Hij heeft zichzelf een grot gebouwd,
voorlopig zonder Mariabeeld.
Eentje die hij eerst nog ruw houwt,
daarna jarenlang heeft gladgestreeld.
Nu is ze af.
Weg kaf,
welkom engelenkoren.
Hij kan de bedevaarders al horen,
ze komen uit alle hoeken,
en hij maar glunderen,
houding zoeken.
En kijk:
hij weent.
De voltooiing die zich perfect tot plots weer tastbare leegte leent.