bos in.Het bos was zo dik dat Oscar het niet kon laten om er een grap over te maken. “Weet je… de menswezens hebben hier een gezegde over. Iets met een bos niet door bomen kunnen zien. Geen idee wat een boom is, maar het klinkt heerlijk.” Paul was stil en was gefocust op het vinden van de prinses.“De prinses is niet langer meer in haar bubbel, dus ze is vatbaarder voor de kou en het leven hier in de oceaan die haar iets willen aandoen. Dus Oscar, zou het nu werkelijk iets pijn doen om je wat te focussen? Je weet dat de koningin niet graag heeft dat er over die menswezens gesproken wordt.” Oscar zuchtte en draaide met zijn ogen. “Ja, ja. Ik weet het. Maar ze is hier niet. Dus hoe gaat ze controleren wanneer we erover spreken en wanneer niet? Heeft ze hier ergens wachters op post staan, ofzo?” Paul bleef door het zeewier heen zwemmen, hopende de prinses snel terug te vinden. “Als we nu maar niet te laat zijn.”   Hoofdstuk 3: Maria AquaTerug op het paleis was Pascal, de hoofdlijfwachter van de koningin, in gesprek met Tony, vlak voor de gesloten deur naar de kamer van de koningin. “Ik weet dat het geen goed idee was, maar die broers zijn de enige hoop die we hebben om de prinses terug te vinden. Hare majesteit heeft haar kamer nog steeds niet verlaten sinds er bekend is dat haar dochter gevisnapt is.”Tony knikte met een zucht. “Het was het beste dat je kon doen, weet je?” Tony keek naar de gesloten deur. Een donkerblauwe deur met een grote blauwe saffier in het midden. De edelsteen was een erfstuk van Maria Aqua’s moeder, Oceana Aqua. Het behoorde origineel in een sieraad die van de mensen kwam en op de bodem van de oceaan lag, tot deze werd verwerkt tot een symbool van statuut.De deurklink werd gemaakt van de gevonden goudmunten in één van de gezonken schepen van de mensen en versmolten tot een nieuwe vorm. Terwijl beide wachters buiten de deur hun conversatie verderzetten, ijsbeerde koningin Maria Aqua door haar kamer. Haar kamer was gedecoreerd met enkele foto’s. Enkele waren van haarzelf, anderen van haarzelf in haar kindertijd. Er was nog een andere foto bij haar bed waar ze samen met een man op stond. Beiden leken gelukkig. Aan de muur net boven haar bed hing een portret van haarzelf die ze liet maken door een schilder genaamd Piscasso. Aan de muur bij haar deur hing dan weer een schilderij van haar moeder, Oceana Aqua, gemaakt door dezelfde schilder. Iedere keer dat Maria Aqua naar het schilderwerk keek, kreeg ze koude rillingen. Haar moeder was een straffe tante. Alles moest gebeuren volgens het boekje. Had je een regel gebroken, werd je gearresteerd. Kwam Maria als kind te laat thuis van haar lessen kreeg ze onmiddellijk paleisarrest. Aan de eettafel werd gezwegen. En wie toch durfde een woord te spreken werd onmiddellijk door Oceana de mond gesnoerd door wachters die je uit de diner zaal verwijderden. Oceana had maar één koude blik te werpen met haar groene ogen naar haar wachters en iedereen wist dat er een persoon minder aan tafel ging zitten.Groene ogen, lange donkerblauwe haren, lichtblauwe schubben… het was een lichaam waar Maria als kind vaak jaloers op was.De koningin had al vaak de neiging gehad om het schilderij van haar moeder te verwijderen uit haar kamer, of het misschien gewoon om te draaien. Maar telkens ze voor het schilderij stond, kreeg ze opnieuw rillingen en besloot ze om het schilderij maar met rust te laten. Ze zag het aan als een koude herinnering aan haarzelf. Ze zou koste wat het kost doen om het waterrijk te beschermen tegen de wezens op het oppervlakte. De mens.  

Katrien L.
10 0

The Symphony of Life and Death: Trio prologue 'The War of Disobedience'

This is a first draft The War of Disobedience   Dolomius, Father of the Gods, had just fallen. Ripped apart by humans, stronger and wilder than they’d ever been.  “We must retreat, father”, Alponi begged the great Avandair. First brother to Dolomius, and in all rights and purposes, now King of the Gods, and Father of the Gods. “Too many are falling, too many have lost their connection to their domain. Something else is here, on the planet, it’s consuming not only our source of strength, but our magic as well”, the young God of the Mountains said.  “Where is Leorr?”, Avandair asked. “Where is your brother?”.  “The Silent Commander foresaw the attack. He warned us all, in the back. It’s thanks to him that we’ve survived, Lord Father”, Grivali, son of Creaturia said. “He left to the White City, taking the twins with him”. “I am not your Lord Father”, Avandair said.  “I’m terribly sorry, my King. But in this very moment, with all those who have fallen, you are our King, brother”, Brinse, Goddess of Winter, said.  “I .. I’ve no interest in being King”, Avandair said. “I .. have other plans, other goals..”.  “And now you must stand for us all, and lead us, brother”, Calavis, Goddess of the Fall, said. “They’ve noticed us, an army is coming this way”, Yorkal, God of Summer, shouted, from atop a tree.  “How many?”, Brinse shouted back.  “At least five thousand, possibly even more than that”, Yorkal, son of Creaturia, looked around, for signs of other life, other groups of Gods still standing and fighting. “Over there!”, he shouted. “Treebandum and Creaturia are ploughing their way through the human defences to rescue .. I think that’s Sealvy, and a few others as well”, Yorkal shouted.  “You all make your way to Treebandum and Creaturia”, Avandair told his fellow survivors. “I will hold the enemy here off for as long as I can”.  “No, you can not”, Brinse said. “Do not worry for me, sister”, Avandair said. “Now that Dolomius and his sons have all fallen, I have full control over my domain and my lightning”, the God of Truth said. “If I am to fall, I shall take them all with me”, he picked up a shield and sword from a fallen enemy and took two steps forward before stopping and turning back around to his sons, sisters and nephews; “Be safe, all of you”, he told them. That was the last anyone would ever see of Avandair, first brother to Dolomius and the God of Truth. A last stand that would earn him a status as a legendary hero, never to be forgotten, even thousands of years later.  “Quickly now”, Alponi urged on his aunts. “We can not let my father’s sacrifice be in vain. We must survive, we must honour him!”.  “I’ve lost track of my father and Treebandum”, Grivali shouted.  “I see survivors on the ledge, over there”, Calavis yelled. She pointed at a single rock in the middle of a field of raging humans. There was no path to reach the top, and the surface was too smooth to climb. The humans were stuck shouting angrily at them and trying to hit them using arrows, and other ballistic weaponry. “How the hell did they get up there?”.  “Treebandum must’ve placed them there, and the rock”, Alponi replied.  “And how do we get there?”, Brinse asked. “I’ve drained every ounce of magic I have left, I need to rest, I need to return to recharge..”, she looked at her sisters and nephews; “..and it looks like I’m not the only one”.  “Can anyone still use enough to fly?”, Grivali asked, but none answered.  “Maybe we should look for a different place to be rescued?”, Calavis asked.  “Where would we go?”, Alponi asked. “Look around”, he gestured at the battlefield, of which they now had a clear vision. “There are humans as far as the eye can see. The lights of the Gods are dying, one by one. Stormed by too many at once, too many for any single God to handle.  “But some are still fighting, for us, so we can survive”, Brinse said defensively. “Look at them, we can not give up and let their sacrifices be in vain.  The battlefield covered nearly thirty percent of the continent. What were once thousands of lights emanating from Gods, were now only hundreds, as more fell every few minutes. As if swallowed by a sea of black.  “Someone has control over this battlefield”, Yorkal, who had been quietly observing the fighting, finally spoke up. “We may have lost our immortality, and our connection to our magic may be weakened. But it is not normal for these humans to put up such a fight”.  “What do you mean?”, Grivali asked his younger brother.  “Look at them”, he gestured at the battlefield. “They are all clad in a dark armor, almost as black as the night itself. Their eyes are shimmering with a red colour, and they are ripping Gods to shreds with their bear hands, they’re unnaturally strong”.  “You’re saying someone is giving them strength and working against us?”, Alponi asked.  “But that would mean that someone wants to end God-kind”, Brinse said.  “Worse than that”, Calavis said. “It means that there’s a traitor among the Gods”.  “No”, Yorkal said. “It could be worse still .. When we left this planet, it was still rich in magic. What if .. what if humanity created their own Gods”.  “That’s ridiculous, humans can not create Gods”, Alponi laughed.  “Then how would you explain the disappearance of nearly all magic in the land, Alponi?”, Yorkal asked. “Do the mountains still whisper to you?”, he asked. “.. Yes, but there words are not as clear as they are in normal circumstance. Like a dying voice, begging to be saved, or released from its suffering ..”, Alponi said, his eyes looking sadly at his own hands, and then the mountains in the distance.  “Do any of you still hear the whispers of your domain and those that inhabit it?”, Yorkal asked. “Because I no longer do”, the God of Summer said. “Who else could do such a thing, but a God?”, he said.  “That does not necessarily mean that humanity created their own deities, brother”, Grivali said. “It could still be ..”.  “A traitor?”, Yorkal asked. “Does that sound more logical to you? That one of our own kin would betray us, and destroy us? That one of us would use darkness in .. such a way?”, he gestured again to the battlefield. “Who of us controls the dark?”, he asked.  “.. no one, right?”, Grivali asked the other, who all nodded.  “Exactly!”, Yorkal said, smacking his right fist on his left hand. “Which means something, or someone, was created that controls the dark, which means someone created thèm”, he paced back and forth. “None of the God-kin would ever create such a thing, which leaves humanity. Just look at how vile they are, how vengeful, evil, and murderous. They are like hungry wild beasts, strengthened even further by the darkness the clad as armour”.  “I .. I’m still not convinced”, Alponi said, quietly.  “I see Sealvy!”, Brinse shouted. “She has spotted us!”.  “Treebandum is coming from this way”, Calavis said.  “And I see Creaturia, he has seen us as well, we’re saved!”, Grivali cheered. “Is this all that is left of us?”, Treebandum asked, his normally serene tone had taken on a sad tune.  “Avandair .. he held the humans back so we could escape”, Brinse told her older brother.  “Perhaps we can still save him, if we’re fast”, Creaturia suggested.  “No”, Treebandum said. “He knew what he was doing, and how little time we have left to save others .. they all knew..”.  “It’s just like the others”, Sealvy said.  “The others?”, Calavis asked. “What others, sister?”.  “We’ve found several groups, on the run. Our kin, deprived of their magic, drained like dried meat”, Creaturia said. “They were all saved by those who still had their magic, holding off more than they could handle, let alone count.. We’ve lost many today”. “But we’ve saved many as well”, Treebandum said, serenely. “And now we have saved the last of our kin”.  “You can’t just give up on the others”, Alponi shouted. “You can’t just give up on my father”.  “We’re not giving up, nephew”, Sealvy said. “We too must recharge, we need to return to The White City, with the last of the survivors, once we are there, we can discuss what to do next”, she said.  “It is time we left this place”, Treebandum said. “It seems we’ve been spotted”. The God of Roots grew a flower from his hand, whispered to it in a language older than any, the language of the First Seed, created by Thime. Small glowing orbs fell from the flower and began to float towards the top of the rock on which the other survivors had been secured. “Everyone grab an orb”, Treebandum said, and as soon as they did, they were transported instantly to the top of the rock. Soon after, Treebandum opened the path towards The White City. It was such a spectacle to behold that the fighting had stopped, distracting nearly every human around, who were witnessing something they never before seen in their lives, giving the remaining Gods, who would later be named The Grounded Gods, time to escape. The War of Disobedience came to an end, leaving humanity victorious and hungry for more. Soon after, their War on Magic began; which birthed The Hunt. In which forces were specifically trained to sense, spot and kill God-kin. These powers they gained by drinking the blood of the Gods, and eating their flesh during their initiation. The Hunters would become addicted to God blood and flesh, and when deprived of it long enough, would lose all sense of reality and turn into wild vicious beasts. These beasts were highly sensitive to light, but thrived in the dark. They learned to feed on the dark, and the light of the moon. Eventually, they would transform even further, become even more monstrous. Cursed to live forever, they would later become known as Shadow Beasts. Hunters would use these beasts to sniff our magic and God-kin with even greater precision. It was only thanks to the sacrifices of both Treebandum and Creaturia that not all magic and Grounded Gods were erased from existence. However, their sacrifice came too late to save magic on Earth, leaving the planet with nothing. Eara lost her life, turning Earth into just a normal planet, and no longer a celestial body. The Tree of Thime was destroyed as well, but Thime herself had successfully escaped. Only The Free have ever seen Thime in her new form. Many truths will now unfold, new and old.  

K.L. Runaya
14 1

The Symphony of Life and Death Andante Prologue 'Creeping Madness and Magical Solutions'

This is a first draft Creeping Madness and Magical Solutions  Unknown Time; Unknown location; “You might be wondering where I’ve been all this time. Well, I’ve been looking for you. Guided by a feeling that I would see you again”, a young boy, sitting in the dark, was talking to himself. “What happened to me, you ask? Well, I lost everyone. Literally, I woke up in a different world, I think. I call it ‘The Dark Realm’, because it’s always dark here”, the boy looked around the darkness and sighed. “There are no people, not even a single sign of life. I’ve been here for, I don’t know how long, but it seems like forever. Somehow I never get hungry, or cold, or sleepy. I just am. I .. just don’t get it”, he sighed again. “One day though, just as I was about to lose my mind completely, I started to get visions. Visions of you! They told me where you were, what you were doing. I saw that you were also lost in a different world. It looked prettier than where I am .. more colorful as well”, the boy made a wry smile. “You looked happy too. For a minute there it made me angry, because I thought you’d forgotten about me and moved on with your life, while I’ve been trying to find a way back ever since I got to this dreary place”, he held his head in both his hands. “But as soon as I felt the anger, I felt an even greater feeling of guilt. I struggled with it .. hard. But .. that doesn’t matter, I’ve finally found you, and I’ve finally come for you. I’m just sorry that it took me this long, Brail..”, the young boy talking to himself was Kiya, “No, that’s no good. That’s way too long.”, he told himself. We need to change it, maybe .. make it more happy?”, the teen shrugged. “What? No, it’s not”, Reason answered. “It’s perfect just the way it is, it’s who we are”. “How is that who we are?”, Anger asked.  “..if you think you can do better, go ahead, do it, come on”, Reason responded, “Well? What’re you waiting for?”. Peace sighed, “Guys, can’t we all just get along, even if it’s just for a minute?”. “You know, I’ve been meaning to say this for quite a long time”, Kiya said confidently. “But this shit is getting pretty aggravating and seriously insane, to be honest”, Kiya said. “It’s bad enough already that we’re stuck in this .. Dark Realm, I don’t need to lose my shit too. Talking to my own emotions, what the actual fuck.”. “Weirdo”, Pleasure jested.  “Now”, he continued as he ignored his own insults directed at himself, “How do we get out of this place? It’s definitely been years because I’m growing hair on my face and balls now..”, Kiya thought for a moment, “Hmm, maybe that’s why I’m going crazy”, he shrugged. “No. It’s not”, an unfamiliar voice answered. “Who said that?”, Kiya asked, startled. “I did”, the voice replied back, rather simply, as if they were shrugging. “Who are you?”, Kiya asked.  “In a way, I am you”, the voice replied.  “Great, another voice in my head? And what emotion do you represent then?”, Kiya asked, annoyed.  “I am not a mere voice in your head, young Kiya”, the voice said, amused. “I am what came before you, I am what comes after you, and at the same time, I am always you, anywhere, any time, any place, any persona”. “What? What does that even mean?”, Kiya asked, irritatingly confused. “Again, who are you? Wait, did you.. did you bring me here?”. “I did”, the voice answered amused. “Okay, before I wrap my head around that, what the actual fuck? Why would you do something like that, and why'd you let me sit here by myself for so long?”. “I .. forgot. I do apologize”, the voice replied.  “You forgot?”, Kiya said angrily. “Are you fucking kidding me right now? How long have I even been in here?”. “Time does not flow in here”, the voice said. “This is the Dream Realm”.  “That .. that doesn’t answer my question”, Kiya answered, fearing he may have been here so long, everyone he knew may have died already. “It only raises more questions”, the boy said.  “In a way, you could say that you have been here several lifetimes already”, the voice said, calmly.  “Several .. several lifetimes!?”, Kiya asked. Shouted it, almost; and then he began feeling drowsy.  “But in your world, at most a few years”, the voice chuckled. “If I had to make a guess, I would say it has been about two years, maybe a little more, maybe a little less. But, give or take, around two years”.  “Then fucking lead with that next time”, Kiya said, his face turning red.  The voice did not reply to this. “Why did you bring me here?”, Kiya asked, after a few seconds of silence. “Are you still there? Hello?”. “I am here still”, the voice said, calmly. “You have been brought here to fulfill your purpose, your destiny. To train for what is to come”. “I’m sorry, what?”, Kiya asked, his voice an octave lower.  “You have a great destiny, young Kiya”, the voice said. “You, and two others, are part of a great prophecy. You will bring a change to this universe, one unseen by all”.  “Ok, slow down there, buddy. What!?”, with every word said to him, Kiya only felt more and more confused. “Am I being pranked? Wait, is this a dream? Did I die, is that it? I’m dead, aren’t I?”. “You are me, and I am you. We are one, and we always have been. You have merely forgotten, and I am here to remind you of who you truly are. I have brought you back to our Kingdom, so that you may take the throne once again”, the voice replied.  “Okay, what the actual fuck?”, Kiya shouted out.  

K.L. Runaya
0 0

The Symphonies of Life and Fantasy: Allegro/Shadows Prologue 'The Rule of the Shadow'

The Rule of the Shadow   Long ago. In a world before yours. In a reality now long gone. There was the Age of The Dark. The Ancient Times were ruled by three overseeing powers. Entities born from nothing, but meaning everything. The Darkness was the first. It is the eldest form of intelligent life in all of existence. The Universe came second, bringing with it hope in the dark. The Darkness and The Universe fell in love and they created The First Light. Chaos, Neutrality and Goodness were their monikers. But, The Darkness grew bored quickly. It began to experiment with its powers, its reach. It took over the mind of a small creature, and caused the downfall of a small planet. Intoxicated with this new way to pass his time. The Darkness repeated his unforgivable act twelve more times. It was only after the thirteenth time that The Universe finally confronted her beloved. But The Darkness did not care for the words of the one he loved .. once. Now he was enamoured by power. Without anyone at hand to stop him, The Darkness swallowed all. Every planet. Every creature. Every living thing. By the end of his great hunger there was nothing left. Only he, his love and their child. Out of fear that her love would repeat his atrocious act over and over again; The Universe decided to turn against her love. She concocted a special potion, of sorts. That would force The Darkness into a deep and eternal slumber. Once The Darkness was put to rest, The Universe and The First Light joined hands and created Life and Death, though the latter would often refer to himself as ‘Fantasy’. And it was in their hands that they left responsibilities to create new life, new planets and their symphonies that you have come to learn. But, forever looming in an eternal slumber laid The Darkness. Plotting his revenge. And what a revenge it would be.  The Darkness had been a captive for several millennia when cut off a small piece of himself and managed to slip it out of his prison. The small patch of shadow, embedded with its master’s essence, turned into a small creature. Its task was simple. “Eara is your destination. Find me a Champion. Create for me an army!”. The small creature would find a young God, brother to another God, a hero even among the deities. A selfless man with no wish to rule. Eager to prove himself the better, the young God always challenged his perfect brother. But was always defeated. The shadowed creature approached the young God one fateful night. Convincing the young God with promises of greatness. And so it happened. The young God forged a pact with the creature. He defeated the perfect brother in battle and then crowned himself King of the Gods, and Father of the Gods. He declared himself ‘The first born God of Eara’. His strength had grown tenfold. The young God then created four sons. From rock, stone, thunder and lightning. To serve as his guardians. But then the young God did something the shadowed creature could not foresee. He grew arrogant and lazy. Conceited. Fat and drunk. No longer the warrior he once was, but still possessing over the immense powers the shadow had bestowed upon him. The shadowed creature decided to end their contract prematurely.  “Agreed”, King Dolomius agreed rather easily. “But on one condition”, he added. “I keep my strength, and if I do not, Solara shall be your final destination”. The King of the Gods signed a contract of his own making. He no longer had any use for this creature. His powers were his might. Without them, he would not be able to rule over the other God-kin. He wouldn’t be able to control them. The creature only contemplated the choice for a brief few seconds. Then signed the contract using its tail. The pact between the shadow creature and the young God had come to an end. Instantly the young God tested his might. It was all still there. Every power at his command. He chuckled and then cackled. While the small creature went on its way to find a new host. One he would be able to control better. One who wants war. Who wants to rule all, not just fill their bellies and wet their cocks. The search was short. Surprisingly short. The creature sensed a deep and dark rage. A caged monster begging to be released. Howling for carnage. The shadowed creature was instinctively drawn towards it and at the end of its run it found another young God. He was by himself.  

K.L. Runaya
0 0