Leeg en ontvankelijk tegelijk.
Leeg aan de stellingen
van links of rechts
of voor of achter
waarin ik mij soms geankerd had.
Ontvankelijk voor elk klagen
van links én rechts
én van voor én van achter
dat mij komt toegewaaid.
buigzaam en krachtig tegelijk.
Buigzaam met elke wind mee,
niet om hun gunst te krijgen
maar om elk hun verhaal te horen.
Krachtig om niet te knakken
onder de lawine van
stortbuien aan tegengestelde
belangen en gedachten die
mij beregenen.
Roerloos en bewegend tegelijk.
Roerloos als de wind
even gaan liggen is,
niet om mij in mezelf te keren
maar om alle verhalen te doorvoelen.
Bewegend in een bries,
niet om een verhaal te bestrijden,
maar om door handelen
alle richtingen
een gunst te brengen.
Ik wil zijn als riet
die door mijn leegte
alles en allen verbind
en ik daardoor volheid ben.