Ik had nooit begrepen hoe mensen een passionele moord konden plegen.
Tot ik boven op hem zat met een mes in mijn handen en hem zevenenveertig keer had gestoken.
Slechts één steek bleek achteraf fataal te zijn geweest.
De eerste steek.
De zesenveertig anderen waren onnodig geweest.
Maar ik kon niet stoppen.
Het is moeilijk te beschrijven wat ik toen voelde en dacht. Ik dacht niet en toch dacht ik aan alles op dat moment. Ik zag hem niet meer. Ik zag niets. Ik weet enkel maar dat ik stak.
En stak.
En stak.
Keer op keer.
Ik herinner me enkel het geluid van het bloed dat uit de wonden vloeide en zich over zijn lichaam een weg naar de vloer baande.
En het geluid van krakend huid, als het lemmet er doorheen sneed.
Ik herinner me spetters te voelen die op mijn gezicht terechtkwamen.
Ik herinner het gevoel van de tranen die zich met het bloed mengden en neerdaalden als een stortbui.
Ik herinner me de wind die mijn gezicht streelde en mij afkoelde. Ik kan me niet herinneren of hij terugvocht.
Volgens het onderzoek en de autopsie bleek dat hij zich probeerde te verweren. Maar hier weet ik niets meer van.
Ik weet nog wel perfect hoe hij mij aankeek. Hoe zijn ogen strak in de mijne keken terwijl hij naar adem zocht.
Ik denk niet dat ik iets gezegd heb. Behalve toen het afgelopen was.
Ik kan me ook niet meer bedenken waardoor ik gestopt ben.
Ik stopte gewoon.
Als een storm die opeens bekoeld was.
Ik wist dat het moest gebeuren.
Dat zijn leven moest eindigen.
Had ik het zo gepland? Nee.
Ik wou gewoon praten.
Maar hij wou niet luisteren. Hij wou niet inzien wat hij mij had aangedaan.
Hoe hij mij mijn leven had ontnomen. Hij besefte niet dat zijn leven ook moest eindigen.
Hij heeft het zichzelf aangedaan.
Had hij maar geluisterd, had hij maar begrip getoond, had hij maar gewoon geluisterd.
Dan had het zo ver niet hoeven te komen.
Maar nu zijn we samen. Zoals het altijd had moeten zijn. Het was ons lot. Wij samen, voor eeuwig. Hij was het gewoon even vergeten. Maar ik heb hem eraan herinnerd. Hij weet het nu.
Twee jaar lijkt een lange tijd, maar alles is zo snel gegaan. Twee jaar lijkt nu nog maar op een vluchtig moment. Zo kort, zo klein, alsof je het kan vangen en vasthouden. Maar het kwam als een prachtige vlinder, die op een warme zomerdag even je kwam vergezellen met zijn schoonheid. En voor je het goed en wel besefte, was hij alweer verdwenen. Je kan er achter aan gaan en hem proberen te vangen, maar een vlinder laat zich niet zomaar vangen.
Zo was het ook met hem.
Zo was het ook met ons.