Lezen

Groen licht.

Amélie staart voor zich uit. Als je in haar ogen kijkt, zie je niet zoveel, maar in haar hoofdje is het erg druk. Daar denkt ze aan bijen en aan hoe die honing maken. Dat had ze gisteren aan haar vader gevraagd en die vertelde dat bijen, net als kinderen, heel graag snoepen en dat bloemen voor bijen zijn wat koeken voor kinderen zijn: het aller heerlijkste ter wereld! ‘En als bijen dan bloemen eten,’ ging haar vader verder, ‘dan plakken hun pootjes, zoals jouw handjes plakken als je koek en snoepjes eet. Met die plakpootjes maken bijtjes honing!’ Amélie wordt uit haar dagdroom weggerukt wanneer ze juf Liesl hoort zeggen dat ze straks binnen en niet buiten mogen spelen. Ze had zo uitgekeken naar de speeltijd om naar de bijen te gaan kijken die zoemen rond de bloembakken aan de schoolpoort. Ze wilde voelen hoe hard hun pootjes plakken en plande minstens één bijtje interviewen om te vragen welke bloem haar lievelingskoekje is. Interviewen, dat woord leerde ze ook van haar vader, die doet dat elke dag, maar met mensen, niet met bijen. Maar nu moeten ze dus binnen blijven. ‘Maar waarom binnen juf?’ vraagt Amélie. ‘Omdat het gaat onweren,’ antwoordt juf Liesl. ‘Hoe weet je dat juf?’ onderbreekt Amélie een ander kindje dat net wilde vragen of ze binnen dan op stelten mochten spelen. ‘Dat kan je zien aan de lucht, Amélie, je kan zien dat het gaat onweren aan de groene lucht.’ ‘Waarom is de lucht groen als het gaat onweren, juf?’ Juf Liesl aarzelt, haalt haar schouders op, dan gaat de bel. ‘Dat weet ik niet, Amélie, maar geloof me nu maar en blijf binnen spelen.’ Wanneer ze ’s avonds thuiskomt, besluit Amélie aan haar vader te vragen waarom de lucht groen wordt als er onweer aankomt. ‘Da’s heel simpel, meisje,’ zegt haar vader, ‘de lucht wordt groen als er onweer op komst is, omdat de grassprietjes dorst hebben als het warm is en blij zijn als het gaat regenen. Grassprietjes die blij zijn, die glunderen en je ziet het bijna niet, maar glunderen geeft licht! Grasgoen licht! En dat licht dat kleurt dan de lucht.’ ‘Wat leuk,’ denkt Amélie en ze vraagt zich af of zij ook soms glundert. ‘Ja, ook jij kan glunderen,’ zegt haar vader, ‘en als mensen glunderen, dan geven hun ogen licht.’ ‘Wauw,’ denkt Amélie. Ze springt van vaders schoot en besluit morgen aan juf Liesl te vertellen over gras dat glundert en ogen die licht geven en ook dat haar vader echt alles weet. De volgende dag op school lijkt juf Liesl zo druk dat Amélie niet zeker weet of er nog plaats is in het hoofd van de juf om wat meer te leren over gras en ogen die met hun licht de lucht inkleuren. Ze denkt dat het beter is nog eventjes te wachten om haar nieuwe weetjes met de juf te delen. Na deze les misschien... In plaats daarvan probeert ze dan maar op te letten. Nu Amélie beter luistert naar wat de juf aan het vertellen is, merkt ze op dat de les gaat over de mensen die haar vader altijd interviewt. Mensen die niet meer in hun huis kunnen blijven wonen of zelfs niet meer in hun land kunnen blijven wonen, omdat er in hun land heel veel gevochten wordt en het daar gevaarlijk is. Haar vader had al vaak over deze mensen verteld en nu Amélie daaraan denkt, herinnert ze zich dat haar vader één keertje niet alles wist. Dat was toen ze hem vroeg waarom sommige mensen in dit land niet willen dat mensen die vluchten naar ons land komen. Haar vader zei toen dat de mensen die dat niet willen bang zijn van de mensen die van een ander land naar ons land komen, zoals zij soms ook bang is. ‘Zoals vroeger, papa?’ vroeg Amélie, ‘van de monsters onder mijn bed?’ ‘Precies,’ zei vader. ‘Maar, papa, die monsters waren toch niet echt?’ ‘Nee, precies,’ zei vader nog een keer, maar hij leek niet echt goed op te letten, vond Amélie. ‘Paaap, die monsters waren toch niet echt? Zijn grote mensen dan ook soms bang van dingen die niet echt zijn?’ ‘Dat zijn ze zeker, lieveling,’ zei haar vader. Hij haalde diep adem en zuchtte, dat weet Amélie nog goed. ‘Maar het is ook wel echt, waar die grote mensen bang voor zijn, soms is iets echt en ook niet echt tegelijk, soms is het allemaal heel ingewikkeld.’ Amélie begreep niet goed wat haar vader wilde zeggen, maar misschien konden ze samen wel een oplossing bedenken. ‘Wat kunnen we dan doen, papa, om de mensen te helpen die een nieuw land zoeken en om de mensen te helpen die bang zijn om hun land te delen?’ ‘Dat weet ik niet goed, meisje. Ik weet het niet meer zo goed…’ ‘Ik weet het wel, papa! We kunnen doen wat we met de monsters deden toen die nog onder mijn bedje woonden! Een verhaal voorlezen!’ ‘Da’s waar, meisje,’ zei vader, ‘we moeten verhalen vertellen, we moeten hun verhaal vertellen. We moeten hun verhaal blijven vertellen.’

Caroline Spaas
7 1

Hoe was het vroeger?

Overmorgen  vertrekken mijn vriend Joris en ik op zomerkamp. Wat hebben we er naar uitgekeken. Tot voor kort was het door het coronavirus niet zeker of het kon doorgaan. Onze ouders waren vroeger ook bij een jeugdbeweging.  Bij het nakijken van mijn spullenlijstje ontbreekt nog een zaklamp.  Pa zegt dat er boven op zolder in een kistje nog spullen van hem liggen van vroeger. Daar is vast nog een zaklamp bij maar dan moet ik er wel batterijen in stoppen. Dit kistje heb ik nooit eerder opgemerkt en bij het openen val ik van de ene verbazing in de andere. Niet alleen zijn uniform ligt er in maar ook een echt Zwitsers zakmes en een aantal namaak gouden en zilveren medailles met een soort diploma van ‘Kerel die het hoogst in de boom klom’. Gek dat pa hierover nooit verteld heeft. Er liggen ook foto’s in van hem met zijn jeugdvrienden. God, wat raar. Het is net of ik naar mezelf kijk. Onder de zaklamp vind ik  een schriftje.  Nieuwsgierig open ik het en lees: ‘Logboek van het tiendaagse Zomerkamp in Limburg.’ Eerst staat er te lezen hoe  het kamp werd voorbereid en wat er zoal gepland werd. Zo staat er op woensdag: ‘Surprise’ vermeld en op donderdag: ‘Frietjes en appelmoes op het menu!’ Dat is blijkbaar in al die jaren hetzelfde gebleven want de liefde van pa voor frietjes is wereldwijd bekend en ook op ons kamp zal donderdag frietdag zijn. Dan volgt dag na dag een relaas van al wat er gebeurd is. Ik wil eerst weten wat die surprise wel kan zijn, blader snel naar de woensdag en lees:  ‘Nadat ik gisteren mijn verslag had geschreven hebben wij ’s avonds op de speelplaats van het nabijgelegen schooltje nog een spel gespeeld waarbij wij om beurten rond de koer moesten rennen. Het was al donker maar er waren enkele felle spots die alles verlichtten. Door de schaduw van een afdakje had ik een rand van de stoep niet gezien en verzwikte ik mijn linkervoet. De EHBO-man van dienst heeft naar mijn enkel gekeken en er wat zalf op gedaan. Dat moest volstaan, zei hij.’ Als we al eens samen gaan wandelen, weet ik dat papa soms na een tijdje klaagt over zijn enkel. Vragen wij dan wat er scheelt antwoordt hij steevast dat het iets van lang geleden is. Ik lees verder: ‘Vanmorgen zijn wij zeer vroeg opgestaan. Er wordt ons meegedeeld dat de verrassing,die wij ons heel anders hadden voorgesteld, een voettocht is van om en bij de 50 km. Er zullen vijf bemande controleposten zijn die wij moeten zoeken om er een attest te krijgen. Per persoon zijn er twee halve liter waterflesjes. Op de posten krijgen wij opnieuw water en een stuk fruit. Op de tweede post krijgen we iets om te eten.  Er zijn vijf teams van zes man.  Elke groep heeft een verschillende route en krijgt een stafkaart met de uitgestippelde weg. Uitzonderlijk kan het zijn dat teams elkaar ontmoeten bij een van de controlepunten. De eerste opdracht luidt dat de ganse tocht met het voltallige team moet worden beëindigd. De tweede opdracht is om het eindpunt zo snel mogelijk te bereiken. Voor de winnaars is er morgen na de frieten opnieuw een ‘verrassing’! Wij vertrekken om 8:00 uur stipt. Aan een tempo van gemiddeld 5 km per uur, korte pauzes aan de controleposten inbegrepen, moet het dus mogelijk zijn om tussen 18:00 en 19:00 uur aan te komen. Wij hebben een systeem gevonden om hetzelfde ritme te houden door achter elkaar te stappen. Om de twee kilometer loopt iemand anders op kop. Het is fris in de morgen en af en toe zet iemand een marsliedje in. Dat helpt om het tempo aan te houden. Rond kwart voor tien zijn we bij de eerste controlepost, waar iemand van de leiding ons een kaart geeft met vijf vakken. Hij noteert de aankomsttijd in het eerste vak en zet er een stempel op. Dan stappen wij verder. Waar wij eerst vooral op veldwegen liepen gaat het nu over bospaden. Heerlijk, de geur van een dennenwoud in de morgen. De koploper stopt bruusk en wij knallen tegen elkaar aan. Hij heeft verderop een hert zien lopen. Tof man, maar daar hebben wij nu geen tijd voor. Wij willen er alles aan doen om de tweede post voor twaalf uur te bereiken. Het bospad gaat op en neer en vooral op enkele steile hellingen komen wij traag vooruit. Bij het afdalen hebben wij de neiging om te gaan rennen maar we beseffen al snel dat het niet zo een goed idee is. De man die het plan in handen heeft zegt dat wij bij het buitenkomen van het bos de tweede controle moeten zien.  Het is al zeven over twaalf als wij het bos uitkomen en gelukkig, daar bevindt zich de volgende halte.  Wij krijgen er proviand en drinken en besluiten niet te dralen om tijd te winnen.  Vanaf nu zal het er niet makkelijker op worden. Een uur later zucht iemand: ‘Oef, wij zijn halfweg’. Dat betekent dat wij al vijfentwintig kilometer achter ons hebben zonder een levende ziel tegen te komen, behalve die ree natuurlijk. Hebben dieren een ziel? Aan dierenleven ontbreekt het anders niet onderweg. Waterplassen met libellen, geluiden van tokkende spechten in het bos, koeien met kalfjes in de weiden. Op vele plaatsen worden wij verleid om halt te houden maar we mogen ons niet laten afleiden. Aan een vijver staat een bank. Daar verorberen wij onze boterhammen. Een moeder eend doet alle moeite om haar vijf kuikens bij elkaar te houden. Iemand lacht: ‘Die sloebers lijken wat op ons.’ Een blauwe reiger scheert over onze hoofden het water in en wij vervolgen onze tocht. Met lood in de schoenen halen we zwaar hijgend de derde controlepost.  Het is net twee uur voorbij wanneer wij weer vertrekken. Dat betekent dat wij weer helemaal op schema zitten. Het geeft iedereen nieuwe moed. Maar dan voel ik plots de pijn in mijn enkel. Tot nu toe was ik een beetje vergeten dat ik die gisteravond bezeerd had. Ik verbijt de pijn en laat vooral niets merken aan de anderen. Gelukkig heb ik net voorop gelopen en kan ik nu achteraan stappen, waar het niet zo opvalt dat ik af en toe begin te hinken. Wanneer de volgende koploper achter mij aansluit vraagt hij wat er is.  Ik zeg dat ik wat moe wordt maar dat het wel voor iedereen zal gelden. Ondertussen is het heet geworden en op veldwegen schijnt het zonnetje op onze krullenbolletjes. Haha, grapje! Het is kwart over vier wanneer wij eindelijk bij de vierde controlepost toekomen. Wij zien hoe een andere ploeg net verder trekt in de richting waar wij vandaan kwamen. Ze zien er nog fris uit en begroeten ons hartelijk. Er staat een auto bij de controlepost en gelukkig heeft men een wasteil en waterbidons meegenomen waardoor ook wij ons kunnen opfrissen. Een van de kameraden zegt tegen een leider dat hij naar mijn voet moet kijken. De man staat versteld als hij mijn blauw uitgeslagen dikke enkel ziet en begrijpt niet hoe ik het zo lang heb uitgehouden. Hij stelt voor om met  hem met de wagen terug te keren naar het kamp, maar nu wij zover geraakt zijn wil ik de tocht mee afmaken. Ik moet mijn voeten in koud water baden en dan doet mijn verzorger er een verkwikkende zalf op en verbindt mijn enkel. Mijn metgezellen profiteren van het moment en zitten naast elkaar met de blote voeten in een kabbelend beekje naast de weg. Een twintigtal minuten later zijn we terug op weg. Ik voel mij als herboren en stap nu resoluut op kop.  Ik zet er stevig de tred in want door mijn schuld hebben wij veel tijd verloren. Kop op, het zijn de laatste tien kilometers. Het is kwart na vijf wanneer wij in een bos een korte rustpauze nemen.  Iedereen is bekaf. Mijn voet begint mij terug parten te spelen. Wanneer ik opsta kan ik haast niet rechtop blijven.  Ik hink en zoek een stevige stok om mij te ondersteunen. Mijn kameraden zien dat ik bijna niet meer vooruit geraak. Ik stel voor dat ze mij achterlaten en mij later laten oppikken met de auto. Dat willen ze niet want als we niet in de tweede opdracht slagen om als eerste toe te komen willen wij absoluut de eerste opdracht halen en die is om met het ganse team de eindmeet te halen. Een vlucht vogels hoog in de lucht herinnert er ons aan hoe belangrijk het is om samen te blijven. Er wordt afgesproken dat telkens twee vrienden mij zullen ondersteunen en na elke kilometer zullen ze elkaar aflossen, ook al zijn ze allemaal zelf aan het eind van hun krachten. Gelukkig is het iets koeler geworden en kunnen we in de schaduw van de rij bomen lopen die nu langs onze route staan.  De steun van de armen van mijn vrienden helpt mij om de pijn te verbijten, maar wij vorderen veel te langzaam. Het afgelopen half uur zijn we maar één kilometer opgeschoten. Aan dit tempo moeten wij nog minstens twee uur lopen. Wanneer wij even later een barak zien waar houten planken en stokken liggen opgestapeld, heeft iemand het idee om een soort draagstoel te sjorren met touw dat hij toevallig in zijn rugzak meenam. Als meester sjorders lukt het hen snel om tot een resultaat te komen dat voor de dragers en voor het slachtoffer, ik dus, comfortabel lijkt.  De vrienden maken er een spelletje van en gaan met elkaar in de clinch om als eerste de stoel te mogen dragen. Ik hoef niet meer te stappen waardoor de pijn draaglijker is geworden. De vermoeidheid slaat hard toe maar door het enthousiasme van mijn kameraden gaat het nu heel wat vlotter. Toch hijgen mijn slaafjes alsmaar meer wanneer ze mij dapper voortdragen. Om zeven uur ’s avonds rest ons de laatste kilometer.  Iedereen sleept zich voort en om er de moed in te houden haal ik mijn beste grappen boven.  Ik schat dat wij nog een honderdvijftig meter van het eindpunt vandaan zijn wanneer ik de overige ploegen met de leiding naar ons zie uitkijken. Ze komen ons tegemoet en tillen mij met wel tien man uit mijn draagstoel. Mijn kameraden krijgen van iedereen schouderklopjes. Wij hebben het gehaald.’ Wanneer ik het boek sluit lopen twee dikke tranen over mijn wangen. Dus zo ging het er vroeger aan toe, denk ik.  Ik ben fier als een gieter op mijn papa  en vertrek twee dagen later met Joris op zomerkamp. Mijn kameraden zullen op mij kunnen rekenen. Dat staat vast.      

Vic de Bourg
39 2

Middernacht Express

DIT IS HET GEHEIME DAGBOEK VAN VLADIMIR DE NEGENDE   Donderdag, Elf uur ‘s avonds. Dat wil zeggen dat je hier niet in mag lezen, wijsneus. Veel interessants gebeurt er toch niet in dit dagboek. Ik vertel alleen maar hoeveel centimeter mijn zonnebloemen gegroeid zijn sinds vorige week, welke zwembroeken er dit jaar in de mode zijn en hoe ik mijn haar wil invlechten… Oké, nu mijn vader het alvast heeft opgegeven, kan ik met een gerust hart in dit schrift schrijven. Er moet me namelijk écht iets van het hart. Iets wat ik altijd al vind als de zomer er weer aankomt, maar wat ik de laatste weken echt wel van de daken zou willen schreeuwen. Ik ga het gewoon doen. Houd je vast. WAT HEB IK TOCH EEN HEKEL AAN DE NACHTTREIN!!! Zo. Mijn vader zou zich omdraaien in zijn slaapkist als hij het las, maar het is echt waar. De idioot die bedacht heeft dat een nachttrein een fantastisch idee is, die mag van mij eens een hele nacht meereizen met zo’n wagon snurkerds en stinkerds. “Ooh”, zei mijn vader in het begin van de zomer, “het is echt het per-fecte vakantiebaantje voor jou, Vlad. Je wil toch altijd zo graag weg van huis? Dit is je kans!” En hij lachte zijn vlijmscherpe hoektanden bloot, dus ik wist dat ik al verloren had. Ik wil inderdaad graag weg van huis. Als je denkt dat het een pretje is om in een vochtig, somber kasteel te wonen, dan heb je het goed mis. De helft van de tijd kom ik te laat voor het avondeten omdat de kaarsen weer uitgewaaid zijn, en de laatste keer dat ons toilet doorspoelde zonder er een emmer water doorheen te jagen is alweer even geleden. Probeer in zo’n huis maar eens zonnebloemen te kweken, wat toevallig mijn favoriete hobby is! “Maar vader”, protesteerde ik, “kan ik niet mee op de dagtrein? Dat lijkt me veel leuk-” Ik zweeg maar snel, want mijn vader werd nog bleker dan hij normaal al is (en dat is héél bleek). “Vlad”, spatte hij kwaad. Neem dat ‘spatte’ trouwens maar letterlijk, want het speeksel vloog de hele kamer door. Ik deed een stapje achteruit, maar kon niet verhinderen dat ik nattigheid in mijn gezicht voelde. Ik hoopte maar dat hij zijn hoektanden gepoetst had. “Vlad”, begon mijn vader opnieuw, “ik wil dat je ophoudt over die godvergeten dagtrein!” Hij sloeg zijn vuist op tafel, zo kwaad was hij. “Het zou een schande voor de familie zijn als een Vladimir, de negende dan nog wel, daar ging werken! Er is nog nooit- ik kan niet- onmogelijk-” Sputterend maakte hij grote armgebaren. Ik besloot me snel uit de voeten te maken, voor hij zijn woorden weer zou vinden en me als straf toiletpoetser van de nachttrein zou maken. Dus hier zit ik nu, mijn zevende dag als conducteur op de nachttrein. Het is niet zo erg als ik me op voorhand had voorgesteld. Nee. Het is NOG VEEL ERGER!!! Volgens mijn vader is het onmogelijk om bang te zijn in het donker als je naam Vladimir is. Volgens mij heet ik dan stiekem Truusje, want ik ben niet gewoon bang in het donker, ik ben DOODSBANG in het donker.  Twee keer raden wanneer de nachttrein rijdt. Juist! ‘s Nachts natuurlijk, en dat betekent dat het pikkedonker is buiten. Die trein raast een hele nacht door een landschap vol prachtige bomen, planten en rivieren, maar we zien er geen sikkepit van. Het enige wat ik zie is flarden mist, de weerspiegeling van mijn gezicht die me telkens de stuipen op het lijf jaagt (wie is die enge figuur - oh ja.) en verder. Helemaal. Niets. Je zou denken dat je niet bang hoeft te zijn als je niets ziet, maar bedenk je maar snel. Het is net veel makkelijker om bang te zijn als je helemaal niets ziet, want dan weet je niet wie je in het duister staat op te wachten, bijvoorbeeld… Oh. Eén van de passagiers heeft me nodig. Kwart voor twaalf ‘s avonds. Zo. Het was uiteraard Micheline, die haar oordopjes niet in haar oren kreeg. Heb je ooit al eens oordopjes vol oorsmeer in de oren van een oude vrouw - ook vol oorsmeer - proberen proppen? Nee? Nou, dan ben je vast geen conducteur op de Middernacht Express. Maar! Er is een lichtpuntje aan de horizon. Vorige week was ik jarig, en ik zeur al ja-ren om een uitstapje naar zee. Het lijkt me fantastisch om een hele dag te zonnebaden, in een hemdje met bloemen op, met een drankje onder een parasol. Ik kan de zee al ruiken als ik eraan denk… Nou ja, niet echt, want ik ben nog nooit aan zee geweest, dus ik weet helemaal niet hoe die ruikt. Hopelijk niet naar oorsmeer. Gisteravond vroeg mijn vader wat ik nog wilde als verjaardagscadeau (ik denk dat hij gezien had dat ik het lego-kerkhof nog niet aangeraakt had). “Niet over de zee beginnen zeuren”, voegde hij er nogal bars aan toe, “ik heb geen idee wat je daar zou willen. Bloemen en de zon…” Er trok een rilling door hem heen, alsof ik had verteld dat ik professioneel flatgebouwduiker wilde worden (lijkt me ook wel cool - maar enkel als het licht is). Ik haalde mijn schouders op - er was helemaal niets anders wat ik wilde! Maar toen kreeg ik een plannetje. Een geniaal plannetje, al zeg ik het zelf. “Goh”, deed ik gemaakt nonchalant, “ik weet het niet, ik wil misschien… wel een ritje op de dagtrein.” De dagtrein rijdt namelijk het hele land door, door zonovergoten dalen en over besneeuwde bergtoppen. En de eindhalte is… aan zee. Het lijkt me heerlijk om dat eens in het echt te zien! Mijn vader zuchtte zo luid dat het servet naast zijn bord de tafel over duikelde en bijna in mijn soepbord landde. Ik schoof het voorzichtig een beetje op. “Vladimir”, begon hij, “wat ben je toch een raar kind.” Ik zei niets, want dat wist ik al. Mijn vader had natuurlijk liever een zoon gehad die net als hij van graftochten en beenderbiljart hield. Wat moest hij met een zoon wiens grootste droom een bloemenwinkel aan het strand was? “Goed”, zei hij toen luid. “Als jij je werk op de nachttrein deze week uitmuntend doet, dan mag je misschien - misschien zei ik stop met huppelen - mee op de dagtrein. Eén keertje maar.” Ik denk dat hij dacht dat ik het werk op de trein toch niet zou kunnen. Vanwege het donker, en zo. Maar ondertussen zijn we donderdag, en het is al elke dag goed gegaan. Nog één keer, en ik heb mijn ritje op de dagtrein verdiend! Het zou dus toch nog wel een leuke zomervakantie kunnen worden - oh, we stoppen. Huh? Waarom stoppen we? Het is nog zeker twee uur rijden tot de eindhalte! Vrijdag, Half één ‘s nachts Ik heb te vroeg victorie gekraaid. Ik heb gekakeld voordat het ei er was, mijn hoogmoed is voor de val gekomen en het vel van de beer had ik al verkocht nog voor het gestroopt was. Het is een ramp!!!! Dit komt vast nooit meer goed. Ik ben zo overstuur dat ik het liefst tien pagina’s van dit dagboek vol uitroeptekens zou schrijven, maar daar krijg ik vast nog pijn in mijn hand van ook, dus laat ik dat maar niet doen. Welk drama er heeft plaatsgevonden? Voorlopig eigenlijk nog geen, maar ik kan elk moment verdwijnen. Of gespiest worden. Of… Eender welk snood plan er hier gaande is. Oh, de horror! Ik had het moeten weten van zodra ik de gasten deze avond aan boord liet. Dat is namelijk mijn taak: van zodra de deuren van de nachttrein krakend openschuiven, sta ik op het perron en zeg vriendelijk tegen iedereen: “Goedenavond, mag ik uw vervoersbewijs even zien, alsjeblieft?” Mensen vinden het leuk om verwelkomd te worden, maar eigenlijk doe ik dat om nog eens te herhalen op welke plaats ze moeten gaan zitten. De passagiers hebben er een handje van weg om gewoon een coupé uit te kiezen die hen wel leuk lijkt, zonder er acht op te slaan of iemand die gereserveerd had. Goed. Ik wijk af. Normaal gezien rijden er vooral saaie mensen mee op de nachttrein. Mensen die al even kleurloos en weinig opgewekt zijn als mijn kasteel - daarom nemen ze waarschijnlijk de Middernacht Express, die al tientallen jaren bezit is van mijn vaders familie. En ook van de mijne, als ik er even over nadenk, al denk ik toch dat ik voor dat cadeautje maar bedank als het zover is. Vanavond? Vanavond zit er niet één saai persoon op de trein. Niemand! Toen de deur van de conducteurswagon openzoefde, stond er al een klein, dik vrouwtje te wachten. “Hallo mevrouw Bobbel”, zei ik beleefd. Mevrouw Bobbel is een vaste klant. Op zich doet ze geen vlieg kwaad, maar ze heeft nogal specifieke wensen wat betreft haar naam. Zoals elke avond keek ze me hooghartig aan. “Je weet best, Vladimir”, wees ze me terecht, “dat het niet BOB-bel is, maar Bob-BEL. Dat klinkt veel chiquer.” En weg was ze, parmantig paraderend door het gangpad. Waarschijnlijk zou ze zoals elke avond de duurste gerechten van de nachtkaart bestellen, een halve fles wijn soldaat maken en dan luid snurkend in slaap vallen. Ze doet niks verkeerd, maar heel aangenaam is ze ook niet. Ik weet eigenlijk niet waar ze elke nacht naartoe reist, maar het zou me niet verbazen als het iets te maken had met gouden vorken, strenge regels en andere dametjes. Een wedstrijd doen-alsof-je-iets-ruikt-dat-heel-erg-stinkt, misschien? “Zo, die heeft ook een aardappel ingeslikt”, klonk een vrolijke stem naast mij. Ik draaide me om om haar ticket af te stempelen, en toen voelde ik mijn maag tot aan mijn knieën zakken. Het meisje had mijn leeftijd, bruine krullen die je volgens mij enkel krijgt als je je vingers in het stopcontact steekt, en een beugel. Leuk, zou je denken, een leeftijdsgenootje op de trein. Maar Severien - want zo heet ze - kneep haar ogen fijn toen ze me zag en glimlachte als een wolf die zijn prooi voor die avond gevonden had.  “Vladimir”, kirde ze, “wat toevallig dat ik jou hier zie. Kleine wereld, toch?” “Niet bepaald”, mompelde ik, “gezien je twee bergen verder woont.” Dat negeerde ze. Zo ken ik Severien. Ze tikte haar nagel tegen de bronzen knoop van mijn conducteursuniform. “Wat zie je er schattig uit.” “Severien…” Ik slaakte een zucht. “Ik weet dat je me niet moet, maar kunnen we…” “Jouw vader is een vampier”, glimlachte ze fijntjes, alsof dat er iets toe zou doen. Verontwaardigd keek ik haar aan. Mijn vader een vampier? Waar haalde ze zulke klinkklare onzin vandaan?  Mijn vader woont in een duister kasteel, slaapt in een kist en haat knoflook. Is hij daarom meteen een vampier? Wat een vooroordelen! Oké, hij is een vampier. Maar dat weet zij niet. “Coupé 2”, deelde ik haar ijzig mee, en trok het strookje zo hard van haar ticket dat de snippers bijna in haar krullen landden.  Daarna kwam Micheline, een vrouwtje dat mijn oma zou kunnen zijn. Of nou ja, misschien mijn over-over-over-overgrootmoeder, want zo ziet ze er wel uit. Ze loopt helemaal krom, met een wandelstok die eruitziet alsof ze hem ook tijdens beenderbiljart zou kunnen gebruiken, en een brilletje op haar neus waarmee ze nog steeds stekeblind is. Ik kende haar wel: ze kwam soms ‘s zondags op de thee, met koekjes die ze heeft gebakken toen ze nog geen rimpels had, denk ik. “Zeg, kereltje, kan je mij niet even helpen dragen?” Nauwelijks had ik Micheline naar haar coupé gebracht, of ik werd al geroepen door de volgende passagier. Meteen werd ik bedolven onder zoveel koffers, dat ik maar een glimp van hem kon opvangen. Een krullerige snor, groen kostuum en zweetparels op een breed voorhoofd. En heel veel spullen, dacht ik wrang. Ik telde zeker zeven koffers, die allemaal naar de laatste coupé van de trein gesleept moesten worden. Meneer zelf was natuurlijk al opgestapt, want dat deed de conducteur wel even. De laatste passagiers waren een stel kinderen dat rollebollend het perron opkwam. Ze deden een wedstrijdje om-ter-verst-koprollen, vertelde hun moeder buiten adem, en ze hielden het al vol sinds gisterochtend. Ik moet toegeven dat ik ontzag heb voor zo’n sterke maagjes. “Ik ben eerst!” krijste het jongetje van zodra hij aan mijn voeten landde. “Nietes, ik was sneller!” Het meisje sprong overeind. “Je hebt valsgespeeld!” “Hoe zou ik nu kunnen valsspelen met koprollen?” Driftig trok de jongen aan zijn zus’ vlecht. Hun moeder zuchtte luid. “Pjotr en Pjotrina, zo is het wel genoeg geweest.” Ja, Pjotr en Pjotrina. Ze zouden hun moeder moeten opsluiten. “Maar hij speelt vals!” “Zij stinkt!” “Coupé vier alsjeblieft”,  onderbrak ik haastig, en scheurde hun ticket zo snel dat ik het bijna liet vliegen. De moeder tilde haar twee kinderen elk onder een arm en sleurde hen, nog steeds luid protesterend, de trein op. Het leek dus een behoorlijk bewogen ritje te worden, maar na het avondeten trok iedereen zich tot mijn verbazing rustig terug in zijn coupé, en al snel klonk er door de hele gang gesnurk. Ik ruimde de vuile borden af, blies de kaarsen uit in de restaurantwagon, en daarna nestelde ik me met dit dagboek op mijn eigen plekje in de gang. Zo was ik voor iedereen bereikbaar. Het zag ernaar uit dat we zonder kleerscheuren op onze bestemming zouden aankomen, en dat ik daarna met een stille, lege trein terug naar het startstation kon terug rijden. Ik keek al uit naar mijn tripje op de dagtrein… en toen stond onze trein plots stil. Raar, natuurlijk, want de aankomst van de nachttrein is maar rond twee uur ‘s nachts voorzien. Misschien moest de machinist heel dringend naar de wc? Het duurde maar een paar tellen vooraleer de deur van mevrouw Bobbels coupé openzwaaide en ze haar neus naar buiten stak. “Waarom staan we stil? Ik was net aan mijn schoonheidsslaapje begonnen!” “Eh… Slaapt u rustig verder, mevrouw Bobbel, ik ga wel even bij de machinist luisteren.” “Bob-BEL, bedoel je! Het is Bob-BEL.” “Waar is er een bobbel? Ik wil koprollen over de bobbel!” Dat was Pjotrina, die de deur van hun coupé ook open had gesleurd en nu overtuigd de gang door rolde. “Stop”, zei ik, “daar word je wagenziek van.” “Maar ik ben aan het winnen!”  Haar broer, die ook de gang was in gekomen, begon al luidkeels te protesteren, maar toen vloog de deur van de machinist open en werden we allemaal stil.  Pros, de machinist, kwam naar buiten gestrompeld met een gelaatskleur die me aan halfgebakken pannenkoeken deed denken. Zijn ogen waren wijd opengesperd, en hij kreeg niet meer gezegd dan: “Daar… daar.. Daar!”  “Wat is er, Pros?” vroeg ik snel. “Ja, man!” riep de man in het groene pak, die nu ook in de gang stond. “Waarom rijden we niet? We hebben toch zeker genoeg betaald voor dit ritje?”  Pros negeerde hem en liet zich langzaam op mijn conducteursstoeltje zakken. Nu is Pros een eerder gezette man en ben ik een schriel jongetje, dus het stoeltje kraakte vervaarlijk langs alle kanten. Foute boel, dacht ik. Als ik dit niet snel oploste, dan kwamen er problemen en dan kon ik wel fluiten naar mijn ritje op de dagtrein. “Pros”, zei ik dus streng. Ik knielde naast hem neer en prikte hard in zijn knie. Hij keek me verdwaasd aan, alsof hij van heel erg ver weg kwam. “Pros, wat is er aan de hand? Waarom rijden we niet?” “Daarbuiten”, fluisterde hij schor. Zijn lippen beefden. “Er is iemand daarbuiten.” “Oooh, het is een mysterie”, verlekkerde Severien zich alvast. “Wat heerlijk. Ik houd van mysteries! Misschien moet er iemand Micheline wakker maken, zodat ze niks van de sensatie mist.” “Nee, ik denk niet dat dat…,” begon ik, maar Pjotr was al zo hard als hij kon tegen Michelines deur aan het koprollen. Ik kreunde en liet mijn hoofd tegen de koude treinwand hangen. Het zou nog een lange, lange nacht worden. De passagiers waren het er al gauw over eens dat ik maar moest gaan kijken wat er buiten de trein aan de hand was. “Maar dat is mijn taak niet”, protesteerde ik, “ik moet ìn de trein zijn!” “Hij durft niet”, kakelde Severien, “Vlad is een bangerik!” Dat vond de tweeling natuurlijk geweldig, en ze begonnen meteen koprollend door de gang te krijsen: “Bange Vlad, bange Vlad, bange Vlad!” De man in het groene pak begon weer te zeuren over zijn ticket, en dat er beloofd was dat de trein zeker op tijd zou komen. Mevrouw Bobbel stond het allemaal gade te slaan met een blik alsof ze net per ongeluk in een rotte pruim had gebeten, en Micheline was met geen stokken wakker te krijgen. Letterlijk, bedoel ik dat: de tweeling had haar net zo lang gepord met haar wandelstok tot ze het spelletje niet leuk meer vonden. “Goed, goed”, knarsetandde ik, “ik ga al. Laat me even mijn jas aantrekken, zodat ik in elk geval niet vast vries aan de sporen.” Dus dat ben ik nu aan het doen. Mijn ‘jas aan het aantrekken.’ Dagboek, als ik daarbuiten zo meteen word opgegeten door een wilde beer, word achternagezeten door een zombieleger of het moet afleggen tegen een bende moordzuchtige konijnen… Het was fijn je gekend te hebben.

Anke Vandoolaeghe
5 1

Koud Liefdesgeluk

Donderdag, 2 oktober 1941 Vandaag is de derde dag sinds de explosie plaatsvond. Sinsdien is nergens nog een kat te horen. Alida en ik zijn water gaan halen in de rivier hier niet ver vandaan. Nog nooit hebben we zo hard moeten rennen als vandaag. We hoorden een paar geweerschoten toen we in het bos zaten, verstopt voor de Duitsers achter een grote holle boom. Ik denk dat het was om te controleren of niemand wel op straat zou lopen. Toen ik net aan de rivier was struikelde ik over een oude man die daar doodlag. 2 schoten in zijn hoofd en 1 door zijn maag. Gruwelijk. Nog nooit had ik zo’n stank geroken. Alida kwam samen met Isaac en zijn kleine broertje, die nog maar net kan lopen naar de rivier om me overijnd te helpen. Mijn glazen bak waar ik water moest van halen lag in 1000 stukken op de grond. De scherpe scherven zaten in mijn hand. Het bloedde. Ik had thuis moeten blijven. We liepen nog zo’n 1,5 kilometer terug naar huis. Ik voelde de koude mist tegen mijn afgekoelde en vieze huid. We moesten maar eens voortmaken voor ze ons zouden zien. Mijn vader hoorde me thuiskomen en zonder te vragen of ik ongedeerd was ging hij snel op een stoel zitten aan onze oude tafel die moeder had uitgekozen vlak voor haar overlijden. Ze vond de kleuren en het patroon wel geestig bij elkaar passen. Toen ik meedeelde dat ik gevallen was en de glazen bak met water had laten vallen kreeg ik bijna een klap in mijn gezicht. Vader was nog nooit zo woedend. Ik zag in zijn ogen dat iets niet pluis was, maar niemand zou het lef hebben om iets tegen hem te zeggen. Tenslotte wonen alleen mijn 2 broertjes in ik bij hem. Ik zag de lege flessen drank op de keukentafel staan. Twee daarvan waren halfvol en de andere twee helemaal leeg. ‘het is een jaar geleden dat moeder overleden is’, zei hij dronken. Ik rook de alcohol uit zijn stinkende mond en ik stond maar drie meter van hem. Het was een tijdje muisstil, zowel in de keuken als in de woonkamer. Toen ik het overwoog om naar buiten te lopen zag ik een brief in de prullenbak liggen. Lang geleden dat we nog eens post hadden gekregen. De laatste brief die we hadden gekregen was van mama, toen ze in Frankrijk zat met haar beste vriendin. Ik moest de brief gewoon eens lezen dus nam ik hem uit de prullenbak en liep naar mijn kamer. Heel erg warm was het daar niet en de dekens waren al 4 maand al niet meer gewassen, dus kon ik me niet verwarmen aan mijn dunne dekens. Ik staarde naar de enveloppe die goed was vast geplakt. Ik begon met lezen. Mijn ogen werden vochtig en al snel begon ik me zorgen te maken, we moesten namelijk verhuizen naar één van de buitenwijken. Het is een plek waar de Joden allemaal samen zouden moeten gaan wonen. Plots hoorde ik een heel harde bonk dat vanuit de woonkamer komt. Ik rende met de brief de trap af naar de keuken. Ik storte helemaal in aan het warme vuur dat vader aangestoken zou hebben als ik water was gaan halen. ‘zou ik hem verbranden?’ dacht ik in mezelf. Net voor de brief de eerste vlam bereikte snokte vader de brief uit mijn handen. Alweer kreeg ik bijna een klap in mijn gezicht. Hij nam de een versleten koffer onder de kast vandaan en begon met inpakken.       Zaterdag, 4 oktober 1941 Hier gaan we dan. Ik heb alles ingepakt wat ik bijeen kon rapen. Vader nam nog een laatste slok vodka uit zijn glas dat hij daar twee dagen eerder had neergezet en riep dat we ons moeten haasten, omdat we anders onze trein zouden missen. We hebben twee uur op de trein naar Amsterdam gezeten. Eenmaal we aankwamen in het station van Amsterdam werden we ruw geduwd door de menigte die daar rondliep. Vader trok aan onze armen en schreeuwde dat we onze oude valiezen niet mogen vergeten. En plotseling vervaagde de stem van vader. Ik hoorde geen geschreeuw van een wanhopige vader of luide kreet van mijn broertjes. Niets. Op een gegeven moment kwam een jong gezin vol paniek mijn kant uit. ‘Aus dem Weg oder ich werde dich rüber gehen!’ werd er van alle kanten geroepen. Ikzelf zou geen flauw benul hebben van wat dat zou betekenen. De hoop die ik heb om mijn strenge en opdringerige vader terug te vinden ben ik helemaal verloren. Zou vader hun ook zijn kwijtgeraakt in de menigte? Waar zouden ze naartoe gaan zonder mij? Zouden ze me nog zoeken? De vragen stormen in mijn hoofd, aangezien ik niet weet waar ik naartoe moet gaan. Na een uur wandelen nadat ik het station had afgelopen om mijn vader en broers te zoeken kwam ik uit in een donkere straat heel erg afgezet en afgelegen van de andere straten. Het ziet erg heel erg triest uit en de straten lagen vol met afval en vieze kleren. Je kon er niet in of uit dacht ik in mezelf. Op een ogenblikelijk moment namen twee grote en sterke mannen mijn arm stevig vast, pakte mijn koffer uit mijn handen en smeet me over een prikkeldraad. Toen was ik één van hen. Één van de gevangenen in die donkere en vieze wijk vol afval. De mannen die me hadden over de draad wierpen droegen een helm en waren in een groen kostuum gekleed met aan de schouder een geweer en op hun linkerarm een band met een zwart hakenkruis erop genaaid. De leren lange laarzen die ze aanhouden moet hun uitsluitend helpen tegen de kou en modder. Ze keken niet al te blij, maar wie zou nu wel gelukkig zijn in deze leefomstandigheden? Ze werden wat grimmiger met de minuut. Ik aarzelde niet om mijn boek te nemen en liep de donkere straat in. Eenmaal ik aankwam aan een huisje aan de rand van een wijk kwam een man naar mij gelopen, hij droeg een rugzak, kapotte schoenen altans ik denk dat het schoenen zijn, een zelf aaneengenaaide broek vol gaten en een hemd dat onder het stof en de vlekken zat. Hij rook naar zweet en vieze stinkende kousen die al twee jaar niet gewassen waren. Een beetje zoals mijn deken dat nu nog thuis ligt op mijn bed. Hij bleef even staan al hijgend bij zijn deur. Hij vroeg of ik wilde binnenkomen dus offerde ik mijn hulp aan om zijn zware rugzak naar binnen te dragen. Het eerste wat ik zag toen ik binnen stond waren vijf jongeren die hij onderdak gaf. De man vertelde hoe hij zijn gezin was kwijtgeraakt en hoe hij op het idee kwam deze jongeren ook in huis te nemen. Zijn naam is Abraham. Abraham zelf heeft een zoon die nu aan het vechten is voor ons land. Ik vrees dat hij die nooit meer terug zal zien. Hij vertelde dat ik hier kon overnachten. Op het zolderkamertje van het huisje mogt ik verblijven. Er lag stro op de grond, waaruit ik mijn bed heb gemaakt.       Dinsdag, 7 oktober 1941 We zijn ondertussen al een paar dagen verder. Nog altijd heb ik niets van vader gehoord. Ik begin me zorgen te maken, maar ik weet zeker dat hij zijn plan wel kan trekken zonder mij. Ik heb al heel hard moeten werken hier, daardoor heb ik niet kunnen schrijven. Ik ben uitgeput. Mijn lichaam is moe. Mijn geest is vermoeid en uitgeput van al de arbeid die ik moet verichten. Uren aan een stuk heb ik moeten werken. Dagenlang. Aankomende donderdag moet ik naar een doorstuur- en werkkamp in Amersfoort, Nederland. Dat is zo’n vijftig kilometer hier van waar ik nu zit. Mijn benen lijken stokjes en je zou mijn ribben kunnen tellen. Iedereen hier is moe en wil naar huis. Jammer genoeg weten we allemaal dat dat niet zomaar kan. Vandaag kregen we een filmpje te zien waar we binnen een paar dagen heen gestuurd worden. Een nieuwe plek waar je kan spelen en nieuwe mensen leert kennen. Op het filmpje stond vermeld dat er douches zijn waar je zou kunnen ontspannen en dat je verse kleren krijgt. Ook een gezamelijke kamer vind je daar. Ik hoop dat ik niet moet werken of dat ik geen vieze taken moet doen. Het is altijd hetzelfde liedje hier. Iedereen op het filmpje ziet er gelukkig uit. Het schijnt dat families elkaar terugzien op die dag, dus misschien zal ik mijn vader of één van mijn broertjes terugzien. Ik begin weer hoop te krijgen en word zelf hier nog blij. Nu nog maar hopen dat morgen beter word dan vandaag en de dagen sneller zullen gaan zodat ik terug naar mijn familie kan. Donderdag, 9 oktober 1941 Vandaag is de dag dat ik naar Amersfoort vertrek. Ik heb hier echt een dubbel gevoel over. De ene zegt dat het daar leuk zal worden en de ander zegt dat het daar onze dood zal worden. - Ik ben in Amersfoort aangekomen. Mijn kleren werden stuk voor stuk uit mijn handen gesnokt. Daarna moest ik op een tafel gaan liggen. Één vrouw hield je sevig vast en de andere doorzocht al je lichaamsopeningen met haar vinger. Het werd best ongemakkelijk. Daarna werd ik op een kruk gezet en werd mijn hoofd kaal geschoren.  Je ziet hier allemaal mensen met dezelfde kledij. Niemand heeft zijn kleren nog bij, want die hebben de Duitsers van ons afgenomen toen we in de trein stapten. We kregen in de plaats daarvan een pak met een nummer dat helemaal vies was. Toen ik hopeloos en gestresst naar het toilet zocht liep ik tegen één van de soldaten aan. Hij keek me recht in mijn ogen aan. Ik denk dat hij een vijftal jaar ouder zal zijn dan mij. Ik voelde de trillingen door mijn hele lichaam weer. Hoe hij met zijn donkere en zachte ogen in mijn bange blik keek werd ik er zelf rustiger van. Wat wel vreemd is aangezien ik daar eigenlijk niet mag komen. Hij nam me mee naar een toilet. Hij wachtte tot ik terug naar buiten kwam. En dan was het dàt moment. Het moment waar ik alleen maar van gedroomd zou hebben. We bleven naar elkaar kijken. Alsof we alles aan het zeggen waren wat er gebeurd is met ons, maar dan zonder woorden. Alsof we elkaar al eerder hebben ontmoet.  Ik moest maar eens voortmaken voor de anderen zouden merken dat ik zolang wegblijf. Hij gaf me een stukje van zijn opgedroogd brood en liet me een slok van zijn water drinken. Lang geleden dat ik nog iets anders had gegeten dan alleen maar eten uit een blik dat we bij het vuilnis vonden. De kleren die we hier hebben gekregen lijken helemaal niet op de kleren die ik zag in het filmpje. Ik kreeg vandaag een kom soep waarin ik luizen zag zwemmen. Het is hier echt een gebrek aan soepkommetjes dus eten sommige uit een vies blik. Ik slaap op een smerige stromatras in een zak, bedekt met uitwerpselen en slechts één deken dat ik met nog andere twee  Joden moet delen. Ik heb nog nooit zoveel ongedierte bij elkaar gezien. Die zullen de ziektes hier al snel verspreiden. Mijn vader heb ik nog niet gezien, maar de kans dat ik hem zal zien is nog kleiner dan dat ik het hier ga overleven. Als ik er zo over nadenk zal ik hier nog het meest geluk hebben van iedereen hier. Ik heb mijn dagboek nog steeds bij me. Die had ik verstopt onder een losse plank in de trein. Nadat mijn hoofd kaal geschoren werd kwam dezelfde man die ik tegenkwam in de verboden zone tegen. Hij bracht mijn boek terug, maar hoe zou hij weten dat dit boek van mij zou zijn?                  

Naai
34 1

De step van Finn is foetsie

Pagina 1 Het is de eerste dag van de grote vakantie. Eindelijk tijd om te spelen, denkt Finn. "Zal ik voetballen? Nee, ik ga met de step naar het skatepark. De vakantie mag wild beginnen.” Maar ... wat nu? Zijn step staat niet op de vaste plek in het schuurtje bij de fietsen. De step is nergens te vinden. (tekening) Pagina 2 Wellicht weet oma waar zijn step is. Ze past op Finn en zijn zusje terwijl mama en papa werken zijn. Misschien gebruikt ze de step om de was op te hangen in de tuin. Slim van oma, want dat gaat sneller. Nee, toch niet. Oma staat in de keuken. Ze schilt de aardappelen. (tekening) Pagina 4 "Misschien is zus met je step aan het spelen", zegt ze. "Nee oma. Zusje is te klein. Ze kan helemaal niet bij het stuur. Of anders niet met haar voetjes op de plank." (tekening) Pagina 5Misschien heeft opa de step meegenomen? Hij was vroeger postbode. Stel dat hij nog een tas met brieven gevonden heeft? En die is hij nu met de step van Finn naar de mensen brengen.  Nee, ook niet. Opa zit zoals gewoonlijk in de tuin. Hij sproeit zijn moestuin.  "Is je step foetsie? Oei. Nee, Finn, ik heb die niet gezien." "Foetsie? Wat is foetsie opa?" "Dat betekent gewoon dat je step weg is. Verdwenen of zoek. Misschien weet mama of papa waar hij is?" (tekening) Pagina 6 Papa? Dat zou best kunnen. Hij is politieagent. Met de step kan hij de boeven nog sneller bij de kraag vatten. Hij zegt dikwijls dat ze hem te snel af zijn. Als een superheld vangt hij ze nu. Goed idee van hem. Maar nee. Papa zit gewoon aan zijn bureau. Met een tas koffie. Niets boeven. "Jouw step? Nee, Finn. Niet gezien. Mama zal die wel opgeruimd hebben." (tekening) Pagina 7 Natuurlijk. Mama zegt altijd dat ze tijd tekort heeft in het ziekenhuis. Met een step gaat ze vliegensvlug van de ene patiënt naar de andere. De vliegende verpleegster. Nee, ook niet. Mama staat te babbelen met een andere verpleegster. "Nee, ik heb je step niet opgeruimd Finn. Je hebt die zeker ergens achtergelaten." Ja. Maar waar? (tekening) Pagina 8 Misschien is de hond met zijn step aan het spelen. Nee, Boris op de step, dat kan helemaal niet. Ofwel zijn de boeven er met zijn step vandoor. Daarom zijn ze papa te snel af. Dat zou best kunnen.  (tekening) Pagina 9 Maar wacht even. Gisteren was het toch de laatste dag school. Nu weet hij het. Hij mocht zijn step meenemen naar de klas. Oma is Finn komen halen met de auto. Heeft hij de step nu in de koffer gestoken of niet? Snel naar school, denkt Finn. Maar de poort is dicht. Natuurlijk. Meester Luc heeft ook vakantie. Twee maanden zonder step. Pfff. Is dat balen voor Finn.  (tekening) Pagina 10 Hey. Wat is dat? De klink van de poort gaat toch naar beneden. De directrice heeft die wellicht vergeten te sluiten.  Zal ik snel door het raam van de klas kijken, denkt Finn. Dan weet ik zeker dat mijn step in de klas staat en moet ik niet verder zoeken. (tekening) Pagina 11 Wat is het muisstil op de speelplaats. Finn sluipt op de toppen van zijn tenen naar de klas. Zoals een balletdanser. Hij kijkt door het raam. Jawel, daar staat de step. Naast zijn bank. "Dag step", zegt Finn.  (tekening) Pagina 12 "Dag Finn", zegt plots een stem naast hem. Finn springt van het schrikken bijna zo hoog als het dak van de school. Het is meester Luc.  "Dag meester Luc. Bent u ook iets vergeten in de klas?", zegt Finn. "Nee hoor, ik niet. De klas moet nog opgeruimd worden. Daar ben ik nog een paar daagjes mee zoet. Dan begint mijn vakantie." "Maar je komt zeker die step van jou halen. Ik dacht nog: die breng ik straks naar Finn. Neem hem maar mee. Fijn spelen. Het is vakantie Finn."  (tekening) Pagina 13 Dat laat hij zich geen twee keer zeggen. "Tot ziens meester Luc. Dank je wel." En weg is hij. Op zijn step door de open schoolpoort. Laat die vakantie nu maar snel beginnen.  (tekening)

Rudi Lavreysen
17 1

De Duistere Neergang, epiloog + hoofdstuk 1

Epiloog Het verhaal van de Zeven Zonderlingen begint in het jaar honderddrieëndertig, tijdens de derde generatie van het keizerrijk. Meer dan honderd jaar lang kende de wereld een periode van vrede en rust, onder het gezag van keizerin Alessia Stormkroon. Tientallen verschillende volkeren leefden in harmonie samen met elkaar en met de natuur. Maar de voorbije dertig jaar werd de rust steeds vaker verstoord. Rivieren kwamen droog te staan en dwongen allerlei waterwezens om hun thuishaven te verlaten. Eeuwenoude wouden verdwenen toen de planten stierven. Er doken steeds meer duistere figuren op, die de macht naar zich toe probeerden te trekken en daarvoor wel heel ver gingen, zo ver dat ze niet terugdeinsden voor massamoord. Kort geleden verschenen de eerste legers van Demonen. Ze kwamen 's nachts en vielen de stadsmuren van de belangrijkste steden aan, waaronder die van de hoofdstad Arcana. Hun aanvallen konden tot nu toe gelukkig worden afgeslagen dankzij het snelle en kordate optreden van de stadswachten, maar de chaos en de angst die hun aanvallen verspreidden onder de bevolking was groot. Niemand liep nog rond zonder een wapen op zak en na zonsondergang durfden de inwoners van Astonia niet meer buiten te komen. Afgelopen week stond op alle infoborden dat Aden, de kroonprins van het keizerrijk, spoorloos verdwenen was. Ook de nieuwsbrengers in de grote steden schreeuwden steeds luider dat er een oorlog zat aan te komen. Niemand wist honderd procent zeker of die berichtgeving klopte, maar over één ding waren alle inwoners van Astonia het eens: er kwamen duistere tijden aan. Af en toe verdween er iemand om dan later terug te keren als Cultist, een aanhanger van het occulte. Bovendien ging het gerucht dat er vanuit het Zuiden een mysterieuze ziekte aan het oprukken is, die intussen voor honderden doden heeft gezorgd. Het volk moest bidden tot Amun en Amon, de Goden van het Licht en van de Duisternis. Het was nog maar de vraag of deze Goden iets zouden kunnen uitrichten, want om de wereld te redden van dit kwaad zijn er echte helden nodig. Eerder vandaag stonden die helden op het punt om elkaar voor het eerst te ontmoeten. Ze lunchten namelijk, toevallig of niet, allemaal in De Verdronken Scheper, een herberg in een klein vissersdorpje op loopafstand van de hoofdstad. Op het moment dat ze hun witte bonensoep naar binnen lepelden, wisten ze nog niet dat hun levens op het punt stonden om een heel andere wending te nemen...   1. De Verdronken Scheper Net als elke middag rond lunchtijd heerste er een gezellige drukte in De Verdronken Scheper, de grootste en tevens de enige herberg van het kleine vissersdorpje Hallen. Het geroezemoes van pratende klanten overstemde het getik van bestek tegen stenen kommen en de geur van witte bonensoep hing overal. Aan de muren van De Verdronken Scheper bungelden verroeste lantaarns met kaarsen die hun licht wierpen op de tafels en op de schilderijtjes die her en der omhoog hingen. Het tafelblad van de toog was ontzettend kleverig en stond vol lege bierglazen. De herberg had geen menukaart maar achter de toog hing een krijtbord omhoog waarop te lezen stond welke drankjes en hapjes er momenteel verkrijgbaar waren. 'Ken da nie wa rapper?' bulderde de norse herbergier tegen de ober, die van het schrikken struikelde over een krukje maar zich desondanks nog net wist recht te houden. 'Die Argonianen daarzo wachten al eeuwen op hun drankje!' Hij gebaarde naar twee koppen dampende brandnetelthee op de toog. 'Ja, baas! Deze brengt het in orde!' De donkergrijze katachtige Khajiith die als ober werkte in De Verdronken Scheper verbrande haar poten bijna aan de hete thee. De herbergier mompelde iets onverstaanbaars en tapte nog een biertje. De Khajiith manoeuvreerde zich behendig tussen de dicht bij elkaar staande tafeltjes door. Natuurlijk moest ze de hete koppen thee helemaal naar de andere kant van de herberg brengen, waar twee Argonianen aan een van de ronde tafeltjes zaten te keuvelen terwijl ze hun witte bonensoep met brood naar binnen probeerden te werken. De ene had opvallende smaragdgroene en paarse schubben, de andere had heel lichte schubben. Hun uiterlijk deed denken aan dat van een hagedis, maar dan wel eentje die op zijn achterpoten loopt. 'Deze denkt dat jullie brandnetelthee hadden besteld, klopt dat? Zonder melk maar met honing?' vroeg de Khajiith terwijl ze de twee koppen hete thee neerzette. De twee reptielachtige wezens hielden abrupt op met praten. Ze knikten en betaalden elk een goudstuk. 'Hou het wisselgeld maar,' mompelde de kleinste van de twee. De Khajiith reageerde dankbaar en nam het goud aan. 'Met veel plezier! Als deze nog iets voor jullie kan doen, geven jullie maar een gil!' De Khajiith haalde een ietwat smerige vod uit haar schort en veegde over het tafeltje van de Argonianen als teken van goede wil. Het tafeltje werd alleen maar vuiler, maar niemand zei er iets van. 'Eigenlijk is er wel iets wat je voor ons kunt doen,' zei de grootste van de twee Argonianen. 'Hebben jullie toevallig een gerecht met pinda's? Pindakoekjes, een boterham met pindakaas, of desnoods pindaballetjes?' De Khajiith trok haar wenkbrauwen op vanwege die vreemde vraag. 'Het spijt deze, maar pinda's zijn een luxeproduct bij ons. Ze worden in ons dorp zelden gebruikt omdat ze zo duur zijn. Kan deze u misschien een andere dessert aanbevelen? We hebben heerlijke stroopwafels en...' De grootste Argoniaan onderbrak haar. 'Nee nee, dat hoeft niet. Toch bedankt, eh... hoe heet je eigenlijk?' De Argonianen keken de Khajiith vragend aan. 'De naam is Jaii, tot uw dienst.' De Khajiith maakte een kleine buiging en stak de kaars aan die op het tafeltje van de Argonianen stond. 'Bedankt, Jaii. Mijn naam is Pangur,' stelde de grootste Argoniaanse zichzelf voor. 'En dit is Kahuna. We zijn allebei op doorreis en we kwamen elkaar toevallig tegen in de haven.' Kahuna knikte maar zei niets terwijl ze van haar thee nipte. 'Oh, naar waar zijn jullie onderweg?' Jaii had van haar baas de opdracht gekregen om met klanten te praten over hun reisplannen. Bovendien had ze onlangs zelf een hele lange reis gemaakt, maar daar wilde ze liever niet over praten. 'Ik kom rechtstreeks van Marsan, het eiland waar de Argonianen leven. Ik ben op weg naar de hoofdstad,' vertelde Pangur. 'En Kahuna komt net van de hoofdstad en ze is op weg naar... Ja, naar waar eigenlijk?' Ze gluurde naar Kahuna, die zich verslikte in haar brandnetelthee. 'Ik eh... Ik ben gewoon een beetje aan het rondreizen,' mompelde Kahuna. 'Je weet wel, mooie plaatsen bezoeken en oude gebouwen bekijken en zo. Ik dacht erover om terug te keren naar Marsan, maar ach...' 'Dat moet je niet doen,' riep Pangur uit. Ze sloeg met haar vuist op tafel waardoor de bonensoep over de rand van de kom klotste. 'De helft van de rivieren staat intussen droog, er is nu al niet genoeg water voor iedereen. Hoe meer Argonianen weggaan uit Marsan, hoe beter. Het wordt er stilaan onleefbaar.' Kahuna staarde ongelukkig naar haar theekop terwijl Pangur een stuk opgerold perkament uit haar tas haalde. Het was een wereldkaart waarop de route stond aangegeven die ze tot nu toe had afgelegd. 'Met de boot ging ik vanuit Marsan naar de havenstad Kamal en van daaruit...' Een harde klap verstoorde de rust in De Verdronken Scheper en Jaii, Kahuna en Pangur keken op van de wereldkaart. Een felle rukwind waaide door de open deur naar binnen en blies alle kaarsen uit. Een jonge Argoniaanse vrouw struikelde naar binnen en bleef wankelend staan naast een tafeltje waaraan een ruige Mensenvrouw zat te eten. 'Help me!' riep de Argoniaanse vrouw paniekerig. Jaii en Pangur sprongen meteen overeind om de arme dame te helpen. Ze zag lijkbleek en haar witte jurk was aan de onderkant aan flarden gescheurd. Ze strompelde verder en hield zich vast aan het tafeltje van de Mensenvrouw om niet te vallen. 'Ze hebben mijn broer ontvoerd! Iemand moet me helpen!' Ze zakte door haar knieën maar de Mensenvrouw wist haar net op tijd op te vangen. Voorzichtig zette ze de hysterische vrouw neer op een stoel. Ook Kahuna was erbij komen staan, net als de woest uitziende Elfenman met zijn donkere mantel die daarnet aan de toog zat. De herbergier keek toe met open mond terwijl hij een bierkan afdroogde. 'Alstublieft,' smeekte de arme vrouw. 'Mijn broer is alles wat ik nog heb. Ze hebben me alles afgenomen en nu hebben ze ook nog eens mijn broer ontvoerd. Zonder hem kan ik niet overleven!' Ze keek de Mensenvrouw aan met een betraand gezicht. 'Wat is er precies gebeurd? Wie heeft jouw broer ontvoerd?' bromde de Elfenman met zijn zware stem. 'Een bende Cultisten heeft hem meegenomen. Kharek en ik waren kruiden aan het plukken in de buurt van de Oude ruïnes, ten noorden van het dorp, toen ze plots opdoken. Ze waren met zo veel, ik kon niets doen om hen tegen te houden!' De vrouw begon luid te snikken, waarop de Mensenvrouw en Jaii naar haar toe liepen om haar te troosten. 'Alstublieft, ik smeek u om mij te helpen. Mijn naam is Mirra en ik heb niet veel, maar ik geef u alles wat ik heb als u mijn broer maar terugvindt. Kharek heeft een lang litteken op zijn rechterbovenbeen, daaraan kun je hem herkennen.' Na die laatste woorden zakte de vrouw in elkaar. Ze was flauwgevallen door alle emoties en door de uitputting van al het lopen. Jaii, Kahuna, Pangur en de twee andere onbekenden staarden elkaar zwijgend aan. De vrouw vroeg hen om haar broer te zoeken, maar wat konden zij in hemelsnaam uitrichten tegen zo'n bende Cultisten? Ze kenden elkaar niet eens! 'Wel, sta da niezo me je mond vol tanden. Doe iets!' gromde de herbergier. Hij wierp een vieze, natte handdoek naar Jaii's hoofd maar die bukte net op tijd om niet geraakt te worden. De handdoek belandde op de smerige vloer. 'Khajiith, breng da lijk na buiten! 'k Wil geen smerige dinge in m'n herberg.' De herbergier zette een halfvolle beker mede op de toog en gebaarde naar de bewusteloze vrouw. De aanwezige klanten waren verbijsterd door zoveel onbeleefdheid. Het bleef een paar seconden stil, totdat Jaii haar schort uittrok en de belachelijke witte handschoenen van haar poten deed. 'Deze moet die arme vrouw helpen,' zei Jaii rustig. 'Haar broer is ontvoerd door een stelletje Cultisten en deze kan die monsters niet zomaar laten begaan.' De herbergier stond met zijn mond vol tanden. De kan die hij probeerde af te drogen, werd steeds viezer door de vuile handdoek die hij gebruikte. Het was nooit eerder voorgevallen dat iemand hem tegensprak. 'Baas, jij hebt toch een koets? En paarden?' Jaii's smekende toon had geen merkbaar effect op de herbergier. 'Zou deze die alsjeblieft mogen lenen? Hoe sneller we bij de Oude ruïnes zijn, hoe beter. Hoe eerder we er zijn, hoe meer kans we hebben dat Kharek nog leeft.' Ondertussen gluurde Jaii naar Kahuna en Pangur. 'Willen jullie deze vergezellen? Ik weet dat ik ontzettend scherpe klauwen en tanden heb, maar in m'n eentje kan deze die Cultisten niet aan.' Pangur knikte bevestigend zonder er verder over na te denken en trok haar wollen mantel aan. 'En jij, Kahuna?' Jaii keek de Argoniaanse vrouw smekend aan. Kahuna sloot haar ogen en dacht een halve minuut lang na, alsof ze de voor- en nadelen tegen elkaar af woog. 'Ja, ik zal jullie vergezellen,' mompelde ze uiteindelijken ze raapte haar tas van de grond. Een paar seconden later dronk de Elf zijn beker rode wijn leeg en bromde. 'Ik kan jullie niet alleen laten gaan, jullie zijn veel te kwetsbaar. Twee Argonianen en een Khajiith, dat is niet veel soeps. Ik ga ook met jullie mee,' zei hij. 'Mijn naam is Abigor en ik sta tot jullie dienst.' De Mensenvrouw schraapte haar keel terwijl ze een goudstuk door haar lange vingers liet glijden. Ze droeg voornamelijk bruine en witte kleding, met daaroverheen een opvallende, rode mantel. Die mantel was het symbool van de jagersgilde waar ze deel van uitmaakte. 'Ik geloof dat jullie de hulp van een Jager wel kunnen gebruiken,' mompelde ze. 'Jullie kunnen op Eleanor rekenen.' Ze stak haar hand uit om die van de anderen te schudden. De herbergier trok zijn wenkbrauwen op en keek alsof ze allemaal gek geworden waren. De bierkan in zijn handen liep over en het bier stroomde over de toog, maar hij merkte het niet eens. 'Nou, goed dan. Jullie moge m'n koets en een van m'n paarden lenen voor vijftig goudstukken.' Hij zette de bierkan aan zijn mond en nam een flinke slok. Het bier droop langs zijn mondhoeken naar beneden. 'WAT?' riep Jaii verontwaardigd uit. 'Vijftig goudstukken voor die schroothoop? Jij lelijke, achterlijke...' Eleanor keek haar waarschuwend aan en Jaii slikte met moeite haar woorden in. De twee Argonianen en Abigor schaarden zich rond Jaii en de vrouw en probeerden de herbergier te overhalen om hen de koets gratis mee te geven. 'Ik wil vijftig goudstukken voor m'n koets en m'n paard of jullie kenne te voet gaan.' De herbergier liet zich niet intimideren en hield voet bij stuk. Jaii slaakte een kreet van frustratie maar Kahuna probeerde haar te sussen. 'Nou, ik... Ik kan wel een aantal goudstukken missen,' fluisterde Kahuna terwijl ze in haar zak grabbelde en een aantal goudstukken tevoorschijn haalde. 'Dan draag ik ook mijn steentje bij.' Pangur schudde haar geldbuidel leeg in Jaii's poot. 'Ik heb ook nog wat goud over,' mompelde Abigor. Binnen een minuut hadden ze vijftig goudstukken bij elkaar gesprokkeld. Triomfantelijk liep Jaii naar haar baas en drukte de goudstukken in zijn handen. Met zijn lange, vieze nagels tikte de herbergier tegen de goudstukken om te controleren of ze wel echt waren. Hij koos er eentje uit en beet erin, waarna hij goedkeurend knikte. 'Prima, neem die koets ma mee. Ik verwacht jou morgen weer t'rug, Jaii. Jouw keukendienst begint om half negen.' Terwijl ze naar buiten liepen via de achterdeur, begon Jaii te grinniken. 'Morgen? Maar we hebben toch helemaal niet afgesproken hoe láng we de koets mochten lenen? Bovendien neem ik ontslag. Tot ziens!' Ze zwaaide ten afscheid, griste haar staf met zich mee en liep achter de anderen aan naar buiten. Een eindje verderop vonden ze de koets en een paard dat er uitgehongerd uit zag. Jaii haalde een baal stro uit de stal zodat het paard kon eten. Eleanor tuigde het paard op alsof ze nooit iets anders gedaan had en al gauw waren ze onderweg naar de Oude ruïnes. 'Team Taverne to the rescue!' grapte Jaii in een poging het ijs te breken. De anderen lachten toen ze terug dachten aan het woedende gezicht van de herbergier toen Jaii zei dat ze ontslag nam. Pangur was druk in gesprek met Eleanor om haar de beste route naar de Oude ruïnes uit te leggen. Pangur was erg goed in navigatie en Eleanor wist het best hoe ze een paard moest mennen, dus werd de knoop snel doorgehakt. Eleanor zou de koets besturen en Pangur zou naast haar vooraan op de koets zitten om de weg te wijzen. Een tijd lang reisden ze in stilte, maar toen stelde Abigor de vraag die op ieders lippen rustte. 'Denken jullie dat de broer van die vrouw nog leeft?' Het geschok en gekraak van de koets voorspelde niet veel goeds. Vooraan op de koets deed Eleanor haar best om het paard te mennen, maar het arme beest was zo verzwakt dat ze niet erg snel vooruit gingen. 'Geen idee.' Jaii gaapte met haar poot voor haar mond. 'Het enige dat ik zeker weet, is dat ik nu een dutje ga doen. Ik snap nu waarom die herbergier geen serveerster kon vinden, want zijn werkuren zijn onmenselijk. Zelfs een Nachtelf zou het niet kunnen volhouden!' Ze leunde achterover op de bank en binnen een paar seconden sliep ze. Ook de anderen maakten het zich gemakkelijk en al gauw lag iedereen te slapen, behalve Eleanor en Pangur natuurlijk. Buiten brandde de felle middagzon op haar hoofd, maar dat gaf niet. Het avontuur was begonnen.   'De Duistere Neergang' is een verhaal van Eva Linden dat momenteel bij de proeflezers ligt en binnenkort naar de uitgeverij gestuurd zal worden. Wil je graag op de hoogte blijven van de schrijfsels van Eva? Neem dan zeker een kijkje op haar Facebookpagina

Eva Linden
45 0

Climate Strike Online

  Our fish is full of microplastics.Our fresh water is, most likely, too.We will run out of it, probably soon,and we’ll have more hurricanes too. Much more viruses and unknown diseases,for which there will be no cure.Much more frequent and stronger floods,and storms and winds and bushfires too. Lots of droughts and mass wildlife extinctionand one pessimistic “there’s nothing we can do”-conviction.I really would love, love, LOVE to have children,but I think I should not.For if then MY child would want to have children,he or she could not. I am angry with our governmentand with our global economy.I feel like their inactionhas taken my decision away from me. I walk around in natureand see less ducks, ants and trees,and every Summer I wonder:Where are those bloody bees?? But most of all, I feel very alone,because we don’t talk about the climate crisis at home.Nor at work,nor at the TV,do we ever really talk about the changing climate that we see. Even worse:We pretend it’s not there.It’s not urgent. There’s no reason for alarm.Unlike with the new coronavirus, we should all just keep calm. At 6 degrees Celsius in the sea,humankind might no longer be able to breathe.And then I wonder what it would feel liketo choke or drown or burn to death,rather than die of old age. And then I am back to where I am always at:Me feeling alone, scared,sad, an “alarmist”, and – it’s actually quite simple – UPSET.       This is a poem I wrote inspired by the website https://www.isthishowyoufeel.com/ in which climate scientists and other experts write about how they feel when it comes to our global climate crisis. Credits foto: The Critical Goose

The Critical Goose
11 0

Pluimgewicht

Pluimgewicht.                                        Het verjaardagsfeestje van Hanne was echt top geweest! De mama van Hanne had de lekkerste pannenkoeken van de hele wereld gebakken en het zelfgemaakte fruitdrankje smaakte heerlijk fris. Dat het keihard regende kon de pret niet bederven. Ze hadden zich prima geamuseerd met gezelschapsspellen. Al duurde het wel even voor ze een spel hadden gevonden waar iedereen mee akkoord kon gaan. Vince wou absoluut Monopoly spelen omdat hij daar meestal mee won. Voor Zita was het een saai spel dat veel te lang duurde. Julie stelde dan maar ‘Mens erger je niet’ voor. Dat was voor Titus een oerdom spel. Tenslotte lieten ze Hanne kiezen, zij was tenslotte de jarige. Iedereen wist dat het haar lievelingsspel zou worden: Levensweg. Vince trok een vies gezicht maar deed gewoon mee. En hij won dan toch nog ook, zeker! Zita wilde weten of hij in het echt ook zo’n carrière ging maken als in dit spelletje. ‘Natuurlijk’ had Vince geantwoord. Daar moest iedereen om lachen. Waarop ze begonnen te fantaseren. Hanne wilde verpleegster of misschien wel dokter worden, daar was ze nog niet uit. Titus zag zich als journalist de wereld rondtrekken op zoek naar spectaculaire gebeurtenissen. Zita wilde zonder enige twijfel actrice worden. Zij kon ongelooflijk veel stemmetjes nabootsen en in één seconde een boos, verbaasd, triest, vrolijk gezicht opzetten! Vince moest natuurlijk weer de strafste zijn: hij werd piloot. Niet van zo’n stom burgervliegtuig maar van een straaljager, als gevechtspiloot. Ik wil ook vliegen, had Julie er uit geflapt, maar zonder vliegtuig. Iedereen zweeg en keek verbaasd naar Julie. Vince reageerde als eerste. Hij vroeg op een spottoontje of ze misschien een engel wilde worden. Daarop begonnen ze door mekaar te praten. ‘Engelen hebben wel vleugels! Waar zijn die van jou?’ ‘En ga je dan naar de engelenschool?’ ‘Oefenen op een vleugelpiano, dat lijkt me wel wat!’ ‘Ga naar een vissersclub, daar kan je leren h…engelen.’ ‘Hallo, meneer Merlijn, kan jij Julie even in een vogel toveren?’ ‘Opgepast, laat je niet pluimen!’ ‘Als je een pluimgewicht bent, ga je vanzelf de lucht in.’ Vince bracht de discussie op een heel ander thema. Hij beweerde dat meisjes geen engel kunnen worden want engelen zijn jongens. ‘Hoe weet jij dat?’ wilde Hanne weten. ‘Van een schilderij met blote engeltjes. Die hadden allemaal een piemel,’ beweerde Vince. ‘O ja?’ viel Zita uit: ‘En ik heb op een schilderij engelen gezien met een lang wit kleed. En die hadden meisjesgezichten!’ ‘Onder dat kleed kunnen ze toch een piemel hebben?’ verdedigde Vince zich. ‘Engelen bestaan niet, alleen op schilderijen en op brievenbussen!’ besloot Titus. ‘Bzzz. Pets!’ Vince klapte in z’n handen. ‘Wat doe je?’ vroeg Julie ‘Ik heb Julie de bromvlieg in één klap tot moes geslagen!’ ‘Pestkop!’ viel Julie uit, maar ze lachte hard met de anderen mee. ‘En ik heb dan toch gevlogen!’ besloot ze triomfantelijk. Door dat laatste zinnetje geraakte Julie die avond niet in slaap. Echt kunnen vliegen, hoe cool is dat! Maar hoe doe je dat? Waarom zou dat niet kunnen? Van oma had ze eens gehoord dat, als je echt in iets gelooft, dan zal het ook echt gebeuren. Maar hoe geloof je zo hard in je zelf dat je kan vliegen? Ze kwam er niet uit. ‘De beste manier om een oplossing te vinden voor een probleem is er een nachtje over slapen.’ zei mama dikwijls. En dat zou ze dan maar doen. Toen Julie de volgende morgen haar boterham met een dikke laag choco belegde, schoot haar plots een woord te binnen dat iemand gisteren had gezegd: pluimgewicht! Dat was het! Ze moest een pluimgewicht worden, dan ging ze vanzelf de lucht in. Het zinnetje maakte haar op slag blij. Ze moest lichter worden, zo licht als een pluimpje! Dus schraapte ze de choco van haar boterham en smeerde die aan de rand van de pot. Dat was alvast een begin. Ze was er nu al zeker van dat ze binnenkort zou vliegen. Een pluimgewicht worden was natuurlijk niet voldoende om de lucht in te gaan: ze moest ook leren vliegen. ‘In plaats van gewoon te stappen, kan ik ook al huppelend naar school, dan vlieg ik al een heel klein beetje,’ bedacht ze als eerste oefening. En dat deed ze. Ze sprong telkens zo hoog mogelijk op. Natuurlijk zag dat er best belachelijk uit. Andere kinderen wezen met hun vinger en lachten haar uit. Dus hield ze er mee op en liep gewoon, net als anders verder. ‘Heb je nu al gedaan? Je hebt amper iets gegeten,’ zei mama toen Julie haar bord na het avondeten naar de keuken bracht. ‘Ik had geen honger,’ schokschouderde Julie. ‘Ik ken dat! En straks prop je je weer vol met chips en nootjes.’ ‘Nee, ik heb echt genoeg. Mag ik nog wat buiten, het is hier zo warm.’ En zonder een ja of nee af te wachten, ging ze de deur uit. Achter hun tuin lag een verwilderd veld. Door een gat in de haag kon ze daar gemakkelijk naartoe. Ze speelde er dikwijls alleen of met vrienden. Papa wilde dat gat dicht maken omdat er huizen zouden gebouwd worden. Julie vond dat wel jammer, maar voorlopig bleef het bij woorden. Papa had zoveel andere dingen te doen. En in de tuin werken was niet zijn favoriete bezigheid. Dus kon ze hier beginnen met haar vliegoefeningen. Met een tak trok ze eerst een dikke streep over de grond. Dan nam ze een aanloop en sprong vanop die lijn zo ver en zo hoog mogelijk. Met een stokje duidde ze de plaats aan waar ze was neergekomen. Met haar tweede poging kon ze dit resultaat verbeteren. Ze plantte het stokje enkele centimeters verder in de grond. Zo hield ze dit een tijdje vol. Af en toe kon ze het stokje nog wat verder steken. Maar ze werd moe en geraakte zelfs niet meer zo ver als haar eerste poging. Genoeg dus voor vandaag. De volgende dagen bleef ze op die manier oefenen. Nooit kreeg ze echter het gevoel dat ze vloog, dus hield ze er mee op. Een pluimgewicht, dat moest ze eerst worden! Ze schrapte choco, snoep en frisdrank maar ook aardappelen en pasta van het menu. Ze at ’s morgens maar één boterham zonder boter en ze nam er ook maar één mee naar school met een klein beetje confituur of een heel dun schelletje kaas. In de plaats daarvan at ze veel groenten, fruit en yoghurt. Vlees schrapte ze ook van haar menu. Alleen kip wilde ze blijven eten want dat is een vogel. En vogels kunnen vliegen dus dat zou haar vast helpen om het ook te kunnen. Wanneer mama een opmerking maakte over haar nieuwe eetgewoonte, antwoordde Julie dat ze over gezonde voeding had gelezen. Dat was natuurlijk niet zomaar het lukte; mama zei er verder niets meer over. Het werkte in elk geval: Julie werd niet echt mager maar raakte wel heel veel kilo’s kwijt. Haar huid werd heel dun en wit, bijna doorschijnend. En daarom begon mama zich zorgen te maken. En dus maakte ze een afspraak bij de dokter. Julie was daar een beetje kwaad om en sputterde tegen. Ze voelde zich toch fit en gezond. Ze was altijd vrolijk en mopperde bijna nooit wat vroeger wel meer gebeurde. Het was tevergeefs. Mama had de afspraak gemaakt. Julie kon niet anders dan meegaan, maar liet duidelijk blijken dat het tegen haar zin was. Met een zuur gezicht liep ze naast mama. De dokter luisterde naar de uitleg van mama, stelde ook vragen aan Julie en onderzocht haar. Maar hij vond niets. Natuurlijk niet, dacht Julie: ‘Ik beweeg heel veel en eet gezond.’ Maar mama drong er bij de dokter op aan dat hij haar bloed zou laten onderzoeken. Ook haar bloed was in topconditie liet de dokter enkele dagen later weten. Dus niets aan de hand. Mama kon het moeilijk geloven, maar ze moest er zich bij neerleggen dat Julie helemaal gezond was. Ze hoefde zich echt niet ongerust te maken. En daar hebben mama’s het wel eens moeilijk mee: het lijkt of ze het leuk vind om bezorgd te zijn. Dus bleef Julie haar kostje eten en werd ze al maar lichter zonder mager te worden. En… ze probeerde andere oefeningen. Dat ging niet altijd even vlot. Hoe kon ze in hemelsnaam in de lucht blijven? Fladderen met de armen alsof het vleugels waren, hielp niet. Ze kwam geen centimeter van de grond. Ze sprong dan maar van zo hoog mogelijk van de trap. Het enige resultaat was dat ze enkele dagen bijna niet kon lopen door een pijnlijke enkel. Op YouTube zocht ze naar filmpjes van mensen die op de meest rare manieren de lucht in gingen. Maar ze gebruikten hulpmiddeltjes, tot zelfs motortjes, om soms maar heel eventjes te vliegen. En dat wilde Julie absoluut niet. De enige vliegervaring die ze had, was tijdens de turnles. Meestal vond ze die lessen saai, behalve als de plint en de bok werd opgesteld. Het was spannend om over die toestellen te springen. Vooral de tijgersprong op de plint kon ze perfect. Dan kreeg ze het gevoel dat ze zweefde, dat ze vloog. Heel even maar, want de muur achter de plint stond in de weg. Alleen in haar dromen kon ze echt vliegen. De ene keer vloog ze door de lucht als superman. Dan weer klapwiekte ze als een reuzevogel boven de bomen. En soms zweefde ze als een pluimpje door de lucht. Het bijzondere was dat ze nooit enge dromen had. Alles en iedereen liep er vriendelijk en vrolijk bij. In de laatste droom die ze zich herinnerde, wandelde ze gewoon op straat, tot ze als op een onzichtbare trap naar boven ging. Ze liep gewoon verder door de lucht. Zo hoog dat de huizen, de bomen en vooral de mensen heel klein werden. Zalig! Een fantastisch gevoel! Ze lachte en wuifde naar voorbijvliegende vogels. Toen ze wakker werd, lag ze gewoon in haar bed natuurlijk. Met haar ogen dicht probeerde ze in haar droom te blijven. Het voelde zo goed, zo echt! Misschien was dat een manier om te vliegen. Die gedachte bleef de hele dag in haar hoofd hangen. Dit moest ze absoluut proberen. Na het avondeten kroop ze door het gat in de haag. Ze schopte haar schoenen uit, sloot haar ogen en begon te stappen. Het gras kriebelde aan haar blote voeten maar het stoorde haar niet. Ze concentreerde zich op haar droom en begon haar knieën hoger te heffen om de onzichtbare trap op te gaan. Het lukte! Ze zweefde! Maar op het moment dat ze haar ogen opende, zag ze dat ze gewoon door het gras liep. Niks zweven, niks vliegen. Ze wilde echter niet van de eerste keer opgeven. Opnieuw begon ze te stappen. Nu hield ze haar ogen dicht. Nu was ze er zeker van dat ze even geen gras meer voelde. Dat ze echt de lucht was in gegaan. Dat gevoel wilde ze opnieuw hebben. Maar ze was zo opgewonden dat het niet meer lukte. Voor vandaag was het genoeg. Eén ding wist ze zeker: ze had gevlogen en dat moest ze aan haar vrienden vertellen. Nee, ze moesten komen zien! De volgende woensdag stuurde ze een berichtje naar Vince, Titus, Zita en Hanne dat ze direct naar het veld moesten komen. Die waren heel benieuwd wat er zo dringend was. Julie stond hen al op te wachten toen ze bij het veld aankwamen. ‘Je hebt vast en zeker spectaculair nieuws?’ begon Titus terwijl hij een notitieboekje boven haalde. ‘Ja, ze gaat als een ballon de lucht.’ grapte Vince. ‘Die jongens moeten altijd onnozel doen.,’ verdedigde Hanne Julie. ‘Natuurlijk, ze denken als apen,’ deed Zita er nog een schepje bovenop. ‘Hoe op met dat gekibbel,‘ onderbrak Julie hen, ‘ik wil me concentreren.’ Ze deed haar schoenen uit en begon te lopen, eerst met gewone stappen, stilaan versnellend en met hoog opgetrokken knieën. Maar er gebeurde niets. Met een sorry liep ze terug naar haar startplaats en begon opnieuw. Tevergeefs. Na de derde poging stopte ze, tranen in de ogen. Haar vrienden hadden met haar te doen. ‘Wou je ons laten zien dat je kon vliegen?’ probeerde Hanne voorzichtig. Julie knikte zonder iets te zeggen. ‘Was het je al gelukt?’ drong Hanne aan. Opnieuw knikte Julie. ‘Als je het voor een publiek moet doen, is het altijd veel moeilijker,’ wist Zita. Iedereen keek stil voor zich uit, niet goed wetend hoe ze moesten reageren of hoe ze Julie konden troosten. ‘Heb je al eens gezien hoe een meikever zich klaar maakt om te vliegen?’ vroeg Titus plots. Zonder op een antwoord te wachten, vervolgde hij: ‘Die pompt zich vol lucht voor hij zijn vleugels opent om op te stijgen. Slim hé!’ ‘Schitterend idee!’ Alle vijf, ook Julie, klapten ze in hun handen. Ze zag het weer helemaal zitten. ‘Ik ga dat zeker proberen en dan bekijk ik jullie volgende keer vanuit de hemel,’ lachte Julie. Nu of nooit dacht ze toen ze de volgende dag door het gat in de haag kroop. Ze trok haar schoenen uit, zoog de lucht diep in en begon met ingehouden adem te stappen. Het gras kriebelde aan haar blote voeten. En plots was het er niet meer. Ze voelde zich zo licht als een pluimpje en… ze zweefde! Met een zucht liet ze de opgespaarde lucht ontsnappen en opende behoedzaam haar ogen. Met een klap viel ze op de grond. Gelukkig zonder erg omdat ze niet zo hoog was gevlogen. Gevlogen! Ze kon het bijna niet geloven, maar ze wist het wel zeker. Nu moest ze haar ademtechniek verbeteren om langer en hoger te kunnen vliegen. En misschien moest ze iets met haar handen doen. Een kleine beweging maken die haar vlucht zou ondersteunen. Net zoals de kleppen van een vliegtuig. Dus toch nog vliegen als een vliegtuig, bedacht ze met een glimlach. Morgen zou ze haar vrienden opnieuw laten komen. Daarom moest ze nu blijven oefenen. Ze sloot haar ogen, ademde diep in en begon te stappen. Ze concentreerde zich op de trap, de onzichtbare trap die ze steeds hoger op klom. Rustig begon ze in en uit te ademen en opende heel langzaam haar ogen. Lucht! Ze zag alleen maar blauwe lucht. En beneden haar werden de huizen, de bomen, het veld kleiner en kleiner. Als vanzelf begon ze met haar handen te sturen. Door ze te draaien, schuin of minder schuin te houden kon ze de richting bepalen. Door haar vingers te sluiten of te openen kon ze klimmen of dalen. Ze genoot zo van haar vlucht dat ze eerst niet zag dat alles rondom haar verdwenen was. Was ze in een wolk terecht gekomen, dacht ze toen ze het merkte. Maar de hemel was helemaal blauw geweest zonder één enkel wolkje. En plots voelde ze zand aan haar voeten. Ze liep door zand! Dat kon toch niet. Ze bleef staan en keek van links naar rechts, van boven naar onder. Maar ze zag niets door de dichte mist. Er kroop echt wel los zand tussen haar tenen. Op het veld kon ze niet zijn want dat stond vol gras. Alsof ze de mist wilde wegvegen, zwaaide ze met haar hand voor haar ogen. Als bij toverslag was alle mist verdwenen en stond ze op een zandweg aan de rand van een bos! Hoe kwam dat hier? Dit was onmogelijk! Ze keek verdwaasd rond. Was ze in slaap gevallen terwijl ze door de lucht zweefde? Was dit een droom? Ze kneep in haar arm en stampte op de grond. Het droge zand waaide lichtjes op. Dit kon niet anders dan een droom zijn. Best grappig: een droom waarin je denkt dat je aan het dromen bent. Weet je wat, dacht ze, ik ga weer vliegen. Dan vlieg ik misschien wel uit mijn droom. Ze moest lachen met die gekke gedachte. Ze begon te stappen, zoog de lucht naar binnen, bracht haar knieën in de hoogte, maar ze vloog niet. Ze bleef door het zand van de bosweg lopen. Hoe kan dit nu? Hulpeloos keek ze van links naar rechts. Twee citroengele vlinders fladderden rond mekaar van bloem tot bloem. ‘Stomme vlinders,’ snikte Julie. ‘En toch kan ik ook vliegen.’ Maar nu natuurlijk niet. Het liefst was ze op de grond gaan zitten met haar handen voor haar ogen. Maar dat durfde ze niet. Ze wist niet wat te doen en raakte steeds meer in paniek. Ze kon niets bedenken. Waarom had ze absoluut willen vliegen. Mensen zijn niet gemaakt om te vliegen. Vlinders, ja natuurlijk, en vogels en muggen die hadden allemaal vleugels. Maar zij had er geen. Dus kon ze ook niet vliegen. Ze had met haar voeten op de aarde moeten blijven. ‘Hallo, wie ben jij? Wat doe je daar? Vanwaar kom jij?’ Julie schrok op. Haar hart bonkte in haar keel. Van waar kwam dat rare stemmetje? Ze draaide zich om in de richting van het geluid. Door haar tranen zag ze niets. Met de rug van haar hand wreef ze in haar ogen. Achter haar, iets verder op de bosweg, stond een mannetje. Hij was nog niet half zo groot als zij. Het had een gele puntmuts op zijn hoofd, droeg een rood vestje en een groene broek. ‘Ben jij een kabouter?’ hakkelde ze. ‘Heb jij een wit kleedje en blonde haren met een rood strikje?’ vroeg het mannetje. Wat een raar antwoord, dacht Julie. Maar toch keek ze voor de zekerheid naar haar oranje-geel T-shirt en haar blauwe jeansbroek. ‘Nee, natuurlijk niet,‘ zei ze lichtjes verontwaardigd. ‘Dan ben ik geen kabouter,’ besliste het ventje. En toen zag Julie inderdaad dat er geen puntmuts was en geen rood vestje en geen groene broek. Maar een heel klein ventje met een grijze hoed, een wit hemd met blauwe das onder een grijze vest en een grijze broek. Net een directeur van een fabriek, dacht ze. Het mannetje kwam een stapje dichter naar Julie toe die behoedzaam een stap achteruit deed. ‘Je hoeft niet bang te zijn,’ zei het mannetje zacht; ‘Ik ben gewoon nieuwsgierig.’ ‘Nieuwsgierig?’ ‘Ja natuurlijk. Ik zie dat je een mens bent. Dat kan normaal niet. Ik bedoel, mensen horen hier niet te komen. Zeker geen kleine meisjes!’ ‘Ik ben geen klein meisje,’ liet Julie zich ontvallen en onmiddellijk had ze daar spijt van. Misschien wordt dat meneertje nu boos?’ Die werd helemaal niet boos, integendeel, hij lachte. Geen uitlach lachje, nee gewoon een vrolijk lachje. ‘Natuurlijk ben jij veel groter dan ik. Mensen direct aan kabouters als ze iemand zien die zo klein is. En als je denkt dat je iets ziet wat je denkt dat je ziet, dat zie je dat ook echt.’ Over zo een ingewikkelde zin moest Julie even nadenken. ‘Dacht u echt dat ik een wit kleedje droeg?’ vroeg ze wat onzeker. ‘Nee, natuurlijk niet. Dat was een grapje. Of liever: zo begreep je dat ik geen kabouter was, alleen iemand heel klein, zoals wij hier allemaal zijn.’ ‘Wonen hier nog meer mensen zoals u?’ ‘Wij zijn met heel veel. Maar eerst wil ik weten hoe je hier gekomen bent?’ ‘Ik was aan het vliegen!’ ‘Mensen kunnen toch niet vliegen, dacht ik zo.’ ‘Ik heb het toch geleerd,’ zei Julie en ze kon niet verbergen dat ze daar heel fier over was. Het mannetje zei niets maar bleef haar strak aankijken. Dat maakte Julie opnieuw een beetje bang. ‘Heel vreemd,‘ mompelde het ventje, meer tegen zichzelf dan tegen haar. ‘Eigenlijk zou dat niet mogen!’ vervolgde hij. ‘Wat zou er niet mogen?’ ‘Dat jij hier kunt komen. Wij kunnen alles tegenhouden: vogels, meikevers, vliegtuigen, helikopters, noem alles op wat in de lucht vliegt.’ ‘En vlinders?’ vroeg Julie. ‘Ook vlinders.’ ‘Dat is niet waar! Ik zag daarnet twee vlinders!’ ‘Ik hou van vlinders en het zijn vlinders van bij ons.’ ‘Hoe bedoelt u?’ ‘Ze komen niet van jullie wereld. Hier kan niets van jullie wereld binnen komen als wij dat niet willen. Daarom is het zo vreemd dat jij hier bent geraakt. Ik ken daar maar één antwoord op. En dat is omdat we niet wisten dat mensen zo maar kunnen vliegen. Zeker geen klei… meisjes zoals jij, zonder vleugels of andere hulpmiddelen. Daarom heeft ons systeem je niet kunnen tegenhouden.’ Julie snapte het niet veel van die hele uitleg. Ze stond daar als ze een levensgroot vraagteken. Droomde ze dan toch nog? Of gebeurde dit echt? Was ze in een andere wereld terecht gekomen? En hoe moest ze ooit weer thuis geraken? Het mannetje zag haar ongerustheid en probeerde haar gerust te stellen. ‘Kom,‘ stelde hij voor, ‘ik zal je onze wereld laten zien. Zo zal je het ook beter begrijpen. Hij veegde met één vinger van zijn linkerhand van links naar rechts door de lucht en er verscheen een totaal ander landschap. Nou ja, landschap is eigenlijk niet het juiste woord. Ze stonden niet meer op de zandweg aan de rand van een bos. Dat was verdwenen. In de plaats daarvan zag Julie alleen maar vierkante vakken met daarin witte halve bollen. Die stonden netjes op lange rijen. Daartussen liepen kaarsrechte zwarte straten, zo leek het toch. Er was geen enkele boom of struik te zien, geen enkele kleur. Alleen maar wit en zwart, net een reuzegroot schaakbord. ‘U swipete!’ hakkelde Julie, ‘U swipete en alles veranderde…?’ ‘Heel goed, meisje‘ zei het mannetje, ‘ik weet zeker dat je het vlug zal begrijpen.’ ‘Maar swipen kan je alleen maar met een smartphone of een tablet, toch niet in de echte wereld!’ stelde Julie vast. ‘Inderdaad, swipen doe je alleen maar in de virtuele wereld,’ beaamde het mannetje. ‘Welkom in mijn virtuele wereld, eh … hoe heet je eigenlijk?’ ‘Julie,’ antwoordde ze verrast door die onverwachte vraag. ‘Zeg maar Bob tegen mij. Mijn echte naam is veel te moeilijk om te onthouden. Ik bedoel veel te ingewikkeld voor mensen.’ ‘Ik zou toch graag uw echte naam weten,‘ hield Julie vol. ‘Ik denk het niet! Het is een combinatie van letters, cijfers en vreemde tekens. Je zou die zelfs niet zou kunnen uitspreken, ook als je heel lang zou oefenen. Je zou er geen puntmuts maar een punthoofd van krijgen,’ voegde Bob er lachend aan toe.’ Hiermee kon Julie tevreden zijn en nu was ze alleen nog maar benieuwd naar wat ze te horen en te zien zou krijgen. ‘Kom,’ zei Bob, ‘we zullen een kijkje nemen in één van die witte bollen.’ Het was een grappig zicht om zo’n deftig klein meneertje te zien wandelen naast een dubbel zo groot meisje van elf met een blauwe jeansbroek en een oranje-geel T-shirt. Bij de eerste witte bol gekomen, stelde Julie vast dat ze nooit in die kleine halve witte bol zou geraken, zelfs niet op handen en voeten. Bovendien zag ze nergens een deur, een venster of een andere opening. Het was een perfecte halve bol met een glad en blinkend wit oppervlak. ‘Daar kan ik nooit van mijn leven in,‘ besliste ze. ‘Even geduld, meisje,‘ suste Bob, ‘even geduld. Ik geef je eerst dit.’ Hij haalde uit de zak van zijn vest een grote, zilverkleurige ring en gaf die aan Julie. ‘Moet ik die aandoen? Die is veel te groot! Die valt gewoon van mijn vingers. En waarvoor dient die dan wel?’ ‘Zoveel vragen in één keer,’ lachte Bob. Hij schoof zelf de ring aan de wijsvinger van Julie. Hij sloot zich netjes rond haar vinger.   ‘Om binnen te geraken, moet je het wachtwoord kennen. Maar zo’n wachtwoord is ook weer te ingewikkeld en niet te onthouden. Met deze ring kan je zonder een paswoord binnen.’ ‘Zelfs met die ring kan ik daar niet in. Ik ben veel te groot toch,’ opperde Julie. ‘Geduld, Julie. Geduld is toch iets wat mensen blijkbaar niet hebben. Zeker kl…een meisje zoals jij niet. Kijk!’ Bob spreidde zijn duim en wijsvinger en de halve bol zwol op, tot boven Julies hoofd. Van een deur of andere opening was nog niets te zien. Julie wilde daar iets van zeggen toen Bob opnieuw duim en wijsvinger uit mekaar spreidde. De wand schoof geruisloos open. Julie keek in een gapend zwart gat. Hier wilde ze nooit in gaan, besliste ze voor zichzelf. Bob veegde met zijn linkerhand van onder naar boven en de binnenruimte werd verlicht. Julie volgde Bob gewoon mee naar binnen. In het midden van de grote ronde kamer zat een mannetje voor een reuzengroot scherm. Hij zag er net zo uit als Bob. Hij droeg dezelfde grijze hoed, vest en broek. Of daar ook een wit hemd en een blauwe das bij hoorde, kon Julie niet zien. Hij zat, met zijn rug naar haar, op een toetsenbord te tokkelen. Tenminste dat veronderstelde ze toch. De hele wand was gevuld met flikkerende schermen. Onmogelijk te volgen wat daar op gebeurde. Het mannetje merkte niet dat hij bezoek had. Hij bleef druk en geconcentreerd aan het werk. Of misschien had hij geen tijd om te kijken wie daar was? Bob wapperde met beide handen op en neer. Het getokkel stopte en de schermen bleven onbeweeglijk blauw. Het mannetje draaide zich om. Hij was niet echt verbaasd of ongerust. Wel keek hij met grote vraagogen naar Bob. Die maakte met beide handen enkele rare, snokkende bewegingen. Het mannetje knikte vriendelijk naar Julie. ‘Welkom, Julie. Ik ben Bob.’ Overdonderd keek Julie naar nog een Bob. Ze zag totaal geen verschil tussen die twee. Ze leken als twee druppels water op mekaar en als de ene niet naast haar stond en de andere op een stoel zat, zou ze echt niet weten wie de originele Bob was. ‘Jullie zijn helemaal dezelfden,‘ stelde ze een beetje overbodig vast. ‘Toch niet: mijn echte naam is niet dezelfde als zijn echte naam. We hebben ons Bob genoemd om je niet in verwarring te brengen.’ ‘Zeg dat wel,’ zuchtte Julie, terwijl ze met een licht verwijtende blik naar de Bob naast haar keek, ‘voor mij is het superduidelijk.’ De haha die er op volgde liet het tegenovergestelde blijken. ‘Zal ik jullie dan maar Bob 1 en Bob 2 noemen?’ liet ze er zuchtend op volgen. ‘Maak je niet druk, Julie, wij kunnen er toch ook niet aan doen dat we er hetzelfde uit zien.’ ‘Werken er in al die witte bolletjes ook dezelfde Bobjes dan?’ Waarom ze plots met verkleinwoorden begon te praten, wist ze zelf ook niet. En eerlijk gezegd ze vond dat wat onbeleefd van zichzelf. Maar geen van de twee Bobjes nam het haar kwalijk. ‘Omdat je in een vreemde wereld komt, lijken alle mensen die daar wonen op mekaar. Het is pas als je ze beter leert kennen dat je ook de verschillen begint te zien,’ zei Bob 1. Dat is wel een beetje waar, vond Julie, maar ze begreep nog altijd weinig van deze wereld. Alsof hij haar gedachten kon lezen, maakte Bob 1 weer een reeks luchttekeningetjes. Bob 2 draaide zich om en zijn vingers dansten weer verwoed over het toetsenbord en de schermen kwamen tot leven. Bob 1 begon met een langzame, rustige stem zijn verhaal. ‘Al die witte bolletjes, zoals jij ze noemt, zien er vanbinnen net hetzelfde uit als de bol waar we nu in staan. En in elke bol wordt hetzelfde werk gedaan, zonder enige onderbreking. We verzamelen alle gegevens die we ontvangen via die computerschermen en steken die netjes in de juiste vakjes of beter gezegd mappen. We geven er ook een code aan zodat we de gegevens later, als dat nodig is, gemakkelijk kunnen terugvinden. Want we ontvangen niet alleen gegevens of data, maar we moeten ook gegevens verzenden als daar om gevraagd wordt.’ ‘Welke gegevens? Van waar komen die dan?’ ‘Van bij jullie, van op de aarde. Van alle mensen die aan hun computer werken. Ze schrijven verhalen of stellen belangrijke documenten op. Ze maken berekeningen en verslagen, ze zijn bezig met muziek, geschiedenis of wetenschap. Soms willen ze gewoon spelletjes spelen. Al die dingen bewaren ze liever niet op hun eigen computer. Een computer kan stuk gaan en dan is al hun werk verloren. Daarom sturen ze alles naar een Cloud. En als ze iets nodig hebben dan vragen ze dat terug op. Dat is ons werk, onze wereld. Jij bent nu in deze Cloud terecht gekomen. Maar er zijn nog veel andere.’ Julie keek Bob ontsteld aan. ‘Dus ik zit nu in een wolk?’ ‘Dat zou je zo kunnen zeggen, ‘ beaamde Bob. ‘En waarom val ik er niet door? Mensen kunnen toch niet op wolken lopen?’ ‘Jij bent er wel in gevlogen!’ Dat moest Julie toegeven. Maar toch voelde ze zich plots onzeker. Stel dat ik er door zak, dacht ze. Alles wat ze had meegemaakt sinds ze van het grasveld de lucht in gegaan was, flitste door haar hoofd: de mist, het bos, de ontmoeting met Bob. Waarom kwam ze eigenlijk in een bos terecht en niet hier tussen al die bollen waar iedereen aan het werk is. Iedereen, behalve deze Bob, hier naast mij. ‘Hoe komt het dat jij in het bos was en niet aan het werk?’ zei ze luidop. ‘Ik hou van de bomen, het gras, de vlinders en de bloemen. Daarom swipe ik soms een bos. Ik ben een beetje speciaal,’ bekende Bob. ‘Speciaal? Wat bedoel je?’ ‘Er is iets fout met mij.’ ‘Ik zie geen enkel verschil tussen jou en die daar.’ Ze weer naar de hardwerkende Bob 2. ‘Toch wel. Er is iets fout gegaan bij mijn productie!’ ‘Productie? Waar heb je het over?’ ‘Je moet weten, Julie, wij zijn geen mensen. Wij zijn robots.’ ‘Robots? Dat zijn toch van die blinkende dingen met van die rare antennetjes en zo. Die kunnen alleen maar doen wat de mensen er in gestopt hebben.’ ‘Dat is niet helemaal waar. Ons brein kan dingen zelfstandig bedenken en uitvoeren als het gaat over ons werk. Maar daar is het bij mij misgelopen. In mijn brein zijn, zonder dat het zo gepland was, ook gevoelens ingeslopen.’ ‘Maar jullie zien er als mensen uit. Jullie lijken toch niet van metaal of zo gemaakt?’ ‘Nee, inderdaad, wij zijn een heel knap ontwerp. Voel maar.’ Bob stak zijn hand uit naar Julie. Die wist niet goed wat ze moest doen maar nam dan toch de hand van Bob vast. ‘Wow, net echt zoals ik!’ riep ze. En ze voelde ook aan zijn arm en na enige aarzeling streelde ze voorzichtig met haar vingers over zijn wang. ‘Wie heeft jullie zo gemaakt?’ ‘Dat weten we niet. We zijn er gewoon.’ Er is toch iemand die dit allemaal bedacht en gemaakt heeft. En iemand moet al die robots toch besturen? Hoe zit dat in mekaar? Bob is maar een machine en kan daar geen antwoord op geven. Of toch? Hij heeft een brein en… emoties. ‘Wat gebeurt als jullie stuk gaan?‘ vroeg ze bruusk. ‘Dan worden we vervangen,’ antwoordde Bob zachtjes. Julie rilde even. Vervangen! Dat klonk zo eng. Kapot? Hop, weg ermee. Afschuwelijk! Ze wandelden terug naar buiten en automatisch kromp de bol tot zijn oorspronkelijke grootte. Bob swipete van links naar rechts. De witte bollen en de zwarte lanen waren verdwenen. Nu stonden er, netjes gelijnd tussen groene lanen, rode halve bollen op een witte stam. Net paddenstoelen, alleen de witte stippen ontbraken. ‘Dit zijn onze huizen,‘ wees Bob, ‘om het een vrolijk uitzicht te geven, is er wat kleur gebruikt, zoals je ziet.’ Die witte bollen waar we werken, zijn nogal saai en daarom kregen ze een kleurtje en staan ze op een stam. Hier wonen de nieuwe rob…Bobjes. Hij spreidde duim en wijsvinger. Het dichtstbijzijnde bollenhuisje zwol op en met een tweede beweging ging er ook een deur open en kon Julie binnen kijken. Dit leek haar een heel leuke plek. In de ronde ruimte stonden een glijbaan, een wip, een schommel en een klimtoren. Ze zag drie even grote, of even kleine, mannetjes. Al twijfelde ze of het wel mannetjes waren. De middelste was helemaal in het blauw: blauwe hoed, blauwe vest en … een blauwe rok. De twee anderen naast hem…haar droegen net zo’n pak als Bob, maar volledig in het groen in plaats van grijs. Bob deed weer van die rare bewegingen met beide handen. ‘Dag Julie, ik ben e-Bob.’ ‘Dat is een mevrouw,’ riep Julie verwonderd uit. ‘Zo zou je dat kunnen zeggen, maar in onze wereld spreken we niet van mannen en vrouwen en ook niet van jongens en meisjes. e-Bob leert die twee kereltjes hoe ze moeten werken. En dat lukt het best met spelletjes. Daarom staan er die speeltuigen. Net als in jouw wereld draaien machines eerst op proef. Het duurt een hele tijd eer ze op punt staat. Dat ze soepel draaien, dat ze kunnen wat ze moeten doen en dat er niets meer fout gaat. ‘En daarna gaat er iets anders mis en ontploft de raket toch bij het lanceren!’ flapte Julie er plots uit. ‘Oeps,’ verontschuldigde ze zich, ‘ik bedoel…’ ‘Niet erg,’ suste Bob,’ je hebt wel een beetje gelijk.’ En hij sloot duim en wijsvinger. e-Bob en de twee leerlingen verdwenen. De bol sloot zich en werd weer een bolletje. ‘Wanneer werk jij eigenlijk?’ vroeg Julie. ‘Nooit,’ antwoordde Bob, ‘ ik mag niet werken. Ik heb je toch verteld dat er iets fout is gelopen bij mij. Omdat ik emoties heb, ben ik niet geschikt voor dit werk.’ ‘Wat doe je dan de hele tijd? Zo maar wat rondlopen en swipen?’ ‘Ja en nee. Ik moet niet werken zoals iedereen. Maar ik zorg er wel dat alles goed gaat in onze Cloud. Dat er geen vreemde dingen in onze wolk komen bijvoorbeeld.’ ‘Zoals ik?’ ‘Zoals jij. Maar ook andere mensen zonder vleugels.’ ‘Dus als ik volgende keer weer ga vliegen, zal ik hier niet meer binnen geraken?’ ‘Er komt geen volgende keer. Je kan hier niet meer weg!’ Julie keek Bob aan. Sprakeloos. Koude rillingen schoten door haar heen. Niet naar huis? Hoe lang was ze hier al? Mama en papa zullen wel erg ongerust zijn. Misschien zijn ze al naar de politie gegaan en wordt ze gezocht. Ze zag haar foto al op de televisie met de oproep aan mensen die haar zouden gezien hebben. Ze werd rood en warm. Ze kreeg het gevoel dat ze dringend moest plassen. ‘Ik moet naar huis!’ schreeuwde ze. ‘Ik weet niet of dat kan,’ zei Bob. ‘Natuurlijk kan dat. Het moet! Iedereen is mij aan het zoeken. Ze denken vast dat ik dood ben!’ ‘Ik weet niet of dat kan,’ herhaalde Bob, ‘je weet nu dat we bestaan. Als je dat gaat vertellen, zijn er misschien mensen die allerlei dingen verzinnen om hier binnen te geraken. De gegevens die wij veilig bewaren, kunnen ze gebruiken om de baas te worden, niet alleen over ons maar over de hele wereld.’ Julie begon te huilen als een klein meisje, met grote, dikke tranen. Ze dacht aan haar mama, aan haar kamer, aan haar vrienden. En ze werd kwaad, heel kwaad. ‘En ga je mij in zo’n bolletje stoppen, zonder licht en zonder lucht? En wat ga ik eten en drinken, want jullie hebben hier geen eten en geen drinken. Jullie hebben dat niet nodig want jullie zijn robots, stomme machines. Jullie hebben aan een druppel olie genoeg om die stomme armen en vingers te laten bewegen.’ Julie ratelde maar door. Van verdriet, van woede, van machteloosheid. Bob wist niet wat hij moest zeggen of doen om haar te helpen. Omdat hij gevoelens had, kreeg hij medelijden met Julie. Hij had het zo leuk gevonden om met haar te praten. En hij was een beetje gaan houden van haar onverwachte vragen en reacties. Nu was ze boos en verdrietig en daar kon hij helemaal niet mee om. Zijn brein kon alleen maar oplossingen bedenken voor het werk waarvoor hij was ontworpen. Al kon hij daar zelf wat aan sleutelen. Haha, sleutelen! Bob moest lachen met die gedachte. Een machine die aan zichzelf kan sleutelen. Grappig toch. Grappig…? Dat woord had hij nog nooit gebruikt; hij kon een grap bedenken! Een machine is toch niet grappig. Maar een machine met een foutje die een grapje maakt, is wel heel bijzonder. Dus zou hij vast een oplossing vinden voor het verdriet van Julie. De radertjes in zijn brein tolden en ratelden. Hij liep er kei warm van. Maar het hielp. Hij kreeg een idee, een schitterend idee, vond hij zelf. ‘Julie,’ sprak hij zacht. ‘Laat me met rust stom machien,’ beet ze Bob toe. ‘Ik denk dat ik iets weet!’ ‘Jij weet juist niks,’ hield Julie koppig vol. ‘Toch wel. Wil je even naar me luisteren?’ ‘Misschien,’ zei ze nog nukkig maar ook wat nieuwsgierig, ‘als je zegt dat ik naar huis mag!’ ‘Dat wilde ik je juist vertellen.’ Julie veegde haar tranen weg. ‘Als je het goed vindt, swipe ik het bos terug.’ Julie knikte en Bob veegde met zijn rechterhand van rechts naar links door de lucht. Dit keer vond ze het bos veel mooier dan de eerste keer. Ze ging in de graskant zitten met haar armen rond haar knieën en wachtte op Bob. Die was nergens te bespeuren. Maar achter haar, op de bosweg zag ze een ventje met een gele puntmuts, een rode jas en een groene broek. ‘Ben je nu echt een kabouter?’ lachte ze. ‘Ja,’ zei Bob, ‘dit keer heb je het helemaal juist: ik ben een kabouter.’ ‘Een beetje flauw. Ik geloof niet in kabouters.’ ‘Geloof je in dromen?’ ‘Ja, ik droom heel graag want ik heb altijd prettige dromen. Wanneer ik wakker word, blijf ik nog even liggen en probeer ze terug te beleven. In mijn dromen is alles zo duidelijk en gemakkelijk. Maar ik heb geen woorden genoeg om ze na te vertellen.’ ‘Droom je soms over kabouters?’ ‘Nee, maar ik heb al eens gedroomd dat ik kon vliegen.’ ‘Dat is fijn, heel fijn. Je kan naar huis.’ ‘Waarom nu plots wel? Ben ik dan niet meer gevaarlijk voor de veiligheid van je wolk?’ ‘Nee, want dromen zijn niet echt en je kan ze meestal niet navertellen. Wie gaat het verhaal geloven dat je in een wolk een kabouter bent tegen gekomen? Het was toch maar een droom, zal men zeggen.’ Julie begon het te snappen. Ze werd er op slag blij van en ze vond Bob de liefste machine van de hele wereld. Ze sprong op, klapte in haar handen en liep huppelend naar Bob en gaf hem een dikke zoen op beide wangen. Moest een machine kunnen blozen, dan was Bob er zo eentje. ‘Maar hoe geraak ik hier weg?’ vroeg ze ongerust, ‘ ga je me van je wolk af duwen?’ ‘Je gaat zoals je gekomen bent… al vliegend. Ik wil wel eens zien hoe je dat doet.’ ‘Maar ik kan alleen naar boven vliegen en ik moet toch naar beneden?’ ‘Dat maakt niet uit; hier is geen boven of beneden.’ ‘Goed dan. Vliegen is het gemakkelijkste wat er bestaat,’ pochte Julie, ‘kijk maar!’ Ze stond op, klopte het zand van haar broek. Even twijfelde ze: toch een beetje spijtig dat ze hier weg moest. Ze keek nog naar Bob, naar het bos en naar de twee citroengele vlinders en zuchtte. Dan haalde ze diep adem en hield die in terwijl ze begon te stappen met hoger en hoger opgeheven knieën om de onzichtbare trap op te gaan. Toen ze geen zand meer aan haar voeten voelde, keek ze achterom naar Bob. Ze durfde niet zwaaien, uit schrik dat ze zou vallen, maar met haar linkerhand wapperde ze als afscheid. Net als bij haar eerste vlucht, kwam ze in een dikke mist terecht. Even later zag ze het verwilderd veld onder haar en kwam ze zacht op beide voeten neer. Vlug zocht ze haar schoenen en rende zo hard ze kon door het gat in de haag naar huis. Buiten adem viel ze de keuken binnen waar mama het avondeten klaarmaakte. ‘Wat nu, Julie?’ vroeg ze verbaasd, ‘heb je zo’n honger. We eten pas over een kwartiertje.’ Oh, dan ga ik nog even naar mijn kamer,’ stamelde Julie. Wat nu, mama was helemaal niet ongerust. Ze keek op de klok. Het was bijna half zes toen ze naar het veld gegaan was. Ze aten altijd om 6u. Dus was ze maar een kwartier weg geweest. Was ze in slaap gevallen op het veld? Dat zou een heel raar zijn. Of was ze na schooltijd op bed gaan liggen en had ze geslapen? Dat gebeurde wel eens als ze heel moe was. En had ze alles gedroomd? ‘Wat krijgen we nu? Zoveel aardappelen?’ merkte mama even later aan tafel op. ‘Ik heb er gewoon zin in,’ zei Julie afwezig. Meer werd er niet over eten gepraat. Verder ging het over school, over de buurvrouw en wat er op televisie was: de gewone dingen. Maar plots voelde Julie een ring aan haar vinger. Ze droeg een zilverkleurige ring aan haar linkerhand. Ze droeg geen ringen en zeker geen zilverkleurige! Ze wilde niet dat mama de ring zou zien. Wanneer ze haar lege bord naar de keuken bracht, hield ze de hand met de ring er onder en zei dat ze nog even ging kijken of er nog iemand buiten was. Julie stoof naar buiten, kroop door het gat en ging midden in het veld staan. De blauwe, wolkeloze lucht begon zich al te vullen met avondkleuren. Ze keek naar boven, stak haar hand met de ring op en wuifde er langzaam mee van links naar rechts: een hele tijd lang. Ze fluisterde: ‘Dag Bob, tot ziens.’ Al wist ze dat ze hem nooit meer zou zien. ’s Avonds verborg ze de ring op de bodem van een doosje waarin ze parels verzamelde. En voor ze ging slapen, controleerde ze of haar computer afgesloten was. Toen kreeg ze een idee om nog met Bob in contact te komen. ‘Lukt nu al wat beter met het vliegen?’ vroeg Hanne enkele dagen later. ‘We zijn wel benieuwd hoe hoog je zal gaan,’ voegde Titus er aan toe. ‘Oh,’ antwoordde Julie, ‘ik vond het toch niet zo’n goed idee. Het vliegen laat ik aan de vogels en de vlinders. Met mijn computer kan ik zo hoog en zo ver vliegen als ik wil. Zelfs tot in de wolken!’   kthaes  

K.T.Haes
0 0

Wat je doet voor vriendschap (en wanneer je moet stoppen)

Als er iemand was die mij zo kon doen schrikken was het wel mijn beste vriend Clay. Ik ben echter nog nooit zo hard van hem geschrokken als nu. Zijn botten zijn hier en daar zichtbaar en als ik zou willen zou ik zijn lieve hart er zo uit kunnen nemen. Dat doe ik natuurlijk niet. Een van zijn armen is gebroken en ergens mis ik een van zijn zachte vingers. Een van zijn benen eindigt bij zijn knie en hij ligt in een plas bloed, waarschijnlijk zijn eigen bloed. Hij mist een heel deel van zijn haar en zijn overgebleven voet is vermorzeld. Wie of wat zou er iemand nu zo iets kunnen aandoen? Mijn beste vriend Clay dan nog wel. Ik zal het te weten komen, of ik sterf in mijn poging om diegene te vermoorden. Dit is nu een week geleden en ik ben geen stap verder gekomen met mijn onderzoek. Ik weet alleen dat het geen maffia was, want daar was Clay niet mee gemoeid. Dan heb ik nog een kleine aanwijzing, en dat is dat er geen aanwijzingen zijn en dat is zo zelden voorkomend dat het wel iets magisch moet zijn. Clay was een van de mensen die ze kon zien. Hij zal wel zo stom zijn geweest om een overeenkomst met ze te sluiten zonder het te merken. Jammer genoeg vergeet Clay altijd alles, dus is hij die afspraak waarschijnlijk ook vergeten. Ik ben ook een ziener, aangezien zieners altijd ergens in een steegje in een plasje bloed eindigen was ik, noch de rest van de wereld verbaast over Clay's dood. Maar als een ziener kon ik ook als een van de enige de echte dader vinden. Dus aangezien het niemand van de normale wereld was, zat er voor mij niets anders op dan af te dalen naar het land van de magische. Tenminste als het inderdaad ergens onder de onze ligt.

Zoë
4 0

Van top tot teen

Twee grijsblauwe ogen screenen de beelden op het computerscherm. Twee flaporen registreren uitgelaten kinderstemmen. Tien soepele vingers huppelen over het toetsenbord.   In de schaduw van fiere bergtoppen en scheve heuvels drinkt een koeienfamilie haar buik vol. Drie kalfjes, geprikkeld door het feestgedruis een paar meters verderop, slenteren heen en weer tussen sprankelend rivierwater en helder gras.   Tussen twee boomstammen in de vallei bengelt een veelkleurige figuur in papier-maché aan een touw. Zestien door de zon gekleurde jongens- en meisjesbenen bewegen in slow motion, draf of galop. De voeten zijn gevlucht uit hun nauwsluitende sokken. Ricardo, Pedro, Fernando en Rafael staan al te popelen. Rosa, Gabriela, Juana en Luz giechelen in koor. Hun gitzwarte haren hetzij gevlecht, hetzij gebonden in een paardenstaart met feestelijke strik. Om beurt worden ze geblinddoekt. Juana, la chica del cumpleaños, mag de spits afbijten. “No veo nada,” roept ze opgewonden. “Uno, dos, tres, cuatro, cinco, seis, siete, ocho, nueve, diez.” Na de verplichte draaiingen slaan ze erop los met een knuppel. “Alhi?” “Venga chica!” “A la derecha, a la derecha”. “Da la vuelta, da la vuelta.” “Alhi, alhi.”   Wanneer het hoofd na de vijfde poging eraf zwiept, gaat de marteling verder tot ook één arm eraan moet geloven. De gebroken papieren ledematen worden gedragen over de levendige equivalenten. De bergen slokken het triomfantelijk gejuich op. Een harige man beweegt het touw omhoog en omlaag terwijl zijn borstkas gedwee dit ritme volgt.   Na een fatale klap van de stevig gebouwde Pedro belandt de verminkte figuur met een plof op het gras. Handen grijpen naar de stortvloed van neerdwarrelende snoepjes en cadeautjes. Iedereen wil zijn deel van de buit. “Quiero mas dulce, krijst Gabriela. Een groot restdeel van Superman wordt hevig platgedrukt. Zijn kop dient als speelbal en één van zijn benen laat zich oostwaarts meevoeren met de stroom van de rivier.   Na het haastig opsmullen van de lekkernijen gaan ze over tot het volgende spelletje. Met veel show proberen ze een bontgekleurde sombrero zo ver mogelijk weg te werpen. Per meter verdienen ze een punt. Fernando verzamelt als eerste acht punten. Hij krijgt een kroon en bepaalt wat er verder wordt gespeeld.   De Sombrero-koning laat zijn vrienden even sudderen en geeft dan duidelijke instructies. Met veel gejoel plaatsen ze zeven plooistoelen naast elkaar, afwisselend met de rugleuning naar voren en naar achteren gekeerd. Hierrond wordt gedanst en meegezongen op uitbundige mariachi muziek die uit enorme luidsprekers ontsnapt. Telkens wanneer de muziek abrupt stopt, lachen de overblijvers voluit en neemt de afvaller met tegenzin een stoel weg. Uiteindelijk wint het feestvarken Juana maar het is de koning die weer mag beslissen.   Fernando kiest ervoor om te dribbelen en te drijven. De meisjes hebben wel zin in voetbal, behalve Juana, die wegloopt met een grimas van afschuw.   De grijsblauwe ogen, flaporen en soepele vingers zitten in de knel. De schrijfmissie wordt afgebroken.

Fatiha Berrazi
16 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 13 (slot)

Maart Martius [van Mars, gewijd aan Mars (de oorlogsgod)]; zo genoemd omdat de oorlog, die in de winter stil lag, in het voorjaar weer kon beginnen. Oorspronkelijk was maart de eerste maand van het jaar. Hfst 13: Een nieuwe lente De volgende dagen hadden ze in het ziekenhuis nog vaak over hun nachtelijk bezoek aan het museum. Maar niet over de nieuwe namen voor de kinderen. Ze hadden met zijn drieën een tweede naam en dat vonden ze prima. Alsof hun verblijf in het ziekenhuis toch ook iets goed had opgeleverd. Ongeveer een maand later mocht Benny beetje bij beetje terug in het daglicht komen. Elke dag een half uurtje, maar steeds met die zonnebril op zijn neus. Daarna mocht hij naar huis. De benen van Rik bleven broos. Ze zouden altijd gevoelig blijven om te kraken. Met zijn bijnaam Kapitein Kraak dacht hij er wel twee keer over na, als hij zin had om te voetballen. Lientje moest van hun drieën het langst in het ziekenhuis blijven. In maart mocht ze eindelijk voor lange tijd het ziekenhuis verlaten. Ze was nog niet volledig genezen, maar het ging de goede kant op. Een operatie was nog niet nodig geweest. Dokter Luc had het bolletje met het bestralingstoestel kunnen wegtoveren. En natuurlijk heeft ze in het hospitaal meer meegemaakt dan enkel het avontuur met de nieuwe namen en het bezoek aan het museum. Van die bestraling was ze telkens ongelofelijk ziek. Dan deed ze niet meer dan ik bed liggen en slapen. Soms mocht ze een paar dagen naar huis. Maar dan moest ze weer terug. Maar jullie begrijpen wellicht dat het avontuur met Rik en Benny leuker was om te vertellen. Het belangrijkste was dat het uiteindelijk beter ging met de drie nieuwe vrienden. Kennen jullie de turnmeester nog? Van in het begin? Met zijn blauwe jogging. Hij had voor Lientje een leuke verrassing toen ze terug naar school ging. Hij organiseerde op de eerste woensdagnamiddag een tuimelwedstrijd. De school van Lientje lag niet ver van het strand. In het dorp waar Lientje woonde lag de hoogste duin van de kust. Ideaal voor een tuimelwedstrijd. “Deze tuimelwedstrijd organiseren we ter ere van Tuimelientje”, vertelde hij. “Om te vieren dat Lientje terug in de klas is. Wie het eerst beneden is, krijgt een leuke verrassing. Er is voor iedereen een ijsje.” Het werd een perfecte namiddag. Lientje tuimelde wel vier keer van de berg af. Met een helm op haar hoofd natuurlijk. Op de top van de hoogste duin stond een torentje met een rood dak. Het hoogste punt aan de kust. En weet je wie daar stond te kijken? Rik en Benny. Kapitein Kraak en Zorro de Snorro. De kapitein was uit het gips, maar stond nog op krukken. Hij keek in de verte alsof hij op de boeg van een schip stond. Hij had met zijn stift een perfect snorretje getekend onder de neus van Benny. “Kijk, daar tuimelt Lientje”, riep Rik heel luid. Lientje zag dat Benny helemaal naar de verkeerde kant keek. Naar het dorp in plaats van naar het strand. Hij gaf de kapitein een por met zijn elleboog. “Dat kan ik toch niet zien, kapitein van mijn voeten.” Lientje tuimelde al lachend van de berg af. Een nieuwe lente en een nieuw jaar tegemoet. Want ook al was het maart, voor Lientje begon er een nieuw jaar.  Een jaar waaraan ze later een naam gaf.   einde   Terug naar hoofdstuk 1  

Rudi Lavreysen
19 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 12

Hfst 12: Het zotte geweld Benny had de tijd van zijn leven in het museum. De papa van Lientje had enkele werken uitgezocht die Benny mocht aanraken. Natuurlijk kon dat niet met alle schilderwerken. Maar waar hij niet met zijn vingers over een schilderij of een beeld mocht wrijven, vertelde de papa van Lientje wat ze zagen. Hij was de ogen van Benny in het museum. In één van de zalen stond een beeld met de naam “Het zotte geweld”. De papa van Lientje legde uit dat de kunstenaar altijd zijn vrouw gebruikte als model voor zijn beeldhouwwerken en schilderijen. De mevrouw van het beeld was naakt en ze danste op één been. Of ze deed alleszins heel gek. Ze zag er wel gelukkig uit. Lientje begreep meteen waar de naam ‘Het zotte geweld’ vandaan kwam. Ze bleek Nel te heten en de kunstenaar was Rik Wouters. “Straffe gast, die Rik”, knipoogde Rik. “Hier word je toch vrolijk van hè jongens”, zei de papa van Lientje. Benny mocht het beeld aanraken. “Ik denk dat onze Nel hier geen kleren aanheeft. Nu snap ik jullie daar vrolijk van worden", lachte hij. De papa van Lientje vertelde er in zijn enthousiasme ook bij dat de kunstenaar jong gestorven was. En dat hij  blind was aan één oog. Zuster Monique gaf hem een por toen hij dat vertelde. Het bleek Benny niet te storen. In dezelfde zaal zagen ze een zelfportret van de kunstenaar, waarop hij een ooglapje droeg. “Zelfportret met een ooglapje”, zei de papa van Lientje. “Zo heet het werk. We zien dat de kunstenaar angstig is. Omdat hij maar door één oog zag, had hij geen dieptezicht meer. Maar je ziet, ook dan kan je prachtige kunstwerken maken.” Dit werk mocht Benny niet aanraken, maar de manier waarop haar papa het vertelde, was prima voor Benny. Zijn humeur werd er nog beter op, toen de papa van Lientje in een andere zaal, waar een werk van Van Gogh tegen de muur hing, vertelde dat er heel wat beroemde kunstenaar een oogziekte hadden.  “Als je naar een kunstwerk kijkt, zie je altijd door de ogen van de kunstenaar”, vertelde hij. Precies de woorden van Benny. Lientje knipoogde naar hem, maar dat zag Benny natuurlijk niet. Al had Lientje wel het gevoel dat hij haar op de een of andere manier zag. “Het feit dat sommige kunstenaars een oogziekte hadden, maakt hun werk nog interessanter. Zo krijgen we een wereld te zien, die wij niet zien”, zei de papa van Lientje. “Van Gogh zag op het einde van zijn leven allesbehalve perfect. Toch maakte hij toen zijn mooiste werken. De verf waarmee kunstenaars werken, is niet goed voor de ogen. Zeker niet het lood dat in verf aanwezig is. En altijd dat kijken, of staren, doet ook geen goed aan de ogen van een mens.” Zo werd het een schitterende nacht in het museum. En toch bijna zoals de film ‘Een nacht in het museum’. De kunstwerken leken allemaal tot leven te komen. Niet in het minst voor Benny. In één van de laatste zalen stond een schilderwerk van de Spaanse kunstenaar Salvator Dali. “Een surrealist”, stak de papa van Lientje meteen van wal. “De werken zijn meestal abstract. Dat betekent dat ze niet de werkelijkheid tonen. Maar een soort van droom.” Benny luisterde geboeid naar de uitleg. Lientje meende te zeggen dat Benny ook wellicht de wereld zag als een surrealist. God weet hoe zie ik eruit, dacht ze, door de ogen of in de verbeelding van Benny.  “Dali was een maf figuur”, ging haar papa verder. “Hij stond ook bekend omdat hij een enorm gekke snor had. Het was een dun snorretje dat aan de twee punten helemaal de hoogte in ging.” Benny begon plots luid te lachen. De anderen keken hem niet-begrijpend aan. “Nu ga je misschien ook lachen”, zei Benny. “Maar ik heb nog nooit aan een snor gevoeld. Ik weet wel wat het is, zo een borstel onder je neus, maar gevoeld heb ik het nooit. Papa heeft geen snor. En mama gelukkig ook niet”, lachte hij. “Zeg zuster, jij hebt toevallig niet een potlood bij”, vroeg Rik aan zuster Monique. “Euh, ja, eigenlijk wel, en een stift. Zeg maar wat je wil hebben. Waarvoor heb je het nodig?” “Heel simpel”, zei Rik. “We zorgen er toch gewoon voor dat onze Benny hier vandaag met een snor naar buiten gaat.” Waarna hij met de stift naar Benny stapte. “Stil blijven staan vriend. Dan weet je meteen wat een snor is.” Van zodra Rik de snor begon te tekenen, begon Benny luid te lachten. “Stop”, riep hij. “Dat kriebelt ongelofelijk.” Door het lachen kon Rik maar een klein snorretje tekenen. “Zo lijk je wel een beetje op Zorro”, zei Lientje. “Met die donkere bril en dat snorretje. Nu nog een platte hoed en een cape en je bent het helemaal.” “Zeg, wacht eens even”, zei Rik. “Wacht eens even allemaal”, waarna hij zijn notaboekje uit zijn achterzak haalde. “Ik denk dat ik het heb.” “Wat heb je”, vroeg zuster Monique. “De naam voor Benny natuurlijk”, zei Rik. “Ik ben al een tijdje aan het zoeken naar een juiste en grappige naam voor hem. Ik heb er wel duizend opgeschreven en daarna meteen geschrapt in mijn notitieboek. Het was nooit echt goed. Niet zo grappig als Kapitein Kraak.” Benny keek reuze benieuwd naar Rik. “Ahum”, bouwde Rik de spanning nog wat op. “Wat denk je van Zorro de Snorro?” Benny schaterde het uit. “Goed gevonden kapitein”, lachte hij. “Die nemen we. Voortaan ben ik Zorro de Snorro. Maar dan moet ik wel een snorretje beginnen te kweken. Want altijd met die stift op mijn lippen, dat hou ik niet vol.” “Trouwens, weet je wat grappig is”, zei de papa van Lientje. Ze voelde meteen dat er opnieuw een wist-je-datje in de lucht hing. “Weet je waar de naam Zorro vandaan komt?” Hij wachtte niet eens het antwoord af. “Zorro betekent vos in het Spaans.” Alle vier keken ze hem aan met een blik van ‘Ja, en?’ “Jullie weten toch dat een vos speciale ogen heeft”, ging hij verder. “Als je ‘s nachts met de autolichten naar een vos schijnt, worden zijn ogen helemaal oranje. Zoals een reflector op je fiets. Dat komt omdat hij aan de binnenzijde van zijn oog een reflecterende laag heeft zitten. Hij is altijd ‘s nachts op pad, de vos. Vraag het maar aan de kippen, die weten er alles van. Dankzij die speciale ogen kan hij in het donker zien. Net zoals Benny vannacht een beetje in het donker kon zien.” Die laatste zin van de papa van Lientje was de perfecte slotzin voor het nachtelijk bezoek aan het museum. In de auto op de terugweg naar het ziekenhuis waren Lientje, Rik en Benny heel stil op de achterbank. Het wonderbaarlijke was dat het gesneeuwd had tijdens hun bezoek aan het museum. Wat vroeg was, want het was nog maar december. Zo kreeg de nacht nog een andere kleur. Alsof de weergoden dit speciaal voor Benny hadden gedaan. De sneeuw lag al behoorlijk dik op het wegdek. Het kraakte terwijl ze over het verse sneeuwtapijt reden. Zoals alleen verse sneeuw kan kraken. Alsof er een nieuwe verse tijd aankwam.  Omdat ze zo traag moesten rijden, duurde het lang vooraleer ze terug in het hospitaal waren. Maar dat vonden ze niet erg. Ze genoten van de stilte. Ze genoten van de sneeuw en van de achterbank. Vooraleer ze daar in slaap viel, moest Lientje aan de woorden van papa denken. Hij had ze op een avond gezegd, toen ze een keer laat naar huis kwamen. “Veiligheid is op de achterbank van de auto in slaap vallen.” Het was opnieuw zo een typische papa-uitspraak. “Als je op de achterbank van de auto in slaapt valt, is het een teken dat je je veilig voelt”, had hij het uitgelegd. “Het staat in een van mijn favoriete stripverhalen. Het betekent dat kinderen zich geen zorgen moeten maken. Je mag gerust in slaap vallen. Wij brengen je veilig thuis.” Naar hoofdstuk 13

Rudi Lavreysen
15 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 11

December December, van decem [tien]; oorspr. begon het jaar bij de Romeinen op 1 maart en was december dus de 10e maand van het jaar. Hfst 11: Op weg naar het museum “Wil je met Rik en Benny naar het museum?”, vroeg de papa van Lientje enkele dagen later. “En ’s nachts zeker? Omdat Benny nog een tijdje geen daglicht verdraagt.”  Lientje keek hem een paar seconden aan vooraleer ze antwoorde. Hij leek wel een waarzegger met een glazen bol. Ze was totaal verrast, want ze wist nog niet van de radertjes die aan het werk waren gegaan. Hij vertelde wat hij gehoord had van Benny’s papa. De rest had hij zelf ingevuld. “Dat gaat niet eenvoudig zijn Lien.” Alleen bij een moeilijk gesprek sprak hij zijn dochter niet aan met Lientje. “Ik vind dit niet het beste idee. Het plan om de kinderen blij te maken met een tweede naam vond ik beter. Je kan ook gewoon wachten tot Benny zijn donkere kamer mag verlaten. Dat is al over enkele maanden, heeft dokter Luc me verteld." “Dat is wel echt nog lang papa. Benny zit al een tijdje op die kamer. Hij wil ook wel eens andere lucht opsnuiven. Maar begrijp ik dat goed? Heb je het er al met dokter Luc over gehad?” “Ja, maar nog niet over jullie nachtelijke plannen”, zei hij. “Hij heeft me wel een en ander over Benny verteld. Hoe hij, van vaak binnen te moeten blijven, bijna een depressie had. Daarom vond de dokter het goed dat jullie met hem gingen praten.” “Voilà”, rondde Lientje het gesprek af. “Reden te meer om eropuit te trekken. Als je het met zijn ouders kan regelen, of dat iemand van hen meegaat, moet het toch lukken. Benny weet trouwens veel kunst. Hij leest erover, of hij luistert ernaar. Gesproken boeken, weet je wel?” Dat Benny geïnteresseerd was in kunst, wist haar papa nog niet. Hij dacht dat het maar een avontuurlijk plannetje van zij dochter was. Zoals de film "Nacht in het museum", waarbij de beelden tot leven kwamen. Maar daar ging het helemaal niet over. Voor Lientje toch niet. Zeker niet voor Benny. “Oké Lientje, ik ga kijken wat ik kan doen. Maar nog niet te veel hoop hebben. Ik moet het eerst met de directeur van het museum bespreken. En dan met de ouders van Benny. Maar allereerst met dokter Luc. Als hij zijn zegen niet geeft, vergeet het dan maar." Dat laatste bleek nog de gemakkelijkste stap te zijn. Dokter Luc gaf nogal snel zijn goedkeuring. Vooral omdat het de laatste tijd beter ging met Benny. Dit kon hem misschien helemaal uit die depressie houden. Als het voor de ouders van Benny tenminste in orde was. Ook zou er nog iemand van het ziekenhuis meegaan. Hijzelf of iemand anders.  Zo was het plannetje van Lientje en Rik om de kinderen of jonge mensen in het ziekenhuis een andere naam te geven, uitgedraaid op totaal iets anders. Zuster Monique zou namens het ziekenhuis meegaan. En zowel de ouders van Rik als die van Benny vonden het oké. De overtuigingskracht van haar papa had wonderen gedaan. Op een winternacht eind december trokken ze naar het museum. Ze waren alle drie een tijdje niet meer buiten geweest en ze rilden van de kou in de auto. De papa van Lientje reed met de auto en zuster Monique zat naast hem. De drie avonturiers zaten op de achterbank. Zuster Monique had extra dekentjes meegebracht, zodat ze het niet ijskoud zouden hebben. Rood met zwart geruite dekentjes. Het zag er zowaar gezellig uit. Bovendien waren ze ingepakt als Eskimo’s. Met dikke winterjassen, sjaals en mutsen. Maar ze bleven het koud hebben. “Zeg Benny, ik weet niet of je het weet, maar de zon schijnt niet hè. Het is midden in de nacht”, zei Rik. Het was inderdaad een gek zicht. Benny met die zonnebril. Het was net alsof hij ging skiën, met die winterkleren aan. Zuster Monique keek over haar schouder naar Rik, maar Benny zelf schaterde het uit. “Dit is één van je betere grappen Kapitein Kraak”, zei Benny. “Je leert het nog, hahaha.” Kortom, de sfeer zat er goed in. Die werd nog beter in het museum. Het licht mochten ze niet aanknippen. Daarom had de rest van het gezelschap een nachtkijkersbril op hun neus staan. “Als dit een film was, gelooft niemand er wat van”, zei de papa van Lientje. Naar hoofdstuk 12

Rudi Lavreysen
4 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 10

Hfst 10: Kom maar binnen Na zeker twintig keer voorbij zijn kamer te zijn gepasseerd, stond Lientje toch op het punt om op de deur van Benny’s kamer te kloppen. Net toen kwam zuster Monique de hoek om gestapt. “Wat ga je doen Lientje?”, vroeg ze vriendelijk. Lientje keek er een beetje van op. Zuster Monique was inderdaad vriendelijk. Misschien had ze die eerste keer op hun kamer gewoon een slechte dag. Dat kan. Ze had zelf ook al eens een slechte dag. “Benny heeft nog een paar keer naar jullie gevraagd. Hij heeft genoten van jullie bezoekje. Hij praat over niets anders dan over een bezoek aan het museum. Maar ik heb geen idee wanneer hij dat gaat doen, want hij moet nog een tijdje in het ziekenhuis blijven. Was je trouwens van plan om binnen te gaan bij Benny?” “Euh, nee, ik euh.. was eigenlijk, euh...” Er kwam geen eind aan haar gestamel. “Klop maar gerust aan hoor. Hij geeft je wel zo een speciale bril. Ik kwam er gisteren bijna mee binnen op de volgende kamer”, lachte ze terwijl ze verder ging. “Dag Lientje”, riep ze nog.  Ze twijfelde. Zou ze kloppen of niet? Net terwijl ze haar wijsvinger in de klopstand plaatse, klopte er plots iemand op de andere kant van de deur. Ze schrok zich rot. “Is daar iemand?” Het was duidelijk de stem van Benny. “Euh, ja, het is Tui.. euh Lientje.” “Wacht Lientje, ik verdwijn terug achter het gordijn. Dan kan jij binnenkomen.” Ze wachtte drie tellen, net zolang het duurde om ‘Tui-me-lientje’ uit te spreken en ze klopte voor alle zekerheid opnieuw op de deur. “Oké, kom maar binnen Lientje.” Ze rolde met haar rolstoel opnieuw de donkere kamer binnen. Eerst in de wachtruimte. Ze trok de deur achter haar dicht en daarna ging het gordijn open. “Wacht, ik geef je meteen de bril, zodat je ziet wat je zegt”, lachte Benny. Lientje was benieuwd hoe Benny er in kleur zou uitzien. In de kamer van Benny was het alsof je naar een oude zwart wit film op tv keek. Of een documentaire over de tweede wereldoorlog. Toen ze klein was dacht ze dat de wereld vroeger niet uit kleuren bestond. Alsof die pas later uitgevonden waren. Papa moest ermee lachen, toen ze het vertelde. “Fantasie heb je genoeg”, zei hij. “Je moet later maar een boek schrijven.”  Even dacht ze eraan om het ook aan Benny te vertellen. Maar misschien moest ze daar nog even mee wachten. “Je bent zo stil, waar denk je aan?”, vroeg hij. “Euh, over kleuren eigenlijk”, zei Lientje. “Oké, dat begrijp ik als je in deze kamer bent”, zei Benny. “Het ziet er wellicht een beetje uit alsof je in een zwart-wit film bent zeker? Al weet ik zelf niet goed wat ik me daarbij moet voorstellen. Maar dat vertellen veel mensen toch, als ze hier binnenkomen en ze die bril opzetten. Ik heb al eens naar een zwart-wit film geluisterd. Misschien weet ik dan wat ze bedoelen, dacht ik bij mezelf.” Het was best een goede grap. Ze moesten er allebei mee lachen. “Weet je”, zei Lientje, "toen ik klein was dacht ik dat de wereld vroeger niet uit kleuren bestond, omdat papa dikwijls naar oude zwart-wit films keek op tv.” Er verscheen een glimlach op het gezicht van Benny. “Dat is op zich wel goed gevonden”, zei hij. “Dat moet je onthouden. Misschien kan je het nog ooit gebruiken voor een boek.” Ze zei maar niet dat haar papa hetzelfde had geantwoord. “Maar zeg Lientje”, zei Benny. “Ik heb eigenlijk zitten denken. Misschien is die nieuwe naam toch wel leuk. Hebben jullie er nog over nagedacht?” “Euh, eigenlijk niet nee. We dachten dat je niet zo gelukkig was met het idee.” “Nee, dat is het niet”, zei hij. “Ik was totaal verrast. Zoiets komen ze je ook niet elke dag vertellen.” “Dat besefte ik achteraf ook”, antwoordde Lientje. “We hebben ons wellicht laten meeslepen door ons enthousiasme. Papa had me allerlei zaken over voornamen verteld. Over Romeinen, Chinezen en wat weet ik allemaal. En onze Kapitein Kraak weet helemaal niet van ophouden.” “Op zich wel schitterend. Een maf idee, maar daarom niet minder geslaagd. En het bezoek aan het museum. Denk je dat het gaat lukken? Ik zie het al helemaal voor me.” Daarna wachtte hij even. Toen snapte Lientje het pas en lachte ze voorzichtig. “Zeg Lientje, je mag gerust lachen als ik zo’n mop vertel. Op de duur zie je ze trouwens wel aankomen”, grijnsde hij. "Is er nog nieuws over het bezoek aan het museum?" “Euh, eerlijk gezegd niet”, zei Lientje. “Of ik bedoel, ik weet het nog niet. Ik moet het er nog met papa over hebben. Maar hij zal wel een oplossing vinden denk ik.” Lientje besefte toen nog niet hoezeer dat klopte. Want op de achtergrond, buiten het ziekenhuis, of toch buiten hun kamers, gingen er allerlei radertjes aan het werk. Zoals een fietsketting. Je geeft een duw op de trappers en je fietst vooruit. Maar eigenlijk doen de schakels van de ketting al het verborgen werk. Anders ga je niet vooruit. Benny had tegen zuster Monique iets gezegd over een bezoek aan een museum. Zuster Monique zei er iets van tegen de papa van Benny, al wist ze niet helemaal wat de bedoeling was. En zijn papa was op de papa van Lientje gebotst in de cafetaria van het ziekenhuis. Blijkbaar kenden ze elkaar. Ze hadden nog ooit samen in hetzelfde jaar op school gezeten. Lientje bleef nog een uurtje op de kamer van Benny. Ze vond het er best gezellig. Ze voelde zich allesbehalve zoals een wesp bij een barbecue. Meer een welgekomen gast. Benny had haar op de tast nog een glas limonade uitgeschonken. Zonder te morsen, waar ze zelf zelden in slaagde. Lientje schrok ook niet bij deze vraag van Benny. “Zeg Lientje, vergeef me als hiermee wat ver ga. Maar ik heb je nog nooit de naam van je ziekte horen zeggen. Kan je zeggen waarom je dat niet doet? Je spreekt altijd over dat bolletje in je hoofd. Waardoor je hoofdpijn hebt en tuimelt. Maar dat bolletje heeft toch ook een naam, niet?” “Euh ja, ik weet het eigenlijk niet”, antwoordde ze. “Natuurlijk heeft dat bolletje een naam. Een algemene naam. Het is kanker. Een tumor. Maar euh… een bolletje klinkt toch beter, niet? Ik besef dat ook. Dat ik die naam nooit uitspreek. Maar het is toch niet omdat je die echte naam niet zegt, dat het minder erg wordt. Ik ontken de werkelijkheid niet. Misschien Benny, en nu maak ik misschien een raar sprongetje, had ons plan om de kinderen een nieuwe naam te geven, daar ook mee te maken. Dat we niet langer de zieke kinderen zijn. Maar even iemand anders. Dokter Luc zei het ook ongeveer in die woorden.” Verder babbelden ze honderduit over school, muziek en kunst. Benny bleek er heel wat van te kennen. “Het is mijn grote droom”, zei hij. "Eerst de wereld door mijn eigen ogen zien. En dan de wereld zien zoals anderen die waarnemen. Dat is toch kunst, niet?” Lientje kon het alleen maar bevestigen. Al had ze er zelf nooit zo over nagedacht. Nu begreep ze waarom hij zo graag naar het museum wilde. Hij wilde zich al voorbereiden, op die ultieme droom van hem. De kunstwerken zien was nog niet mogelijk, maar door ze te voelen, kwam hij toch al een beetje in de richting. Naar hoofdstuk 11

Rudi Lavreysen
9 0

Tuimelientje - Hoofdstuk 9

November November, van novem [negen]. Het Romeinse jaar begon aanvankelijk met maart, dus november was de negende maand.   Hfst 9: Een wesp op de barbecue Na het verlaten van Benny’s kamer hadden ze het er niet meer over. Rik was duidelijk ontgoocheld dat hun plannetje mislukt was. Lientje begreep Benny wel. Je kiest nooit je eigen naam. Ze had het geluk dat haar ouders er over nagedacht hadden. En ze was best tevreden was met haar naam. De afgelopen dagen had ze zich in haar bed geamuseerd met het opzoeken van de meest bizarre namen. Stel je bijvoorbeeld voor dat je met een meisjesnaam als ‘Alles’ door het leven moest. Die bestond echt. Ze hoorde het de meester in de klas al zeggen. ‘Dag Alles, alles goed?” Net als een jongen die de naam ‘Adonis’ had meegekregen van zijn ouders. Je kon maar best mooi zijn. Ook had ze de betekenissen van de maanden van het jaar opgezocht. Het was oktober toen ze in het ziekenhuis belandde. Ondertussen was het al november. Veel poëzie zat er niet in de betekenis. De Romeinen hadden lang geleden een kalender samengesteld, gebaseerd op de stand van de maan. Het jaar begon in maart en eindigde in februari. Daarom is de betekenis van oktober de achtste maand. De ene of andere paus veranderde het later allemaal, maar de namen bleven. Ook niet echt slim, was het idee van Lientje. Als de betekenis van een naam niet meer klopt, wat voor zin heeft die naam dan nog. Misschien was één naam ook genoeg. Moesten ze Benny wel een nieuwe naam geven? Ondanks zijn ontgoocheling, zag Lientje dat Rik het plan niet volledig liet rusten. Ze had het vermoeden dat hij snel aan dokter Luc zou vragen of ze iemand anders mochten bezoeken. Aan de deur van hun kamer had hij een bordje onder de foto’s gehangen. Met daarbij hun nieuwe namen: ‘Tuimelientje’ en ‘Kapitein Kraak’. Lientje zat er een beetje mee in, met wat ze Benny beloofd had. Naar het museum gaan zodat hij een schilderij zou kunnen voelen. Zodat hij het kon zien met zijn handen. Het was misschien niet het slimste idee. Zo eenvoudig was het niet. Je kan niet zomaar de deur van het ziekenhuis achter je dicht trekken in het midden van de nacht en snel een museum bezoeken. Daarbij moest haar papa het ook nog geregeld krijgen. Dat hij ‘s nachts - want overdag verdroegen de ogen van Benny geen licht - een bende kinderen rondleidde in het museum. Daarom wilde ze het nieuwe plan ook even laten rusten. Niets forceren. Dat is nooit een goed idee in het ziekenhuis. Terwijl Rik in zijn bed lag en allerlei zaken in zijn notaboekje schreef, trok Lientje er af en toe op uit in het ziekenhuis. Wat Rik in zijn boekje schreef en daarna weer doorstreepte, vertelde hij niet. “Niets belangrijk”, zei hij als Lientje ernaar vroeg.  Sommige kamers, waarbij die van Lientje en Rik, hadden gewone muren. Maar bij de kleine kinderen kon je naar binnen kijken. Er hingen wel gordijnen, om die ‘s avonds dicht te trekken, maar overdag keek je gewoon naar binnen. Het leken wel aquariums.  Telkens las ze de namen van de kinderen die op de deuren hingen. Ze noteerde de namen in een boekje in terug in haar kamer zocht ze de herkomst of de betekenis op. Op trektochtjes door het ziekenhuis kwam Lientje telkens langs de kamer van Benny. Op de een of andere manier werd ze door zijn kamer aangetrokken. Zoals de wespen naar het eten van de barbecue in de zomermaanden. Je kon nog zo hard zwaaien of meppen naar die wespen, ze kwamen telkens terug. Niet dat er iemand naar haar mepte, maar ergens had ze het gevoel dat Benny haar zou vragen om de kamer te verlaten. Omdat ze een ongewenste gast was. Zoals de wespen op de barbecue. Naar hoofdstuk 10

Rudi Lavreysen
17 0