(De roman die ik koos ter inspiratie is 'Istanbul. Herinneringen en de stad' van Orhan Pamuk, p. 91 en volgende (mijn vader, mijn moeder en hun verdwijningen))
Ik zat in kousenbroek aan de bar, lichtjes heen en weer te draaien. De ‘bar’ was een eenvoudig maar prachtig modern meubel dat onze hele benedenverdieping bij elkaar hield; Het was wit en glad met zwarte naden, aan de keukenzijde met een strakke hoek afgemaakt, terwijl het aan het andere einde, daar waar je vanuit de keuken één trapje naar beneden liep om in de living te komen, met een sierlijke bocht naar rechts de muur tot aan het tuinraam omarmde en zo keuken en living in één beweging verbond. Recht tegenover het lange gedeelte van de bar - op nog geen meter ervandaan - was in datzelfde witte, strakke materiaal een deur voorzien die door haar enorme dimensie het belang uitdrukte van de ruimte erachter die zij afscheidde van het privégedeelte, namelijk: het rijk van mijn moeder – ‘de praktijk’.
Het was ons zonder restrictie toegestaan om bij het minste verlangen door die deur te lopen en aan de secretaresse die er vlak achter de wacht hield, te signaleren dat we moeder wilden zien, terwijl ook moeder met de regelmaat van een klok de poort van haar heiligdom openzwierde om zich tussen twee patiënten door te laven aan de knuffels van haar dochters. Mama was mooi, modern en vol goede smaak. Het idee dat ze – in alle openheid - met Jos Put aanhield was dan ook niet te rijmen met de onvoorwaardelijk aanbidding die ik voor de rest voor haar voelde.
Ik haatte Jos Put. Hoe hij, terwijl we steeds en willens nillens met z’n veertienen optrokken, speciaal voor haar liedjes opzette, of ze godbetert zelf bedacht en dan met zijn belachelijke zoon Eric op nieuwjaar voor haar zong. “Ben ik te min” bleek hiervoor een van zijn favoriete nummers te zijn, een soort van onderkruiperige, verongelijkte aanklacht van een armzalige vent die om aandacht schreeuwt op de foute manier. Hij had alleen oog voor ‘Sneeuw’, een naam die hij voor mijn moeder had uitgevonden en die – toegegeven - heel mooi bij haar karakter paste maar door de identiteit van de bedenker ervan alle schoonheid en zuiverheid verloor, en me bij het horen ervan telkens opnieuw rillingen van afschuw gaf. Zij bedacht hem op haar beurt met het nog veel onnozelere ‘Tupje’. Eigenlijk wou hij het liefst dat moeder ons achterliet voor hem. Hij had dan ook, ondanks het feit dat hij zelf vader was, geen enkele consideratie voor kinderen en zelf vonden wij hem ook oneindig oninteressant.
Toen ik die dag op de barkruk zat, voelde ik me loodzwaar, alsof mijn buik een diepe, donkere ruimte herbergde die me pijnlijk naar beneden zoog. Om een onverklaarbare reden had ik het in mijn hoofd gehaald dat dit het moment was waarop mama eindelijk zou afzien van die relatie, waarop we onze wederzijdse gevoelens daarover zouden uitspreken en ik die dobberende bubbel aan haar zou kunnen tonen. Zij zou eerst in ongeloof verstild staan, stilaan zou het binnensijpelen hoe erg zij zich vergist had, alles onderschat had, zij zou haar spijt uitroepen, zich voor mijn voeten werpen of op zijn minst me in de armen sluiten, zich berouwen om al haar beperkingen en vergiffenis vragen. Die hele janneboel met Jos Put zou onmiddellijk worden afblazen. Als ze ons binnenste zou zien. Maar de bubbel kwam niet ter sprake. Wat voor mij als een ultiem moment had aangevoeld, als een prachtig kantelpunt van waarop alles zou veranderen, was voor mijn ongezien efficiënte moeder gewoon een rustpunt tussen twee patiënten door. Ze kwam met haar witte schort, lange laarzen, mooie pony en haar vertrouwde geur van zoete zonnebrandolie, UVA lampen en medische latexhandschoenen gewoon even een kusje halen bij haar ‘konijnen’. Er was geen sprake van dat we dat weekend nìet iets met de Putten zouden doen, en de zaak was afgedaan. Ik bleef verweesd achter, verpletterd door de evidentie waarvan moeder uitging dat wij daarover geen mening of gevoelens hadden. Tegelijkertijd voelde ik een verbetenheid en vechtlust om in mijn kousenbroek en al mijn lenigheid het gevecht met Jos Put aan te gaan en hem in één klap uit te schakelen, naar een andere wereld te katapulteren, waar niemand nog ooit komt en wij er nooit nog last van zouden hebben. Ik draaide lichtjes heen en weer op de stoel en mama was vertrokken naar de volgende patient. In haar knappe witte schort.